Wij deelden, bij een vroegere recensie van versjes voor kinderen (de Gids, Jaarg. 1838, bl. 438-445) onze gedachten over deze soort van Poëzij, uitvoerig mede. Eene herhaling dier ontwikkeling van ons gevoelen zoude verwaand schijnen; niets noopt ons er den Lezer mede te kwellen. Onze bewondering, onze aanprijzing der Gedichtjes van den onovertroffen' van alphen, moge de belangen van eenige Uitgevers hebben gekwetst; hunne tegenspraak heeft ons niet overtuigd, dat de jeugd bij het slagen hunner speculatiën zou hebben gewonnen. Integendeel, meer omgang met kinderen; - het toeluisteren, bij gelegenheid dat eenige wichtjes versjes, uit Groot en Klein Westerman en uit de vele boekskens van Mr. van der aa, opzeiden; - de redenen, door de kleinen bijgebragt, waarom zij deze liever declameerden - ook onze jeugd declameert! - dan van alphen's Gedichtjes, versterkte ons in het geloof aan den pligt der kritiek opgelegd. Verbeeld u, dat den navolgers de voorkeur boven den meester werd gegeven, omdat ‘hunne versjes zoo veel meer kunst eischten in het opzeggen.’ Waarlijk, wanneer de schoolmeester daartoe in het land is gekomen, wordt het tijd aan een woord te herinneren, door broes voor vijfentwintig jaren gesproken; door broes, die toen reeds den zeldzamen tact bezat, welke nog den scherpzinnigen grijze onderscheidt, iedere verkeerde rigting zijns tijds met eenen arendsblik op te merken; door broes, wien de zeldzamer lof toekomt, van den opgang zijner jaren tot den avond van zijn leven, bescheiden, ernstig, onvermoeid tegen die alle te hebben gewaarschuwd!
Zoo ge geen vreemdeling zijt in zijne uitmuntende Leerredenen,
raadt gij de plaats, welke wij bedoelen(1); het geldt de houding van jezus in den Tempel ‘zittende in 't midden der Leeraren,’ ‘doe hij twaalf jaren [oudt] geworden was.’
‘Door het misverstaan van sommige uitdrukkingen in den tekst, is dit tooneel niet weinig misvormd geworden, vooral in prentverbeeldingen, welke het Jongske voorstellen als gezeten in het midden van grijze mannen, en die met de deftigheid van den leeraar onderwijzende. Zulke voorstelling wensch ik, dat bijzonder in het oog van Ouders wanvoegelijk zij, en hun herinnere, dat de uitstekende begaafdheden van een kind, zonder lieve zedigheid alle sieraad mist, en zelfs schadelijk is. Een wijs man uit onze eeuw heeft ten dezen opzigte geraden, om de kleine kinderen bij voorkeus tot zulke wetenschap te leiden, als welke, terwijl zij groote nuttigheid heeft, tevens min vatbaar is om met praling vertoond te worden, b.v. liever tot de kennis van honderd gemeene voorwerpen, die overal ons omringen, en naar welke niemand vraagt, dan versjes, die met grooten lof worden opgezegd.’
En stel u nu een lief kind voor, een krullebol van een jongen, die zijn vlieger nog niet alleen kan oplaten, of een meisje met en paar geestige kijkers, dat nog op uw knie paardrijdt, en luister toe. Ge hoort geene eenvoudige vertelling, waarin vader of moeder de wijste zijn, een echt-kinderlijk, maar toch zeer-poëtisch versje; neen! er worden u stukken voorgedragen, welker bastaardstijl, nu eens tot het platte afdalende, dan weder het gezwollene naderende, die uit de scholen moest doen weren. En wie vervangen de Oude Baker, de Lieve Mama, de Ernstige Vader, uit de Gedichtjes, die zelfs bowring wist te schatten? Een neuswijs nufje dat lessen uitdeelt en pedant is als een scholiere, die zes prijzen heeft behaald; of een dreumes van een jongen, die geen aalmoes kan geven, zonder als een klein manneke op een catheder, den lof der weldadigheid uit te bazuinen. Of de Dichter spreekt zelf en vergeet zoo zeer het publiek, waartoe hij zich wendde, dat wij onlangs eene kleine, met groote deftigheid, een natuurverschijnsel hoorden beschrijven, waarvan het schaap niets begreep. Het was een versje op een Onweder; zoo wij ons juist herinneren, werd er van den regen, den storm en den bliksem gezegd, dat zij
‘Wat zegt ge daar?’ vroegen wij.
Het kind herhaalde dezelfde woorden.
‘Maar wat beduidt die “ontzachbre woeling,” en “dat kwijnend leven der natuur?”’
Stumm, wie ein Fisch.
Zie, wij gunnen Lorre zijn koperen kooi en zijn klompje suiker, en zijne zoete woordekens van de vrouw; maar wij vinden geene papegaaijen zoo aardig, om gevleid te zijn met de overeenkomst, die onze kinderen er meê krijgen: Lorretje! Kaporretje! Kapoe!
O, van alphen!
I. Dichtbundeltje voor de Jeugd. Het boekske ziet er allerliefst uit; drie gegraveerde plaatjes en een gekleurd bloemstukje, zijn den netten druk en het goede papier waardig; de Uitgevers verdienen allen lof. En de naamlooze Dichter, die zich zedig schrijver noemt? Zijne talentvolle versificatie, zijne stukjes in den Twentschen tongval, zijn liefde voor het Huis van Oranje, verraden zijns ondanks den Marquis de thouars. Uit de Poëzij, vroeger door ZEd. uitgegeven, zouden wij hem weinig aanleg hebben toegeschreven, versjes voor de jeugd te dichten; het is slechts billijk te erkennen, dat hij onze verwachting overtrof. Of is er geen meesterschap over de uitdrukking in dit Fragment van een Brief van leonard aan zijn Zusje:
[Waarom niet?
Wij wenschten een even gunstig oordeel te mogen vellen over het fonds, als over den vorm; wij wenschten te kunnen getuigen, dat door dit bundeltje de kring der begrippen van de kinderwereld is uitgebreid, dat wij hier veel vonden, wat regt geeft na van alphen voor de jeugd te schrijven. Wij willen den Heer de thouars niet hard vallen, over het opvoeren der nuffige nannij, die de aanleiding tot dit boekje gaf, door hare opmerking:
Ons zou het aangenaam geweest zijn, indien ZEd. voor de jeugd, meer dan hij deed, andere onderwerpen had behandeld, dan de deugden door van alphen onverbeterlijk bezongen, want waar hij met dezen wedijvert, blijft hij beneden zijn modèl. Te Laat Berouw, de Pronker, De Drie Weesjes bij het Moedergraf, herinneren ter kwader ure aan den Man, die zoo eenvoudig en toch zoo verheven was, en als wij reeds opmerkten, de ouders wijzer schetste dan de kinderen. Het Ongeduldige Betje, het lieve Jedientje, de Verjaargroet van de kleine Elize aan hare Gouvernante, scheelt het aan ons, dat wij ze niet natuurlijk en daarom niet verdienstelijk vinden? Juffrouw Trekkebek is leelijk, de Brabbeltaal misplaatst; doch laat ons liever van die onderwerpen gewagen, welke de Heer de thouars voor het eerst en bij voorkeur behandelt. Indien ZEd. zich de studie van kinderen wil getroosten gelooven wij, dat hij in dit vak iets verdienstelijks zal kunnen leveren; schoon wij thans misschien even zoo vele aanmerkingen zullen moeten maken, als er stukjes van dien aard in het bundeltje voorkomen. Wij achten b.v. de Koning geen gelukkig idée voor eene zamenspraak tusschen twee kinderen, waarvan het
eene nog zoo jong is, als eene vraag van Fritsje doet vermoeden. En echter is de greep aardig: men hoore:
Wij zijn geneigd, om de meerdere levendigheid van voorstelling, hooger lof toe te kennen aan het versje: Als de Koning jarig is.
Immers, in den waren toon zijn coupletten als deze:
Het blijkt, dat wij van geene redeneerzieke kinderen houden, dat ons ieder tooneel uit die wereld welkom is, mits het waar zij. Onze taak verpligt ons, er een den Heere de thouars minder aangenaam bewijs van te geven. Hoe belagchelijk zoude in den mond van een kind de uitgalming zijn, waarmede het stukje: ‘Het Vaderland’ getiteld, begint:
want wat weet het wicht van de overige rijken? Drie vierde der voorregten, welke het kind ten onzent geniet en die het vervolgens in het liedje opsomt, smaken de kleinen overal, - de verpligting, die de heldendaden der Vaderen ons opleggen, gaat nog boven hun begrip. Zij zullen, ook zonder kinderversjes, later genoeg leeren op de laatste te bluffen, zonder zich om de eerste veel te bekommeren. Oranje, schijnt ons even overdreven, want:
wordt zoo min door een kind begrepen, als wij dit de bevoegdheid toekennen, uit te roepen:
Er is tegen den goeden smaak gezondigd in de Papegaai; oordeel zelf:
Moge de waarschuwing niet voor den Heer de thouars verloren zijn!
Aandoenlijk, eenvoudig, lief, op enkele plaatsen zelfs fraai, scheen ons de Vaderlandsche Rouw, dat wij geheel afschrijven:
Hetzij de teekening aan de natuur ontleend zij, - de Dichter zegt in zijn Afscheid:
hetzij het gevoel van den Heer de thouars de situatie hebbe geraden, wij huldigen er te vele verdiensten in, om ZEd. niet aan het einde van ons verslag uit te noodigen, meer voor de jeugd te schrijven. Hij zie af van de hopelooze mededinging met van alphen, hij betrede zijn eigen weg; wij zouden hem gaarne als vriend een raad geven. Hij kieze uit het leven onzer Prinsen van Oranje - de groote mannen zijn talrijk in het geslacht! - eenige merkwaardige feiten, en bezinge die in de eenvoudige manier, welke wij in dit stukje waarderen, voor de opbloeijende jeugd. Aan geestdrift voor die taak ontbreekt het hem voorzeker niet; hij getrooste zich de studie die zij eischt, hij wantrouwe, hij zuivere zijnen smaak, en wij zullen hem zoo gaarne toejuichen, als de nijd het weinig van ons gelooft!