Gedurende meer dan drie eeuwen hebben de Kusjens van onzen janus secundus hunnen roem gehandhaafd, en het zeggen van den meer ernstigen hadrianus junius, dat zij zoo lang in waarde zullen gehouden worden, als de mond der minnenden tot kussen geneigd zal zijn,(1) bewaarheid, en dit gezegde zal zoo lang bewaarheid blijven, als er smaak voor Latijnsche poëzij zal bestaan.
Vreemden, vooral de Franschen, schatten dit en andere werken van onzen zoo jong gestorvenen landgenoot hoog, getuigen de menigvuldige overbrengingen der Basia in de Fransche taal. Reeds remy belleau vertaalde er twee of drie, en jean antoine de baïf het zesde. Mirabeau vervaardigde, tijdens zijne gevangenschap te Vincennes, van al de Kusjens eene overzetting in proza, en zondt ze van daar met eene vertaling van tibullus aan zijne minnaresse, sophie ruffey(2). Ook montonnet de clairfons en simon de troyes bragten de Basia in proza(3), en cl. joseph dorat in dichtmaat over(4). In den jare 1806 verschenen er in de Fransche taal wederom twee dichterlijke vertalingen, eene van p.j. heu en eene van den geleerden p.f. tissot(5), naderhand Hoogleeraar te Parijs, van welke laatste in den jare 1826 eene derde uitgave(6) te Brus-
sel het licht zag, en reeds in 1812 verscheen er eene nieuwe poëtische overbrenging van michel loraux(1). Maar niet alleen dichters schepten in Frankrijk behagen de Latijnsche Muse van onzen secundus een Fransch kleed aan te trekken, ook eene dichteresse vond zich hiertoe genoopt. Het was Madame céleste vien, die reeds vroeger eene proza-vertaling der gedichten van anacréon had gegeven, welke in den jare 1832 eene dichterlijke overzetting der Kusjens van onzen beroemden landgenoot in het licht gaf(2).
Van onze Hoogduitsche naburen kennen wij drie vertalingen, eene van den Vrijheer fr. wilh. v.d.g. (ortz) en eene van eenen onbekende, beide geplaatst in het vierde Deel der ‘Natürlichkeiten der sinnlichen und empfindsamen Liebe, von Freihern fr. wilh. v.d.g.’(3). De derde, welligt de beste en zeker de getrouwste, is in rijmlooze verzen van frans passow(4).
Vreemd is het, dat niet één onzer Nederduitsche dichters tot dusverre eene vertaling van al de Kusjens van hunnen beroemden landgenoot hebben gegeven. Dat zij het onderwerp meester zijn, en dat het nog niet is uitgeput, heeft bellamy, heeft bilderdijk, om van vroegeren als hooft, cats, westerbaen, enz. en van lateren, wier namen ons op de lippen zweven, niet te gewagen, genoegzaam getoond. Wie, die de erotische poëzij bemint, kent niet de jeugdige gedichten van onzen zelandus? wie niet de odilde, de ware Kus, om van andere te zwijgen, van onzen Puikdichter? - Het is waar, het ontbreekt ons niet aan navolgingen. Douza, de Flaamsche janus lernutius (lernout), de Amsterdamsche albertus eufrenius (albert goedart) en anderen, poogden secundus in de Latijnsche taal na te volgen: - het waren slechts pogingen. In de Nederduitsche taal hebben wij van laurens reael eene verre navol-
ging van een gedeelte van het Eerste Kusjen(1); van j. van broekhuizen van het zevende(2), en jacob van heemskerk leverde in zijne Batavische Arcadia slechts eene korte, zwakke proeve(3). De dichter jacob westerbaen gaf in zijne Minnedichten eene vertaling van vijftien dier Basia(4). Doch deze vertaling, hoezeer niet onverdienstelijk voor den tijd waarin zij gemaakt werd, is echter thans niet meer geschikt om aan ieder het schoon der gezangen van den Latijnschen dichter te doen gevoelen, gelijk het dan ook niet te ontkennen valt, dat westerbaen, niet met de kieschheid van uitdrukking, onze eeuw eigen, sommige min kiesche plaatsen van secundus heeft overgebragt(5). Het ontbrak ons alzoo aan eene goede Nederduitsche vertaling van al de Kusjens van onzen Nederlandschen catullus. De Heer engelen heeft deze gansch niet gemakkelijke taak op zich genomen en loffelijk ten uitvoer gebragt. Hij verdient hiervoor onzen dank. Al de door hem in het aangekondigde boekske geleverde gedichtjes zijn verdienstelijk en onderscheiden zich veelal door eene gemakkelijke en zoetvloeijende versificatie, en hoezeer zijne overbrengingen, even als die onzer Fransche en Hoogduitsche naburen, beneden het oorspronkelijke blijven, kunnen zij echter doorgaans de toets met de vertalingen van deze doorstaan. Wij zullen, om dit aan te toonen, hier een Kusjens van secundus overnemen, et de vertalingen der onderscheidene natiën bijvoegen en hierdoor tevens ons motto, ten
opzigte van secundus, trachten te wettigen. Wij kiezen hiertoe het derde Kusjen, als het kortste. Dus luidt het:
aldus door frans passow overgebragt:
Tissot vertaalt het:
en Mme céleste vien:
Hoor nu onzen engelen:
Westerbaen had het vroeger dus overgebragt:
En nu beslisse de lezer, aan wien hij de voorkeur gelieve te geven. Zoo als wij zeiden, wij gaven dit Kusjen tot voorbeeld, omdat het het kortste van allen is. Er zijn er echter die de Heer engelen, naar ons oordeel, nog gelukkiger heeft overgebragt. Zoo bevalt ons b.v. om de zoetvloeijendheid der versmaat, bijzonder de vertaling van het 5de:
Zoo ook heeft onze landgenoot, bevalliger dan anderen, het slot van het 14e Kusjen
overgebragt door
hoezeer dat thans hier niet anders dan eene cheville is, welke wij gaarne hadden gemist. Het anseris medulla zou men welligt niet ongelukkig kunnen overbrengen door ganzenlever; want het denkbeeld is alsdan, dat het meisje nog zachter of weeker van inborst is dan ganzenlever! welk eene treffende tegenstelling tegen het marmore durior.
Juist is de vertaling van het slot van het 18e Kusjen
Stijf en min bevallig heeft onze Dichter het begin van het 10e Kusjen overgebragt. Dit begin luidt:
Engelen brengt het over:
Juister doet zulks passow:
en bevalliger Mme c. vien:
ofschoon de volgende regel
den indruk weder verzwakt.
Tissot heeft alleen:
Ook het zieledaauw, waarvan wij in het 4e Kusjen lezen, beviel ons minder. Rores animae is daauw (verkwikking) voor de ziel, niet van de ziel.
Achttien der negentien Kusjens zijn door den Heer engelen in rijm, het 7e, het bevallige
in rijmlooze regels overgebragt.
Westerbaen bragt ook dit Kusjen in rijm over(1). En dit brengt ons als van zelve tot de Voorrede van onzen Schrijver, waarin hij westerbaen(2), naar ons inzien, te hard behandelt, wanneer hij diens navolgingen beneden het middelmatige noemt. Zie hier hoe deze Dichter gezegd 7e Kusjen in onze taal heeft overgebragt;
Is dit nu beneden het middelmatige? - Het laatste gedeelte van dit gedichtje is door onzen van broekhuizen in zijn bovenvermeld
gelukkig nagevolgd.
Maar wij keeren tot den Heer engelen en zijne vertaling der Basia terug. De door ons aangekondigde bundel is een tweede druk. De eerste verscheen in 1830: een bewijs dat deze onderneming bijval vond. Achter de eerste uitgave vindt men eenige aanteekeningen die hier zijn weggelaten; maar dit gemis is rijkelijk vergoed door den oorspronkelijken tekst, die in deze tweede uitgave tegen over de vertaling is geplaatst, en door eene navolging van twee elegien van secundus, terwijl daarenboven het beknopt levensberigt een weinig is uitgebreid. Dit laatste moet echter onderdoen voor hetgeen, ond. and. de Heer buddingh in den Zuid-Hollandschen Almanak voor het jaar 1839, heeft geplaatst. De navolgingen der beide Elegiën: De Droom (Somnium. Eleg. L. I, El. 10) en op Julia's Echtverbindtenis (Eleg. L. I, Eleg. 8), zijn zeer verdienstelijk.
De Heer engelen smake veel vreugde van dit zijn werk.
Druk en uitvoering zijn keurig, en zoo als wij van den Heer van boekeren verwachten. Het aangekondigde is een bevallig, net boekske.
Amst., Julij 1839.
V.H.