Ik weet niet of gij, dichterlijke lezers en lezende Dichters, van het gevoelen diens Poëets zijt, die nimmer iets wilde vertalen, uit vrees van zijne oorspronkelijkheid te verliezen; of van het gevoelen van bilderdijk, die eene Ode van horatius, tien en meermalen in verschillende vormen en versmaten overgoot. Ik heb een vriend, die misschien het eerste eene al te ver gedreven nationaliteit, maar zeker het laatste eene dichterlijke Rhetorica zoude noemen, een onwaardig spel voor den geest des meesters, een poppenkneeden van de hand, die den beitel moest voeren.
Het is eene alledaagschheid geworden tot het Juste-milieu te behooren, en met hoeveel Grieksch en Latijnsch gezag ik u ook zoude kunnen bewijzen, dat de waarheid in het midden ligt, vrees ik toch, dat gij er mij niet minder om verdenken zoudt, onder het langgelokte hoofdsieraad onzer vaderen te schuilen. Advienne qui pourra; ik ben er voor, dat er vertaald, maar niet te veel vertaald worde; en ik ben er vooral voor, dat bij vertalingen de vorm van ondergeschikt belang zij, dat de uitdrukking soms, de geest nimmer opgeofferd worde, dat de champagne ons in een plat glas worde toegediend, indien er zoo snel geen hoog te vinden is.
Wij gelooven dus den arbeid van den Heer van den bergh verdienstelijk te kunnen noemen. Hij heeft genoegzaam strijdige elementen gekozen, om het verschil van dichterlijke gedachte en vorm te doen uitkomen. Lamartine, victor hugo, byron, moore, seidl en nog eenige andere hebben beurtelings hunne vleugelen moeten leenen en hij heeft ze beter aan zijne schouderen weten te bevestigen, dan de zoon van daedalus, die - ik hoop, dat hier voor de laatste maal ter vergelijking gebezigd moge zijn.
En thans zoudt ge u zeker zeer verheugen, lezer! wanneer ik u eenige menigte gebreken in uitdrukking en versbouw, in klemtoon en woordvoeging - ik wil niet zeggen of ik het zou kunnen - mededeelde en den armen vertaler eene parforce-jagt aandeed, tot hij naar zijnen adem hijgde. Gij zult het genoegen niet hebben, goedhartige lezer! Integendeel wil ik u als eene proeve, dat de Heer van den bergh dikwijls gelukkig geslaagd is, eene der kleine dichtstukjes voor u afschrijven, en, ten einde u zelven te laten oordeelen, er het oorspronkelijke bijvoegen.
Et j'entendis une grande voix.
Apocalypse.
Ende ik hoorde eene groote stemme.
Openbaring XVI:1.
En toch, hoewel wij, op een paar vlekjes na, deze vertaling zeer gelukkig vinden, toch raden wij van den bergh aan, goeverneur's overbrenging van de Jamben van barbier nog eens te lezen.
Ten slotte ontvangen wij nog eene vertolking van een Engelsch vers van ten kate. Het is of de dichters bij ons zich tegen den Zondvloed willen beschermen door paar aan paar in de Arke te gaan.
Kent ge iets ergers dan schimmen van schimmen? Het geëerde publiek ontvangt hier de schim van jose, die zelf dan toch reeds iets revenantachtigs had en die ongelukkig bij zijne nieuwe verdunning zich vermomd heeft in een Drentsche boerenpij, waarop
hier en daar nog een lap van zijn vroeger dichterlijk vorstenkleed is blijven zitten. Zoo beets nog noodig had het gevaarlijke eener manier in te zien, hij zou nooit harder maar ook nooit nuttiger les hebben kunnen ontvangen, dan zulk een navolger gevonden te hebben. De Dichter van jose heeft intusschen getoond, dat hij zich boven zijne manier verheffen kon, dat hij zelfstandig kon zijn; en de lauwerkrans die hij zoo vroeg reeds verworven heeft, is er geen blad armer om geworden. Moge de Auteur van den Roover ook dit voorbeeld volgen: wij zullen de eerste zijn, die hem toejuichen.
Wij mogen durwic niet hard vallen, want hij is de laatste Bard en wij hopen, dat hij het blijven zal. De zon van ossian is ondergegaan in de nevelpoëzij, die hij voortgebragt heeft en de distel, die in den wind schudt, is het treurige beeld van den laatsten Bard.
Toch is het te bejammeren, dat de dichter van durwic zulk een ongelukkig standpunt gekozen heeft, want zijne poëzij is niet van verdienste ontbloot en wij wenschten dat zij eene andere rigting had. Want niettegenstaande de Auteur ons verzekert, dat de smaak voor ossian's zangen nog heerschend is, gelooven wij - sauf respect - dat die heerschappij niet veel meer te beteekenen heeft, dan die van menig ander clan-hoofd; en zich niet verder uitstrekt dan tot bet bezit van een titel en van den een of anderen bouwval op een onvruchtbaren in nevelen gehulden berg.
Misschien intusschen staat er nog eenmaal een tweede napoleon op, die ossian weder in den heerschenden smaak brengt - habent sua fata - wij geven alsdan durwic het regt ‘den somberen norschoog darthon’ met ‘de speer die vlammend trilt’ op ons af te zenden.
Eerste Afdeeling: de Maagd van Nederland aan den voet gebogen van eenen Reus met den bliksemstaf van den Oppergod in hand; ja, op de borst getrapt door het gruwzaamst dwangvermogen, schier stervende onder het wigt van 's ondiers ijzeren voet; de nek en het handenpaar in ketenen gesloten, het gelaat van slijk besmet, van loodkleur overgoten, en het halfgebroken oog in bloed.
Tweede Afdeeling: de Reus een aanspraak houdende (te lang en te akelig om te schrijven) in het genre van een verrader uit een hedendaagsch treurspel.
Derde Afdeeling: de Reus neergebliksemd door een straal, een wraakvuur van Gods toren. Als decoratie staan voor het oog der aard, die op het gezigt moet beven, aan het firmament twee namen opgeschreven, in vuurge letters, rood als bloed! het is Moscou! - Leipzig is het! -
Vierde Afdeeling. Slotkoor: - het eenigst gedeelte waar wezenlijk poëzij in is en dat wij niet aarzelen zouden voortreffelijk te noemen, indien het op zich zelf stond. Hoe is het mogelijk dat de Heer greb, die hierin fijn gevoel en dichterlijke vlugt aan den dag legt, in de eerste afdeelingen zulk een versletene voorstelling op zulk eenen gezwollen toon heeft kunnen opdreunen? Hij wachte zich dat geen tweede jan de Rijmer hem met zijn doedelzak aan de ooren toete en zij niet te boos over ons ridendo castigare.