Het valt niet geheel te ontkennen, dat onze historische studiën in het algemeen vroeger, en thans nog eenigermate, meer naar het buitenland gerigt waren, dan op den geboortegrond, en men meer in de oude Wetten, instellingen en gewoonten van vreemden poogde in te dringen, dan het vaderlandsche van nabij gade te slaan. Wat de regtsstudie meer bijzonder aangaat, is het in het oog vallend, hoe het vaderlandsche, in vergelijking met het uitheemsche, verwaarloosd is en wordt. Slechts enkele mannen hebben bijdragen tot onze regtsgeschiedenis geleverd; maar eene eenigzins uitgewerkte regtsgeschiedenis wordt bij ons ten eenemale gemist. Dit is niet zoozeer toe te schrijven aan onze eerste Geleerden, wien het niet aan lust tot onderzoek zoude
ontbreken, indien zij slechts bij de Lezers genoegzame aanmoediging vonden, maar aan eene laauwheid, waarvan onze Regtsgeleerden niet geheel zijn vrij te pleiten, aan eene bekrompenheid, waardoor de studiën zich grootendeels bepalen bij datgene, wat onmiddellijk van praktisch nut is.
De Fransche Wetgeving, hier al te lang van kracht, heeft daartoe voorzeker het hare bijgedragen. Bij menigen Regtsgeleerde maakten de Fransche Commentaristen schier alleen de geheele regtsgeleerde Boekverzameling uit. Het oude Vaderlandsche Regt werd weinig beoefend, gekend en veelal veracht. Intusschen diende men de beoefening van het vaderlandsche in de eerste plaats ter harte te nemen, en hun, die daartoe lust en opgewektheid gevoelen, aanmoediging te schenken. Die aanmoediging echter ontbreekt tot dusverre, ook nog na de invoering van eene Vaderlandsche Wetgeving, maar al te zeer, en zonder dezelve zal men in dezen nimmer vooruitkomen; want wat baat het nuttige Werken te schrijven, wanneer men op geene Lezers kan hopen? Wij zeggen met melis stoke:
Te meer worden wij hiertoe opgewekt, als wij zien, hoe vreemdelingen, als jacob grimm, karl Freiherr von richthofen, onze oude regten, tot aller beschaming, met eene verwonderlijke grondigheid en geleerdheid tot een punt van onderzoek maken.
Hierom noemen wij het een verblijdend verschijnsel, wanneer iemand met eene bekwame hands moed genoeg bezit, om de vruchten van zijn onderzoek door den druk mede te deelen, en uit dien hoofde heeft ook de onderhavige Verhandeling bij de lezing ons met een zeker genoegen vervuld.
Het moge waar zijn, dat de beschouwing van de oude wijze van Strafvordering veel van hare waarde verloren heeft, sedert onderscheidene opvolgende Wetgevingen het oude meer en meer verdrongen hebben, en sedert de wijsgeerige beschouwing van het Strafregt, gevoegd bij de meerdere beschaving onzer eeuw, de zaken zoo geheel van gedaante deed veranderen; maar het is toch ook waar, dat de beschouwing van de verhouding der
zeden tot het Strafregt steeds belangrijk blijft voor een volk, dat altijd veel van de eigenaardigheid van het voorgeslacht heeft aangeërfd. Het blijft altijd opmerkelijk, na te gaan, welken invloed onze oude regten op latere Wetgevingen, ook op die van andere volken, gehad hebben.
Na eene bescheidene Voorrede en korte Inleiding, waarin de Schrijver zegt kortelijk te willen schetsen: ‘hoe de regtsvordering in strafzaken in die tijden plaats greep, toen het Duitsche regt nog in volle kracht was,’ en zijne verdeeling opgeeft, gaat hij terstond over tot het onderwerp.
1o. De Geregtsplaats.
De Schrijver toont aan, dat heiligheid en openbaarheid twee hoofdvereischten van het Geregt waren, en dus de geregtsplaats veelal eene heilige plaats en oorspronkelijk in de opene lucht was. Men hield dus gewoonlijk vóór Kerk en Raadhuis de Regtbank, totdat men later daarbinnen trok.
Hij had hier echter niet uit het oog moeten verliezen, dat de geregtsplaats veelal tevens de vergaderplaats des volks was, en dat men zoowel bijeenkwam, om Staats- als Regtzaken te behandelen; voorts niet alleen, om regt te spreken, maar ook om Wetten te maken. Daar nu dit laatste onder onmiddellijke medewerking van het volk plaats had, moest men wel gebrek aan plaatsen tot het houden der bijeenkomsten hebben, en het ontbrak meestal aan gebouwen, die zulke talrijke scharen konden bevatten. De geregtsplaats in de opene lucht was dus eene noodwendige plaats, om bijeen te komen.
De Volksvergaderingen, vooral bij de Friezen, onder den naam van Lioda warf bekend, toonen dit duidelijk aan. Adam bremensis, in lindenbr. Rer. Sept. Schriptt., 60, zegt:
‘Praedicatores autem veritatis, si casti, prudentes et idonei sint, ingenti fovent amore, adeo ut concilio populorum communi, quod ab ipsis warfh, a nobis Thinc vocatur, Episcopos interesse non renuant.’
2o. De Geregtstijd.
Algemeen was er bepaald, dat de geregtstijd tusschen zonsop- en ondergang zoude zijn; op sommige plaatsen alleen bij klimmende zonne. Grimm (Rechtsalth. 1819) heeft aangetoond, dat in Duitschland de verschillende dagen der week tot regtsdagen dienden. Wij hadden wel gewenscht, dat de Schrijver hierin ook onze oude regtspleging naauwkeurig had nagespoord. Zoo vinden wij in het Landr. van Averissel, II, 10, deze bepaling:
‘Ten sevenden sal zyn Richter yder man by gesatte unnde
ghewontlike tyde umme niet to recht sitten, by wercheldagen und by klimmender Sunnen.’ Zoo is het opmerkelijk, dat in de oudste tijden op zondag regt gesproken werd, en ook nog later hier en daar.
Wat mag hiervan de reden zijn? Wij houden het er voor, dat dezelfde reden hier gold, die oudtijds gewijde plaatsen tot geregtsplaatsen deed verkiezen. Men beschouwde de regtspleging in de oudste tijden niet zoozeer als eene burgerlijke handeling; maar vooral in strafzaken was het een goddelijk werk. De regter vervulde de plaats van Gods straffende geregtigheid, en daarom liet men ook meermalen bij ordalia of Godsoordeelen door de Voorzienigheid beslissen over schuld of onschuld. In de oude Friesche Kesten 3. blijkt het duidelijk uit de volgende uitdrukking, dat men het regterlijk ambt als een geestelijk ambt beschouwde. ‘So ne aegh hi neen doem to delane, omdat die aesga biteyckenet di Prester. Want hya sint agen der Christenheed, hya schillet helpa dam ende dyn wei wisa, deer him self naet helpane mey.’
3o. De Teregtzittenden.
De oud-Duitsche regtspleging had tot grondstelling, dat de vrije man, als lid des volks, slechts door het geheele volk, of althans door een gedeelte des volks, konde geoordeeld worden. De geregtspersonen waren de oordeelaars en de regter.
De Schrijver heeft hier vooral het oog op de onderscheiding, door j. grimm, Rechtsalt., 768 en volg., gemaakt. Bij het oude vaderlandsche regt komt alleen de regter of regtbank in aanmerking, hetzij uit één' of meer personen bestaande. In het oude Friesche regt komt de aesga, d.i. wetgever, of de redjeva, redgevan, redger, d.i. raadgever, en later in sommige streken de grietman als alleen regtsprekend persoon voor. In criminalibus voegden in latere tijden, in Hunsegoo en Fivelgoo, de overregters zich bij hem. Doch ook zelfs in criminalibus vindt men later hier en daar nog voorbeelden, dat een regter alleen regt deed, zelfs over leven of dood.
Het volk nam eigenlijk aan de regtspraak geen deel, dan voor zooverre het daarbij als bloot aanschouwer tegenwoordig was. Het volk liet zich in hunne vergadering alleen de wetten voordragen en nam die aan, of verwierp ze. Het volk verkoos zijne regters. ‘Di Aesga aegh nen doem: hit ne se dat him da lioed kerren habbe(1).’ Waar het Grafelijk of Her-
toglijk gezag gold, werd wel toegezien op eene rigtige regtspleging, maar de regter was door het volk gekozen, of de regtspraak werd door de landbezitters bij beurten waargenomen, zoo als dit tot in de laatste tijden in de Ommelanden plaats vond.
Het is dus verkeerd, dat de Schrijver, bl. 34, de redjevan der Friezen voor gezworenen houdt, daar zij, even als bij ons de kantonregter in eersten aanleg, niet alleen in burgerlijke zaken, maar ook in de zwaarste lijfstraffelijke zaken regt deden. Eerst in latere tijden kwamen de overregters of lankregters hem hierin te hulp.
4o. De Teregtstaanden.
Tot de teregtstaanden behoorden de klager, de beschuldigde en de getuigen.
Wanneer de beklaagde verscheen en zich ontschuldigen wilde, moest hij, in hemd en broek gekleed, blootshoofds en barrevoets verschijnen.
De Schrijver verklaart dit ontschuldigen door ‘wanneer hij de daad erkende, maar die wenschte te verzoenen.’ Ten onregte. Ontschuldigen is zich van schuld vrijmaken, zich zuiveren, en wel door eedzweren. Wij leeren dit uit de oude landregten duidelijk. Ems. Landr.(1). ‘Ende hevet de erve dan ghene tughe, daer he den bonen (moord) mede maken mach, ofte den doetslach bewysen, den dat witlick unde kundich is; so mach de ghane, deme he des beteghen heft, sick untsekeren myt XII eden, he sal selven sweren, dat he des unschuldich sy, ende syne medetuge, datse em der misdaet yn der waerheyt nicht to beloven.
Ist(2) oeck dat he em de doren opene, unde segge, dat de bone daer nycht ynne beschut en is, so sal he sick untsekeren myt XII eden.’
In andere handschriften luidt het unscheldigia. Ook wel bisecka, d.i. bezoeken, loochenen (Boerenfriesch nog besykjen): ontsuara, d.i. ontzweren. Westfr. Landr.(3).
‘So aeg hi aldus gret aider jechta jefta bisecka; ief hy ontsuara wel, so sint et sex eden.’
In een ander handschrift leest men: ‘dan di eerfnama mitta seckwird (woord of eed van onkentenis) ty ongane.’
Zoodanige ontschuldiging konde den misdadiger niet baten, die in flagranti betrapt was. Ems. Landr.(1).
‘De vifte sake is: wee enes anderen guet stelt yn der duester nacht, ende den deef daer mede begripe up der daet, ende vynt em dat up den rugge, ofte yn den boseme der blodigher deverie; so machmen ghene unschuldynge beden, men de moet wesen iecht, wente den bundene deef en mach gheen man untschuldighen.’
De stand van den persoon maakte hier in sommige streken ook verschil. Waar een edelman op zijnen eed geloofd werd, moest een schatbaar man volgers medebrengen. Landrecht van Averiss., III, 11.
‘Item, wolde yemant, die van doetslage ofte van unbekande wondinghe int heymael averroepen offte geeyschet, sick untschuldigen binnen unsen Lande, in den Ampte daer dat gescheet weere, die mach int heymael kommen, unde verschuldigen hem alst recht is, Thoweten, eyn Denstman met syner ener hant, unde eyn schotbar man dat an eyn lyff drecht met XII volgers, und van ener wondinge met tween volgers(2).’
De Schrijver stelt, dat er onderscheid was tusschen de getuigen, die de beklaagde medebragt, en de medezweerders; maar wij kunnen van dit onderscheid geen spoor vinden. De sacramentales of consacramentales, ook wel conjuratores, waren toch bloot personen, die de onschuld van den beklaagde beweerden en dit beweren met eene eed bevistigden. Zonder eed was eene getuigenis van onwaarde(3).
5o. Regtspleging op de criminele gerigten.
De geregten waren gebodene en ongebodene. Er waren stille waarheden en openbare vierscharen.
Wat de stille waarheden betreft, dient opgemerkt te worden, dat zij alleen voorkomen in streken, waar het grafelijk gezag geldig was; terwijl andere streken, zooverre mij bekend is, daarvan geene sporen dragen. Ik geloof daarom, dat zij meer in het belang der Vorsten, meer om staatsmisdaden te straffen, gehouden zijn, dan wel, om eene gewone lijfstraffelijke regtspleging te hebben, hoewel er zulke zaken, b.v. diefstal, menigmaal, blijkens de voorbeelden, verhandeld zijn.
Doch daar deze stille waarheden eene inbreuk maakten op de
regten des volks, om voor deszelfs eigen' Regter in het openbaar teregt te staan, volgt het van zelf, dat in die streken, waar het democratische beginsel gehuldigd werd, zulk ecne regtspleging geene plaats konde vinden. De veemgerigten behoorden in Westphalen te huis; maar ook voor deze geheime vierscharen werden meermalen personen getrokken, die in ons Vaderland te huis behooren. Men vindt hiervan in de 15de eeuw nog voorbeelden.
Wat het noodgeschrei betreft, waarover de Heer Mr. h.o. feith eene belangrijke bijdrage geleverd heeft(1), zoo dient men te onderscheiden het noodgeschrei, om de zaak voor den Regter te brengen, en het noodgeschrei, wanneer de dader in flagranti betrapt en vervolgd werd, en men door het geschrei alle weerbare mannen verpligtte den dader te vatten, zoo als, bij voorbeeld, ingeval van moord plaats had. Landr. van Averissel, III, 7.
‘Wert sake dat van ungeluecke ein doetslach geschege inn denn Lande, die daer mede weren, und schult an hadden, den mag men wopen aver ropen, unde leggen sie fredeloes.’
In het eerste geval konde de verslagene begraven worden, en het was voldoende, zoo een der naastbestaanden van de zwaardzijde met een ontbloot zwaard tot driemaal toe op het graf des verslagenen sloeg, onder het geroep: wraak! wraak! wraak! Doch in het tweede geval riep men wapen! wapen! of oudtijds wepin! en ieder was verpligt den roepende te hulp te snellen, den dader te vatten en dien benevens het lijk voor den Regter te brengen, enz. enz.
De roep was dan: ‘o wopen ur die mordirs hals!’ of dergelijke uitdrukking(2).
Ingeval van verkrachting, had dit noodgeschrei insgelijks plaats. ‘Thi other wend is, hwersa en frowe nede nimen is, end hiu sie wepanda, en ropande, end hire foliat thi Frana enta liuda. End hin en urpena warve end en heida thinge hire modvilla auc. thene frudelf ur tiucht end to tha riuchta foremunda gengh. Sa ach hiu hire wergeld, and ist alla jechta tha liudum en ta Frana, end ne thor umbe tha dede nene vithe biada(3).’
Wepa beteekende in het oud-Friesch om hulp roepen, schrei-
jen, en dit woord staat ongetwijfeld in verband met wepin, wapen. Het was een wapengeroep, noodgeschrei.
Door het straks vermelde misverstand van het woord ontschuldigen vervalt de Schrijver hier in eene nieuwe dwaling, bl. 70. ‘Zoodanig was de regtspleging, ingeval de beschuldigde de misdaad ontkende, maar wanneer hij belijdenis wilde doen, verscheen hij voor het Geregt als boetedoener: Item soe wye in den heymaill beroepen ys ende hem ontschuldighen wyll (d.i. de schuld erkennen en zoenen), die sall koemen ant gerichte in eenen hemde, in een nederklet, bloitzhoiveds, bair voetz ende byens (beens), sunder yser ende sunder staill ende syne volgers sunder goirdell, sunder mess, bloitzhoives.’ Doch hetgeen in het aangehaalde Stuk het heymaal vervolgens te lezen staat, moet den Schrijver overtuigen, dat hier quaestie is van een' eed van zuivering, en dat ontschuldigen hier niets anders is dan zijne onschuld met eede bezweren. ‘Ist een schotbair maen mit twelff volgers, Ist een dienstmaen met synen eenre handt. Ende sall sueren, dat hie hem onschuldych kent des doetslags, van des doedess, raedes, daedes, weges, veldes ende alles thodens, sunder argelyst, Dat hem Godt soe helpe ende syne hylligen.
Soe en sall hie nyet affholden, die voirspraicke sal seggen, Heer Richter isset u lyeff dat hie affholde? soe sall die rechter seggen, Jae het ys genoech.’
Bovendien luidt het opschrift: Depulsio criminis.
Bl. 74: ‘In de meeste Nederlandsche Wetten uit de middeleeuwen vind ik bepaald, dat de vrouw met zeven getuigen moest optreden, die de beschuldiging staafden, onverschillig, hetzij mannen, hetzij vrouwen; b.v. in het Stadregt van Haarlem van 1245: Si virum aliquem foemina aliqua de oppressione violenta vel violentia stupri septem testibus, tam viris, quam mulieribus idoneis et probatis in judicio convicerit, ille violator capitali poena plectendus erit.’
Bl. 75: ‘Het schijnt hard voor eene vrouw, op die wijze regt te moeten zoeken in een geval, waartoe de misdadiger zelden getuigen kiest.’
Ik meen de aangehaalde wetsbepalingen niet zoo te moeten opvatten, dat de vrouw de misdaad niet anders zoude mogen bewijzen, dan met zes of zeven getuigen; zij kon dit bewijs op verschillende wijzen leveren; maar trad zij met zes of zeven getuigen in den gerigte, dan had de man zijn hals' verbeurd.
De uitdrukking in het Landr. van Zuidholland, 1303: ses
wittachtige tuyghen, verbiedt ons, dunkt mij, aan gewone conjuratores te denken.
De Schrijver treedt, van bl. 73-90, in het onderzoek der misdaden, die aanleiding gaven tot eene lijfstraffelijke regtsvordering, en behandelt kortelijk
De zware misdaden. |
|
| 1o. | Vrouwenkracht. |
| 2o. | Moordbrand. |
| 3o. | Zware wonden. |
| 4o. | Hoog verraad en gewapende opstand. |
| 5o. | Roof en diefstal. |
| 6o. | Valschheid in geschrift. |
Het schijnt hier echter meer de bedoeling te zijn het een en ander over de wijze van Strafvordering in dezen mede te deelen, dan wel de daarop gestelde straffen te beschouwen, en wij mogen dus van den Schrijver geene volledige behandeling dier straffen eischen. Doch ook met opzigt tot de Regtspleging was het veld hier zoo ruim, dat de Schrijver er wel iets meer van had mogen zeggen, zonder nog op de volledigheid aanspraak te kunnen maken.
De ligtere misdrijven worden op ééne bladzijde afgehandeld.
De Schrijver deelt niets mede nopens de voorspraak, die zoowel de klager als de beklaagde hebben mogt. Hij zegt, op bl. 65, alleen ter loops, dat de klager de beschuldiging zelf, of door zijnen taalman (advokaat) voordroeg. Intusschen vinden wij dienaangaande in de oude Regten het een en ander, dat eene opzettelijke beschouwing verdiend had.
‘Die foerspreka is di gena der enis monnis ief monnigher monna word sprect; om mannichfalda seka mucht een mon neen forspreka wesa, als een rydder, ief een frouwe, ief een urbond mon, ief een kynd, ief een thorp’ (dorpeling).
‘Det is untemelick als di sitter sprect toienes den riuchter, under tidum toienes den onspreker ief syn foerspreka, iefta toienist da tyd der hi uppa ladit is(2).’
Dit zijn voorschriften betreffende het Zeendregt. Doch men vindt in andere Regten hetzelfde beginsel.
‘Een clager sal bidden den richter om ene voersprake, ende
die richter sal hem niet weygeren, ende die voersprake sal oerloff bidden van den richter des mans woert toe verwaren, ende die dar verclaget wort, die sal den richter eysschen drewarff over dat gerichte ende dan soe sal hi antwoerden mit oer voersprake als vorschreven is,’ enz.
‘Ik spreke in to fon tha liudum end fon tha frana, end fon thisse selva monne, ther i hir ur sien, end urheret hebbat, on thisse liud wrpena warve. thet hi mi sine spreka befel, and wel and min word jech, thet jewele deden, end riuchte.’
‘Die Santeende Kest is: Ende dis Koningh Kaerlis jeften ende aller Fresena rjucht, dat alle Fresen tingie by twira tale ende bi aesga dome.’
Heer Richter Ick bidde U om een voirspraicke: Die Richter secht, Ick guns U eenen.
Ick bidde om my selven, Die Richter sal seggen, Ick guns U.
‘Gunt gy my myn selves woirdt tho hoilden oif icht met rechte gewonnen hadde
Die Richter sal seggen, Ja.’
Bij de depulsio criminis, 388, lezen wij: ‘Soe en sall hie nyet affholden, die voorspraicke sal seggen, Heer Richter isset u lieff,’ enz.
‘Soe legge ick hier een heymaill van wegen mijns genedigen heren van Utrecht, dat dair nymant en spreke, hie en spreeke met oirdell ende met rechte ende met synen voirtsprack(3).’
Uit dit een en ander volgt dus, mijns bedunkens, dat in de meeste regtszaken voorspraken gebruikt moesten worden, die de dingtalen voerden, zoowel klager als beklaagde bij twira tale. Dat het bloot van den Regter afhing, om partijen op haar verzoek te vergunnen, zelve het woord te voeren. De voorspraken moesten met geachter taale spreken, dewijl de Regter duidelijk moest voorgelicht worden. Achtte hij partijen hiertoe onbekwaam, dan vergunde hij haar niet, zelve het woord te doen. Dit was te meer noodzakelijk, daar, naar de oude Regtspleging, geen openbaar aanklager bestond, en dus de klager de plaats van het hedendaagsch openbaar Ministerie ver
vulde. Slechts in latere tijden kon de Regter bij crimina graviora, zoo de bloedverwanten zwegen, eenen klager stellen.
Vervolgens keert de Schrijver, bl. 91, tot de procedure terug, en stelt, dat, ingeval er geene bekentenis, versche daad of blikkende schijn bestond, de Regter den Schepenen vroeg, of en hoe de beschuldigde zich zoude mogen verontschuldigen.
Hier komt dan in de eerste plaats in aanmerking de eed van zuivering, door den beklaagde en zijne volgers af te leggen. In de tweede plaats beslist hier het godsoordeel.
De Schrijver merkt te regt aan, dat er over de godsoordeelen eene geheele Verhandeling te schrijven ware, en behandelt dezelve dus kortelijk, voor zooverre zij in Gelderland, Holland en Zeeland in de oude Oorkonden opgegeven worden.
Dit bepaalt zich echter bloot bij de kampgevechten, en wat de Schrijver dienaangaande mededeelt, is op alle kampstrijden toepasselijk.
Zonder zich in de ordalia te verdiepen, had toch kortelijk dienen behandeld te worden, hoe de ordalia in zwang zijn gekomen; hoe zij dienden, om de heiligheid der eeden te bevorderen en voor meineed bewaarden; hoe de geestelijkheid die zelve daarom lang staande hield, hoezeer Pausen en Vorsten ze wilden hebben afgeschaft, als God verzoekende, strijdende met de waarheid en met de natuur der dingen; hoe de gruwzaamste zelden zijn toegepast en bijna nimmer aan vrijen zijn opgelegd; hoe de pijnbanken later voor deze godsgerigten zijn in de plaats gekomen, enz. enz.
De veroordeeling was meestal drieledig:
1o. Ten aanzien van den beleedigde of den klager; 2o. ten aanzien van den Vorst; 3o. ten aanzien van het geregt.
De beleedigingen werden meestal gezoend met goed. Vanhier het weergeld. Niet alleen de beleedigde, maar zelfs zijne bloedverwanten, veelal tot in het zevende lid, moesten verzoend worden.
Wij merken hierbij op, dat de verzoening in Friesland, behalve met geld, ook tevens met een' kus geschiedde. Het oude Friesche Landr. behelst de volgende bepaling:
‘Nu agen him elkerlyck deer him dine freed eed swert, mit sine mond kessa, ende deer mede da fayte wttigia.’
De Schrijver vermeldt, bl. 113, kortelijk de straffen: ophangen, onthoofden, verbranden en radbraken en voor vrouwen wurgen en verdrinken; zeldzamer waren levend begraven, vierendeelen, in een lek schip zonder roer in zee zenden.
Hier had nog diene bijgevoegd te worden eene straf, die menigvuldig voorkwam, het nederwerpen en verbranden der huizen van de misdadigers, welke straf in verband stond met de faidae inimicitiae. Wilck. van Langewolt, van het jaar 1282. ‘We so dat inbreket, hundert punt tho broeken den lande en syn huus salmen barnen.’
Voorts behooren hierbij nog het uitsteken can oogen voor diegenen, die de zoenboete niet betalen konden, en het geeselen, dat nog niet tot de Alterthümer van ons Vaderland behoort.
6o. Hofvaart en appellen.
Wanneer de zaak den regter niet duidelijk was, mogt hij veilig dit erkennen, en elders een oordeel vragen. Hiertoe wendde men zich dan tot de sapientiores of tot het Hof van den Keizer, en later der Graven.
Ons zijn in de geschiedenis der strafvordering weinig blijken voorgekomen van het gebruik maken dezer Hofvaarten, en wij meenen het er voor te moeten houden, dat dit in Holland en Zeeland zelden heeft plaats gehad. In streken, waar het Grafelijke gezag niet geldig was, vinden wij er geene sporen van.
Wat de appellen aangaat, oderscheidt de Schrijver niet genoeg het burgerlijke en straffelijke. In den regel viel van lijfstraffelijke zaken geen hooger beroep. In de oude Germaansche en Friesche regtspleging vinden wij daarvan geene sporen. Evenmin in Overijssel en Drenthe. Het was den vrijen burger genoeg door de zijnen te mogen geoordeeld worden, en men oordeelde geen beroep aan den hoogeren regter te moeten toelaten. Dit was zooveel te sterker, daar in sommige streken een enkel persoon de zwaartste misdrijven bereggte. In de Ommelanden duurde dit tot het jaar 1749, toen bij de Instructie op de hooge Justitiekamer, art. 59 en 60, de criminele vonnissen voor hooger beroep vatbaar verklaard werden, ten zij het vonnis op eigene bekentenis in eene misdaad aan den lijve strafbaar was gewezen, of tegen personen, die reeds vroeger aan den lijve gestraft waren.
7o. Vrijplaatsen.
De misdadiger konde zich in veiligheid stellen, door in eene kerk of kapel, of op het kerkhof te vlugten.
8o. Regt van gratie.
De landsheeren hadden oudtijds geen regt van gratie, dan voor zooverre de beleedigde daarin toestemde, of bijaldien de misdaad den Vorst alleen betrof.
Ten slotte van deze aankondiging, willen wij ons oordeel over deze Verhandeling in het algemeen mededeelen.
De Schrijver heeft zich veel moeite gegeven, om de aloude wijze van strafvordering in ons Vaderland na te gaan, en over vele punten heeft hij licht verspreid. De Werken van jacob grimm schijnen den Schrijver inzonderheid uitgelokt te hebben, om dit onderzoek onzer Vaderlandsche regtspleging te ondernemen, en hij heeft zich den arbeid van dien bewonderenswaardigen Geleerde regt goed ten nutte gemaakt.
Hij heeft nogtans meer eene schets, dan wel eene volledige Verhandeling geleverd, en is op sommige punten al te beknopt gebleven. Wie de oude wijze van strafvordering regt wil doen kennen, zal de noodige bouwstoffen uit alle Vaderlandsche regtsbronnen moeten putten en bijeenbrengen. Hij mag zich niet bij enkele gewesten bepalen, daar onze aloude regten evenzeer onderling zamenhangen, als zij in naauwer verband met het oud-Duitsch en Frankisch regt staan. Men behoort tijd, kunde en scherpzinnigheid te hebben, om al den rijkdom dier verspreide bouwstoffen op te delven. Daarbij echter moet men ook wel degelijk tijd en plaats onderscheiden, en de wijze van Regtspleging in verschillende streken met de staatsgesteldheid in verband brengen, en hier wordt dus een fijn oordeel en helder inzigt gevorderd. Hoezeer bij de onbeschaafdheid dier tijden al het leerstellige aan de Strafvordering ontbrak, is het toch belangrijk de beginselen, welke men dienaangaande volgde, te ontwikkelen, en zoo de oorzaken van het verschil, hetwelk hier en daar bespeurd wordt, op te sporen.
Wij achten den Schrijver voor zulk eene taak berekend, en wenschen, dat hij zich door de moeijelijkheden, daaraan verbonden, niet zal laten afschrikken. Wij leven, wat ons Vaderland betreft, in eene eeuw van brochures. Wij worden overstroomd met geschriften, die, zoo zij al geene proeven heeten, nogtans brokstukken zijn, welke ons eene vlugtige beschouwing van het een of ander punt van Wetenschap opleveren. Klassieke Werken zijn bij ons zeldzaamheden, en dus zullen die weinigen, welke er verschijnen, met te meer regt aanspraak maken op de algemeene belangstelling.