terug  begin  verderprepost

Korte Schets der Oude Aardrijkskunde. Eene Handleiding bij Gymnasiën en andere Scholen, door D. Willemier, Phil. Theor. Lit. Hum. Doct., Gymn. Rector te Gouda. Te Gouda, bij G.B. van Goor. 1842.

Een Leerboek, waarin de eerste beginselen eener Wetenschap worden voorgedragen, kan niet het onderzoek zelf opnemen, maar voldoet volkomen aan zijne eischen, zoo het slechts de resultaten van dat onderzoek bevat, zoo het deze beknopt, duidelijk, naauwkeurig opgeeft, zoo het in overeenstemming is met het standpunt, waarop zich de Wetenschap bevindt. Bij studie wordt een vast plan gevorderd; dit toch moet tot maatstaf strekken, om te beoordeelen, wat medegedeeld moet worden, en hoe? wat beter tot latere gelegen-

[p. 293]

heid wordt bespaard? Het eenige, waardoor het zich van een Handboek onderscheiden mag, moet zijn, dat het korter is, en minder omvat.

De ‘Korte Schets,’ die voor ons ligt, wordt door eene Inleiding voorafgegaan, waarin een en ander over de belangrijkheid der O.A. wordt gevonden; maar die er in verwacht, wat deze Wetenschap leeren moet, hoe wij tot hare kennis zijn gekomen, welke de beste hulpmiddelen zijn tot eigen onderzoek, welke kaarten de meeste aanbeveling verdienen, vindt zich bedrogen, want van dit alles is geen spoor te vinden.

Dit Werkje vangt eenigzins ongewoon aan met Europa, en wel met Griekenland. Hiervan worden de inwoners, de grenzen, de verdeeling opgegeven, maar geene naauwkeurige bepaling der ligging en uitgebreidheid, geene beschrijving van den natuurlijken toestand, van de voortbrengsels, of, om kort te gaan, van datgene, wat tot de aardrijkskundige beschrijving van een Land wordt vereischt. Men mist er zelfs eene opgave der bergen, der meren, der rivieren en der zeeboezems!

Onder de oude namen van den Peloponnesus, is Inachia overgeslagen, en de naam, dien de landengte van Corinthe voormaals droeg. Van de beschrijving dezer streek, van pogingen tot doorgraving, geen enkel woord. Bij Achaja hadden, met hetzelfde regt als Dyme en Patrae, verscheidene andere steden kunnen worden opgenoemd. Van Sicyon wordt noch de vroegere, noch de latere, noch de hedendaagsche naam vermeld. Van de beroemde koopstad Corinthe wordt zoo goed als niets gezegd. Het cipressenbosch Cranaeum wordt opgegeven, maar niet Kenchreae, noch de plaats, waar de Isthmische spelen werden gevierd. - Bij Elis ontbreekt de verdeeling van dit landschap, en Pylus Triphyliacus wordt ten onregte als de verblijfplaats van nestor opgegeven. Waarom werd Scyllus, de woonplaats van xenophon, niet even goed als andere plaatsen vermeld? Bij Arcadia, ‘het herdersland’, ontbreekt de oude naam Pelasgia, en de opgave van Tegea, Stymphalus en het Stymphalische meer. Bij Argolis de onderverdeeling. Van Argos waren wetenswaardiger zaken te boek te stellen, dan dat aldaar K. pyrrhus door eene vrouw is doodgegooid. Nemea was geene stad, maar slechts een Tempel ter eere van hercules; wederom mist men hier de Nemeïsche spelen. - In Messenië is Pylus over het hoofd gezien, en vreemd genoeg, wordt van Mes-

[p. 294]

sene gezegd, dat epaminondas het gebouwd heeft, ‘om de verstrooide Messeniërs te verzamelen.’

Dit een en ander mist men bij de beschrijving van den Peloponnesus. Maar zóó voort te gaan, is onmogelijk; ik deed slechts twee bladz. af, en de Korte Schets bevat er ruim honderd. Bij het schiereiland worden, hoewel onvolledig, de bergen, rivieren en kapen opgegeven; bij het overige Griekenland ontbreekt daarvan de opzettelijke vermelding, en bij Epirus en Macedonië zelfs de grensbepaling. Zoo wekt de keus van datgene, wat van de meest aanzienlijke steden der Oudheid, Rome, Sparta en Athene, gezegd wordt, geene mindere verwondering; van dit laatste b.v. leest men: ‘Athenae (Setines) [lees: Athina, en in 't volksdialect Setines], beroemd door de wetten van solon, de geboorteplaats van themistocles, socrates en demosthenes, met de havens Piraeus, Phalerus en Munichia.’

Ook is de juistheid der uitdrukking niet altijd boven berisping. Zoo vindt men: ‘Philippi, bekend door den Brief van paulus.’ Van den Mons Sacer, ‘waar de Rom. burgers Tribuni plebis verkregen.’ Thermopylae wordt vertaald met ‘warmebaden deur,’ en op blz. 85 vindt men bij vergissing het volgende: ‘Aan de slib - heeft Aegypte al zijne vruchtbaarheid te danken, die dan ook te regt een geschenk van den Nijl wordt genoemd,’ tegen herodotus gezag aan, die het land zelf een geschenk van den Nijl noemt.

Het is een groot gemak in een dergelijk Werk de Latijnsche en Grieksche namen bij elkander te hebben, ten einde daaruit de spelling naauwkeurig te kunnen nazien: men verlangt ook gaarne de opgave der quantiteit. Hier wordt echter alleen de Latijnsche naam opgegeven, zonder de quantiteit; maar daarvoor is in den ‘Bladwijzer’ een kunstje aangewezen, dat aan de behoeften der scholen, ‘waar noch Grieksch, noch Latijn geleerd wordt,’ misschien kan voldoen, maar zeker niet aan het onderwijs op de Gymnasiën. Trouwens waartoe moet ook reeds vroeger het onderrigt in de O.A. worden aangevangen dan hier? Dat slechts de Fransche Scholen zich bezig houden met het grondig onderwijzen der hedendaagsche Geographie, dit reeds zoude het Werk op de Latijnsche Scholen vrij wat aangenamer maken. Zeker zal het wel onmogelijk zijn, om de eischen van beide door één Werk behoorlijk te vervullen.

Als een bewijs, hoe in deze K.S. de beschrijving van een

[p. 295]

volk is voorgedragen, schrijf ik het volgende af: ‘Julius caesar, die Gallië het eerst aan het Rom. Rijk heeft onderworpen, heeft in zijne Commentariën over den Gallischen oorlog ons met de zeden en gewoonten van het volk bekend gemaakt.’

De Galliërs hielden zich voor afstammelingen van pluto, d.i. voor zonen der aarde of voor een over het geheel inlandsch volk, voor Aborigines. Zij berekenden den burgerlijken dag van nacht tot nacht, zoo als de Joden van avond tot avond. Dus in plaats van te zeggen: na acht dagen, zeiden zij: na acht nachten. Van daar zegt men nog tegenwoordig in het Engelsch: sennight of sevennight en fortnight (7 en 14 dagen).

‘De leeraars van de Godsdienst werden bij hen Druïden genoemd, en waren ook Onderwijzers der jeugd. Zij gebruikten Grieksche letters, maar lieten, om het geheugen te versterken, den jongelingen niets opschrijven.’

Welk denkbeeld kan zich nu iemand van de Galliërs vormen? Welke gedachten moet hij van de berigten van caesar opvatten?

Maar wie zal ook, om iemand eene goede voorstelling van een' leeuw te geven, hem een uit elkander genomen geraamte voorleggen, en elk beentje kortelijk gaan beschrijven? Dit leidtimmers tot niets?

Wij houden het er voor, dat deze Schets mislukt is, en dat er zeer groote behoefte bestaat aan een Leerboek, dat op wetenschappelijke grondslagen, op eigene studie, berust, en niet zoo als dit, strekt om eenen afkeer van de Wetenschap te geven.

prepostterug  begin  verder