Bij onze meeste Vaderlandsche Dichters der dertiende en veertiende eeuw leest men de hevigste klagten tegen het zedenbederf van het levende geslacht in het algemeen en van de Priesters in het bijzonder. Ieder leefde in weelde en overdaad, en om aan die zucht te kunnen voldoen, moest men zich overgeven aan de schandelijkste hebzucht en gouddorst. - Wanneer de Fransche Juvenalis onzer dagen de aarde noemt:
maerlant, velthem en anderen geven hem niets toe. Men hoore b.v. den eersten in zijn Gedicht: Van den lande van Overzee:
Daarom schreef hij ook in zijnen Spieghel Historiael (Dl. I, bl. 338):
En in den Wapen Martijn, C. 60 (N. Werk. der Maatsch. van Ned. Letterk., Dl. 3, St. 2, bl. 129):
Men vergelijke ook zijne Inleiding op het Leven van St. franciscus, waarin hij de meening uit, dat het laatste der dagen
nabij is(1); of het VIIde Boek van velthem's Spieg. Hist., en men zal overtuigd zijn van het boven gestelde, en met Prof. siegenbeek(2) denken aan het Horatiaansche:
Niet alleen in de Nederlanden, maar ook in Duitschland ging dezelfde klagt op, en de Renner van hugo von trimberg(3) levert er de bewijzen voor. Misschien was de stand van zaken niet zoo erg, en de verdorvenheid zoo algemeen, als men uit de Schriften der genoemde Dichters zou opmaken, en moeten die klagten, voor een gedeelte althans, geschoven worden op rekening van den invloed, welken de leer van St. franciscus op de veertiende eeuw uitoefende. Hij predikte de strengste abnegatie van zich zelven, in ieder opzigt, maar vooral de verachting van wereldlijke have. En hoe hoog hij werd geschat blijkt uit maerlant's berijming van zijn leven, en uit het Werk van bartholomaeus albizzi, die op het laatst der veertiende eeuw een Boek schreef over zijne overeenkomst met christus(4). Dat evenwel de zeden in dit tijdperk in hooge mate waren verbasterd, leert ons de historie, terwijl een blik in de Letterkundige Geschiedenis van dien tijd ons zulks bevestigt.
Van het begin der XIVde eeuw immers dagteekent een tak der didactische Poëzij, die eene bepaald praktikaal zedelijke rigting had. Maerlant had er doorgaans slechts naar gestreefd, om het volk, de leeken, te leeren; de Dichters der XIVde eeuw streefden er naar hetzelve ook te verbeteren. Zij deden zulks, door hunne Lezers te wijzen op de gebreken van de Kerk en den Staat, op de heerschende ondeugden van leeken, edelen en geestelijken, en door hen te verwijzen op de lessen van levenswijsheid en zedelijkheid, in de schriften der Philosophen, in het Evangelie, vervat. Aan die rigting hadden bij ons der Leecken Spieghel, de Doctrinale en menig Werk van gelijken stempel(5) hun bestaan te danken. Maar niet alleen door lessen
en drangredenen trachtte men te werken, vooral ook door voorbeelden, en zoo ontstond vroeger reeds het Leven van St. Fransiscus door maerlant (in HS. op de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool), en later het Leven van St. Amand door gilles de wevel (het eerste Deel onlangs door ph. blommaert uitgegeven). Aan deze reeks van Werken sluit zich het berijmde leven van jezus aan, thans door den Heer V. uitgegeven, en waarvan wij hier een kort verslag zullen leveren(1).
Het Werk zelf wordt voorafgegaan van eene Inleiding (bl. i-xxx) van den Uitgever, waarin hij de oorzaak tracht op te sporen, waarom er zoo weinig voortbrengsels onzer oude Letterkunde in ons Vaderland, en bepaaldelijk in de provincie Utrecht, gevonden worden; daarop betoogt hij de waarde onzer oude Schrijvers en de behoefte, die er bestaat om die te beoefenen, vooral ook om daaruit eene juiste kennis der middeleeuwen te putten. Na ons dus op zijn standpunt van beschouwing geplaatst te hebben geeft hij eene beschrijving van het eenige hem bekende volledige HS., waarin het Rijmwerk voorkomt, berustende op het Provinciaal Archief te Utrecht, en dat, zoo als uit eene aanteekening blijkt, geschreven werd te Oetingen (Zuid-Braband) den 31sten December 1438. Den leeftijd van den oorspronkelijken Dichter zou de Heer V. gaarne minstens eene eeuw vroeger dan die des Afschrijvers stellen, vooral op grond van sommige woorden, welke in de vijftiende eeuw reeds zeldzamer waren. De Heer V. durfde echter niet beslissen, en dit punt wordt aan bevoegder Regters overgelaten. Zonder ons dien naam aan te matigen, moeten wij de meening des Uitgevers ten stelligste beamen. Eene vergelijking der taal van dit Gedicht met die van anderen uit de XIVde eeuw, met name van Die Dietsche Doctrinale, doet reeds meer dan één vermoeden ontstaan, dat het Leven ons heren minstens tot de eerste helft dier eeuw moet gebragt worden; maar dit wordt tot zekerheid, wanneer men bedenkt, dat een fragment van dit stuk, onder den titel van ons heren kynscheide, - tot nog toe verkeerdelijk aan
maerlant toegeschreven, - voorkomt in een HS., omstreeks de helft dier eeuw vervaardigd, zoo als de Heer Mr. l. ph. c.v.d. bergh(1) met van wijn(2) op goede gronden aanneemt.
Zekerder is het, vervolgt de Hr. V., uit vs. 41-44, 115, 116, 4926 volg. te besluiten, dat het Rijmwerk vervaardigd is naar een der menigvuldige toen bestaande Levens van jezus, in het Latijn geschreven. Dit oordeel komt ons een weinig ligtvaardig voor. Het geheele begin des Werks van vs. 1-116 is blijkbaar een bijvoegsel van een' Afschrijver, en schijnt niet uit de pen des Dichters gevloeid te zijn, want vs. 117 is duidelijk een aanvang van het Gedicht, en al wat er voorgaat, verraadt eenen geheel anderen geest. Nergens toont de Dichter van het Verhaal eenige belezenheid, en het zal later blijken, dat hij die ook niet bezat; de Afschrijver daarentegen bluft met zijne geleerdheid, en de volgende verzen, die geheel in den trant van maerlant en jan de clerk zijn, kunnen niet toegekend worden aan onzen Dichter, die deze Schrijvers niet heeft gekend. Vs. 5:
Men vergelijke daarmede de plaats uit het begin van maerlant's Ste Franciscus leven, vs. 31 volgg.:
Men denke daarbij ook aan maerlant's woorden, door jan de clerk in zijne Brab. Yeesten overgenomen, en voorkomende in het 1ste Dl., bl. 214-16.
Voorts is vs. 50-66 van ons Gedicht, bevattende eene beschrijving van die bliscap van paradijs, eene minder gelukkige navolging van 's Dichters beschrijving, voorkomende vs. 4876-4889.
Het eigenlijke verhaal eindigt met vs. 4903, en de 34 verzen, die daarop volgen, zijn zoo duidelijk een toevoegsel van den afschrijver, dat zulks geen betoog behoeft.
En wat zeggen nu de plaatsen, die de Heer V. als bewijzen van zijn sustenu bijbrengt? Vs. 41-44, waarbij wij, om het verband, vs. 39-40 voegen:
Niets geeft ons zekerheid, dat vs. 39 en 40 op een afzonderlijk Latijnsch Werk, het leven van jezus behandelende, terugwijzen; veel eenvoudiger en natuurlijker komt het ons voor aan den Bijbel, de Vulgata, te denken, waaruit onze Dichter denkelijk alleen geput heeft, want de episode, die de beschrijving der hel bevat, vs. 3931-4503, steekt zoo af bij de behandeling van het overige, zoo als wij nader zullen aantoonen, dat het zeer aannemelijk wordt, dat de Dichter te dier plaatse de gedachten van een'ander' heeft nagevolgd. Misschien is die episode het werk van eene geheel andere hand, dat later in ons Gedicht geïnterpoleerd is - en dan zijn ook de vier vorige verzen spurii; - immers dat verhaal maakt een op zich zelf staand geheel uit, zoo als ook uit het laatste vs. 4503 blijkt, dat met amen sluit. - Vs. 115, 116:
en vs. 4926:
laten zich zeer goed verklaren, wanneer men aanneemt, dat zij door eenen Afschrijver zijn ter nedergesteld, maar kunnen in geen geval op een Latijnsch origineel terugwijzen.
Dat Afschrijvers gewoonlijk iets voor of achter aan een Werk, 't welk zij vermenigvuldigden, toevoegden, behoeft hier wel geen betoog: de Heer V. erkent zulks zelf, bl. xvii. Verg. ook willems Reinaert de Vos, Inleiding bl. xxvii, en den aanvang van Floris ende Blancefl., die, vs. 89, een tweede begin heeft, hetwelk doet vermoeden, dat het vroegere mede een bijvoegsel eens Afschrijvers is.
Over de versificatie zegt de Heer V. niets; alleen brengt hij eenige voorbeelden bij van onzuivere rijmen. Voorts wordt met een woord gewaagd van den tekst des Gedichts, en wij vernemen, dat de Heer V., op gronden, die hij aangeeft, besloten heeft het HS. zoo getrouw mogelijk weder te geven.
Hetgeen volgt, is van minder belang, misschien wel overbodig; de Heer V. zegt, dat hij alle in het HS. voorkomende verkortingen heeft opgelost, en neemt daaruit aanleiding over palaeographie te spreken en fac-similés van HSS., bepaaldelijk over dat van cicero's Oratio pro Milone, door Prof. freund uitgegeven.
Als bijlage volgt een Catalogus van min of meer merkwaardige historische en literarische HSS., in het Archief der provincie Utrecht aanwezig, met welker mededeeling de Schrijver het letterminnnend publick eene wezenlijke dienst heeft gedaan.
En thans een paar woorden over den Dichter en zijn Werk. Het blijkt nergens, tot welken stand de Dichter behoorde; maar uit de woorden, die hij, vs. 1220 volg., christus in den mond legt, zou men besluiten, dat hij Geestelijke was:
Deze woorden kunnen niet van eenen leek zijn, maar passen zeer goed in den mond van eenen Priester, eenen vertegenwoordiger van den Paus, die toen heette
Hoe het ook zij, hieruit blijkt tevens, hoe zeer de Dichter in li-
berale denkwijze achterlijk was bij de moralisten van zijnen tijd1, terwijl hij ook in geleerdheid verreweg voor hen moest onderdoen. Nergens haalt hij eenige autoriteit aan, gelijk men toen zoo gaarne deed; maerlant's Rijmbijbel en Spieghel Historiael, waarin mede het leven van jezus behandeld wordt, schijnen hem onbekend geweest te zijn; evenzoo der Leecken Spieghel, zoo die reeds geschreven was; immers die bevat in het IIde Boek eene navolging van het Evangelium Infantiae2, en daarvan is in ons verhaal geene melding of gebruik gemaakt.
Hij houdt zich zoo na mogelijk aan zijn verhaal, en mengt er weinige of geene eigene opmerkingen in, waardoor het Werk vrij kleurloos wordt, en slechts eenen schralen oogst oplevert voor de kennis der theosophie in de middeleeuwen. Het is opmerkelijk, dat de H. Maagd, van welke maerlant nog getuigde:
die door velthem nog wordt gevierd, en van wie de Leecken Spieg. getuigde, dat zij de vermogendste voorspraak in den hemel was4, hier als op den achtegrond staat; de goddelijke eer, die andere Schrijvers haar zoo ruimschoots toedeelen5, is haar hier slechts karig toegemeten; allen, vs. 3585 volgg., wordt, aan wie haar eert, het paradijs beloofd, waarvan zij de poort genoemd wordt. Is dit, omdat de Mariadienst minder algemeen werd, nu de vrouwendienst meer dan vroeger werd verwaarloosd6, of is dit het gevolg der oppervlakkigheid van den Dichter?
Wanneer hij er al iets de suo bijvoegt, moet men voorzigtig zijn, en zijne woorden niet terstond als de uitdrukking van zijnen tijd aannemen, daar zij weleens in tegensspraak zijn met andere Schrijvers; zoo b.v. spreekt hij, vs. 584, van de ge-
schenken der drie Koningen, en geeft daarbij eene verklaring van de beteekenis dier geschenken, waarbij men vergelijke Ste Amand's Leven, vs. 414 volgg. Zoo ook, wanneer hij de Joden met de Heidenen gelijkstelt, en van hunne afgoden en Memet spreekt (vs. 1260 volg.), moet men dit niet als een algemeen denkbeeld zijner eeuw opvatten, want wederom, het Leven van Ste Amand wederspreekt hem ten duidelijkste, vs. 2859 volgg.:
Zoo ook vs. 2878 volg.
Christus staat bij onzen Dichter niet alleen op den voorgrond, zoo als natuurlijk is, maar hij stelt zich op eene onaangename wijze daarop; hij is meer een Geestelijke van den hoogsten rang, die in plegtegwaad en vol trotschheid daarhenen wandelt, en zich zelven predikt; dan de eenvoudige, ootmoedige, liefderijke Leeraar van het Evangelie.
Het verhaal zelf loop over jezus geboorte en kindsccheid, en over de gebeurtenissen, die elkander in de week vóór Paschen opvolgden; over het openbare leven en de leer van den Verlosser loopt de Dichter zeer vlugtig henen, en dit wordt ter naauwer nood door hem aangestipt. De geboorte, en vooral het lijden en sterven, waren bij hem hoofdzaak, en het laatste vult dan ook het grootste gedeelye des Gedichts. Het geheel wordt besloten met het verhaal van de hemelvaart en eene beschijving van den doemsdag, waarop
Dit verhaal, welks eenige verdienste bestaat in schaars met stoplappen en bastaardwoorden te zijn doorspekt, loopt van het begin tot aan het einde op denzelfden toot voort, zonder eenige verhevenheid, zonder eenige poëzij, zoodat het bevreemden moet, dat er van dit Wek nog verscheidene afschriften hebben bestaan. Zoo als wij vroeger hebben aangestipt, is de episode, die de hel beschrijft, en de nederdaling van den Verlosser in dezelve, het beste stuk van het Gedicht, en staat in dichterlijke waarde verre boven de overige rijmregels, zoo als ook den Uitgever niet ontsnapte (verg. de aanteekening op bl. 206). Ja, het onderscheid is zoo in het oog vallend, dat men veilig mag besluiten, dat de Rijmer hier slechts navolger
was van eenen anderen Dichter; misschien ook is deze episode die al het aanzien heeft van een gedicht op zich zelf uit te maken, aan een geheel andere hand toe te schijven, en door den Dichter van den Levene ons Heren, of door eenen zijner Afschrijvers, in dit Werk ingevlochten1.
Het denkbeeld, dat alle vromen en godvreezenden sedert adam's val ter helle waren gedoemd, en door christus eigene hand daaruit werden geleid, was in de middeleeuwen algemeen. Maerlant spreekt daarover in korte woorden in zijnen Spieg. Hist., Dl. 2, bl. 158 (Cap. 34: Hoe Jhesus die helle brac); maar in onze episode wordt deze gedachte dichterlijk ingekleed en omschreven. Wij willen er een oogenblik bij stilstaan.
De hel is in twee groote afdeelingen gesplitst: de een boven, de andere onder. Beide zijn onaangename plaatsen, maar
Want, vervolgt de Dichter (vs. 3939 volg.):
Welke plaats zeer zeker mag vergeleken worden met dante's beschrijving (Inferno, Canto III):
En als de vuurpoel beschreven wordt,
dan zal elk, die eenigen zin voor het schoone heeft, den laatsten regel voor eene hoogstgelukkige en kernachtige uitdrukking erkennen.
Nadat hij de folteringen geschilderd heeft, die de duivels ondergaan moeten, vervolgt hij:
Als laatste trek voegen wij er nog bij:
In deze ‘onderste stat’ worden de verdoemdengepijnigd; de andere is een verblijf zonder geluk en afwisseling,waar zon noch maan schijnt. In quell' aria senza tempo tinta vertoefden de braven en godvruchtigen van den beginneder wereld af, wachtende totdat christus hen zou komen verlossen. Toen de Zaligmaker aan het kruis den geest gegeven had:
Adam, noach, abraham, jacob, mozes, david, de Profeten en anderen zongen hunnen Verlosser eenen blijden welkomstgroet toe, en zij worden door christus uitgenoodigd hem boven inden trone te volgen. Zij verlaten de plaats der ellende onder het jubelen van het ‘Sanctus, sanctus dominus!’
Toen de hederheid begon te verminderen, kwamen de duivelen weder tot zich zelve, en vreezende, dat hun gebied geheel zou ontvolkt worden, wilden zij de verlosten met geweld terugvoeren. Die meester duvel spreekt christus aan, en vraagt hem met welk regt hij hem zijnen buit ontvreemdt. Christus antwoordt hem:
Want, vervolgt hij:
Daarop zet hij het dogma der verzoening uiteen, en doet den duivel begrijpen, dat hij uit loutere genade en liefde die zielen verlost had, hetgeen zich resumeert in de woorden:
De door hoogmoed gevallen engel(1) wordt zelf daardoor ge troffen, en smeekt:
Maar jezus verwijst hem voor eeuwig naar zijne uiterste duisternis, en voert de zaligen hemelwaarts. - -
De door den Uitgever gebezigde interpunctie is doorgaans weifelend, en daarop valt hier en daar wel iets aan te merken.
Achter het Gedicht volgt als toegift nog een fragment uit maerlant's Boexken van den houte, uit hetzelfde HS. geput. - Vervolgens zijn eenige bladzijden aan Aanteekeningen gewijd; deze zijn nog al mager, en er zijn er, die op den tegenwoordigen stand der Wetenschap gerustelijk achterwege hadden kunnen blijven. Wij zullen er ons niet lang bij ophouden: alleen een paar aanmerkingen.
Bl. 194 brengt de Heer V. tot opheldering van vs. 912 eene plaats bij uit stoke, om te bewijzen, dat het Fransch hier te Lande zeer drok werd beoefend. Huydecoper(1) heeft die plaats van stoke veroordeeld, doch ten onregte. Niet alleen onze Dichter stemt daarmede in, maar adenès le roi, een Dichter, die aan het Hof van hendrik III, Hertog van Braband, bloeide, getuigt zeer duidelijk in zijnen Romans de Berte aus grans piès:
Waarom is, vs. 3904, voor hebdi te lezen sidi?
Vs. 4297 behoeft in de plaats van achter niet ocht of ochte gelezen te worden. Achtervolgen wordt, even als andere ww. met achter zamengesteld, dikwijls in de constructie vaneengescheiden.
Aan de volgende critische conjecturen hadden wij gaarne eene plaats onder de aanteekeningen ingeruimd gezien.
Vs. 245: mare, lees sware; 340, ende, l. in; 390, elken man, l. elc nam; 415, werden, l. verden; 522, hijt, l. het; 802, volmaect, l. ontraect; 862, weghe, l. wieghe; 865, sweghet, l. wieghet; 1409-10, hiertusschen is zeer zeker iets uitgevallen; 2333, Inne, l. Ne; 2504, sijn, l. sijt; 3032, spot, l. scop; 3153, ledichede, l. lelichede; 3224, Dine, l. Die; 3386, hebben, l. hebbe; 4049, sonder lyf, l. sonder blijf; 4269, den
behoefde hier niet door den Uitgever te zijn tusschengevoegd; men zeide zeer goed: Elc nam andren bider hant.
Meer zorg is door den Heer V. aan de verklarende Woordenlijst besteed; al wat het Gedicht voor de taal belangrijks bevat, is daarin bijeengebragt, en die volledigheid maakt de lezing van het Boek ook voor mingeoefenden gemakkelijk. Een paar onnaauwkeurigheden mogen wij niet onvermeld laten.
Tachterwaerne is niet ten verzorger, maar om te verzorgen. Bekint, vs. 463, is overgeslagen. Bout, verg. het Gloss. van Die Dietsche Doctrin. Deluen, deeluen, zie Doctrinale, Gloss. op Verdeluwen. Gront, 4171, diepte; zie t.a. pl. Hurti, stiet hy. ‘Misschien moet voor hurti iets anders gelezen worden, want in het vers schuilt eene fout.’ Neen, er schuilt geene fout in:
Sijn hoet hurti dicke an de wech
beteekent: Hij stiet zijn hoofd dikwijls tegen de muren. De duisterheid schijnt voor den Heer V. in het woord wech gezeten te hebben, waarmede hij geen weg wist; het komt, vs. 349, nog eens voor, en de verklaring heeft clignett gegeven, Bijdragen tot de O.N. Letterk., bl. 33 en 74.
Husten is schreeuwden, van het werkwoord husschen. Verg. willems, Reinaert de Vos. Gloss. en e. kausler, Denkmäler altniederl. Sprache und Litt., I, S. 625.
‘Lochtene, plaats, locus.’ Moet er ook gelezen worden lochtenc? Kiliaan kent lochtinck als een Vlaamsch woord, beteekenende hof, hortus. Het Leven van Jezus, door Prof. meijer uitgegeven, heeft ook ‘ende in din hof stont een nieve graf.’ Het woord hangt zamen met het MHD. Loch, d.i. Busch, Gebüsch. Zie a. ziemann, MHD. Wörterbuch in voce.
Loven, vs. 3745, 3795, toestaan, is overgeslagen. Morwe, zachte; verg. Doctrin. Gloss. -
En hiermede eindigen wij dit misschien reeds al te lange verslag. Wij verheugen ons van harte, dat de veel verwaarloosde studie onzer oude Letterkunde wederom eenen beoefenaar heeft gevonden, die in de aangekondigde uitgave blijken van ijver en studie heeft gegeven, welke ons waarborgen, dat hij het vak con amore behartigt. Mogt hij het niet bij deze eerste schrede laten, maar indachtig blijven, dat er nog een ruim veld te ontginnen is, waartoe het Vaderland ook zijne medewerking eischt!
's Hage, 15 Maart.
Dr. JONCKBLOET.