terug  begin  verderprepost
[p. 474]

Album.

Korte berigten over boekwerken, vlugschriften, enz., aankondigingen van vertalingen, letterkundig nieuws, enz.

Uitgewerkte oplossingen der rekenkunstige vraagstukken, voorkomende in de beginselen der Stelkunst van Jacob de Gelder, Math. Mag. et Phil. Nat. Doctor; door J.M.J. Pantekoek, Leeraar voor de Wiskunst aan de Latijnsche School te Leeuwarden. Met eene Voorrede van Jacob de Gelder, Hoogleeraar te Leyden. Zutphen, W.J. Thieme. 1839.

Bij een aandachtig onderzoek, is het den Hoogleeraar de gelder gebleken, dat het Werk van den Heer pantekoek zoo veel omvatte en zoo doelmatig was ingerigt, dat Z.H. Gelgeen oogenblik mogt aarzelen, des Schrijvers verzoek, om het te mogen uitgeven, toe te staan. Wanneer nu de man, die de voorstellen opgaf, en een zoo volkomen bevoegd beoordeelaar is, de oplossingen goedkeurt, vale er wel niets meer te zeggen; en ook wij stemmen gereedelijk in dit oordeel toe. - Dit neemt intusschen niet weg, dat wij hier en daar omtrent de wijze van oplossing eene aanmerking hebben gemaakt. Bij voorbeeld, bij het dertigste vraagstuk verwonderde het ons, dat geen gebruik werd gemaakt van de eigenschappen der evenredigheden, voornamelijk om den leerling oplettend te maken op deze eigenschappen, die zij, in de bijzondere gevallen, waarin zij ze noodig hebben, veelal vergeten zijn, omdat zij ze niet genoeg in praktijk hebben gebragt. Als tweede oplossing van dit vraagstuk, zou zij ons beter hebben bevallen, dan die, welke de Heer P. geeft, waarop wij de aanmerking maken, dat een vraagstuk met twee onbekenden niet in een vraagstuk met eene onbekende overgaat, omdat men eene der vergelijkingen uit het hoofd oplost, en die dan in de andere substituëert; want loste men dan ook deze tweede uit het hoofd op, wat bleef er dan over? - Behoudens deze en dergelijke aanmerkingen op meerdere vraagstukken, hechten wij onze volkomene goedkeuring aan dit Werk, dat wij den Leeraren in de Wiskunde ten gebruike aanbevelen.

[p. 475]

De verpligting van de bewaarders der hypotheken, om - te onderzoeken, of de toestemming is gegeven door de bevoegde belanghebbende partijen, verdedigd. Pleitrede voor de Arrond.-Regtbank te Heerenveen, 15 Junij 1842, door Mr. A.F. Jongstra, Advoc. te Heerenveen. F. Hessel. 1843. 85 bl. 8o.

Des Schrijvers doel met het uitgeven dezer Pleitrede was, blijkens het Voorberigt, de hoop, dat dezelve iets zoude vermogen tegen de leer van asser, gehuldigd bij een arrest van den Hoogen Raad van 14 April, 1843, welke hij even verderfelijk, als met de Wet strijdig acht. Wij twijfelen echter, of hij, die vroeger het gevoelen van den Heer asser heeft aangekleefd, door des Schr. redenering overtuigd, of zelfs aan het wankelen is gebragt. Zoo weinig erkennen wij in deze Pleitrede (en van een uitgegeven pleidooi heeft men regt dit alles te eischen) echt wetenschappelijk onderzoek, diep en grondig doorzigt, consequente en logische argumentatie; - iets, dat hem te meer in het oog valt, die in de gelegenheid geweest is, het aangekondigde Geschrift te vergelijken met het allezins verdienstelijk opstel over hetzelfde onderwerp van Mr. g.m. van der linden, Themis, Jaarg. 4, No. I, bl. 1-25, uit welke vergelijking men ontwaart, hoe deze, tot de beginselen der hypothecaire Wetgeving doordringende, en het door hem bestreden gevoelen daaraan toetsende, tot den bodem toe heeft doorgetast, en zich ontdaan van alle kluisters van gezag, behalve dat van de Wet zelve, terwijl gene, op de oppervlakte zwevende, aan zijn betoog eene eenzijdige en scheeve rigting geeft, die het geheel misvormt tot een lapwerk, zonder eenheid of zamenhang.

Ten einde dit ons oordeel te wettigen, zullen wij, zonder in de bijzonderheden te treden, slechts dit opmerken, dat des Schr. hoofdgebrek daarin gelegen is, dat hij zijner wederpartij te veel terrein heeft ingeruimd, door, zonder eenig verder en dieper onderzoek, gaafweg toe te geven, dat de doorhaling, door eene onbevoegde partij gedaan, de hypothekaire regten niet doet verloren gaan: eene stelling, waarvan al het gewigt door des Schr. tegenpleiter zoo zeer is ingezien, dat hij aan het betoog daarvan meer dan de helft zijner rede gewijd heeft (bl. 27), en welke met de aansprakelijkheid en bevoegdheid des hypotheekbewaarders zoo zeer in verband staat, dat van de beantwoording daarvan de beslissing van het door den Schr. behandelde vraagstuk geheel afhankelijk is. Zoo toch de onwettige doorhaling eener hypotheek niemand prejudiciëert, dan behoort ook volstrekt den hypotheekbewaarder geen onderzoek

[p. 476]

vrij te staan naar de bevoegdheid van dengenen, die de doorhaling verzoekt, maar alleen naar het materiëel bestaan eener authentieke akte, d.i. naar het aanwezen en de echtheid. - Het verschil van gevoelen tusschen den Heer asser en de pinto bestaat alleen in des Schr. brein. - Of zoude iemand bewogen worden door de hersenschimmige vrees, dat deze of gene, ‘met het doel, om zijnen naasten moeite en schade te berokkenen, naar een' Notaris zoude zenden met ƒ 4 of ƒ 5’ (daar doen die Heeren wat voor!), ‘tot het passeren eener akte van toestemming, om daarop te bewerkstelligen de doorhaling eener inschrijving,’ welke door een eenvoudig vonnis wederom kan worden hersteld? Wij deelen in die vrees niet, althans niet in dier voege, om daarop eene stelling te gronden, als die van den Schr. Terwijl nu de Schr. zijne leer niet in verband heeft gebragt met ons geheele hypothekaire stelsel, tracht hij door vergezochte redeneringen en spitsvindige haarkloverijen (- b.v. de gedwongene uitlegging van de woorden in beide gevallen, het gecreëerde verschil tusschen magtiging en toestemming in Art. 1240, Burg. Wetb., bl. 17-19 -) zijn gevoelen te staven, met behulp van enkele Artikelen, die soms meer tegen, dan voor zijn gevoelen pleiten. Bovenal echter mishaagde ons de onlogische redenering, dat, terwijl de doorhaling, geschied met toestemming van de niet bevoegde partijen, eene onregtmatige handeling is, er voor den Ambtenaar geene wettige verpligting (niet regterlijke verbindtenis) zoude kunnen bestaan, om dezelve te doen. Wie ziet hier niet de verwarring van denkbeelden, door welke de Schr. beheerscht wordt? Zoo hij eene onregtmatige handeling pleegt, die onbevoegd eene doorhaling heeft doen bewerkstelligen, volgt daaruit dan de onregtmatige daad van den onpartijdigen Ambtenaar, die slechts relateert en constateert? Of verrigt ook de Notaris, die, des gerequireerd, eene akte passeert tot doorhaling eener inschrijving ten behoeve van een onbevoegd persoon, eene onregtmatige daad? Neen, regt en verbindtenis zijn correlatief ten aanzien van tegenover elkander staande schuldeischer en schuldenaar. Is bij genen geen regt, zoo kan bij dezen geene verpligting bestaan, maar geenszins ten aanzien van hem, die slechts op eene wettige wijze verhaalt, wat er tusschen partijen is omgegaan.

Wij eindigen dit korte verslag eener Pleitrede, waardoor, naar ons inzien, de oplossing eener vraag, die zoo diep in het werkelijke leven ingrijpt, geen haarbreed gevorderd is. Ook taal en stijl laten veel te wenschen over.

prepostterug  begin  verder