terug  begin  verderprepost
[p. 675]

Verhaal van de verrigtingen der Jesuiten in Vriesland, door P. Willebrordus van der Heyden. Uit het Latijn vertaald en met Aanteekeningen voorzien door Dr. H. Amersfoordt en Mr. U.A. Evertsz. Leeuwarden, bij J.W. Brouwer. 1842.

(Vervolg en slot van blz. 627.)

's Jaars daaraan kwam j. bargius deel nemen aan den arbeid der beide eerste broeders; zelfs stak hij naar Vriesland over. Weldra werd hij opgevolgd door de Paters adrianus arboreus en nic. romaeus, van Brugge. Pater bargius vertoefde slechts korten tijd in Vriesland, en van leeuw, die eenige verstandhouding te Dokkum had, volgde hem op (1596). Zijne zending was ongelukkig. Verraden door de onvoorzigtigheid van zijn' hospes, werd hij gevangen naar Leeuwarden gevoerd, en, volgens het zeggen van jouvency, alleen in vrijheid gesteld, omdat men zijne Regters had omgekocht(1). De mishandelingen, die de Jezuït ondervond, deden hem zijne vrolijkheid niet verliezen; getuige de trek, welken de goede van der heyden ons als ‘fijne scherts’ mededeelt (bl. 28). Van leeuw werd gebannen, en zij, die hem hadden geherbergd, werden tot zware geldboeten veroordeeld(2).

Men was echter in Holland voor die eerste pogingen niet blind geweest. Daarenboven vermenigvuldigden de plakkaten tegen de Katholijken, hetzij van de zijde der Algemeene Staten, hetzij van de zijde der Provinciale Staten, of zelfs van de Stedelijke Regeringen. In sommige dier plakkaten, eigenlijk tegen de Jezuïten gerigt, stelde men hen voor als de gevaarlijkste vijanden der Hervormden (zie vooral het plakkaat van 1596). Behalve deze plakkaten, die men somtijds volgens de letter ten uitvoer legde, hadden de Jezuïten nog de partij te vreezen, die het voortzetten van den oorlog verlangde, en die hen, bij

[p. 676]

gebrek aan beter, met vlugschriften, paskwillen, liedjes overstelpte, altemaal bijtende en onbepaalde uitdrukking van wederzijdschen partijhaat(1). Desniettemin waagden de Jezuïten moedig hunne veiligheid of hun leven, hetzij in de groote steden, zoo als te Amsterdam, Haarlem, Leiden, 's Hage, Rotterdam, Utrecht, hetzij op het platteland, en zelfs in de meest verwijderde boerenhutten, wanneer zij meenden, dat daar hunne dienst vereischt werd(2).

Om tot onzen Schrijver terug te keeren, die slechts zelden Vriesland verlaat, zullen wij met hem opmerken, dat deze provincie eerst in 1609 eenen bijzonderen Missionaris verkreeg. Het was Pater ant. cathuis, die zich te Leeuwarden vestigde. Zijne aankomst was voor Holland het allereerste sein van de twisten tusschen de Orde en de gewone Geestelijken, twisten, die naderhand eenen ontrustenden en ergerlijken keer namen. Op dit punt levert het verhaal van van der heyden vele nieuwe bijzonderheden als toevoegsel tot de klagten die van alle zijden opgingen tegen den hoogmoed der Jezuïten, het misbruik, dat zij van hunne voorregten maakten, en de verwarring, die zij in de kerkelijke tucht te weeg bragten.

Wij hadden verwacht in de aanteekeningen der geleerde Uitgevers, die overigens zoo naauwkeurig tot in de kleinste bijzonderheden afdalen, eene eenigzins volledige behandeling te zullen aantreffen van een vraagstuk, dat zoo teeder, maar tevens voor de geschiedenis van het Katholicisme zoo gewigtig is. Uitgezonderd eenige aanteekeningen (zoo als de 42ste, bl. 241), die eenige belangrijke feiten bevatten, is echter de grond der zaak nergens aangevoerd; nergens is het regtspunt naar behooren behandeld. Ik weet wel, dat de vreesselijke chaos, door de beslissingen der Pausen in het Kanonieke Regt te weeg gebragt, het onderzoek naar de voorregten der Monnikenorden bijna ontoegankelijk hebben gemaakt. Het eenige middel, om daarin eenig doorzigt te krijgen, is door geheel op het historische terrein te blijven.

[p. 677]

Het is genoeg bekend, hoe de Pausen, reeds vroeg doorziende, welke diensten het Monnikwezen hun konde bewijzen, door dit middel den geest der onafhankelijkheid, die bij de hooge Geestelijkheid bestond, trachtten te onderdrukken. De kloosterlingen werden hunne onmiddellijke dienaars, hunne werktuigen, bijna zou ik zeggen de onderpanden, voor de gehoorzaamheid der Koningrijken. Vroeg reeds had de H. Stoel hen aan zich verbonden door het verleenen van groote voorregten; hij had gepoogd hen aan het gezag der gewone Geestelijken te onttrekken, nu eens door hen dadelijk onder hun eigen regtsgebied te stellen, dan weder door hun bijna gelijke magt met de geordende Geestelijken, altoos echter bij uitzondering, toe te kennen. De tegenstand der Bisschoppen echter was hevig en standvastig. Elke Kerkvergadering besliste te hunnen voordeele; maar ook na iedere Kerkvergadering deed de Paus al het mogelijke, om de door haar genomene besluiten te wijzigen of krachteloos te maken. Sedert st. amour en thomas aquinas was het geschil in de handen der Godgeleerden vervallen, het ware middel om het duisterder en venijniger te maken. Dien ten gevolge was het tot op het Concilie van Trente voor beide partijen even moeijelijk, om te weten, waaraan zich te houden. Maar in zijne Twintigste Zitting besliste dat Concilie stellig ten voordeele der geordende Geestelijkheid. Toch hielden zich de Monniken niet voor overwonnen. Niet openlijk durfden zij zich tegen de besluiten der Kerkvergadering verzetten, en daarom bragten zij den strijd op een ander terrein over.

De aanmatigingen van den H. Stoel hadden in de XVIde eeuw hevige schokken ondervonden; maar zij waren ook verdedigd met eenen ijver en eene volharding, welke die der aanvallers voor het minst evenaarde. De kloosterlingen maakten er gebruik van, om daaruit gevolgtrekkingen af te leiden, voor hunne voorregten gunstig. Niemand betwistte, dat de uitvoerende magt geheel en al den Paus toebehoorde. Welnu! het was uit kracht van deze magt, dat hij de voorregten uitdeelde; want volgens de Monniken, waren het niet meer nieuwe wetten of uitzonderingen op het gevestigde regt, maar eene wettige betaling, door de Kerk verschuldigd aan degenen, welke zich aan hare dienst hadden toegewijd, en in sommige gevallen zelfs het gevolg eener overeenkomst, tusschen de Stichters der Orden en den H. Stoel aangegaan(1).

[p. 678]

Aldus vernietigde men de uitspraak der Trentsche Bisschoppen, zonder dat men den schijn aannam die aan te randen, en de oude misbruiken keerden, het eene voor, het andere na, weder. Om ons b.v. tot de Jezuïten te bepalen; zij werden aanvankelijk ontheven van de wereldlijke en kerkelijke tienden, van alle deelneming in de algemeene beden, van alle bijzondere dienst jegens Bisschoppen en van bisschoppelijke visitatiën. Weldra ging men zoo verre, van de oude bullen te vernieuwen, en geraakten zij in het bezit van de bediening der priesterlijke Sakramenten, het huwelijk, het laatste oliesel en den doop. Hunne biechtvaders konden in alle gewetenszaken absolutie geven, behalve in de gevallen, welke in de Bulle in coena Domini waren uitgezonderd(1). Door middel van het privilegie des vervoerbaren altaars, was er voor hen geene verbodene of ongewijde aarde. De dienst in hunne Kerken was even verdienstelijk als de dienst in de parochiale, en werd drukker bezocht, ten gevolge der overvloedige aflaten. Eindelijk hadden zij zelfs het regt, om zich in ieder Land Conservatores te verkiezen, om hen te verdedigen in alle zaken, waarin zij als eischers (actores) optraden, en regt te spreken in die gevallen, waarin zij aangeklaagden (rei) waren(2).

Intusschen kwamen de Bisschoppen en de Universiteiten altoos op het Concilie van Trente terug; maar de geestelijke Orden gaven ook hare uitlegging. In de XXIVste Sessie was gezegd: Moneat Episcopus populum diligenter, teneri unumquemque Parochiae suae interesse, ubi commode fieri potest ad audiendum verbum Dei. Men vroeg ten eerste, of het woord teneri het begrip van strikt regt in zich besloot, en sub poena peccati, en men beriep zich op thomas aquinas en zijne School, om de

[p. 679]

besluiten van de Kerkvergadering van Trente uit te leggen! Men beweerde, dat dit zelfde woord teneri alleen op audire verbum Dei, en niet op audire in parochia betrekking had. Men haalde de beroemde bijbelplaats aan: Waar er twee of drie vergaderd zijn, enz. De Paus gaf aan dergelijke haarkloverijen den steun van zijn gezag, en men kraaide victorie(1).

Uit hetgeen wij gezegd hebben, laat zich gemakkelijk opmaken, welken eerbied de Jezuïten in Vriesland hadden voor den Priester lambert engelberts(2), en hoe zij met zijne regten omsprongen, even als met die der Apostolische Vicarissen sasbout, vosmaer en van roovier. Steunden deze hun verzet op de besluiten van het Concilie, de Jezuïten beriepen zich op den Paus. Urbanus VIII poogde het geschil te bemiddelen, door wederzijdsche toegevendheid te bevelen. Volgens zijne Bul van 1 Mei, 1623, Salvatoris et Domini, moesten de reguliere Geestelijken en de Jezuïten, even als de geördende, in het genot zijn der bedieninge der Pastoreele Sakramenten, maar met toestemming van den Apostolischen Vicaris, tot wien voor het overige ieder Missionaris zich had te vervoegen, hetzij regtstreeks, hetzij door tusschenkomst van zijn' Superior. De Vicaris zou het getal der Missionarissen op onderscheidene plaatsen van zijne onderhoorigheid bepalen. Hij zou naar goeddunken hen kunnen terugzenden, na kennisgeving aan hunnen Superior; hij zou jaarlijks een in bijzonderheden gaand verslag ontvangen van hetgeen zij hadden gearbeid. Daarentegen moest hij den Ordebroeders gerustelijk hunne voorregten laten behouden, en iedere oneenigheid met hen zou in het laatste beroep door den Paus worden beslist. Het Concordaat te dier gelegenheid, ten overstaan van den Nuncius en de Aartsbisschoppen van Mechelen, tusschen florent de montmorency, Pater Provinciaal, en den Vicaris van roovier getroffen, bragt slechts geringe verandering in de uitspraak van den Paus. Hoe door de Jezuïten de overeenkomst werd betracht, bewijst het volgende feit. In 1660 waren er vijf en twintig van hunne stationes in Holland, die

[p. 680]

niet gewettigd waren, en waaromtrent men den Vicaris geenerlei officiële mededeeling had gedaan(1).

Tot in 1617 hadden, volgens de getuigenis der Jezuïten zelve, hunne Zendelingen weinig voortgang in Holland gemaakt; de oogst was schraal en moeijelijk binnen te halen. Zeker was dit geen gevolg der tegen het uitgevaardigde plakkaten, want, wij zieden het zoo straks, daarom bekommerden zich de Jezuïten weinig. Het beroemde plakkaat der Algemeene Staten van 1612 had, ware het letterlijk opgevolgd geworden, de uitroeijing van het Katholicisme in Holland ten gevolge moeten hebben. En echter dat plakkaat, zoo streng, zoo zeer in bijzonderheden tredende, wordt in hunne verhalen niet eens aangehaald. Het hoofdgebrek was gelegen in de inrigting hunner missiën zelve. De Jezuïten waren te gering in aantal voor de werkzaamheden, die hen wachtten, te meer, daar de voorzorgen, die zij gedwongen waren te nemen, hunnen ijver aanmerkelijk belemmerden. De wijze van onderlinge mededeeling was verre van geregeld; de vervanging der Missionarissen leverde gedurige gapingen op. De haat, dien men alles toedroeg, wat van Spanje afkomstig was, boezemde eene soort van wantrouwen tegen hen in, dat zij niet dan met moeite, zelfs bij vele Katholijken, konden te boven komen. Zulk een toestand kon niet duurzaam zijn. De zevende Congregatie (1615) en de nieuw generaal mutius vitelleschi legden er zich ijverig op toe, dit te verhelpen, en de omstandigheden begunstigden bij uitstek hunne pogingen. Sedert de teekening van het Bestand, waren de beide partijen, die toen Holland verdeelden, aan zich zelve overgelaten, en, thans tegen elkander in het harnas, konden zij moeijelijk letten op hetgeen er rondom hen broeide. Bij gevolg vormde Pater mutius 19 verschillende Stationes, waar twee of, ingeval van nood, meer Jezuïten zich moesten ophouden(2). Hij gelastte, dat de Superior van de missie voortaan altoos te Utretcht zijn verblijf zou houden; hij verleende hem dezelfde regten, als aan de Rectoren der Kollegiën, en bovendien het beheer der fondsen, tot het onderhoud der missie bestemd. Hij wilde, dat ieder Missionaris zich ten minste één-

[p. 681]

maal 's jaars bij den Superior begaf, om zich over de te nemen maatregelen te verstaan. De missiën zelve moesten onderling op zekere tijdstippen bijeenkomsten hebben, om elkander over en weder inlichtingen te geven(1). Mutius liet daarenboven door den Provinciaal van België eene soort van oproeping opstellen aan alle Katholijken, die zijne Zendelingen moesten verspreiden in alle steden, waar zij ontvangen werden. Men beval daarin den Katholijken aan, om de Jezuïten te helpen in het opstellen van eenen catalogus hunner geloofsgenooten, met opgave der geschiktste huizen voor zamenkomsten. Naar deze lijst verdeelde men de geloovigen in kleine Kerspelen. Iedere dezer zamenkomsten moest ééns in de week worden gehouden. Men wijdde er zich aan het gebed, aan het lezen van een of ander leven der Heiligen, vooral, indien de Missionaris tegenwoordig was, aan het godsdienstig onderwijs der kinderen. De grootste voorzorgen werden er aanbevolen, opdat de plaats der zamenkomst niet ter kennisse der Ketters zou komen. Elke vergadering moest een fonds zamenstellen tot aankoop van gewijd huisraad, vooral van boeken voor de jeugd. De boeten, het losgeld der gevangenen, moesten ook uit dit fonds wordengetrokken, waarvan het beheer opgedragen werd aan drie of getrokken, waarvan het beheer opgedragen werd aan drie of vier verantwoordelijke Katholijken. Wanneer het fonds niet voldoende was, verdeelde men de uitgaven over al de Leden, naar gelang van hun vermogen. Het einddoel der Missionarissen was ook in die oproeping uitgedrukt. ‘'t Ware oock goet te bedencken, wat middelen men konde gebruycken elck om syn vriendt, ende namelijck sommighe driftighe personen tot de religie met Gods hulpe te brenghen, als door welcker bekeeringhe het gheheele Landt tot eenicheyt des geloofs kon gebracht worden’(2). Voor meerdere veiligheid veroorloofde men den geloovigen het masker van het Calvinismus, of van elke andere sekte aan te nemen(3).

Als men deze maatregelen nagaat, en tevens bedenkt, dat zij alle ten uitvoer werden gelegd, dan is men gedwongen te erkennen, dat het de Jezuïten zijn, die het Katholijke geloof in Holland van den ondergang hebben gered. Even gemakkelijk

[p. 682]

verklaart men zich voor een goed deel den uitslag hunner werkzaamheid. Deze was inderdaad snelwerkend en voorspoedig. Te Amsterdam b.v. vereenigden de Jezuïten meer dan 2000 personen om zich; te Rotterdam onderwierpen zich 400 huisgezinnen aan hun geestelijk opzigt. In Noord-Holland werden bijna 200 Doopsgezinden tot het Roomsche Geloof bekeerd. Gelderland en Utrecht, van Priesters ontbloot, waren langzamerhand hoe langer hoe meer Calvinistisch geworden; maar Pater riserus doorliep die gewesten met eenige zijne medearbeiders en bragt vele nieuwbekeerden tot het oude geloof terug(1).

In dien voorspoed der Jezuïten is eene gewigtige les verborgen. De verbittering en de hevigheid der Godsdienstoorlogen der XVIde eeuw boezemden aan sommige zwakke of eigenbatige gemoederen eene hevige begeerte naar vrede in. Er had zich eene derde partij gevormd, die, om hare inschikkelijkheid op het punt van Godsdienst, den naam van liberaal verdiende, en die zich zelve de polityke noemde, omdat zij de aardsche belangen op den voorgrond stelde, of, om ons van de uitdrukking eens Jezuïten te bedienen, ‘omdat zij den vrede der wereld vòòr den vrede Gods zocht’(2). Deze partij wilde eene algemeene tolerantie, zelfs ten koste der buitensporigste concessiën(3). Overal waar zij heerschte, in Frankrijk zoowel als in Holland, dwong zij de overigepartijen om tolerant te zijn, gelijk zij zelve. Het was nogmaals dezelfde partij, welke, alle menschelijk gezag ontkennende, door eene niet zeldzame tegenspraak met zich zelve, de meeste afvalligen leverde voor het geloof, dat het willekeurigste gezag ten grondslag heeft. Er was bovendien een punt van toenadering tusschen Jezuïten en Arminianen, voor zooverre beide Molinisten waren. Het was, dat beide de verkiezing der geloovigen van den wil des men-

[p. 683]

schen afhankelijk stelden; eene leer, die, volgens de verklaring der Hervormde Predikanten van Frankrijk, ‘het Papisme onder een masker verborg, om het Pelagianisme in te voeren.’ De groote geschiedenis der Orde, zoowel als het verhaal van Pater van der heyden, leveren in dit opzigt merkwaardige mededeelingen. Te Gouda telden de Jezuïten alleen in het jaar 1618 vijftig nieuwe bekeerlingen onder de Arminianen, en meer dan veertig te Rotterdam in 1623. In Vriesland waren het de zachtzinnige en vrome Mennisten, welke de zendingen het gereedst vonden, om in de schikking te treden(1).

Toen ondertusschen de meeningen der meerderheid als zoodanig door de Synode van Dordrecht erkend waren, was er een oogenblik van terugwerking, en de rampspoeden hernieuwden zich voor de Jezuïten(2). Van alle zijden verklaarde zich de openbare meening tegen hen. De Leeraars, die van tijd tot tijd, even als in de dagen der eerste Hervormers, Godgeleerde geschillen met hen aanvingen(3), gaven aan de Staten hunne verontwaardiging te kennen over de steeds toenemende stoutheid hunner tegenpartij en den verderfelijken invloed van deze op het gemeen. Overal hadden de Hollanders Jezuïten ontmoet, in de landmagt der Spanjaarden, zoowel als op hunne vloten (missiones navales et castrenses), tot in Brazilië, tot in de afgelegenste bezittingen der Indiën toe. De vreesselijke beschuldigingen van Koningsmoord, die in tallooze geschriften

[p. 684]

door Europa werden verspreid, waren ook in Holland bekend, want ieder dier geschriften was vertaald en verrijkt met beide aanslagen van balthazar gerards en pieter panne. Men gaf ook oorspronkelijke boekjes uit, waarvan enkele, zoo als dat van jacobus outhovius, een' woedenden haat ademden(1). Het bekende edict der Staten van Holland, van 1622, droeg de kleur van al die algemeene en bijzondere geraaktheid. Strenger dan een der vorige plakkaten, scheidde het de zaak der Jezuïten van die der Katholijken, die in Holland werden geduld. Het stelde een' ordebroeder ‘buiten de wet,’ door hem te verklaren ‘goede prise ende rantsonable’ naar gelieve, maar nimmer beneden 100 illustratie Vlaamsch. Aan degenen, die de aangifte deden, werden belooningen uitgeloofd; diegenen, die den Jezuït verborgen of de minste briefwisseling met de Orde onderhielden, werden met de zwaarste straffen (boeten, gevangenis of ballingschap) bedreigd.

Deze vreesselijke vervolging had echter meer weêrklank door Europa, dan kracht in Holland zelf. Al hare vrucht was het gevangen nemen van eenige Jezuïten, zoo als van de Paters maillard en zacharias, te 's Hage, en de Paters borgelet en rijswijck, te Goch(2); ook werden deze onmiddellijk door anderen vervangen. Spoedig hield ook de vervolging van zelve op. De opvolger van Prins maurits beschouwde de Remonstranten uit een gansch ander oogpunt dan hij. Hun invloed trad weder ten tooneele, en daarmede de begrippen van vrijgevigheid en verdraagzaamheid. Toch had deze verslapping nog gansch andere oorzaken. Het waren deels de handelsbelangen, deels de tusschenkomst van Frankrijk, welks staatkunde frederik hendrik in alle opzigten deelde, en eindelijk, het woord moet er uit, de omkooping. Want de beambten, met de uitvoering der plakkaten belast, sloten ‘door eene vervloeckte geld-gierickheyd ende eerloze compositie’ (zoo drukken zich de Zuid-Hollandsche Predikanten uit) de oogen voor alle overtreding, ‘als of deze plakkaten niet voor het algemeene welzijn, maar alleen voor de beurze der voorn. officieren’ waren ge-

[p. 685]

maakt(1). Zelfs veroorloofde men op sommige plaatsen eene soort van openbare eeredienst, en overal groote inzamelingen, om de missiën te ondersteunen en bekeeringen te koopen(2). Als een feit, dat ons van verdere ontwikkeling zal ontslaan, kunnen wij hierbij het volgende voegen. In 1631 onderhield het Genootschap der Jezuïten op zich zelf 30 stationes en in 1660 zeven en veertig(3).

Om terug te komen op Pater van der heyden, - Vriesland volgde geheel en al de beweging der overige Provinciën. Hoewel minder talrijk dan elders, hielden de Jezuïten er zich toch te allen tijde staande en maakten er ijverige en hun verkleefde proselyten. Onze Schrijver haalt een aantal voorbeelden aan; maar niemand overtrof in ijver, in moed en belangeloosheid, den door onzen Schrijver zoo zeer geroemden johannes hendriks, vroeger Doopsgezinde te Harlingen. Zoo zijne bekeering den Jezuïten eenige moeite had gekost, geene was hun nuttiger in de gevolgen, want te zijnen huize kwamen de geloovigen bijeen; te zijnen huize verborg men de heilige sieraden en de draagbare kapel; bij hem vond de Missionaris eene schuilplaats, wanneer de Overheden, hetzij ten gevolge van eigene waakzaamheid, hetzij van verraad, door eene onverwachte huiszoeking de uitoefening van de dienst kwamen storen. Zijn ijver deed vermoedens op hem vallen. Het gerucht verspreidde zich, dat onder de Protestantsche Kerk eene mijn was aangelegd(4)

[p. 686]

en dat hij met de zeeroovers van Duinkerken verstandhouding hield. Meer dan eens werd hij overvallen, voor de Overheid gebragt, en in de gevangenis geworpen, totdat de geheele boete, door de plakkaten voorgeschreven, was betaald. Eenige jaren van het verblijf der Jezuïten te Harlingen kostten hem alleen bijna tien duizend gulden (bl. 40-59)! Hij werd waardiglijk beloond, eerst door de voldoening van zijn geweten; vervolgens door de lofspraken, die de Jezuïten te Harlingen in hunne verslagen op hem hielden. Bijna vergat ik te zeggen, dat de Jezuïten zijn kind, dat van den Duivel bezeten was, genazen, en zijne vrouw bekeerden, die langen tijd Doopsgezind was gebleven.

Na eenigen tegenspoed te Vlissingen, kwam Pater van der heyden zelf in 1627 in Vriesland. Sedert dien tijd is zijn verhaal uitvoeriger, en rust niet langer op de mededeeling van anderen. Voortaan op de hoogte van alles, wat er in de provincie omgaat, is hij in staat ons het juiste getal zijner medemissionarissen, dat der stationes, en de uitkomst van der Jezuïten arbeid, doopsbedieningen, huwelijken, mirakelen, bekeeringen, enz., in cijfers op te geven. Wij wenschten eenige der bekeeringen mede te deelen, zoo wij niet vreesden reeds te veel ruimte te hebben ingenomen; alleenlijk verwijzen wij onze Lezers naar bl. 100, waar men zien kan, hoe de proselytenmakerij in vervolging ontaardde.

Sedert de aankomst van onzen Schrijver vinden wij, dat de vorderingen der Jezuïten eenen snelleren gang nemen, en voorzeker droeg hij er meer toe bij, dan iemand anders, ofschoon zijne zedigheid hem verhindert zijnen eigen' persoon op den voorgrond te plaatsen. In 1627 zag Ameland de Katholijke Godsdienst in het openbaar belijden. Sedert 1630 hadden Dokkum en Franeker Jezuïten binnen hare muren; Bolsward, in 1621 verlaten, werd hernomen in 1633. Eindelijk in 1639, het jaar, waarop ons verhaal eindigt, waren de Jezuïten gevestigd te Leeuwarden, te Harlingen, te Franeker, te Bolsward, te Hemelum, op Ameland, te Dokkum, in Dongeradeel, in Dantumadeel en in Kollummerland (bl. 150).

Het verhaal van van der heyden zelven strekt zich tot ongeveer in het jaar 1639 uit. Een zijner medehelpers en Pater robert durieu hebben er het jaar 1639 bijgevoegd, met eene korte lofrede op onzen Schrijver. De uitmuntende voorrede, welke de Uitgevers voor het Werk geplaatst hebben, ontslaat ons van de taak, om over de echtheid van het verhaal, de

[p. 687]

Levensgeschiedenis des Schrijvers, en de bronnen, waaruit hij geput heeft, uit te weiden. Die voorrede verdient in haar geheel te worden gelezen. Wij bepalen ons hier tot eenige aanmerkingen betreffende den geheelen toon des Werks.

Vooreerst treft men er niet die overdrevene geestdrift, die opgeblazenheid op hunnen voorspoed aan, die zoo vele andere geschiedschrijvers der Orde heeft bezield, zoo als damianus in zijne Synopsis Imi Sacc. Soc. J., of de Schrijvers der Imago primi Saeculi, sommige der Literae Annuae, en jouvency zelven. De toon is doorgaans ernstig en kalm. Van der heyden heeft, zonder hoogere aanspraken, eene eenvoudige Kronijk van de werkzaamheden der Missionarissen alleen in Vriesland willen leveren. In deze Kronijk zijn de feiten volgens de jaren gerangschikt, zonder ander verband dan de Chronologische Orde, en naar gelang zij voor zijne herinnering zich opdeden. Er heerscht zelfs eene soort van eentoonigheid in de bijzonderheden, die vermoeijend wordt. Welligt hadden de Uitgevers welgedaan, ten minste het verhaal van het gebeurde met Pater van der heyden te Vlissingen weg te laten, dat tot driemaal toe voorkomt. Zelden raakt onze Jezuït in vuur, of het moest zijn om de Ketters te bestrijden, of hunne onregtvaardige vervolgingen op te halen. Eens of twee malen barst hij in scheldwoorden los, maar doorgaans stelt hij zich liever als slagtoffer voor. Hier en daar laat hij een heimelijk genoegen doorblinken over de rampen, die zijne vijanden treffen. Want hij wil niet, dat men vergete, dat de Jezuïten aan te vallen is het geheele Katholicisme aanvallen, is Stryden tegen God; en God weet, wanneer hij wil, eene schitterende wraak te nemen van de vijanden der Orde, hetzij Duivels, hetzij Calvinisten. Getuige die arme geregtsdienaar gerard jopius, op wiens gezin alle misdaden, alle schande zich opeenhoopten. ‘Het scheen, dat God, die den Pater (warighem) zelf in het huis des verraders beschermd had, den bewerkers dezer onderneming gestrenge straffen toedeelde’ (bl. 51)(1). Getuige ook die arme Onderschout, om zijne geweldenarijen Priesterduivel bijgenaamd, die het voorwerp der algemeene spotternij en verachting werd. Van der heyden vergeet hier, dat hij ter algemeene stichting schrijft, want zijn verhaal is niets dan eene Chronique Scandaleuse (bl. 72 en 109).

[p. 688]

Vreemder nog is de kalme en onwrikbare overtuiging, waarmede hij de aanstootelijkste en wonderbaarlijkste gevallen mededeelt. Onze Jezuït toont daarin vaak eene kinderachtige, ik zou bijna zeggen belagchelijke, naïviteit. Tot voorbeeld strekke de lange geschiedenis der bezwerking van anna. De arme deerne was van een heirleger duivels bezeten, en alleen hunne namen kunnen ons een denkbeeld geven, wat zij uit te staan had! Het waren peter stobbeler, brand - kieck - blaes in de hel, kieck deur de glazen, voordanser, enz. De allerkwaadaardigste plaaggeest was hanske comt boven, en deze toonde eene bijzondere genegenheid voor Calvinisten en Predikanten. ‘Komt hier,’ riep hij hun toe, ‘gij zijt van ons volck,’ en wanneer zij naderden, wierp de slimme duivel hun al hunne booze neigingen voor de voeten. Hij had alleen ontzag voor de ware geloovigen. Van deze getuigde hij, zeggende: ‘“Deser is van Gosses volck,” want hij konde den naam Godt in het Nederduitsch niet goed uitspreken.’ Toen de Missionarissen zich van hanske hadden meester gemaakt, werd hij wat menschelijker; zelfs toonde hij groote begeerte om zich te bekeeren. Men kon hem, en dat nog wel in goede verzen, den lof van God hooren zingen, en het Leven van onzes Heeren in eene soort van Messiade verhalen. - In zijne beste oogenblikken maakte hij kleine vierregelige versjes in den trant van christine de pisan(1). Hij vermaande tot berouw, tot het ontwijken der Ketters, tot het opzoeken der Jezuïten, en dat zoo goed, ‘dat een Christen-Redenaar dit naauwelijks beter aan zijne toehoorders kon voorstellen’(2). - Verontwaardiging is hier onmogelijk, het is al te bespottelijk.

Vóór wij eindigen, moeten wij nog van de werkzaamheden der Uitgevers, de H.H. (wijlen) Dr. amersfoordt en Mr. evertsz, gewagen. Zij hebben bij hunne vertaling - want van der heyden schreef Latijn - eene menigte aanteekeningen gevoegd, die het halve boekdeel beslaan. Vele dier aanteekeningen be-

[p. 689]

wijzen voor hunne, bijna wat al te beuzelachtige, naauwkeurigheid, voor hunne ongeloofelijke kennis van alles, wat de oudheden en de genealogische geschiedenis van Vriesland betreft. Geen persoon, zelfs de onbekendste in de zeventiende eeuw, geen burger, waarvan zij niet de voorouders, of ten minste de nabestaanden weten op te geven, en dat met eenen rijkdom van aanhalingen, nasporingen, die dikwijls verblindend is en de lezing te moeijelijker maakt(1). Vele dier aanteekeningen (en wij hebben er onderscheidene aangehaald) bewijzen de opregte begeerte, om hunnen Auteur belangrijk te maken; en zij zijn in die poging geslaagd. - Misschien halen zij wat al te veel Katholijke Schrijvers aan .... ‘ten einde daardoor allen schijn van partijdige voorstelling te vermijden’ (zie Voorr., p. xxiii.) Men zou welligt kunnen vragen, of het niet beter ware geweest aan den voet der bladzijden de aanteekeningen te plaatsen, tot beter verstand van den tekst, en aan het einde als Bijvoegsels de resultaten hunner belangrijke onderzoekingen op te geven.

Wat ons betreft, de eenige wezenlijke bedenking, welke wij tegen hen wagen, is, of in hunnen geleerden arbeid de wetenschap niet een weinig bezijden het doel is nedergekomen. In een Werk, dat zoo bepaaldelijk de werkzaamheden der Jezuïten betreft, hadden wij gaarne de Jezuïten overal op de eerste lijn geplaatst gezien, en toch vinden wij naauwelijks eenige regels over de beroemdste namen der Orde, en nog verwijzen ons die regels meestal naar bibliographische woordenboeken(2). Vergelijk b.v. aanteekening 9 (bl. 214) over de popma's, aant. 62 (bl. 253), over jarich van liauckama met die over ignatius, over mutius vitelleschi, over leonardus lessius, over scribani, enz. Bij gelegenheid van vitelleschi, moeten wij aanmerken, dat jouvency nergens zegt, dat hij minder stemmen had dan zijn mededinger. - Gaarne hadden wij meer uitvoerigheid ten opzigte der missiën en de geschillen met de geordende Geestelijkheid gewenscht. Eene inleiding had eenige bijzonderheden moeten mededeelen over het geheel der Hol-

[p. 690]

landsche missie, waarvan de Friesche toch niet meer dan een zwak gedeelte was. De Jezuïtsche bronnen ontbraken hun, zeggen zij. Maar die waren in overvloed voorhanden in de rijke Haagsche Bibliotheek; het behoorde hun niet onbekend te zijn, en de welbekende beleefdheid der H.H. Bibliothekarissen had hen moeten aanmoedigen daar nasporingen te doen.

De eerste aanteekening schijnt ons slechts karig in dit gebrek te voorzien; zij behelst slechts eenige losse feiten, die geen overzigt daarstellen. Vervolgens vinden wij in de schets, die zij ons van de instellingen der Orde geven, niet die naauwkeurigheid terug, welke voor het overige hunne onderzoekingen kenmerkt. B.v. zij maken slechts eene klasse van de Scholastici en de Novitii; ondertusschen hadden zij de eerste geloften afgelegd en onderwezen zelve in de Kollegiën. Men vindt hier de voor het minst al te gewaagde gissing van monclar terug, die de Professi der drie geloften voor geheime Jezuïten aanzag. Het onderscheid, hier gemaakt tusschen de geloften der Coadjutors en der Professi, dat de eersten de geloften aan God en de Professi aan den Generaal deden, is onjuist. De geloften waren dezelfde, uitgenomen de vierde gelofte van bepaalde gehoorzaamheid aan den H. Stoel, bij de Professi, uitgenomen de formule, bij de gelofte der Coadjutors gevoegd, ‘juxta modum in Litteris Apostolicis et Constitutionibus expressum,’ d.i. van verder in de Orde te treden.

Daarentegen had aanteekening 48, over de Imago primi Saeculi S.J., korter kunnen zijn. Het ware genoegzaam geweest Pater sotuel te raadplegen, en de hoovaardij, die de Schrijvers van dit beroemde Boek bezield heeft, te doen uitkomen, b.v. door eenvoudig de titels van elk gedeelte aan te halen. - Als bijdrage tot de 75ste aant., over de Jezuïten-Seminariën, voor de Engelsche missiën bestemd, had vermeld behooren te worden het Kollegie van Eu, door den Kardinaal van Lotharingen gesticht; de drie Seminariën van Valladolid, Salamanca en Lissabon, door philips II in 1592 en 1593 gesticht; dat van Sevilla, door den Kardinaal rodriguez de castro in 1591; dat van St. Omer, insgelijks door philips II in 1593, en dat van Watenes in 1624 (jouvency, 1. XIII, p. 214, 215). - Wij zijn nog niet overtuigd, dat door de Broederschap van den Zoeten Naam Jesu, waarover van der heyden, bl. 75, spreekt, bedoeld wordt die, waarover aant. 80. Zou het niet veeleer eene dier talrijke Sodalitates of congregatiën zijn, die de Jezuïten overal vestigden, waar zij zich bevonden? Pater gonfaloneri (augusti-

[p. 691]

nus)(1), aangehaald door van der heyden, bl. 86, verkreeg in Italië groote vermaardheid gedurende zijn verblijf in Sardinië, Genua en in het Valteline. Een blik op jouvency, 1. XV, p. 281, 305, en op cordara (1. IX, n. 9), zou de Uitgevers van hunne gissingen hebben ontslagen (aant. 102). - Met Watenes in Vlaanderen heeft Pater van der heyden geenszins het Kollegie van St. Waart te Douai, nog veel minder Warneton gemeend (aant. 163), maar de kleine stad Watenes, tusschen Grevelingen en Calais, waar de Jezuïten in 1624 een Engelsch Seminarium vestigden. Cordara, 1. IX, p. 500, verhaalt breedvoerig deszelfs stichting. - Jouvency (Append. ad 1. XVII, p. 448) schrijft aan de Jezuïten al de eer toe der bekeering van jan van nassau (zie de laatste aanteekening).

Eindelijk hebben wij de volgende verbeteringen bij aant. 203 te voegen. Pyrnau, in plaats van Tyrnau (prov. Oostenrijk), waar de Jezuïten vijf stichtingen hadden. - Truxillo: het betreft hier Truxillo in Peru. Oczura staat voor Oruro, insgelijks in Peru. Piscara is eene Jezuïtsche Stichting op de kust van Malabar. Er was geen Kollegie te Peschiera (gebied van Venetië). De twee namen Creps en Cremphir beteekenen het Kollegie van Crembs (prov. Oostenrijk); Astilia staat in plaats van Ezixa (Lat. Astigita), waar inderdaad een Kollegie gesticht werd door francisca de corduba en beatrix de montesalvo (en niet montcalve). Almagia is de Latijnsche naam van Almagro (prov. Toledo). Catau. De naam van den stichter, ook door jouvency medegedeeld, heeft ons gebragt op het Kollegie van Catanzaro (Kon. Napels). Malbode of Malbodium is de Latijnsche naam van Maubeuge. Krecquipa zal eene fout zijn voor Arequipa (zie over al deze namen den Catalogus van jouvency).

Dr. E. PIAGET.

(1)Judices, aureis per Catholicos vinculis irretiti, ferrea leonis vincula ruperunt.’ Ik maak van deze omstandigheid melding, omdat v.d. heyden met zoo vele woorden zegt: ‘dat hij zonder losgeld ontslagen is.’
(2)Zie het verhaal van v.d. heyden ad annos, en sommige aanteekeningen daartoe betrekkelijk, maar vooral jouvency, L. XVII, p. 414, 415.
(1)Tot voorbeeld haal ik alleen een liedje aan, in 1608 op hen gemaakt. Dus luidt het eerste couplet:
 
Wacht u mijn broeders allegaer,
 
Ick waerschou u in dezer uren,
 
Want hier comt over een vreemde schaer
 
Om ons al te bringhen in truren, enz.
(2)Jouvency, ibid.
(1)Zie Pater cellot, De Hierarchia et Hierarchis, L. V, c. 10, 19, 22, 24. Intusschen werd dit Werk eenen tijdlang door de Heilige Congregatie verboden.
(1)Men kan de casus reservati vinden in het Jus Canonicum c. etsi 3 Extravag. comm. de poenitentiis et remissionibus, waarbij men moet voegen die uit de Bulle van 1568. Onder sommige Pausen, zoo als paulus III en clemens VIII, konden de Jezuïten zelfs in voorbehoudene gevallen vrijspraak geven bij ongeloovigen en Ketters. Zie Compendium privileg. S.J., voce absolutio.
(2)Zie Compend. Privileg., v. Conservatores. De geschiedenis van de geschillen der Orde met den Aartsbisschop van Sta Fé van Bogota (1633), met den Aartsbisschop van Manilla, met den beroemden palafox, bewijst, met hoeveel naauwgezetheid de Conservatores hunne taak waarnamen (zie Morale Pratique, T. I, p. 236 verv.).
(1)Eene dergelijke redenering is te vinden in de Analecta Privileg. et jur. religiosor. ordinum, c. IV. Kuelen, 1683. Exhibitio Canonica ci ca jus regul. Leuven, 1674, en andere Ultramontaansche Geschriften uit dit tijdvak.
(2)Vrij bar werd deze Priester door de Jezuïten in hunne briefwisseling behandeld. Zie der Jesuiten Negotiatie, enz., p. 60 verv.
(1)Zie de bovenaangehaalde Concordata et Decreta.
(2)Het waren: Amsterdam, Utretcht, Haarlem, Leyden, 's Hage, Rotterdam, Delft, Gouda, Hoorn, Alkmaar, Harlingen, Leeuwarden, Bolsward, Groningen, Zwolle, Zutphen, Nijmegen,Vianen, Middelburg. Cordara, Hist. Soc. J., P. VI, L. II, p. 98.
(1)De bijzondere lastgeving der Hollandsche Missionarissen is letterlijk te vinden in der Jesuiten Negotiatie, enz., p. 10-13.
(2)Der Jesuiten Negotiatie, enz., p. 1-4, waar men deze oproeping aan de Katholijken in haar geheel vindt.
(3)Ibid, bl. 35.
(1)Cordara, L. II, p. 98, 99.
(2)‘Ick weet,’ zeide onze Jezuït, ‘ick weet genoech wel datter huyden een religie is, die de politycke heet, die de Catholycke ende alle andere religien geerne by een breghen soude, conde sy het doen, om een tijdtlycke peys onder den menschen te brenghen, wildet so lueken.’ Der Jes. Negot., bl. 8.
(3)Zie den brief aan oldenbarneveldt, in der Jesuit. Negot., bl. 22. Ik moet er bijvoegen, dat deze brief nog niet bewijst, dat de Advokaat in briefwisseling met de Jezuïten was. Het was van de zijde der laatsten eene poging, om hem tot het Katholicisme te brengen, terwijl men hem te zelfder tijd wilde overreden, dat de concessien, welke hij van het Katholicisme eischte, met deszelfs bestaan in strijd waren.
(1)Cordara, P. VI, L. II, p. 99, L. VIII, p. 430, en de belangrijke aanteekening op het verhaal van v.d. heyden (aant. 155, bl. 289 verv.). Bepalen wij ons tot het verhaal, betreffende Ameland. ‘De predikatiën, in het openbaar door carbonelli gehouden, hebben, naardat elk gezind was, den eenen meer, den anderen minder behaagd; voor het overige was hij, sprekende over de onzijdigheid, door H.H. Isabella, Infante van Spanje, aan het eiland te vergunnen, en dien ten gevolge over de vrije visscherij, bij allen welgevallig, en heeft men hem verzocht, dat hij zelf zijne moeite daartoe zoude aanwenden. Hij heeft dit ook beloofd, onder voorwaarde, dat de vrije uitoefening der Katholijke Godsdienst zou toegestaan worden’ (bl. 70). Een weinig later hadden de Katholijken daar eene Kapel (bl. 108). Zie ook bilderdijk, Dl. VIII, bl. 90.
(2)Dit is ook de meening van Pater cordara, L. VII, p. 370.
(3)Zie de tweede Verzameling, getiteld: Politique Tractaten, op de jaren 1610, 1611, 1612, omtrent het geschil van Pater gouda met franciscus lansberg, en later met michiel hagius. Deze Verzameling voor het overige, en vooral de Biblioth. Duncaniana, beide in de Koninklijke Bibliotheek te 's IIage, leveren rijke bouwstoffen voor de Geschiedenis der Jezuïten.
(1)Historisch Verhael der Beginsel., Voortganck, Moordadichheyt, Leere ende Grouwelyckheden der Jesuyten, gemaeckt door den seer gel. ende hooch. verlichten Heer. D. jacobum outhovium. 's Hage, 1622.
(2)Cordara, L. VIII, p. 430, L. X, p. 580. Pater rijswijck stierf in de gevangenis.
(1)Pater v.d. heyden zinspeelt dikwijls op die omkooping der Overheden. Zie voor het overige Tweede Remonstrantie tegens de gheweldigen ende moedtwilligen inbreuk der Paepschen, enz. aen de Vergaderinghe van de Ed. Gr. Mog. H. de H. Staten van Hollandt. 's Hage, 1636. Zie ook het medegedeelde door de Uitgevers, aant. 155 (p. 289 verv.). ‘Men moet ter eeren Godts,’ zeide een ander Jezuït, ‘wat wagen, al waert ooc den hals, want daer staet geschreven: en wilt die niet vresen, die het lichaem doden: hoe veel te min dan, die maer gelt en soecken’ (Der Jes. Negot., p. 6).
(2)Ibid., bl. 22.
(3)Behalve de bovenaangehaalde, waren het: Enkhuizen, Dokkum, Joure, Woudsend, Ameland, Arnhem, Gorinchem, Naarden, Bodegraven, Haastretcht, Amersfoort, Oudewater, Leidschendam, Oude Tonge, Rhoon, Culemborg, Ommelanden, Doesburg, Nijkerk, Hardewijk, de Veluwe, Wamelen, Langbroek, Wijk, Hasselt, Ommen, Wijhe en 't Delfland (Concordata et Decreta p. 45-48). De Hollandsche Missie zond éénen Vader naar de generale Congregatiën te Rome (Congregat. VIII. Decret. 51).
(4)De aanteekening (56) der Uitgevers is juist, dat de beschuldiging van mijnen te leggen zeer aan de orde van den dag was, even als koningsmoord.
(1)Zie voor het overige bl. 51, waar hij de rampen verhaalt, die de deelgenooten aan het verraad van jopius troffen.
(1)Ziedaar een, dat hem veel moest kosten, toen hij in zijn Koningrijk terugkwam.
 
Nu, vrese Godt, houdt zijn ghebodt;
 
Versaeckt de Duvel en zijn affgodt;
 
Nu dienet Godt in 's Hemels troon;
 
Hy sal u geven 't eeuwich loon!
(2)De onttoovering, die wij aanhalen, is niet de eenige. Die, welke op bl. 42 wordt medegedeeld, is niet veel minder buitensporig.
(1)De aanteekening 73 (bl. 257) schijnt ons de aanhalingen opeen te stapelen, alleen om het genot van aan te halen.
(2)Daar de H.H. amersfoordt en evertsz ons niets van bellarminus wilden verhalen (aant. 94), ware het beter geweest ons te verwijzen naar zijn Leven, in het Italiaansch beschreven door faligatti, en vertaald in het Latijn door s. petra sangta (Leodii, 1626, 4o).
(1)Men moet hem niet verwarren met conradus confaloneri, eenen anderen Jezuït, van Milaan geboortig, die in 1636 zich in de Orde begaf, noch met joannes aloysius confaloneri, die in 1615 Jezuït werd (sotuel, Biblioth., p. 156, 400).
prepostterug  begin  verder