Eene juiste teekening van byron in zijne deugden en gebreken als dichter, hetwelk bij hem hetzelfde bijna is, als mensch, te geven, is zekerlijk de gemakkelijkste taak niet onder de vele zwarigheden, welke eenen geschiedschrijver van de letterkunde der negentiende eeuw wachten. Terwijl Europa rondom hem aan de hevigste schokken ter prooi verstrekt, en de invloed der gebeurtenissen zelfs de meest sterke gemoederen schijnt te overweldigen, scheidt zich byron, even als göthe, geheel van de hem omringende wereld af, doch slaat een' geheel anderen weg in, dan de Duitsche dichter. Terwijl de laatstgenoemde zijne eigene persoonlijkheid bijna verloochent, maakt byron zich zelven juist tot den grondslag zijner poëzij. De kleuren mogen uit eene andere wereld ontleend tijn, de personen in eene warmere luchtstreek ademen, eene reeks van misdrijven met eene enkele deugd worstelen, de ziel van byron spreekt in al zijne scheppingen, en weet aan karakters en feiten een belang in te boezemen, dat zelfs de eentoonigheid van bijna gelijke onderwerpen overwint, en aan zijne poëzij, romantisch als zij is, eene blijvende waarde verzekert. Het is niet alleen de kracht, welke bij meer zedelijken grondslag, bij reiner gemoed, aeschylus op zijde zoude kunnen streven, noch de gloed, welke zijne hoogstdichterlijke taal bezielt, waardoor byron zich zijne plaats heeft verzekerd, maar inzonderheid de zuivere smaak, waarmede hij het lage, het afzigtelijke, het gemeene overal weet te vermijden (Don juan, dat wormstekerig uitwas van zijn weelderig vernuft, komt hier niet in aanmerking). Hij kiest gewoonlijk één slandpunt, waarop hij zijne helden plaatst, en verwijdert zorgvuldig alles, wal zou kunnen strekken, om den hoofdindruk te verzwakken. In de beschouwingen en alleenspraken zijner personen moge eene helsche somberheid ontzetten; aan beschrijvingen van gruwelen, aan het schetsen van afgrijsselijkheden, wijdt byron de kracht zijner Muze niet. De lezer behoeft bij hem nooit door slijk en onreinheid te waden, gelijk bij de Fransche romantiek, welker voortbrengsels misschien eerst door het blinkende vernis schitteren, doch spoedig in vergetelheid, zinken, en na korte jaren, maanden zelfs, niet meer genoemd worden.
Doch genoeg, eene vergelijking tusschen byron en de Fransche romantiek zoude meer plaats vereischen, dan hier billijk afgestaan kan worden. Byron heeft zich van eigenlijke vuiligheid rein gehouden; zijn Engelsch gezond verstand en zijne klassieke vorming bewaarden hem voor Franschen wansmaak, hoeveel er voor het overige ook in zijne poëzij te berispen moge wezen. De tijd zal regter zijn tusschen hem en de tegenwoordige rigting, en de volgende eeuw zal waarschijnlijk deze gedichten bewonderen, als zij de meeste stukken van victor hugo cum suis verfoeit.
Hiermede wil ref. echter geenszins beweren, dat de poëzij van byron navolging verdient, of in staat is de behoeften van andere tijden te vervullen. Neen, elk dichter behoort tot zeker tijdperk; hij is de tolk van zijne tijdgenooten; zijn deze voorbijgegaan, en is de toestand der wereld veranderd; eischt de behoefte der menschheid wijziging van stof en vorm, dan is de werkkring van den vroegeren zanger gesloten, en hij blijft alleen als litterarisch verschijnsel merkwaardig, en behoudt des te hoogere waarde, naar mate zijn kunstvorm, meer volmaakt, is.
Of uit dien hoofde eene vertaling van byron's Corsair thans nog raadzaam is, of eenig nut voor de kunst heeft, wil ref. nu niet onderzoeken. De vertolking ligt voor hem, en hij heeft niet anders te doen, dan haar met het oorspronkelijke te vergelijken.
Volgens de gewoonte van byron, is de geschiedenis of de intrigue van zijne rooversstukken, the Corsair, the Giaour, Lara, enz., niets dan eene luchtige schets, die alleen dient, om de zielstoestanden eenigzins toe te lichten, waarin hij zijne helden plaatst, en in wier afschildering bij een onovertroffen meester is. Men vergeeft hem daarom gaarne de onwaarschijnlijkheden, den afgebroken' verhaalstijl, de fantastische uitvoering, welke al deze gewrochten kenmerkt. Byron heeft de onwaarschijnlijkheid van zijnen Corsair zelf zoo diep gevoeld, dat hij, blijkens de aanteekeningen, noodig vond, in de schuilhocken der geschiedenis te delven naar een dergelijk voorval in de wezenlijke wereld. Hij vergeet hierbij, dat het geval met keizer majorianus van eenen geheel anderen aard is, ziet in ezzelino juist datgene, wat hij in den Corsair niet wil, en past de lange historie van den Boekaniër, naar ref. inzien, geheel verkeerdelijk toe. De Heer v.d. bergh heeft echter welgedaan deze noten mede achter zijne vertaling over te brengen, opdat
ieder zelf kunne oordeelen. De opdragt aan th. more is met regt achterwege gelaten, daar zij voor Nederlanders niets belangrijks behelst. Een vers aan den Heer Mr. a. bogaers, den beroemden zanger van heemskerk's heldentogt, vervangt deszelfs plaats, doch ligt, door zijne geheel subjectieve strekking, buiten het veld der kritiek.
In de voorrede legt de Heer v.d. bergh de redenen bloot, die hem tot het uitgeven dezer vertaling noopten; vele zangen van byron toch waren overgezet door beets, ten kate, v. lennep; doch daar geen hunner dit meesterstuk der Engelsche poëzij vertolkte, ondernam hij de taak, overtuigd van de waarheid der uitspraak van de Ouden: In magnis voluisse sat est. Men heeft zekerlijk niet bedacht, wat de gevolgtrekking van deze spreuk al wezen kan. Liever zou ref. zich op het oordeel van horatius verlaten, wiens vitreo daturus nomina ponto nog al tegen eenige van dergelijke zinledige uitdrukkingen opweegt, Ref. is het geheel met den Heer v.d.B. eens in zijn oordeel over de voortreffelijkheid van den Corsair; ook hij stelt het verre boven den Giaour, zelfs in eenigeopzigten boven de Bride of Abydos en Parisina, welke door uitstekende vertalingen aan ons publiek bekend zijn, en juicht in zooverre ook van harte het denkbeeld toe, dit krachtige dichtsluk over te zetten. Het verdient van dien kant die eer! De norsche figuur van conrad, die zoo geheel verteederd wordt in de liefde tot medora; de nachtelijke aanval op het paleis van den Pacha; de redding der vrouwen; zijne eigene gevangenneming en verlossing door gulnare, de geredde geliefde van den Turk; de liefde, welke deze voor conrad opvat, en die zij door een schrikkelijk feit staaft, hetwelk conrad, getrouw aan zijne medora, geheel radeloos maakt; de angst over zijn langdurig wegblijven, die medora het leven kost, en eindelijk conrad's wanhoop zelve, zijn met eene waarheid van gevoel, met eene kracht van taal, met eenen gloed van poëzij voorgesteld, die byron geheel eigen zijn. Het was dan ook een werk van weinige dagen, gevloeid uit een vol hart, aus einem Gusse, zoude de Duitscher zeggen. De versificatie munt inzonderheid uit, ofschoon byron in dit opzigt meestal beneden moore staat.
Maar genoeg van het Engelsche stuk, over welks verdiensten of gebreken ref. geen oordeel behoeft uit te brengen. Het bestaat uit drie zangen, en is in het oorspronkelijke in vijfvoetige jamben geschreven, behalve het kleine lyrische stukje in Canto, I, XIV. Dit metrum is voor de Engelsche taal zeer gepast, en door
zoo vele dichters sinds zeer langen tijd beschaafd en uitgewerkt, dat het een der meest volmaakte vormen is, waarover de Engelsche poëzij beschikken kan, zoowel in zoogenaamde black verses als in rijm!
De Heer v.d. bergh heeft hetzelfde metrum gehouden, uitgezonderd in het begin, alsmede op blz. 20, en in den aanhef en het slot van den derden zang. Waarom? Gevoelde de geachte vertaler zelf, dat de doorgaans mannelijke vijfvoetige jamben in onze taal op den duur stroef en van alle melodie beroofd worden? Het is zoo, onze beste dichters schijnen thans weleens minder zich aan den vorm te hechten, en zelfs heeft men den Engelschen viervoetigen staanden jambus willen invoeren; doch doet men daardoor der Hollandsche taal, die zoo veel buigzamer is dan de Engelsche, geen onregt? Zelfs vondel, die in zijnen scboonen Iephtha den vijfvoetigen staanden jambus gebruikte, en dezen ook voortreffelijk bouwde, schijnt later van deze poging te hebben afgezien. De Heer v.d.B. vergelijke zijne jamben, die zeer zelden slepend worden, met die van vondel, wier grootere voortreffelijkheid hij gaarne zal toestemmen. Verzen toch, als op bl. 44:
zijn even stroef, als in strijd met den vereischten klemtoon. Op bl. 49:
luiden deze verzen geheel als proza, dat dan zelfs hard klinkt. Op bl. 72:
missen ook deze regels alle gemakkelijkheid. Het is waar, het betreft slechts den vorm, en het subjectief gevoel des ref. is misschien geen bevoegd regter. Gaarne wenschte hij ook betere vijfvoetige jamben aan te halen, maar het is hem niet gelukt ze te vinden. En dat de Heer v.d.B., bij meer vrijheid en het afwerpen van zulk eenen breidel, uitmuntend had kunnen slagen, bewijzen de vrij goede trochaeën in het begin van den derden zang, die ref. met genoegen aanhaalt:
Welke aanmerking men op de keus van sommige woorden kan maken, de versificatie is goed.
Het ongelukkigst is de Heer v.d.B. geweest in het dactylische metrum bij den aanhef. Waarom den voorslag (anacrusis) niet liever
gelaten, dan ― ⌣ genomen? Immers, bezat onze taal pyrrhichiën, dan zoude men, krachtens alle metrische regels, ⌣ ⌣ kunnen voorslaan, doch nu zijn wij genoodzaakt ― ⌣ te gebruiken, hetwelk voorzeker zeer onrhythmisch klinkt. De Heer v.d.B. vergelijke de constructie dezer verzen eens met die van den zoetvloeijenden tollens, die ook hier weder het juiste gehoor heeft:
En evenzeer in het bekende:
Ref. weet wel, dat de beroemdste dichters van onzen tijd zich dezelfde vrijheid veroorloven, als de Heer v.d. bergh hier; maar is dat daarom goed te keuren? Waarlijk, de Engelschen maken ons in dit opzigt beschaamd! Vergelijk de ruwheid der vormen van shakespeare eens met de netheid van pope, met de zoetvloeijendheid, van moore, en stem toe, dat zelfs eene oorspronkelijk harde taal lenig gesmeed kan worden. En bij ons? Munten niet juist vondel en hooft in de vormen uit, en zijn wij wel vooruitgegaan? Men zegge niet, het betreft blootelijk den vorm, en dat komt er niet zoo zeer op aan, indien de gedachten treffend en waar zijn! De Grieken dachten er anders over, en de verhevenste, de volmaaktste zangers in hunnen besten tijd zijn tevens de keurigste, volmaaktste meesters in den vorm. Daardoor kwam het zelfs, dat, bij het vervliegen van den geest der oude dichters, toch de afgerondheid van vorm den lateren, zelfs den allerlaatsten, bijbleef, wanneer zij zich niet door gewaande christelijke begrippen lieten verblinden. Wij hebben van dien kant misschien de Franschen te veel voor oogen, wier versificatie zeker voor een Grieksch oor de meest barbaarsche wanklank zou vrezen.
Wat de vertaling, afgezien van den vorm, zelve betreft, zij laat zich zeer goed lezen, en geeft den Nederlander, die met het Engelsch niet bekend is, een vrij juist denkbeeld van byron's poëzij, ofschoon de kracht van het oorspronkelijke dikwerf in de vertolking te loor gaat.
Zoo zijn b.v. de krachtige regels:
zeker mat en verkeerd overgebragt.
De beide eerste regels zijn onverstaanbaar.
Evenzoo op bl. 20. Byron heeft:
v.d.B.:
Bl. 108:
v.d.B.:
Het is eene onaangename taak dergelijke bewijzen te moeten bijbrengen; ref. had veel liever stof tot prijzen gehad, daar hij de hoogste achting voor de talenten des Heeren v.d.B. koestert, en volstrekt niet twijfelt, of de dichter zoude beter geslaagd zijn in het overbrengen van byron, zoo hij zich minder angstig aan den vorm had gehouden, waarin het Engelsche overeenkomstig zijne eigene taal is gegoten. Naar het inzien van ref., heeft ten kate in Parisina beter de eischen der Hollandsche taal begrepen.
De Heer v.d.B. beschouwe deze aankondiging van zijne vertaling geenszins als een gevolg van vitzucht, waartoe de lastige en verdrietige taak van ref. dikwijls aanleiding schijnt te geven, maar als een bewijs van de belangstelling, waarmede ref. het boekje heeft gelezen, en als een blijk van de zucht, om, voor zooverre hem zulks doenlijk is, aan de belangen der vaderlandsche poëzij bevorderlijk te zijn, terwijl hij er tevens verre af is zijn oordeel ex tripode uit te brengen.
De vorm en uitvoering van het boekje is niet zoo bevallig, als die van Parisina, doch evenwel zeer bruikbaar en zuiver. Drukfouten heeft ref. niet gevonden.
H. Pol.