terug  begin  verderprepost
[p. 486]

Album

Korte berigten over boekwerken, vlugschriften, enz., aankondigingen van vertalingen, letterkundig nieuws, enz.

Etymologisch Handwoordenboek der Nederduitsche taal, of proeve van een geregeld overzigt van de afstamming der Nederduitsche woorden, door J.L. Terwen. Gouda, 1843, 1844. Aflev 4-7

In eenen vroegeren jaargang van dit tijdschrift heb ik, reeds verslag gegeven van de drie eerste afleveringen van dit woordenboek, en alstoen de gronden medegedeeld, die er mij een ongunstig oordeel over deden vellen. Het overige is geheel in denzelfden geest bearbeid, en ik zie dus geene reden, om van gevoelen daarover te veranderen. Maar thans heeft ook de schrijver aan zijne vroegere toezegging voldaan, door in eene voorrede en inleiding de redenen, die hem tot het bewerken van dit woordenboek noopten, de bronnen, waaruit hij geput heeft, en de inrigting van het werk te doen kennen. Men ziet daaruit, ‘dat de afleidingen, in het onderhavige werk voorkomende, alle van anderen overgenomen zijn, hetzij dan van onze Nederduitsche taalgeleerden, hetzij van onze naburen de Duitschers;’ dat het den schrijver aan de kennis der meeste vreemde talen, in zijn werk aangehaald, ontbrak, en dat daar, waar hij de verschillende gevoelens der geleerden opgeeft, hij zich van alle beoordeeling onthouden heeft, vermits hij zich zelven geen genoegzaam gezag toekende, om tusschen deze, dikwijls zeer uiteenloopende, gevoelens uitspraak te doen. Hoezeer ook die openhartige bekentenis eer doet aan de opregtheid en bescheidenheid des opstellers, twijfelen wij evenwel, of het hem bevoegd maakt, zoodanige taak op zich te nemen:

Sumite materiem vestris, qui scribitis, aequam
Viribus, et vorsate diu quid ferre recusent,
Quid valeant humeri.

En nu transeat cum caeteris! wij nemen afscheid.

[p. 487]

Geschenk voor Verloofden en Pas-gehuwden, of de geheimen van den Echt. Een welgetoetste, en op ervaring steunende Raadsman voor beide geslachten, vóór en gedurende het Huwelijk. Door Dr. Friedrich Wilhelm Wedeler. Naar het Hoogduitsch van den derden, verbeterden en vermeerderden druk. Leeuwarden Jacob J. van Gelder, 1843, III en 220 bl. klein 8o

De geheimen van den echt worden hier ontsluijerd?! Maar hoort, wat de schrijver onder zulk een geheim verstaat (Voorrede, bl. ii): ‘Onder een geheim versta ik hier niets anders, dan dat, wat niet ieder weet, wat velen wel gissen, evenwel niet grondig doorzien, en daarom dikwerf zich een verkeerd begrip daarvan maken; - datgene, wat spoedig en veel aan zijne waarde, aan zijne zuiverheid verliest, wanneer het op eene onvoorzigtige en onkiesche manier openbaar gemaakt wordt, en wat alzoo met omzigtigheid en een verstandig overleg behandeld moet worden, zoo het niet verkeerd begrepen, of zelfs niet ontwijd zal zijn.’

Rec. bekent, dat de schrijver ‘met omzigtigheid en een verstandig overleg’ zijn onderwerp behandeld heeft, en dat men zich zou bedriegen, wanneer men meende hier zedelooze of ongepaste zaken behandeld te zullen vinden. De schrijver heeft zijn onderwerp met kieschheid uiteengezet en uitvoerig beschouwd. - De inhoud van het werkje is deze:

I. Algemeene beschouwing van de betrekking des Echts, bl. 8-25.

II. Over de waarde van de Godsdienst, in de betrekkingen van het echtelijk en huisselik leven, bl. 25-32.

III. De weldadige invloed van eene reine zielsliefde op het duurzaam geluk van de echtelijke vereeniging, bl. 32-36.

IV. Over de zinnelijke natuur der liefde, en over het gedrag in betrekking tot dezelve in den Echt, bl. 36-76.

V. Over de onvermijdelijke bezwaren in den Echten Staat, en de wijzen, zich deze dragelijk te maken, bl. 76 - 88.

VI. Over de bezwaren en zorgen van den Echt, uit eigen schuld ontstaan, en over de middelen, dezelve weder te herstellen en goed te maken, bl. 88-109.

VII. Over de opvoeding van de kinderen, bl. 109-142.

VIII. Zakelijk overzigt van de eigenlijk ware geheimen in den Echt, benevens getoetste raadgevingen, om op de beste wijze daarmede om te gaan, bl. 142-208. -

Men ziet, dat de schrijver niet alléén over don Echt als zoodanig handelt, maar dat hij ook over andere zaken spreekt,

[p. 488]

die, streng genomen, niet tot de geheimen van den Echt behooren. Het werkje is er echter niet slechter door geworden.

Wij kunnen en willen dit boeksken hier niet in bijzonderheden onderzoeken, maar verwijzen den desverkiezenden lezer naar het geschrift zelf. En wanneer het ook al geen ‘welgetoetste raadsman’ is, zoo als de titel zegt, dan zijn echter de door dezen raadsman gegevene ‘raadgevingen’ in de meeste gevallen wèl getoetst, terwijl de toon, waarin het werkje geschreven is, geschikt mag geacht worden, om het veilig te kunnen aanbevelen aan allen, die zich over dit onderwerp wenschen te onderrigten, - en de gegevene raadgevingen willen opvolgen!

Verhandeling over de Miskraam, door J.P. Hoebeke. Uit het Fransch vertaald, door C. Ph. Meyer en G.C. Terlaak, Heel- en Verloskundigen. 's Gravenhage, J.H. Bisschop. 1843. Gr. 8vo.; bl. 219

De aard van dit tijdschrift vergunt ons niet, van het onderhavige werk eene uitvoerige en wetenschappelijke beoordeeling te geven; wij zullen ons slechts tot eene eenvoudige aankondiging en tot eenige meer algemeene opmerkingen bepalen.

Alhoewel in elk verloskundig handboek ook het onderhavige onderwerp behandeld wordt, zoo geschiedt dit echter noodwendiglijk meestal op meer beknopte en onvolledige wijze. En nogtans behoort ons onderwerp tot de gewigtigste gedeelten der kunst. Daarom is voorzeker eene monographie over de miskraam niet overbodig, veel minder onnuttig, - voorondersteld namelijk, dat het overeenkomstig den stand der wetenschap en der kunst is geschreven.

De uitgave van deze verhandeling is zeker niet overbodig wegens de menigte van reeds bestaande geschriften over hetzelfde onderwerp, daar de oorspronkelijke of vertaalde litteratuur daarover ten onzent in geenen deele rijk is aan geschriften, die de stof op voldoende wijze afhandelen.

Wat nu hoebeke's geschrift aangaat, zoo achten wij hetzelve zeer bruikbaar en beantwoordende aan deszelfs doel. De inhoud is ongeveer deze:

Bepaling van Miskraam, bl. 1-2.

Over de belangrijkheid der beoefening van dit onderwerp, bl. 2-3.

Over haar menigvuldig voorkomen, bl. 3-5.

[p. 489]

Over de oorzaken:

A.Bij de moeder, 7-37.
B.Door genees- of mechanische middelen, bl. 37-39.
C.Bij de vrucht, bl. 39-50.
D.In de omkleedsels, bl. 50-55. enz.
E.In de Placenta.
Placentitis, bl. 55-67.
F.Andere oorzaken in de Placenta gelegen, bl. 67-76.
Over de kenteekenen, bl. 76-82.
Over de voortzetting, bl. 83-87.
Over de behandeling:
A.Om dezelve voor te komen, bl. 88-208.
B.Wanneer zij onvermijdelijk is, bl. 208-213.
C.Wanneer zij reeds plaats heeft gehad.

Dit overzigt duidt reeds den inhoud en den aard der behandeling genoegzaam aan, en er blijkt uit, dat sommige gedeelten uitvoerig zijn bewerkt.

Wij mogen ook niet onvermeld laten, dat het werk door zeer vele waarnemingen wordt opgehelderd, die òf door anderen, òf door den schrijver zelven zijn gedaan. Eenigzins zonderling moet het echter geacht worden, dat de waarnemingen voor een zeer groot gedeelte aan mauriceau's Observations van 1694 ontleend zijn. Niet, dat wij de ouderen met eenige minachting zouden aanzien, - want welk geneeskundige weet niet, dat de jongeren zoo dikwijls òf op de lauweren van de ouderen rusten, òf op hunnen arbeid voortbouwen, òf ook zeer dikwijls verre achter die voorgangers blijven stilstaan? - maar de latere litteratuur bezit immers ook waarnemingen genoeg van uitmuntende geleerden, waardoor het onderhavige werk wezenlijk zou opgeluisterd worden. Trouwens hieraan ziet men weder, uit welke bron ons geschrift afkomstig is. Het is immers genoeg bekend, dat men in Fransche of Belgische wetenschappelijke werken geenszins bekendheid met buitenlandsche letterkunde moet zoeken; en wanneer er in dit opzigt uitzonderingen bestaan, dan moet dit afgeleid worden van de bijzondere betrekking, waarin de schrijver van zulk een werk zich bevond. Dit blijkt b.v. uit de geschriften mandl en van sichel, te Parijs, en van gluge, te Brussel, die in Frankrijk en België leven en werken, maar door afkomst en opleiding aan Duitschland toebehooren, en door die dubbele betrekking middelaars zijn tusschen de Duitsche en Fransche geneeskundige litteratuur.

[p. 490]

Wat nu - om nog voor een oogenblik tot het onderhavige geschrift terug te keeren - aanmerkingen betreft, die wij zouden kunnen maken, wij moeten ze terughouden en aan geneeskundige tijdschriften overlaten. Want ofschoon wij aan het werk over het geheel hulde toebrengen, zouden wij vele en gewigtige bedenkingen kunnen in het midden brengen, die zoowel den oorspronkelijken schrijver als de vertalers betreffen. Zoo wordt hier b.v. bij de oorzaken, die uitsluitend op de moeder werken, gesproken over het ‘lymphatische Temperament’ (bl. 7 volgg.), over het ‘zenuwachtige Temperament’ (bl. 11 volgg.), enz. Het is echter zeker, dat men hier geenszins temperament, maar de gelijknamige Constituties bedoeld heeft, iets, hetwelk ook uit ééne plaats van ons werk blijkt, bl. 8, alwaar men leest (bij het lymphatische ‘temperament’ namelijk): ‘vrouwen van zulk een gestel zijn des te meer tot dit toeval voorbeschikt,’ enz.

De vertaling is over het geheel goed, de correctie hier en daar minder naauwkeurig. één staaltje van curieuse logica willen wij ten slotte nog aanvoeren:

Bl. 2. ‘De miskraam is een gedeelte der verloskunde, van het hoogste aanbelang voor den verloskundige.’

Voorrede der vertalers: ‘Mogten wij door deze vertaling iets hebben toegebragt tot meerdere verspreiding van een zoo belangrijk gedeelte der verloskunde,’ enz. Conclusie......?! De meening der vertalers was ongetwijfeld goed en prijzenswaardig, maar zij schijnen zich niet al te juist te hebben uitgedrukt.

Voor het overige wenschen wij dezer verhandeling gaarne eene algemeene verbreiding onder de mannen der kunst toe.

c.

prepostterug  begin  verder