De Gids. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen, Amsterdam 1845.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Dboec vanden houte, door Jacob van Maerlant (?) Leiden, D. du Mortier en Zoon, 1844.
Brief aan den heer J. Tideman.

Amice!

 

Toen wij ons vereenigden, om de Vereeniging ter bevordering der Oude Nederlandsche Letterkunde tot stand te brengen, was daarbij onze hoofdgedachte de waarachtige bevordering van den bloei dier letterkunde; maar zoo wij elkander al verstaan omtrent het hoofddoel, wij hebben ons gelukkig niet zóó met elkander geïdentifiëerd, dat wij over alle hulpmiddelen geheel eenstemmig denken, noch ons zulks ter wet gesteld. Trouwens, wij wisten

[p. 62]

te zeer, dat wij op verre na niet volmaakt waren, om te meenen, dat een onzer iets zou kunnen leveren, waarmede de overigen het in allen deele eens konden zijn; en ik geloof mij noch aan de wezenlijke homogeniteit, die onder de hoofdredacteuren onzer Vereeniging moet heerschen, te vergrijpen, noch het wezenlijk belang onzer oude letterkunde te miskennen, wanneer ik van mijn regt als beoefenaar daarvan gebruik maak, om openlijk voor mijne opinie omtrent uwe uitgaaf van het Boec vanden Houte uit te komen, te meer, daar het zich laat aanzien, dat de werken van onze Vereeniging aan de nuttige en vruchtdragende kastijding der kritiek zouden ontsnappen, wanneer wij zelve niet ridderlijk onze denkbeelden daarover mededeelen.

Ziehier dan mijne meening omtrent het boek, door u in de wereld gezonden.

Naar uwe eigene woorden(1), behelst het gedicht ‘een verhaal omtrent den oorsprong en de lotgevallen van het hout, dat tot vervaardiging van het kruis gediend heeft, waaraan de Joden den Zaligmaker hebben doen sterven. De dichter heeft op eene niet geheel onvernuftige wijze eenige voorvallen uit het oude en nieuwe testament, die eenigzins daartoe betrekkelijk konden gemaakt worden, met dat kruis in verband gebragt, en daarbij natuurlijk eene zoo sterke symbolische verklaring ten grondslag gelegd, dat er in onzen tijd niet ligt iemand zal gevonden worden, die niet gaarne met de verklaring instemt van diegenen, welke ons gedicht als “een fabelachtig verhaal” hebben opgegeven.’

Drie redenen konden er bestaan, om zoodanig stuk bij voorkeur van eenig ander in de eerste plaats uit te geven: hetzij om de dichterlijke voordragt, hetzij om de belangrijkheid voor de taal, hetzij om daarmede de rij van maerlant's werken, die langzamerhand het licht zien, voltallig te maken.

Wat het eerste punt betreft, gij zelf rekent het gedicht onder die stukken, ‘waarin het rijm alleen ons herinnert dat wij gedichten (of liever zegge men rijmregels) lezen’(2). Groote belangrijkheid voor de taal heeft het niet, daar er ten hoogste vier merkwaardige uitdrukkingen in voorkomen, die van elders niet of weinig bekend waren, als wij straks bij de beschouwing van het glossarium nader zullen zien. En wat het derde punt aangaat, gij houdt het voor maerlant's werk, blijkens den titel,

[p. 63]

waarvoor gij aanvoert(1): ‘Wij zijn genoodzaakt aan te nemen, dat hij (maerlant) de vervaardiger daarvan is geweest, omdat het ons geheel aan gronden ontbreekt, om het tegendeel staande te houden, en dewijl hij gedurende meer dan vijf eeuwen zonder tegenspraak als zoodanig is aangemerkt, gelijk men dan ook bij de eerste uitgave zijnen naam vindt aangegeven.’

Ik moet bekennen, dat ik, in plaats van deze phrase, liever eenige gronden had gezien. Hoe is men op de gedachte gekomen, dat het maerlant's werk was? Hij zelf geeft zich niet als auteur op, en zijne tijdgenooten maken er geene melding van. Denkelijk gold hij als de schrijver, omdat het in éénen bundel (het Zutphensche HS.) met sommige zijner gedichten stond. Maar wij weten thans immers, dat niet al wat die bundel bevat van maerlant's hand is, als b.v. het stuk, getiteld: van ons heren Kijnscheide, dat tot het gedicht behoort vanden levene ons heren, door Dr. vermeulen aan het licht gebragt(2). Dit bewijst dus niets, evenmin dat men maerlant's naam op den titel van den ouden druk vermeld vindt, want ik behoef u niet te zeggen, dat meer dan te lang maerlant voor den auteur gold van alles, waarvan men den dichter niet genoemd vond. Uw gezegde dus, dat men hem gedurende meer dan vijf eeuwen zonder tegenspraak als den dichter van het stuk heeft aangemerkt, is wat uit de lucht gegrepen. Maar al had men hem ook nog eens zoo lang als werkelijk het geval is, voor den dichter gehouden, dit zou nog niets bewijzen; of houdt gij hem ook voor den schrijver van Doctrinaal en Lekenspiegel, en claes willems voor den dichter van Der Minnenloep? Dit is toch lang genoeg beweerd!

Wanneer gij dit wel overweegt, zult gij niet meer volhouden, dat het ons geheel aan gronden ontbreekt, om het tegendeel staande te houden, en met mij achter maerlant's auteurschap ten minste een vraagteeken plaatsen.

De ouderdom van het stuk wordt daardoor niet verminderd; de taal wijst naar het einde der dertiende, of het begin der veertiende eeuw, en wij weten van elders, dat dit juist het tijdperk was van eene dichtsoort, welker lievelingsstof gervinus te regt een trauriges object genoemd heeft(3).

[p. 64]

De drie oorzaken, die de uitgave van het stuk wenschelijk zouden gemaakt hebben, ontbreken dus. Ik merk dit aan, niet alleen omdat ik den geheelen ascetischen rommel der didactische school vrij wat beneden de

 
Truffen van minne ende van stride

stel, waartegen vader maerlant en zijne volgers zoo meêdoogenloos te velde trekken; maar ook vooral, omdat men in eenen tijd, dat de studie onzer oude letterkunde begint te herleven, niet onvoorwaardelijk zijne goedkeuring mag hechten aan al wat maar oud is, en het eerste het beste maar uitgeven, doch met oordeel dient te werk te gaan, wil men niet overstelpt worden met een aantal onbeduidende rijmbrokken, die den ontluikenden lust voor het vak ligt mogten uitdooven.

Daar het stuk nu eenmaal in de wereld is, moeten wij er vrede meê hebben, en ons bepalen tot de vraag: hoe gij u van uwen pligt als uitgever gekweten hebt. Die vraag zal het geleidelijkst worden opgelost, door de verschillende deelen van uw boek voor de vierschaar te dagen.

De eene helft der eerste afdeeling uwer Inleiding heb ik boven reeds gedeeltelijk behandeld; de vraag, of maerlant het stuk al dan niet in zijne jeugd gedicht heeft, vervalt thans van zelf. Het tweede gedeelte dier afdeeling is gewijd aan het onderzoek naar de bronnen, waaruit het rijmwerk is zamengesteld; niemand zal op dit ijverig bewerkte gedeelte eenige aanmerking maken.

De tweede afdeeling uwer Inleiding loopt over het vertalen van Nederlandsche gedichten in het Duitsch, en bepaaldelijk in het Nedersaksisch of Platduitsch, zoo als gij het noemt. Waarom die taal niet genoemd met den naam, dien de nieuwste grammatische onderzoekingen haar gegeven hebben, en waarmede alle Duitsche geleerden zich hebben vereenigd: Nederduitsch? en waarom, bij uwe verwijzing naar berigten omtrent dien taaltak(1), in de plaats van, of ten minste nevens clignett en de verschillende Idiotica, niet grimm's Grammatik genoemd?

In het voorbijgaan moet ik, naar aanleiding van uwe noot op bl. xv, even opmerken, dat gij de kwestie schijnt voor te staan, dat het Nibelungen lied oorspronkelijk in onze taal zou zijn gedicht. Maar waarop steunt die bluf? Snellaert, dien gij aanhaalt, zegt niet veel, en de 72 verzen van den Neder-

[p. 65]

landschen tekst, die wij bezitten, bewijzen alle ten duidelijkste, dat zij uit het MHD. vertaald zijn, en dat onze brok tot eenen vrij slechten codex behoord heeft, als de vergelijking met den MHD. tekst (bij lachmann, str. 885, 3 tot 903) en met zuivere Nederlandsche stukken leert. - Laat ons toch tevreden zijn met hetgeen we hebben, en ons den spot der Duitschers niet meer dan noodig is op den hals halen.

En nu weêr ter zake. Het Boec vanden Houte is dan denkelijk in het laatst der XIVde of het begin der XVde eeuw in het Nederduitsch vertaald; die vertaling is door staphorst bewaard gebleven, en gij beijvert u, die als bijlage op nieuws te drukken. Vergeef mij, wanneer ik zulks met ronde woorden nutteloos noem.

Ik weet niet, of gij der Duitsche letterkunde voordeel gedaan hebt met eenen herdruk van hetgeen gervinus - en hem houdt ge wel voor een bevoegd regter - noemt(1): ‘die aüsserst rohen Stücke, die staphorst - - abgedruckt hat’; en wat ze tot opheldering van den Nederlandschen tekst, waarbij u verschillende HSS. ter dienste stonden, afdoen, begrijp ik niet.

Was het tot eigene oefening, dat gij die vertaling bewerktet - en dit schijnt te blijken uit uwe onzekerheid in het vaststellen van de ware lezing, daar ge ieder oogenblik eene critische verbetering voorslaat, om die later in het glossarium weder te herroepen - was het tot oefening, wij hadden uwen ijver evenzeer toegejuicht, wanneer gij ons de blijken daarvan niet hadt opgedrongen. Ik weet niet, hoe ik u thans voor dien duitschen tekst dankbaar kan zijn. -

De derde afdeeling uwer inleiding is gewijd aan de beschrijving der HSS. van het door u uitgegeven gedicht. Ik heb daarop geene aanmerking, dit gedeelte getuigt, als de geheele aanleg van het boek, van uwen ijver voor de zaak, van de moeite, die ge u getroost hebt tot de uitgave van uwen auteur.

En thans gaan wij over tot uwen tekst. - Ik ben het geheel met u eens, dat de tekst van het zoogenaamde Hulthemsche HS. bij de uitgave diende gevolgd te worden; het is het oudste en zuiverste. Dat gij u om meerdere diplomatische naauwkeurigheid hebt laten verleiden, om overal de u voor de v en de v voor de u te drukken, gelijk dit in het HS.

[p. 66]

gevonden werd, betreur ik; ik weet niet, wat er door bevorderd wordt, en het geeft den lezer noodelooze moeite. Ik mag zulks te eerder verklaren, omdat ik in mijne uitgave van de Doctrinale hetzelfde gedaan heb, waarover ik te regt gegispt ben.

Eene tweede schrijfwijze, waarover ik u moeijelijker moet vallen, is die van y voor ij, die regelmatig is doorgevoerd, als b.v. vs. 13: syns wyfs, voor sijns wijfs; ghewyst, vs. 16, voor ghewijst, en verder het geheele stuk door. Ik kan naauwelijks gelooven, dat uw tekst-HS. die lezing aan de hand doet; doch al ware dit zoo, dan zou de aard van onze taal, en het doorgaande voorbeeld van andere HSS., en daaronder de keurigste, het tegendeel gewild hebben. Ik zal mij hier niet in de kwestie over het onderscheid tusschen y en ij verdiepen, in grimm's Grammatik, I3, en vooral in bormans's Verslag over de Verhandelingen, ingekomen ten gevolge der Taelkundige Prijsvraeg, is de zaak genoeg uiteengezet, om u te overtuigen, dat gij verkeerd handeldet met y, niets anders dan onze gewone i, te stellen voor ij, dat de ii uitdrukt.

Op den tekst zelven, zoo als hij is afgedrukt, heb ik, behalve op eenige kleine onnaauwkeurigheden, waarboven geen uitgever verheven is - ik weet het zelf maar al te goed - geene aanmerkingen. Uwe collatie draagt alle blijken in zich van naauwkeurig te zijn en met oordeel uitgezocht. Uwe kritiek evenwel gaat doorgaans mank; bijna al uwe invoegselen strijden tegen het metrum, en waren daarom best achterwege gebleven, b.v. vs. 13, 33, 81, waar alleen enen in ene te veranderen is, 250. Zoo ik al eenige toevoegselen op uwe kritiek wilde maken, dan zou ik voorslaan in vs. 169 diep eenmaal uit te laten; vs. 323-24 naar de variant te verbeteren; in vs. 488 voor met te lezen niet; in vs. 553 voor dadten: datten. Tegen sommige der corrupte lezingen strijdt de grammatica; tegen andere de versbouw. - Voor het overige had het wel opmerking verdiend, dat de tekst op het stuk der versificatie steeds zeer zuiver is, even als op dat der spelling. De onjuiste kritiek: hoet voor houte, vs. 695, hebt ge gelukkig in het glossarium weder ingetrokken.

De bijlagen ga ik stilzwijgend voorbij; de proza omzetting, sub litt. A, is ten minste niet geheel ongepast; over de tweede, de platduitsche vertaling, is boven reeds gehandeld.

Gij hebt voorts 9 bladz. gevuld met aanteekeningen op uwen

[p. 67]

tekst; maar ik vraag u in gemoede, was er ééne - ik wil des noods die op vs. 199, 254, 737, 777, nog uitzonderen - maar was er voor het overige ééne noodig tot regt verstand van het gedicht? Over de aanteekeningen op het platduitsche stuk spreken wij mede niet: zij geven u gelegenheid, om eenige bedorvene lezingen bij staphorst aan te toonen, en eenige mislukte kritische verbeteringen van uwe hand weder weg te nemen.

Maar nu het glossarium, daarbij willen wij een oogenblik langer stilstaan.

Het bevat verscheidene woorden, die u het verwijt van de jager, in de voorrede tot zijne onlangs uitgekomene Verscheidenheden, met regt zouden op den hals halen, ware het niet, dat wij er vrede mede moesten hebben wegens de aanteekening op bl. 101. Zeer belangrijk voor de lexicographie is uwe woordenlijst niet, want als men de woorden berocht, ghelachte, ontfacht en ontsoef uitzondert, is al het overige overbekend en door alle uitgevers verklaard. Ik wil daarmede niet zeggen, dat gij die woordenlijst tot die weinige woorden hadt moeten inkrimpen: dat zij verre; maar ik druk er op, om de geringe waarde van den tekst ook van dien kant te doen uitkomen.

Ik heb op die lijst, hoezeer die de doorslaande bewijzen levert van uwen ijver, eenige aanmerkingen. Vooreerst hebt ge, niettegenstaande de dikwijls al te groote volledigheid, hier en daar een woord overgeslagen, dat naar uw aangenomen plan had behooren opgeteekend te worden, als b.v. dochte, vs. 544, van dogen, deugen, geschikt zijn (Doctrin., II, 83, 1310; III, 100, 784, 1496, enz. Verg. Prof. clarisse op de Heim. der Heim., bl. 157). Ghewelt, vs. 281, 582, var. S, in den zin van magt, enz.

Ten andere veroorloof ik mij op uwe verklaringen eenige twijfelingen of toevoegselen.

Op bediet haalt gij Hor. Belg., V, aan; rationeler ware geweest: grimm, Gramm., I3, 17-18, in verband met dien geheelen excursus.

In bevroeden mist men de eerste beteekenis, vroet maken, waarvoor men in gelijken zin ook zeide: wijs maken.

Evenzoo in boete, hetzelfde als bate, dat eigenlijk beteekent verbetering.

Op dade wordt in vs. 668 de verbetering daden voorgeslagen, maar zonder grond; uit het voorgaande blijkt, dat het ww.

[p. 68]

niet in plurali kan staan, en een mannel. acc. sing. kan er ook niet in schuilen.

Eenpaerlike, 458, in den zin van aanhoudend, had wel eenige bewijsplaats toegelaten. Ik voeg er daarom bij: theophilus, 1024, 1199, 1609, 1834.

Ghelove verklaart gij: mat, moede, en, naar ik meen, te regt. Geheel onbekend schijnt tot nog toe het daarmede zamenhangende, b.v. nw. gelovich, dat mij eenige malen in den Roman van Lancelot is voorgekomen in den zin van bevreesd, laf; b.v. vs. 5818:

 
Die naen sprac te hem daer nare:
 
‘Here ridder, wouddi in desen horen
 
Blasen, datmen mochte horen,
 
Ic soude seggen dat ware coenhede.’
 
Agraveyn antworde tier stede:
 
‘Gef hare, ic sal blasen, eer du mi
 
Over gelovich houds daer bi.’

Eene zekere jonkvrouw is door haren zwager van haar land beroofd, en zoekt hulp bij gaheret, die haar antwoordt, vs. 8678:

 
‘Ic wille vor u den camp bestaen
 
Jegen uwen swager, sonder waen;
 
Ende sijn also gerecht uwe saken
 
Alse gi segt, ic salne gelovich maken.’

Agraveyn en zijne broeders gaheret en gurreës zijn in eene stad, die belegerd wordt; de belegerden doen eenen uitval, en de drie broeders willen mede ten strijde. De burgheer houdt hen terug, omdat zij van eenen langen togt nog niet genoegzaam waren uitgerust; vs. 10277:

 
Agraveyn antworde te dien:
 
Dat ne mach niet gescien,
 
Dat wi die achterste souden wesen;
 
Men mochte ons wel bi desen
 
Over gelovichge ridders houden,
 
Dat wi gerust comen souden
 
Op ridders, die bi hare vromichede
 
Gepijnt souden sijn ende moede mede

De beteekenis is niet twijfelachtig, en de zamenhang met ghelove in uwe variant loopt in het oog.

Op metsen schijnt gij u niet te kunnen vereenigen met de jager's verzekering, dat dit ww. eigenlijk beteekent snijden,

[p. 69]

houwen; maar denk slechts aan het Hoogd. Steinmetz, steenhouwer. Of wilt ge verbazende geleerdheid zien, lees dan al de fraaijigheden van terwen na in zijn Etym. (?) Woordenb., bl. 511, die echter geen onderscheid kent tusschen de MHD. tz en z (verg. hahn, MHD. Gramm., S. 33), en alles maar dooreenhaspelt. Zie daarom liever ziemann's MHD. WB. i.v. metzen, enz.

Ontfacht. Dit woord komt zeker zelden voor; evenwel de vries vond het in het HS. der Histor. Bloeme zoowel als in Der Leken Spieg., en in den Roman van Lancelot komt het mede voor.

Walewein vond eene jonkvrouw, die door tooverij in eene kuip met kokend water werd gehouden (fo 10, vo c.):

 
Walewein sloech die hant an hare,
 
Ende tracse met beiden handen dare,
 
Maer hine mochtse niet verporren doe.

Later kwam lancelot op dezelfde plaats (fo 40, vo a, b):

 
Hi horde bi hem ropen tien tide
 
Een wijf, dochte hem, in die rechte side.
 
Hi reet daerwaert, ende hi vant
 
Die selve joncfrouwe te hant,
 
Die Waleweine op enen tijt ontvacht,
 
Daer hi toe dede al sine macht,
 
Uut ere cupe te done.

Op. Sone! gaet op minen troest, vs. 69, wordt door u verklaard: Zoon! ga, steunende op mijne trouw; maar wat moet dit beteekenen? Ik zou het liever verklaren: ga met vertrouwen, zoo als ik u dat tracht in te boezemen; het is waar, ik weet zelf den weg niet, maar als gij oostwaarts aan gaat, zult ge niet missen. - De fijnheid der oude constructie laat geene meer woordelijke verklaring toe. Het ww. troesten, in de bet. van moed, vertrouwen inboezemen, velthem, B. III, c. 5, vs. 71, Oud-Vl. Ged., 2de Dl., bl. 89 a, diene hier ter vergelijking.

Scalkernie wordt verklaard: dienst, slavernij; het zou evenwel ook door slechtheid, boosheid te vertalen zijn; scalc beteekent, bij onze oudste schrijvers reeds, zoowel knecht als hoef.

Siere, vs. 430, noemt ge een bijwoord, en verklaart het

[p. 70]

zeer, en het daarbij behoorende verde door ver. Eene echt Vissersche verklaring!! De plaats luidt:

 
(David) trac die roeden uter erde
 
Ende voerese siere verde.

Hoe ge aan die allerongelukkigste verklaring zijt gekomen, kan ik niet begrijpen; uwe Nederduitsche vertaling had u, zoo ge het niet wist, reeds op den weg kunnen helpen. Men leest daar, vs. 451:

 
Unde vordese van hinnen syne verde;

maar gij begaat daar dezelfde fout, en emendeert syne door sere, gelijk ge ook dáár in het glossarium verde door ver vertolkt. Hare verde (bij stoke, B. VII, vs. 487) zoudt ge dan vertalen hier verre, verre van hier; en Ferguut, 4691:

 
Vaer vollec henen ure verde,

moet dan denkelijk beteekenen: Volk! vaar henen, uren ver!! Trouwens, Prof. visscher had u hier geen licht kunnen geven; hij verklaart verde door vrede. - Behoef ik u nog te zeggen, dat siere verde is op zijne vaart, zijns weegs, en dat vs. 430 dus beteekent: En voerde ze met zich mede?

Stenen, praet. stan. Hierbij hadt ge wel mogen verwijzen op grimm's Gramm., I2, 973.

Stijven verklaart gij door: regtop vasthechten. Waarom? Ligt die beteekenis in het woord? Ik zou het nog eerder vertalen: stijf vastmaken, bevestigen, in vergelijking met het Nederduitsche ancliven. Misschien heeft het echter wel eene andere beteekenis, waarin het mij wel niet is voorgekomen, maar wel een frequent. stivelen, dat men leest bij stoke, B. II, vs. 657, alwaar hij van sophie, moeder van floris III, zegt, dat

 
- Morders haddense ghevaen
 
Metten haren, ende wilden saen
 
Al tfolc stivelen; maer sine conden
 
Met haren kniven niement wonden,

hetgeen door een mirakel gebeurde. Huydecoper verwijst hier naar stoke's latijnsche bron, die occidere had; maar uit bl. 528 blijkt, dat het woord huydecoper vreemd was. Ik herinner mij daarvan nog twee voorbeelden uit maerlant's Spieg. Hist., D.I, bl. 105, waar hij van josua verhaalt:

[p. 71]
 
Egloen, die van Moab drouch crone,
 
Dien leeddi te meere hone
 
In sine camere, ende stilvelden daer,

hetgeen zeker eene schrijffout is, want bl. 307, waar de moord van clitus beschreven wordt, heet het van alexander:

 
Enen spiet hi geprant,
 
Dien een knecht drouch in sine hant,
 
Ende stiveldene daer uptie stede.

De beteekenis: eenen geweldigen dood aandoen, blijkt uit allen, en zal misschien ook gelden voor het oorspronkelijke stiven, stijven. Misschien is het iemand stijf maken (het gevolg van den dood); wij vermijden het woord dood meer b.v. in de uitdrukking: er om koud zijn, waarbij ge kunt denken aan het refroidir uit het argot der Mystères de Paris. Vergel. echter de gissing van de jager, in zijne Werkw. van herh. en during.

Tafelijn, 379, is stellig: tafeltje, tabella, als de uitgang aanwijst; misschien moet er gelezen worden tafelkijn.

Voor Corlekin zou ik liever lezen Corlekijn.

Het plat-Duitsche glossarium zal mij geen veld van beschouwing opleveren; ik heb u reeds genoeg gezegd, hoe weinig ik met dien voor ons onbeduidenden Duitschen tekst opheb, en iets merkwaardigs bevat die woordenlijst niet.

Het spijt mij, dat ge blijkbaar zoo veel zorg en moeite hebt verspild aan het Overzigt der lidwoorden en voornaamwoorden in het Platduitsch; het is monnikenwerk. Kent ge grimm's Grammatik niet, of kunt ge er u niet mede vereenigen? Ik voor mij vind dat boek toch zoo heel kwaad niet!

En wanneer ik nu mijn eindoordeel zal uitspreken, en het gezegde te zamenvatten, dan blijkt uit uw boek, dat ge lust en ijver genoeg hebt, en studie ook; maar de handen stonden u als uitgever nog wat vreemd. Gij kondt nog niet over u verkrijgen, om het overtollige weg te laten, en alleen het noodzakelijke, maar dat dan ook geheel, te geven. Eene tweede proeve zal denkelijk in dien zin gewijzigd zijn, en uwe eerstvolgende uitgave van een' oud-vaderlandschen auteur zal zeer zeker voor het publiek dat nut hebben, wat deze voor u zelven gehad heeft.

In het belang onzer Vereeniging, zoowel als in dat onzer oudere letterkunde, heb ik gemeend u onbewimpeld mijn gevoelen te moeten zeggen. Ik ben overtuigd, dat ge het te

[p. 72]

wel met de goede zaak meent, om mij mijne aanmerkingen niet ten goede te houden; ja, ik vertrouw, dat gij, bij eene onpartijdige overweging van het gezegde, hier en daar mijn gevoelen zult willen omhelzen.

Ik blijf als immer

Geheel de uwe,
Dr. JONCKBLOET.

Oegstgeest, 13 December, 1844.