Overbodig is het wel niet, na zoo lange tusschenpooze in de voortzetting dezer bijdrage, den lezer te herinneren, dat wij Heemskerck verlieten, staande aan het venster en starende ‘op den IJkant’, zegt Meijer, of zich eene geschikte aanleiding wilde opdoen, om zijner Anna mede te deelen, dat hij benoemd is tot bevelhebber over de vloot naar Gibraltar, dat hij morgen vertrekken moet. Zij schertst en hij zwijgt, ziedaar de situatie. Houde men het ons ten goede, dat de held door dien schroom niet in onze schatting rijst; er is iets onmannelijks in. Maar waarom zouden wij verschooning vragen voor het afkeuren van een' trek, dien de dichter zelf niet zou hebben doen uitkomen, ware het hem minder om een aanloopje te doen geweest? Toevalliger dan het in de werkelijke wereld pleegt toe te gaan, toevallig als in een verhaal, toevallig als à propos de bottes, komt, terwijl Heemskerck staat en staart, onder de vele voetgangers langs den Buitenkant, juist de eenige, juist zij voorbij, die Meijer gelegenheid geven kan, hem over een' onzer vermaardste zeehelden te doen spreken.
zoo heet het in het vers, weinig zeventiende-eeuwsch, het is waar, ‘ziet gij die dame met hare kinderen?’
We zijn waar Meijer wezen wilde, - waar hij gelooft de episode te mogen inlasschen. Hoort men het ons alreeds aan, dat dat wij des ondanks twijfèlen of hij er wel aan deed? Wij loochenen het niet. Het zij echter verre van ons, te vergen dat iemand, louter op ons woord, vonnis wijze; de vragen, of het verbaal hier op zijne plaats heeten mag, of het Heemskerck is, die voor Anna zijn gemoed uitstort, dan wel een dichter onzer dagen die declameert, haar beantwoorde, haar beslisse elk die geduld genoeg heeft, ons te vergezellen bij de volgende beschouwing van een feit, dat tot de dapperste uit onzen vrijheidsoorlog tegen Spanje behoort.
Gij weet, aan wien de Muze der Historie de vermelding van onzen roem ter zee heeft toevertrouwd; hoort daarom eerst Mr. J.C. de Jonge. Als hij de teleurstelling heeft geschetst der verwachtingen, den volke ingeboezemd door de vloot in 1599, onder den Admiraal van der Does uitgezonden, vaart hij voort:
‘Nog minder gelukkig slaagden twee scheepstogten, in den jare 1606, onder aanvoering van den Zeeuwschen Admiraal Willem Haultain ondernomen. Bij den eersten togt viel niets van eenig gewigt voor, dan alleen dat de Nederlanders de Spaansche kusten verontrustten en eenen aanzienlijken buit maakten. Bij den tweeden togt werden onze zeelieden door eenen overmagtigen vijand overvallen, hetgeen tegen hunne gewoonte zoodanig eenen schrik onder hen veroorzaakte, dat de meeste schepen de vlugt namen. Één zeeman handhaafde evenwel bij deze gelegenheid den alouden roem der Nederlanders met eene zeldzame kloekmoedigheid. De Hollandsche Vice-Admiraal Reynier Claeszen, ofschoon van allen verlaten, houdt twee dagen lang alleen het gevecht tegen de Spanjaarden uit. Ten laatste wordt zijn bodem onverdedigbaar; doch eenen eerlijken dood boven eene schandelijke slavernij stellende, slaat hij aan de zijnen voor, liever den brand in het kruid te steken dan zich over te geven.
De moedige manschappen geven hunne toestemming tot dit schrikkelijk besluit. Zij knielen gezamenlijk neder, doen hunne laatste gebeden, en Claeszen steekt den brand in het kruid, en het schip, met alles wat zich aan boord bevindt, vliegt in de lucht. Wel waardig was deze heldendaad van Reynier Claeszen1 door Helmers bezongen te worden, gelijk die van zijnen voorganger en lotgenoot, Bastiaan Lange, door den dichter der Watergeuzen, van Haren!’
Wetenschap en Kunst zijn zusters, beweren de classici, - dezelfde bloemenband omstrikt alle, - wij wenschten, dat de arbeid onzer geleerden meer blijken droeg van den zin voor iedere openbaring van het ware, het schoone en het goede, hun door die stelling toegekend. Mogt het in het algemeen te veel van den historicus geëischt zijn, zoo wij verlangden dat hij ook slechts met oordeel des onderscheids over poëzij en poëeten sprak, er schuilt niets onredelijks in de bekentenis, dat, bij het gewagen van twee zoo bekende verzen, als de hierboven bedoelde dichtstukken van Helmers en Van Haren, een weinig kritiek van Mr J.C. de Jonge ons welkom zou zijn geweest. Geprezen, gelijk het door hem geschiedde, dat is zoowel op ééne lijn geplaatst als in éénen adem genoemd, getuigt de lof van een gebrek aan smaak (zoo het geene studie heeten mag) dat ons, om den wil der kunst, bij iemand van zijne opvoeding, zijne ontwikkeling leed doet. Wij herhalen het, - immers geldt het hier geene verzen, die, hoe voortreffelijk ook, slechts luttel vermaardheid verwierven, of erger nog, bij allen, behalve bij de liefhebbers, in vergetelheid zijn geraakt. Er was een tijd, er waren gezellige
kringen ten onzent - en Mr. J.C. de Jonge behoorde, zoo wij ons niet bedriegen, zoowel tot den eenen als tot de anderen, - waarin de inheemsche letterkunde de belangstelling der deftige burgerij tot zich trok, waarin voor een goed Hollandsch vers, op het nageregt schaars vergeefs, gehoor werd gevraagd, - meer dan eens, dunkt ons, moet hij, bij gelegenheden als die welke wij aangaven, den twee en twintigsten Zang der Geuzen, de schildering van het lief en leed van Rozemonds echt hebben genoten. Onder zijne vrienden waren mannen van naam, die haar van buiten kenden, die hare schoonheden waardeerden, en deze anderen wisten te doen gevoelen; zoude het hem niet hebben uitgelokt zelf het boek eens op te slaan, zelf eens te zien, hoe de poëzij de Lange onsterfelijk heeft gemaakt? Zoo veel over van Harens meesterstuk. Maar er was ook een tijd, ‘en Gode zij dank dat hij geweest is!’ zegt Mr. J.C. de Jonge, zich dien herinnerende, en wij zeggen het hem na, schoon hij ons niet heugt, er was ook een tijd, waarin de voordragt van een fragment uit het bekende vers van Helmers in het gezonken Holland weêr dat wakkere, dat weldige volk scheen op te wekken, welks naam zelfs van de lijst der natiën was gewischt, waarin vooral de heldendood van Claeszen een onbeschrijflijken indruk te weeg bragt. Wij zullen de verzen fluks mededeelen, ten einde de behandeling van ons onderwerp voort te zetten. Doch eer wij daartoe overgaan, vergunne men ons de vraag, of het twintig, vijf en twintig jaren na den eenen en den anderen tijd te verwachten, te vreezen viel, dat de hulde langer zoo mir nichts, dir nichts, zoo maar met denzelfden wierookwalm aan de geestdrift van den goeden wil, als aan het genie zou worden gebragt? De geschiedschrijver onzer zeevaart behoefde de Hollandsche poëzij niet te hebben bestudeerd, om tot de overtuiging te zijn gekomen, dat er onderscheid is tusschen een onderwerp bezingen en een onderwerp regt doen. Wij herhalen het, geheel onze gedachte uitdrukkende. De man, die er getuige van was geweest, welk een invloed de kunst, ook de vergelijkenderwijze gesproken mindere kunst uitoefenen kon, moest geleerd hebben genoeg belang in haar te stellen, om haar gaarne nog wisser hefboom te zien worden, moest van die belang-
stelling blijken geven door - discriminating praise. Voor wien het ook betoog behoeve, voor iemand van zijne studie wordt het van ons gevergd te beweren noch te bewijzen, dat het bestaan en de bloei van een klein volk afhangen van het bewaren en ontwikkelen van zijn' oorspronkelijken aanleg, van zijn eigenaardig karakter; waarom toonde hij zich niet evenzeer overtuigd van de waarheid, dat de kunst, naarmate zij die te zuiverder typiseert, te zekerder zijne toekomst waarborgt?
Wij hebben onze bedenking te staven; zie hier het fragment uit de Hollandsche Natie:
Wat dunkt u, worden de eischen der waarheid of die der
dichting bevredigd door deze voorstelling van het feit? Gij hebt vrijheid den ganschen Westerschen Oceaan rond te dolen, om de hoogte te vinden, waarop het gevecht voorviel. Een Spaansch smaldeel ontmoet het schip of de schepen - de dichter schijnt u te willen doen gelooven, dat Claeszen alleen in zee was gestoken - maar de naam van des vijands vlootvoogd wordt niet vermeld. Eene zwarte, zeer zwarte kool, dient ter afschaduwing der Spanjaards, wier sprekendste nationale karaktrekken, ernst en trots, in schreeuwen en tieren te loor gaan; - dat men slechts zich zelven verlaagt door den vijand, dien men de eere aandoet hem te bevechten, bij ongediert der woestenij te vergelijken, blijkt boven het begrip des schrijvers te gaan. De laatste woorden van Claeszen tot zijn scheepsvolk missen het Hollandsche zeemanszegel, even kort als kloek te zijn, - en het geestdriftig antwoord getuigt meer van opwinding dan van opzien. Het is alsof De Groot te vergeefs geboekt had: ‘Hebbende met geboogen kniën God gebeeden om vergiffenis, dat se door een korte dood zich zelven den hoon en smaad hunner vijanden onttrocken, steekense den brand in 't buskruyt’! Vergt iemand dat wij ook de gebreken der opsiering aanwijzen? van vinding is in de voorstelling geen sprake. Doch gij hebt u immers reeds aan den diamant geërgerd, in het duister stralende; en waarschijnlijk, zoo min als wij, de vergelijking bij dat meer gloed schenkende goud volkomen begrepen. Hebt ge dan misschien de honderd en eende voorstelling dier rots bewonderd, die het woeden van de orkanen en van de eeuwen belacht? Maar er is niets zoo onvruchtbaar als louter het leelijke te gispen, en daarom scheiden wij er van, betreurende dat de dichterlijkste gedachte, welke het heldenfeit bij Helmers opwekte, de gedachte dat de roem dier schepelingen den volgenden geslachten toe zou stralen, zoo als de vlam van het in de lucht springend schip het der verste verte deed, niet behoorlijk uitgewerkt geworden, dat zij in de herhaling van het hier misplaatste en daardoor banale ‘rust zacht!’ te loor is gegaan.
Indien ons magt over onze lezers gegeven ware, ieder hunner zou, zoo verre gevorderd, dit tijdschrift ter zijde leggen, om den Negentienden Zang der Geuzen op te slaan en daarin
te zien, hoe anders Van Haren de dood van Bastiaen de Lange vereeuwigd heeft. Volgaarne het onderscheid erkennende tusschen de beide dichtstukken, - schoon de schikkers van dat slag van goed evenveel moeite gehad hebben, om de Geuzen als de Hollandsche natie onder eene bepaalde soort te brengen, en er nog maar kwalijk in zijn geslaagd, - liever dus toegevende dat een paar lierzangen, hoofdzakelijk aan den held van ter Veere gewijd, gelegenheid tot uitvoeriger behandeling geven, dan de overgeschreven zestig of zeventig alexandrijnen, waarin Reynier Claeszen ten hemel vaart, overtreft Van Haren echter Helmers tot beschamens toe. Schrijf het, zoo ge wilt, op rekening van het grooter doek van Onno Zwier, dat ge bij hem kust en zee bij den eersten oogopslag voor de Zeeuwsche groet, dat de aangezigten der Geuzen zoo kennelijk gepenseeld zijn, dat het noemen hunner namen schier overtollig wordt, er blijft eene aanschouwelijkheid des gevechts, er blijft eene weelderigheid van fantasie, er blijft een rijkdom van gedachten te prijzen over, als slechts der meesterhand gegeven is, als slechts het genie ten gebode staan. Wat zouden treurspeldichters en romanschrijvers ons al monsters van Spanjaarden hebben gespaard, indien ze bij Van Haren ter school waren gegaan, om ook in onze vijanden het menschelijke te leeren bespieden en waarderen. Slechts bij hem de dapperheid onzes voorgeslachts gelooflijk en glorierijk tevens, dewijl ons hart hun toestand meê leert gevoelen, dewijl ons verstand hun moed begrijpt en bewondert...... doch waarom zouden wij ons geene aanhaling van een paar coupletten tot tegenstelling veroorlooven? Onze lof mogt gevaar loopen overdreven te schijnen; bij de lezing zal hij beneden de verdienste blijken. Luister dus, als ge wilt, luister een oogenblik naar de Lange; hij geeft zijn gemoed lucht, als zijn toestand schier hopeloos geworden is, als zijn schip, door den zoon van Vasco da Gama geënterd, bovendien drie vijands vaartuigen aan boord, dat is, te bestrijden heeft:
Het schriklijk besluit is gemotiveerd; - hoe meesterlijk een overgang schuilt er in de eerstvolgende vier woordekens:
Onze nationaliteit: gemoed en gezond verstand, gehandhaafd tot in den dood!
Wij gelooven ons pleit te hebben voldongen; slechts ligt ons nog een woord over Helmers op het harte, dat wij hier lucht willen geven. Geestdrift en genie op ééne lijn te plaatsen, dat hielden wij Mr. J.C. de Jonge niet ten goede - een fragment der ‘Hollandsche Natie’ beoordeelende, schaarden wij ons, door den ongunstigen uitslag onzer beschouwing, aan de zijde van Wiselius, - maar hebben wij daarom geen krans over voor de beeldtenis van hem, die, meer dan een onzer overige dichters, ons volk in zijn val heeft getroost, door uit zijn verleden, zijne wedergeboorte te voorspellen? Geen krans voor Helmers, die het heilig vuur van den onafhankelijkheidszin aanblies, toen het priesterschap den dood kon kosten, die het aanblies tot vlam wordens toe, maar er niet getuige van mogt zijn, hoe zij opsteeg en de duisternis deed verkeeren in licht? Die ondankbaarheid zij verre van ons. Dikwerf hebben wij het betreurd, dat Wiselius er genoegen in vinden kon, een verscheidene tot voorwerp zijner spotternij te kiezen, in de hoop, dat die slagen zijne levende ‘sgelijken zeer zouden doen; het ware zijner waardiger geweest de namen der laatsten voluit te noemen; wat regt zouden zij hebben gehad zich over de gisping te beklagen, als de kritiek het gevolg bleek van gemoedelijke overtuiging, die van geen’ onedelen naijver weet? Voor ons, wij wenschen slechts door deze den bloei der kunst te bevorderen, en vreezen dus geen verwijt van Helmers schimme, wanneer wij er goedrond vooruit komen, dat we zijn beeld liever met eikenblaren dan met lauwertwijgen omkransen, dat wij hem als burger hooger stellen dan wij het hem als dichter mogen doen. Het is grooter lof dan het schijnt, mits ge u den tijd, dien hij beleefde, mits ge u de gezonken natie, die zijn geloof door zijne gebrekkige kunst bezielde, voor den geest brengt. Hoe halfslachtig waren de middelen, waarmede hij zijn doel bereikte, en - het zij er te zijner eere en tot onzen prikkel bijgevoegd - viel het hem meer dan ten deele te wijten, dat hij zich daarvan bedienen, dat hij er zich mede vergenoegen moest? De nieuwe kunst, geloofde men nog in zijnen tijd, kon kwalijk aan het licht komen, tenzij ze in de kleêren der oude stak, om het
even of die haar fraai stonden, of dat zij er linksch, opgeschikt, belagchelijk mede uitzag. Al zijn verdienste school in zijn Hollander zijn, Hollander van heeler harte; - dat hij die gave oorspronkelijk had mogen ontwikkelen, even als Griekenland het zijnen vernuften veroorloofde, Helmers zou minder gezongen hebben dan hij deed; maar hoe veel meer dan thans zou er van dat mindere zijn overgebleven - geschikt om ons verder te brengen. Er waren immers buiten hem, aan den avond der achttiende en bij het ochtendrood der negentiende eeuw, ten onzent zangers te over, die heldendichten en treurspelen leverden, zoo klassiek men maar wenschen kon - doch waarbij het den tijdgenooten welligt te moede was, als ons op de Amsterdamsche Beurs, eer die hemelhooge zuilen werden overdekt of ontgriekscht, zoo gij het harde woord dulden kunt, - schim van Helmers! ziet gij nog gram op ons neder?
De beurt is ten leste weder aan Meijer, aan zijn tafereel van Claeszen's zelfopoffering, - hebben wij uw geduld niet op te zware proef gesteld? Wij zouden onbillijk zijn, zoo wij de episode niet geheel mededeelden; zij levert een der weinige blijken, dat ook onze dichter kritiseert. Al wat wij u, eer wij haar afschrijven, hebben te herrinneren, is dat Heemskerck ondersteld wordt het verhaal te doen. En toch is het welligt niet overbodig aan te geven, dat de Staatsche vloot, waarover Willem van Haultain, Admiraal van Zeeland, het bevel voerde, ‘gheordonneert was van een en twintich schepen ende twee Jachten te wesen,’ zegt van Meteren, doch bij het uitzeilen slechts uit negentien der eerste en de beide laatste bestond, ‘omdat de wint waeyende,’ voegt onze naïve historicus er bij, ‘de twee schepen niet reede waren.’ Zes van de grootste en beste dier vaartuigen raakten, eer men op de hoogte van Kaap St. Vincent den vijand in het gezigt kreeg, van de overige af, - en daar een der jagten ‘na de reviere van Lisbona’ was teruggezonden om die op te zoeken, moest Willem van Haultain en zijne ‘cloecke Zeeusche Capiteynen, en Reynier Claesz, uyt Hollandt, als Viceadmirael, met meer andere,’ het opnemen tegen de Spaansche Armade, onder den admiraal Don Loys Fayjardo. ‘Deze Spaensche vlote was sterck achttien Gallioenen (daeronder begrepen eenige opgheruste Caracquen) noch negen
Galeijen, met noch eenighe lighte schepen.’ Zoo verre van Meteren; en nu Meijer's tafereel:
‘Bij het mededeelen van dit fragment aan eenige vrienden, anders toch wel in de geschiedenis onzes lands ervaren,’ - zegt Meijer, in eene aanteekening op deze episode, - ‘heb ik ontwaard, dat, hoe algemeen bekend de heldendood van Claessens moge zijn, als daadzaak, de omstandigheden, welke dien dood veroorzaakten en vergezelden, dit minder zijn. De vlam van het in de lucht springende schip des helds, heeft, zoo het schijnt, veler oogen verblind, zoodat zij de weinig eervolle vlugt van eene talrijke Hollandsche vloot niet zagen, welke zich uit de voeten maakte zonder een schot te doen, terwijl Claessens verpletterd werd door de overmagt.’ En de kritiek heeft vrucht gedragen in de volgende verzen, waarmede de schildering van den toestand des Admiraals wordt voortgezet.
‘De bitterheid, welke de ziel des Vice-admiraals moest vervuld hebben, toen hij zijnen onvermijdelijken ondergang zag,’ - zegt de dichter in de bovenvermelde aanteekening, -
‘hij die overwinnaar had kunnen zijn, indien hij minder voorzigtige lieden had aangevoerd: deze verbittering was zeker eene van de drijfveêren, welke hem tot zulk eenen wanhopigen tegenweer en in een vrijwilligen dood dreven.’ Hoe de verontwaardiging u tegengloeit uit het einde des verhaals! - waarin wij, al ware het slechts met een enkelen trek geschied, dat karakteristiek zeventiende-eeuwsch begrip zoo gaarne regt hadden zien doen, 't welk de schrijver van het Leven en de Daden van Willem Haultain in de volgende woorden heeft te boek gesteld: ‘Sy dan alle, hebbende eerst ootmoedighlyck Godt gebeden, dese hun Verkiesinge van een doodt, voor een wreeder of schandelycker, die hen van den Vyandt te wachten stont, niet tot verderf te laten gedyen, en alsoo als van den Oppervooght, verlof om eerlyck te mogen sterven, verkregen, hebben eyndelyck de lont in het kruyt geworpen.’
Ons overschrijven is ijdel geweest, als de lezer Helmers niet voor Meijer vergeten heeft, als hij, zich thans den eersten herinnerende, dezen niet door den laatsten overtreffen ziet, ja, in de schaduw gesteld. Wij gunnen den auteur dien triomf gaarne; het deert ons slechts, dat hij niet duurzaam zijn mag. Een oogenblik nadenkens, en ieder, die zich onzen aanhef herinnert, zal citroen in den honig mengen, tot zuur wordens toe, wanneer hij zich Anna voorstelt, het verhaal, zoo als het daar geschreven staat, uit Heemskercks mond hoorende. Er komen regels en plaatsen in voor, het getuigt van grepen en veraanschouwelijkt toestanden, waarbij wij gaarne haar gelaat zouden hebben gadegeslagen: b.v. het vruchteloos uitzien van Claeszen naar zijne togtgenooten, - het aanbod
des Spanjaards zoo dapper een vijand het leven te sparen - het: ‘vaarwel!’ door de vechtenden den sneuvelenden toegeroepen, - boven alles, de sprakelooze bede door het afgestreden volk tot den Admiraal gerigt en door dezen zoo goed verstaan: een verheven - aandoenlijk oogenblik, zoo eenvoudig - verheven geschetst. Doch hoe mag zij het uitgehouden hebben bij Heklas klatermuil, of bij de vlugge Picadoren, - hoe bij de gemaakte deftigheid der vraag, of zij ooit een zeevlam gezien heeft, - en hoe, bij dien misgreep van tegenovergestelden aard, hoe bij dat voor eene vrouw, eene jeugdige, bevallige vrouw vooral, zoo afgrijsselijk naakt tooneel dier Cyclopen; - hoe bij dat vervallen in één woord, in de vormen ‘waarin tooneel- of zoogenaamde heldendichters dergelijke toestanden behandelen?’ Immers is het van haar standpunt dat de episode moet worden beoordeeld, sinds de dichter goed vond die door de vraag, of zij ‘de weduwe van Claeszen langs den IJkant heeft zien gaan?’ in te leiden, en de volgende verzen van dit gedeelte des gedichts louter bestemd zijn om den indruk te schetsen door deze voorstelling, en de daaruit gemotiveerde noodzakelijkheid van Heemskercks vertrek gemaakt. Laat ons die doorloopen, eer wij er, zoo als wij grooten lust gevoelen te doen, den staf over breken, met Hamlet's uitroep: ‘Words, words, words!’
Heemskerck vaart voort te declameren; of mag het gezellig gesprek, mag het uitstorting des gemoeds heeten, als hij Anna verzekert, ‘dat het weêrlicht van de vlam, waarin Claessens, als een god, van de aarde afscheid genomen heeft, zijner weduw als een stralenkroon om de haren blinkt?’ Gelukkig echter is het volhouden van zoo gezwollen toon, zelfs voor den grootsten liefhebber der rhetorica, eene onmogelijkheid, en daalt de held dus ook allengs tot bedaarder, begrijpelijker beschouwingen af. ‘Indien ieder man op de vloot, indien slechts de helft hunner zijn pligt had gedaan, de overwinning ware ons geweest, - Holland had niet andermaal het zwaard behoeven aan te gorden. Maar het verleden is onherroepelijk, - op Texels reê wemelt het van mannen, getroost, neen, gewillig op nieuw het lijf voor het Vaderland te wagen, - en ik - ik marre in de armen der min! -
Anna! wat weêrhoudt ge mij? - of, zoo de keuze aan u stond, zoudt gij aarzelen kunnen tusschen den dood als Claeszen, of het leven als Haultain?’ De beurt van spreken is aan Heemskercks gade, en Meijer heeft vier bladzijden voor haar antwoord over; het is lang, zeer lang voor zulk een toestand. Zie, wij hebben er niet tegen, dat hij in hare edelmoedige opwelling: ‘O, waart gij aan het hoofd dier vloot geweest!’ den indruk schetst, door zijn verhaal te weeg gebragt, den triomf viert, waarop zijne voorstelling van den heldendood hem regt geeft; maar als zij een oogenblik later dien wensch terugneemt, dewijl de togtgenooten Heemskerck zoo goed als Claeszen aan zijn lot zouden hebben overgelaten, en zij haren gemaal, bij de trouw die hij haar beloofde, bij het kind dat zij onder het harte draagt, bezweert niet te vertrekken, dan vragen wij, is de episode niet misplaatst, is de dispositie van dit huisselijk tooneel, in een gedicht dat ons een heldenbeeld leveren wil, niet ongelukkig te noemen? Heemskerck ziet er zich door verpligt, in eene variatie van het thema te vervallen, allerlei troostgronden bijbrengende, onder welke Anna inkrimpt tot eene alledaagsche vrouw. ‘Mis!’ zal de dichter zeggen, ‘zij verheft zich immers weder, zij zegt dat ook zij de eer boven het leven stelt?’ Och ja, maar zij vleit zich dat de ure des gevaars, des scheidens nog niet gekomen is; zij wil weten wanneer die slaan zal - de onzekerheid martelt haar. - En Heemskerck heeft te veel deernis - te weinig zouden wij zeggen, - om eensklaps te antwoorden: ‘Morgen, heden nog!’ - Onder zijne dertig regelen lange vernieuwde verklaring, waarom hij niet weigeren mag te gaan, wordt zij bleek, wordt zij flaauw, nadat zij met moeite gestameld heeft: ‘wanneer?’ en besterft dat woord:
Onhollandsch! roepen wij uit; - zoo als onze onverbiddelijke voorganger het van den Boekanier des dichters deed, en mag blijven doen, al heeft Raynal den naam van den Hollander bewaard, die Maracaïbo uit wraakzucht verwoestte, - onhollandsch, zoo lang het tot de roeping der poëzij behoort, een volk in zijnen natuurlijken toestand en niet in zijne ziekelijke afdwalingen te typiseren, - onhollandsch, zoolang ééne zwaluw geen zomer maakt. Onhollandsch! - al zijn ook ten onzent huwelijken als die van Heemskerck en Anna niet zeldzaam; de echt, niet van de Louwmaand en de Mei, zoo als Staring zong, maar dien van de veertig met de twintig, van de rijpe levenservaring, met den ontluikenden levenslust. Wij zouden het den dichter vergeven hebben, dat hij Heemskerck's huwelijk verzweeg, zoo de historie het geboekt had als eene dier nederbuigingen van den man, van den held bovendien, tot een lief, aardig, volwassen kind, - als eene dier zelfverloocheningen, waarop late liefde staat, staan moet misschien. Maar uit de honderde toestanden, welke de verbeelding zich
van deze, door geene aanteekeningen bepaalde verbindtenis vormen kan, juist die te kiezen, welke aan Anna het voorkomen eener broeikastplant, welke aan Heemskerck den schijn van een speelbal harer grillen geeft, dat betreuren wij niet alleen, dat weigeren wij voor eene bijdrage tot eene Hollandsche heldenfiguur uit onze glorie-eeuw te erkennen.
Het is of de dichter het zelf gevoeld heeft, want eer Anna verscheidt, zingt zij eenen zwanenzang, maar die, lacy! Duitsch is, Duitsch tot dweepens toe. ‘Betreur mij,’ zegt zij, ‘maar laat die droefheid geene blaam werpen op eenen naam, dien ik zoo gaarne droeg, dien ik, als de geest ginder nog waardeert wat hij hier heeft vergood, dáár vlekkeloos van u weder zal vragen.’
Dichter! zouden wij Meijer vragen, als wij het genoegen hadden hem op dit oogenblik tegenover ons te zien, dichter! hebt gij ooit lang stil gestaan voor de vrouwenportretten, ons uit de zeventiende eeuw overgebleven; hebt gij die ooit opmerkzaam beschouwd? Wij mogen, wij moeten er aan twijfelen, want in welken toestand de vurigste verbeelding
ook de aanvalligen of eerwaardigen verplaatsen moge, wel wacht zij zich dier vrouwen een tint van overdrijving te leenen: gezond verstand is de sprekendste trek van heur goedrond gezigt. Het deert ons dat gij het waagdet, want wij zouden ons zeer bedriegen, zoo zij niet even stellig weigerden in uwe Anna - die zoete speelpop voor een weelderig uur, dat teeder rietje, door den eersten windvlaag gekrookt - hare zuster of hare dochter te groeten, als wij der psychologische ketterij geloof ontzeggen, dat zoo zwak eene ziel ooit zieneresse verscheiden kon. Eer ge ons oordeel te hard scheldt, zie nog eens naar die portretten op! - Maria van Utrecht - Tesselschade, Roemer Visschersdochter - Maria van Reigersbergen! Het leven was haar geen spel, het leven was haar geen lust, het leven was haar geen droom, - wakker, ernstig, degelijk, was het leven haar een pligt - het geheim der grootheid onzer vrouwen van die dagen. Weinig kent hij haar, die vermoedt dat zij onder pligt eene treurige taak verstonden, waarvan slechts sombere stroefheid zich kwijten kon, een hoog en heilig geloof bezielde er haar toe uit dankbare wederliefde; hoe zouden zij gehuiverd hebben voor de dwarreling van gedachten, waarvan de zwanenzang uwer Anna getuigt. Er school velerlei kracht in die kloeke gestalten, waardig een geslacht voort te brengen en op te voeden van alle weekelijkheid vreemd, en tot alle wonder in staat; maar heur hoogste kracht ontleenden zij aan de overtuiging des gemoeds, dat dit leven slechts de school is voor den hemel, - hollandsch, huisselijk, hervormd, waarom moest de in drieërlei opzigt eigenaardige vrouwentype in de gade van Heemskerck geheel mislukken?
Onno Zwier heeft haar begrepen, - een groot geleerde en keurig kunstkenner tevens verzekerde ons, dat hij homerisch talent waardeerde in de schildering van het binnenhuisje in ter Veere, in de schets van Rozemond's gemoed. Wij zouden er morgen Grieksch om willen leeren, als wij ons vleijen mogten tot de weinigen te zullen behooren, die zich den geest des meesters weten eigen te maken, en niet tot die velen, welke hem slechts zijne vormen afzien, om die een ander tijdvak op te dringen. Maar liever dan ons andermaal in den strijd over oorspronkelijkheid en navolging te wagen, een strijd
die lang geslecht moest zijn, deelen wij u tot tegenstelling het stukje mede, dat zoo weinig wenschen onbevredigd laat, als het ons in de kunst om veraanschouwelijking van veredeld volksleven te doen is, als wij verlangen dat iedere beschouwing harer voortbrengselen ons beter make.
Het is avond geworden in de nederige woning der vrouw van Bastiaen de Lange, die scheep is gegaan, ten strijde voor vrijheid en vaderland; het is avond geworden in de woning, wier netheid wel van welvaart, maar niet van weelde getuigt. Die vrouw is gelukkige moeder; maar waartoe verdere inleiding, - de dichter zelf geeft haar vollediger dan iemands veder vermag.
Wie is er die ons het overdrukken van deze coupletten geen dank weet?
Niemand, vertrouwen wij; zelfs hij niet, die er het meest onder lijdt, de dichter van Heemskerck, maar wiens boete er ook mede is volbragt. Immers, wij hebben in een der
vroegere stukjes van dit opstel, van ‘weêrgalooze scheepspraatjes’ gesproken, door hem afgeluisterd en weêrgegeven, we zijn er in het boek toe genaderd, en het mag ons niet van het harte ditmaal te scheiden zonder er proeven van te hebben bijgebragt. Liever de kans geloopen van de blaam, te lang te zijn, dan het zelfverwijt van opzettelijke onregtvaardigheid te verdienen. ‘De Heer Meijer heeft ons geene bewijzen gegeven van het dieper indringen in al de wijzigingen van karakter en gevoel,’ dus zag zich de Recensent van den Boekanier verpligt zijn oordeel te besluiten, ‘geene bewijzen van het voorstellen daarvan, door eene eigenaardige taal aan ieder der sprekers in den mond gelegd.’ Onze uitval tegen de declamatorische tirades van Heemskerck heeft die aanklagt vernieuwd en verzwaard; laat ons dan ook even gereed zijn te erkennen, dat hij op andere plaatsen allergelukkigst geindividualiseerd heeft, dat hij slechts strenger, zou Huyghens zeggen, ‘sijn eyghen scherpe roê’ behoeft te zijn, om er volkomen in te slagen.
We zijn andermaal aan boord van het Admiraalschip de Aeöol, dat koers schijnt te zetten naar Cadix. We zijn weder bij de wacht op het voorkasteel. Een der rappe, flinke maats heeft de vrouwen van Cadix, de vurigste ter wereld geprezen, - wat wonder dat een grijze grombaard zich aan dien minnekout ergert, dat hij hem vraagt, of hij, die zooveel van de Spaansche meisjes weet te vertellen, ook kennis heeft gemaakt met het Spaansche zwaard? Hier hebt gij het antwoord:
En als wij u nu herinnerd hebben dat in 1590 ‘H.M. de Staten, eene vloot van 24 schepen,’ onder Jonkheer Jan van Duyvenvoorde, Heer van Warmond, Admiraal van Holland, ‘ter dispositie stelden van Koningin Elizabeth, om, vereenigd met eene Engelsche zeemagt, onder Engelsch opperbevel, tegen Spanje te ageeren,’ dan behoeft het overige naauwelijks eenige toelichting
Hier echter heeft de dichter zelf eene aanteekening geplaatst, en wij nemen haar dus over. ‘Bij den Heer van Warmond aan boord bevond zich, onder andere personen van rang en geboorte, die den veldtogt vrijwillig bijwoonden, de jonge Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, “Sone van Graef Jan.” Aan dezen jongen Vorst werd, door den Graaf van Essex,