terug  begin  prepost
[p. 800]

Bibliographisch album.

De declamatie of de kunst van declaméren of recitéren en van de mondelijke voordragt of uiterlijke welsprekendheid in het algemeen. Door Mr. B.H. Lulofs, Hoogleeraar, enz. (Ten gebruike voor studerenden en voor elk een', die in het openbaar lezen of spreken moet.) Te Groningen, bij C.M. van Bolhuis Hoitsema. 1848.

Het oordeel over dit uitvoerige werk, waarvan wij wel niet den inhoud behoeven op te geven, naardien die uit den uitgewerkten titel vrij duidelijk blijkt - moet zeer verschillend zijn naar het standpunt, waar men zich bij de beoordeeling plaatst. Ongetwijfeld zullen er velen zijn, die meenen dat de kunst van declaméren dit met alle andere kunsten gemeen heeft, dat zij uit boeken alleen niet wel kan geleerd worden. Bestudeer de methode ‘d'Equitation’ van Baucher zóó, dat zij geheel aan u bekend, volkomen uw eigendom geworden is; plaats u met die kennis toegerust op het makste en goedwilligste paard: de eenvoudigste en vriendelijkste beweging, die gij niet verwacht hadt, brengt uwe kennis volkomen in wanorde. Het is niet zeer moeijelijk te weten hoe men zitten moet, maar het is meer bezwaarlijk het te doen, wanneer de zetel zelf ongedachte bewegingen ondergaat. - Door een handboek wordt geen beroemde schilder of teekenaar gevormd, en geen wonder; men moet niet alleen weten wat men doen moet, maar men behoort het vermogen te hebben om dit te kunnen doen. Bijv., gemakkelijk genoeg is de les opgegeven: houd de evenredigheid in het oog, zoowel tusschen de verschillende voorwerpen als de afzonderlijke ledematen van één voorwerp; gemakkelijk ook kan men die les onthouden; maar vervolgens moet de schilder nog het oog hebben om te beoordeelen of hij de proportie goed in acht heeft genomen; of hij zal deze les uitmuntend weten toe te passen - bij anderen misschien; misschien zelfs daar niet. - Brengt men dit over op de lessen voor de uiterlijke welsprekendheid, dan ziet men, dat eene eenvoudige opgave of uitvoerige verklaring ook van deze niet voldoende is. - B.v. p. 58, § 21 worden als vereischten van duidelijk

[p. 801]

voor het gehoor te spreken opgegeven: men spreke niet te hard, noch te zacht, noch te schielijk, noch te langzaam. Verscheidene bladzijden zijn gevuld met verklaringen daarvan en nadere uiteenzetting; maar daarmede is nu ‘die in het openbaar lezen of spreken moet’ slechts ten halve geholpen; hij zal beter inzigt krijgen, zoodra hij zich oefent onder de leiding van een' ervaren spreker of zelfs van zijne vrienden, die den lust hebben om beter te spreken, dan gewoonlijk geschiedt, want deze kunnen hem zeggen, nu spreekt gij te schielijk, nu te hard, nu zijt gij niet te verstaan, nu spreekt gij duidelijk. Hoofdst. I, §§ 13 en 14, geven vele wenken omtrent de verkeerde uitspraak van sommige letters in sommige streken onzes vaderlands; ik ben het volmaakt met den S. eens, dat deze onbehagelijke klanken in het openbaar niet gehoord moesten worden, maar al is het mogelijk, dat het zeer platte door dit boek moge worden weggenomen, toch schijnt het naauwelijks denkbaar, dat die enkele onwelluidende bijzonderheden, die zelfs den beschaafden stand van sommige steden nu en dan eigen zijn, door deze opmerkingen den sprekers onder de aandacht zullen worden gebragt. - Niet minder loopt dit in het oog bij Hoofdst. III, § 56: ‘Welke gebaren men zoo al met de armen, en hunne uiteinden, de handen en vingeren, maken kan?’ Stel, dat een jeugdig spreker of lezer al de verschillende gebaren voor verschillende gevallen naar deze beschrijving beproeft, beoefent, bewerkt, gelooft gij dat hij er in zal slagen, om eenig effect te maken? Zal men te midden zijner declamatie niet nog altijd aan het boek denken? ‘Om schrik aan te duiden, steke men de opene, opgehevene en loodregt gehoudene linker- of regterhand ter hoogte van het gelaat voor zich uit, en houde de andere een weinig lager in dezelfde perpendiculaire rigting achter haar, terwijl men met stijfstarende oogen en achteroverhellend hoofd en ligchaam een paar schreden, zoo 't kan, achteruit deinst,’ lezen wij p. 141, 22). Maar, in ernst, heeft nu iemand, die wezenlijk zoo ver is dat hij of declameert of spreekt in het openbaar, noodig, dat men hem opgeve de wijze, waarop men met de handen schrikken moet? Wie zal nu wel den diepsten indruk op de hoorders maken, hij, die hetgeen hij gevoelt uitdrukt, zoo als zijne natuur, door oefening beschaafd, het hem ingeeft, of hij, die deze geschrevene lessen getrouw behartigt en betracht? De keus tusschen die beide zal wel niet twijfelachtig zijn; de beweging des eersten moge minder kunstig zijn, hij zal schokken, terwijl des anderen geste welligt bewondering verwekken zal. - De wetenschap uit de boeken, maar de kunst uit oefening. Verg. p. 12, §§ 7 en 8.

Moge deze wijze van beschouwing al eenzijdig zijn, daarmede is nog niet uitgemaakt, dat zij ook tevens onbillijk is, of geheel ongegrond. Maar van den anderen kant kan men de zaak ook aldus beschouwen: de Hoogleeraar Lulofs bezat eene uitstekende gave van voordragt, die bewonderd werd door allen die het genot hadden van hem eenmaal te hooren; in het declaméren werd hij schaarsch geëvenaard. Hij dus was beter dan iemand in staat te weten, welke de vereischten zijn van de declamatie, welke de weg is, die het spoedigst en zekerst tot de gewenschte hoogte brengt, en welke de gebreken en feilen zijn, die meestal in den weg staan; waartoe hem zijne veelvuldige praktische lessen nog daarenboven ruime gelegenheid aanboden. Hij begreep dus, dat een handboek, waarin over alles gehandeld wordt, dat tot de uiterlijke voordragt in betrekking staat, voor velen nuttig zou kunnen zijn, en daarom voegde hij dit werk aan de velen toe, waarmede hij onze letterkunde verrijkte. - En zoo zullen er velen zijn, die zich met genoegen

[p. 802]

aan de lezing van dit werk zetten en vele nuttige wenken opgaren ter hunner eigene oefening of om aan anderen mede te deelen; want zoodra men slechts uitgaat van het beginsel, dat het mogelijk is zijne oefening in te rigten naar zulk een Handboek, dat men kan handelen zoo als het Handboek het opgeeft, dat men vermijden kan, wat het boek als te vermijden opgeeft, dan is er geen twijfel, of door dit laatste werk zal de Hoogleeraar een vrij uitgebreid nut gesticht hebben; want het bevat wenken van een' meester in die kunst, en die geregeld, uitvoerig voorgedragen, door goedgekozen voorbeelden opgehelderd. Deze laatsten maken de lezing hier en daar aangenamer dan men zou verwachten, zoo als er ook aangaande de taal en de poëzij menige opmerking in dit werk gevonden wordt, die in de daad belangrijk is.

Wij onthouden ons van aanmerkingen over den stijl, die geheel en al de eigenaardige gebreken bezit van des S. vroegere werken, en waarop reeds zoo menigmaal de aandacht des publieks is gevestigd; ook over de bijzondere uitvoerigheid, bijna zou ik zeggen, omslagtigheid, die soms het geduld vermoeit. Wij zwijgen over de voorrede, want de schrijver heeft na de uitgave van dit werk zijnen nuttigen werkkring hier beneden gesloten; hij behoeft geen strijd meer te voeren op aarde.

Maar ééne vraag meen ik niet te moeten onderdrukken, daar dit waarschijnlijk wel niet het laatste Handboek zal zijn, en deze zelfde vraag zoo vele Handboeken geldt: Is het noodig, dat men, zulk een werk schrijvende, alles opgeeft, tot zelfs de allereerste beginsels? Is er geene volledigheid mogelijk, al veronderstelt men zich lezers van zekere kennis en vorming? Is het noodig, wanneer men over de houding des redenaars schrijft, zich als tot den lompsten arbeider te wenden en hem b.v. deze les te geven: ‘Voor ingezakte knieën wachte men zich. De buik puile niet uit,’ blz. 130, of blz. 134: ‘Het krabben in den neus, als men spreekt, en wat soortgelijk handgebaar aan denzelven meer zij, wordt met regt afgekeurd,’ vgl. blz. 150. - Welk een' declamator stelde zich de S. voor, toen hij p. 146, 8, schreef: ‘Men wachte zich voor onkiesche gesten. - Een onkiesch gebaar, zou ik het b.v. heeten, als men, bij het recitéren van den versregel:

 
“En op haar' zwangren schoot slaat zij haar oogen neder.”

met den vinger naar den buik wees, of zelfs maar den blik wat strak op den buik vestigde.’

 

En daarmede zij dit werk allen, die in het openbaar spreken zullen, aanbevolen. Zij kunnen er uit leeren, hoe zij moeten declaméren; maar vooral zouden wij willen, dat zich hunne aandacht vestigde op die §§, waar Prof. Lulofs wil dat men niet dcclamere, p. 202 en volgg.

Octob. 1849.

H.M.

[p. 803]

Eene portie schildpadsoep. Gemeenzame gesprekken over het maatschappelijk leven. Naar het Fransch van A.E. Cherbuliez, oud-hoogleeraar in de staathuishoudkunde. Te Arnhem, bij Is. An. Nijhoff. 1849.

De geweldige bewegingen in Frankrijk door het socialisme te voorschijn geroepen, de pogingen die het aanwendt, om de maatschappij te herscheppen naar zijn eigen beeld, en de bloedige Junijdagen, die daarvan het gevolg waren, hebben de behoefte doen inzien om het schrikbeeld met andere dan enkel stoffelijke wapenen te bestrijden, die zich ten taak stellen de communistische en socialistische begrippen te weêrleggen en uit te roeijen. Geene gemakkelijke taak, voorwaar! Immers, het socialisme heeft en zoekt zijne aanhangers (in den jongsten tijd althans) voornamelijk in de lagere klassen der maatschappij; het verschaft ingang aan de stellingen, die het predikt, niet door redenering en betoog harer waarheid, maar door ze voor te stellen als het onfeilbare middel ter verkrijging eener betere, gelukkiger toekomst. Welvaart, overvloed en genot belooft het aan wie tot nog toe in armoede, gebrek en kommer verkeerden; - is het wonder dat men zoo gemakkelijk geloofde wat men zoo vurig wenschte?

Dat voorspiegelen eener gelukkige toekomst is het groote middel van propaganda der socialisten, die, in overéenstemming zijnde met de neigingen, op eene veel grootere sympathie kunnen rekenen dan de verdedigers der bestaande maatschappij, wier roeping het is die neigingen te bestrijden en de onmogelijkheid van zulk een toekomst aan te toonen. Bij dit eerste nadeel voegt zich nog een ander. Het is namelijk, tot afwending der gevaren waarmede het socialisme ons bedreigt, niet genoeg de onwaarheid der socialistische stellingen aan te toonen; maar dit moet vooral geschieden op eene wijze die geschikt is ingang te vinden bij de lagere klassen, waar gebrek aan ontwikkeling en aan tijd, alle afgetrokkene redeneringen en alle uitgebreide betoogen geheel onvruchtbaar maakt. Met één woord, de vorm dier anti-socialistische litteratuur behoort een populaire te wezen, en wij gelooven zelfs der ‘Petits Traités’ door de ‘Academie des Sciences morales et politiques’ uitgegeven, geen onregt te doen, door de bewering dat die vorm nog in zijne kindschheid en met weinig geluk gebruikt is.

Dit oordeel schijnt ons ook van toepassing bij het werkje, dat wij hier aankondigen. Het bevat gemeenzame gesprekken tusschen professor Cherbuliez en een' werkman, voornamelijk over de gemeenschap van goederen, het regt op en de organisatie van den arbeid, die met meer andere denkbeelden van communistischen stempel uitvoerig besproken en weêrlegd worden. Men vindt hier de gewone bewijsgronden kort bijééngevat en duidelijk voorgesteld. Echter niet duidelijk genoeg om algemeen bevattelijk te zijn (men zie b.v.

[p. 804]

bl. 83 de redenering over het maximum en minimum van arbeid). De professor zelf schijnt hiervan zoo zeer overtuigd, dat hij, bij de bespreking van het onderscheid tusschen vast en loopend kapitaal, er zich uitredt door den schijn alsof dit verschil den werkman reeds bekend ware, uit een' cursus, dien hij op de handelsschool (bl. 52) had bijgewoond! Voor den Parijschen werkman, die althans in de mogelijkheid is een' zoodanigen cursus bij te wonen, moge dit nog gaan, in eene Hollandsche vertaling klinkt het ongerijmd.

Bij die gebreken in den vorm, waartoe wij vooral ook rekenen den pedanten toon van den professor (zie b.v. blz. 60, 107) en de opgewondene uitroepingen van den werkman, die ons de leerboekjes van den ‘braven Willem’ te binnen bragten, hinderden ons vele sporen van die ver gedrevene eenzijdigheid der Economisten, welke het wezen van den mensch plaatst in zijne geld-voortbrengende kracht en alle eigenschappen beoordeelt naar de renten die ze opbrengen. Het is die ‘étroite et impitoyable Economie politique et sans entrailles,’ waarvan Victor Cousin spreekt in het eerste der straks genoemde ‘Petits Traités.’ De weldadigheid b.v. wordt eerst door eene naauwkeurige berekening van het vóór- en nadeel gewettigd (waarbij professor zelf socialist wordt, p. 9!) en voornamelijk geprezen als middel van politie, ‘die de justitie een deel van hare taak bespaart’ (blz. 11); met de Kunst gaat het niet veel beter (blz. 18); Godsdienst wordt er door eene aanteekening van den Vertaler ingebragt (blz. 73); want het boekje zelf kent slechts eene onverbiddelijke fataliteit, waarbij de werkkring van den menschelijken wil vrij wat beperkter en zijne zedelijke verpligtingen dan ook vrij wat minder worden. Hetgeen op blz. 45, 47, 77, enz., over den toestand der arbeiders en de noodzakelijkheid van zekere rampen gezegd wordt, schijnt ons niet minder cynisch dan hier ter plaatse onhandig.

Er ware in deze soort van litteratuur voor den Vertaler eene gelukkiger keuze te doen geweest.

 

A.P.

prepostterug  begin