[p. 119]
Eene halve-eeuws wake.
I.
Verrukk'lijk was het nachtgezigt!
Omschitterd van een rembrandtsch licht
Hield Hollands Muze hoog gerigt;
Wat naam
En faam
Gaf aan 't verleên,
Toen d'oceaan te kleen
Ons scheen,
Als wachters om haar zetel heen, -
Ter slinke een guit,
Die voor zijn bruid
Van liefdes luit
De kneepjens duidt
En 't mopsjen van de minne ontsluit;
Ter hoog're een grijs,
Wiens stoute wijs
Het paradijs
Gebiedt: ‘Herrijs!’
Of d'englen voorgaat: ‘Eere en prijs!’ -
[p. 120]
En aan haar voet
Den overvloed,
Dien spoed
En moed
Ontschaken doet
Aan noorderijs en zuidergloed;
Zij zelve, - op 't blondgelokt gelaat,
Bij rozen van den dageraad,
Een ernst, die 't schoonst der schoone staat!
II.
Een vast vergeten dichtrendrom
Verscheen,
Verdween,
Of, zag ze ook om,
Niet éénen ruischte 't wellekom;
Geen zucht
Naar hooger zielsgenucht
Had ze aangespoord tot stoute vlugt;
Wat lauwer wast in lage lucht? -
Wie komt? de Muze rijst! En toch
Hij, dien zij wenkt, ducht zinsbedrog;
‘Leeft Holland, leeft Oranje nog?’
Een bange strijd van hoop en vrees,
Hoe God voor beiden 't vonnis wees,
Verscheurt hem, die ten oordeel rees;
[p. 121]
Wat oog
Blijft droog?
Ginds waait de vlag,
Die werelden ons winnen zag:
‘U danke ik 't, dat zij wappren mag!’
En Helmers draagt de burgerkroon,
Hem dus in 't rijk van 't schoon
Geboôn,
Zijn weêrgalooze trouw ten loon!
III.
Wat dichter-schepping voert die wolk?
Een groep, bewondrend aangestaard,
Dewijl zij toonbeeld strekt en tolk
Van vormvoltooijing, d'oudheid waard,
En zielsverheffing uit het stof,
Die christen-kunstzin openbaart;
't Vermeidt zich alles in haar lof;
Zelfs Vondel brengt haar huldeblijk:
‘Wie mag hij zijn, die me overtrof?’ -
Wat vleit ge mij? - zucht Bilderdijk -
Gij hebt in d'ochtend u verheugd,
Wie is in frischheid u gelijk?
Mijn lot was lijden, 'k had geen jeugd; -
't Verval des volks mij vroeg bewust,
Vond ik geen vrede en zong geen vreugd,
[p. 122]
‘Werd kunst mij wapen, strijd mij lust, -
Ik heb geworsteld met mijne eeuw,
Voor mij geen lauwer, - gun mij rust!’
IV.
Een landschap biedt hun blik zich aan:
Hoe 't koeltjen stoeit door 't hooge graan,
Daar rozen
Blozen
Uit die blaên; -
Een beek,
Die ginds 't gebergte ontweek,
Vlecht in 't verschiet haar zilverbleek,
Een klaatrend lint, door 't groen der streek. -
Neig dieper, overeeuwd geboomt!
Naar 't moschbed, dat uw voet omzoomt,
De schâauw voor wie daar dicht en droomt.
Verrassende als dat wolkend schuim
En schittrende als dit zonnig ruim,
Zoo toovert, tintelt, treft zijn luim.
Schuil vrij, als erts,
Zijn scherts
Soms diep,
Toch blijkt ze, als alles wat hij schiep,
Metaal, dat hij te voorschijn riep!
[p. 123]
Zie, Huygens biedt, in Gelders beemd,
't Vernuft waar 't zijn naar zweemt
Niet vreemd,
Den krans, dien hij van 't hoofd zich neemt!
V.
‘Vlecht lauwren en cypressen zaam!’ -
Gebiedt de Muze, - stond zijn blaam
De schennis tegen, die 'k mij schaam,
Zijn trouw
Draag rouw,
‘Zijn cither suss’ -
Wiselius
Beloont ze aldus, -
‘Mijn leed, tot men dien stinkwalm blusch’;
Een priesterschaar
Voor mijn altaar
Wier wierook gaêr,
‘En 't
schoone
en 't
waar
’
Van 't hoog tooneel zich 't volk verklaar!
Hoort, zangster! hoort
Mijn afscheidswoord
En draagt het voort
Van oord tot oord:
Mijn middag heeft nog
niet
gegloord!
[p. 124]
De poëzij
Gaat nooit voorbij,
Houdt gij
U vrij
Van bastaardij
En kerk- of kunstleers slavernij.
Wat nieuwe vorm der wereld beidt,
U geldt nog, 't zij ge juicht of schreit:
‘Onsterflijk maakt de oorspronklijkheid!’
W.D.-s.