‘Vreemde copulatie van titels,’ roept ge misschien. Maar hebt ge in de laatste halve-eeuw niet geleerd, dat ge bij 't lezen van ‘Ridder der Militaire Willems-orde,’ u juist geen zwaar gebaarde behoeft voor te stellen, een reus in physique kracht, een reus in moed, die een batterij vernagelt op kommando, en van literatuur zoo weinig af weet als uw kleerenmaker-kiezer, die de ‘Handwijzer’ spelt, om er de kandidaten van het ‘Geloovig Nederland’ - en dus ook de zijne - uit te leeren kennen?
En bovendien, al bleeft ge uw oude noties getrouw, zou het toch wel uwe verwondering over het koppelen dier beide titels wettigen?
Hoe het echter zij, alles als bestaande, als geldend beschouwende, wat eerstgemelde titel belooft en waartoe hij - brallend als hij is - verpligt, ik voor mij beweer dat hij zeer wel bestaanbaar is met den tweeden, óók aangemerkt als werkelijk te zijn wat hij schijnt.
Een krijgsman, ten minste in ons landje, lijkt wel een beetje ‘een overbodig meubel in de oekonomie van het dagelijksch leven;’ en de meester van de taal - de letterkundige; het eerste en het tweede zijn geen sijnonyma - is thans kostbaar en gezocht als Japansch porselein. ‘Geen wonder dan ook,’ fluistert ge mij toe, ‘dat de degen stomp wordt, dat hij verroest in de scheè en de rechterarm wat verstijft, en beter de parapluie draagt dan het rapier.’
Boosaardige aanmerking, en helaas, niet geheel onwaar! Toch behoef ik, tot de mannelijke jaren geklommen, niet al de reminiscentia mijner jeugd te dooden; toch behoef ik de blinkende epaulet en de roode biezen, die ik altijd zoo fraai vond, niet te minachten; want er zijn dapperen, der bewondering van het vaderland waardig, die de pen hanteren als een stift, om er de daden der vaderen meê te vereeuwigen, en, zoo het moet, den degen zouden zwaaijen tot op den laatsten dijk van Holland.
Of de Schrijver van deze Verhandeling tot de iaatste cathegorie behoort?
Dat hij zijn pen dienstbaar poogt te maken aan de eer en de letterkunde
zijns vaderlands, - het hier gegevene doet het blijken. Of hij echter op déze wijze, en met zijne vormen, zijn doel bereiken zal, ik betwijfel het zeer.
Het algemeene doel zijner Verhandeling is, Vondels kleinere gedichten meer bekend te maken; zijn bijzonder, om zijn werk ‘eenigermate de grootere en pracht-uitgave van Vondels werken, door onzen beroemden Legende-dichter (waarom dat qualificatif?) Meester J. van Lennep ontworpen, mogelijk bevorderlijk te zijn en als het ware ten lootsmannetje te strekken.’
‘Beklagelijk is het, “zegt de letterkundige,” dat veelal de hoofdprodukten van vroegere en latere dichters hunne kleinere werken als overschaduwen, waardoor deze laatste, immers bij het algemeen, minder bekend en beroemd werden. Wie kent onder anderen de kleinere juweelen van het helderste water, ons door Helmers gesshonken?’ Ze worden immers dof geschitterd door den grooten diamant: de Hollandsche Natie?
Welken weg kiest de verhandelaar, om die kleinere gedichten van Vondel bekend te maken? Hij kiest den meest gewone: drukt ze, of schrijft ze over en leest ze voor in een letterkundige vergadering.
Is er aesthetische kritiek bij gevoegd? Worden de schoonheden aangewezen, de redenen waarom ze schoon zijn, aangetoond? We hadden toch zoozeer het regt dit te vorderen, dat we a priori door de zaak-zelve, - de opneming van dit, de weglating van dat vers, - op de gedachten van kritiek werden gebragt. Verre vandaar, zegt de nederige letterkundige, ik vermeet mij niet een oordeel uit te spreken over Vondels werken; ik wil niet lijken op dien vitter Witsen Gysbeek, die den ‘Gijsbrecht van Amstel’ niet wilde erkennen als een dramatisch meesterstuk.
Ridder Verhandelaar! het is goed dat ik gedekt ben met het schild der anonymiteit; ik zou anders, uit vreeze voor uw degenspits, niet durven bekennen, dat ik het met den vitter Witsen Gijsbeek eens ben.
Waar de schrijver echter soms de door hem zelven getrokken grenzen overschrijdt en oordeelen durft, blijkt zijn blik zoo onkritisch, zoo weinig omvattend om door te kunnen dringen tot het wezen der schoonheid, dat we hem ten laatste (voor 't minst zoo we onder zijn gehoor waren geweest) nog dankbaar zijn, dat hij niet naar iets beters, iets hoogers gestreefd heeft.
De dwaasheid van den Schrijver, die dit boekske aan de drukpers en aan de kritiek overgaf, doet hem het harde vonnis, over zijn werk uitgesproken, verdienen.