terug  begin  verderprepost
[p. 390]

Aan den wel edel geboren heer A.J. de Bull, lid der commissie, door den koning benoemd, ter beraming en opgave der middelen tot herstel van het nationaal tooneel.

Wel Edel Geboren Heer!

 

Z.M. heeft eenige letterkundigen den eervollen last opgedragen H.D. rapport uit te brengen over middelen tot herstel van het nationaal tooneel. Dat rapport door u, lid van de Commissie, gesteld, zoo ik meen, zag dezer dagen het licht en verdient ernstige overweging der, helaas! te weinigen, die het Vaderland in deszelfs kunst, taal en letterkunde liefhebben.

De taak der Commissie was voorwaar niet ligt, en ik vraag mijzelven, of niet met de toepassing van het voorgestelde de bezwaren zullen komen.

Het Nederlandsche volk houdt men niet voor bepaald dramatisch; ware het zulks, er zou geene bescherming, geen herstel van het tooneel noodzakelijk zijn, want met het volksbestaan zelf zou het zich innig vereenigd hebben en veilig zou het bloeijen in de gunst der natie. De Hollander bezoekt den schouwburg schaars, stelt er niet veel belang in; wat vertoond wordt zijn dan ook meest jammerlijke vertalingen en, is men billijk, dan zal men toestemmen, dat onze eigenlijk gezegde nationale voorraad beperkt is en het aantal der inderdaad goede stukken - het zij met bescheidenheid aangemerkt - nog beperkter. Nogtans, afgezien van wat de toekomst mag beloven, bezitten wij wel zóó veel goeds en nationaals in het dramatische genre, dat het der moeite waard is dien ten gevalle eene poging aan te wenden ter opbeuring van het tooneel uit den staat van verval, waarin het gezonken ligt; - en worden aan den anderen kant onze schouwburgen door zóó veel slechts uit den vreemde ingenomen, dat het tevens der moeite waard is een muur tegen al die grove kunst op te rigten, aan wier ijverige opvoering onze zedelijkheid, ons Hollandsch bestaan, onze moedertaal en onze goede smaak om strijd worden prijsgegeven.

Na van goede stukken gewaagd te hebben, spreekt het rapport van goede akteurs, en ik ben het met mijzelven niet eens, of deze misschien niet den voorrang hadden gevorderd. Hoe toch zal men de goede stukken, zonder goede akteurs, behoorlijk wedergeven, terwijl een goed akteur in een slecht stuk vaak uitblinkt, ja, zijn talent er eene waarde aan weet te hechten, welke het inderdaad ver is van te bezitten. Goede akteurs! hier zit de zware knoop, schuilt het groote vraagstuk. Hoe zal de Commissie het oplossen? Enkel door nieuwelingen goede stukken te laten spelen vormt men geene tooneelspelers. De opleiding des tooneelspelers - de Commissie weet het - is eene geheel bijzondere, eigenaardige. Daarom ook noemt het rapport zeer juist onder de eerste middelen van herstel: eene opleidingschool, een conservatoire. De vruchten van hetzelve zijn natuurlijk eerst later te plukken, zoodat de tegenwoordige en voorloopige bemoeijingen van meer letterkundigen, afwerenden aard zullen zijn. Behoedzaam afbreken van het tooneel, gelijk het thans bestaat, met behoud van het behoudbare, zoo veel of weinig het zijn moge, - gelijktijdig opbouwen van een nieuw, hetwelk na de sloping van het tegenwoordige onder dak zij, - daarop komt het aan.

[p. 391]

Gaarne had ik uit het rapport iets meer omtrent het plan en de grondslagen vau die opleidingschool vernomen en langs welken weg de Commissie verzekering heeft eene voldoende uitkomst te gemoet te gaan. Wie zullen in die opleidingschool opleiders wezen? Tooneelspelers? Vooral niet! In andere landen leeft de groote tooneelspeler in de overlevering voort; bij ons - het rapport is het daaromtrent met mij eens - is zij verloren, en aanschouwen wij slechts bleeke overdrukken van het spel van Fransche kunstenaars, hier toevallig vroeger of later gastrollen vervuld hebbende, in enkele stukken, welke de directie zich haastte te doen overzetten, waardoor ook al eene voordragt ontstaan is, welke aan den ouden, trouwen Hollandschen tongval zou doen twijfelen. Er dient derhalve gezorgd, dat de heerschende speeltrant geene overlevering worde, of alles is verloren. Werd mijne meening gevorderd, ik zou de vraag opperen, of hier niet met edele opoffering van tijd het individu belangeloos op den voorgrond moet treden, of het talent hier op zijn Hollandsch niet een bodem moet scheppen, waar geen bodem is. Zonder geestdrift - ik weet het - geschiedt zulks niet, wordt niets, dat leeft en voorwaarden van leven bevat, tot stand gebragt, in stand gehouden, maar ik heb reden van de onderstelling uit te gaan, dat zij de Commissie bezielt. Ieder, die zich bewust is het op zekere hoogte in de uiterlijke welsprekendheid gebragt te hebben, beginnne met christelijke ontferming en zelfverloochening zich het kind, dat aanleg heeft, aan te trekken en voor zijne gansche opleiding aansprakelijk te stellen. De letterkunde vat de zaak des tooneels op; door het tooneel zelf kan het tooneel onmogelijk gered worden; de letterkunde neme bij gevolg de lastige taak in haren geheelen omvang op hare schouders, tot zoo lang eene kern van tooneelspelers is daargesteld, die op hare beurt ten kweekschool strekke aan de volgende geslachten. Gij noemt met mij wie het zij aanbevolen. Het geld, voor de onderneming onontbeerlijk, pleegt gemakkelijk zaam te stroomen, waar het er er op aankomt de handen in een te slaan ter bevordering en handhaving des vaderlandschen, niet alleen staatkundigen, maar ook letterkundigen roems, der dramatische-, der tooneelspeelkunst.

Hoe schoon laat zich de daarstelling eener inrigting, gelijk mij al schrijvende meer en meer helder doorschemert in den geest, met het christelijke beginsel eener algemeene menschenlicfde vereenigen, hetwelk in onze dagen, ofschoon van haat en scheuring om Christus wil, zoo hartverheffend veld wint! Hoe de geschikte sujetten gevonden? vraagt men. De letterkundige, de dichter, tevens menschenvriend in de naauwere beteekenis geworden, bezoeke, in overeenstemming met den Direkteur, bepaald met de belangrijke en hoogst moeijelijke zorg, het opsporen van geschikte sujetten, belast, de lagere volksscholen, de weeshuizen, de gestichten van weldadigheid, de gevangenissen voor jeugdige misdadigers, de krochten, waar de arme honger en kou lijdt, en wekke de uitgelezenen ten kunstleven, en doe hen deel nemen aan den overvloedigen disch der kennis, met zoo voedzame spijzen beladen. Gij glimlacht mogelijk, doch zonder persoonlijke moeite, zonder zelfverloochening, opofferingen, geestdrift, komt men er niet.

Niet het minst overkomelijke bezwaar doet zich op, wanneer de gedachte zich tot de onverschilligheid, ja, ik mag vrij zeggen den afkeer wendt, dien een groot deel onzer hoogste standen voor alles, wat Hollandsche taal en Hollandsche letteren betreft, aan den dag legt.

 
't Volk, dat zijn taal versmaadt, is rijp voor slavernij!

zingt S.J. van den Bergh teregt, en Nederland levert bij uitzondering het eenige schouwspel van een volk, welks aristocratie zich de moedertaal ter schande stelt en de volmaaktste onkunde verraadt omtrent de schriften der bekendste landgenooten. Wanneer de eersten des rijks zich in weten en

[p. 392]

handelen door lager geplaatsten zien voorbijgestreefd, die daardoor allengs eene vrij wat billijker aristocratie worden; wanneer van lieverlede de oude huizen uit eigene beweging vervallen en de vlag van hun toren laten halen, kan het niet anders, of de ziel van hem, in wien het vaderlandsch gevoel niet is uitgebluscht, bekruipen gewaarwordingen van spijt en moedeloosheid, en de hoogte metende, waaruit de aanzienlijksten op alles, wat naar hun vaderland riekt, neerzien; vraagt ze zich angstig en bekommerd af, welke smet dan toch wel op Holland kleven mag, dat de edelsten des lands onkundig zijn van wat alle natiën huldigen, van den roem der beschavende letteren, den hoogen dichterroem, waar het karakter des landzaats in spreekt en zich afspiegelt, en het palladium des volksbestaans, de taal, welke iedere zinkende stam als een heilig altaar omvat, versmaden en te gemeen achten voor hunne lippen.

Ik ontveins mijzelven niet, dat, gelijk het rapport aanmerkt, het vulgaire, de afwezigheid van het bestanddeel, dat tact en distinctie pleegt genoemd te worden, in de opvoering van tooneelarbeid eene billijke verontschuldiging zou kunnen wezen, indien niet de onverschilligheid verder ging dan het tooneel, indien het ongelukkig niet tot de beginselen eener hooge opvoeding behoorde zich onkundig te houden - zoo al niet werkelijk te wezen en er voor uit te komen - van het belangrijkste dat er omgaat en voorvalt op het gebied van nationale kunst. Niet alleen dwaas en laf, maar tevens uiterst berispelijk en jammer, want aan het hoofd ook van kunst en wetenschap behooren zich de aanzienljksten te scharen; zij behooren den tooneeldichter, den tooneelspeler aan te moedigen, voor te gaan, beiden tot voorbeeld te strekken, van hen de kunstenaars fijne manieren, bevallige houding, aangename stembuiging, goeden toon af te zien en af te luisteren. Weigeren de voornaamsten met geweld langer Hollanders te wezen, volharden zij in hunne gebrekkige vermomming, liever dan door te gaan waarvoor de Schepper hen in de wieg legde, welaan dan! zij mogen het spoor volgen des Engelschen adels, gezind - maar dan ook ten volle berekend, dat is: door eene voortreffelijke en vrijzinnige opvoeding ontwikkeld - zich bij alle grootsche ondernemingen vooraan te stellen en den roem des lands, in welk vak het zij, ten nutte des algemeens krachtig uit te breiden en te doen gelden. Op deze wijze zullen zij, in hunne eigene netten gevangen, door zucht tot nabootsing waardiglijk de plaats beslaan, welke hun toekomt en hun door niemand minder dan door mij wordt betwist.

Maar hoe in dien deerniswaardigen geest van het oogenblik verandering gebragt, hoe de hooge standen naar den schouwburg, den Hollandschen namelijk, gedwongen? Ik verbeeld mij, dat er slechts één middel, maar dan ook een afdoend, zijn zou: de mode door de mode te bestrijden. Het Hollandsch worde fatsoenlijk geoordeeld, gelijk thans het Fransch en het Engelsch. Doch de uitvoering van dat middel ligt in de hand van slechts een enkel man: van den koning. Geen individu, geene associatie vermag hier het minste; van hem slechts, wiens blik de grooten volgen, kome de nationale impulsie; Z.M. stelle zich aan het hoofd eener algemeen Hollandsche letterkundige beweging! Sommigen klagen, dat eene Grondwet des Konings voorregten fnuikt en zijn gezag de vleugels kort; wanneer de vorst echter, gelijk Willem III er zich toe geroepen blijkt te gevoelen, een zegenenden scepter uitstrekt over de kunsten des vredes, over landbouw en letteren, is de troon nog niet tot een ondergeschikten zetel vernederd en omstraalt haar een edele glans.

Ik vici mij door dezen brief in den geest van het rapport te hebben gehandeld, en heb de eer mij met hoogachting te teekenen,

UwEd. Geb. Dw. Dienaar,

J. KNEPPELHOUT.

prepostterug  begin  verder