terug  begin  verderprepost
[p. 393]

De Grieksche Schouwburg.

Iets nieuws te geven is niet het doel dezer regelen. Ook ware dit ondoenlijk zonder opzettelijke, langdurige studie der monumenten, zonder eene rijke ondervinding der praktijk van het Tooneel. Maar allerwege begint de belangstelling in onze Dramatische Poëzij te ontwaken, begint ons Tooneel de oplettendheid gaande te maken; en moge al veel te wenschen overblijven, een merkbare vooruitgang valt niet te ontkennen.

Door die verhoogde belangstelling in 't geen het Tooneel betreft gevoelde ik mij nog meer dan te voren opgewekt tot het behandelen van een onderwerp, ook buitendien niet van alle belang ontbloot, en terwijl het vast staat, dat de Dramatische Poëzij van de Grieken is uitgegaan, wenschte ik eene populaire voorstelling te geven van hetgeen tot nog toe omtrent den Griekschen Schouwburg bekend is geworden, in de hoop, dat het grootere publiek eer nu dan anders aan dit onderwerp zijne aandacht zal schenken.

Evenwel moest zulk eene voorstelling, dacht mij, niet ongemotiveerd zijn. Die motiven in den tekst op te nemen, zoo als ik gewenscht had, bleek om verschillende redenen minder raadzaam. Zoo dus enkele mijner lezers de gronden der hier ontwikkelde voorstelling wenschen te kennen, moet ik hen op de noten verwijzen; het grooter aantal zal, naar ik vrees, alleen eenig belang stellen in de vergelijking tusschen den Griekschen Schouwburg en den onzen.

Eene heldere voorstelling van onzen Schouwburg, met

[p. 394]

achtereenvolgende wijziging in bijzonderheden en proportiën, is wel het beste middel om tot een algemeen denkbeeld van den Griekschen te komen; het ware dan, dat men zeer uitgebreide plaatwerken te hulp kan nemen1. Evenwel is het verschil tusschen beiden zeer in het oog loopend. De hedendaagsche toeschouwer treedt in eene betrekkelijk kleine, overdekte, kunstmatig verlichte ruimte, die veel overeenkomst heeft met eenen ontzaggelijk grooten, eironden, naar de lengte doorgesneden koker, dien breede, tot leuningen dienende gordels in een beperkt aantal rangen verdeelen, terwijl ook op het grondvlak, den bak, zitplaatsen voor toeschouwers zijn aangebragt; de platte kant van het eirond wordt ingenomen door de neêrgelaten gordijn, welke slechts door eene smalle tusschenruimte van den bak gescheiden is. Deze tusschenruimte bestaat uit twee smalle, evenwijdig naast elkaar gelegene strooken; de eene, gelijkvloers met den bak, bevat het Orkest en strekt zich regts en links tot aan de rangen uit; de andere, waar de loge van den souffleur en de voetlichten zijn, bevindt zich ter hoogte van het overige tooneel en is daarvan slechts gescheiden, zoolang de gordijn niet is opgehaald.

Terwijl nu de hedendaagsche toeschouwer, door het ophalen der gordijn, eene vrij diepe, maar niet zeer breede ruimte overziet, welke hem perspectivisch de vereischte voorstellingen aanbiedt, werd bij de Grieken eene geheel andere handelwijs gevolgd; ja, zij zouden de onze onbruikbaar hebben geacht, daar zij van de hulpmiddelen der perspectivische schilderkunst verstoken zijn. Het Grieksche tooneel in engeren zin heeft veel overeenkomst met die smalle strook, welke bij ons de neêrgelaten gordijn aan het gezigt openlaat; hare afmetingen, overeenkomstig die van het gansche ontzaggelijke gebouw, waren veel grooter, maar haar vorm bleef dezelfde. Het Grieksche tooneel was dus enkel op één plan, en de acteurs, die slechts in zeer gering aantal daarop voorkwamen, maakten, volgens de treffende uitdrukking van Stuart2, min of meer het effect van een relief: zij stonden naast elkaar, niet vóór elkaar.

Gelijk hierdoor reeds eenigzins blijkt, zochten de Grieken op hun Tooneel meer een krachtigen, blijvenden, scherp afgebakenden dan een juist in elk opzigt schoonen indruk te weeg te brengen; of liever, in hun oog was zulk een indruk de onmisbare eigenschap van het Schoone. Ik zal

[p. 395]

op deze manier van beschouwing met een enkel woord moeten terugkomen bij het bespreken van de maskers, van het aantal der acteurs en het gebruik der ingangen tot het tooneel; thans zij het genoeg te zeggen, dat zij drie in getal waren: namelijk die, welke toegang verleenden tot het tooneel in engeren zin3, de zoo even geschetste smalle strook, en aangebragt waren in eene heining of houten beschot, dat gedecoreerd was en de plaats van het schutdoek verving.

Vóór de pas beschrevene smalle strook, die het tooneel vormde, en ter hoogte van 10 tot 12 voet was opgetrokken4, bevindt zich in onzen Schouwburg eene andere, die voor het Orkest dient. Ook zij was in het Grieksche Tooneel aanwezig, maar strekte zich ter wederzijde voorbij de zitplaatsen uit en liep ineen met de ruimte van den hedendaagschen bak; zij diende voor het dansen van het Koor, aan welke omstandigheid zij haren naam Orchestra5 te danken heeft, waarvan ons ‘Orkest’ eene verbastering is. Een deel althans der Orchestra was uitsluitend voor het Koor en bij enkele gelegenheden ook voor de eigenlijke acteurs bestemd; het gevoelen van sommige geleerden, dat een ander deel aan sommige bevoorregte toeschouwers zou hebben open gestaan, steunt voor den tijd der drie groote Tragici althans op geene afdoende gronden, schoon ook het tegendeel niet regtstreeks bewezen kan worden.

In het midden der Orchestra stond de Thymele6, aanvankelijk, naar het schijnt, het altaar van den God Dionysos of Bakchos, uit wiens feesten de Tragoedie zich ontwikkeld had. Toen tijdens den grootsten bloei van het Treurspel het Koor bijzaak was geworden, en Aeschylos, gelijk Aristoteles7 zegt, aan de zamenspraak den eersten rang had gegeven, werd de Thymele verschillend gedecoreerd, b.v. als Agamemnons grafheuvel in 't begin der Offerplengsters van Aeschylos, als heuvel in zijne Smeekelingen, welligt als tempel in de Andromache van Euripides. De Thymele lag niet juist in het midden der Orchestra, maar wel juist in het snijpunt van twee wegen, die regts en links van de zitplaatsen toegang van buiten tot de Orchestra verleenden; van daar ziet het Koor, omstreeks de Thymele geschaard, al dezulken het eerst, die door deze ingangen het tooneel betreden8.

In onze Schouwburgen, waar de rangen loodregt boven elkander geplaatst zijn, zou reeds dit verhinderen, den bak

[p. 396]

als tooneel te gebruiken, daar wij dan, gelijk zelfs nu met den laatsten rang het geval is, de acteurs op het hoofd zouden zien. Maar bij den Griekschen Schouwburg bestond die moeilijkheid niet, omdat reeds andere redenen eenen geheel verschillenden bouwtrant eischten. In stede van weinige loodregt boven elkaar gelegene rangen hadden de Grieken vele schuins oploopende rijen van zitplaatsen, maar amphitheatersgewijs9, behalve dat zij zich niet in eenen halfkring, maar in een grooter segment ter wederszijden van de Orchestra uitstrekten. De Grieksche Schouwburgen hadden dus nog meer plaats noodig dan zij volgens onzen bouwtrant zouden geëischt hebben; maar zelfs in dat geval zouden zij ontzaggelijk geweest zijn, daar zij soms voor 30,000 toeschouwers moesten dienen. Volgens de Grieksche constructie werden zij nu naar boven toe al breeder en breeder, zoodat het ondoenlijk scheen ze te overdekken: zulks geschiedde alleen met het Odeon of Concertzaal, dat overigens bijna evenzoo, maar op kleinere schaal, werd ingerigt, en wel om redenen aan de Akustiek ontleend. Alleen in den weelderigen Keizertijd overdekten de Romeinen ze met ontzaggelijke velaria of zeildoeken, gelijk zelfs hunne nog grootere amphitheatra.

Het laat zich ligt begrijpen, dat zoodanige inrigting stevige fundamenten voor de zitplaatsen vordert, en wat meer is, een krachtig steunpunt voor de hoogere rijen. De Grieken, wier steden bijna allen in de nabijheid van bergen gebouwd waren, bezigden daartoe heuvels, waarin de zitplaatsen werden uitgehouwen, gelijk b.v. te Athene de zuidelijke helling van de rots, waarop de Burg of Akropolis stond. Te Chaeronea en op vele andere plaatsen, waar de rots niet groot genoeg was, had men een gedeelte der zitplaatsen door het ophoogen van de rots met metselwerk geschraagd; bestond de heuvel alleen uit aarde, dan werden er marmeren zitplaatsen op aangebragt. De eenige tot nog toe bekende Schouwburgen in eene volstrekte vlakte zijn die te Arabi Hissar (het oude Alabanda in Phrygië), te Mantinea en te Megalopolis; hier had men te dien einde eenen kunstmatigen heuvel aangebragt, kunstmatig, zoo als het gansche bestaan dezer schepping van Epaminondas11.

De geheele voor de toeschouwers bestemde ruimte noemden de Grieken de Holte12; zij werd in twee of meer strooken verdeeld door breede evenwijdige gangen13, en deze

[p. 397]

door trappen in wigvormige stukken, die ook onder den naam van wiggen14 bekend zijn: in de hoogere strooken werden de wiggen bovendien nog doorsneden door andere, tusschen de eersten gelegene trappen, welke niet naar beneden doorliepen. Waarschijnlijk hadden de verschillende ‘wiggen’ eene afzonderlijke bestemming15; zeker is dat ze als rangen dienden, en dat de toeschouwers merken ontvingen, waarop uitgedrukt was, in welke ‘wig’ zij zouden zitten16. De bovenste plaatsen werden voor de minsten gehouden, zoo als te verwachten was; de veertien rijen voor de Romeinsche ridders, welke hun de volkstribuun L. Roscius Otho als eereplaats toewees17, waren de eerste veertien in elke ‘wig’; de Senatoren zaten in de Orchestra.

In acht gehouden het boven gezegde, weten wij thans, dat de Grieksche Schouwburg, in tegenstelling van den onzen, bestaat uit eene ontzaggelijk groote, niet overdekte, natuurlijk verlichte18 ruimte, die zich amphitheatersgewijs rondom de kringvormige Orchestra uitstrekt, welke voor het Koor is ingerigt en in de Thymele haar (schoon niet mathematisch) middelpunt heeft; achter de Orchestra verheft zich het eigenlijk tooneel, naast hetwelk men van buiten in de Orchestra kan komen; het tooneel is zeer breed, breeder dan de ruimte die door de toeschouwers kan worden gezien, en zeer ondiep; het wordt beperkt door een beschot, waarin drie deuren zijn aangebragt.

Bij het nader doorloopen van den Schouwburg komen het eerst deze deuren en haar gebruik in aanmerking19. Zij waren eigenlijk vijf in getal; drie werden door de toeschouwers gezien; zij hadden eene bepaalde beteekenis, van wie wij thans alleen weten, dat de middelste deur tot de woning van den hoofdpersoon leidde; omtrent de beide anderen is niets zekers te bepalen20. Regts en links van deze drie waren nog twee andere deuren in dat gedeelte der strook, hetwelk voor de toeschouwers onzigtbaar was; of zij in het beschot zelf, of, gelijk onze coulissen, van ter zijde waren aangebragt, is niet uitgemaakt. Deze beide deuren werden gebezigd om het Tooneel te doen veranderen; zulks gesschiedde door middel van twee Periakten21, groote, driehoekige prismas, van dezelfde hoogte als het beschot: waarschijnlijk waren die Periakten juist op de grens van het bedekte en het zigtbare gedeelte des tooneels, dat dus begrensd werd door het beschot en de Periakten, welke met dit beschot

[p. 398]

eenen stompen hock vormden en de plaats van onze coulissen innamen.

Ik zeide: om het Tooneel te doen veranderen. Immers de Fransche dichters mogen uit Aristoteles22 hebben opgemaakt, dat er eenheid van plaats bestond, maar uit de Grieksche Tooneeldichters zelven blijkt het tegendeel. De Eumeniden van Aeschylos zijn wel het duidelijkste, maar niet het eenige voorbeeld, dat het Tooneel veranderd werd; ook in den Aiax, den Koning Oedipus, de Trachiniae van Sophokles is zulks mogelijk of waarschijnlijk, gelijk bij Aristophanes in de Acharnensen, de Ridders, den Vrede en de Kikkers. Voor de eenheid van plaats wordt niet eens autoriteit opgegeven, terwijl de eenheid van tijd elk oogenblik wordt overtreden, en slechts de eenheid van handeling noodzakelijk is; deze echter is de hoeksteen van het Treurspel23.

Gelijk de Grieksche toeschouwer door middel dier ingangen reeds terstond eenigermate voorbereid was op de binnentredende personen en den aard van het tooneel, dat geene affiche hem aanduidde, evenzeer had ieder der acteurs eene veel scherper begrensde, schoon meer uitgebreide rol, dan bij ons het geval is. Om finantiele redenen hadden de Grieken nooit meer dan drie acteurs24, die allengs, de eerste door Thespis, de tweede door Aeschylos, de derde door Sophokles zijn ingevoerd; Aeschylos gebruikte in zijne laatste stukken ook drie acteurs, en vrouwenrollen werden door verkleede manspersonen gespeeld25. De rollen, zonder onderscheid, verdeelde men in die van den eersten, tweeden en derden acteur26; de beide laatsten speelden meerdere rollen in hetzelfde stuk, dikwerf ook de eerste, b.v. in den Agamemnon van Aeschylos, de Antigone van Sophokles, de Andromache van Euripides. Dit was een nadeel tegenover ons Tooneel; echter vermeed men daardoor grootendeels het slecht ondersteunen van goede acteurs, dat bij ons zoo hinderlijk kan wezen. Er waren dus nooit meer dan drie eigenlijke acteurs op het tooneel, en het Koor beneden in de Orchestra (den bak); vandaar dat de Grieksche toeschouwer het tooneel beter overzien, het stuk beter volgen en eerder onthouden kon, dan bij ons.

Nog om eene andere reden was het waarnemen van vele rollen door denzelfden acteur niet zoo hinderlijk als men in het eerst zou denken, om het dragen van maskers. Diegenen, welke de maskers als eene nog veel ergere onnatuur-

[p. 399]

lijkheid uitkrijten of allerlei schijngronden voor hun gebruik verzinnen, mogen het antwoord zoeken op de eenvoudige vraag, hoe men aan 30,000 toeschouwers het fijne spel der gebaren kon zigtbaar maken, over wiens gemis zij klagen27. Zulk eene menigte menschen had wel het meest aan maskers, op welke enkele hoofdtrekken der karakters sterk uitkwamen; daarbij kon men de acteurs nu en dan van masker doen veranderen, gelijk de Koning Oedipus bij Sophokles van masker verandert, en terug komt met een, 't welk aanduidt, dat hij zich de oogen heeft uitgestoken28.

Bij nadere bijzonderheden omtrent costuum en machinerie stil te staan, laat mijn bestek niet toe; ook zou ik hier slecht vergelijkingen met het hedendaagsche Tooneel weten te maken. Alleen dit verdient opmerking, dat de Grieken zelven het overdreven deftige costuum van den tragischen acteur allerbelagchelijkst vonden. Lucianus, de spotter, bleef hier niet achterlijk; hij zegt29: ‘een akelig en schrikwekkend figuur is zulk een mensch, die tot een onnatuurlijke lengte is gefatsoeneerd, steltloopende op hooge schoenen, met een masker, dat boven zijn hoofd reikt en een grooten gaper, alsof hij 't Publiek wilde opeten: ik spreek niet eens van die borststukken en buikstukken; daarmede heeft hij zich eene vreemde en kunstmatige dikte aangepast, omdat hij het onnatuurlijke van zijne lengte zou verraden als hij te dun was; daar zit hij dan binnen in te schreeuwen.’ De goede lieden van Hispalis (het tegenwoordige Sevilla) waren ook met zulke monsters niet gediend; immers Philostratos verhaalt, bij gelegenheid dat een tragisch acteur te Hispalis op het tooneel kwam: ‘zij waren bang voor hem reeds zoolang hij stil op het tooneel was, omdat hij zwaar stapte en zoo groot een gaper had, en op zoo hooge schoenen liep en zulke toovenaarskleêren aanhad; daarom waren ze niet zonder vrees voor die vertooning; maar toen hij al gapende zijne stem verhief en begon te spreken, toen sloegen de meesten op de vlugt, als waren ze door een daemon b........’ Welstaanshalve voor Philostratos, die zestien honderd jaar dood is, schrijf ik het laatste woord niet voluit.

Zoo het tragische costuum al belagchelijk was, nog veel meer was dit het komische, dat opzettelijk er voor was ingerigt. Belagchelijke maskers zijn in vrij grooten getale in afbeeldingen tot ons gekomen: wat zullen eerst die men-

[p. 400]

schen geweest zijn, die Aristophanes althans gedeeltelijk als kolossale Vogels, Wespen, Kikkers, ja als Wolken had toegetakeld; zijn valsche Artabas, die als één groot oog opkwam; de bijzit van Kratinos, die verleidelijke Flesch, die hem zijne echtgenoot de Poëzij ontrouw maakte, en diens koor uit louter honderdoogige Argussen zaamgesteld; de steden, die het koor van Eupolis vormden, en wie weet hoevelen nog bovendien.

Van het tooneel in engeren zin afdalende, komen wij in de Orchestra, eigenlijk de standplaats van het Koor, schoon dikwerf ook de acteurs er speelden, gelijk mij dunkt dat in de meeste stukken van Aeschylos moet worden aangenomen. Het aantal der Choreuten is vier en twintig voor de Komoedie; dat van het Tragische Koor is moeijelijker te bepalen: het schijnt aanvankelijk twaalf geweest te zijn, maar onze berigten hebben betrekking op een Koor van vijftien leden30. Het Koor kwam van ter zijde op de Orchestra, meestal ter linkerhand der acteurs, omdat het veelal uit inboorlingen bestond; vandaar dat de derde plaats ter linkerhand de plaats van den eersten Choreut was, omdat het Koor naar de toeschouwers front maakte, wanneer het zich op zijne gewone standplaats bij de Thymele bevond; van hier uit droeg het Koor der Komoedie de Parabasis of uitweiding voor, een deel van het Blijspel, dat met het stuk overigens niets te maken had en diende om Atheensche burgers en Atheensche staatszaken te hekelen, althans zoolang de Oude Komoedie in wezen was, en men straffeloos van iedereen zelfs het ergste kon zeggen.

Het volledige Treurspel heeft geene aesthetische behoefte aan een Koor, ja de goede Euripides had zeer veel moeite om het niet regtstreeks in strijd met zijne Tragoedie te brengen; zijne Koorgezangen staan niet of naauwelijks in betrekking tot zijn stuk. Evenwel hebben sommigen, natuurlijk zonder gevolg, naar de aesthetische reden van het Koor gezocht, of liever, zij hebben zulke min of meer schoonschijnende redenen verzonnen. Het bestaan van het Koor in de Grieksche Tragoedie heeft slechts eene historische, maar alles afdoende reden: Dionysos (Bacchus) werd oorspronkelijk met Koren vereerd; nu mag de aard der vereering in alle opzigten gewijzigd worden, maar de hoofdzaak, de grondvorm, het Koor in één woord, mag niet worden opgeheven.

[p. 401]

Om diezelfde reden was dan ook het Koor de hoofdzaak bij het geven der Tragoedie; de Komoedie werd veel minder geacht. De kosten voor het Koor werden bij wijze van corvée31 beurtelings door ieder der tien Atheensche stammen voor den staat, en wederom voor elken stam beurtelings door een zijner rijkste leden gedragen, deze kleedde en onderhield het Koor, zorgde dat het voor de vertooning werd onderrigt, en nam zelf de leiding op zich; als zoodanig heette hij Koorleider32. De archon33 wees de voorhanden Koren naar willekeur aan de Treurspeldichters toe, die er om vroegen; alsdan werd het Koor onderrigt door eenen Koormeester, dien de Koorleider bij het lot kreeg en zelf betaalde; wat de acteurs betreft, deze onderrigtten de dichters of zelven of door eenen anderen Tragoedie- of Komoediemeester34, zoo als Aristophanes in zijne eerste stukken deed. Somtijds kozen zij hiertoe, gelijk Aristophanes35, hunne naaste bloedverwanten, om hen langs dien weg bekend te maken, want de Koorleider en zijn stam werden met den krans beloond, de dichter alleen als Meester, en zoo dit een ander was, ontving deze den prijs en niet de dichter, wiens particuliere verdiensten men dan achtte tot den staat in geenerlei betrekking te staan36.

Ten slotte moet ik op nog een ander hoofdpunt opmerkzaam maken, waarin het Grieksche en het hedendaagsche Tooneel onderscheiden zijn; de Grieken namelijk, althans de Atheners, speelden slechts viermaal in het jaar, op de verschillende feesten van Bakchos, op de kleine Dionysiën, de Lenaeën, de Anthesteriën en de groote Dionysiën, in onze maanden December, Januarij, Februarij en Maart37. Zelfs die weinige keeren werden niet altijd nieuwe stukken toegelaten: op de kleine Dionysiën, die in de dorpen van Attika en in de afzonderlijke wijken van Athene gevierd werden, speelde men alleen oude Treurspelen, op de Lenaeën oude en nieuwe, en op de groote Dionysiën alleen nieuwe; op de Anthesteriën gaf men alleen Komoedies, die bij de Lenaeën als hoofdzaak na de Tragoedies, en bij de kleine en groote Dionysiën vóór deze gespeeld werden38. Dat de nieuwe stukken te Athene bij wijze van wedstrijd gespeeld werden, althans op de Lenaeën en de groote Dionysiën, en wel zoo, dat elk blijspeldichter met eene Komoedie, elk treurspeldichter met drie Tragoedies en meestal, zoo niet altijd, met een satyrisch stuk optrad, is algemeen bekend;

[p. 402]

waarschijnlijk wedijverden althans op de groote Dionysiën vijf Comici en vijf Tragici39. De stukken werden dan binnen eenige weinige dagen afgespeeld, waardoor het geheel wel eenigermate naar den trant onzer hedendaagsche Kermissen overhelde, behalve dat men veel levendiger deel er aan nam. Gesteld zelfs, wat niet waarschijnlijk is, dat op de groote Dionysiën de godsdienstige aard van het feest de uitgelaten vreugde der Atheners binnen zekere perken hield, bij de kleine Dionysiën althans ging het soms wild toe, en dáár moet gebeurd zijn, wat Demosthenes40 onmeêdoogend en buiten alle decorum aan zijne tegenpartij Aeschines herinnert: ‘jij hebt gedanst, en ik was Koorleider. Jij waart derde acteur, en ik was toeschouwer. Jij werd uitgefloten, en ik heb meêgedaan,’ en elders: ‘diezelfde Oenomaos, dien jij te Kolyttos’ (de gemeene buurt in Athene) ‘zoo slecht gespeeld hebt, toen ge zooveel slaag hebt gehad.’

 

In bovenstaande regelen heb ik getracht, althans een oppervlakkig denkbeeld te geven van den Griekschen Schouwburg en ter loops ook van het Grieksche Tooneel in ruimeren zin. Het onzekere van vele bijzonderheden, waardoor reeds hier de discussie, schoon tot het allernoodzaaklijkste beperkt, zooveel plaats heeft ingenomen, maakt het mij voor het oogenblik onmogelijk verdere bijzonderheden aan de lezers van dit Tijdschrift mede te deelen, immers wanneer ik die, gelijk bij betwistbare quaesties pligt is, niet zonder de gronden mijner gezegden wil opgeven. Moge hetgeen die mededeeling toeliet niet alle belangstelling onwaardig gekeurd worden.

 

Leyden, 15 Aug. 1851.

e.j. kiehl.

1Zie bladz. 394. Eene uitvoerige afbeelding en beschrijving, zoo van de voorstelling, die men zich thans van den Griekschen Schouwburg maakt, als van sommige belangrijke ruïnes, vindt men bij Stuart and Revett, Antiquities of Athens, enz. In IV Voll. fol., London, Priestley and Whale, 1830. Vol. IV. (als supplement bijgevoegd door Donaldson) p. 33 ff., maar zelfs in dit prachtwerk valt terstond in het oog, hoe weinig nog voor dit onderwerp gedaan is. Een ruw denkbeeld, dat echter een goed overzigt verschaft, kan men zich vormen uit de beschrijving en platen in Pompeii (Library of entertaining Knowledge). In II. Voll. 8 min. London, Ch. Knight, 1831. Vol. I. Ch. viii, Theatres, p. 211-281); het schaadt niet, dat deze laatste afbeeldingen den Romeinschen Schouwburg betreffen, die in bijzonderheden van den Griekschen afwijkt; immers zoo men zich ook van deze rekenschap wil geven, behoeft men eigen studie en uitvoerige afbeeldingen: onder deze verdienen genoemd te worden de volledige, schoon min of meer verouderde bij Hirt, Geschichte der Baukunst bei den Alten. In III Bden, 4o. 17 Bd. mit 8 Tafeln, 1821; II mit 7 T. 1822, III mit 18 T. 1827. Berlin, Reimer. Bd. III. ii. Der Theaterbau, S. 79-115.
2Zie blz. 394. Zoowel tijdsgebrek als de enge grens van mijn tegenwoordig doel, beperkten zeer het getal mijner bronnen. De voornaamste van dezen is Geppert, die altgriechische Bühne, mit sechs (weinig voor mijn tegenwoordig doel beduidende) Tafeln antiker Münzen und Vasengemälde. 8o. Leipzig, T.O. Weigel, 1843. - Otfried Müller, Geschichte der Gr. Literatur, II Bde. 8o. Breslau, J. Max u.C., 1841, geeft in korte trekken eene levendige en aangename voorstelling (II. xxi en xxii, bl. 22-77); uitvoerig en met opgave van bronnen is Bernhardy, Grundriss der Gr. Litteratur, II Theile, 8o. Erster T. 1836, Zweiter T. Geschichte der Gr. Poesie. Halle, E. Anton, 1845. II. § 114, S. 617-671. Bijna volledig staan de plaatsen bij G.C.W. Schneider, das Attische Theaterwesen, mit einer (schlechten) Abbildung, kl. 8o. Weimar, W. Hoffmann, 1835, een goed Collectaneum, 't welk door Geppert en Bernhardy nog niet volledig is verwerkt; de eerste is vooral daarom van zooveel belang, omdat bij zijn werk schreef kort na de opvoering der Antigone van Sophokles, te Berlijn, op antieke wijze; hij had het oppertoezigt over de toebereidselen, en kent dus de quaestie van hare meest praktische zijde. Regels voor het bouwen van den zoo Griekschen als Romeinschen Schouwburg gaf tijdens Augustus M. Vitruvius Pollio, de Architectura, V. 3, 5, 10 (hier aangebaald naar de uitgave van Tauchnitz, 1836); hij schreef later dan de stichting der meeste nog bestaande monumenten, in wie men dus zijne regels slechts ten deele terug vindt. Eene uitvoerige nomenclatuur, maar niets meer, geeft een geschrift uit de tweede eeuw na onze jaartelling, het 'Ονομαστιϰόν van Iulius Pollux, IV. xv-xx, 106-155 (Ed. Hemsterhuis, II. d. fol., Amsterdam, Wetstein, 1706); buitendien leveren Grammatici, Lexikographen en Scholiasten op de Scenici eene ruime oogst van verspreide berigten; het meest leert men uit die dichters zelven op die plaatsen, welke als voorbeelden voor deze of gene regel kunnen strekken.
3Zie blz. 395. Σϰηνή, προσϰήνιον, ὀϰρίβας of λογεῖον, in den Romeinschen Schouwburg proscenium en pulpitum. Deze woorden uit elkander te houden is uiterst moeijelijk. Geppert geeft als slotsom van een onderzoek over προσϰήνιον op, dat het tooneel ten tijde der drie groote Tragici (500-400 v. Chr.) alleen uit σϰηνή en ὀϰρίβαςτ (= λογεῖον?) bestond, bl. 99, 119; dat προσϰήνιον ten tijde van Menander (343-291 v. Chr.) en de nieuwere Komoedie de gordijn beteekent, die toen in zwang kwam, terwijl nog later προσϰήνιον den voorgrond der σϰηνή, en λογεῖον een deel van het προσϰήνιον zou aanwijzen (bl. 119, 120). Het tweede deel zijner onderstelling schijnt zeer gegrond; Duris van Samos bij Ath. XII. 50, p. 536: (Tauchn. 1834) γιγνομένων δὲ τῶν Δημητρίων Ἀθήνησιν ἐγράΦετο (Demetrios Poliorketes, 337-284 v. Chr.) ἐπὶ τοῦ προσϰηνίου ἐπὶ τῆςτ οἰϰουένηςτ ὀχούμενοςτ. Ath. XIII. p. 587: ἈντιΦάνηςτ δ᾽ ἐν τῷ περὶ ἑταιρῶν προσϰήνιον, Φησὶν, ἐπεϰαλεῖτο ἡ Νάννιον, ὅτι πρόσωπόν τε ἀστεῖον εῖχε, ϰαὶ ἐχρῆτο χρνσίοιςτ ϰαί ἱματίοιςτ πολυτέλεσι, ἐϰδῦσα δὲ ἦν αἰσχροτάτη, hoewel hieruit verder niets met zekerheid blijkt, dan dat Nannion den bijnaam προσϰήνιον droeg. Suid. (Ed. Porti, Colon. Allobr. 1619) προσϰήνιον: - τὸ πρὸ τῆςτ σϰηνῆςτ παραπέτασμα. ἡ δὲ τύχη, παρελϰομένη τὴν πρόΦασιν ϰαθάπερ [ἐπὶ] προσϰήνιον, παρεγύμνωσε τὰςτ ὰληθεῖςτ ἐπινοίαςτ. Het woord ἐπί wordt teregt door Schneider verworpen. Ook het derde punt, dat προσϰήνιον later de voorgrond was, schijnt zeker: L. Anicius, de overwinnaar van koning Gentius van Illyrië (167 v. Chr.), volgens Πολύβιος ἐν τῇ τριαϰοττῇ bij Ath. XIV. 4, p. 615: σϰηνὴν ϰατασϰευάσας μεγίστην ἐν τῷ ϰἰρϰῳ, πρώτους εἰσῆγεω αὐλήτας ἅμα πάντας .. τούτους δὲ στήσας ἐπὶ τὸ προσϰήνιον, μετὰ τοῦ χοροῦ αὐλεῖν ἐϰέλευεν ἅμα πάντας. Meer zwarigheden ontmoet men bij het eerste punt. Gepperts gevoelen steunt alleen op Isidor. Origg. XVIII. 43: ‘scena autem erat locus infra (?) theatrum in modum domus instructa cum pulpito,’ Suid op σϰηνή: - σϰηνή ἐστιν ἡ μέση θύρα τοῡ θεάτρου ϰτἑ., en Etym. M. op σϰηνή (na στάδιον): - ἔστιν ἡ μέση θύρα τοῦ θεάτρου.... ϰαὶ ἵνα σαΦέστερον ε᾽ίπω (!) σϰηωὴ ἡ μετὰ τὴν σϰηνὴν εὐθύς
 (Ed. Sylburg, Commel. 1594); waarmede hij waarschijnlijk meent: ‘het tooneel is terstond vóór de σϰηνή, ‘het beschot’; hij zegt μετά
 wijl hij terugtelt. Geppert zegt nergens uitdrukkelijk, wat hij onder σϰηνή verstaat; hij schijnt echter datgene te bedoelen, wat wij thans in engeren zin tooneel noemen, gelijk het woord ook later steeds bij Vitruvius, V. 3-10 (vgl. Plato, Legg. VII. 817 C), gebruikt werd. De zwarigheid zou verdwijnen, indien cr autoriteiten waren, om met O. Müller (L.G. II. xxii. S. 49) en Donaldson (Stuart, IV. p. 42) aan te nemen, dat σϰηνή oorspronkelijk het houten beschot achter het tooneel beteekent; dan ware προσϰήνιον, volgens hen, het tooneel zelf, of liever, volgens Hirt (Gesch. der Bauk. III. ii. S. 100) de geheele smalle strook die zich regts en links tot voorbij de zitplaatsen uitstrekte, en λογεῖον (ὀϰρίβας) het deel van hetzelve dat voor de toeschouwers zigtbaar was, het eigenlijke tooneel. Ongelukkig, en dit is de grootste zwarigheid bij het behandelen van dit onderwerp, geeft ieder geleerde veel meer als stellig op dan inderdaad stellig is, en wel in die mate dat ik zeer vrees zelf het tegenwoordige stuk van die fout niet geheel te kunnen bevrijden. De verwarring klimt ten top, wanneer Geppert op zijne voornaamste plaats omtrent het woord σϰηνή (bl. 98 vlg.), m.i. in tegenspraak met zijn gansch overig gebruik van dit woord, dus spreekt: ‘im Scenengebäude werden uns hauptsächlich vier Theile genannt: 1) Die Scene selbst, worunter man im engeren Sinne des Wortes die Hinterwand mit den Periakten verstand, also’ (NB.) ‘denjenigen Ort, welcher durch die Decoration ein wechselndes Ansehn erhielt, und im weiteren auch den Okribas oder das Logeion, d.h. der vordere Theil der Scene’ (hier dus reeds in de derde beteekenis in denzelfden volzin) ‘auf den die Schauspieler und Redner hervortraten, wenn sie überall gut gehört und gesehn sein wollten’ (fraaije restrictie) ‘den man denn auch in späterer Zeit das Proskenion zu nennen pflegte.’ Dit ondersteunt hij met de boven aangehaalde plaatsen, en met sommigen van dezelfde gehalte, die hier niets ter zake doen, behalve Tim. Lex. Plato op ὀϰρίβας (Ed. Ruhnk. II. Leyden, S. en J. Luchtmans 1789): - πῆγμα τὸ (I. πῆγμά τι) ἐν τῷ θεάτρῳ τιθέμενον, ἐΦ᾿ οῧ ἵστανται οἱ τὰ δημόσια λέγοντες. Θυμέλη γὰρ οὐδέϰω ἦν (Geppert, die de plaats aanhaalt, laat deze gewigtige, alles weder op losse schroeven zettende woorden weg; mij zou het te ver afleiden ze na te gaan). Αέγει γοῦν τις. (?). Αόγιόν (I. λογεῑόν Schn.) ἐστι πῆξις ἐστορεσμένη ξύλων, εἦτα ἑξῆς ὀϰρίβας δὲ ὀνομάζεται. De Schol. op Plat. Symp. 324 B. en Phot. Lex. MS. bij Ruhnk. op Tim. t.a.p. verklaren echter ὀϰρίβας door λογεῖον, zoodat dit de latere term schijnt, waarmede ook overeenstemt de dwaling van Philostr. Vit. Ap. Tyan. V. ix, p. 195, VI. xi, p. 245. Vit. Soph. I. ix, 492 (Ed. Olearii, Lips., Thom. Fritsch, 1709 f.) en Hesych. op ὀϰρίβαντας, die den ὀϰρίβας voor hetzelfde houden als den cothurnus. De plaats bij Timaeos komt hiermede in overeenstemming, zoo wij lezen εῖτα ἑξῆς ὀϰρίβας δὲ λογεῖον ὀνομάζεται of ὀ. λ., waarvan het eerste verkieslijk schijnt. In één woord, de geheele onzekerheid komt daar van daan, dat de geleerden zich zelven hunne onbekendheid met de oorspronkelijke beteekenis van het woord σϰηνή hebben ontveinsd; eer deze gevonden is, kan men over προσϰήνιον, ὑποσϰήνιον, παρασϰήνια niets stelligs zeggen.
4Zie blz. 395. Vitruv. V. vii. 2. In de Romeinsche Schouwburgen minder dan 5 voet. Vitr. V. vi. 2.
5Zie blz. 395. Ὀρχήστρα van ὀρχεῖσθαι. De plaatsen vindt men bij Schneider, bl. 78, n. 93, de uitvoerigste is Phot. p. 351. 16, ὀρχήστρα - ἐϰλήθη - τοῦ θεάτρου τὸ ϰάτω ἡμίϰυϰλον (het segment is grooter dan een halve cirkel) οὗ ϰαὶ οἱ χοροὶ ᾔδουν ϰαἱ ὠρχοῦντο, vgl. vooral Vitr. t.a.p. Phot. 352, 21. Bekk. Anecd. a. 270, 21; 286, 16. Van haar gebruik zegt Pollux IV. xix. 123. σϰηνὴ μὲν ὑποϰριτῶν ἴδιον, ἡ δὲ ὀρχήστρα τοῦ χοροῦ. Dit is over het algemeen waar, maar Geppert bl. 154 merkt te regt op, dat Eur. Suppl. 271-285 het Koor de ὀρχήστρα verlaat om zich te begeven tot Theseus, die op het eigenlijk tooneel (λογεῖον) staat. Ook bij Aesch. Suppl. 713 is de σϰοπὴ ἱϰεταδόϰος, waarop Danaos staat, waarschijnlijk de θυμέλη in het midden der ὀρχήστρα, en zoo zullen waarschijnlijk nog vele plaatsen der Scenici moeten verklaard worden. Hier moet uit de schrijvers zelven het meeste licht komen, en wel voornamelijk zijn daartoe die stukken geschikt, waar men van een vast punt kan uitgaan, b.v. de Prometheus, de Oedipus te Kolonos, de Andromache; waar alles gemakkelijk te vinden zal wezen, zoodra men slechts de hoofdzwarigheid oplost: waar was Prometheus geketend? waar zit de blinde Oedipus? waar staat de tempel in welken Andromache is gevlugt?
6Zie bladz. 395. De beide deelen van het groote, gewoonlijk ὀρχἠστρα genoemde cirkelsegment vóór en achter de θυμέλη heeten ὀρχήστρα naar den kant van het tooneel heen en ϰονίστρα naar dien der toeschouwers bij Suidas op σϰηνή. In deze ϰονίστρα. In deze ϰονίστρα wil Hirt bl. 91 plaats voor diegenen vinden, die de προεδρία hadden, alleen omdat Vitruvius de eenige is, die de ὀρχήστρα aan het Koor toewijst (!) en om Poll. IV. xix. 122: ἐϰαλεῖτο δέ τι ϰαὶ βουλευτιϰὸν μέρος τοῦ θεάτρου, ϰαὶ ἐΦηβιϰόν. Maar deze zijn enkele ϰερϰίδες of deelen van het ϰοῖλον, die Pollux niet afzonderlijk vermeld zou hebben, ware 't niet, dat hij Schol. Ar. Avv. 794 afschrijft (Ed. Didot. Par. 1842), die, waar in den tekst staat ἐν βουλευτιϰῷ, de verklaring geeft: οὗτος τóπ ος τοῦ θεάτρου, δ ἀνειμένος τοῖς βουλευταῖς, ὡς ϰαὶ δ τοῖς ἐΦήβοις ἐΦηβιϰός. Reeds de hoogte van het λογεῖον maakt zulks moeijelijk; men redt zich dan door een προσϰήνιον aan te nemen als eene hellende laag balken van de θυμέλη tot op de σϰηνή, het tooneel, of dergelijke verzinsels. - De plaatsen over de θυμέλη geeft Schneider bl. 74 vlgg. n. 96. Poll. IV. xix. 123: ἐν ῃ (ὀρχήστρᾳ) ϰαὶ ἡ θυμέλη, ε᾽ίτε βῆμά τι οὖσα, ε᾽ίτε βωμός. Reeds de afleiding van θύειν verdedigt het laatste, dat nog versterkt wordt door andere getuigenissen, Etym. M. op σϰηνή (na στύδιον): - εῗτα μετά τὴν ὀρχήστραν βωμὸς ἦν τοῦ Διονύσου, τετράγωνον οἰϰοδόμημα ϰενὸν ἐπὶ τοῦ μέσου, δ ϰαλεῖται θυμέλη πρὸς τὸ θύειν, en Suidas op σϰηνή, met dezelfde woorden behalve die door verschil van druk zijn aangeduid. Phryn. p. 163. Ed. Lobeck, θυμέλην: - τοῦτο οἱ μὲν ἀρχαῖοι ἀντὶ τοῦ θυσίαν ἐτίθουν, οἱ δὲ νῦν ἐπὶ τοῦ τόπου ἐν τῷ θεάτρῳ, ἐν ᾧ αὐληταὶ ϰαὶ ϰιθαρῳδοὶ ϰαὶ ἅλλοι τινὲς ἀγωνίζονται. σὺ μέντοι ἕνθα μὲν ϰωμῳδοὶ ϰαὶ τραγῳδοὶ ἀγωνὶζονται λογεῖον ἐρεῖς, ἕνθα δὲ οἱ αὐληταὶ ϰαὶ οἱ χοροὶ ὀρχήστραν, μή λέγε δὲ θυμέλην, een berigt, dat nageschreven en verkort ook bij Thomas Magister voorkomt. Hieruit blijkt, dat de naam θυμέλη ten onregte op de ὀρχήστρα werd uitgestrekt; wanneer wij hem dus ook voor λογεῖον, σϰηνή, ϰροσϰήνιον vinden, gelijk bij Luc. περὶ ὀρχ. 76. bl. 309, Bekk. Anecd. bl. 42, 23, bl. 292, 13, Etym. M. op παρασϰήνια en elders, dan komt zulks op rekening van de bijzondere onkunde der latere Grieken. Geleid waarschijnlijk door het βωμὸς τοῦ Διονύσου, en uitgaande van het juiste beginsel, dat de ὀρχήστρα en al wat tot het Koor behoort de oudste deelen van het Tooneel en van oorspronkelijk godsdienstigen aard zijn, heeft O. Müller, L. xxii, bl. 46 het zeer waarschijnlijke gevoelen ontwikkeld, dat ik in den tekst gevolgd heb. Ook hier zou veel gewonnen zijn, indien men zonder eigenlijke autoriteiten het gevoelen mogt aannemen, door Müller t.a.p. opgegeven: ‘dass man von dem Attischen Theater genau das spätere in in Macedonischer Zeit in Alexandrien....... übliche unterscheiden muss. Hier war die ursprüngliche Orchestra halbirt, und die Hälfte, welcher der Bühne zunächst lag, war durch einen Bretterboden zu einer geräumigen Unterbühne gemacht, auf welcher die Mimen... auftraten... Diese Abtheilung der Orchestra hiess damals Thymele oder auch Orchestra im engeren Sinne;’ dit zou vele zwarigheden oplossen.
7Zie blz. 395. Arist. Poet. 4. ϰαὶ τὰ τοῦ χοροῦ ἠλάττωσε, ϰαὶ τὸν λὀγον πρωταγωνιστὴν παρεσϰεύασε.
8Zie blz. 395. Wie zag het Koor vóór de acteurs en wie kondigt het aan? Deze vraag is nog niet beslist, nog niet eens opzettelijk nagegaan. Uit de stukken van Aeschylos is niets op te maken: van de 25 plaatsen die hier in aanmerking komen, zijn er 7, waar het Koor den binnentredenden aankondigt, 3 waar een acteur het doet, en 15 waar hij niet aangekondigd wordt, een volstrekt wanhopig resultaat. Voor Sophokles zijn deze getallen respectivelijk 31, 10 en 17, te zamen 58, voor Euripides 59, 30 en 70, te zamen 159, waarbij Rhesos, Iphigenia in Aulis en Kyklops zijn medegeteld; Aristophanes heb ik niet eens nagegaan, omdat daar de verhouding nog veel ongunstiger zou wezen. Het spreekt van zelf dat de personen die vóór het Koor optreden, niet geteld zijn; die het Koor aanspreken eer zij zich tot andere aanwezige acteurs wenden, zijn onder de eerste soort van plaatsen berekend; redenen van het opgegeven verschil bespeurt men volstrekt niet. Men zal zich dus met het onvoldoende resultaat moeten vergenoegen, dat het aantal plaatsen voor het gewone en ook in den tekst opgenomen gevoelen te aanzienlijk is, om als ongegrond te verwerpen, te zwak om als algemeene regel aan te nemen, dat het Koor alle personen aankondigt, terwijl de uitzonderingen of liever nadere bijzonderheden slechts door een opzettelijk onderzoek gevonden kunnen worden, namelijk indien zij te vinden zijn. De plaatsen, welke met het gewone gevoelen schijnbaar niet overeenstemmen, zouden zulks doen in geval te bewijzen ware, dat dan òf het Koor niet om de θυμέλη heen staat, òf de nieuw aankomenden toegangen bezigen, die van daar onzigtbaar zijn.
9Zie blz. 396. Het woord amphitheatersgewijs wordt bij ons altijd verkeerd gebruikt voor eenen halfkring of een nog kleiner segment, terwijl het bekend is, dat de Romeinsche amphitheatra eivormig en van alle kanten voor toeschouwers ingerigt waren, aan welke omstandigheid zij hunnen naam ἀμΦιθέατρον ontleenen.
11Zie blz. 396. Donaldson, bij Stuart, IV, bl. 34-36.
12Zie blz. 396. τὸ ϰοῖλον, cavea.
13Zie blz. 396. διαζώματα, praecinctiones.
14Zie blz. 397. ϰερϰίδες, cunei.
15Zie blz. 397. βουλευτιϰόν, ἐΦηβιϰόν, bij Schol. Ar. Avv. 794, Poll. IV. xix. 123; vgl. ook Alexis in de Γυναιϰοϰρατία bij Poll. IX, 44:
 
᾽ενταῦθα περὶ τὴν ἐσχάτην δεῖ ϰερϰίδα
 
῾ημᾶς ϰαθιζούσας θεωρεῖν, ὡς ξένας.
16Zie blz. 397. Hirt, III. ii. bl. 98.
17Zie blz. 397. In het jaar 687 na de stichting van Rome, 67 v. Chr. Vgl. Hirt, III. ii. 95. Liv. Epit. 99. Cic. Phil. II. 18 en de overige plaatsen bij Orelli, Onomasticon Tullianum cett. Turici, Orell, Füssli u. Comp. 1828, 8o. pars III. Index Legum, bl. 255.
18Zie blz. 397. Dit volgt reeds uit de grootte van het gebouw en daaruit, dat het niet overdekt was.
19Zie blz. 397. Vgl. Schneider, bl. 86, n. 106, Geppert, blz. 121 vlgg. Poll. IV. xix. 134. τριῶν δὲ τῶν ϰατὰ τὴν σϰηνὴν θυρῶν ἡ μέση μὲν βασίλειον ἢ σπήλαιον ἢ οῖϰος ἔνδοξος ἢ πᾶν τὸ πρωταγωνιστοῦν τοῦ δράματος, ἡ δὲ δεξιὰ τοῦ δευτεραγωνιστοῦντος ϰαταγώγιον, ἡ δὲ ἁριστερὰ ἢ (Geppert verdedigt ἣ) τὸ εὐτελέστατον ἔχει πρόσωπον, ἢ ἱερὸν ἐξηρημένον (?) ἢ ἄοιϰός ἐστιν. Ibid 126. παρ᾽ ἐϰάτερα δὲ τῶν δύο θνρῶν τῶν περὶ τὴν μέσην ἅλλαι δύο εἷεν ἃν, μία ἑϰατέρωθεν, πρὸς ἃς αἱ περίαϰτοι συμπεπήγασιν. ἡ μὲν δεξιὰ τὰ ἔξω πόλεως δηλοῦσα, ἡ δ´ἀριστερὰ τὰ ἐϰ πόλεως, μάλιστα τὰ ἐϰ λιμένος. Omtrent de eerste plaats zegt Geppert, bl. 121: ‘Man sieht auf den ersten Blick, dass die drei Bestimmungen für die mittlere Thür von der gewöhnlichen Scene in der Tragödie, im Satyr drama und der Komödie hergenommen sind.’ Zeer waar, mits men in het oog houde dat Pollux voor het Satyrische spel waarschijnlijk, even als wij, slechts één voorbeeld bezat, den Κύϰλωψ van Euripides, en dat hij zich ook voor Tragoedie en Komoedie met één voorbeeld zal hebben vergenoegd, volgens de slechte methode der latere Grieksche Grammatici. Δεξιά en ἀριστερά moet opgevat worden van het standpunt der acteurs, althans op de tweede plaats, vgl. Geppert, bl. 127 vlg., en W.H. Kolster, zu Sophokles Elektra, in Schneidewins Philologus, V. ii. 1850. X. bl. 193-224, bl. 193 vlgg., naar Buttmanns aanmerkingen op Rodes vertaling van Vitruvius. Wanneer echter Pollux laat volgen: τῶν μέντοι παρόδων ἡ μὲν δεξιὰ ἀγρόθεν, ἢ ἐϰ λιμένος, ἢ ἐϰ πόλεως ἄγει, οἱ δ᾽ ἀλλαχόθεν πέζοι ἀΦιϰνούμενοι ϰατὰ τὴν ἑτέραν εἰσίασιν, dan moet men zulks van de kant der toeschouwers nemen, eene schijnbare willekeurigheid, die echter door Buttmann bij Geppert, blz. 127 vlg. betoogd en door Geppert dááruit verklaard wordt, dat deze πάροδοι eigenlijk voor de toeschouwers bestemd zijn en voor het spelen de stukken als ware het geleend werden; terwijl de waarheid dezer opvatting dááruit blijkt, dat men ze ook bij Vitruvius moet aanwenden, en uit Eukleides bij Tzetzes (vgl. Rhein. Mus. f. Phil. IV. S. 405, V. 101 vlgg.) die van het standpunt der acteurs uit spreekt:
 
ὅς δ᾽ ἃν τὰ ἔξω τοῖς ἔσωθε μηνύει,
 
ε᾽ίληχε, Φησὶν, ἀγγέλου ϰλῆσιν Φέρειν.
 
ἐϰ δεξιῶν βαίνει δὲ πρὸς λαιὸν μέρος.
 
ἐξάγγελος πάλιν δὲ τὴν ϰλῆσιν Φέρει,
5.
τοῖς ἐϰτὸς ὅστις μηνύει τὰ τῶν ἔσω,
 
διὰ στοᾶς δ᾽ ἔβαινε τῆς λαιᾶς τότε.

De reden daarvan is bekend: de Schouwburg te Athene was uitgehouwen in het oostelijk deel der zuidzijde van de Akropolis; de acteurs hadden dus Akropolis, Areopagos, Pnyx en het grootere deel der stad, voorts den Piraeeus en de zee links, en een klein deel der stad benevens het land van Attika regts van zich. Daar de meeste overgebleven stukken te Athene gespeeld werden, namen Pollux en Tzetzes deze bepaling op, niet omdat in andere schouwburgen die gewoonte werd overgenomen, dat waarschijnlijk is, maar, voor zoover mij bekend is, op geene plaatsen steunt.
20Zie blz. 397. Vgl. de zoo even aangehaalde plaats uit Pollux, IV. xix. 124, waar achter hij nog voegt: ἐν δὲ τραγωδίᾳ ἡ μὲν δεξιὰ θυρὰ ξενών ἐστιν, εἱρϰτὴ δὲ ἡ λαιά. Ik. twijfel er niet aan of Pollux heeft hier, juist als met het ἢ ἱερὸν ἐξηρημένον ἢ ἄοιϰός ἐστιν weder een enkel geval op het oog, en zal dus moeijelijk verstaan worden eer wij die gevallen kennen. Onder de stukken van Aeschylos zullen zij wel niet te zoeken zijn, reeds omdat deze grootendeels op de ὀρχήστρα spelen; ook onder die van Sophokles is mij niets ingevallen, waaruit Pollux zijn be rigt kon opmaken, maar vele treurspelen van Euripides, en vooral een der meest bekende, de Medea, konden aanleiding geven tot het ξενών en εἱρϰτή, in geval men daar de woning van Kreon in het midden, die van Iason regts en die van Medea links (van het standpunt der acteurs uit) aanneemt, in welk geval echter de πρωταγωνιστής Medea niet de middelste deur zou hebben; ook maakt Geppert uit de uitdrukking ἐξ ἀμφιπύλου γὰρ ἔσω μελάθρον γόον ἕϰλυον vs. 134, misschien te haastig, op dat Medea de middelste woning had (bl. 122 vlg.); den ξενών brengt hij terug op de Ἄλϰηστις, waar vss. 543 vlgg. zoo duidelijk zijn, dat men vaststellen mag dat in dit stuk de ξενών op het tooneel door de decoratie werd aangewezen. Eene andere zwarigheid ligt in de beteekenis van het woord ϰαταγώγιον, waarschijnlijk verblijfplaats, plaats, waar men iemand ontvangt, hem heenleidt, enz.
21Zie blz. 397. Poll. t.a.p., IV. xix. 126.... πρὸς ἃς αἱ περίαϰτοι συμπεπήγασιν.... εὶ δὲ ἐπιστρέΦοιεν οἱ περίαϰτοι ἡ δεξιὰ μὲν ὰμείβει τόπον (men denke aan de Acharnensen van Aristophanes) ἀμΦότεραι δὲ χώραν ὑπαλλάττουσι. Natuurlijk, want: ἡ μὲν δεξιὰ τὰ ἔξω πόλεως ὃηλοῦσα, ἡ δ` ἀριστερὰ τὰ ἐϰ πόλεως, μάλιστα τὰ ἐϰ λιμένος. Zoo men dus alleen de regter περίαϰτος draait, vertoont zich een ander deel der landstreek bij dezelfde stad; zoo ook de linker, dan verkrijgt men eene andere stad, gelijk in de Eumeniden, den Oedipus te Kolonos (?) in de Acharnensen en den Vrede van Aristophanes.
22Zie blz. 398. Arist. Poet. V (Ed. Tauchn. 1843, 4o.) ἔτι δὲ τήཱུξει (verschilt het Epos van het Treurspel) ἡ μὲν γὰρ μάλιστα πειρᾶται ὑπὸ μίαν περίοδον ἡλίον εῖναι, ἢ μιϰρὸν ἐξαλλάττειν ἡ δὲ ἐποπούα ἀόριατος τῷ χρόνιρ. Dit omtrent de eenheid van tijd: Aristoteles stelt geene regel maar vermeldt het onloogchenbaar feit, dat de oude Tragoedie tegenover het oude Epos een beperkt tijdvak besloeg; alleen dit verschil geeft hij op, juist zoo als hij als verschil voor de ἐποποιία opgeeft: τὸ μέτρον ἁπλοῦν ἒχειν, ϰαὶ ἀπαγγελίαν εῖναι. Ibid. VIII: μῦθος δ᾽ ἐστὶν εῗς, οὐχ. ὥσπερ τινὲζ ο῾ίονται, ὲὰν περὶ ἕνα ᾖ.... χρὴ οὖν, ϰαθάπερ ἐν ταῖς ἂλλαις μιμητιϰαῖς ἡ μία μίμησις ἑνός ἐστιν, οὓτω ϰαὶ τὸν μῦθον, ἐπεὶ πράξεως μίμησίς ἐστι, μιᾶς τε εῖναι, ϰαὶ ταΰτης ὅλης, eene zeer ware opmerking; zonder eenheid van handeling is het Treurspel slechts eene onzamenhangende opvolging van tooneelen. Dat Sbakspeare in den Julius Caesar dit over het hoofd heeft gezien, verdient de sterkste afkeuring: het zijn twee treurspelen, niet een; in zijne historische stukken in engeren zin is zulks om het onderwerp eerder te vergeven; dezelfde fout maakt Sophokles in den Aiax, Euripides meermalen, b.v. in de Andromache; de Phoenissen. den razenden Herakles; Aeschylos in de overgeblevene stukken is er vrij van, behalve in het raadselachtige slot der Zeven tegen Thebe. Arist. Poet. XXIII: ὃτι δεῖ τοὺς μύθονς, ϰαθάπερ ἐν ταῖς τραγῳδίαις, συνιστάναι δραματιϰοὺς, ϰαὶ περὶ μίαν πρᾶξιν ὅλην ϰαὶ τελείαν, ἔχονσαν ἀρχὴν ϰαὶ μέσον ϰαὶ τέλος, ἵν᾽ ὥσπερ ζῷον ἓν ὅλον ποιῇ τὴν οἰϰεῖαν ῾ηδονὴν δῆλον. Dit omtrent de eenheid van handeling; voor de eenheid van plaats heb ik nog nooit eene autoriteit bij de Ouden gezien, en dat ze die veelal in acht namen, is wel aan de onvolledige middelen tot verandering van het tooneel te wijten.
23Zie blz. 398. Hoe ik die opvat, heb ik ontwikkeld in mijne Recensie van Schimmels Gondebald, Algem. Letterliev. Maandschr. 1849, No. 5.
24Zie blz. 398. Alle stukken van Aeschylos, behalve de Trilogie, waarin hij de manier van Sophokles schijnt te volgen, kunnen door twee acteurs gespeeld zijn. Alleen het begin van den Prometheus schijnt hiertegen in en weg te staan; maar mij dunkt die geheele rol wordt bij wijze van παραχορήγημα door een der beide andere acteurs achter het tooneel gespeeld, m.i. door dengenen, die de rol van Κράτος heeft: de figuur, welke een bout door het lijf ontvangt (vs. 64 vlg.) is ongetwijfeld eene pop. Hierdoor wordt ook het onnatuurlijke stilzwijgen van Prometheus tijdens zijne foltering verklaard. De zaak zelve, het spelen van meerdere rollen door denzelfden acteur, moge vreemd schijnen, voor het Treurspel is zij reeds lang uitgemaakt, behalve dat de Oedipus te Kolonos vier acteurs schijnt te eischen. Ook voor de Komoedie komen de meeste plaatsen teregt, wanneer men let op de παραχορηγήματα (b.v. Ψευδαρτάβας en de varkentjes in de Acharnensen, de honden in de Wespen, de kikkers in het stuk van dien naam, de Τριβαλλός in de Vogels, de Σϰύθης in de ΘεσμοΦοριάζουσαι, het kind in de Lysistrata), op het noemen der χορενταί als acteurs (b.v. in de Lysistrata, de ΘεσμοΦοριάζουσαι en de Ἐϰϰλησιάζονσαι), en op het snelle verkleeden, waarvan de Acharnensen, de Vogels en de Vrede sprekende voorbeelden opleveren. Op enkele plaatsen is de persoonsverdeeling der meeste uitgaven valsch, b.v. Ar. Avv. 1589 vlg., die niet aan eenen slaaf en Pisthetaeros, maar volgens Prof. Cobet aan Pisthetaeros en Herakles moeten toegekend worden; Ach. 253 vlgg., waar Elmsley de persoon der moeder doet vervallen, Eqq. 234, dat niet aan Nikias (den οἰηέτης β´) maar aan den ἀλλαντοπώλης moet worden gegeven. Eene regtstreeksche getuigenis, schoon niet evident genoeg, geeft de Anonymus περὶ ηωμῳδίας (No. 5 in Didots Scholia Graeca in Aristophanem, 8 mai. Paris 1842, bl. XVI): δ Κρατῖνος ϰατέστησε μὲν πρῶτον τὰ ἐν τῇ ϰωμῳδίᾳ πρόσωπα μέχρι τριῶν.... ὁ μέντοιγε ᾽ΑριστΦάνης.... πᾶσαν ϰωμῳδίαν ὲμελέτησε. Zwarigheden geven de Wespen en de Kikkers (volgens Dindorf, Poetae Scenici Graeci, Lips., Weidm. 1830, 8 mai., wiens cijfers ik bezig); in de laatste uitgaaf der Wespen van R.B. Hirschig is de moeijelijkheid althans voor het regtsgeding overwonnen; zij zal geheel verdwijnen, wanneer men vs. 152-155, 395-402, van den slaaf Ξανθίας en 458 van Σωσίας op den slaaf Βδελυϰλέων overbrengt, en in het oog houdt, dat waar Φιλοηλέων en Σωσίας opkomen en weder heengaan zonder te spreken, hunne rollen zeer goed door figuranten kunnen worden waargenomen, gelijk toch wel noodig zal geweest zijn om Philokleons verschillende pogingen tot ontvlugting te geven; immers figuranten verschenen, gelijk bekend is, in onbepaald aantal op het Tooneel. In de Kikkers (vs. 1467-1479) zou men moeten aannemen dat Euripides na 1478 heengaat, en dat hij of Aeschylos, en niet Pluton, vs. 1467 het ϰρίνοις ἅν uitspreekt, veranderingen, die gelijk de vorigen niets van aanbelang tegen zich hebben. In alle geval zijn de sporen van een vierden auteur, dien ik niet aanneem, zeer onzeker, aan een vijfden is volstrekt niet te denken, en zoo moet men toch de aesthetische onwaarschijnlijkheden aannemen, die tegen de onderstelling van slechts drie acteurs pleiten.
25Zie blz. 397. Deze punten en vele anderen even algemeen erkende poog ik niet te betoogen; ik heb reeds veel meer dan voor eene bijdrage in dit Tijdschrift wenschelijk was, specieel Litterarische quaestien behandeld.
26Zie blz. 398. πρωταγνωνιστής, δευτραγωνιστής, τριταγωνιστής.
27Zie blz. 399. Schneider, bl. 155, vlgg. n. 173, geeft de volgende redenen voor het gebruik der maskers op: 1o. de grootte van den Schouwburg; het masker was namelijk zoo ingerigt, dat het de stem versterkte. 2o. Het vertoonen van vrouwenrollen door mannen. 3o. Dat van meerdere rollen door éénen acteur. 4o. Dat van jongelingen door grijsaards en omgekeerd. 5o. Het leveren van caricaturen der Komische personen op de maskers der acteurs die ze voorstelden. 6o. Het vergrooten der schijnbare gestalte van den acteur. Bij deze redenen voeg ik de in den tekst medegedeelde.
28Zie blz. 398. Vgl. O. Müller, L.G. II. xxii, bl. 44, die dit voorbeeld opgeeft. Zoo denkelijk ook Orestes in de Offerplengsters en Danaos in de Sineekelingen van Aeschylos, Kreon in de Antigone van Sophokles, Hermione in de Andromache, Iason in de Medea van Euripides.
29Zie blz. 399. Luc. περὶ δρχ. 27 (Ed. Tauchn. 1829): ώς εὶδεχθὲς ἅμα ϰαὶ Φοβερὸν θὲαμα εἰς μῆϰος ἅρρυθμον ἠσϰημένος ἄνθρωπος, ὲμβὰταις ὑψηλοῖς ὲποχούμενος, πρόσωπον ύπὲρ ϰεΦϰλῆς ἀνατεινόμεμενον ἐπιϰείμενος, ϰαὶ στόμα ϰεχηνὸς πάμμεγα ὡς ϰαταπιόμενος τοὺς θεατἀς. ἐῶ λέγειν προστερνίδια ϰαὶ προγαστρίδια, προσθετὴ ϰαὶ ἐπιτεχνητὴν παχύτητα προσποιούμενος, ὡς μὴ τοῦ μήϰους ἡ ἀρρυμία ἐν λεπτῷ μᾶλλον ἐλέγχοιτο. εῖτ' ἔνδοθεν αὐτὸς ϰεϰραγώς ϰτἑ. Vgl. Ζεὺς τραγῳδός 41. Phil. Vit. Apoll. Tyan. V. 9. bl. 195: παρελθὼν δὲ (δ τραγῳδίας ύποϰριτής) εἰς τὰ ᾽Ισπόλα Φοβερὸς μὲν αὐτοῖς ἐΦαίνετο ϰαὶ ὸν ἐσιώπα χρόνον ὲπὶ τῆς σϰηνῆς. ϰαὶ ὀρῶντες οἱ ἄνθρωποι βαδίζοντα μὲν αὐτὸν μέγα, ϰεχηνότα δὲ τοσοῦτον, ἐΦεστῶτα δὲ ὀϰρίβασιν (zoo noemt hij den cothurnus) οὕτως ὑψηλοῖς, τερατώὸη δὲ τὰ περὶ αὐτὸν ἐσθήματα, οὐϰ ἄΦοβοι ἦσαν τοῦ σχήματος ἐπεὶ δὲ ἐξύρας τὴν Φωνὴν ϰαὶ ϰεχηνὼς ἐΦθέγξατο, Φυγῇ οὶ πλεῖστοι ὤχοντο ὥσπερ ὑπὸ δαίμονος ἐμβροντηθέντες.
30Zie blz. 400. Poll. IV. xv. 108 vlg.: μέρη δὲ χοροῦ στοῖχος, ζυγός ϰαὶ τραγιϰοῦ μὲν χοροῦ ζυγὰ (gelederen, van regts naar links) πέντε ὲϰ τριῶν, ϰαὶ στοῖχοι (van voren naar achteren) τρεῖς ἐϰ πέντε, πεντεϰαίδεϰα γὰρ ἦσαν ὁ χορός ϰαὶ ϰατὰ τρεῖς μὲν εἰσῄεσαν (drie diep) εἰ ϰατὰ ζυγὰ γένοιτο ἡ πάροδος, εὶ δὲ ϰατὰ στοίχους, ἀνὰ πέντε εἰσῄεσαν. ἔσə' ὅτε δὲ ϰαὶ ϰαθ' ἕνα ἐποιῦντο τὴν πύροδον. Ὁ δὲ ϰωμιϰὸς χορὸς, τέτταρες ϰαὶ εἴϰοσιν οἱ χορενταὶ, ζυγὰ ἕξ ἕϰαστον δὲ ζυγὸν ἐϰ τεττάραων, στοῖχοι δὲ τὲσσαρες, ἓξ ἄνδρας ἔχων ἕϰαστος. Photios, p. 604, 19 : τρίτος ἀριστεροῦ: - ἐν τοῖς τραγιϰοῖς χοροῖς τριῶν ὅντων στοίχων ϰαὶ ζυγῶν (πέντε voegt Schneider teregt bij) ὁ μὲν ἀριστερὸς στοῖχος ὁ πρὸς τῶ θεάτρῳ (de toeschouwerds) ἦν, ὁ δὲ δεξιὸς πρὸς τῷ προσϰηνίῳ. συνέβαινεν οὖν τὸν μέσον τοῦ ἀριστεροῦ στοίχου τὴν ἐντιμοτάτην ϰαὶ τὴν οἷον πρωτοστάτον χώραν ἐπέχειν ϰαὶ στάσιν. Natuurlijk, want, zoo men tegen de toeschouwers front maakte met een enkel half linksom, dan stond deze in het midden der eerste rij (στοῖχος). Daar men nu bij de πάροδος, van regts naar links van de toeschouwers uit marcherende, naar de toeschouwers geen front konde maken, volgt hieruit, dat deze de stelling van het Koor was, zoolang het rustig zijne standplaats bij de Thymele bewaarde. - Omtrent het aantal der χορενταὶ heeft O. Müller, L.G. II. xxii. bl. 47 eene onderstelling, die te zeer het karakter der waarheid draagt, om zelfs zonder plaatsen niet te worden aangenomen. ‘Die Zahl des Chors der Tragödie war aus der Zahl der Chortänzer des Dithyrambus, deren funfzig waren,’ (ϰύϰλιος χορός) ‘wahrscheinlich so entstanden, dass man erst daraus einen viereckigen Chor,’ (χορὸς τετράγωνος) ‘gebildet und diesen unter die vier Stücke, die jedesmal zusammen aufgeführt wurden, getheilt hatte; woraus sich vieles erklärt, namentlich wie bei Aeschylos am Ende der Eumeniden zwei verschiedene Chöre, die Erinnyen und die Festpompa derselben, zusammenkömmen können.’ (Veeleer drie Koren, hij vergeet de regters.) ‘Der Chor des Aescbylos bestand darnach aus zwölf Chorenten, er wurde erst hernach, durch Sophokles, auf funfzehn erhöht, diese Zahl war die regelmässige in den Tragödien des Sophokles und Euripides;’ met de noot: ‘Auch fällt dadurch ein Licht auf die Zahl des Chors der Komödie, vierundzwanzig. Dies war der halbe tragische Chor, da die Komödien nicht zu vier, sondern nur einzeln, aufgeführt wurden.’
31Zie blz. 401. λειτυργία. Vgl. Böckh, Staatshaushaltung der Athener, 2o. Ausg. Berlin, Reimer, 1851. 8o. Buch III. 21-23. S. 593-617.
32Zie bl. 401. χορηγός. Zie over de Choregie Böckh t.a.p. 22, bl. 600-609.
33Zie blz. 401. Welke ἄρχων? De ἄρχων in engeren zin, of de βασιλεύς? De plaatsen geeft Schneider, bl. 108 vlgg., n. 134 vlg. Pollux VIII. ix. 90: ὁ δὲ βασιλεὺς μυστηρίων προέστηϰε μετὰ τῶν ἐπιμελητῶν, ϰαὶ Ληναίων en VIII. 89: ὁ δὲ ἄρχων διατίθησι μὲν Διονσύια ϰαὶ Θαογήλια μετὰ τῶν ἐπιμελητῶν, gelijk ook ᾽ΑΨηΦίων, de ἅρχων van dat jaar (469-468 v. Chr.) de regters voor den strijd tusschen Aeschylos en Sophokles benoemt bij Plut. Cim. 8. Ik zie geene reden, aan dit berigt te twijfelen, schoon men anders den βασιλεὺς zou verwachten.
34Zie blz. 401. χορδιδάσϰαλος, τραγῳδοδιδάσϰαλος, ϰωμῳδοδιδάσϰαλος.
35Zie blz. 401. Aristophanes gaf zijne beide laatste stukken, den Αἰολοσίϰων, ann zijnen zoon ᾽Αραρὠς, volgens het arg. Pluti: τὸν υἱὸν αὑτοῦ σνστῆσαι ᾽Αραρότα τοῖς θεαταῖς βουλόμενος. Zijne eerste stukken gaven Philonides en Kallistratos, gelijk bekend is; hij zelf spreekt er over in de Ridders, 512 vlgg., de Wolken, 528 vlgg., de Wespen, 1017 vlgg., telkens in de παράβασις, dus drie jaren achtereen, waaruit blijkt, dat de Atheners zeer goed wisten wie de dichter was, schoon althans de Wespen (arg. Vespp.) door Philonides werden gegeven.
36Zie blz. 401. Ik volg hier O. Müller, II. xxiii. bl. 79, xxviii. bl. 215-217.
37Zie blz. 401. Vgl. G. Hermann, Leipz. Litt. Zeit. 1817, No. 59, 60 en vooral Böckh, vom Unterschiede der Attischen Lenaeen, Anthesterien und ländlichen Dionysien in de Abhandlungen der Berliner Akademie 1816-1817: zij vielen, in de opgegeven orde, op de maanden Ποσειδεών, Γαμηλιών (den Ληναιών der Ioniërs) ᾽Ανθεστηριών, ᾽ΕλαΦηβολιών.
38Zie blz. 401. Geppert, bl. 188 vlgg., maakt het waarschijnlijk dat aan de ᾽Ανθεστηρια althans op den derden dag, de Χύτροι, ten minste Komoedies gespeeld zijn, in tegenspraak met Böckh, t.a.p. bl. 95; voor het onderscheid dier feesten, wat oude en nieuwe stukken betreft, volg ik O. Müller, II. xxii. bl. 41 in de noot, en overigens de wet van Euegoras bij Demosth. Meid. bl. 517, R. 465, Bekker (wiens tekst ik volg): ὅταν ἡ πομπὴ ᾖ τῷ Διονύσῳ ἐν Πειραιεῖ (vgl. vooral Geppert, bl. 193) ϰαὶ οἱ ϰωμῳδοὶ ϰαὶ οἱ τραγῳδοὶ, ϰαὶ ἡ ἐπὶ Ληναίῳ ϰαὶ οἱ τραγῳδοὶ, ϰαὶ οἱ ϰωμῳδοὶ ϰαὶ τοῖς ἐν ἄστει Διονυσίοις ἡ πομπὴ ϰαὶ οἱ παῖδες ϰαὶ ό ϰῶμος ϰαὶ οἱ ϰωμῳδοὶ ϰαὶ οἱ τραγῳδοὶ ϰτἑ.
39Zie blz. 402. Vgl. Geppert, bl. 197. Waarschijnlijk acht ik dit gevoelen, omdat daardoor tien χορηγίαι, voor elken stam eene, worden aangewezen, en omdat er zoo voor de Komoedie als de Tragoedie drie prijzen waren.
40Zie blz. 402. Dem. περὶ στεΦ., bl. 315 R., 282 B.: ἐχόρευες, ἐγὼ δ᾽ ἐχορήγουν.... ἐτριταγωνίστεις, ἐγὼ δ᾽ ἐθεώρουν. ἐξέπιπτες, ἐγὼ δ᾽ ἐσύριττον bl. 288 R., 257 B.; ὃν ἐν Κολυττῷ ποτὲ Οἰνόμαον ϰαϰὸς ϰαϰῶς ύποϰρινόμενος ἐπετρίΨας, zoo dit niet veeleer beteekent dat Aeschines de rol van Oenomaos zoo had toegetakeld. In het eerste geval zou men namelijk moeten lezen ἐπετρίβης, wat in geen handschrift staat. Demosthenes zal wel een en hetzelfde geval bedoelen.
prepostterug  begin  verder