In den loop van het jaar, dat thans ten einde spoedt, werd een groot deel der beschaafde wereld van Engeland en Schotland in rep en roer gebragt door eene dwaling, die, naar wij meenen, ook in ons Vaderland ligtelijk wortel zou kunnen schieten en opgroeijen, als een welig onkruid, dat, mogt het ook al even ras vergaan als het ontstond, toch schade genoeg kon aanrigten, om er bij tijds ernstig voor te waken. Dat de kiemende zaden ook aan onzen volksbodem niet ontbreken, wie zal het betwijfelen, wanneer men hoort, dat de bedoelde dwaling gelegen is in den waan, dat sommige menschen onder den invloed kunnen geraken eener vreemde geheimzinnige kracht (in navolging van Mesmer, gewoonlijk de magnetische genoemd), en dat die kracht het eigendom zij van bijzondere personen, die haar besturen en
rigten naar het hun goed dunkt. Dat wanbegrip, in zijnen meest mystischen vorm, heeft bij ons eenen voorstander gevonden in den Heer Hoek, die, na reeds vroeger ‘eene onderzoekende beschouwing’ in het licht te hebben gegeven, thans op nieuw optreedt met openbaringen, die hij, magnetiseur van beroep, zoo niet geheel, dan toch ten deele in het belang der menschheid en der wetenschap, waarvan zijne clairvoyante het orakel zijn moet, uit den mond van deze laatste ter nederschreef. Het kan geen verwondering baren, dat in Engeland, waar denken en handelen gewoonlijk door geen zoo lange rust als bij ons gescheiden worden, die verkeerde opvatting zich in het maatschappelijk leven ernstig deed gevoelen. Het sterkst openbaarde zich dit in Edinburgh, waar fatsoenlijke gezelschappen vaak de schouwplaatsen werden van proefnemingen aangaande de verrigtingen van den menschelijken geest. Aanzienlijke lieden, geleerden en achtingswaardige burgers hielden zich daarmeê om strijd in hunnen bijzonderen kring bezig, terwijl openbare redevoeringen en vertooningen, die eenen ongewonen opgang maakten, het grootere publiek in massa tot zich lokten. Op een keer werd de Royal medical society bewerkt, en - zoo er een afdoend bewijs voor de getrouwheid der straks nader te vermelden feiten vereischt werd, mag die gebeurtenis er toe strekken - juist bij eenige harer meest sceptische leden vertoonden zich de zoogenaamd magnetische verschijnselen. Een medelid van dat gezelschap, J.H. Bennett, Medic. Profess. aan de Edinburghsche academie, aan wiens Verhandeling wij dit berigt ontleenen, verhaalt, dat in sommige opvoedingsgestichten, meisjes en jongens zich in eenen staat van zinsverrukking, van ecstase bragten, waarin zij het voor hunne kameraden vermakelijk schouwspel opleverden van onbewegelijk starende oogappels en stokstijve ledematen. Fijn gevoelige jonge dames vonden er geen bezwaar in aan de op die wijze veroorzaakte opwekking toe te geven en zich in dien toestand op soirées, tot onderhouding van het gezelschap, te vertoonen. Verscheiden voorbeelden zijn hem bekend, dat verstandige jongelui - studenten aan genoemde akademie - gedurende korteren of langeren tijd ongeschikt geworden waren hunne gewone bezigheden te volgen, en verpligt werden, wegens gebrek aan opmerkzaamheid en geestkracht, hunne collegiën en studiën te laten varen. Enkele van hen,
de schade gevoelende, die zij daarvan reeds ondervonden hadden, weigerden bepaaldelijk zich het nemen van verdere proeven op hun persoon te laten welgevallen, en de ouders van enkele zeer gevoelige jongelieden, verschrikt door het blijkbare nadeel, dat de gezondheid hunner kinderen er bij leed, hebben eene herhaling van deze gebeurtenissen ten strengste verboden.
Deze ziekelijke verschijning bleef niet binnen de enge grenzen van Edinburgh beperkt. Zij ging verder voort, en terwijl zij den loop volgde van sommige rondtrekkende leeraars, en bepaaldelijk van Mr. Lewis en Dr. Darling, vertoonde zij zich bij opvolging in Glasgow en in vele andere steden van Schotland. De laatstgenoemde, een Amerikaan, maakte op zijne reis naar Londen zeer veel opgang, en volgens de berigten der dagbladen, herhaalden zich in Engeland's hoofdstad dezelfde tooneelen en dezelfde toevallen, die hij te Edinburgh had te weeg gebragt. Luidens het verhaal van Dr. J. Braid, te Manchester, die in het Junijstuk van het ‘Monthly Journal of medical science’ dezes jaars, eene daartoe betrekkelijke voorlezing publiceerde, zag men te dier stede dezelfde verschijnselen, gelijk ook in Liverpool en de omliggende steden; overal dezelfde vertooningen als die, welke, tijdens Braid zijne voorlezing hield, Mr. Stone aan het Londensche publiek ten beste gaf. Deze heer, insgelijks een Amerikaan, zond billetten rond, waarvan de inhoud was als volgt: ‘Op personen in volkomen wakenden toestand van welbekenden naam en stand in de maatschappij, die naar willekeur uit de rij der toehoorders kunnen optreden, zullen proeven genomen worden. Zij zullen beroofd worden van hun vermogen om te spreken, te zien, te hooren. Hunne willekeurige bewegingen zullen volkomen aan banden gelegd worden, zoodat zij niet zullen gaan zitten noch opstaan, zonder den wil van den proefnemer; hun geheugen zal worden weggenomen, zoodat zij hun eigen naam en dien hunner beste vrienden vergeten: men zal hen doen jammeren van pijn die zij zullen voelen in elk deel van hun ligchaam, al naar den wensch van den operateur; men zal maken, dat een wandelstok hun schijnt een slang te zijn; de smaak van water zal veranderd worden in dien van azijn, honig, melk, brandewijn, alsem, limonade, enz., enz. Deze proeven zullen trouw en eerlijk worden uitgevoerd, zonder streken, zelfs niet in het geringste, zonder zamenspanning of bedrog.’ - Dit mag
zonder twijfel eene verbazende annonce heeten; niettemin, zegt J. Braid, ik weet dat het werkelijk zoo is, dat zulke verschijnselen in de aangegevene en in eene geheel omgekeerde rigting, bij zekere personen kunnen verwezenlijkt worden; maar, voegt hij er bij, ik geef daarvan op eene geheel andere wijze rekenschap, dan de zoogenaamde Electrobiologists; - (met dien naam betitelden zich Darling en Stone, hier zoude men zeggen ‘magnetiseurs’).
Die vertooningen wekten, gelijk zich begrijpen laat, grootelijks de belangstelling, en bragten de pennen van uitstekende mannen, als Sir David Brewster, Prof. Gregory, Mr. Robert Chambers en den door ons reeds genoemden Prof. Bennett, in beweging. De laatste vond in dezen stand van zaken, met dien, welken men in de middeleeuwen aantreft, zoo groote overeenkomst, dat hij gelooft met evenveel regt als men de danswoede, den St. Vitusdans dier tijden, een volksziekte noemt, thans te mogen spreken van de mesmerische manie, eenen als volksziekte heerschenden waanzin in den jare 18511.
Wanneer men zulk een vorm van waanzin bij publieke vertooningen ziet, en wel bij vreemde ons onbekende personen, dan is de eerste indruk: dat alles het werk is van geheime onderlinge afspraak en bedriegerij. Maar wanneer men in zijn huisselijken kring vrienden en betrekkingen er door ziet aangedaan, en juist hen, die wij kenden als ongeloovigen en twijfelaars, dan kan de werkelijkheid der feiten niet langer in twijfel worden getrokken. Inderdaad, dat er een bijzondere toestand van het zenuwstelsel kan te weeg gebragt worden, waarin menschen, overigens goed bij zinnen, voor een tijd beheerscht kunnen worden en onder den invloed gebragt van praedominerende voorstellingen - dit moet men toegeven na al hetgeen mannen als Bennett en andere daarvan gezien hebben en getuigen.
Toch zal het bestaan van zulk een toestand niet zoo ongehoord buitengewoon toeschijnen aan hen, die zich de eigenaardige verschijnselen voor den geest brengen, welke zich ter gelegener ure bij wakend droomen, reverie, bij gewoon slaapwandelen, ecstase, zinsverrukking, monomanie of ideefixe en andere verwante aandoeningen voordoen. In elk geval laten zich de verschijnselen, die hier ter sprake zullen komen, terugbrengen tot afwijkingen van begrip, gevoel en beweging en zijn dus identisch in hun karakter met hetgeen bij de geneeskundigen lang bekend is. Het is de wijze, waarop zij kunnen te voorschijn gebragt worden, benevens de veelvuldigheid, waarin zij kunnen voorkomen, die nieuw is, en dit voorzeker vordert reeds de opmerkzaamheid van hen, die de geneeskunst uitoefenen of met de regtsbedeeling belast zijn, verbonden als het is met menschelijke gezondheid en menschelijke getuigenis.
Het ware van het onware te onderscheiden; de zaak los te rukken uit de boeijen, waarin kwakzalverij haar reeds lang genoeg gekluisterd hielden; eene physiologische verklaring te geven van de verschijnselen, die werkelijk zijn voortgebragt, - ziedaar een onderwerp in onzen tijd1, belangrijk
genoeg om met het oog op hetgeen Bennett en Braid daarover gezegd en geschreven hebben, eene meer uitvoerige beschouwing te dezer plaatse bij onze lezers te wettigen. Wij zullen dan tevens gelegenheid vinden ter loops bij het geschrijf van den Heer Hoek te verwijlen, en dan welligt de beschuldiging ontgaan, dat wij aandacht vergden voor de aankondiging van een boekje, dat op zich zelf beneden alle kritiek is, zoo in redenering als in stijl, en hier alleen als voorbeeld van mystiek-duister der clairvoyance, en om de tegenstelling nevens de pasgenoemde schrijvers, eene plaats mag innemen. Mogt bij het vreemde der feiten eenige twijfel aan de geloofwaardigheid onzer auctoriteiten oprijzen, zoo herinneren wij bij voorraad, dat Prof. Bennett in de wetenschappelijke wereld steeds met eer en trouw genoemd wordt, terwijl zij, die hem onlangs persoonlijk leerden kennen, in dien goeden dunk bevestigd zullen zijn.
Men houde ons ten goede, dat wij bij het overnemen vaak de auteurs van het oorspronkelijke laten spreken, terwijl wij voor enkele toevoegingen of geringe wijzigingen van onze hand geene afzonderlijke aanwijzing van herkomst noodig achten.
De vraag, die zich het eerst hier voordoet, is: Welke zijn de zoogenaamde magnetische verschijnselen? Het antwoord
vinden wij bij Bennett, waar hij als ooggetuige van de in Edinburgh in dit jaar gegeven vertooningen, ons verhaalt, dat die eigenaardige toestand zich openbaart, terwijl de persoon op eenig voorwerp tuurt, in den beginne door verduistering van het gezigt, alsof men in een nevel ziet; daarop volgt bij den eenen een gevoel van loomheid en slaperigheid, bij een anderen alleen strakheid der oogleden, bij een derden diep zuchten, versnelde ademhaling, hijgen van borst of andere teekenen van algemeene opgewektheid. Indien men nu zulke personen bij herhaling zegt, dat zij hunne inmiddels gesloten oogen niet kunnen openen, zoo zal men vinden, dat zij niet bij magte zijn dit te doen, vooral indien men hunne aandacht nog sterker op hunne oogleden vestigt, door er naar te wijzen, zoodat men ze even aanraakt. Geeft men hen daarentegen verlof, of zegt men dat zij de oogen moeten opendoen, dan gebeurt dit ook terstond.
Op dezelfde wijze kan men zulk een persoon elke mogelijke beweging, zelfs tegen zijn wil, laten maken; of van den anderen kant kan men bewegingen, die hij wenscht te maken, voorkomen, beletten of veranderen. Zoo heb ik iemand zien beletten, dat hij sprak, door het zeggen, dat hij zijn mond gesloten zou houden; ik heb gezien, dat hij niet in staat was een arm of been te buigen, dat hij op zijn stoel was vastgeplakt, of omgekeerd, dat hij belet werd te gaan zitten, dat hij niet bij magte was een bepaald voorwerp te naderen, of dat hij er onweêrstaanbaar naar toe getrokken werd; dat hij niet in staat was, eene werkelijk op den vloer geteekende of ook eene denkbeeldige lijn te overschrijden; ik heb hem op bevel den arm zien opheffen en opgeheven houden, in den stand van iemand, die drinkt, of zijn lijf zien blijven in de positie van iemand, die danst; hem zien wandelen, dansen, loopen in elke rigting, die men verlangde; hem zien nabootsen het rijden op een paard, hoewel hij op een stoel zat, of in de kamer zien rond waggelen, als iemand, die beschonken is. Een zeer eigenaardige proef bestaat daarin, dat men iemand verzoekt een of ander ligt voorwerp, b.v. een wandelstok op te ligten en hem dan op te dringen, dat het een zeer zwaar voorwerp is, - inderdaad krijgt hij het dan hoe langer hoe zwaarder, zoodat hij het eindelijk niet meer kan ophouden. Men kan daarbij opmerken, hoe, naarmate het denkbeeld van zwaarte in zijn geest meer de overhand krijgt, de spieren van zijnen arm,
die den wandelstok in de hoogte houden, meer en meer stijf worden, alsof het een ijzeren staaf was, die hij vast moest houden; eindelijk spant hij blijkbaar al zijn spierkracht in, maar te vergeefs, want het voorwerp ontvalt aan de hand die het omvat, terwijl hij klaarblijkelijk uitgeput en ten einde adem is over de voorafgegane inspanning.
Op soortgelijke wijze kunnen in dezen toestand alle zinnelijke gewaarwordingen verhoogd, veranderd of vernietigd worden, en hun door middel van opgedrongen denkbeelden door een ander worden medegedeeld. Door hunne aandacht op een zekere plek van de huid te vestigen, kan men hen daar hitte of kou doen voelen, de gewaarwording van tinteling of pijn, van gevoelloosheid en verdooving geven, al naar gelang der meêgedeelde denkbeelden. Het gezigt kan hun benomen of pijnlijk gemaakt worden; spookbeelden kan men voor hun oog doen verschijnen of verschillende voorwerpen kan men op andere, waarmeê zij geenerlei overeenkomst hebben, doen gelijken. Een roos kan voor den geest van zulk een persoon den reuk van een ui hebben, en zuiver water de sterke geur van eau de cologne. Op dezelfde wijze kan men hen verschillende geluiden doen hooren; dikwijls is het gehoor zeer scherp en op andere tijden is het geheel vernietigd. Eindelijk kan de smaak worden aangedaan en men kan voor zoo iemand zuiver water zoo zoet als honig, zoo bitter als alsem of zoo zuur als azijn doen zijn.
Verder, wat de geestvermogens betreft, kan het geheugen verloren gaan; ja het vermogen om te oordeelen en te vergelijken kan tijdelijk werkeloos worden. Daarentegen kan de verbeelding zeer levendig zijn, zoodat iemand gemakkelijk de manieren van andere personen in verschillende omstandigheden des levens kan aannemen; hij doorloopt de handgrepen van verschillende mechanische beroepen, terwijl hij zich een kunstenaar waant; hij beproeft denkbeeldige gevaren te ontsnappen of doet zijn best die af te weren, en stelt zich aan, zoo als hij of anderen verondersteld kunnen worden in zekere gegeven omstandigheden of onder zekere voorwaarden te handelen. Zoo kan men doen vechten, zwemmen, loopen, waggelen als iemand, die bedwelmd is, enz. Zelfs de niting van het geslacht kan op die wijze omgekeerd worden, en eene vrouw neemt de manieren, toon van stem en spraak van haren man aan. Zulke menschen kunnen dan ook gemakkelijk in hunne verbeelding worden overgebragt naar
verschillende verafgelegen streken of plaatsen, terwijl zij zullen handelen en spreken alsof zij werkelijk daar waren; eindelijk kan men hen door een zeer zamengestelde reeks van handelingen voortleiden; zoo brengt men hen bijv. in een twist, die met een duël eindigt; men doet hen een visch- of jagtpartij bijwonen, waarbij zij ruime vangst hebben of een overvloed van wild in de weitasch steken.
Men kan hen verder op dezelfde wijze met weinig moeite in slaap brengen, zelfs in een zoo gezonden slaap, dat alle gewone wekkingsmiddelen hen niet zullen doen ontwaken en het gevoel voor het oogenblik vernietigd is. Ja het gebeurt vaak, dat zij op bevel van hem, die hun dat opgedrongen denkbeeld heeft bijgebragt, onmiddellijk ontwaken uit den staat van doffen slaap, waaruit de plaatselijke aanwending van pijnlijke middelen hen niet kon doen verrijzen. Zeer vatbare personen zullen zelfs op bevel op een zeker uur van een bepaalden dag slapen en ter bestemder tijd weer ontwaken, en zij zullen 't doen in het denkbeeld, dat op het vastgestelde uur eene bijzondere magt op hen wordt uitgeoefend. Het is een toestand, die overeenkomt met slaapwandelen, geestverrukking of ecstase; hij vertoont al de overgangen van de genoemde toestanden tot het gewone droomen en wakend droomen of mijmeren (reverie). Wat zeer merkwaardig is, in verband beschouwd met vele dezer zenuwafwijkingen, is, dat iemand gedurende al dien tijd volkomen bewust kan zijn van hetgeen hij doet, en van het ongerijmde der zaak; bijv. hij kan weten, dat het water geen melk of stroop is en toch verklaart hij, dat het den smaak dezer vloeistoffen heeft. Dikwijls, wanneer zijne bewegingen geïnfluenceerd worden, biedt hij klaarblijkelijk weêrstand, maar schijnt toch gedwongen te worden door een wil, die sterker is dan zijn eigene. Hij lacht zelfs over zijne eigene dwaze daden, maar niettemin erkent hij zijne hulpeloosheid. Hij ziet en weet, dat het niets anders dan een wandelstok is, maar toch is hij verpligt al zijn krachten in te spannen om dien vast te houden. Zijne pogingen, om weêrstand te bieden, vermeerderen slechts zijne vermoeijing en dienen nergens anders toe, dan om hem des te zekerder het slagtoffer te maken van het denkbeeld, waardoor hij beheerscht wordt.
Het dient ook vermeld, dat, hoewel jonge en zenuwachtige personen zonder twijfel het meest algemeen worden getroffen, zulks geenszins altijd het geval is; want menigeen, schijn-
baar gezond en sterk, is er toe gebragt al het beschrevene te vertoonen. Tot nog toe heeft men steeds gevonden, dat, naarmate deze verschijnselen vaker bij iemand worden te weeg gebragt, zij in het vervolg des te gemakkelijker kunnen opgewekt worden, en dat de lijdende persoon des te gevoeliger en zenuwachtiger wordt.
Wij hebben tot dusverre slechts eenige der verschijnselen, die bij dergelijke zenuwachtige personen, van welke hier sprake is, kunnen voorkomen, opgesomd, maar terwijl deze oneindige wijzigingen toelaten, laten zich alle toch terugbrengen op vermeerdering, vermindering of verandering van begrip, gevoel of willekeurige beweging, op verschillende wijze onderling vereenigd en beantwoordende aan de eindelooze reeks der denkbeelden, die aan de bedoelde personen door anderen kunnen worden opgedrongen.
Soortgelijke verschijnselen, als de pas beschrevene, treft men in alle eeuwen aan, veroorzaakt bij zekere personen door denkbeelden, die boven alle andere hun geest innamen; zij zijn diensvolgens verschillend gewijzigd, naar gelang van opvoeding, beschaving, staatkundige gesteldheid en godsdienst, in het tijdvak, waarin zij voorkwamen. Hiertoe behooren de uitingen, die bij enkelen van hen, welke de priesterlijke gelofte hadden afgelegd, gedurende hunne inwijding in de geheimnissen, werden waargenomen; hiertoe behoort de zinsverrukking der Pythia en andere priesteressen der oudheid, de invloed van godsdienstige dweeperij; de dans van St. Vitus en het tarantisme, beide volksziekten der middeleeuwen; de zinsbegoochelingen der convulsionairs bij de grafsteê van den heiligen Medardus te Parijs, en wat van dien aard nog meer zij aan te voeren; alle dragen hetzelfde karakter. Talrijke afdwalingen der zenuwverrigtingen, één in wezen met de overige en neêrkomende op zinsbegoocheling, spierkrampen of stuipen, met eigenaardige reeksen van denkbeelden, die op handelen en spreken hun invloed deden gelden, kan men vinden in de geschiedenis van heksen en booze geesten, in de legenden der heiligen, in het Dagboek van Mr. Wesley en in de berigten der reizigers over de godsdienstige zamenkomsten onder den blooten hemel (campmeetings) in de wouden van Noord-Amerika. Zij zijn misschien tegenwoordig nog algemeener dan vroeger en verwekken niet minder verbazing bij onwetenden, terwijl het eenige onderscheid van nu en toen daarin ligt, dat dezelfde
verschijnselen, welke in het duister der middeleeuwen algemeen aan bezwering of toovenarij werden geweten, thans in het gewaad der wetenschap gehuld, aan Magnetisme of Electriciteit worden toegeschreven. De namen reeds getuigen dit; in Engeland spreekt men van ‘electrobiologische’ verschijnselen, ‘van dierlijk-magnetische’ in Duitschland, b.v. Reichenbach, bij ons eveneens; - doch de Heer Hoek gaat verder en maakt in het opschrift ‘levensmagnetismus’ een overgang, of liever, een teruggang van het physische op het metaphysische terrein.
Slaat men het oog op den inhoud van het werkje van den Heer Hoek, dan treft men daarin de openbaringen eener zijner patiënten aan, die, terwijl zij haren magnetiseur wijst op een ‘zuiverder godsdienst,’ hem toevoegt, dat hij het regt niet heeft, die mededeelingen, omdat zij niet overal ingang zullen vinden, aan de wereld te onthouden. Hoewel het in wakenden toestand onbewust zijn der lijderes van hetgeen zij in den magnetischen slaap haren magnetiseur openbaarde, alle contrôle opheft; hoewel ook de manier der classieke geschiedschrijvers, om hunnen helden aanspraken en redevoeringen in den mond te leggen, die de Heer Hoek hier schijnt te willen nabootsen, zeer geschikt is om in te lasschen wat den schrijver het beste te pas komt (hetgeen de Heer Hoek, trouwens, in de aan de openbaringen toegevoegde aanmerkingen, zeer naïf bekent steeds gedaan te hebben, waar wijziging of toevoeging hem ten nutte van het publiek dienstig scheen), niettegenstaande deze gebrekkige waarborgen voor de getrouwheid dier mededeeling, zijn wij echter verpligt ons in de beschrijving van de gewaarwordingen der clairvoyante daaraan te houden. ‘In den magnetischen slaap ben ik,’ zoo spreekt de lijderes, p. 4, ‘geheel en al vrij van de buitenwereld. Daarop is het mij alsof er een tweede persoon, hoe dan ook, aanwezig is.’ Pag. 5. ‘Slaap ik te lang voort, dan is het alsof er eene vraag tot mij gerigt wordt, om mij uit dien dommel te wekken. Zoo gij en ik het antwoord niet weet, is het de vrager, die het mij geeft. Het is eene zaak, tot nog toe aan mij geheel onbekend, maar van verheven, van goddelijken oorsprong. Wat ik thans van het magnetismus zie, is overheerlijk, en hetgeen ik niet beter verklaren kan, dan iets, dat gelijkt op een wasem, welke dient om de denkkrachtige werking van het magnetismus op te wekken. - Zoodra gij mij begint te magnetiseren, doortrekt de magne-
tische stroom, die, zoo als ik u zeide, aan een wasem gelijk is, mijn geheele ligchaam, maar hij is zoo dun en maakt mij alles zoo helder, dat ik het duidelijk kan doorzien; de fijnste mijner ligchaamsdeelen zijn mij helder; mijne vloeistoffen zelfs zijn mij duidelijk en klaar, mijn ligchaam gevoelt zich zoo ligt als zweefde het in een helder verlichte spheer.’
Pag. 7. ‘Wel meent de mensch naar willekeur het magnetische vermogen in werking te kunnen brengen, doch hiermede gaat het als met de meeste menschelijke handelingen, die evenwel door onzigtbare wezens bestuurd worden onder het opzigt van een alles besturenden God. En wie zou durven ontkennen, dat door den Almagtige zulke geestelijke wezens kunnen gevormd worden, die den mensch omgeven en hem inlichten ter ontdekking van hem onbekende zaken? Echter moet men zich wel wachten er stoffelijke denkbeelden aan te hechten. Pag. 8. Stel u dus een geestelijk wezen voor, dat met mijne ziel tot één geworden juist door die vereeniging mij inlichting geeft omtrent vele mij geheel vreemde zaken. Ik zou moeten beginnen met u te vragen of er, voor zoo ver u bekend is, tot heden door een clairvoyante ooit mededeelingen gedaan zijn gelijk ik thans doe en welligt nog doen zal. Uit deze mededeelingen zal blijken, dat hier niet, zoo als soms bij droomgezigten, bijgeloof werkt omtrent het bestaan van een denkbeeldig wezen. Hieraan kunt ge niet denken, wanneer gij u slechts mijn schrik herinnert toen het zich voor de eerste keer aan mij opdeed. Het is sedert dien tijd tot heden dezelfde gebleven, en dus noch een stoffelijk wezen, noch een, dat door een droomgezigt of eene geprikkelde verbeelding is te voorschijn geroepen. Het doet zich altijd, zelfs zonder dat ik er aan denk, op dezelfde wijze aan mij voor, en daarom wil ik deze heilige zaak niet beschouwd hebben als de vrucht eener geprikkelde verbeelding.’
Pag. 21. ‘Elken dag doet het magnetismus mij spoediger aan en bevind ik mij spoediger in den staat van helderheid; de geestelijke vrager is dadelijk tegenwoordig, en voor mijn ligchaam wordt als het ware de aarde te nietig.’
Pag. 23. ‘Om nu den patiënt bewusteloos te maken voor hetgeen hem omringt en hem te brengen tot de ontdekking van het onzigtbare, is de gelijktijdige zamenwerking noodig van den magnetiseur, van den patiënt, van den geestelijken
invloed; door die vereeniging wordt de ontdekking en de mededeeling van het ontdekte mogelijk. Bij mij heeft dit op een bijzondere wijze plaats. Het was een bijzonder geluid, zoo als ik nimmer van eenig menschelijk wezen gehoord heb, waardoor ik werd aangedaan,’ enz.
‘Pag. 27. Thans zullen wij tot een ander punt van onderzoek (!) overgaan, namelijk de hulp in het magnetismus door eene geestelijke tusschenkomst ontvangen. Het antwoord op uwe vraag: waarin die hulp dan wel bestaat, is, dat er iets geformeerd is met eene bepaalde gedaante, zoo ten minste komt het mij voor. Ik zal beproeven u den geestelijken vrager, welke voor mij van zooveel dienst is, zoo duidelijk mogelijk voor te stellen, doch moet dit met de grootste omzigtigheid behandelen. De gedaante, waarin hij zich sedert maanden na zijne eerste verschijning aan mij voordoet, is altijd dezelfde; het is die van een mensch. Zonderling verschijnsel! Terwijl ik deze laatste woorden uitspreek, houdt hij zich plotseling stil; ik zoude wel wenschen dat hij zelf zich aan mij beschreef, want daar ik hem slechts als een schaduw zie, is het mij zonder zijne ondersteuning onmogelijk hem te beschrijvan. Er vertoont zich alzoo op dit oogenblik eene zwijgende menschelijke gedaante voor mij in eene edelere en schoonere gestalte dan de wereld ooit mogt aanschouwen. Ik zie nu die gedaante duidelijker dan ooit; gewoonlijk is het meer het geluid, dat tot mij komt.
Hoezeer nu deze vorm met de omschrevene overeen mag komen, is dezelve echter over het geheel iets donkerder van aanzien; zij is als het ware door een nevel omgeven, en zoo moet het wezen, omdat het slechts een daargesteld hulpmiddel is, dat naderhand weder te niet gaat. Die in eene menschelijke gestalte gehulde nevelgedaante is met een geestelijken invloed bedeeld en gaat eenmaal weder te niet. Dit evenwel doet niets af; het was slechts ten mijnen dienste daargesteld. Door dien nevel komt een stem tot mij, hetgeen ik u door een voorbeeld kan ophelderen.’
Op het eind harer openbaringen (waarover straks nader) beantwoordt zij de moeijelijke vraag: of zij ook iemand is ‘die door het magnetismus in verrukking (wordt hier bedoeld het duitsche verrückt = krankzinnig) geraakt is?’ aldus, ‘wanneer dat waar is, hoe verklaart gij dan de wijze, waarop ik zonder geestelijken invloed tot die mededeelingen zoude gekomen zijn onder gedurige vermeerdering? Al is u dat niet
duidelijk, het staat nog maar gelijk met zoovele bijbelsche mededeelingen; kan hetgeen toen op eene andere door God goedgekeurde wijze plaats had, niet thans plaats hebben door middel van het magnetismus? Waarom kan het niet eene verhoogde werking en soms verrukking van den geest zijn, zonder dat het verstoring te weeg brengt? Ja, ik geniet in die oogenblikken iets zoo onbeschrijfelijks heerlijks, dat ik duidelijk kan nagaan, wat eens een Paulus genoten moet hebben, toen hij, zoo als geschreven staat, werd opgetrokken in den derden hemel, hetgeen men echter alleen geestelijk verstaan moet, en waardoor God hem misschien nog meer liefde bewees dan door de verschijning van Jezus tot zijne bekeering.’
Wij nemen de vrijheid uit deze aanhalingen het volgende te besluiten, dat die patiënte op het oogenblik, dat zij in dien toestand verkeerde, hallucinatiën of zinsbegoochelingen had van het gezigt, het gehoor, van het algemeen gevoel, beantwoordende en in verband staande met een denkbeeld, dat gedurende eenigen tijd alle overige van de buitenwereld, van de objective werkelijkheid afhankelijke gewaarwordingen onderdrukt of verduistert. De gedachte nu, die in al hare mededeelingen doorstraalt, die hare gewaarwordingen, waarvoor geen objectieve grond was, een bepaalden vorm geeft, is hoofdzakelijk die, dat zij onder den invloed staat eener bovennatuurlijke kracht, dat zij ‘den geest heeft,’ die, bij steeds stijgende levendigheid harer phantasie, ligchamelijke menschelijke vormen aanneemt; zij wordt zich zelve daardoor een hooger wezen en weet alleen, terwijl de anderen er niets van zouden weten, wat het magnetisme zij, hoedanig de toestand der zielen na den dood; de drieëenheid van Vader, Zoon en Heiligen Geest wordt ter sprake gebragt, zoo ook de Godheid van Christus; ‘deze is een punt niet zoo moeijelijk als men zoude opmaken uit deze menigvuldige twisten der menschen;’ kortom, zij heeft eene zoo bovenmenschelijke voorstelling van zich zelve, dat ons dit, gepaard met hare zinsbegoochelingen, waardoor zij geheel en al wordt meêgesleept, het regt geeft haar toestand ziekelijk te heeten en tijdelijk ten minste met krankzinnigheid gelijk te stellen. Het laat zich alleen uit de gebrekkige of ontbrekende geneeskundige, meer bepaald psychologische, kennis van den Heer Hoek verklaren, dat hij, evenzeer als de patiënte zelve, dupe is geworden van hare waanvoorstellingen; of zou hij welligt als magnetiseur tevens
de middellijke auteur der hemelsche openbaringen zijner kranke zijn?
Het is zeker vreemd, dat de Heer Hoek, niettegenstaande de verwaande vraag der clairvoyante: of men ooit zoo iets gehoord had? bij uitnemendheid gelukkig geweest is om hare uitspraken door aanhalingen uit oude en nieuwe schrijvers, van Swedenborgh tot Dr. van Oosterzee toe, in schijn of inderdaad te staven. Ons komt het hoogst waarschijnlijk voor, dat de lezing althans van Swedenborgh óf bij den Heer Hoek óf bij de clairvoyante aan hare openbaringen is voorafgegaan. De andere schrijvers zijn minder van pas aangehaald dan de beide genoemde, zoo b.v. Schroeder van der Kolk; want juist wat hier aan eene voorlang geschrevene en thans verouderde voorlezing des Hoogleeraars ontleend wordt, zou noch Zijn Hoog Gel. zelve, noch eenig ander deskundige langer als algemeene waarheid willen staande houden. Met onmiskenbare behendigheid echter heeft de Heer Hoek eene onvoorzigtige uiting van den bovengenoemden gevierden kanselredenaar tot ondersteuning zijner clairvoyante uitspraak aangewend, zij luidt aldus: ‘behoort de magnetische kracht waarlijk tot het wezen der menschelijke natuur, hare kiem moet dan ook in Christus den mensch bij uitnemendheid aanwezig geweest zijn. Waren de echt menschelijke vermogens in Hem volkomen ontwikkeld, Hij kan zelfs dit in eene hooge mate bezeten hebben, afgescheiden van al wat het besmetten en verontreinigen kan. En die deze kracht als eene der hoogste in de menschheid eerbiedigt, beleedigt ook den Christus niet door hare werkingen van verre met deze te vergelijken.’ Wij zouden te ver gaan, wanneer wij die hypothetische onkunde en die zekere dwaling wilden beantwoorden met den uitroep: de Godsdienst is te heilig om ze met kwakzalverijen te steunen, of omgekeerd deze met bijbeltexten en parabelen, gelijk de clairvoyante doet, te vergulden voor het oog der onkundige en ligtgeloovige menigte; het bijgeloof baant een breeden weg voor het scepticisme, dat alligt na de overwinning verder gaat en de hand slaat aan het geloof. Die overweging reeds had den redenaar moeten weêrhouden een dubbelzinnig sieraad, de valsche bloemen van profaan bijgeloof te mengen aan den eenvoud van het ware Christendom; reeds zijn wij met den Heer Hoek er niet verre af in Maria eene somnambule te begroeten, in Christus eenen?...
De gedachte doet ons huiveren, niet minder dan de bedek-
telijk uitgesproken bedreiging: ‘maar wie zondigt tegen den Heiligen Geest, dien zal niet vergeven worden,’ in verband met de woorden van Swedenborgh: ‘Mais quiconque veuille procéder à ce genre d'expériences prenne garde à n'en point abuser par un esprit de vaine curiosité; car il est visible que ce serait commêttre une profanation, qui certainement ne manquera pas d'entrainer à sa suite une peine meritée.’ Neen, wij herhalen het; wij zouden te ver gaan, wanneer wij daarin iets anders of iets meer wilden zien dan eene deerniswaardige dweeperij, dan eene grove dwaling. Gevaarlijk is en wordt die dwaling, wanneer zij in schijn of inderdaad door invloedrijke mannen ondersteund wordt. Daarom is het pligt te waken, dat het publiek er niet het slagtoffer van worde, gelijk de Heer Hoek de dupe werd zijner clairvoyante. Wij nemen de vrijheid hem ter lezing aan te bevelen: ‘De betoverde wereld, zijnde een grondig ondersoek van 't gemeen gevoelen aangaande de Geesten,’ enz., door Balthasar Bekker, 1691.
Doch reeds te lang hebben wij stilgestaan bij de geschiedenis eener enkele patiënte en bij de gevolgen en aanmerkingen, die daaruit ongevoelig voortvloeiden; wij bedoelden er niets meer meê dan een bijzonder geval in details als voorbeeld te geven van de verschijnselen, die wij eerst in het algemeen geschetst hebben.
Men zal thans gereedelijk inzien, hoe naauw die Mesmerische toestand met de eerste verschijnselen van waanzin verwant is, wanneer men er bij Henry Monro (‘Remarks on insanity’ 1851) het volgende over leest: ‘In gevallen dezer ziekte heeft noch de heerschappij van den wil, noch de magt der rede op de meeste punten opgehouden te werken, terwijl dit niettemin voor enkele punten werkelijk plaats vindt; zulke menschen nu kunnen met hunne gedachten de meeste onderwerpen vrij wel volgen; zij kunnen volkomen het verband zien, dat oorzaak en gevolg zamenbindt en dat de indrukken van den geest vereenigt met de dingen buiten hen, maar juist die indrukken, welke het diepst in hun geest bevestigd zijn, kunnen zij niet beheerschen. Zulk een toestand nu wordt dikwijls het tooneel van inwendigen strijd en gewetensbezwaar, vooral, zoolang de worsteling tusschen de ziekelijke indrukken en de vermogens, die haar trachten te beheerschen nog hevig woedt; inderdaad wij mogen beweren, dat alle ziekelijke en buitensporige indrukken, zoo-
dra ze elke verdere overweging uitsluiten, den rudimentairen vorm dier aandoening daarstellen, hoewel men streng genomen niet zeggen kan, dat er zich volkomene krankzinnigheid ontwikkeld heeft, zoolang niet de strijd door een overwinning van de zijde der ziekelijke gewaarwordingen beslist is, waardoor de zedelijke vrijheid en het vermogen om de rede op die punten te doen gelden, verloren gaan.’
Het eerste tooneel van het proces, dat Monro ons hier zoo naauwkeurig beschrijft, bestaat dus daarin, dat zekere personen geen meester meer zijn over die indrukken, welke het stevigst in hunnen geest zijn ingeprent; dit nu kan kunstmatig worden te voorschijn gebragt, en wel bij ongeveer één op de twintig menschen, gemiddeld over eene geheele bevolking gerekend. Een paar rondreizende kunstenaars hebben in den loop van dit jaar dit in Edinburgh feitelijk vertoond. Daarbij geschiedt namelijk het volgende: men neemt een zeker aantal personen zonder onderscheid of keuze; indien deze er nu toe gebragt kunnen worden gedurende een minuut of tien op eenig voorwerp onwrikbaar hun oog te vestigen, dan wordt er, hetzij bij een van hen, hetzij bij meerdere, vooral wanneer het jonge personen zijn, een eigenaardige toestand der hersenverrigtingen teweeggebragt, waarin de betrokkene persoon er toe gebragt kan worden, niet alleen om te handelen volgens eene reeks van denkbeelden, die een ander hem opdringt, maar waarin zijn gevoel en beweging in elke rigting gebonden en door anderen beheerscht worden.
Hoe wordt die toestand teweeggebragt? Schijnbaar zeer verschillende middelen worden daarvoor gebezigd; toch zijn alle in hunne wijze van werking, in het wezen der zaak gelijk. Mesmer b.v. deed zijne menschen in eene soort van trog zitten en beval hen dan te kijken op een staafje, dat hij hen in de hand deed houden. Dr. Darling laat zijne menschen kijken op een kleine munt, die in de vlakke hand gelegd wordt, terwijl Mr. Lewis en andere de aandacht hunner patiënten op zich zelve vestigen of op de toppen hunner vingers, welke zij op de oogen der behandelde persoon rigten.
Mr. J. Braid verhaalt ons het volgende: voor negen jaar ben ik begonnen het mesmerisme proefondervindelijk te toetsen; aldra leerden mijne experimenten, dat men zichzelven soortgelijke verschijnselen, zoo als een ongewonen slaap, een eigenaardigen toestand van ziel en ligchaam bezorgen kan door met een vasten blik op een of ander onbezield voor-
werp te staren, terwijl men tevens zijne geheele aandacht op deze handeling concentreert. Dit nu bewijst reeds terstond den subjectiven of personelen aard van den Mesmerischen invloed en overtuigt ons, dat het ontstaan der Mesmerische verschijnselen niet afhangt van eenigen magnetischen of verborgenen invloed, die van den magnetiseur op den patiënt zou overgaan, gelijk de dierlijke magnetiseurs (Hoek) beweren.
De krachtige werking der gezegde methode is door Braid op eene openbare voorlezing te Manchester ten aanhoore van circa 800 menschen aangetoond; alvorens hij bij die gelegenheid zijne theoretische inzigten uiteenzette en de verschijnselen liet zien op personen, die reeds vroeger dergelijke bewerkingen hadden ondergaan, noodigde hij vreemdelingen, die nimmer bewerkt waren, uit om op te komen en de uitwerking zijner handelwijze te beproeven. Veertien volwassen mannen traden op, die hem alle geheel en al onbekend waren. Eenige van hen werden verzocht hun oog zoo vast mogelijk te vestigen op het einde van een kurk, die op hun hoofd werd vastgebonden, zoodat zij voor de helft over het voorhoofd uitstak; elk werd verzocht te kijken op de kurk boven op zijn eigen hoofd vastgemaakt, en zijne aandacht onverdeeld op deze handeling te bepalen. Eenige andere werden verzocht, hunne blikken en gedachten te vestigen op een punt van den gas-toestel, die zich in de zaal bevond. Alle begonnen de handeling tegelijkertijd, en tien van de veertien geraakten in slaap, en wel zonder dat hij in het minst een van hen had aangeraakt voordat hunne oogleden zich onwillekeurig sloten. Geen van hen scheen in staat de oogen te openen, ofschoon zij hun bewustzijn behielden1. Eenige werden kataleptisch; andere waren ongevoelig voor het prikken met een naald, en een of twee vergaten al wat er met hen gebeurd was. Een dergenen, welke zich niets herinnerden van hetgeen gedurende hun slaap was
voorgevallen, was een krachtvolle werktuigkundige, die was uitgezonden op aanstoken van een zekeren geneeskundige, om Braid tegen te werken, en dit deed hij dan ook door zich niet naar zijne voorwaarden te schikken; maar niettemin, toen hij hem eindelijk te kennen gaf, dat hij bemerkte dat hij valsch deed, zette hij zich er toe met een boos wantrouwend gezigt - nu was hij spoedig ingepakt en werd dien avond een van de beste voorbeelden van de kracht zijner handelwijze. Nog een ander, een zeer verstandige fatsoenlijke man, was zulk een twijfelaar, dat hij, voor hij opstond, zeide: ‘zien was bij hem nog geen gelooven, maar hij moest voelen voor hij er aan gelooven wilde;’ ook hij werd een uitstekend voorbeeld, en toen hij zich ontslagen voelde, beschreef hij zijne gewaarwordingen aan het publiek. Inmiddels dat dit een en ander geschiedde, hadden nog drie leden van het gezelschap zich in denzelfden toestand gebragt door hunne oogen en gedachten op bepaalde punten in de zaal te vestigen, naar aanleiding van hetgeen Braid in zijne voorlezing als een voldoend middel om in slaap te geraken, had aangegeven. Hij wist niets van hetgeen zij deden of in den zin hadden te doen, tot dat hunne vrienden met luider stem hem toeriepen om hen los te rukken uit den diepen slaap waarin zij verzonken waren, toen het hun door aanstooten als anderzins niet gelukt was hen wakker te krijgen.
Ik ben even goed geslaagd, zegt Braid, bij het werken op een aantal vreemdelingen bij gelegenheid van een privaat onderhoud, dat ik met de faculteit te Londen in 1842 had; zestien toch van de achttien geraakten in slaap eenvoudig door sterk op één punt te staren en de aandacht op die handeling te vestigen, terwijl zij de pit van een kandelaar in het oog hielden. Met de meeste van hen was nooit te voren iets dergelijks gebeurd. Nimmer heb ik een van hen aangeraakt, eer hunne oogleden zich van zelve sloten. Mr. Herbert Mayo, de uitstekende physioloog en heelkundige, stelde hen op de proef en stak een naald door den rug van de hand door en door tot in de handpalm bij eenen patiënt, zonder dat deze het geringste bewustzijn van pijn deed blijken of eenige herinnering er van had bij zijn ontwaken.
Dat men een haan buiten zich zelven kan brengen door zijn bek op den grond of op de tafel te houden, zoodat men het dier dwingt op een krijtstreep of een strook gekleurd papier, die voor het beest ligt, te kijken, is een voorbeeld uit
het dagelijksch leven, dat op hetzelfde neêrkomt. Uit deze feiten en uit ontelbare andere, welke mij zelven of anderen, die mijne inzigten en wijze van werken hebben aangenomen, zijn voorgekomen, en verder uit de manieren der Indische Fakirs, welke met een godsdienstig doel sinds 2400 jaren gewoon zijn zich zelve in een staat van ecstatische zinsverrukking te brengen door soortgelijke handelwijze, doordien namelijk ieder onverzettelijk blijft kijken op de punt van zijn eigen neus of op eenig ander deel van zijn eigen ligchaam, of ook wel op eenig onbezield of denkbeeldig voorwerp, b.v. een hunner afgoden en op die handeling zijne onverdeelde aandacht vestigt - uit dit alles besluit ik (Braid), nademaal gelijksoortige uitkomsten uit alle deze persoonlijke handelingen ontstaan, dat men geenerlei reden heeft om te betwijfelen dat die invloed wezenlijk eene subjectieve of persoonlijke is, en dat de opvolgende resultaten slechts eene van andere personen afhankelijke wijziging en versterking ondergaan, hetzij door inblazingen of indrukken, door suggestions, die tot de bedoelde persoon komen door middel van woorden, binnen het bereik van zijn gehoor gesproken, hetzij door andere physische indrukken, die op de bijzondere zinsorganen werken. Gemelde toestand is wezenlijk een afgetrokken zijn des geestes, eene concentratie der gedachten, waarbij de geestvermogens overmeesterd, zoo niet geheel en al ingenomen, zijn door een enkel denkbeeld of eene enkele gedachtenreeks en wat daarmeê gepaard gaat; waarbij de geest onbewust, of, bijaldien er nog eenig bewustzijn overbleef, ten minste onverschillig is geworden voor alle andere denkbeelden of indrukken. In gemelden toestand wordt de verbeelding zoo levendig, dat zij als voorhanden in de werkelijkheid aanneemt elk denkbeeld, dat óf van zelf in den geest opkomt, óf dat door iemand anders, op wien des lijders aandacht bijzonder gevestigd was, wordt bijgebragt; en hoe vaker deze verschijnselen worden opgewekt, des te gemakkelijker kunnen zij bij herhaling te voorschijn geroepen worden volgens de wetten van associatie en gewoonte. Buitendien, patiënten welke van nature in hoogen graad ontvankelijk zijn voor zulke indrukken, worden ten laatste zoo gevoelig, dat zij gevaar loopen in dien toestand te vervallen, geheel alleen door middel van de kracht hunner verbeelding en van hun vast vertrouwen, dat er ergens anders eenige bewerking plaats vindt, die de kracht heeft
hen in dien toestand te brengen; dit nu kan gebeuren zonder dat op dien tijd op eenigerlei wijze eenige bewerking wordt verrigt. Dit is zonder twijfel een groote bron van dwaling voor hen, die op grond van een toevallig zamenvallen van proeven en uitkomsten beweren, dat zij de magt bezitten om uit de verte op patiënten invloed uit te oefenen, door hun enkelen wil (cf. Hoek, pag. 61) of door geheime wegen.
Zij, die dezen toestand met den naam van electro-biologisch bestempelen, maken bij hunne proeven gaarne gebruik van koper en zink. Die stukken koper en zink zijn echter niets anders dan zigt- en tastbare voorwerpen, die den patiënt behulpzaam zijn in het bepalen van zijne aandacht op één punt, om zoo dien toestand van afgetrokkenheid voort te brengen, welke de werkelijke oorsprong en het wezen is van al wat later volgt. ‘Ik weet bij ondervinding,’ zegt Braid, ‘dat eenig ander voorwerp even werkzaam zou zijn, onder beding, dat de patiënt er dezelfde overtuiging van koestert.’
Genoemde schrijver geeft in eene brochure1, waarin hij de zooveel gerucht makende proeven van den Baron Reichenbach toetst, het volgende verslag omtrent de werking van magneten, waaraan men toen gaarne de zoogenaamde magnetische verschijnselen wilde toekennen. ‘Met bijna alle de patiënten heb ik die proeven genomen; vele van hen waren vroeger nooit gemesmeriseerd. Terwijl de magneet of ook een ander ding langzaam van het gewricht van de hand naar de toppen van de vingers getrokken werd, kwamen er verschillende uitwerksels tot stand, zoo als eene verandering van temperatuur, tinteling, kriebeling, prikkeling, krampachtige schokkingen der spieren, katalepsie van de vingers of van den arm of van beide; het omkeeren der beweging werd gemeenlijk gevolgd door eene verandering der verschijnsels, ten gevolge van den gewijzigden loop der gedachten, die daardoor den lijders werd bijgebragt. Buitendien, indien eenig denkbeeld van 'tgeen men verwachten kon vooraf in hun geest aanwezig was of al sprekende hun in den loop der bewerking werd bijgebragt, zoo werd dit gewoonlijk zeer spoedig verwezenlijkt. Verzocht men de genoemde patiënten nu om op zij te zien, of werd er een scherm tusschen beide geplaatst, zoodat zij verhinderd werden te zien
wat er gedaan werd, en verzocht men hen dan hunne gewaarwordingen gedurende de herhaling der bewerkingen te beschrijven, dan werd het tot stand komen van gelijksoortige verschijnselen voorgedragen, zelfs wanneer er niets ter wereld gedaan was, behalve hen gade te slaan en hunne antwoorden aan te teekenen; zij geloofden, dat de bewerkingen herhaald werden; hun geest werd op het deel gerigt, en zoo doende werd er eene physiologische verandering in opgewekt, waardoor zij tot het geloof genoopt werden, dat er werkelijk iets bestond, en hunne gewaarwordingen beschreven, alsof die door uitwendige indrukken ontstaan waren.’
Thans kunnen wij overgaan tot de beschouwing der zoogenaamde magnetische of mesmerische manipulatiën en strijkingen. De strijkingen worden verdeeld in contact-strijkingen, waarbij de vingers van den magnetiseur oppervlakkig over het deel, dat aangedaan zal worden, worden voortgeschoven, en in niet-contact-strijkingen, welke bestaan in het bewegen van de hand over het deel, wel zeer digt er bij, maar zonder het te raken, terwijl de vingers uitgespreid in eene trillende beweging gehouden worden, zoodat er eene ligte verplaatsing van de laag lucht, die het deel, waarop gewerkt wordt, omgeeft en aanraakt, veroorzaakt wordt. De mesmeristen beweren, dat de daargestelde uitwerkingen ontspringen uit een verborgen of magnetischen invloed, of dat het de odyle-kracht van Baron Reichenbach is, welke het deel op eene eigenaardige manier aandoet. Mijne (Braid's) onderzoekingen evenwel hebben mij genoopt het toe te schrijven aan het vermogen, dat de geest van den lijder heeft, om de physiologische verrigting van dat deel te veranderen, naar hetwelk de geest met geweld wordt heengetrokken en vastgehouden. Dit geschiedt door middel van waarneembare indrukken der buitenwereld, hetzij door de onbewegelijke stemming van de aandacht, hetzij door het streven van den patient volgens eigen willekeur, in het bijzonder wanneer dit geschiedt in de verwachting en met vertrouwend geloof, dat er eenige verandering op handen is. Indien nu juist bij het verschijnen van den slaap de indrukken op de bijzondere zinswerktuigen gerigt zijn, zullen er in den geest van den lijder denkbeelden worden opgewekt, die overeenstemmen met de bijzondere verrigting van het orgaan, waarop zijn geest gerigt was; is het op een deel, waar spieren liggen, dan zullen de spieren in werking gebragt worden, en waarschijnlijk die denkbeelden opwellen, welke
gewoonlijk aan hunne physiologische werking voorafgaan of er aanleiding toe geven.
Tot een van de meest verbazende klassen van verschijnselen, welke ik gelegenheid had waar te nemen, behoort het omgekeerde resultaat, hetgeen uit dezelfde voelbare indrukken scheen te ontstaan. Zoo b.v. zullen contact-strijkingen of het heen en weêr bewegen van de lucht in den loop van een arm of been de spieren in werking brengen en het lid doen opligten.
Dit noemen de mesmeristen ‘mesmeriserende strijkingen,’ en wanneer zij de lucht dwars over het lid heen en weêr wuiven en het daardoor doen dalen, noemen zij dit ‘demesmeriserende strijkingen;’ verder, door de lucht langs de eene zij van het hoofd heen en weêr te bewegen, zouden zij veroorzaken, dat het hoofd de hand van den operateur volgt, eerst naar de eene en dan naar de andere zijde; of eindelijk door met hunne hand plotseling over de hand van den patient heen te schieten en ze dan snel terug te trekken, en die bewerking telkens te herhalen, zouden zij bewerken, dat de hand wordt opgeheven en kataleptisch wordt. Dit staat bij de mesmeristen als een ontwijfelbaar bewijs te boek, dat er eene aantrekking aanwezig is tusschen de hand van den kunstenaar en de hand der patiente, die zij aantrekt gelijk de magneet het ijzer. Ik (Braid) bemerkte al spoedig, dat, wanneer de patienten beginnen in te slapen, zij nog vatbaar genoeg zijn om door zekere indrukken te worden aangedaan, en dat zij die indrukken zullen naderen of ontwijken, al naarmate die aangenaam of onaangenaam zijn door hoedanigheid of door intensiteit. Bij voorbeeld: zachte muzijk zal hun genoegen geven en zij zullen naderbij komen, terwijl zij pijnlijk zullen aangedaan worden en zich terug zullen trekken bij zeer harde en ruwe muzijk; hetzelfde geldt voor geuren, voor indrukken van hitte en koû, enz. Ik heb mij verzekerd, dat het kittelen der huid, of het heen en weder bewegen der lucht boven de huid de onderliggende spieren in beweging zal brengen, en dat men hen zoo de hand kan buigen en den arm kan doen opheffen; terwijl, door op soortgelijke wijze te handelen met de tegenovergestelde spiergroep, de hand en de vingers zullen uitgestrekt worden en de arm zal vallen. Dit schijnt eenvoudig en begrijpelijk genoeg. Maar verder nog heb ik mij vergewist, dat, wanneer een groep spieren in beweging gebragt is door zulke
indrukken, en men laat ze een korten tijd in den aangenomen stand verwijlen, dat dan de herhaling van denzelfden voelbaren indruk op dezelfde punten, waardoor de beweging was voortgebragt, dit thans niet wederom te voorschijn zal brengen, maar dat nu door schijnbaar dezelfde opwekkende oorzaak juist de omgekeerde werking wordt voortgebragt, om het even of het eene contact-strijking dan wel een eenvoudig wuiven der lucht geweest was. Ik vond buitendien, dat mijn wil niets met die uitkomsten te maken had, daar juist de gewone uitkomst verkregen werd, wanneer ik het omgekeerde verlangde. Deze tegenstrijdige uitwerkingen van dezelfde opwekkende oorzaak verbaasden mij zeer en deden mij inderdaad versteld staan, maar eindelijk kwam ik tot eene zeer eenvoudige oplossing van het schijnbare raadsel. Het viel mij namelijk in, dat, wanneer de patient in het geschikte tijdperk van den slaap verkeert, om die verschijnselen te openbaren, zijn bewustzijn en wil dan zoo zeer beneveld zijn, dat de bewegingen slechts instinctmatig of automatisch geschieden, en juist daarom geeft de indruk niets anders dan eene neiging tot beweging aan, terwijl de rigting en het karakter der beweging juist de meest natuurlijke zijn voor de omstandigheden, welke op dat oogenblik aanwezig zijn. Om die reden zal door dezelfde opwekkende oorzaak de spier, die in rust is, in werking komen, en die in werking is, zal in rust komen. Derhalve, wanneer er een indruk gegeven wordt aan de hand of den arm, die op den schoot ligt, zal die, daar zij niet kan zakken, omhoog gaan en uitgestrekt worden. Daarentegen zal door het maken van denzelfden indruk, nadat zij eene wijl in dien toestand is blijven verkeeren, spierwerking ontstaan, en wederom die beweging, welke de meest natuurlijke is, tot stand komen, dat is voor dat oogenblik het naar beneden gaan. Indien er eenig beletsel voor het rijzen of dalen tusschen beide gebragt wordt, zal het deel bij het herhalen van den indruk zijdelings bewogen worden. Dezelfde wijze van in werking te geraken door waarneembare indrukken, en de omgekeerde uitslag, daarbij zoo even vermeld, kan beperkt zijn tot enkele spieren of tot geheele spiergroepen. Geheel op dezelfde manier kan men werken op de spieren, die de uitdrukking aan het gelaat geven, en zoo doende een hartstogt of gemoedsaandoening doen ontwaken; in dat geval brengt de werking der spieren, die tot
de mimiek behooren, den geest de gewaarwording bij van het voorwerp, dat hen aandoet, beantwoordende aan het denkbeeld, dat in den wakenden toestand gewoonlijk dit beteekenisvolle spel der gelaat-spieren in beweging brengt.
Het is dus eene eenvoudige omkeering van de opvolging, welke in den regel tusschen zielsaandoening en de physische uitingen dezer aandoening plaats vindt. Dat er geene verborgene of specifieke kracht in de strijkingen met de hand schuilt, blijkt daaruit, dat eene soortgelijke beweging der lucht door het blazen uit een blaasbalk volkomen gelijke uitkomsten zal opleveren als de luchtstrooming, die het wuiven der menschelijke hand doet ontstaan, zoo als ik dan ook tot volkomene voldoening van honderde verstandige lieden bewezen heb.
Tot hiertoe hebben wij ons stipt aan de meening van Braid gehouden; wij verlaten hem thans, om de oorzaak nog van eene andere zijde te beschouwen.
De verschillende bewegingen en kunstgrepen der zoogenaamde dierlijke magnetiseurs zijn geheel in tegenspraak met hetgeen zij doen moesten, indien de hun eigene inzigten de ware waren. Want terwijl toch aan den eenen kant hunne bewerkingen zeer beteekenend zijn voor den geest des lijders, worden zij van den anderen kant nooit op zulk eene wijze verrigt, dat zij die spieren, wier werking verlangd wordt, en noodzakelijk is voor de beweging, die zij willen doen uitvoeren, prikkelen, hetgeen zij toch moesten doen, indien het waar was, dat er eene prikkelende of opwekkende stof uit hunne vingertoppen uitstroomde. Bij voorbeeld, wanneer zij verlangen den mond te sluiten en de kaken op elkander te brengen, zijn hunne handen niet gerigt op de slaapspieren, maar op den mond of op de keel. Wanneer zij iemand willen doen bukken of neerzitten, bewegen zij hunne handen van boven naar beneden, of naar voren toe, om hem als het ware de handeling, die zij op het oog hebben, aan het verstand te brengen, maar nimmer zijn hunne handen gerigt op de breede buigspieren, door wier zamentrekking de verlangde beweging volbragt wordt. Eveneens, wanneer een der ledematen of de tronk wordt uitgestrekt, zijn het niet de strekspieren, waarop hoofdzakelijk gewerkt wordt, maar er worden bewegingen gemaakt, die de handeling van het uitstrekken zelve voorstellen of aangeven. Inderdaad, om wetenschappelijk te werk te gaan en in overeenstemming met hunne eigene begrippen,
wordt eene aanmerkelijke ontleedkundige kennis vereischt, welke geenszins noodig is om als ‘magnetiseur’ wel te slagen. Op den Heer Hoek, die, gelijk een beoordeelaar van zijn vroeger geschrift aanmerkte, zijne anatomie van een clairvoyante geleerd schijnt te hebben, is dit waarschijnlijk zeer toepasselijk.
Het pleit zeker evenmin voor de anatomische kennis der magnetiseurs, dat, voor zoover wij dit in hunne werkjes en pamphletten konden nagaan, geen van hen gebruik gemaakt heeft van het geschrift van T. Pacini di Pistoja, over de naar hem genoemde ligchaampjes. Men vindt namelijk bij sommige dieren en bij den mensch hoofdzakelijk aan de handpalm en voetzool in de huid kleine gierstkorrelgroote schaalvormig zaamgestelde ligchaampjes, wier centrale holte een door het bevatte vocht omspoelde zenuwvezel, die gewoonlijk daar eindigt, omsluit. Pacini nu opperde de stelling, dat elk ligchaampje een animale magneto-motor zij; hij grondde zich daarbij op de analogie tusschen magnetisme en dierlijke electriciteit, op de overeenkomst der genoemde organen met den electrischen toestel der electrische visschen, en verder op het in 't oog springend beantwoorden aan de zitplaats dier organen van de handelwijze, waardoor de verschijnselen van dierlijk magnetisme gewoonlijk worden te voorschijn gebragt. Men ziet toch, zoo redeneert hij ongeveer, dat die ligchaampjes voorkomen aan de handen, met welke op haar, gelijk ook op de overige deelen der ledematen, de zoogenaamde magnetische strijkingen worden ten uitvoer gebragt; verder, dat zij aan de zenuwen der ledematen, vooral aan de voeten, voorkomen, die bij de magnetische manoeuvres gewoonlijk zeer in aanmerking komen; eindelijk ook in de bovenbuikstreek, op welke zeker iedere magnetiseur zijne kunst beproefd heeft, om het wonderbaarlijke verschijnsel van het aldaar gevestigd magnetisch zien in persoon te aanschouwen. Dit vermogen is echter ook aan de handen en andere ligchaamsdeelen eigen. Het blijkt hieruit genoeg, dat de gewone magnetiseurs den Italiaanschen anatoom, wanneer zij hem gekend hadden, met vreugde als hun bondgenoot begroet zouden hebben. In denzelfden geest uitten zich ook Henle en Kölliker1, wier woorden wij hier overnemen: ‘Es soll uns nicht wundern, wenn die Anhänger des thierischen Magnetismus, die auch bei uns nicht ganz ausgegangen sind, die Sätze von Pacini
mit Wärme ergreifen und zu ihrem Besten verwenden. Nur bitten wir sie alsdann, ihre Manipulationen auf die Oberbauch-gegend der Katze ausdehnen zu wollen, die vermöge ihres Reichthums an magnetischen Apparaten sehr interessante Thatsachen verspricht.’
Eene strijking derhalve, als een zigtbare en waarneembare indruk, is den patient behulpzaam bij het concentreren der aandacht van zijnen geest op een gegeven orgaan of ligchaamsdeel, en dus oefent die verrigting haren invloed uit door eene bepaalde rigting te geven aan de kracht, die binnen in des lijders eigen ligchaam zetelt; maar het heeft evenmin te maken met eene soort van verborgen invloed van den kunstenaar op den lijder, als de lens het licht en de warmte schept, welke zij zigtbaar en waarneembaar voor onze zinnen maakt door de licht- en warmtestralen der zon te verzamelen en in het brandpunt bijeen te brengen. Beide, de strijking en de lens, helpen door de respectieve invloeden zamen te brengen en duidelijk waarneembaar te maken; maar noch de kunstenaar, noch de lens is de bron of oorsprong van het vermogen, of van den invloed, die er zich door openbaart.
Zoo even hebben wij uiteengezet, wat op natuurlijken weg bij de behandelde personen kon tot stand gebragt worden, zonder dat er eenige onderrigting of influistering, van welken aard ook, is voorafgegaan. Het is echter zeer goed mogelijk deze natuurlijke verschijnselen in hun geheel om te te keeren door eene stelselmatige onderrigting op de volgende wijze: veronderstel, dat met elke aanraking of beweging der lucht de kunstenaar overluid spreekt en vooruit zegt, wat er gebeuren zal, dan kan dat inblazen door het oor sterk genoeg werken, om de voorzegde uiting tot stand te brengen, in plaats van hetgeen anders zou gebeurd zijn, en zoo doende zullen, van dat oogenblik af, door middel van dubbele herinnering, door denzelfden indruk op dat deel of zinsorgaan van vroeger, de vooraf in verbinding gebragte voorstelling met hare uiting op nieuw te voorschijn worden geroepen. Wij mogen dus even goed een kunstmatig als een natuurlijk stel van verschijnselen aannemen, die zich openbaren in overeenstemming met de wijze van werking en volgens de bedoeling van den kunstenaar.
Wij hebben bij het nagaan van de voornaamste hulpmiddelen en kunstgrepen, die gewoonlijk worden gebezigd, tevens hunne wijze van werken reeds gedeeltelijk moeten
aanroeren, wijl ieder mesmerist eenige voorstelling, passende bij zijn begrip der geheele zaak, vooraf aan zijne patienten voordraagt; hoe ongerijmd die dikwijls ook zij, hangt zij echter te naauw met de keuze dier middelen zamen, om het nader te moeten toelichten.
Het wordt thans tijd, al ware het slechts ter verduidelijking van eenige minder verstaanbare termen, die ons ontvielen, dat wij stilstaan bij de physiologische verklaring der verschijnselen, of meer nog, bij de wijze, hoe zij ontstaan. Wij bezigden zoo even, in navolging van Braid, de uitdrukking van dubbele herinnering. Hij bedoelt daarmeê het volgende. In den gewonen mesmerischen toestand geraakt de patient, terwijl zijne oogen zich sluiten, in een zekeren staat van dubbel of tweevoudig bewustzijn, waarin hij vergeet, wanneer hij opstaat uit dien slaap, al wat bij die omstandigheid is voorgevallen, maar waarvan hij daarentegen de volkomene herinnering terug krijgt, wanneer hij wederom in slaap geraakt. In het algemeen vindt men, dat de ziel onder die omstandigheid zich eveneens verhoudt als gedurende het gewone droomen; waarbij namelijk ieder denkbeeld, dat van zelve in de ziel opkomt, of haar wordt aangebragt, hetzij door woorden, die onder het bereik van het gehoor geuit zijn, hetzij door andere indrukken op de bijzondere zinswerktuigen, al aanstonds door haar voor waar wordt aangenomen en tegelijk wordt toegerust met al de kracht der voorhanden werkelijkheid. In dien toestand schijnt de verbeelding zich de oppermagt aan te matigen over de rede, over den wil en over de natuurlijke verrigtingen der bijzondere zinswerktuigen, terwijl de in zich zelve gekeerde toestand der ziel haar aldra aan misleiding blootstelt, en er gemakkelijk toe komt, om hare droomen uit te voeren. Zij wordt daartoe opgewekt door zulke inblazingen, als door Dr. Abercrombie geschetst worden in het geval van den officier, met wien zijne kameraden gedurende zijn slaap een gesprek konden houden en hem van een of ander konden overtuigen, en wien zij zelfs den geheelen loop van een duel konden doen vervolgen, tot op het oogenblik, dat het afvuren van het pistool hem, door het gerucht dat dit maakte, deed ontwaken. Bij eene andere gelegenheid, op eene van de rustbanken van de kajuit ingeslapen zijnde, deed men hem gelooven, dat hij overboord gevallen was, terwijl men hem toeriep, zich door zwemmen te redden. Hij bootste de beweging
van het zwemmen na; zij zeiden hem toen, dat hij zorgen moest voor het behoud van zijn leven en duiken, want dat een haai hem vervolgde, waartoe hij eene zoo krachtige poging deed, dat hij zich zelven van de rustbank wierp, waardoor hij zich ernstig bezeerde.
Terwijl wij met dit voorbeeld volstaan kunnen, om de analogie, die tusschen dezen en den mesmerischen toestand bestaat, aan te toonen, gelijk wij dit boven voor den waanzin deden door de aanhaling uit Monro, mogen wij de te geven verklaring uit eene meer algemeene beschouwing putten.
Vangt men aan met de vraag: wat is gevoel of gewaarwording? en bepaalt men het nader door te zeggen, dat het het bewustzijn is van een indruk, dan worden daartoe vereischt: 1. dat een prikkel, hetzij physische of psychische, op een gevoelszenuw wordt aangebragt, hetgeen een indruk voortbrengt; 2. dat als gevolg van dien indruk er iets geboren wordt, waaraan wij den naam van invloed geven, welke invloed naar de halfronden der hersenen geleid wordt; 3. wanneer hij daar aankomt, brengt hij dat vermogen der ziel, dat bewustzijn of perceptie genoemd wordt, in werking, en het resultaat daarvan is het gevoel of de gewaarwording. Daaruit volgt, dat de gewaarwording verloren zal gaan door elke omstandigheid, welke de vatbaarheid der zenuw voor indrukken vernietigt, b.v. het blootstellen harer uiteinden aan hevige koude, of welke den voortgang der leiding van den uit dien indruk geboren invloed verhindert, b.v. beleediging van het ruggemerg, die de gemeenschap met de hersenen afsnijdt, of eindelijk, welke de ziel onbewust voor haar doet zijn, b.v. onoplettendheid, te groote opgewektheid of dofheid. Het is verder bekend, dat het ligchaam van een onthoofd dier door hevige stuipen bewogen kan worden; en er zijn ook bij menschen gevallen voorgekomen, dat hunne leden ginds en her geslingerd werden, alsof zij in den hevigsten strijd gewikkeld waren, hoewel inderdaad geen spoor van pijn werd ondervonden. Alles absorberende voorstellingen van den geest belemmeren het gewaarworden van plaatselijke indrukken, die met hen in geen verband staan; vandaar, dat men midden in het gevecht de wonden, die men ontvangt, niet voelt, en bijna iedereen zal het bij zich zelve hebben kunnen opmerken, dat men zoo diep in gedachten verzonken kan zijn, dat men
niet let op bekenden, die ons passeren, of geen helder begrip krijgt van een gesprek, dat in onze naaste omgeving gehouden wordt. Zoo gaan ook in de opgewektheid door dronkenschap of door stikstofoxyde gas stooten en vallen onopgemerkt voorbij, en zeker hebben vele Indische krijgslieden en godsdienstige dweepers, geheel en al ingenomen door de hun eigene gedachtenreeks, naauwelijks of zeer weinig geleden onder de veronderstelde martelingen, die men hen of eigenlijk hun ligchaam aandeed.
Deze feiten, die wij nog met vele andere zouden kunnen vermeerderen, geven den natuurkundigen genoegzame opheldering omtrent de toevallige ongevoeligheid der slaapwandelaars of van andere menschen, die door een predominerend denkbeeld gedrukt worden. Terwijl intusschen iemand onbewust kan zijn van de indrukken, die in geen verband staan met zijne bijzondere gedachtenreeks, wordt daarentegen al wat daarmeê in betrekking staat, dikwijls met buitengewone vlugheid waargenomen. De vernietiging van het gevoel ten opzigte van algemeene indrukken schijnt opgewogen te worden door eene uitgezochte gevoeligheid met betrekking op dien éénen indruk, hetzij werkelijk te weeg gebragt, hetzij den lijder diets gemaakt. Dr. Holland heeft zeer goed de uitwerking van de aandacht des geestes op de organen des ligchaams doen uitkomen, door er op te wijzen, hoe weinige er maar zijn, die geene prikkeling of eenig ander denkbeeldig gevoel ondervinden in deelen, waarop hunne aandacht het meest gerigt is. Indien wij 's nachts, ten gevolge van eene wat ongewone ligging, hartkloppingen of kloppingen aan de slapen voelen, verbeelden wij ons al ligt, dat er iets niet in orde is; de ademhaling verandert, wanneer wij angstvallig op haar letten; indien wij ons verbeelden, dat wij een kuch hebben, hoesten wij onmiddellijk, en zuiveren zoo doende de luchtwegen, en indien wij veronderstellen, dat er eene of andere oorzaak van prikkeling zich op onze huid bevindt, brengen wij onwillekeurig onze hand naar die plek en wrijven haar. Niets is gewoner bij studenten in de geneeskunde, dan dat zij, wanneer zij beginnen met de studie der bijzondere ziekten, zich verbeelden het slagtoffer van iedere dezer ziekten en zoo bij opvolging telkens van eene andere te zijn. Verder is het genoeg bekend, dat in sommige ongesteldheden werkelijk pijn in een of ander deel kan te weeg gebragt worden alleen door er onze aandacht op te vestigen. Hy-
pochondriaci zijn de martelaars dezer verkeerde indrukken. Vermeende pijn in de leden of in de maag belet hen te wandelen of te eten, en hunne gezondheid lijdt ten slotte door gemis aan beweging of gebrek aan voedsel. Sir Benjamin Brodie heeft eenige merkwaardige ziektegevallen gegeven, in welke die zoogenaamde zenuwpijnen werkelijk tot verzwakking van het lijdende deel en tot zwelling van de huid, die het bekleedt, aanleiding gaven. Het laat zich begrijpen, hoe dergelijke feiten kunnen gebezigd worden, om zich den schijn te geven, dat men voorspellen kan, en hoe ligt het mogelijk is, door eenen sukkelaar te kennen te geven, dat hij op een gegeven dag zeker rheumatische of zenuwpijn zal hebben, die werkelijk voort te brengen.
Tot toelichting van den sterken invloed, dien voorheerschende denkbeelden zelfs op gezonde personen kunnen hebben, deelt Bennett, ter aangehaalde plaatse, een paar gevallen mede. Een apotheker, wiens naam en woonplaats hij noemt, vertelde hem, dat op een keer een slager uit de buurt in zijn winkel wordt gedragen, die een verschrikkelijk ongeluk gekregen had. De man, bezig met een zwaar stuk vleesch in de hoogte vast te haken, glipte uit en de scherpe haak drong in zijn arm, zoodat hij er aan bleef hangen. Toen hij onderzocht werd, was hij bleek, bijna zonder pols, en de uitdrukking van zijn gelaat was als van iemand, die in plotseling doodsgevaar verkeert. Zijn arm kon niet bewogen worden, zonder hem verschrikkelijke pijn te veroorzaken, en bij het opensnijden van de mouw schreeuwt hij het dikwijls uit, en toch, toen zijn arm was blootgemaakt, vond men dien gaaf en ongedeerd, terwijl de haak alleen door de mouw van zijn rok was doorgedrongen. - Talrijke voorbeelden zou men kunnen aanvoeren, waar bij duels of andere gelegenheden personen wanen, dat zij gewond zijn en voor dood neêrvallen, zonder dat zij de minste beleediging bekomen hebben.
J. Braid verhaalt het volgende. Eene dame van ruim 56 jaar, die in hare jeugd weleens slaapwandelde, maar nu volmaakte gezondheid genoot, werd helder wakker verzocht in eene donkere kamer zich te begeven, om te kijken naar de polen van een krachtig werkenden hoefmagneet van negen elementen en te beschrijven, wat zij zag; na geruimen tijd gekeken te hebben, verklaarde zij, dat zij niets zag. Evenwel, nadat ik haar gezegd had oplettend toe te kijken,
en dat zij dan vonken daaruit zou zien komen, zag zij spoedig spranken licht, en op het oogenblik scheen zij een uitstroomen van vuur te zien, zoo als zij eens gezien had bij eene kunstmatige voorstelling van eene vulkanische uitbarsting van den Vesuvius. Buiten haar weten sloot ik het kistje, waarin de magneet stond, digt, maar toch werden dezelfde verschijningen nog als zigtbaar beschreven. Terwijl ik mijne vragen zoo geleidelijk inrigtte, dat zij het antwoord aangaven, en haar verzocht mij te beschrijven, wat zij aan den anderen kant van de kamer zag (waar niets anders was dan de naakte wand), ging zij mij allerlei schimmen van de meest schitterende flikkeringen en vlammen beschrijven, geheel beantwoordende aan de opzettelijke vragen, die ik gesteld had, met het plan, om dezelfde gronddenkbeelden te variëren. Bij herhaling der proeven werden herhaaldelijk dezelfde uitkomsten met deze patiente verkregen. Toen ik de dame in de gezegde kamer nam, nadat de magneet in een anderen hoek van het huis verplaatst was, ontving zij nog dezelfde verschijningen van licht en vlammen, terwijl er niets anders was, waar deze uit ontstaan konden, dan de naakte wand, en veertien dagen nadat de magneet verwijderd was, toen zij uit eigen beweging in die kamer ging, was de eenvoudige associatie van denkbeelden voldoende om voor haar een zigtbare indruk van hetzelfde vlammende licht tot stand te doen komen. Inderdaad, 't was telkens het geval bij haar, wanneer zij in die kamer trad, dat zij nog de eerste oogenblikken lichtvlammen zag. Op dezelfde wijze, toen men haar de polen van den magneet deed aanraken, terwijl zij helder wakker was, openbaarde zich geenerlei aantrekking tusschen hare hand en den magneet; maar zoodra was niet het denkbeeld haar bijgebragt, dat zij vastgehouden zou worden door de vermogende aantrekking van den magneet, zoodat zij in het geheel niet bij magte zou zijn om hare handen er van los te maken, of men kreeg de verlangde uitkomst; en toen men hare hand losmaakte door het bijbrengen van een nieuw denkbeeld, en haar de andere pool op dezelfde wijze deed aanraken, terwijl men haar vooruit zeide, dat deze geen aantrekkend vermogen op de vingers der hand uitoefenen zou, openbaarde zich terstond deze negative uitwerking. Ik wist, dat deze dame niet in staat was om opzettelijk mij of andere der aanwezigen te bedriegen; maar zij was zelve
bedrogen en de speelbal van de heerschappij, die een vooropgevat denkbeeld op haar had; zij was dan ook niet minder verbaasd over het zoo afwisselend vermogen van het instrument, als de anderen, die getuigen waren, over de uitkomsten.
Na nog een aantal proeven op patienten in wakenden toestand te hebben uiteengezet, voert Braid nog het volgende aan: Op dezelfde wijze ging het met verscheidene andere patienten, die ik in de gesloten kamer nam; zij konden niets zien, totdat men hun zeide scherp op een zeker punt te kijken, en dat zij dan lichtvlammen van verschillende kleuren daarvan zouden zien uitgaan; die voorzeggingen werden aldra verwezenlijkt, ofschoon zij helder wakker waren, en er niets anders was dan de kale muur, waar zij hunne oogen op rigtten. Niet alleen hierdoor, maar nog op andere wijzen bovendien heb ik mij vergewist, dat zelfs bij helder daglicht een sterke indruk op den geest bij magte is om zulke misleiding voort te brengen bij zekere individu's, wier geest grooten aanleg heeft tot inbeelding en afgetrokken zijn. Dit feit werd zeer fraai opgehelderd door het geval van een heer van 22 jaar, die elf jaar te voren aan vallende ziekte leed. Toen ik hem in het bedoelde vertrek nam, en eveneens als de laatstvoorgaande op de proef stelde, zag hij eveneens niets, totdat ik hem diets maakte, dat hij vlammen en licht zou zien; nadat ik dit voorzegd had, zag hij die al spoedig, zoo als het behoorde, niet enkel daar, waar de magneet zich bevond, maar ook in andere hoeken van de kamer. Thans, wanneer ik dezen patient en de beide laatstgenoemde in de kamer nam, nadat de magneet reeds langen tijd naar eene verwijderde plek van het huis verplaatst was, zagen zij nog de vlammen en verschillende kleuren gelijk vroeger - een klaar bewijs, dat het alles slechts eene misleiding van den geest was, die voortspruit uit de op het bewuste punt opgewekte verbeelding, welke de physiologische werking verandert. Denzelfden heer kon men, als men hem liet zien op een stuk metaaldraad, in den waan brengen, dat hij eene soort van vlammen en kleuren, die men aangaf dat er uit ontstonden, zag, zelfs bij helder daglicht; en wanneer men hem den draad met den vinger deed aanraken en dan zeide, dat hij het onmogelijk zou vinden den vinger weg te trekken, was het enkele denkbeeld genoeg om zijn wilskracht te verlammen; al zijne spieren werden stijf, en
met verbazing aanschouwde hij dien toestand; maar op het oogenblik, als ik hem zeide: nu is de aantrekking weg en uwe hand zal los zijn, volgde de gewenschte uitslag. Meer nog, zijn vinger had zich een weinig teruggetrokken; en toen, door eenvoudig in vertrouwen te zeggen, dat hij nu zou vinden, dat hij den draad niet kon aanraken, want dat die zijn vinger zou afstooten, werd zijn wilskracht nogmaals door dit denkbeeld verlamd, en op nieuw vertoonde zich zijn onvermogen; want trots zijne angstige, maar kwalijk gerigte pogingen bleef hij zoo onbewegelijk als een beeld staan. Toen ik even aanmerkte, dat de invloed nu was opgeheven, werden hand en arm losser; toen ik iemand, die met mij op de proef lette, zeide: nu zal hij vinden, dat zijne hand onweêrstaanbaar naar den draad getrokken wordt, verkreeg men op het oogenblik zelf dit resultaat. Niemand had den draad sinds uren aangeraakt. Het was louter een stuk gebogen koperdraad, dat wat uitstak en verder geheel vrij op den schoorsteenmantel lag. Het heeft er iets van, alsof Virgilius op dit vermogen doelt, waar hij zegt:
Op dezelfde wijze, nadat ik eenen mijner vrienden in vertrouwen de merkwaardige levendigheid van verbeelding, het blind vertrouwen en de ligtgeloovigheid van den patient had medegedeeld, die hem vatbaar maakten om te gelooven, dat hij eene zintuigelijke gewaarwording had van eene buiten hem plaats vindende verandering, al naar gelang van het denkbeeld, dat hem door anderen mogt worden bijgebragt, verzocht ik dien vriend, wanneer hij in de kamer trad, naar het eind van den draad te kijken tegelijk met den patient, en dat de eerstgenoemde mij telkens, wanneer hem gevraagd werd, welke gekleurde vonken hij er zag uitstroomen, op elke vraag een nieuw denkbeeld zou aan de hand geven. Op deze manier slikte de patient al de bijgebragte denkbeelden, zonder eenig begrip, dat hij op de aangegevene manier misleid werd. Hij ging heen met de volle overtuiging van de physische werkelijkheid van al hetgeen hij gezien en beschreven had, en dezelfde verschijnselen hebben zich bij hem geopenbaard, zoo dikwerf als hij op de proef werd gesteld.
Ik heb het bovenstaande geval zoo uitvoerig meegedeeld, wijl het een zeer goede type is van een soort van patien-
ten, die men soms kan aantreffen, welke zeer gemakkelijk het slagtoffer worden van bijgebragte denkbeelden, op de manier daar even uiteengezet, zonder het minste verlangen om anderen te bedriegen, of in de verte eenige gedachte te hebben dat zij zelve bedrogen worden. Al wat ik daaromtrent in het midden gebragt heb, heb ik door zoo vele eensluidende voorbeelden bewezen, met personen van de grootst mogelijke eerlijkheid en bevoegdheid om hunne gewaarwordingen te beschrijven, dat er omtrent de feiten geen twijfel meer kan zijn.
Doch niet alleen kan men patienten in wakenden toestand doen gelooven, dat zij allerlei vormen en kleuren zien, en dat zij allerlei tastbare indrukken ontvangen, die een onweerstaanbaar vermogen van aantrekken en afstooten zouden hebben, welke inderdaad verlammend op hen werken, doordien een diepe zielsindruk dikwijls de werking verandert van het orgaan of ligchaamsdeel, dat in den gewonen regel bij het ten uitvoer brengen van zulke verrigtingen betrokken is; maar ik heb mij buitendien verzekerd, dat dezelfde invloed verwezentlijkt kan worden ten opzigte van gehoor, reuk, smaak, gewaarwording van hitte en kou, in diervoege, dat bijgebragte denkbeelden en het in zich zelve gekeerd (geconcentreerd) zijn van het inwendige bewustzijn in staat waren bij sommige individus het denkbeeld op te wekken, niet enkel van onbepaalde geluiden, maar zelfs van bijzondere toonen te hooren, eveneens voor den reuk, van bijzondere geuren gewaar te worden, voor den smaak, van allerlei door proeven te onderscheiden, en eindelijk van hitte en kou te voelen. Dit alles, gelijk ik heb bewezen, kan bij sommige ligt opwekbare personen verwezentlijkt worden, terwijl zij helder wakker zijn, en terwijl werkelijk geen geluid, noch geur, noch smaak in de stelling of in de zelfstandigheden, waaraan zij dit toeschrijven, aanwezig is; door enkel te vragen, welken klank, welken reuk, welken smaak, welke stof wordt gij nu gewaar? (een manier van vragen die natuurlijkerwijs het denkbeeld van verandering bijbrengt), heb ik ten klaarste aangetoond, dat zoodoende denkbeelden in den geest der personen kunnen worden opgewekt, welke geheel verschillen van die, welke in mijn ziel op dat oogenblik aanwezig waren. De personen, met welke ik deze proeven deed, verdienden onbeperkt vertrouwen en geloof ten opzigte van hunne eerlijkheid in het beschrijven hunner gewaarwordingen; de uitkom-
sten zijn derhalve geheel en al te wijten aan de merkwaardige wederkeerige werking van ziel en ligchaam op elkander.
Wij hebben alzoo in het bovenstaande op nieuw gezien, dat men een zintuig door bijgebragte denkbeelden ongewoon werkzaam kan doen worden, waarbij de gewone verrigting dan tijdelijk is opgeheven en verdrongen als 't ware door de zielsindrukken, welke het gevolg zijn van het herhaaldelijk en juist van pas bijbrengen van vreemde denkbeelden. Ook in den zoogenaamd magnetischen toestand, schijnt de ziel gereed het eerste het beste denkbeeld, dat men haar bijbrengt, voor waar aan te nemen, en bij de haar dan eigene neiging tot afgetrokkenheid, wordt zij daarmeê zoo vervuld, dat zij als 't ware dood of, in vergelijking met haar gewone wijze van zijn, onverschillig is voor al, wat er gedurende de heerschappij van dat denkbeeld of dier gedachtenreeks voorvalt. Bij de meeste patienten, zoo lang zij nog verkeeren in dien toestand, dat zij zich bij het ontwaken al wat er gedurende hun slaap gezegd of gedaan is kunnen herinneren, blijft er een graad van rede en wilskracht over, die voldoende is om hen in staat te stellen, ware van valsche en louter opgedrongene voorstellingen te onderscheiden, en daarenboven weerstand te bieden, bijaldien zij aan eene handeling hunne goedkeuring niet geven kunnen. Er zijn andere voorwerpen evenwel, welke juist in hetzelfde tijdperk zoo vol verbeelding en zoo afgetrokken zijn, eene zoo inschikkelijke ligtgeloovigheid en lijdzame gehoorzaamheid aan den wil van anderen bezitten, dat zij overheerscht en gedwongen kunnen worden, even goed als zij, welke in een dieperen magnetischen toestand verkeeren; ja, wat meer is, niet weinige van hen kunnen op die wijze geinfluenceerd en gedwongen worden door de inblazing van anderen, terwijl zij klaar wakker en zich volkomen bewust blijven. Het zijn de laatsten, die de verschijnselen plegen te vertoonen, welke door de magnetiseurs met den naam van ‘vigilante’ of wakende verschijnselen bestempeld worden. Wat deze experimentalisten, gelijk Braid hen noemt, hunne patienten door het gehoor opdringen of de andere indrukken, die zij hun meêdeelen (want zij spreken overluid, binnen het bereik van den patient, het denkbeeld of de daad uit, welke zij wenschen en bedoelen dat zich uite, of zij geven eenig zigtbaar teeken of een tastbaren indruk van de denkbeelden of hande-
lingen, die bij den persoon in behandeling moeten opgewekt worden), het zijn altemaal niets dan manieren om op den geest der lijders invloed uit te oefenen, en om de eigenaardige concentratie der aandacht, die door den eersten kunstgreep der behandeling over hen gebragt is, van het eene denkbeeld of plan terug te kaatsen eu te bevestigen op een ander. De uitdrukking, die Mr. Stone bezigde van ‘all right’ of het kloppen op het hoofd, of elke andere handgreep, om den bestaanden waan te verdrijven, het zijn enkel verschillende manieren om de voorafbestaande reeks van voorstellingen af te breken, juist zoo als een tik op den schouder het bewustzijn der omgeving herstellen zal, bij hem, die zoo zeer in mijmering verdiept is, dat hij zijn vriend voorbijgaat zonder hem te kennen of ongevoelig is voor hetgeen in zijn tegenwoordigheid gesproken of gedaan wordt.
Men houde ons dezen kleinen uitstap over het willekeurig afbreken der magnetische verschijnselen ten goede; - het wordt tijd dat wij terugkeeren tot de verklaring der bewegingen, welke in de mesmerische vertooningen eene hoofdrol vervullen, en wier oorsprong, zoo even reeds opgemerkt, wij niet ten onnutte wat hooger mogen vervolgen.
De bedoelde bewegingen worden uitgevoerd door middel van spierwerking. De spier bezit zamentrekbaarheid, die wel is waar onafhankelijk van de zenuwen te voorschijn kan geroepen worden, maar gewoonlijk wordt opgewekt door tusschenkomst van de zenuwen, waarop physische of psychische prikkels werken. De physische prikkels, die op het uiteinde of in den loop van een zenuw worden aangewend, veroorzaken òf zamentrekking van het deel, waarin zich beweeg-zenuwdraden verspreiden, òf zij brengen gecombineerde bewegingen in andere ligchaamsdeelen door middel van het ruggemerg voort. In het laatste geval kan men zich voorstellen, dat de volgende reeks van werkingen plaats grijpt: vooreerst wordt de indruk van den prikkel overgebragt naar het ruggemerg door middel van de aanvoerende zenuw-draden, die zich begeven naar de grijze stof van het ruggemerg; daarop wordt een motorische invloed naar buiten overgebragt door middel van een of meer uitvoerende draden; deze wekt vervolgens de zamentrekking der spieren op, waarin de laatstgenoemde zenuwdraden zich verspreiden; het resultaat daarvan is beweging. Eindelijk kan de zamentrekbaarheid der spieren in werking gebragt worden door psychische prikkels of geestverrigtingen,
zoo als door den wil en sommige gemoedsaandoeningen. Het gaaf en ongeschonden zijn van het zamenstel der spieren is noodzakelijk voor de beweging, die enkel in zamentrekking bestaat, van het ruggemerg voor de reflexbewegingen, en van de hersenen zelven voor beweging van willekeur of gemoedsaandoening afhankelijk; wanneer wij dus de hersenen als afzonderlijk werkend beschouwen, dan geven zij de voorwaarden, die noodig zijn voor het verstand; het ruggemerg, alleen werkend, levert de wezentlijke voorwaarden voor de gecoördineerde bewegingen, die voor de functiën van ademhaling enz. (de vitale) noodig zijn; en wanneer hersenen en ruggemerg zamenwerken, geven zij de voorwaarden, die noodig zijn voor willekeurige beweging en gewaarwording.
Eene willekeurige beweging ontstaat dus, wanneer de wil eene bepaalde rigting geeft aan den zenuwinvloed, zoodat die spiergroepen, door wier gezamentlijke werking de bedoelde beweging tot stand komt, zich zamentrekken, terwijl hare antagonisten zich passief verhouden. Bij de mesmerische proefnemingen of wakende verschijnselen nu doet het opdringen van den magnetiseur meer zenuwinvloed stroomen naar die groep van spieren, welke de opgedrongen beweging voortbrengen, dan de lijder in staat is in de tegenovergestelde spiergroep te drijven.
Beide spiergroepen derhalve worden hevig in werking gebragt, maar daar het opgedrongen denkbeeld het sterkst is, is er geen duidelijk uitgedrukte willekeurige beweging meer, niettegenstaande de lijder eene groote opoffering van zenuwinvloed daaraan te koste legt, gelijk blijkt uit de snelle uitputting, die hij ondervindt. Op deze wijze heb ik onlangs nog zegt Braid, eenen patient de handen onwillekeurig om een wandelstok doen toeknijpen, zoodat hij de greep niet kon loslaten; en toen door zoo luid, dat hij het hoorde, te zeggen: ‘ik zal het nu zoo zwaar maken, dat het hem onmogelijk zal zijn, het gewigt er van langer op te houden,’ werd het denkbeeld, door deze eenvoudige influistering opgewekt, een te sterke tegenpartij voor zijne krachtvolle, maar kwalijk gerigte spierinspanning, want, hoe hij ook worstelde, eindelijk bezweek hij, geheel en al uitgeput door de pogingen om zijn denkbeeldigen last op te houden. De lijder verzekerde ons, nadat de proef was afgeloopen, dat hij vast geloofde, dat hij een 50 pond gewigt zag hangen aan beide einden van den stok op de aangeduide punten, en dat
hij de zwaarte voelde toenemen bij elke vermeerdering, tot dat het gewigt eindelijk zijne krachten geheel te boven ging. Het was in 't oog vallend met betrekking tot de gesteldheid van den lijder, dat hij zoo geheel en al was uitgeput door zijn pogen om den denkbeeldigen last te torschen, als hij had kunnen zijn, wanneer er die werkelijk geweest was. De meeste menschen zullen wel eens iets soortgelijks bij zich zelve waargenomen of een gelijken uitslag ondervonden hebben van een aanval van nachtmerrie gedurende een gewonen slaap. De inspanning en uitputting komen in beide gevallen overeen. Van den anderen kant, wanneer het bijgebragte denkbeeld en een onwrikbaar vast geloof zamengaan met den wil van den patient, kan zijne wilskracht daardoor zoo versterkt worden, dat hij in staat is een last op te ligten waartoe hij in gewonen toestand geheel onvermogend zou geweest zijn. De geschiedenis van gevallen van panischen schrik in een leger door de onbeduidendste oorzaken ontstaan, van waagstukken en heldendaden, die de menschelijke kracht ver te boven schenen te gaan, maar in vlagen van geestdrift volvoerd werden, zijn voor het besproken punt voorbeelden in 't groot.
Denken wij slechts even na over onregelmatige bewegingen, die met voorheerschende denkbeelden in verband staan, dan komen al aanstonds de verschijnselen van chorea of dansziekte ons voor den geest. In deze ziekte komen allerlei eigendommelijke bewegingen voor, hetzij door uitoefening van den wil, hetzij door eene zekere aandrift, die niet beteugeld kan worden. Bij de watervrees vindt men eene aanmerkelijke ligtgeraaktheid bij de meest onbeduidende aanleiding: wanneer men bij daaraan lijdenden op eenigerlei wijze het denkbeeld van drinken doet opkomen, veroorzaakt dit steeds de vreesselijkste krampen. Talrijke afzonderlijke voorbeelden van toevallig voorkomende gedeeltelijke storing der willekeurige bewegingen zou men kunnen aanhalen, hetzij van zelve ontstaan, hetzij door gewoonte verkregen, of bij dieren door beleediging van sommige deelen van het zenuwstelsel voortgebragt, of bij menschen ten gevolge van bijzondere geneeskrachtige middelen; maar wij zullen ons met een paar voorbeelden tevreden stellen, die onlangs aan Dr. Christison voorkwamen, en die hij de goedheid had aan prof. Bennett meê te deelen. Het eerste geval is dat van een aanzienlijk heer, die menigmaal niet kon doorzetten wat hij ten uitvoer wilde brengen. Dikwijls
terwijl hij plan had zich te ontkleeden, duurde het een paar uren, eer hij zijn rok kon uittrekken; intusschen was hij, wat zijne overige geestvermogens aanging, alleen zijn wil uitgezonderd, volmaakt wel. Op een keer een glas water verzocht hebbende, bood men het hem op een schenkblad aan, waarvan hij het echter niet kon afnemen, hoe zeer hij ook zijn best er toe deed; hij hield zoo den bediende een half uur voor zich staande, tot dat eindelijk het beletsel werd overwonnen. In het andere geval was de bijzonderheid meer omschreven. Wanneer die lijder, op straat wandelende, aan eene open plaats in de rij huizen kwam, werd zijn wil eensklaps werkeloos, en hij kon niet verder voortgaan. Een onbestrate plek in de straat, dit was zeker, deed hem stilstaan. Zoo kostte het oversteken van een straat hem zeer veel moeite, en bij het in- of uitgaan van een deur, werd hij altijd eenige minuten tegengehouden. Beide deze heeren schilderden hunne gewaarwordingen figuurlijkerwijze aldus af: dat het was als of een ander persoon bezit had genomen van hun wil. Deze en dergelijke verkeerde bewegingen, hetzij ze tot vermeerdering hetzij ze tot vermindering terug te brengen zijn, hoe ook ontstaan, mogen al niet altijd onder de magt van voorheerschende denkbeelden staan; dat zij het menigmaal zijn, wordt ons door eene massa feiten bewezen. De van ouds bekende geschiedenis van Boerhaave komt hier zoo goed als eenig ander geval te pas; men verhaalt van hem, dat hij eenige meisjes op de weesschool te Haarlem onmiddellijk van eene snel onder hen zich uitbreidende dansziekte (chorea) genezen heeft, door de bedreiging, dat de eerste, die in het vervolg werd aangetast, met het gloeijende ijzer behandeld zou worden.
De kracht der navolging, die meest door middel van den geest der personen werkt, staat bij de geneeskundigen als veel vermogend, hoe onverklaarbaar zij ook schijne, bekend. Uitbundig lagchen is zeer aanstekelijk. Weinigen kunnen een goed nagebootst geeuwen weerstaan, en aan boord van een schip maakt niets zekerder den passagier zeeziek, dan het zien koe kwalijk de anderen varen. Kleeding, wijze van uitdrukking, taaleigen, houding van het ligchaam, eigendommelijke bewegingen worden alle even gemakkelijk van hen, die ons omringen, overgenomen. Bij een bezoek van de Bosjesmans, vertelt Bennett, die hier enkele jaren geleden vertoond werden, was de uitwerking van hun dans op de
toeschouwers in 't oog loopend. Langzamerhand beginnend, begeleid door het maat slaan hunner knodsen, werd het rumoer steeds luider en heviger, telkens meer opwekkend, terwijl elke tred en elk gebaar volkomen in de maat bleven. Ik (Bennett) zelf en eenige vrienden met mij, voelden ten laatste een eigendommelijk trekken door al onze leden; onze eigen voeten hielden onwillekeurig de maat met de dansers, en te oordeelen naar het gevoel, dat wij toen ondervonden, konden wij ons in al hare gevolgen den aard dier aandrift begrijpen, welke de groote menigte deed deelnemen in den dans van St. Vitus, en in het dartelend Tarantisme. In Hecker's ‘volksziekten der middeleeuwen’ kan men het wonderbare verhaal vinden van de danswoede, die Duitschland en de Nederlanden bezocht. Zij droeg ook den naam van St. Jan's of St. Vitusdans, terwijl elders soortgelijke epidemiën weder andere namen voerden, zoo als het Tarantisme in Italie en elders. Ten opzigte van den St. Vitusdans verhaalt Hecker: reeds vroeg in het jaar 1374 zag men te Aken eene groote menigte mannen en vrouwen, die uit Duitschland daarheen kwamen, en die, zaamverbonden door een gemeenschappelijk zelfbedrog, in het publiek, zoowel op de straten als in de kerken, het volgende vreemde schouwspel vertoonden. Zij vormden kringen hand aan hand, en terwijl zij naar het scheen alle beheer over hunne zinnen verloren hadden, bleven zij immer voortdansen, zonder zich om de omstanders te bekreunen, uren achtereen in woest getier, totdat zij uitgeput neêrzegen; gedurende het dansen verging hun hooren en zien, en ongevoelig voor de indrukken der uitwendige zinnen, werden zij door visioenen bestookt, terwijl hunne verbeelding hen geesten deed oproepen, wier namen zij uitschreeuwden; anderen waren ten speelbal aan andere godsdienstige zinsbegoochelingen, naar gelang de begrippen der eeuw hunne verbeelding anders aandeden. Die dans beviel menschen van allerlei rang en stand, in 't bijzonder hun, welke een zittend leven leidden, zoo als schoen- en kleermakers; maar zelfs enkele landlieden verlieten hun werk op den akker, en alsof zij door booze geesten bezeten waren, hielden zij vol met dansen zonder ophouden, totdat hun laatste ademtogt was uitgeput. Het Tarantisme volgde in den beginne alleen op den beet der Tarantula (eene groote spin in Italië) en ving aan met zwaarmoedigheid en dofheid. Genoemde ongesteldheid was met eene zoo groote
gevoeligheid voor muzijk verbonden, dat de daarmede behebte, bij de eerste toonen hunner geliefkoosde melodiën, opsprongen, huppelende van vreugde voortdansten zonder verademing, totdat zij uitgeput en bijna levenloos ter neder zonken. Toen deze ziekte toenam en het gerucht er van veld won, greep eene ongewone gevoeligheid de gemoederen des volks aan; vrouwen in 't bijzonder werden aangetast. Eindelijk groeide het aantal der door haar aangetasten tot in het ongeloofelijke aan, want hetzij ze werkelijk gebeten waren, hetzij ze het zich verbeeldden, jaarlijks herhaalden zij die vertooning overal, waar de Tarantula weêrklonk. Vrouwen bragten de menigte bijéén, en kregen de ziekte, zoo als men verhaalt, niet door de giftige beet der spin, maar door het geestelijk gif, dat hare blikken gretig opzogen, en zoo werd langzamerhand de kuur der Tarantuli gevestigd als een telkenjare wederkeerend feest, dat de bevolking met ongeduldig genot verbeidde. Enkele vrouwen kwamen de uitwerksels der giftige beet te boven, door gedurende 30 jaren achtereen telkens den dans te vernieuwen; want zoolang geloofde men vertoefde het gift in het gestel; maar inderdaad zoolang bestond de waan, tot dat hij ophield afhankelijk te zijn van ligchamelijke opwekking. In de Engelsche vertaling van Heckers werk vindt men belangwekkende berigten nopens enkele godsdienstige secten van den jongsten tijd, die de namen dragen van ‘Jumpers’ (springers), ‘Shakers’ (schudders) en ‘Rauters’ (raaskallers); deze vertoonen verschijnselen, welke op de pas beschrevene zeer veel gelijken.
In al deze gevallen en zoovele andere als men nog zou kunnen aanhalen, blijkt het duidelijk, dat die uitwerkselen zijn voortgebragt door te werken op den geest der personen, en langs dien weg op hunne ligchamelijke vermogens. Om kort te gaan, denkbeelden, die de overhand hebben (praedominerende), hetzij van zelve ontstaan, hetzij door de woorden of daden van anderen opgedrongen, schijnen de opwekkende oorzaak te zijn voor personen, wier hersenfunctiën op dat oogenblik in een eigenaardigen toestand zich bevinden, een toestand, die in aard overeenkomt met dien van slapen of droomen, waarbij eveneens sommige geestvermogens werkzaam zijn, en zelfs tot buitengewone krachtsuiting kunnen aangezet worden, terwijl de overige zijn opgeheven; daarom is zij met regt door Braid Hypnotisme genoemd.
Al de daarbij teweeggebragte verschijnselen stemmen in-
derdaad ten naauwste overeen met hetgeen de geneeskundigen in verschillende ziekelijke toestanden hebben leeren kennen; na hetgeen boven reeds is vermeld, willen wij slechts aanvoeren: waanzin, delirium tremens, dronkenschap, narcotisatie, ten gevolge van opium, hatchisch en andere geneeskrachtige vergiften, om van meer andere niet te gewagen. In al die gevallen toch worden de denkbeelden zoo levendig, dat zij al de kracht der werkelijkheid verkrijgen, en dat, terwijl de aangedane persoon een zekeren graad van bewustzijn zijner omgeving behoudt, hij toch zich zelven niet vrij kan maken van den verkeerden indruk, of wel hij is zoo vervuld met het ééne denkbeeld, dat hij voor het oogenblik ongevoelig en als dood is voor alle overige.
De ware oorzaak der mesmerische verschijnselen nu is gelegen niet in een vreemden invloed van buiten, maar in een geestverbijstering (mental delusion), die in den persoon zelf ligt en die zijn rede en vrijen wil verlamt, zoodat hij voor een gegeven tijd slechts de speelpop is in de hand van een ander, door wien hij onweêrstaanbaar beheerscht wordt, zoodat hij niet anders, dan volgens diens wil en in de rigting, die deze aangeeft, kan zien, hooren, smaken, voelen of handelen. De lijders hebben hunne geheele aandacht gevestigd op hetgeen hun gezegd of op andere wijze te kennen gegeven wordt door die vermeende hoogere magt, en dien ten gevolge ontvangen zij indrukken door middel hunner opgewekte zinnen, die in de magnetische behandeling betrokken zijn, welke zij in hun gezonden toestand niet zouden kunnen waarnemen. Het uitgemaakte feit, dat in sommige toestanden van het zenuwstelsel de menschelijke geest zoo naar willekeur ten onder gebragt kan worden, verdient van meer dan ééne zijde onze belangstelling; men mag toch aannemen, dat een persoon onder die voorwaarden tijdelijk even zoo onverantwoordelijk is voor zijne daden als een waanzinnige; het gewigt der zaak voor de geneeskunde zal straks nog nader blijken. Vooraf echter moeten wij nog opzettelijk verwijlen bij den oorsprong der verschijnselen, die, gelijk men in het bovenstaande meermalen aangeduid vindt, in den persoon zelven te zoeken en te vinden is, en niet, zoo als sommigen willen beweren, van buiten den lijder wordt aangevoerd, en die nu eens eene gewijzigde physische, dan weder eene eigenaardige metaphysische kracht zou zijn. De beide laatste theoriën dragen grootendeels de schuld van de te vaak voorgekomen mis-
kenning der feiten, waardoor zij, die deskundigen behoorden te zijn, afgeschrikt door het heirleger kwakzalvers, dat zich bijna bij uitsluiting aan het magnetismus als ‘geene kwade zaak’, gelijk Hoek zich zeer naïf uitdrukt, vastklampte, en, bevooroordeeld door de negative resultaten, die elk streng onderzoek van clairvoyantes aan het licht bragt, eindigden met alles tegelijk, waar en onwaar, feiten en theoriën te zamen te verwerpen. Wij kunnen niet nalaten onderzoekers zoo als Braid, die den raad van zijnen beroemden landgenoot ‘dont think but try’ in waarheid ter harte nam, met erkentelijkheid te noemen. Braid geeft in zijn stuk een menigte proeven, boven door ons overgenomen, waarin de lijder zich zelf in den zoogenaamd magnetischen toestand brengt, waar dus geene andere verklaring overblijft dan dat de oorzaak daarvan in den persoon zelf ligt. Zoodoende vloeijen magnetiseur, patiënten en hooger geestelijke invloed nog volmaakter inéén dan Hoek zelf zou willen toegeven; het idiosomnambulisme had hem hetzelfde geleerd, maar dit gaat hij bij ongeluk steeds voorbij. Nog vindt Braid een bewijs voor zijne stelling in het groot verschil in vatbaarheid voor de mesmerische indrukken; eenigen toch worden snel en hevig aangedaan, anderen daarentegen langzaam en zwak. Dit gebrek aan gelijkvormigheid in de uitkomsten is door twijfelaars opgevat ter regtvaardiging van hun wantrouwen en vermoeden, dat al de verschijnselen, die men vertoonde, slechts een weefsel van bedrog en inbeelding daarstelden, terwijl toch, wanneer ze bezien worden bij het licht der wetenschap, dat wij daarbij te baat nemen, zij het resultaat zijn van een subjectiven of personelen invloed, waarbij wij natuurlijk een zoo groot verschil in uitkomsten moeten verwachten als er onderscheid heerscht in de ziels- en ligchaamsgesteldheid der lijders, die aan deze bewerkingen zich onderworpen hebben. Op dien grond is dan ook de verscheidenheid, die de verschillende individu's vertoonen, een sterk bewijs voor de echtheid der verschijnselen. Verder geeft ons het herhalen der bekende hoorbare, zigtbare of tastbare opgedrongen indrukken, dat ter verzekering van eenen goeden uitslag vereischt wordt, een sprekend bewijs aan de hand voor den psychischen of geestelijken aard van den bij het mesmerisme werkzamen invloed. Was het een electrische invloed, gelijk sommigen, b.v. de Amerikaansche electrobiologists, beweren, dan hadden zij die langs het gehoor den lijder bijgebragte
voorstellingen en hunne manoeuvres tot het teweegbrengen der uitwerksels niet langer noodig, dan dit het geval zou zijn om zich te verzekeren, dat de eene zijde van een leidsche flesch met negative electriciteit geladen is, wanneer de andere met positive is voorzien, of als iemand, die den electrischen telegraaph bedient, noodig heeft om het berigt aan te geven, dat hij wenscht dat overgebragt worde. De baron Reichenbach, die zeker na Mesmer het meeste opzien gebaard heeft, is op grond van eene menigte proeven, die hij met dat doel verrigtte, er toe gekomen eene nieuwe kracht aan te nemen, die analoog aan de bekende vier imponderabilia een vijfde lid dezer groep zou daarstellen, en van hem den naam van Od of Odyle ontving. Men mag gereedelijk toestaan, dat de proeven van Reichenbach met zorg geleid en wel bedacht zijn, voor zooverre zij ter bepaling van louter physische feiten dienen; dit neemt echter niet weg, dat hij een vruchtbare bron van dwaling heeft over het hoofd gezien, althans er niet genoeg op gelet heeft, namelijk op de belangrijke rol, die de geest van den patiënt bij zulke proeven speelt in het, geheel onafhankelijk van uitwendige invloeden, teweeg brengen of wijzigen der resultaten. Zijn eenigste bewijs voor die beweerde nieuwe kracht bestaat in zekere uitwerkingen, die zij op de zenuwen van enkele in den hoogsten graad zenuwachtige personen zou teweegbrengen. Welnu, de proeven van Braid, boven (pag. 73) aangehaald, bewijzen dat juist diezelfde verschijnselen bij dergelijke in hoogen graad zenuwachtige personen tot stand kunnen komen, eenvoudig en door niets anders dan door de onafgebroken aandacht van des lijders geest, wijl deze de physiologische werking van het deel, waarop zij gerigt is, verandert, vooral wanneer dit geschiedt in afwachting dat er iets op het punt staat te gebeuren. Die uitwerksels kunnen versterkt worden, wanneer men maakt, dat de onder behandeling zijnde persoon iets ziet of voelt bewegen over eenig ligchaamsdeel, want dan ondersteunt het zigt- of tastbare voorwerp hem in het concentreren van zijn aandacht, zonder dat daarbij overbrenging van eenigen geheimen of uitwendigen invloed van den operateur op den patiënt plaats grijpt.
Verlangt men het gezegde door de uitspraak van bevoegde mannen nog nader te hooren staven, wij noemen Henry Holland, die na de proeven en de verklaring van Braid geene verdere wederlegging van Reichenbach's beschouwingen omtrent
het bestaan van zijne Od - kracht noodig acht. Hoe bij zulke gevoelige personen, wanneer zij in dien toestand verkeeren, denkbeelden, die hun door middel van het gehoor door een tweeden persoon worden bijgebragt, dezelfde uitwerking hebben, hebben de boven (pag. 74) aan Braid ontleende proeven geleerd. Zelfs Mr. Stone, de Amerikaansche magnetiseur of electrobiologist moest, toen Braid hem persoonlijk het een en ander van zijne proeven benevens hare verklaring mededeelde, bekennen, dat diens verklaring geheel voldoende was voor die gevallen, waar men door middel van het gehoor den lijder denkbeelden kan bijbrengen; maar toch wenschte hij zijne eigene theorie vol te houden, wijl zij alleen verklaring scheen te geven van den zwijgenden wil. Er worden namelijk enkele toevallige voorbeelden aangevoerd, dat magnetiseurs, zoo als zij beweren, stilzwijgend en zonder zigtbare teekenen door middel van louter sympathie en door de magt van hunnen wil hunne lijders bevelen meêdeelen. Deze onderstelling is echter eene geheel en al onhoudbare. Want terwijl het ten hoogste slechts exceptionele gevallen zijn, is Braid, om alleen dezen te noemen, zoo dikwijls hij in de gelegenheid was dergelijke lijders te onderzoeken, steeds terstond in staat geweest de oorzaken van dwaling, die den operateur misleid hadden, aan te geven. Nimmer zag hij eenigen bijzonderen invloed van dien zwijgenden wil, noch in de verte, noch van nabij, indien men ten minste behoorlijk voor alle bronnen van bedrog en misleiding op zijne hoede geweest was. In de vijf jaren, die er sinds zijne refutatie van Reichenbach verliepen, is hem bij alle zijne proeven en onderzoekingen niets voorgekomen, wat zijne overtuiging omtrent dit punt eenigermate heeft doen wankelen. Gelijk men weet, is het een deugdzaam physiologisch feit, dat, zoodra de stam van een zenuw is doorgesneden, alle gevoel en willekeurige beweging in de deelen, die door die zenuw onder de plaats van doorsnijding verzorgd worden, vernietigd is. Bij de aanname van een zwijgenden wil nu hebben wij aan de mogelijkheid te gelooven, dat er zulk een graad van sympathie tusschen twee verschillende personen bestaan kan, dat de een in staat is door uitoefening van zijnen wil of door andere stilzwijgende en onzigtbare manoeuvres zijn eigen zenuwinvloed buiten zijn ligchaam te dringen, en daardoor de daden van iemand anders te beheerschen, zelfs op mijlen verren afstand, terwijl hij anders in zijn eigen ligchaam dien invloed zelfs geen gedeelte van een lijn over het afgesneden zenuw-
einde heen, terwijl namelijk de zenuweinden bijna tegen elkander liggen, kan voortdrijven, zoodat willekeurige beweging van zijn eigen ledematen daaruit voortvloeit.
Hoe vreemd het klinken moge en hoe geneigd men zij aan een zoo ongerijmd beweren niet het minste geloof te hechten, toch staat ons dit niet zoo terstond vrij, wanneer wij de voorstanders van den zwijgenden wil zich op feiten zien beroepen. Het moet niet geheel en al onnoodig gerekend worden, de waarheid dier feiten met de grootste voorzigtigheid na te gaan, en naauwlettend toe te zien of zij werkelijk bewijzen wat men er mede beöogt, namelijk dien zwijgenden wil, dan wel of zij eene andere, betere, minder met onze overig physiologische kennis strijdende verklaring toelaten.
Zeker komt hier de les van eenen anderen Engelschen schrijver (Noble)1 over ons onderwerp, wiens werkje, rijk in voorbeelden, nog steeds ten hoogste de aandacht van elken waarheidlievenden lezer verdient, wel te stade, waar deze zegt, dat de bewijskracht van elke daadzaak, welke strekken moet om nieuwe meeningen te bevestigen, in omgekeerde reden moet staan tot hare tegenstrijdigheid met de algemeen als waar erkende leer, en dat om stellingen, die zich aankanten tegen alle vroegere ervaring en tegen algemeen erkende begrippen, ingang te doen vinden, elk bewijs, dat voor dezelve aangevoerd wordt, volledig boven alle verdenking verheven moet zijn, en door eene andere uitlegging volstrekt niet moet kunnen ontzenuwd worden. Vreesden wij niet de perken der hier ons toegestane ruimte te zeer te overschrijden, wij zouden eenige goed onderzochte gevallen van zwijgenden wil en clairvoyance hier in 't breede kunnen overnemen; thans bepalen wij ons tot een paar staaltjes, die ons het eerst in handen kwamen2. M. Lassaigne, echtgenoot en magnetiseur van Mejufvr. Prudence Bernard, had in eenige steden van Frankrijk en Italië magnetische voorstellingen gegeven; beide werden, toen zij te Genève zich ophielden, uitgenoodigd om in een besloten gezelschap tegen 300 fr. als schadevergoeding de volgende, blijkens hunne annonces
door hen gemakkelijk uitvoerbare, proeven te vertoonen: 1o. zou Prudence een in een hermetisch gesloten, van binnen sterk verlichte kast geplaatst geschrift lezen, 2o. Lassaigne zou, in een gesloten kamer zich bevindende, zonder taal of teeken een hem per schrift meêgedeelde orde door Prudence doen uitvoeren. De uitslag van de eerste proef was, dat de somnambule spelde R.A.N.E., twee letters, een aan het begin van 't woord, de tweede tusschen de N. en de E., kon zij niet lezen. Op het binnen in de kist liggend papier stond duidelijk geschreven Calypso. De uitslag van de tweede proef was evenmin bevredigend; de gegeven order was den regter voet te buigen; Prudence hief den linkerarm omhoog. Deze geschiedenis van het lezen door onzigtbare voorwerpen, waartoe blijkens de proeven van Passe en Dechambre,1 niet behoort het zien door het tafpleister, gipsmasker of een blinddoek - want een niet gemagnetiseerde kan daardoor zien in een of andere rigting, zonder dat de omstanders vermoeden in welke - herinnert aan hetgeen in 1840 te Parijs gebeurde. Aan de somnambule van den Heer Teste, die naar den prijs van Burdin (3000 fr.) stond, werden door de Academie de Medecine in een goed gesloten doos de volgende dichtregelen voorgelegd:
Na een uur inspanning verklaarde de somnambule, dat er stond: ‘nous sommes.’
Onder het opschrift: ‘Beiträge zur Lehre vom Magnetismus’,2 vindt men het berigt eener Commissie, bestaande uit een twaalftal van de eerste geneeskundigen der Oostenrijksche hoofdstad, van welke het genoeg zij Schuh, Haller, Zehetmayer, Flechner, enz. te noemen. Deze Commissie deed een rij van proeven met meerdere patiënten, waaronder twee sensitiven en ééne somnambule, genaamd Leopoldine, die vroeger door den baron Reichenbach voor meerdere proeven was uitverkoren, en thans onder behandeling van den Rit-
ter von Eisenstein, naar diens beweren uitstekende magnetische gaven bezat. Wij deelen hier alleen een der korte resultaten van het zorgvuldig en langen tijd voortgezet onderzoek mede, het luidt: ‘Zur Zeit der Untersuchung war die Leopoldine des Hellsehens (clairvoyance) bar und ledig, nichts destoweniger fährt sie fort sich als Hellseherin zu produciren. Die Rolle, die sie als clairvoyante vor der Commission spielte, muss als gänzlich misslungen betrachtet werden.’
Verlangt men het gevoelen te kennen van Prof. Bennet, evenmin een der zaak onkundigen scepticus, gelijk wij boven zagen, hij betuigt uitdrukkelijk, dat hij geenerlei kennis draagt van een reeks behoorlijk bevestigde feiten, die geschikt zijn dergelijke leer te schragen. Hij heeft zelve talrijke proeven genomen met lieden, die in het dierlijk magnetisme gelooven, doch alle te zamen hebben hem slechts overtuigd, dat een dergelijk verschijnsel niet bestaat, en dat al de verschijnselen, die werkelijk zijn voorgevallen, afhangen van voorstellingen die den lijdenden persoon worden bijgebragt. Al de proeven, zoovele er in zijne tegenwoordigheid gedaan werden, die ten doel hadden den invloed van den zwijgenden wil aan te toonen, zijn mislukt. Weshalve hij besluit, dat de bewegingen, de strijkingen en andere handelwijzen der zoogenaamde dierlijke magnetiseurs alleen dienstig zijn om de aandacht te bepalen en om den lijder denkbeelden van anderen op te dringen of mede te deelen. Hij is in die zienswijze bevestigd door zorgvuldig de handelwijze van Mr. Lewis gade te slaan; diens gedragingen waren vol uitdrukking, en hij voerde der behandelde persoon zijne denkbeelden toe door middel van een gebaardenspel, dat inderdaad uitstekend was. Toevallige omstandigheden hebben Bennet tevens overtuigd, dat Mr. Lewis in de opwekking van het oogenblik onbewust was van zijne eigene manier van handelen. Inderdaad, toen hij hem zijn gevoelen uiteenzette, dat de waargenomen uitwerkingen haar ontstaan te danken hadden aan bijgebragte denkbeelden, bestreed Lewis die opvatting, op grond dat hij vaak den persoon juist het tegenovergestelde verzocht te doen van hetgeen hij verlangde dat geschieden zou. Het is zeker waar, wanneer hij wenschte dat de persoon van zijn stoel zou oprijzen, heette hij hem gestadig te gaan zitten, maar op een toon van stem en vergezeld door gebaren, die vrij duidelijk aanwezen, wat zijne wezenlijke bedoeling was.
Bij verschillende gelegenheden beproefde hij op anderen te werken door middel van hetgeen hij noemde den zwijgenden wil, door stevig hen aan te kijken, terwijl hij onbewegelijk bleef staan. Dit gelukte somtijds, evenwel niet zonder dat de pogingen, die hij zelf daarbij deed, zoo heftig waren, dat zij hem buiten zijn weten op zijne toonen deden staan of het hoofd deden opheffen, of hem in zijne gebaren eene schets van hetgeen hij verlangde deden geven, die onmiddellijk door den in behandeling zijnden persoon werd gevat. Gelijk reeds gezegd is, iedereen kan tusschen de oogleden door zien, ook wanneer zij zoo digt op elkander gesloten zijn, dat zij voor hem, die er naar ziet, gesloten schijnen; men kan zich daarvan door eigene proefneming gemakkelijk overtuigen. Het verdient opmerking, dat er sommige personen zijn, die gedurende den magnetischen slaap tusschen door de gedeeltelijk gesloten oogleden zien. In dat geval nu is het genoeg, dat de operateur stijf en strak op eenig