terug  begin  verderprepost
[p. 832]

Bibliographisch album.

De Pleegzuster, dichtstukje, door H. Tollens Cz., uitgegeven ten behoeve van de Protestantsche Vereeniging voor Ziekenverpleging te Rotterdam. Tweede Druk. Te Rotterdam, bij Van der Meer en Verbruggen. 1852.

Wij hebben het immer toegejuicht, wanneer de poëzij, wier magtige toonen de fijnste draden van het menschelijk gevoel zoo dikwerf kunnen doen trillen, geroepen werd om diep in het werkelijk leven in te grijpen en niet slechts van ideale liefde te doen droomen, maar ook tot liefdadigheid aan te sporen.

Het getuigt juist niet tegen ons gevoelen, dat in de praktijk zoo dikwerf een jammerlijk ongunstige verhouding wordt bespeurd tusschen middel en doel, en het eerste de berisping uitlokt der kritiek, die alsdan slechts noode de gedane poging kan billijken en toch, door haar af te keuren, het bereiken van het doel ten eenenmale belemmert.

De kritiek heeft hier echter een min ondankbare taak te vervullen, daar zij te regt onderstellen mag, dat hare stemme minder dan ooit zal worden gehoord, en zij, al ware zij tot eene afkeuring gedwongen, het beoogde goede daardoor niet verstoren zou.

De aanleiding tot de zamenstelling van dit ‘gedichtje’ vinden wij in het voorberigt opgegeven.

De Heer Tollens, die de devinatorische gave zijner tijdgenoten in rijper leeftijd niet te leur stelt, en als grijsaard toont te bezitten, wat hem reeds op jeugdigen leeftijd werd toegekend; de dichter, wien de bewondering en de dankbaarheid reeds zoo menigen cijns heeft gebragt, voelde zich bewogen door ‘de aandoenlijke beschrijving’ door eene Amsterdamsche dame gegeven, ‘van de goede diensten en der edele gezindheden van eene pleegzuster, wier hulp men ter harer oppassing en verzorging had ingeroepen.’ Het verhaal trof den dichter en hij stelde dit gedichtje ‘zamen, welks inkleeding nogtans niets dan fictie is.’ De gulheid dezer bekentenis, even als de nederigheid, waarvan de volgende zinsnede blijk geeft, trof ons; hoewel de laatste ons minder verraste, gewoon als we zijn die eigenschap, nog in zijn laatsten bundel uitgesproken, en die bij hooge verdiensten zulke uitstekende waarde erlangt, in den meester-dichter te huldigen.

De bekentenis echter treft te meer, daar zij na de lezing van het dichtstuk den ontvangen indruk verklaart, en gij het welligt uwen lievelings-dich-

[p. 833]

ter bijkans euvel duidt, dat hij een schimme der fantasie heeft doen opdagen, waar hij u zoo licht een levende figuur uit uwe omgeving had kunnen voorstellen.

Uw leedwezen is te grooter, naar mate ge meer het regt verkrijgt, juist die episoden in het dichtstuk het best geslaagd te noemen, waar gij, in spijt van 's dichters verzekering, u toch der werkelijkheid meer nabij gelooft.

Getuigt het tegen ons, dat de pleegzuster, hoe aanschouwelijk haar beeld ons in den aanhef ook wordt voorgesteld, onze sympathie zoo weinig opwekt, of getuigt het ook tegen den dichter, die ons - en wij huldigen die greep - de taak der pleegzuster wel voorstelt als een geheel vrijwillig opgenomene, ja meer nog, als eene, die werkelijk opoffering en zelfverloochening vordert, maar die zich tevens aan eene zoo banale beschrijving waagt, dat de reinheid van het wezen wel ietwat gevaar loopt?

 
O wie op schoonheid roemen mogen,
 
Zij mogt dit met haar lelievel,
 
Haar zachten blos, haar sprekende oogen,
 
Haar tooverzoeten glimlach wel.
 
Neen, hoe verhuld haar vormen waren,
 
In 't effen zwart en stemmig kleed,
 
Niet een toch die haar aan mogt staren
 
En dien zij 't hart niet kloppen deed.

Gelukkig dat de blik in het gemoedsleven der pleegzuster, het grove, dat er in de vroegere schildering mogt schuilen, verzacht, en wij eerbied opvatten voor de figuur, die, al wisten we niets van haar blanken teint of de almagt harer schoonheid, ons aan hare lippen had doen hangen, indien wij, even als de dichter, in de gelegenheid waren geweest om haar aan te hooren:

 
Als zij van 't menschlijk lijden sprak,
 
Van de armoê, in haar kluis verborgen,
 
Van 't krankbed met zijn bange zorgen,
 
Waar hoop op Gods genade ontbrak, -
 
Als zij 't gevoel, het nameloos verblijden,
 
't Genot beschreef, dat haar doorvloot,
 
Zoo vaak ze een droppel balsem goot,
 
In 't zielewee en 't ligchaamslijden.

Wij volgen den dichter waar hij haar aan het ziekbed plaatst, en haar in daden doet uitspreken, wat hare mond weinige regelen vroeger verkondde. Wij hebben er eenige schoone, eenige minder schoone verzen aan te danken, en erkennen daarbij, dat de voorstelling geene levendigheid mist. Het gelukkigst roemen wij evenwel in het gansche gedicht, of, zoo als de dichter het noemt, gedichtje, de gedachte in de volgende episode nedergelegd.

De dankbaarheid van den verheugden echtgenoot doet der zorgvuldigste verpleegster een goudstuk aanbieden ter belooning eener liefde, die haar loon moet vinden in zich-zelve.

Het is toch vaak onzer Protestantsche vereeniging verweten, dat slechts eene materiele belooning bij haar het roersel kan zijn eener daad, die de reinste bedoeling en de edelste gezindheid vergt, wil ze zijn wat ze voorgeeft. Tollens - en wij danken hem er voor - heeft met fijnen takt, terwijl hij tot de materiele ondersteuning der inrigting medewerkte, dit in het licht gesteld, daar hij, kiesch en keurig, de aangeboden gift door de pleegzuster tot nut eener arme kranke laat aanwenden.

[p. 834]

Och of de dichter ons vergund had met deze gevoelens te eindigen en hij alzoo zijner schilderij een enger cadre had toegewezen. Dat hij had gevoeld, zoo als wij het op dit oogenblik gevoelen, dat de stoffe hier was verwerkt tot uitputtens toe.

Tot dus verre hebben wij de fantasie zedig zien ronddwalen op het gebied der verdichting; thans echter werpt zij band en teugel af, en geeft zij ons in een oratorische of poëtische figuur eene ontboezeming, die overtollig is, en daardoor reeds schaadt, ongepast en die we daarom betreuren, onnatuurlijk en die daarom den indruk van het geheel verstoort.

Te openhartiger mogen wij ons in ons oordeel toonen, naarmate de grijze zanger het zelf bewijst te zijn en het van anderen blijkt te verlangen. ‘Hartelijk hoop ik,’ - zoo besluit hij zijn voorrede - niet op eenigen lof maar op de geheele vervulling der goede verwachting, die men zich van deze uitgave heeft willen voorspellen.

Wij gelooven, dat, waar de dichter zulk eene hoop koestert, deze ook niet zal worden teleurgesteld.

[p. 835]

Algemeene Geschiedenis, een lees- en leerboek tot eigen oefening en ten dienste van het onderwijs, vooral der middelbare scholen; door Mr. A.W. Engelen, eertijds schoolopziener in het 2de distrikt van Gelderland. Te Tiel, bij Gebr. Campagne, 1851. 267 bl. kl. 8o.

Dit boekje neemt, naar het oordeel van Ref., eene eerste plaats in onder de handleidingen ter beoefening of aanleering der Geschiedenis voor de jeugd in onze taal voorhanden. Het beantwoordt aan het doel, waartoe het is opgesteld. De levendige en aangename stijl zal den jongen lezer boeijen, terwijl de geleidelijkheid en duidelijkheid van voordragt hem de gebeurtenissen gemakkelijk in het geheugen zullen prenten.

De Schrijver verdeelt de Algemeene Geschiedenis in de gewone drie hoofdafdeelingen of tijdvakken: Oude-, Middel- en Nieuwe Geschiedenis, die weder in behoorlijke onderafdeelingen of tijdperken gesplitst worden. Elk tijdvak wordt door eene gepaste en ophelderende Inleiding voorafgegaan, en het geschiedverhaal der Middeleeuwen door beknopte beschouwingen van den maatschappelijken toestand afgewisseld, waarbij, naar de vatbaarheid der jeugd, gehandeld wordt over het Leenstelsel, de Christelijke Kerk, de Kruistogten, de Opkomst der steden en van den burgerstand, en over de Kerkhervorming. De Heer E. blijft tevens niet in gebreke de aardrijkskundige ligging der oude volken, wier geschiedenis hij behandelt, beknoptelijk aan te wijzen, en ten slotte eenige tijdrekenkundige tafels te geven.

Ref. wil niet, gelijk eenigen, met kleingeestige naauwkeurigheid naar gebreken zoeken, nog veel minder de kleine vlekjes, welke hij meent hier en daar te hebben aangetroffen, met ongepaste vinnigheid opsommen. Hij acht echter een paar aanmerkingen den geëerden Schrijver niet te mogen onthouden. Het bevreemdt hem 1o. dat bl. 19 bij de geschiedenis van Cyrus het blijkbaar fabelachtig verhaal van Herodotus gevolgd is; dat 2o. bl. 114 gezegd wordt, dat Gerard van Velsen, de moordenaar van Floris V, in 1296 een smartvollen dood onderging, daar het bewezen is, dat hij althans zeven jaar daarna nog leefde en zich buiten 's lands bevond; dat 3o. onvoorwaardelijk van een scheepsstrijd bij Veere tusschen Margaretha van Henegouwen en haar zoon Willem gesproken wordt, dewijl het nog immer twijfelachtig is, of dit niet een landgevecht geweest zij; dat 4o. bl. 176 beweerd wordt, dat de geheele Nederlandsche natie door Filips II des doods schuldig verklaard werd, hetgeen, op zijn minst genomen, hoogst onwaarschijnlijk is; eindelijk 5o. dat bl. 162 de afschuwelijke laatste ziekte van dien Vorst en de krankzinnigheid van Graaf Willem V als regtvaardige straffen des Hemels beschouwd worden. Men zij toch vooral omzigtig met dergelijke beweringen, die moeijelijk te bewijzen zijn en gewoonlijk even gemakkelijk tegengesproken als opgeworpen kunnen worden.

Dr. J.P. AREND.

[p. 836]

Nieuw volledig Hoogduitsch-Nederduitsch en Nederduitsch-Hoogduitsch Woordenboek, naar de beste en nieuwste bronnen bewerkt. Tweede deel (Nederduitsch). 1096 bl. gr. 8o. Te Amsterdam, bij G.W. Tielkemeijer. 1851.

Het eerste deel van dit Woordenboek (Hoogduitsch) werd in 1845 door den Heer J.M. Calich uitgegeven, die ook een gedeelte van het tweede deel bewerkt heeft, hetwelk door den Heer W. Dijckerhof voltooid is.

Wanneer men de zwarigheden kent, aan het zamenstellen van een goed Woordenboek verbonden, zal men den Schrijvers van dit werk grooten lof noch dank betwisten. Zij hebben hunne moeijelijke taak met bijzondere vlijt, zorg en naauwgezetheid vervuld, en het volledigste Hoogduitsch-Nederduitsch en Nederduitsch-Hoogduitsch Woordenboek geleverd, dat nog immer in het licht verschenen is. Wij willen echter hiermede niet gezegd hebben, dat het geheel volledig is. Immers, wanneer men ook met den Heer Calisch aanneemt, dat de volledigheid eens Woordenboeks daarin bestaat, ‘dat uit de algemeene volkstaal, zoowel als uit het gebied der wetenschappen, der kunsten, der handwerken, enz., die woorden en uitdrukkingen er in opgenomen zijn, welke door het dagelijksch gebruik, en de gezaghebbende schrijvers gevestigd worden,’ zal men echter erkennen, dat, naar dien maatstaf, het aangekondigde werk, ondanks den grooten rijkdom van woorden, uitdrukkingen en spreekwijzen, welken het bezit, niet volledig te noemen is. Althans in dit tweede deel zochten wij te vergeefs naar de Hoogduitsche uitdrukking van: wie a zegt, moet ook b zeggen; van a tot z verhalen; een gladden aal bij den staart hebben; om den anderen dag; iemand de laatste eer bewijzen; er eene eer in stellen; uit grond des harten; wild haar in den neus hebben; op haren en snaren stellen; haar laten; zijn kerkgang doen; eene groote mate; te regt staan; op de tong liggen; vaak hebben; van de wijs zijn; iemand te wille zijn; de handen in de zijden zetten, enz.

De uitgever heeft zich insgelijks wakker van zijn pligt gekweten. Het werk is met verstandige spaarzaamheid, eene duidelijke letter en op goed papier gedrukt, terwijl de correctie niets te wenschen overig laat. Een ruim debiet zij het voor elken beoefenaar der Hoog- en Nederduitsche talen aanbevelingswaardige boek toegewenscht.

Dr. J.P AREND.

prepostterug  begin  verder