De Gids. Jaargang 26


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen, Amsterdam 1862


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 514]

Motley's geschiedenis der Vereenigde Nederlanden.

History of the United Netherlands: from the death of William the Silent to the Synod of Dort. By John Lothrop Motley. Vol. I and II. The Hague, Martinus Nijhoff, 1860.

Wij hebben te lang verzuimd van dit voor onze geschiedenis belangrijke werk verslag te geven. Reeds heeft een ieder, die belang stelt in de geschiedenis van zijn land, het gelezen, en eene aankondiging komt dus thans niet meer te pas. Maar het is ook geen bloot verslag, wat wij ons voorgenomen hebben te geven; wij willen ons oordeel over het boek uitspreken en met de noodige bewijzen staven. Daartoe is het geschikte oogenblik nog niet voorbijgegaan. Misschien zijn wij zelfs thans beter in staat om een kalm en billijk oordeel te vellen, dan eenige maanden geleden, onder den indruk der eerste lezing van het boeijende en wegslepende boek.

Dat het inderdaad onze aandacht spant en boeit, en ons niet loslaat voor wij het geheel hebben uitgelezen, behoeven wij niet te betoogen; wij beroepen ons op de bevinding van een ieder die het ter hand heeft genomen. Door sierlijken stijl, door levendigen verhaaltrant, door schilderachtige beschrijving munt het uit boven de werken die wij gewoon zijn in onze taal over onze geschiedenis te ontvangen. Het vermeestert onze sympathie door de geestdrift, waarvan het gloeit, door den afschuw van al wat laag en slecht is, en de bewondering voor het grootsche en edele, die het bij ons opwekt. Wij gevoelen ons

[p. 515]

meêgesleept door den toon van overtuiging en ernst, waarop de schrijver ons zijn denkbeelden, zijn beoordeelingen voordraagt. Het valt ons moeijelijk ons zelfstandig oordeel te bewaren, en niet gedwee te volgen waar wij ons met zoo vasten voet zien voorgaan. Zoo te schrijven is waarlijk een kunst. Niemand die ontkennen zal dat het boek hooge kunstwaarde bezit. Wij zullen daarover dan ook niet uitweiden. Op de verdiensten van den vorm behoeft het beschaafde publiek niet gewezen te worden, het weet die zelf te waarderen. Maar het wenscht van hen, die zich meer bepaald met de geschiedenis bezig houden, te vernemen, of de inhoud aan den schoonen vorm beantwoordt, of de voorstelling even juist als treffend is, of de beoordeeling der feiten en personen op een degelijk onderzoek berust, en met naauwlettende regtvaardigheid is opgemaakt.

Wij wenschen die vragen naar ons vermogen te beantwoorden. Wij hebben ons daartoe door een opzettelijk onderzoek der bronnen, waaruit de schrijver geput heeft, eenigermate in staat gesteld. Buitendien heeft hij zelf ons de beantwoording gemakkelijk gemaakt, door in zijne aanteekeningen breede uittreksels meê te deelen van de nog ongedrukte bescheiden, die hij geraadpleegd heeft. Hij behoeft ook waarlijk de vergelijking van zijn werk met de bouwstof, waaruit hij het heeft zaamgesteld, niet te duchten. Bij de geloofwaardigste getuigen heeft hij zijn berigten ingewonnen; met scherpzinnigheid heeft hij uit hun soms tegenstrijdige verklaringen de ware toedragt afgeleid; zijn zedelijk gevoel doet hem van zelf juist en regtvaardig oordeelen. Zeker, niet in alle opzigten zijn wij door ons eigen onderzoek tot dezelfde resultaten, tot dezelfde oordeelvellingen gekomen als hij. Maar ook waar wij van hem verschillen, moeten wij hulde doen aan zijn goede trouw, aan zijn scherpzinnigheid, aan zijn vlijtig en naauwkeurig onderzoek. Wij wenschen die lofspraak hier des te stelliger uit te spreken, omdat onze recensie, zoo als doorgaans het geval is, meer de gebreken dan de deugden van het boek zal aanwijzen, en wij ons willen vrijwaren tegen de gevolgtrekking, die daaruit kon worden gemaakt, dat wij meer te laken dan te prijzen hebben gevonden. De aanmerkingen, die wij ons zullen veroorloven, nemen de hooge ingenomenheid niet weg, die wij, ook na ons opzettelijk onderzoek, voor het werk in zijn geheel blijven koesteren.

[p. 516]

Een geschiedschrijver mag niet volstrekt ontbloot zijn van dichterlijke verbeelding. Terwijl hij de bijzonderheden eener gebeurtenis verneemt, moet zich zijn geest onwillekeurig van die gebeurtenis een beeld vormen, waarin alle bijzonderheden tot een geheel zamensmelten. Hoe uitgebreider zijn kennis dier bijzonderheden is, des te minder heeft zijn geest uit zich zelf aan te vullen, en des te juister komt dus zijn beeld met de werkelijkheid overeen. Maar zelfs dan nog heeft zijn verbeelding uit dat aantal bijzonderheden het geheel te scheppen. Zonder verbeeldingskracht kan hij slechts herhalen wat hij vernomen heeft, met andere woorden hoogstens, maar zeker op dezelfde wijs. Hij mag oorspronkelijk zijn in het beoordeelen der gebeurtenissen, bij het verhalen, bij het voorstellen moet hij in de voetstappen zijner voorgangers treden. Zijn beschrijving mist noodzakelijk het leven, waarmeê alleen een scheppende geest haar bezielen kan. Dat Motley in hooge mate deze gave des dichters bezit, weten de lezers zijner vroegere geschriften. Onder het bestuderen der oude kronieken, der slecht gestelde brieven van tijdgenooten, der dorre staatsstukken, ontwaakt zijn verbeelding, en voor zijn kunstenaarsoog verrijst het verleden in vaste omtrekken met gloeijende kleuren. Alleen omdat de geschiedenis voor hem leeft, kan hij ze ons zoo levendig voor oogen stellen. Zijn talent van schilderen zou nutteloos zijn, zonder die hoogere gave van te zien wat voor ons prozamenschen onzigtbaar blijft.

Maar die gave, hoe onontbeerlijk voor den geschiedschrijver, heeft ook haar gevaarlijke zijde. Indien zij niet gepaard gaat aan een strenge kritiek, verleidt zij ligt tot verdichting, tot schildering van hetgeen had kunnen zijn, maar niet geweest is. Ik zou niet durven beweren, dat Motley aan die verleiding altijd weêrstand biedt. Nu en dan is het tafereel, dat hij voor ons ontrolt, zoo al niet in de teekening, toch in de kleuren onwaar; de werkelijkheid, zoo als een onbevangen onderzoek ze ons doet kennen, is minder fraai, minder treffend. Het is een ondankbaar werk de naakte waarheid der geschiedenis tegen de dichterlijk ingekleede en opgesierde voorstelling van den geschiedschrijver over te stellen. Wij durven niet hopen, dat het publiek den criticus dankbaar zou zijn, die het sierlijke gewaad, waarmeê het talent van den schrijver het beeld van het verleden omhangen heeft, openscheurde en afrukte. Wij, voor ons,

[p. 517]

gevoelen geen roeping tot dat werk van vernieling. Wij willen slechts waarschuwen tegen een blind geloof aan de juistheid van elke dichterlijke beschrijving, waarmeê onze schrijver zijn werk versierd heeft. Met één enkel voorbeeld willen wij die waarschuwing regtvaardigen.

Meesterlijk wordt ons de geheele lange belegering van de stad Antwerpen beschreven, en treffend vooral de tweede poging om haar te ontzetten, door het doorsteken van den Kouwensteinschen dijk, van welker uitslag het lot der stad afhing. Alle bijzonderheden dier uiterst gewigtige onderneming worden ons als voor oogen getooverd. Wij zien de vloot der Staatschen van de eene zijde, en van de andere de booten der belegerden den dijk naderen en al strijdende bezetten. ‘Met Aldegonde (lezen wij) kwam al wat van de Engelsche en Schotsche troepen der bezetting gemist kon worden, onder Balfour en Morgan. Met Hohenlo en Justinus van Nassau kwam Reinier Cant, die juist aan Paulus Buys als advokaat van Holland was opgevolgd. Naast dezen kwamen, zij' aan zij', misschien in dezelfde boot, twee andere mannen, van wie de wereld spoedig meer zou hooren en wier namen, zoo lang de geschiedenis van Nederland in geheugen blijft, onafscheidelijk verbonden zijn: Maurits en Oldenbarnevelt.’ Daarop volgt een breede schets van beider houding en gedaante, van beider karakter en gewaarwordingen, zoo als zij daar naast elkander tot ontzet van Antwerpen kwamen aanvaren.

Is die voorstelling niet schilderachtig? De geschiedschrijver doet wèl van den dichter de kunst af te zien om op deze wijs de belangrijke feiten der geschiedenis in het geheugen der lezers te prenten. Zoo dikwerf wij later de beide groote mannen vijandig tegenover elkander zien staan, gedenken wij aan het oogenblik toen wij hen, in dezelfde boot, zij' aan zij', tot ontzet van Antwerpen zagen aansnellen. - Voortreffelijk! Maar wat heeft de geschiedenis te zeggen? De geschiedenis zegt: dat de voorstelling valsch is, dat Oldenbarnevelt niet in dezelfde boot met Maurits heeft gezeten, dat hij bij deze gelegenheid waarschijnlijk in het geheel in geen boot gezeten heeft, maar rustig aan land is gebleven.

Doch hooren wij eerst wat Motley tot verdediging van zijn dichterlijke beschrijving kan bijbrengen. In eene aanteekening aan den voet der bladzijde zegt hij: ‘Dat Maurits en sommigen uit de Staten bij den aanslag tegenwoordig waren, getuigt

[p. 518]

Kaptein James. Van Oldenbarnevelt heb ik het opgemaakt uit een onuitgegeven berigt van een tijdgenoot; ik kan mij echter niet herinneren van wien. De geschiedschrijvers en de biographen van den advokaat vermelden deze bijzonderheid niet.’ Motley vergist zich: de eerste geschiedschrijver de beste, Bor, meldt uitdrukkelijk dat, toen te Lillo alles tot het ontzet gereed werd gemaakt, de Staten van Holland daarheen zonden, den burgemeester van Haarlem, Steyn, den burgemeester van Amsterdam, Reinier Cant, en den pensionaris van Rotterdam, Joan van Oldenbarnevelt. Maar wat noch Bor, noch eenig ander geschiedschrijver zegt, wat niemand behalve Motley ooit gezegd of gedacht heeft, is dat die deftige regenten in de booten meêgevaren zijn naar den Kouwensteinschen dijk, om deel te nemen aan den strijd tegen de ruwe soldaten van Parma. Hun tegenwoordigheid kwam zeker goed te pas bij het maken der toebereidselen tot het ontzet, maar kon slechts hinderen bij den gewapenden aanslag. Of Maurits zelf wel aan den togt heeft deelgenomen, is twijfelachtig. Zeker is het tafereel, dat ons hem en Oldenbarnevelt naast elkander in ééne boot vertoont, louter fantaisie. Eens aan het verdichten, heeft de schrijver de geschiedkundige waarheid geheel uit het oog verloren, en stelt hij ons Reinier Cant als advokaat van Holland en opvolger van Paulus Buys voor. Niemand echter weet beter dan hij, dat Oldenbarnevelt den 8sten Maart van het volgend jaar den post van Buys aanvaard heeft, en dat de pensionaris van Delft, van der Meer, voorloopig de werkzaamheden van advokaat had waargenomen, zonder dat burgemeester Cant daarmeê iets te maken heeft gehad. - Wij erkennen het gaarne, deze en dergelijke onnaauwkeurigheden zijn van geen groot belang, en bederven den indruk niet, dien overigens de fraaije beschrijving van de geheele belegering van Antwerpen op ons maakt. Voor zoo geringe fouten, die ieder onzer zonder moeite verbeteren kan, koopen wij de vele schoonheden der schildering niet te duur. Maar wij zouden zoo gaarne het kunstgenot smaken, zonder argwaan te voeden ten opzigte der naauwkeurigheid van de voorstelling. - Een grooter gebrek, dat uit denzelfden lust om te schilderen voorkomt, is de onevenredigheid, waarin de verschillende gedeelten van het geschiedverhaal worden uitgewerkt. Sommige gebeurtenissen, die zich schilderachtig lieten voorstellen, worden breedvoerig in alle bijzonderheden beschreven; andere daarentegen, die zich daartoe

[p. 519]

minder goed leenden, worden ter loops, in weinige woorden, afgedaan. Dit is in mijn oog een zware, bijna onvergefelijke fout. De feiten moeten naarmate zij belangrijk zijn, niet naarmate zij zich dichterlijk voordoen, op den voorgrond treden. Natuurlijk maakt het feit, dat het uitvoerigst en het levendigst geteekend wordt, den diepsten indruk op den geest des lezers: indien dit nu niet tevens het hoofdfeit is, waar de andere voorvallen zich om groeperen, dan wordt hoofd- en bijzaak in de voorstelling, die het verhaal bij den lezer achterlaat, verward, en het geheugen bewaart een verwrongen en valsch beeld van de geschiedenis. Naar ons oordeel gaat Motley aan dit euvel in het oog loopend mank. Hoe breed wordt ons het hof van Hendrik III geschilderd, ofschoon Hendrik III en zijn hovelingen een zeer ondergeschikte rol in onze geschiedenis spelen. De hertog van Guise heeft slechts uit de verte invloed geoefend op de lotgevallen van ons land; toch wordt hij ons van nabij in zijn werken en streven voorgesteld. Zijn dood was voor ons van meer gewigt dan zijn leven, want door den moord aan hem gepleegd werd koning Hendrik gedwongen om met de protestanten gemeene zaak te maken, hetgeen verder de tusschenkomst van Philips in de Fransche geschillen te weeg bragt, en ons een hoog noodige verademing verschafte. Toch wordt die moord ter naauwernood in het voorbijgaan vermeld. Soms is het alsof de schrijver, door het langdurig verhalen lusteloos geworden, zich van het vervolg en slot der geschiedenis maar afmaakt. De geschillen tusschen Leicester en de Staten gedurende het jaar 1587 zijn niet minder belangrijk dan die van het voorgaande jaar, oneindig belangrijker dan de twisten tusschen den landvoogd en zijne Engelsche en Hollandsche onderbevelhebbers. Maar die laatste worden tot vervelens toe uitgesponnen, de eerstgenoemde naauwelijks aangeroerd: ‘het zou (zegt de schrijver) een ondankbaar en overbodig werk zijn, die herhaalde twisten te beschrijven.’ Maar omdat zij in tijdsorde het laatst komen, hebben zij geen mindere aanspraak om beschreven te worden dan de geschillen van het vorig jaar. Het meerdere of mindere belang had moeten bepalen wat vermeld, wat verzwegen worden zou.

Doch - en dit is een andere fout van Motley als geschiedschrijver - hij is doorgaans meer of minder uitvoerig, naarmate hem overvloediger of schaarscher bouwstof ten dienst staat. Over de twisten tusschen Leicester en zijne onderhoorige

[p. 520]

officiers, en tusschen dezen onderling, geven hem de brieven, die hij in het Britsch Museum en in andere verzamelingen had opgespoord, uitvoerige berigten, en daarom heeft hij ze ook uitvoerig beschreven. Den aard der geschillen tusschen de Staten en den landvoogd, gedurende diens tweede bewind, had hij daarentegen uit de gewisselde stukken moeten opmaken; er viel meer over te redeneren dan van te verhalen; en daarom is hij er luchtig over heen geloopen.

Aan zulken misslag stelt het nasporen in de archieven iedereen bloot, die zijn stof niet volkomen weet te beheerschen. De groote feiten zijn meestal bekend; de geschiedschrijvers van vroeger en later dagen hebben ze te boek gesteld; veel nieuws valt er niet van te zeggen. Wat onbekend is gebleven zijn de minder in het oog loopende gebeurtenissen, die de ruimte tusschen de hoofdfciten aanvullen, en die men, tot regt verstand van deze, noodzakelijk kennen moet. Daarover bevatten de archieven een rijken voorraad van berigten. Wij gaan ze er vlijtig zoeken, halen allerlei bescheiden voor den dag, maken ons een overvloed van min of meer wetenswaardige bijzonderheden eigen, die nog niemand weet. Wat zullen wij van dit alles in de geschiedenis inlasschen? Die kleine ontdekkingen hebben ons meer moeite gekost dan de kennis der groote zaken, die ons door auderen is overgeleverd. Zullen wij nu het meerendeel er van ongebruikt laten liggen? Daar is zelfbeheersching toe noodig en strenge kritiek. Al ligt overdrijven wij bij ons zelf het belang, dat de door ons gevonden nieuwigheden bezitten, en wij ruimen haar een breeder en voornamer plaats in dan haar wezenlijk toekomt, ten nadeele natuurlijk der reeds bekende gebeurtenissen, die nu te veel in de schaduw en op den achtergrond raken. Het valt niet te ontkennen dat Motley de juiste maat niet altijd gehouden heeft. Zijn boek is vol van nog onbekende bijzonderheden, vol van nog ongebruikte bouwstof, die het hem zeker veel moeite gekost heeft te vinden, maar die hij echter tot op een tiende van haar omvang had moeten verwerken, zou zij in zijn verhaal juist hebben gepast. Het is onnoodig deze aanmerking met vele bewijzen te staven; de aandachtige lezer zal er, zonder mijne aanwijzing, voorbeelden genoeg voor vinden. Met een enkele proeve kunnen wij volstaan. Aangaande den bedriegelijken vredehandel, waarachter Parma de aannadering der armade voor Elizabeth zocht te verbergen, heeft ons Motley uit de brieven van den Engelschen gezant Cecil aan

[p. 521]

zijn vader Lord Burleigh veel wetenswaardigs meêgedeeld. Wij zijn hem daarvoor erkentelijk. Maar niet tevreden met het wezenlijk belangrijke uit de briefwisseling over te nemen, geeft hij ons tevens allerlei kleine bijzonderheden van de reis van Cecil te lezen. Wat gaan die ons aan? Wat weten wij er aan, dat de jonge Cecil te Brugge in hetzelfde hôtel logeerde en in hetzelfde bed sliep, waarin eens zijn vader geslapen had, en dat hij nog diens naam in den hoek van den schoorsteen ingegrift vond staan? In een levensbeschrijving mogen zulke beuzelingen te pas komen, in een algemeene geschiedenis zijn zij zeker niet op haar plaats.

In het algemeen hadden wij wel gewenscht dat Motley de belangrijke brieven, die hij in de Engelsche archieven heeft opgespoord, in hun geheel, als een afzonderlijk boek, had uitgegeven, en dat hij slechts de groote resultaten, die zij opleveren, in zijn geschiedenis had opgenomen. Zijn verhaal zou er zeker bij gewonnen hebben; en wij hadden ons dan tevens kunnen overtuigen, dat hij aan de brieven alles ontleend heeft wat zij bevatten. Maar laat ons niet ondankbaar zijn. Al hadden wij de nieuwe bijdragen tot de kennis van een der merkwaardigste tijdvakken onzer geschiedenis, die Motley ons aanbiedt, liever in een anderen vorm ontvangen, het betaamt ons dankbaar de diensten te erkennen, door hem, een vreemdeling, uit zuivere belangstelling, aan de geschiedenis van ons vaderland bewezen. Wat geen onzer landgenooten gedaan had, heeft hij gedaan: maanden lang heeft hij zich bezig gehouden met het opsporen en onteijferen van bescheiden, die wij wel vermoedden dat in de Engelsche archieven verscholen lagen, maar die niemand onzer er was gaan zoeken.

Jammer evenwel, dat hij, die zich zoo veel moeite heeft getroost om nieuwe bouwstof op te sporen, verzuimd heeft gebruik te maken van hetgeen reeds door anderen ontdekt was, en als voor de hand lag. Van de geschriften, die over het door hem uitgekozen tijdvak in de laatste jaren verschenen waren, heeft hij er geen gelezen. Noch het leven van Maurits door Mr. van der Kemp, vol uittreksels uit de staatsstukken in onze archieven bewaard, noch de volledige compilatie van Mr. van Rees, noch de monographiën van Dr. Scheltema, noch de opstellen van de heeren Asch van Wijck, Ackersdijck, Grothe en anderen, in verschillende tijdschriften geplaatst, schijnen door hem geraadpleegd te zijn. Van den belangrijken en

[p. 522]

vruchtbaren strijd, die naar aanleiding der romans van Mevrouw Bosboom-Toussaint gevoerd is, heeft hij geen kennis genomen. Zelfs die romans schijnt hij niet gelezen te hebben, hoewel Mr. Groen van Prinsterer, in de voorrede der nieuwe reeks van de Archives, ze als de beste voorstelling van dit tijdvak geprezen had. Het zou niet moeijelijk vallen aan te toonen, hoeveel zijn werk gewonnen zou hebben, indien hij partij had getrokken van de velerlei berigten en van de uiteenloopende beschouwingen, die hij uit deze en andere boeken had kunnen leeren kennen.

Maar genoeg algemeene aanmerkingen. Wij willen thans de beide deelen doorloopen, en nagaan wat zij behelzen.

Het werk draagt ten titel ‘Geschiedenis der Vereenigde Nederlanden sedert den dood van Willem den Zwijger.’ Het vat den draad van het verhaal op, waar die in het vroegere wel bekende werk, ‘de Opkomst der Nederlandsche Republiek,’ was afgebroken.

Al aanstonds mishaagt ons die titel, vooral omdat hij een onjuist denkbeeld, dat vrij algemeen is, schijnt te billijken. Men verbeeldt zich meestal, dat de vrijheidsoorlog met den dood van den Prins wezenlijk was afgeloopen, dat de republiek toen reeds gevestigd was, zoodat alleen hare ontwikkeling, haar geschiedenis te verhalen overblijft. Niets is valscher dan die voorstelling. De oorlog blijft na 's Prinsen dood onafgebroken, onveranderd van aard, voortduren; de republiek ligt nog in het verschiet. De dood van Prins Willem sluit niet eens een bijzonder tijdvak van den oorlog. Met 1576, met den opstand van al de Nederlanden, die vroeger Holland en Zeeland alleen den krijg hadden laten voeren, begint een nieuw tijdvak, en dat duurt voort, niet tot aan den dood van den Prins, maar tot aan de tusschenkomst van Philips in den Franschen burgerkrijg, die oorzaak is dat de onderwerping der afvallige Nederlanden gestaakt moet worden, en dat deze nu weêr, in een nieuw tijdvak, aanvallenderwijs te werk gaan, den Spanjaard tot beneden de stroomen terugdringen, en het grondgebied der zeven Provinciën bevrijden. - Het ware daarom beter geweest, zoo Motley zijn eerste werk onder onveranderden titel tot aan het jaar 1589 had voortgezet; met dit jaar, het is meermalen opgemerkt, begint eerst de republiek, wier geschiedenis hij, naar de titel luidt, wilde schrijven. Het afbreken van zijn verhaal bij een punt, waar

[p. 523]

het moest doorloopen, heeft hem belet den zamenhang der gebeurtenissen te bewaren; tusschen zijn eerste en tweede werk bestaat een klove, die de geschiedenis niet kent. Motley heeft in den Prins van Oranje te zeer den held van den vrijheidsoorlog gezien, om wiens persoon de feiten zich groeperen; waar die held hem ontvalt, moest hij dus zijn verhaal wel afbreken. Hij beklaagt zich ergens, dat hij voor dit nieuwe werk geen held heeft kunnen vinden, geen man in wien de strijd voor vrijheid en regt zich verligchamelijkt. Maar waartoe had hij zulk een held noodig? Het volk zelf is de held van den oorlog, dien het voerde; het mag niet in de schaduw worden gesteld om plaats te maken zelfs voor den grootsten zijner aanvoerders. Het volk is een held die niet sterft, zijn geschiedenis loopt voort, en behoeft geen rustpunten bij den dood zijner groote mannen.

Dat onze aanmerking meer geldt dan alleen den titel en de indeeling van het werk; dat de onjuiste verdeeling eene onjuiste voorstelling van de geschiedenis ten gevolge heeft, zal ieder erkennen, die het slot van het vorig werk en den aanhef van het nieuwe met aandacht bestudeert. Van de groote poging om de Unie van Utrecht, die feitelijk niet meer bestond sedert de raad dier Unie vervangen was door den landraad, te herstellen, en om althans Holland, Zeeland en Utrecht tot een geheel te verbinden, dat de overige noordelijke gewesten kon aantrekken en vasthouden - een poging, die na 's Prinsen dood gedeeltelijk gelukte, en tot de instelling van den raad van state met de merkwaardige instructie van 18 Augustus 1584 leidde - lezen wij nagenoeg niets in de beide werken van Motley. En toch had reeds Slingelandt op dien raad van state en op zijn instructie de aandacht gevestigd, en meermalen den wensch geuit, dat in den tijd, dien hij beleefde, aan den raad van state de bevoegdheid mogt worden weêrgegeven, die in die oude instructie omschreven staat; zoo, meende hij, zouden de staatsgebreken, waaraan de republiek wegstierf, voor goed te genezen zijn. Zeker zou Motley het oprigten van dit bestuur, waarvan Slingelandt de eer aan Prins Willem toekent, niet stilzwijgend voorbij zijn gegaan, indien hij zich niet had voorgenomen, te midden van den voortgang dier verandering van regering, bij den dood des Prinsen te eindigen. Misschien zou hij in de inleiding tot zijn nieuw werk gelegenheid hebben kunnen vinden om de geheele toe-

[p. 524]

dragt der staatshervorming te schetsen, doch ook hier loopt hij er vlugtig overheen. Zijn eerste hoofdstuk herinnert ter loops en oppervlakkig aan den toestand der Nederlandsche provinciën bij den dood van Prins Willem. In het volgende schetst hij uitvoeriger de betrekking, waarin zij tot de buitenlandsche mogendheden, bepaaldelijk tot Frankrijk en Engeland, stonden, en de verandering, die daarin door het sterven van den Prins gebragt werd. De hoofdstukken, waarin deze diplomatische aangelegenheden behandeld worden, behooren tot de beste, die de twee nieuwe deelen bevatten; het eenige wat er misschien op valt aan te merken is dat zij al te uitvoerig zijn en te veel in bijzonderheden afdalen.

Toen de Prins van Oranje stierf, waren de Staten in drukke onderhandeling om de souvereiniteit aan Hendrik III van Frankrijk op te dragen, onder soortgelijke voorwaarden als die zich 's Konings broeder, Anjou, die onlangs gestorven was, had laten welgevallen. Van die voorwaarden was zeker de gewigtigste, dat Holland en Zeeland, onder de souvereiniteit van den Prins en zijn nakomelingen, een afzonderlijken staat zouden vormen, slechts door een naauw verbond met de overige gewesten, die aan de Fransche kroon overgingen, vereenigd. Het was steeds de bedoeling van Oranje geweest ook Utrecht, zoowel als Holland en Zeeland, voor zich te behouden, en de burgerijen van het Sticht zouden dit ook gaarne hebben gezien; maar de Staten hadden te lang getalmd met het raadplegen over de voorwaarden waarop zij de souvereiniteit aan den Prins wilden afstaan, en zagen zich nu wel gedwongen met de overige gewesten tot de opdragt aan Frankrijk over te gaan. Het liet zich aanzien, dat de Koning met die uitzondering van Holland en Zeeland, de twee gezondste leden van den geheelen staat, geen genoegen zou nemen. Maar om alle verdere onderhandeling af te snijden, had men besloten eer daags den Prins als graaf dier beide gewesten uit te roepen. Alles was daartoe gereed, toen Balthasar Gerardts plotseling weêr alles verijdelde. Nu bestond er geen reden meer, waarom Holland en Zeeland zich van de overige provinciën zouden afzonderen. Had men aanstonds, zooals Oldenbarnevelt en anderen wilden, aan Maurits opgedragen wat men voor zijn vader bestemd had, dan ware de zelfstandigheid der beide gewesten op nieuw gewaarborgd. Maar dit kon niet zonder de toestemming der burgerijen geschieden, en het was niet denk-

[p. 525]

baar, dat de vroedschappen met haar overleggingen en besluiten gereed zouden zijn, voor het protest van den Franschen Koning het werk in zijn voortgang kwam storen.

Zoo als nu de zaken stonden, was het natuurlijk dat de Fransche regering weigerde in onderhandeling te treden, indien niet Holland en Zeeland zich bij de overige provinciën voegden. Met die boodschap keerden dan ook de gezanten naar den Haag terug. Een Fransch ambassadeur volgde hen op den voet, en gaf zich de uiterste moeite om de onvoorwaardelijke opdragt van alle Nederlanden aan zijn Koning te bewerken.

Maar het was geen gemakkelijke taak de Staten van Holland en Zeeland daartoe over te halen. Die beide gewesten verkeerden sedert jaren in een eigenaardigen toestand, geheel onderscheiden van dien der overige provinciën, en zij hadden zich dien steeds, bij de pacificatie van Gent, en zelfs bij de Unie van Utrecht, voorbehouden. Zij hadden zich wel met de andere provinciën verbonden, maar niet zoo naauw ververeenigd, dat zij er hun zelfstandigheid bij inschoten. Ten opzigte der godsdienst hadden zij zich steeds volkomen vrijheid voorbedongen. Zich thans aan een roomschen Koning bijna onvoorwaardelijk te onderwerpen, was wat al te veel van hen gevergd. Buitendien de nood dwong hen daartoe nog geenszins. Wel was het zeker, dat zonder vreemde hulp Brabant en Vlaanderen geheel aan den vijand verloren zouden gaan. Het was zelfs waarschijnlijk dat de noord-oostelijke provinciën niet te behouden zouden wezen. Maar Holland en Zeeland hadden jaren lang alleen den strijd gevoerd, toen zij zonder vestingwerken, zonder krijgstoerusting, zonder geregelde land- en zeemagt, als met bloote armen tegen den gewapenden vijand binnen hun eigen grenzen te kampen hadden. Waren zij toen niet bezweken, hoeveel ligter zou het hun dan thans vallen den vijand buiten de wel bevestigde grenzen te houden, nu zij uitnemend ten strijd toegerust en rijk aan hulpmiddelen waren. Buiten de garnizoenen der steden en sterkten konden zij een leger van negen duizend voetknechten en twaalf honderd ruiters in het veld brengen, en hun scheepsmagt was meer dan voldoende om de stroomen te beheerschen. Zou het dan niet beter zijn het ergste af te wachten dan nu reeds, om de afgelegen provinciën te redden, hunne eigene onafhankelijkheid op te offeren? Dat Brabant en Vlaanderen verloren gingen, hadden deze niet aan Holland te

[p. 526]

wijten, maar aan hun eigen tweedragt en zorgeloosheid, aan de onverdraagzaamheid hunner protestantsche predikanten, aan het verraad hunner roomsche geestelijken, aan de baatzucht hunner edelen en grooten. Zij mogten zich schikken in het lot, dat zij zich zelf hadden bereid, en niet vorderen dat anderen zich, hun ten gevalle, vrijwillig in de slavernij van een roomschen Koning overleverden.

Zoo redeneerde eene aanzienlijke partij onder de Hollandsche regenten. Maar een niet minder talrijke partij, die bij de ingezetenen steun vond, was voor een edelmoediger handelwijs. Zij achtte het schandelijk alleen aan zich zelf te denken, en de bondgenooten, met wie men acht jaren lang had zamengespannen, aan hun lot over te laten, zonder iets te wagen om hen te behouden. Zij wilde geen gehoor weigeren aan Brabant en Vlaanderen, aan Brussel en Mechelen, die zich smeekend tot Holland wendden, en hun heil alleen verwachtten van een edelmoedig besluit der Hollandsche Staten. De overige provinciën ondersteunden hun smeekbede. Zelfs Zeeland voegde zich bij hen; immers als Vlaanderen verloren was, werd Zeeland van nabij bedreigd. Aan zoo algemeenen aandrang konden de Staten van Holland geen weerstand bieden; schoorvoetend en onwillig voegden zij zich bij de overige, en boden Frankrijk de afgevergde souvereiniteit aan.

Dat de Koning zou aannemen hetgeen hij zoo dringend had afgevergd, was wel niet bedongen, maar scheen uit den aard der zaak te volgen. De gezanten, die het hem kwamen aanbieden, werden ook minzaam ontvangen en welwillend aangehoord - toch werd ten laatste hun aanbod van de hand gewezen. De Koning verzekerde hun, dat hij zich genoopt zag te weigeren wat hij onder andere omstandigheden gaarne zou hebben aanvaard; dat de burgeroorlog, dien hij voorzag, hem verhinderde de bescherming der Nederlanden tegen Spanje op zich te nemen. Inderdaad, het was onlangs bekend geworden, dat een magtige katholieke partij, de Ligue, met een invloedrijk man, Henry de Guise, aan het hoofd, een stellig verbond met Philips van Spanje had aangegaan, en het was zeker, dat die partij niet zou gedoogen, dat de Nederlanden, die vooral uit liefde voor de ketterij tegen hun regtzinnigen vorst waren opgestaan, tegen dezen door de Fransche regering werden geholpen. Reden genoeg voor den zwakken Hendrik III om het aanbod der Nederlandsche gezanten niet aan te

[p. 527]

nemen. Aan de opregtheid van zijn leedwezen kan niemand twijfelen, die weet van hoeveel belang voor Frankrijk de inlijving der goed gelegen en rijke Nederlanden wezen moest, en hoe gunstig zulk een aanwinst het Fransche volk voor zijn regering zou stemmen. Zelfs een Hendrik III moest zich gelukkig rekenen, indien hij volvoeren kon hetgeen Lodewijk XI zoo vurig had begeerd, de Bourgondische erflanden in te lijven in de Fransche monarchie.

Toch meent Motley in de geheime correspondentie der Engelsche en Fransche gezanten het bewijs gevonden te hebben, dat dit leedwezen slechts geveinsd, dat die noodzakelijkheid slechts voorgewend was, en dat de Fransche regering nooit plan heeft gehad om de souvereiniteit, die zij schijnbaar had gezocht, inderdaad aan te nemen. Hij meent ontdekt te hebben, dat de Koning en zijn moeder niets hoogers bedoelden dan, als schadeloosstelling voor hun geschonden regten op de kroon van Portugal, een goede som van Philips te bedingen, en dat zij met het aanvaarden der souvereiniteit over de Nederlanden slechts dreigden, om des te zekerder dit doel te bereiken. - Zulk een laagheid, van handelwijs niet alleen maar van bedoeling, zulk een vuige hebzucht, zulk een volslagen onverschilligheid omtrent de belangen van den staat, komt ons zelfs in een Koning als Hendrik III verrassend voor. De verontwaardiging, waarmeê Motley ze tentoonstelt, is zeker volkomen verdiend, zoo hij namelijk juist heeft gezien, en in de drijfveer, die den Koning bewoog, zich niet heeft vergist. Maar daaraan durf ik nog twijfelen. Dat de Koning en zijn moeder, toen zij eens, om welke reden dan ook, voor de opdragt der Nederlanden bedanken moesten, die gelegenheid te baat hebben genomen om van de benaauwde Spaansche regering een goede som gelds voor hun aanspraak op de door Philips veroverde kroon van Portugal te bedingen, is waarschijnlijk genoeg, en wordt voldingend bewezen door de stukken, die Motley aanhaalt. Maar daarmeê is nog niet uitgemaakt, dat er geen gewigtiger redenen bestonden, die de aanvaarding van de souvereiniteit der Nederlanden beletten. Al doen Hendrik III en Katharina de Medicis het bij den Spaanschen gezant voorkomen alsof hun aannemen of afwijzen enkel zal afhangen van de som, die Philips als schadeloosstelling bieden zal, die verklaring is niet afdoende. Zij wordt weêrsproken door de even stellige, en veel waarschijnlijker ver-

[p. 528]

zekering aan de Nederlandsche gezanten, dat alleen het uitzigt op een burgeroorlog in Frankrijk de regering des Konings weêrhield om de souvereiniteit over Nederland te aanvaarden. De vraag is: wat is waarschijnlijker, dat een allergewigtigste reden van staatsbelang, die werkelijk bestond, hier gegolden zal hebben, of de vuige begeerte om geld te maken? Het antwoord is niet twijfelachtig. Zeker mag Motley, die de brieven der gezanten voor zich heeft, zich beroemen de toedragt der zaak van nabij te kennen. Maar zou hij meenen beter ingelicht te zijn dan de Nederlandsche gezanten, die te Parijs met de hoofden van alle partijen in aanraking kwamen, en wier scherpzinnigheid hij zelf herhaaldelijk prijst? Welnu, die gezanten kwamen terug met de stellige overtuiging, dat alleen de vrees voor de Ligue den Koning bewogen had, zeer tegen zijn wensch, hun aanbod af te wijzen. Toen zij aan de Staten Generaal verslag deden van hunne ambassade, getuigden zij uitdrukkelijk, dat zij ‘in zeer goede hope waren geweest om de negotiatie tot een goed einde te brengen, zoo de inlandsche oorloge, in Frankrijk opgerezen, het niet had belet.’ (Mss. Resol. der St. Gen.) - Wij voor ons hechten meer gewigt aan hun bloote verklaring dan aan de gevolgtrekkingen, die Motley daartegen uit zijn nieuwe bescheiden afleidt.

In het algemeen is onze schrijver geneigd de donkere figuren der geschiedenis zoo zwart mogelijk te kleuren. Er zijn menschen, van wie hij niets goeds wil hooren, wien hij enkel slechte drijfveeren toeschrijft. Jegens Philips van Spanje is hij doorgaans onbillijk - wij hebben het bij een vroegere gelegenheid aangetoond. Ook de boosheid van Hendrik III overdrijft hij blijkbaar. Wij erkennen het, de Fransche Koning was een veel verachtelijker wezen dan de Spaansche, en wij keuren het daarom af dat Motley ergens, als hij van een verraderlijke handeling van Koning Hendrik spreekt, zich laat ontvallen: ‘Zelfs Philips zou eerbied hebben gehad voor zulk een zamenweefsel van bedrog en laagheid, als thans door zijn allerchristelijksten broeder gepleegd werd.’ In bedrog en laagheid overtrof Hendrik Philips verre. Philips was gewetenloos in de keus der middelen, die hij aanwendde; maar het doel, dat hij beoogde, was steeds het hoogste en allerheiligste, dat hij kende. Hendrik daarentegen was gedurig ontrouw aan hetgeen hij voor zijn pligt hield; in het stellen van zijn doel

[p. 529]

zelf was hij gewetenloos. Maar toch ook hij verdient niet dat wij ligtvaardig den staf over hem breken. Hij was niet ongevoelig voor het goede en groote, niet doof voor de stem van eer en regt. Er staat in het Toevoegsel op de eerste reeks der Archives van Mr. Groen van Prinsterer een brief van den Koning aan zijn minister Villeroy, die tot beoordeeling van zijn karakter allerbelangrijkst is. De brief dagteekent van Augustus 1584, juist van het oogenblik toen de Nederlandsche gezanten den Koning de souvereiniteit voor de eerste maal kwamen aanbieden. Hij is geschreven in een oogenblik van bewogen gemoedsstemming en van vertrouwelijke openhartigheid. Hij doet ons niet slechts den vorst maar den mensch kennen, zoo als hij zich op dit tijdstip bewust was te zijn. Hij toont ons den man, die het betere ziet, maar niet in staat is het te volgen. Hoe gaarne zou de Koning als een goed katholiek vorst naar een vast stelsel regeren; hij betreurt het diep dat hij doelloos en besluiteloos ronddobbert; hij schrijft zijn ongeluk toe aan zijn kwade raadslieden. Hij wenschte nog eens aan den aanvang zijner regering te staan; hoe geheel anders zou hij dan handelen; hij zou altijd en jegens allen opregt zijn; hij zou een besluit nemen en het dan ook uitvoeren. Hij spreekt van hetgeen voor en tegen zijn tusschenkomst in de Nederlandsche troebelen pleit, van het afschuwelijke der ketterij, waarop hij steunen, en die hij tevens schragen zou, maar ook, aan den anderen kant, van de waarde der provinciën die hij zou aanwinnen, van den glans dien zulk een aanwinst op zijn regering zou werpen. Dit alles schrijft hij neer zoo als het hem in het hoofd komt, verward, onzeker, zonder slot. Hij weet niet te kiezen. Het is duidelijk dat de omstandigheden zijn keus zullen bepalen. - Geen wonder, dat zulk een man de souvereiniteit der Nederlanden beurtelings zoekt en afwijst. Maar onbegrijpelijk zou het zijn als iemand van zijn karakter bij het zoeken en bij het afwijzen steeds hetzelfde doel beoogde, een geringe som gelds te bekomen in ruil voor zoo veel rijke provinciën. - Gelijk zoo dikwerf, zoo is ook hier de oude overlevering de ware; de nieuw gevonden verklaring wordt weêrsproken door inwendige bewijzen, die zwaarder wegen dan berigten van achterdochtige ambassadeurs.

Wij keeren terug tot het punt waarvan wij zijn uitgegaan. De hoop op bijstand van Frankrijk was thans voor goed vervlogen, en daarmeê alle kans om Brabant en Vlaanderen te be-

[p. 530]

houden. De belegering van Antwerpen, nog bij het leven van den Prins aangevangen, vorderde gestadig; zonder hulp van vreemden scheen de stad verloren. Nu Frankrijk zich terug had getrokken, ging de onderhandeling met Engeland, die slechts tijdelijk gestaakt was, op nieuw voort.

Er was steeds met Engeland en Frankrijk gelijktijdig gehandeld; de Nederlanders hadden zich zoo doende van den naijver der beide mogendheden bediend om de beste voorwaarden te bedingen. Want beide regeringen vreesden voor elkanders invloed op de Nederlanden: Engeland wilde de Hollandsche en Zeeuwsche havens, waaruit zijne eigene kusten bedreigd werden, niet in de magt der Franschen zien; Frankrijk wenschte in geen nieuw Calais de Engelschen tot nabuur te krijgen. De onderhandeling met Anjou, die leiden moest tot de vestiging van een afzonderlijken Nederlandschen staat, waartoe de beide zeeprovinciën niet eens behooren zouden, onder een onafhankelijken, zij hij dan ook een Fransche, vorst, had de Koningin van Engeland minder mishaagd, een tijd lang zelfs behaagd, toen zij er aan dacht haar hand aan dien nieuwen souverein te schenken. Maar toen, na Anjou's dood, zijn broeder, de Koning van Frankrijk, in zijn plaats kwam, en al de Nederlanden met Holland en Zeeland er bij, slechts voor het aannemen kreeg, ontwaakten haar naijver en haar vrees met nieuwe kracht, en begon zij, zooveel haar waardigheid het toeliet, de onderhandeling te belemmeren. Zij had gaarne gezamenlijk met Frankrijk het protectoraat over de Nederlanden aanvaard en hun onafhankelijkheid gewaarborgd; doch Frankrijk wilde voor geen minderen prijs dan voor de inlijving der zeventien provinciën, den krijg tegen het magtige Spanje beginnen, en nu het om goede redenen van die inlijving moest afzien, kon er van een gemeedschappelijk protectoraat geen sprake wezen. Zoo moest dus Elizabeth alleen de bescherming der Nederlanden op zich nemen, of anders aanzien dat de Spanjaard zich op nieuw van de kusten en havens meester maakte, waaruit hij haar staten gedurig bedreigde. Zij overlegde niet lang wat te doen; zij had in tijds haar besluit genomen. Nog eer de Nederlandsche gezanten uit Frankrijk terug waren gekeerd, had zij reeds haar hulp aan de Staten toegezegd. Onverwijld werd de onderhandeling aangeknoopt. Een gezantschap, uit de invloedrijkste staatslieden van Nederland bestaande, ging met uitgebreide volmagt naar het Engelsche hof.

[p. 531]

Het had een dubbelen last. Eerst moest het de souvereiniteit of het altijddurend protectoraat op goede voorwaarden aan Elizabeth opdragen. Werd dit geweigerd, dan moest het haar in de tweede plaats om een aanzienlijken bijstand in troepen en geld verzoeken, en tevens om een man van aanzien, die, als haar luitenant, door zijn gezag en raad de regeringloosheid, waarin de Unie vervallen was, kon doen ophouden.

De bijzonderheden van deze gewigtige zending, die tot de overkomst van Leicester leiden zou, zijn ons alle bekend. Op het Rijksarchief worden de daartoe betrekkelijke stukken bewaard, waarvan de Heer van Deventer er onlangs eenige heeft uitgegeven, en die alle door Motley gebruikt zijn. Toch rijzen er gewigtige vragen bij ons op, die wij voor als nog niet weten te beantwoorden. Was het den Nederlanders, was het bepaaldelijk den Staten van Holland ernst met de opdragt der souvereiniteit aan Elizabeth? Indien wij afgaan op den schijn, moeten wij aannemen, dat zij niets liever verlangden dan onderdanen der Engelsche Koningin te worden; gedurig herhalen zij de opdragt en telkens met nieuwen aandrang. Maar is die schijn onbedriegelijk? Motley schijnt het te meenen; hij gelooft dat de opkomende republiek zich haar krachten nog niet bewust was, en naar de zekerheid haakte, die de heerschappij van Engeland beloofde. Maar dit antwoord bevredigt ons niet. Wij willen aannemen dat de overige provinciën, wier toestand onzeker, wier zelfvertrouwen gering was, zulke onderwerping verkozen; maar Holland, dat zoo lang geaarzeld had, eer het aan Frankrijk in den uitersten nood, en omdat het niet anders kon, zijn souvereiniteit had opgedragen, moest het een geluk, eene onverwachte uitkomst rekenen, nu Engeland wilde helpen, zonder de onafhankelijkheid, waarop men zoo hoogen prijs stelde, te verkorten. Dat de Hollandsche staatslieden plotseling de onderdanigheid boven de zelfstandigheid verkozen, en liever geregeerd wilden worden dan zelf regeren, kunnen wij niet gelooven. Hun gedrag jegens Leicester is daarmeê in tegenspraak. Wel bestond er tegen de protestantsche Koningin van het vrije Engeland niet die achterdocht, die er tegen den absoluten Koning van het roomsche Frankrijk bestaan had; maar de Staten van Holland konden toch niet wenschen gelijk te worden aan de Commons van Engeland. Wij zouden eerder meenen, dat Holland daarom de souvereiniteit met zooveel aandrang aan Elizabeth opdroeg, omdat het zich verzekerd hield,

[p. 532]

dat de Koningin toch vast besloten was die niet te aanvaarden. Men had alle reden om daarvan verzekerd te zijn. Meermalen had Elizabeth het uitdrukkelijk verklaard, en zij was te fier om in strijd met haar woord te handelen. Zij zou den goeden naam, dien zij zoo hoog schatte, verbeuren, indien zij zich de staten van een anderen vorst toeëigende. Zij zou zich in een eindeloozen oorlog met het nog altijd overmagtige Spanje wikkelen. Zij zou zich belasten met uitgaven, die haar inkomsten verre te boven gingen. Wie haar kende, moest weten, dat zij zich daartoe nooit zou laten verleiden. De Staten waren er zonder twijfel van overtuigd. De Hooge Collegiën van Holland en Zeeland althans hadden in der tijd de opdragt der landen aan Frankrijk ook daarom aanbevolen, omdat Engeland niet anders zou willen helpen dan ten onzen koste en onder pandschap der gewigtigste steden. Het komt ons waarschijnlijk voor, dat de Hollandsche staatslieden nooit iets anders hebben bedoeld, dan te verwerven, wat zij verkregen hebben, en dat de aanbieding der souvereiniteit slechts dienen moest om de hooghartigheid van Elizabeth te streelen, die men zeker niet minder kon aanbieden dan reeds aan Frankrijk aangeboden was.

Om het gedrag der Engelsche Koningin jegens onzen Staat met billijkheid te beoordeelen, moeten wij ons eerst een duidelijke voorstelling vormen van haar plannen, van haar beloften. Het komt ons voor dat Motley, door dit te verzuimen, haar handelwijs in een valsch daglicht geplaatst heeft, en haar als onopregt en bijna verraderlijk heeft voorgesteld, hoewel hij haar vervolgens van die schuld met schoone woorden weêr zoekt vrij te pleiten.

Het groote doel van Elizabeth was eenvoudig de Nederlanden onschadelijk te maken voor haar eigen rijk. Daarom kon zij niet gedoogen, dat die gewesten onvoorwaardelijk aan Spanje of aan Frankrijk gehoorzaamden. Zij wenschte ze, zoo al niet in naam, inderdaad onafhankelijk te zien. Maar zij was van denkwijs en karakter zeer monarchaal, doordrongen van het goddelijk regt der vorsten en van het afschuwelijke van den opstand. Zij wenschte dus niet meê te werken tot het ontrooven der Nederlanden aan hun wettigen vorst, zoo deze maar aan zijne onderdanen een zekere mate van zelfstandigheid wilde toestaan. Toen na het schrikbewind van Alva en van Requesens de zeventien provinciën in openlijk verzet kwamen, en een nationaal bestuur instelden, was zij onmiddellijk gereed haar bij te staan; maar zoo-

[p. 533]

dra Don Juan in het land kwam en zich genegen betoonde om de billijke wenschen der Nederlanders in te willigen, raadde zij weêr tot een schikking. Eerst toen alle hoop op zulk een schikking verdwenen was, en de oorlog werkelijk uitbarstte, koos zij partij voor de onderdanen tegen de regering. Reeds toen, in 1577, werd het plan beraamd van een Engelsch protectoraat, nagenoeg op dezelfde voorwaarden, waarop het acht jaren later tot stand kwam. De Staten Generaal verzochten een hulpbende van vijfduizend voetknechten en duizend ruiters, te hunnen koste te onderhouden, met een man van aanzien aan het hoofd, die in den raad van state zitting hebben en op de leiding der zaken overwegenden invloed uitoefenen zou. Opmerkelijk is het, dat toen ook reeds Leicester zoowel door de Staten als door de Engelsche regering voor dien gewigtigen post bestemd werd. Waarschijnlijk hadden de raadslieden der Koningin zelf aan de gezanten in den mond gegeven wat zij vragen moesten, en hun verzoek zou zijn ingewilligd, indien niet eerst de komst van Matthias, en later de onderhandeling met Anjou, en bovenal de naijver, dien Frankrijk toonde, de plannen der Engelschgezinden onmogelijk had gemaakt. Toch werden die plannen meer gewijzigd dan opgegeven: in plaats van Leicester met Engelsche troepen kwam Kasimir van de Paltz met Duitschers en Zwitsers, die gedeeltelijk met Engelsch geld geworven en onderhouden werden; hij voerde den titel van luitenant der Koningin, en moest inzonderheid beletten, dat de Franschen zich in de Nederlanden nestelden. Hoe weinig die hulp gebaat heeft, is bekend; de oorlog was een onafgebroken reeks van nederlagen voor de opstandelingen. Het gevaar, dat Spanje de afvallige gewesten geheel onderwerpen zou, werd gedurig dreigender. De bezorgdheid der Engelsche regering steeg met den klimmenden nood der Nederlanden, in welke zij te regt haar voormuur zag. Thans, nu alle uitzigt op ondersteuning van Duitschland of Frankrijk verdwenen was, nu de provinciën aan zich zelf overgelaten, door den dood van Prins Willem van haar vertrouwden leidsman beroofd, op het punt schenen van te bezwijken, was zij bereid het gevaar van met Spanje in oorlog te raken, te trotseren, liever dan haar doodvijand in het bezit der Nederlandsche havens te laten komen.

Maar daarom was zij nog niet besloten de Nederlanden geheel van Spanje los te scheuren. Zij geloofde nog altijd aan de mogelijkheid van een vrede, die Nederland tegen de over-

[p. 534]

heersching der Spanjaards waarborgen, en bij gevolg haar eigen, rijk tegen een aanslag uit de Nederlandsche havens beveiligen zou. Kon men Spanje dwingen aan de zeventien gewesten een eigen bestuur, zoo als bij de pacificatie van Gent en bij het eeuwig edict bedoeld was, te verleenen, dan was Elizabeth bereid de wapenen af te leggen. In het manifest, dat zij eerlang tot regtvaardiging van haar bijstand aan de muitende Nederlanders uitgaf, verklaarde zij dit ten stelligste: zij zocht geen aanwinst van landen; zij begeerde alleen ‘door Gods hulp voor deze gewesten te verkrijgen een verloosing uit het geweld der vreemdelingen, met restitutie van hunne oude vrijheden en gouvernement, door een christelijken vrede,’ en tevens ‘zekerheid voor zich zelve en haar koninkrijk tegen eenigen inval van naburen.’ Aan dit programma is zij onveranderlijk getrouw gebleven. Nog eer Leicester met zijn troepen in het veld verscheen, handelde reeds het Engelsche kabinet met de zendelingen van Parma over vrede, doch op voorwaarden, die met haar tweeledig doel volkomen overeenkwamen.

Hoe geheel anders waren de Staten, die zij bijstond, gezind. Zij hadden Philips als landsheer afgezworen, en zij waren vast besloten geen vrede te sluiten, die hen weder tot zijne onderdanen maken zou. Zij hadden geen ander doel met den oorlog, dan de vestiging van hun onafhankelijk volksbestaan. In die tegenstrijdigheid van bedoelingen tusschen Elizabeth, die hielp, en de Staten, die geholpen werden, lag de kiem van het wantrouwen, de tweedragt, den haat, die weldra tusschen beide zouden ontstaan. De schuld lag bij de Staten, die wisten wat Elizabeth met hen voorhad, en zich evenwel aan haar leiding overgaven. Zij mogten het later betreuren, dat Elizabeth zich zoo roekeloos in den verraderlijken vredehandel met Parma inliet, maar zij hadden geen regt om het haar als een vergrijp te verwijten. De Koningin handelde overeenkomstig haar woord. Zij vorderde voor Nederland een ruime mate van godsdienstige en burgerlijke vrijheid en een nationaal bestuur, en alleen omdat die voorwaarden niet stellig geweigerd werden, zette zij de onderhandeling voort. Had zij naar voorslagen geluisterd, die Nederland aan de willekeur van den Spaanschen Koning overleverden, dan had men haar van ontrouw mogen verdenken. Thans kon men haar alleen van jammerlijke verblinding en ligtgeloovigheid beschuldigen.

Den gang der onderhandeling over het tractaat met Enge-

[p. 535]

land, en den loop der krijgsbedrijven tot op de overkomst van Leicester, de belegering en de overgaaf van Antwerpen en het daarmeê gepaarde verlies van Brabant en Vlaanderen, beschrijft ons Motley meesterlijk. Beschrijven is de kunst, waarin hij uitmunt, en de belegering van Antwerpen is een onderwerp zijner waardig. Wij hebben daarvan niets te zeggen, dan dat wij zijn verhaal met opgetogenheid gelezen en herlezen hebben.

Het jaar 1585 was bijna ten einde, eer Leicester aan het hoofd der vijfduizend Engelsche voetknechten en duizend ruiters in het land verscheen. Brielle en Vlissingen werden aan de Koningin tot pand voor haar voorschotten ingeruimd. Een nieuw tijdvak begon voor onze geschiedenis, waarvan de gevolgen geduurd hebben zoo lang de republiek heeft gestaan.

Natuurlijk boezemt het ons groote belangstelling in. Voor weinige jaren gewaagde onze letterkundige wereld van niets anders dan van Leicester en van de tegenwerking door hem van de Staten van Holland ondervonden. Het zijn de historische romans van Mevrouw Bosboom-Toussaint, aan wie de eer toekomt van de aandacht van het publiek in die mate op dit tijdvak gevestigd te hebben. Niet alleen als verdichting, ook als historische studie hebben zij groote waarde; zij kenmerken zich door eene oorspronkelijke opvatting van den geest des tijds, die aanleiding tot denken en tot onderzoeken geeft. Niet dat de toedragt der zaken er volkomen naar waarheid in beschreven wordt. De historische waarheid is met de eischen der verdichting slechts gedeeltelijk overeen te brengen. De taak van den romanschrijver is eene andere dan die van den historicus. De romanschrijver vestigt de aandacht, en wekt de weetgierigheid op; de geschiedschrijver tracht ze te bevredigen. Walter Scott drukt dit eigenaardig verschil in de voorrede van een zijner romans dus uit: ‘de historische roman is de wigchelaarsstaf, die aanduidt waar de schat begraven ligt; dien te beuren is het werk der geschiedenis.’ Zoo is het ook hier met de geschiedenis van Leicester's bewind gegaan. De romancière heeft getoond, hoe merkwaardig voor onze geschiedenis dit tijdvak geweest is. Geschiedkundigen zijn op die aanwijzing afgegaan, en hebben den schat althans gedeeltelijk aan het licht gebragt. Vooral de Heer Beijerman heeft veel, wat vroeger in het duister school, in het ware licht gesteld; zijn voorstelling van de verhouding der Staten tot den landvoogd, met scherpzinnigheid uit de toen voorhanden bescheiden opgemaakt, wordt bevestigd door

[p. 536]

de stukken, die sedert hij schreef zijn uitgegeven, en door de brieven, die Motley in de Engelsche archiven gevonden heeft. Het is zeer te bejammeren, dat Motley de brochure van den Heer Beijerman niet schijnt gekend te hebben. Hij had daaruit kunnen zien, uit welk oogpunt onze geschiedkundigen dit tijdvak beschouwd willen hebben, welke vragen zij bij voorkeur beantwoord, welke bijzonderheden zij nader toegelicht wenschen te zien. Onbekend met den stand van het ondezoek. heeft hij sommige zaken onaangeroerd gelaten of slechts ter loops behandeld, die wij uitvoerig besproken wenschten te hebben, en daarentegen andere breed uiteengezet, die ons geen bijzonder belang inboezemen.

Wij willen, met voorbijgang van hetgeen Motley, naar ons oordeel, voldoende behandeld heeft, aanstippen wat ons voorkomt aan zijn werk te ontbreken.

In de eerste plaats hadden wij een naauwkeurige beschrijving verlangd van den toestand der partijen op het oogenblik toen Leicester hier aanlandde. Het is een gewone dwaling te onderstellen, dat de geschillen, die zijn bestuur kenmerken, eerst in zijn tijd geboren zijn. Het zou de moeite wel waard zijn geweest te toonen, dat zij alle reeds bestonden, eer nog Leicester een voet in het land had gezet. Wij zouden dan tevens hebben gezien, hoe moeijelijk het den nieuwen landvoogd vallen moest om zich onzijdig te houden, hoe onweêrstaanbaar bijna hij tot partijtrekken tegen Holland gedwongen werd.

Er bestond reeds sedert lang een wrok tusschen Holland en Zeeland en de overige provinciën. Vooral Gelderland bleef zijn ouden naijver tegen het voorspoedige Holland koesteren. Utrecht helde meer tot zijn oostelijken dan tot zijn westelijken nabuur over. In de lange oorlogen, die aan de vereeniging van het Sticht en van Gelderland met de overige provinciën, onder de kroon van Karel V, vooraf waren gegaan, had de volkspartij van Utrecht de zijde van den Hertog van Gelder tegen den magtigen Graaf van Holland gekozen. Na de nederlaag had verder de gedwongen vereeniging van Utrecht met Holland en Zeeland onder éénen stadhouder het zelfgevoel der burgerij gekrenkt, en den weêrzin tegen de heerschzucht, waarvan men de Hollanders beschuldigde, nog versterkt. Die vereeniging had feitelijk opgehouden, zoolang Holland in zijn strijd tegen Alva en Requesens volhardde en het Sticht aan den landsheer onderdanig bleef. Maar na de pacificatie van Gent, die alle provinciën op gelij-

[p. 537]

ken voet stelde, vorderde Prins Willem, de stadhouder van Holland, dat zich ook Utrecht weêr onder zijn bestuur zou voegen. Het duurde wel een jaar eer het hem gelukte den afkeer der Utrechtsche burgerij te overwinnen, en die provincie met de beide overige op nieuw te vereenigen. En toen hem Holland en Zeeland later de hooge overheid opdroegen, bleef Utrecht weêr achterlijk, en voegde zich bij de andere gewesten, die de souvereiniteit aan Frankrijk aanboden. Na 's Prinsen dood gaven zich de Staten van Holland en Zeeland de uiterste moeite om met het Sticht in een naauw verbond te treden; aanvankelijk scheen dit te zullen gelukken; men werd het eens over een gemeenschappelijke regering, onder een raad van state met Prins Maurits aan het hoofd, waaraan zich vervolgens ook de overige provinciën, ten laatste Gelderland en Overijssel, onderwierpen. Maar die eensgezindheid duurde niet lang. Terwijl Holland en Zeeland Maurits voor hun stadhouder hielden, verkoos zich Utrecht niettegenstaande de vertoogen van haar beide bondgenooten een anderen, den Heer van Villers. Die eerste stap leidde tot verdere verwijdering en daarentegen tot toenadering naar de zijde van Gelderland, dat sedert den dood van Prins Willem er op uit was om het Sticht aan zich te verbinden. Vooral onder de burgerij der Utrechtsche steden heerschte een sterke afkeer van de staatkunde der Hollandsche kooplieden en regenten; en die burgerij was gewoon op den gang der regering een krachtigen invloed uit te oefenen. Sedert den dood van Prins Willem, wiens gezag de hartstogten nog had beteugeld, waren de Staten wel genoodzaakt aan den aandrang der burgers toe te geven, en voort te gaan in de rigting hun door dezen aangewezen.

Het is bekend, dat Leicester in zijn strijd tegen de Staten van Holland vooral op de burgerijen van het Sticht gesteund heeft. Om dien strijd in zijn aard en oorsprong goed te begrijpen, is het dus in de eerste plaats noodig van nabij bekend te zijn met de vroegere geschiedenis van de Utrechtsche staatspartijen, met haar traditie, met haar gestadig streven. Daarvan is in het werk van Motley ongelukkig geen spoor te vinden. Men zou bijna gelooven, als men zijn verhaal leest, dat de democraten van het Sticht eerst in Leicester's tijd zijn opgekomen, en dat zij grootendeels vreemdelingen waren. Maar niets is minder waar. De geschiedenis van het Sticht, van de oudste tijden tot op den ondergang onzer republiek, is een gedurige

[p. 538]

worsteling van de volkspartij tegen de geestelijkheid en den adel. Onder allerlei leuzen wordt die strijd gevoerd, nu eens in vereeniging met de graven van Holland, dan weêr in verbond met de hertogen van Gelderland, nu eens onder de vlag der monarchie, voor Leicester tegen de veelhoofdige regering der Staten, dan weêr, in naam der volksvrijheid, voor de patriotsche regenten tegen den tyran Willem V: alles verandert met de omstandigheden der wisselende tijden, alleen de democratische geest blijft door alle tijden onveranderd dezelfde. Wanneer men dit uit het oog verliest, kan men den tijd van Leicester niet dan in een valsch daglicht beschouwen. Niets is minder waar dan dat de Utrechtsche volkspartij een werktuig in de handen van Leicester zou geweest zijn. De Engelsche landvoogd schikte zich zeker niet minder naar het drijven der Utrechtsche democraten, dan dezen zich naar zijne leiding. Het was een verbond tusschen beiden, ter bereiking van beider doeleinden, geen dienstbaarheid van den een aan de bedoelingen van den ander.

Wij kunnen het Motley niet ten kwade duiden, dat hij van den aard der Utrechtsche democratie en van haar invloed op het bestuur van Leicester niet gewaagt. Er bestaat geen monographie, waaruit hij die kennis had kunnen putten. Onze historische literatuur, hoe rijk ook aan stadsbeschrijvingen, mist nog altijd een goede geschiedenis van een stadsgemeente, zoo als Augustin Thierry er van enkele Fransche communes geleverd heeft. Geen leemte die wij liever in onze geschiedenis aangevuld zouden zien. Want de geschiedenis van de tweede helft der middeneeuwen is niet goed te verstaan zonder een veel naauwkeuriger kennis van het politieke leven der burge rijen, dan die wij tot nog toe bezitten. Een geschiedenis der stad Dordrecht, een geschiedenis der stad Utrecht, met waren historischen zin geschreven, zou een nieuw licht doen opgaan over de algemeene geschiedenis van het Hollandsche graafschap. De bouwstoffen tot zulke geschiedenissen zijn althans voor een goed gedeelte nog voorhanden in de stedelijke archieven. Zij wachten slechts op een navorscher, die bij stalen ijver in het zoeken, genoeg oordeel bezit om te weten wat hij wil vinden.

Sedert bisschop Hendrik van Beijeren de wereldlijke magt over het Sticht aan Karel V had afgestaan, was de invloed der burgerij op de regering aanmerkelijk besnoeid. Maar de kerk-

[p. 539]

hervorming, gepaard aan den opstand tegen den landsheer, had aan de volkspartij nieuwe krachten geschonken. Alleen de verzoenende staatkunde van Prins Willem had belet, dat in het Sticht, evenzeer als in Holland, geestelijkheid en adel door de stadsgemeenten uit den alouden voorrang verdrongen werden. De Prins was geen vriend van omwenteling, wanneer hij met het bestaande in vrede leven kon. Hij steunde bij voorkeur op de wettige magten, zoo deze zich maar handelbaar betoonden; alleen om haar tegenstand te breken, had hij nu en dan, zoo als in de zuidelijke provinciën tijdens de pacificatie van Gent, de gemeenten tegen de regeringen gebruikt. In Utrecht had hij alles zooveel mogelijk op den ouden voet gelaten. Zelfs de stand der geestelijken was als eerste lid der Staten niet opgeheven, slechts hervormd. In plaats der vijf kapittels kwamen zeven geëligeerden, die uit het midden van deze, op voordragt der stadsregering, door de ridderschap en de kleinere steden gekozen werden. Zij moesten in naam althans protestantsch zijn, maar zij verbeeldden toch nog altijd den stand der geestelijken. De praebenden bleven als sinecuren bestaan, waarmeê particulieren begiftigd werden. Het collegie der Staten telde voortdurend drie leden, waarvan de twee eerste het derde lid, uit de steden bestaande, doorgaans overstemden.

Het is niet te ontkennen, dat die toestand in strijd was met den geest des tijds en met de behoeften der veranderde maatschappij. Nu eens de protestantsche godsdienst de godsdienst van den staat was geworden, had men in het Sticht, zoo als overal elders, de geestelijke goederen tot het onderhoud van predikanten en onderwijzers en tot verzorging der armen moeten bestemmen, en den stand der geestelijken in naam zoowel als inderdaad moeten afschaffen. De vertegenwoordiging des volks zou dan van zelf tot twee standen, de ridderschap en de steden, terug zijn gebragt, waarin de steden, zoo als haar in de nieuwe maatschappij toekwam, het hoogste gezag zouden gehad hebben. Het was blijkbaar, dat alleen de ijverzucht der edelen tegen de steden het in stand houden van den eersten Staat had bewerkt. Immers onder een bijzonderen naam waren de geëligeerden een nieuwe adelstand, met gelijke belangen en bedoelingen als de aloude. Maar de volkspartij, die grootendeels streng Calvinistisch was, berustte niet in deze ongenoegzame hervorming van het staatswezen. Zij beschouwde deze slechts als voorloopig, en zag uit naar de gelegenheid, die zich weldra moest opdoen, om het

[p. 540]

aangevangen werk te voltooijen. Op zich zelf was zij daartoe niet magtig genoeg. Er waren nog veel katholieken in de stad en in de provincie, en een menigte protestanten behoorden tot een tusschen-partij, waarvan de Calvinisten bijna even afkeerig waren als van de afgoderij der roomschen zelf. Naast de regtzinnige kerk van het Consistorie stond de St. Jacob's kerk der libertijnen, door Hubert Duifhuis gesticht, en geschraagd door de regering der stad, die van allen geloofsijver en ketterjagt een afschuw had. De verdraagzame Prins van Oranje had die scheurkerk in vrede laten bestaan. De Staten van Holland, die meestal zelf libertijnen waren, hadden meer sympathie voor haar dan voor het Consistorie. De Calvinisten haatten daarom de Hollandsche Staten, wier staatkunde hun buitendien tegenstond, des te vinniger.

De regering, die den heer van Villers, in plaats van Maurits tot stadhouder van het Sticht had verkozen, behoorde nog tot de partij der St. Jacobskerk. Floris Thin, die op dien tijd secretaris der Staten van Utrecht - zooveel als landsadvokaat in Holland - en een zeer invloedrijk persoon was, stond bekend voor een libertijn, maar tevens voor een vijand van de Unie met Holland. Want in eene Unie met die magtige provincie moest het Sticht natuurlijk eene ondergeschikte rol vervullen, en dat duldde de eerzucht van de Utrechtsche Staten niet. Doch al waren zij tegen een naauw verbond met Holland, zij namen gaarne den oligarchischen vorm der Hollandsche stadsregeringen aan. Een der eerste verordeningen van den nieuwen stadhouder was het instellen van een erfraad voor de stad Utrecht, die met de vroedschapscollegiën van Holland overeenkwam, in zoover hij, voor levenslang aangesteld, zich zelf voltallig hield, en jaarlijks de dubbeltallen, waaruit de stadhouder de burgemeesters en schepenen moest kiezen, benoemde, en dus de politieke regten uitoefende, die de gilden en schutterijen weleer bezeten hadden. Indien die erfraad zich had kunnen vestigen, zou de burgerij van Utrecht, zoo goed als die der Hollandsche steden, onder de oligarchie van enkele regenten-families geraakt zijn. Maar er hestond te veel politiek leven in de stad, om dit lijdelijk te gedoogen. Toen weinige maanden later, in den slag van Amerongen, de heer van Villers in handen der vijanden viel, kwam de gemeente in beweging, weêrstond de maatregelen van bedwang, die tegen haar genomen werden, en noodzaakte ten laatste de Staten om den stadhouder van Gelderland en Over-

[p. 541]

ijssel, den graaf van Nieuwenaar, tot plaatsvervanger van den heer van Villers aan te stellen, voor zoo lang deze in gevangenschap blijven zou. De instructie, waarop Nieuwenaar dien post aanvaardde, was op de leest der Geldersche geschoeid, en verleende hem veel uitgebreider magt dan zijn voorganger bezeten had. Bepaaldelijk werd de erfraad weêr afgeschaft, en aan den stadhouder de keus van de jaarlijks aftredende magistraat toegestaan, met dezelfde beperkingen, waaronder de Prins van Oranje ze vroeger gehad had. Van die bevoegdheid maakte Nieuwenaar bij de eerste gelegenheid gebruik om de partij, tegen wier zin hij was aangesteld, te fnuiken. Bij de regeringsverandering, die een maand later geschiedde, ontsloeg hij bijna de helft van de libertijnsche regenten, en bragt in hun plaats de hoofden der Calvinistische volkspartij op het kussen. Zoo ontsnapte dus Utrecht meer en meer aan den invloed van Holland.

Maar het waren toch eigenlijk de regenten en de stadhouder niet, die de thans bovendrijvende partij aanvoerden; het waren de burgerhoplieden. De gewapende burgerij, in acht vendelen verdeeld, stond onder hun bevel, maar buitendien waren zij zooveel als de wijkmeesters der stad en de vertegenwoordigers der gemeente tegenover de regering. Zij beroemden zich de plaats te bekleeden, die in de Romeinsche republiek door de tribuni plebis bekleed werd; zij achtten zich geroepen voor de bedreigde volksvrijheden in de bres te springen. Zij rekenden zich zelfs bevoegd om over de algemeene staatszaken meê te spreken: ongeroepen dienden zij den raad van state en den Staten Generaal van advies. Kort nadat zij te Utrecht de bovenhand hadden gekregen, durfden zij zelfs als verdedigers der Unie tegen de regering van Amsterdam en tegen de Staten van Holland optreden. De aanleiding daartoe was deze.

De Staten Generaal hadden op aanmaning van den raad van state, in eene onvoltallige vergadering en zonder voorafgaande beschrijving der provinciën, een besluit genomen, dat voor Holland en bepaaldelijk voor Amsterdam van het grootste gewigt was. Uithoofde van de stijgende prijzen der eetwaren en het meer en meer nijpende gebrek hadden zij den uitvoer van levensmiddelen, waarheen ook, verboden, en aan de militaire en burgerlijke gezaghebbers aangeschreven streng toe te zien, dat dit verbod niet overtreden werd. Het doel der resolutie was niet zoozeer om in de Vereenigde Gewesten een ruimen voor-

[p. 542]

raad te houden, als wel om aan de provinciën, die onder den vijand stonden, den toevoer af te snijden, dien men meende dat zij kwalijk missen konden. Maar daartoe was geen onbepaalde sluiting van den uitvoer noodig. Het was voldoende dat men bepaaldelijk den uitvoer naar de zuidelijke provinciën verbood, en de kusten van Vlaanderen en de binnenstroomen naauw bewaakte. Met den algemeenen maatregel schoot men zijn doel voorbij, en schaadde niemand meer dan zich zelf. De handel van Holland bestond voor verreweg het grootste gedeelte in eetwaren; den uitvoer te verbieden was tevens den invoer te doen ophouden en den geheelen handel te doen stilstaan. De stad Amsterdam, die van den graanhandel bestond, drong dan ook bij de Staten van Holland op een wijziging van het plakaat aan, en vorderde dat althans de handel op de Oostzee zou worden vrijgesteld. De Staten begrepen hoe raadzaam, hoe noodig die verandering was, en eigenmagtig bragten zij haar in het plakaat der Staten Generaal. Zonder twijfel gingen zij zoodoende hun bevoegdheid te buiten; maar tot hun verontschuldiging kan dienen, dat de zaak hun provincie in het bijzonder aanging, en dat het besluit der Staten Generaal allerverderfelijkst was. De raad van state evenwel, die met de uitvoering van het plakaat belast was, wilde van geen wijziging hooren, op last eener bijzondere provincie gemaakt, en verwees den burgemeester van Amsterdam, die om althans tijdelijke schorsing van het plakaat aanhield, naar de Staten Generaal, als de eenige magt, die bevoegd was zulk een verandering te maken. Dus bij den raad van state afgewezen, wendde de regering van Amsterdam zich tot de gecommitteerde raden van Holland, en verwierf van deze een bevel aan den convooimeester van haar stad om zich voorloopig te gedragen naar het plakaat, zoo als het door Holland was gewijzigd, en niet zoo als het oorspronkelijk door de Staten Generaal was vastgesteld.

Zoo hadden dus in een hoogst gewigtige zaak Amsterdam en Holland het gewonnen van de Generaliteit. Een bewijs hoe weinig de regering der Unie beteekende. En, als om het algemeene gebrek aan ondergeschiktheid nog duidelijker te doen uitkomen, matigden zich nu de burger-hoplieden van Utrecht, die met de zaak niets te doen hadden, het regt aan om Amsterdam tot zijn pligt te brengen. Zij zonden een deputatie naar den Haag, die in een gemeenschappelijke vergadering van den raad van state en van de Staten Generaal, haar

[p. 543]

ten gevalle opzettelijk bijeengeroepen, een heftige remonstratie inleverde, waarin de baatzuchtige kooplieden, die alles, vrijheid, eer, God zelven voor geld veil hadden, en op niets dan op de belangen van den handel letten, hevig werden doorgehaald, en de regering van Amsterdam en de Staten van Holland en Zeeland, op wier neiging tot vrede en onderwerping Parma reeds zijn plannen bouwde, evenmin gespaard werden. Daarentegen werd de regering van Utrecht als welgezind geprezen, en de instemming van Gelderland en Overijssel in dit beklag over Amsterdam en Holland verondersteld. Ten slotte werden de Staten Generaal vermaand om voor de strenge handhaving van het plakaat te zorgen, en de overkomst van Leicester, wien men reeds verwachtte, zoo veel mogelijk te bespoedigen, opdat aan de regeringloosheid, waarin de staat vervallen was, een einde mogt komen. - Op zulk een vreemd vertoog volgde een even zonderling antwoord der Staten. Zij herinnerden den burger-hoplieden wel, dat zij zich niet tot hen maar tot de regering van Utrecht hadden behooren te wenden, doch zij bedankten hen tevens voor de goede bedoeling en voor de belangstelling in de welvaart van het land, en beloofden dat hun te nemen besluit naar het genoegen van alle weldenkenden zou uitvallen. - Zulk een antwoord moest het zelfvertrouwen der Utrechtsche democraten nog versterken. Te regt beklaagde zich Amsterdam, in een uitvoerig verweerschrift, over deze bemoeijing van vreemde onderzaten in de zaken die de regering van Holland betroffen, en hun volstrekt niet aangingen. Het was een tijd van verwarring en regeringloosheid. Niemand die zich hield binnen den kring zijner bevoegdheid. Alle wetten moesten zwijgen voor de hoogste wet van het heil van den staat, en die wet verklaarde ieder naar zijn eigen inzigt en goeddunken. Het vooruitzigt op een nieuwen regeringsvorm, wanneer eens de Engelsche edelman in het land gekomen zou zijn, deed de bestaande regering te minder achten.

Wij staan verbaasd over de algemeene bandeloosheid en wanorde, die op dit tijdstip heerschten, indien wij de (nog onuitgegeven) vertoogen daarover lezen van den raad van state en van den landraad aan de Staten Generaal. De contributiën, die telkens voor niet langer dan drie maanden worden toegestaan, zijn slechts voor een klein gedeelte te innen; het krijgsvolk blijft onbetaald, en verloopt of slaat aan het muiten.

[p. 544]

De bevelen der algemeene regering worden niet gehoorzaamd; er bestaan ook volstrekt geen middelen om ze ten uitvoer te brengen. De raad van state zegt onbewimpeld: wat moet er worden van een staat, ‘waar de raad den naam heeft van alle authoriteit, en metterdaad bevonden wordt niet de minste te hebben dan alleen den naakten titel, om de oogen van de gemeente te voldoen, en dezelve daardoor in officie te houden.’ De Staten Generaal stemmen volkomen in met die klagten, en schrijven aan de bijzondere provinciën: ‘zendt toch uw gedeputterden naar den Haag; wij vergaderen hier met twee of drie provinciën, zoodat de voorkomende zaken, al hangt het heil van het land er aan, onafgedaan moeten blijven.’

Was het te midden van zoo grenzenlooze verwarring niet natuurlijk dat Holland en Zeeland, wier bijzondere regering tamelijk goed geregeld was, liever op zich zelf wilden staan, dan zich afhankelijk stellen van eene Unie, die in een staat van ontbinding verkeerde? Maar aan den anderen kant laat het zich even goed begrijpen dat de overige provinciën met naijver en afgunst den voorspoedigen toestand van het bedrijvige en rijke Holland aanzagen, en de zelfzucht verfoeiden, waarmeê het zijn eigenbelang boven dat der generaliteit stelde. Reikhalzend zagen zij uit naar de komst van den luitenant der Engelsche Koningin, die een vaste regering zou instellen, waaraan het overmoedige Holland zoo goed als de overige gewesten ondergeschikt zou wezen. Merkwaardig is het gezegde van een der Geldersche afgevaardigden ter Staten Generaal in een brief aan zijn principalen: ‘Die van Holland en Zeeland hebben graaf Maurits voor hun gouverneur aangenomen, en practiseren niet anders, gelijk zij altijd gedaan hebben, dan te heerschen over alle andere provinciën; doch de andere provinciën hopen wel dat zij met den handel met Engeland uit den sprong gebragt, zoo als men zegt, zullen worden.’ Deze onbewimpelde verklaring bevestigt het vermoeden, dat wij buitendien uit den stand der zaken van zelf opvatten, dat de tegenpartij van Holland in Leicester den man verwachtte, die de zelfstandigheid van dien heerschzuchtigen bondgenoot onder de gemeene regering der Unie zou buigen.

Deelde Holland zelf in die verwachting? Wantrouwde het van den beginne de bedoelingen van Leicester, en was het tegen zijne overheersching op zijn hoede? Men heeft het gemeend, doch wij gelooven zonder genoegzamen grond. Bij de

[p. 545]

onderhandeling over de magt, die men den nieuwen landvoogd zou toekennen, was Holland zeker niet het minst vrijgevig. Dat het nog vóór de overkomst van Leicester Prins Maurits in zijn stadhouderschap bevestigde - voor lang reeds had het hem daarin gesteld - kan wel voor geen bewijs van argwaan gelden: zoo lang de oorlog duurde hadden Holland en Zeeland hun afzonderlijken stadhouder gehad; de verpligting jegens vader Willem noopte bijna diens zoon in zijn plaats te stellen: geen andere erkentenis van zijn verdiensten jegens Holland had de Prins ooit begeerd, dan dat men hem zijn zoon tot opvolger geven zou. De klagten en verwijten, die de tegenpartij daarover tegen Holland inbragt, bewijzen slechts hoe fel haar ijverzucht was, niet dat zij reden had om zich te beklagen. Met geen minder regt dan Utrecht zich vroeger een eigen stadhouder gekozen had, had Holland dit thans gedaan; Holland koos nog den zoon van hem onder wiens bewind het zoo lang gestaan had, Utrecht was dezen voorbijgegaan, en had zich een vreemden gekozen. - Met welke verwachting Holland den luitenant van Elizabeth ontving, kunnen wij het best opmaken uit de houding van de mannen die zijn Staten leidden. Van dezen is Paulus Buys, de gewezen advokaat van den lande, de voornaamste. En hij was de verklaarde voorstander van het Engelsch protectoraat. Hij had voor zijn post bedankt, toen de Staten besloten hadden aan Frankrijk in de eerste plaats de souvereiniteit op te dragen. Toen vervolgens, na de weigering van Frankrijk, hetzelfde aanbod aan Engeland zou gedaan worden, rekenden dit de Franschgezinden een triomf voor Buys. Uit de correspondentie van Leicester, door Bruce uitgegeven, weten wij, dat in de eerste dagen geen mensch zich zoo vriendelijk jegens den nieuwen landvoogd betoonde, hem zoo voorkomend met raadgeving diende, als Buys. ‘Eerst toen hij zag dat ik zijn leiding niet blindelings volgde, en niet uitsluitend de lieden vertrouwde, die hij aanbeval, trok hij zich ontevreden terug’, schrijft later de landvoogd. Daaruit, dunkt ons, wordt het duidelijk, hoe de hoofden der Hollandsche Staten Leicester ontvingen. Even als de tegenpartij hoopte Holland den nieuwen landvoogd te winnen, en zijn bijzondere bedoelingen door middel van het nieuwe bewind te bereiken.

En die hoop was natuurlijk en regtmatig. Stellen wij ons den staat van zaken voor, zoo als hij was, toen Leicester het

[p. 546]

bewind aanvaardde, dan moeten wij erkennen dat de plannen, die Elizabeth en haar luitenant beraamd hadden, alleen te bereiken zouden geweest zijn, indien zij hun steunpunt in Holland hadden gekozen.

De provinciën, die Holland in magt en aanzien overtroffen, Brabant en Vlaanderen, behoorden niet meer tot de Vereenigde Nederlanden. Na den val van Antwerpen hadden de Brabantsche gedeputeerden hun afscheid uit de vergadering der Staten Generaal genomen, en toen later, bij den aanvang van Leicerter's bewind, door de talrijke uitgewekenen, die zich in de noordelijke gewesten ophielden, een poging werd aangewend om voor hun provincie op nieuw zitting en stem te verwerven, werd dit door de overige gedeputeerden geweigerd. Van Vlaanderen boden nog enkele plaatsen van het Vrije den vijand weêrstand, en zij werden in de Staten-vergadering ook nog vertegenwoordigd, maar het was te voorzien dat dit niet lang meer duren zou. Van de noordelijke gewesten waren, behalve Holland en Zeeland, alleen Friesland en Utrecht nog in hun geheel; Overijssel en Gelderland waren het tooneel van den oorlog, en buiten magte om tot het voeren van den krijg geregeld bij te dragen. Vier provinciën dus contribueerden tot de kosten van den oorlog, maar in zeer verschillende mate: Holland en Zeeland gezamenlijk bragten tachtig percent op: Holland alleen ruim vier en zestig en een half. Buitendien werd de geheele scheepsmagt uit de in en uitgaande regten onderhouden, die de beide zeeprovinciën bijna alleen betaalden. Hadden dan de Hollandsche staatslieden geen regt te onderstellen, dat de Engelsche gouverneur, die den krijg met kracht wilde voeren, en derhalve een vermeerdering van contributiën verlangde, op hunne provincie steunen zou? Moesten zij niet vertrouwen, dat Leicester zou inzien, dat een krachtige regering der Unie niet denkbaar was dan in zamenwerking met hen? Zij waren geneigd aan de regering een uitgebreide magt te geven, mits zij verzekerd waren dat hun stelsel van regeren gevolgd zou worden. Wie daaraan twijfelt leze de instructie in 1584 voor den raad van state opgesteld. De werkkring, daarbij aan de algemeene regering toegekend, is zoo ruim als in het belang der generaliteit vereischt werd, en het was vooral de invloed der Staten van Holland, die hem zoo ruim had doen uitvallen. Als Leicester zich slechts aan hen had aangesloten, had hij waarschijnlijk overvloedige magt gekregen

[p. 547]

om uit te rigten wat Elizabeth beoogde. Ook had hij het voorbeeld van Prins Willem voor zich, die, hoewel onpartijdig en jegens alle provinciën welgezind, toch Holland en Zeeland in het bijzonder voorgestaan, en in overeenstemming met de belangen en wenschen van die twee gewesten geregeerd had. Wie zou ooit hebben gedacht, dat de Engelsche landvoogd, van wien men zeker wist dat hij het goede voor had, zoo verblind zou wezen van te meenen dat de zwakke tegenpartij van Holland hem aan een krachtige regering, een welvoorziene schatkist en een goed verzorgd leger kon helpen; dat hij den steun zou versmaden, dien Holland hem bood; om dien te gaan zoeken bij provinciën, die niet bij magte waren zich zelf staande te houden?

Aan de goede bedoeling van Leicester valt niet te twijfelen. Hij was eerzuchtig, maar zijne eerzucht was niet ijdel of laag. Een volk, dat voor zijn vrijheid zoo veel had opgeofferd, van den ondergang te redden, als redder door dat volk geëerd en bemind te worden, ziedaar wat hij zich ten doel stelde. Als middel om dit doel te bereiken verlangde hij een bijna onbeperkte magt; hij wenschte die ook als een bewijs van vertrouwen en van erkentelijkheid voor de opoffering, die hij zich belangeloos getroostte.

Maar hij vergat dat zijn meesteres, van wier wenken hij afhing, iets geheel anders voorhad, en noch zijn doel noch zijn daartoe strekkende middelen goedkeurde. Onze staatslieden en onze geschiedschrijvers hebben de Engelsche Koningin langen tijd van heerschzucht en onopregtheid verdacht, van zelfzuchtige oogmerken, die zij achter den schijn van belangeloosheid en bescheidenheid zou verborgen hebben. Zij vermoedden dat hetgeen Leicester voor zich begeerde, ook door zijn meesteres voor hem verlangd werd. Die achterdocht moet verdwijnen, nu wij de instructie, aan haar gunsteling meêgegeven, voor ons hebben, en daarin zien hoe beperkt haar wenschen en plannen ten opzigte der Nederlanden waren. En wat hare opregtheid buiten twijfel stelt, de instructie schrijft den landvoogd juist hetzelfde voor, wat de Koningin aan de Nederlandsche gezanten bij hun afscheid nemen op het hart had gedrukt.

Leicester had tweeërlei post te vervullen: hij was de opperbevelhebber van het Engelsche leger, en tevens de vertegenwoordiger der Koningin bij de Staten, hun op hun verzoek als raadsman en bemiddelaar toegevoegd. Wij

[p. 548]

willen de instructie slechts voor zoo ver nagaan, als zij de laatstgenoemde bevoegdheid betreft; zij schrijft daaromtrent het volgende voor.

De landvoogd moet de Staten overreden, om hun omslagtige en gebrekkige regering te hervormen en te vereenvoudigen, en daartoe een raad van state in te stellen, uit een matig getal wijze en welgezinde personen bestaande, die met de leiding der gemeene landszaken belast zal zijn, en verder den gedeputerden ter Staten Generaal een ruimer volmagt te geven, zoodat zij zouder gedurige ruggespraak met hun committenten op de voorkomende zaken besluiten kunnen. Van deze twee dus hervormde collegies moet hij vervolgens het afschaffen der vele misbruiken, bepaaldelijk in het financiewezen en in het krijgswezen, verzoeken. Indien die hervormingen niet goedschiks tot stand worden gebragt, moet hij ten laatste den Staten herinneren, dat de Koningin, al heeft zij voor de haar aangeboden oppermagt bedankt, toch vertrouwt, dat men haar raad zal opvolgen, en dat zij meenen zou haar weldaden aan onwaardigen te hebben verkwist, indien men haar vertegenwoordiger niet te wille was in het verbeteren van zoo in het oog loopende staatsgebreken.

De rol, die Leicester volgens deze instructie te vervullen had, was zeker niet zoo vorstelijk als zijne eerzucht wenschte, maar zij was toch hoogst aanzienlijk, en stelde hem in staat om al het goede tot stand te brengen, dat hij voorhad. Dat Elizabeth hem niet vergunde aan het hoofd der Nederlandsche regering op te treden, en zich, als het ware, met de verantwoordelijkheid der krijgszaken te belasten, was natuurlijk. Zoo doende hield zij zich binnen de perken, in haar manifest aan haar tusschenkomst gesteld. Zij kon haar hulpbende en haar luitenant te allen tijde terugroepen, zonder de Nederlandsche regering in duigen te doen vallen; zij steunde die regering zouder er deel aan te nemen; zij vermeed zelfs den schijn van inbreuk te maken op de onafhankelijkheid van Nederland en op de landsheerlijke regten van Koning Philips, met wien zij zich dus voorbehield te eeniger tijd een eerlijken vrede te sluiten.

De hervormingen, die zij door het gezag van haar luitenant in de regering der Nederlanden wilde brengen, waren in alle opzigten aan te bevelen. Het getuigt van haar juiste kennis van den toestand en de behoeften van onzen staat, dat zij

[p. 549]

juist op deze aandrong. Immers alle Nederlandsche staatslieden, die bij ervaring de staatsgebreken der republiek kenden, hebben steeds dezelfde verbeteringen aanbevolen, als de eenige die den staat konden behouden. Een souvereine vergadering, die snel en geleideijk tot een besluit kan komen, en een raad van state, die het beslotene met kracht ten uitvoer kan brengen: in deze twee artikelen vatten wij al de wenschen van een Slingelandt te zamen. Had Leicester de Staten tot het invoeren van die hervormingen bewogen, hij ware de weldoener van ons gemeenebest geworden. De bron van al de kwalen, waaraan de republiek gekwijnd heeft en gestorven is, ware dan voor goed gestopt. Onze binnenlandsche gescheidenis zou een geheel andere geworden zijn. Maar de heilzame raad van Elizabeth werd door haar gunsteling onhandig overgebragt aan lieden, die buitendien niet zeer genegen waren hem op te volgen.

Wij kunnen ons voorstellen hoe teleurgesteld Leicester zich gevoelen moest, toen hij vernam welke plaats in den Nederlandschen staat zijn meesteres voor hem bestemd had. ‘Ik was alzoo lief dood als in mijn nieuwe betrekking, (schrijft hij aan Walsingham kort voor zijn overkomst), indien ik niet meer gezag moet hebben dan de Koningin mij toedenkt.’ Niet om overste van eenige muitzieke benden en raadsman van een hoop weêrbarstige burger-regenten te wezen, had hij gedacht het schitterende hof zijner meesteres te verlaten en een aanzienlijk vermogen te verspillen. Hij had zich voorgesteld de rol van Aartshertog Matthias, van Prins Willem te spelen. Hij was niet gezind die grootsche vooruitzigten op het eerste bevel van Elizabeth op te geven.

Want, hij wist het, de Nederlandsche gezanten en de groote meerderheid der regenten en onderzaten van de Vereenigde Gewesten begeerden dat hij den rang bekleeden zou, dien hij zich wenschte. Men kon zich hier te lande geen regering voorstellen zonder opperhoofd; de magteloosheid van een veelhoofdig bewind was door de ondervinding der laatste maanden bewezen. Men verlangde naar een nieuwe overheid, die, onder welken titel dan ook, de regten der souvereiniteit, door de privilegiën en oude gewoonten beperkt, zou uitoefenen. Maurits, de eenige inheemsche vorst die voor zulk een waardigheid in aanmerking kon komen, was in de oogen van velen nog te jong en te onervaren. Buiten hem was er niemand, die er meer aan-

[p. 550]

spraak op had dan de gunsteling van Elizabeth, de aanvoerder van het Engelsche hulpleger. Wij bezitten nog het merkwaardige advies, dat de Nederlandsche gezanten bij Leicester, voor zijn vertrek uit Engeland, indienden, omtrent de houding die hij bij zijn overkomst moest aannemen. Zij raadden hem oogenblikkelijk de Staten Generaal naar Middelburg tot zich te roepen, zich door hen een ruim gezag te laten opdragen, en tevens een raad van state te doen instellen om hem voor te lichten en bij te staan. Onder hen, die dit advies uitbragten, behoort allerwaarschijnlijkst ook Paulus Buys. Wij zien daaruit dat zelfs Holland aan Leicester meer magt verlangde op te dragen dan de Koningin goedvond. En zoo begrijpen wij hoe Buys de bevestiging van Maurits in het stadhouderschap over Holland kon afkeuren, en hoe Leicester zelf daarin een verkorting van de regten kon zien, die hij reeds bij voorbaat dacht te bezitten. De Staten begroetten in den luitenant van Elizabeth een nieuwen Aartshertog Matthias, en Buys stelde zich voor naast dezen de rol van een tweeden Oranje te spelen. Spoedig zou het blijken dat Leicester met die uitgebreide magt niet eens tevreden was, en dat hij geen plan had aan iemands leiband te loopen.

De commissie, waarmeê de Staten Generaal hem, aanstonds na zijn intogt, tot gouverneur generaal aanstelden, verleende hem al de regten, die onder de Oostenrijksche landscheeren aan den gouverneur generaal waren toegekend. Maar bij wie zou de souvereiniteit berusten, weleer door den landsheer zelven bezeten? De Staten begrepen dat sedert de afzwering van Philips de opperste magt hun toekwam. Zij behielden zich dus voor, naast den landvoogd een raad van state op te rigten en van eene instructie te voorzien. Op deze wijs omschreven zij tevens de bevoegdheid van den landvoogd, die in overleg met dien raad regeren moest. De keus der raadsleden, en in het algemeen van alle hooge beambten, lieten zij aan den landvoogd over, maar uit een nominatie door de Staten der provincie, die er bij betrokken was, te stellen. Die beperkingen waren niet hinderlijk voor den nieuwen gouverneur generaal en volstrekt niet nieuw: Matthias en Anjou hadden ze zich in der tijd laten welgevallen, en Prins Willem was bereid geweest de souvereiniteit over Holland en Zeeland op gelijke voorwaarden te aanvaarden. Maar Leicester wilde de handen vrij hebben en aan niets gehouden zijn. Door den schijn aan te nemen van

[p. 551]

liever de geheele opdragt te weigeren dan ze onder die bepalingen aan te nemen, dwong hij de Staten tot toegeven, en kreeg hij de volle magt, die hij begeerde. Wij bezitten nog het uitvoerige verbaal van al de onderhandelingen tusschen hem en de commissie uit de Staten over de grenzen der hem toevertrouwde magt gevoerd. Het is een hoogst belangrijk stuk, tot nog toe slechts gedeeltelijk (in het Leven van Maurits door Mr. v.d. Kemp) uitgegeven, maar een volledige uitgaaf overwaardig; immers de regtmatigheid van al de betwiste regeringsdaden van den landvoogd moet aan de toen getroffen overeenkomst getoetst worden. Buitendien blijkt uit deze onderhandeling het best, met welke verwachtingen de nieuwe landvoogd het bewind aanvaardde, met welke bedoelingen de Staten hem het bewind opdroegen. Alle instructies, verklaarde Sidney uit naam van den landvoogd, waren restricties van de commissie, en verkorting van de reeds toegewezen regten. De magt, die de landvoogd behoefde om tot heil van het land te regeren, moest onbeperkt blijven. Het voorbeeld der Romeinen was navolgenswaardig, die, als de nood drong, alle magt aan een dictator plagten toe te vertrouwen. In deze toespeling op den Romeinschen dictator spreekt zich de begeerte van Leicester duidelijk uit. Hij wilde absoluut heer der Nederlandsche provinciën zijn, niet om ze van hun vrijheid te berooven, maar om ze daarbij te handhaven. Hij begreep niet dat een vrijheidlievend volk, zelfs om gered te worden, slechts voor een bepaalden tijd een dictator dulden kan.

Ten slotte kreeg hij volkomen zijn zin. Al de bepalingen, die hem in zijn commissie hadden gehinderd, werden zoo al niet opgeheven, zoo goed als krachteloos gemaakt. De instructie van den raad van state zou voor niet meer dan voor een ontwerp gelden, door de Staten aan den landvoogd in overweging gegeven, waarin hij verandering brengen kon zoo veel hij noodig achtte. De raad zelf zou, zijn naam getrouw, slechts een raadgevend ligchaam zijn, aan wiens besluiten de landvoogd niet gebonden was. De landvoogd zou uit een nominatie van vele gequalificeerde personen de leden van dien raad mogen kiezen; hij begon met, zelfs zonder voordragt, uit iedere provincie een lid aan te stellen. Nog nooit, zoo lang de oorlog duurde, had iemand zoo onbepaald over de Vereenigde Gewesten geheerscht. Te regt vergelijkt Mr. van der Kemp de magt, die Leicester verworven had, met die van den Ruwaard, die

[p. 552]

bij ontstentenis van den waren landsheer, in diens plaats pleegt te treden. Immers zonder den titel had de landvoogd weinig minder dan de volle magt van den landsheer.

Het verdient opmerking, dat de gedeputeerden van Utrecht de meeste zwarigheid maakten om zulk een uitgebreide magt aan Leicester toe te kennen, en dat die van Holland hen tot toegevendheid vermaanden, en hun voorhielden, ‘dat Zijne Excellentie gekomen was om te regeren en niet om geregeerd te worden, om wetten te stellen en niet om die te ontvangen’, dat Holland liever alles wilde toegeven dan Zijne Excellentie verbitteren, en dat het afzonderlijk met Leicester handelen zou, indien de andere provinciën weigerachtig bleven. Zoo ver was het er van af, dat de Staten van Holland van den beginne den nieuwen gouverneur stelselmatig belemmerd zouden hebben. Zij hadden er niets tegen, dat hij met kracht regeerde, mits hij zulks deed volgens hun stelsel, overeenkomstig hun belangen, en hij scheen daartoe op dit oogenblik inderdaad genegen: onder de eerste leden, die hij in den raad van state koos, behoorde Buys, in wien de Hollandsche belangen hun natuurlijken vertegenwoordiger vonden.

Ongelukkig was Leicester de man niet om een zoo groote magt, als hij verworven had, ten goede te gebruiken. Hij was onbekend met de zeden en gewoonten, met de behoeften en wenschen der natie. Hij verstond geen Hollandsch en slechts gebrekkig Fransch: de weinige Nederlandsche staatslieden, die toevallig Engelsch of Italiaansch verstonden, hadden daardoor veel bij hem voor. Zijn menschen wist hij niet te kiezen; hij schonk zijn vertrouwen aan lieden die het niet alleen onwaardig waren, maar die ook als zoodanig algemeen bekend stonden. Tegenstand kon hij niet dulden: wien hij voor zijn vijand hield, haatte hij met een doodelijken haat. Wij willen niet onderzoeken in hoe ver de verdenking gegrond was, waaronder hij lag, van meer dan een, die hem in den weg had gestaan, vermoord te hebben. Zeker is het, dat hij bij de minste aanleiding in zijn hart doodslag pleegde. Hij was hartstogtelijk en zich zelven niet meester. Een minder passend karakter voor iemand, die met Nederlandsche regenten moest omgaan, was niet denkbaar. Onuitputtelijk geduld, kalm overleg, de gaaf om te geven en te nemen, waar het te pas kwam, deze waren de eigenschappen die in den nieuwen landvoogd vereischt werden. Prins Willem, die ze in hooge mate bezeten had, was

[p. 553]

er toch niet altijd in geslaagd de Staten naar zijn hand te zetten. Hoe zou dan een driftig, hooghartig vreemdeling, zonder kennis van personen en zaken, hen hebben kunnen regeren?

Onontbeerlijk was voor Leicester de krachtige, onvoorwaardelijke ondersteuning zijner meesteres. Men moest het hier weten, dat wie zich zijn misnoegen op den hals haalde, tevens haar gunst verbeurde. Maar, nu hij begon met zich een magt en een titel te laten opdragen, die de Koningin hem niet gunde, kon hij onmogelijk op zulk een bijstand rekenen. Hij kende Elizabeth en haar achterdochtig en heerschzuchtig karakter, en hij moest weten hoe hevig haar misnoegen over eene ongehoorzaamheid, als waaraan hij zich schuldig maakte, zou losbarsten, hoe baladadig zij zijn eigen gemaakte grootheid omver zou werpen. Zij had inderdaad alle reden om vertoornd te zijn. Zij was bedrogen door haar gunsteling, haar creatuur. Zij scheen geminacht door de Staten, op wier gewillige onderdanigheid zij gerekend had. Zij was in de oogen van Europa verdacht gemaakt van onopregtheid en oneerlijkheid, van aannemen met de eene hand van hetgeen zij met de andere had afgewezen: niemand toch die gelooven zou, dat de Staten en Leicester, buiten haar voorkennis, laat staan tegen haar uitdrukkelijk verlangen, gehandeld hadden. Openlijk wilde zij daarom haar misnoegen aan den dag leggen, en den gunsteling, die zich zelven verhoogd had, nederploffen in de diepte van haar ongenade. Met de scherpste bestraffing, die in woorden te vatten is, zond zij Heneage naar den Haag tot Leicester en de Staten, en zij vorderde dat de reeds opgedragen waardigheid plegtig teruggenomen en te niet gedaan zou worden.

Meesterlijk heeft Motley de gramschap van Elizabeth beschreven, en den indruk geschetst, dien de boodschap van Heneage op de Staten maakte. De wittebroodsdagen van het nieuwe gouvernement waren buitendien reeds voorbij. Paulus Buys en zijn vrienden zagen reeds, dat de landvoogd de man niet was, dien zij gedacht hadden in hem te vinden. Bezorgdheid voor het gebruik, dat hij van zijn magt zou maken, had het vroegere vertrouwen reeds vervangen. Daar kwam de tijding dat Elizabeth niet alleen zoo veel magt voor haar gunsteling niet begeerd had, maar dat zij zelfs verontwaardigd was, dat men hem die magt had durven verleenen. Daarmeê was de schroom, dien men voor den luitenant der Koningin gevoeld

[p. 554]

had, aanmerkelijk verminderd. Men durfde zijn gangen nagaan, zijn daden beoordeelen. Al werd de boodschap door Heneage met gematigdheid voorgedragen, en al had de herroeping der opdragt geen plaats, de kwade gevolgen van Elizabeth's ongenade duurden voort. Een ieder wist voortaan dat Leicester aan zijn meesteres geen onomstootelijken steun had. Ongelukkig nam weldra ook het vertrouwen af, dat men in de Koningin zelve had gesteld. Het lekte uit dat zij reeds heimelijk over vrede met Parma onderhandelde. Die tijding deed het gezag van den landvoogd nog meer afbreuk dan vroeger het berigt van zijne ongenade. Men begon de bedoelingen van Elizabeth en van haar luitenant te wantrouwen, met angst te denken aan den wanhopigen toestand, waarin de staat verkeeren zou, indien Engeland vrede met Spanje sloot en van de magt, die het over de Vereenigde Gewesten verkregen had, gebruik maakte om hen in dien vrede te betrekken. De banden, die men zich had laten aanleggen, begonnen ondragelijk te knellen. Men was besloten, te beletten dat zij niet nog vaster werden aangehaald.

Tot nog toe had Leicester niet veel anders gedaan dan feestvieren in de verschillende steden, die hij doortrok. Maar weldra moest hij de hand aan het werk slaan. Dan zouden de moeijelijkheden van zijn toestand eerst te voorschijn komen. Hij stond te midden van tegenstrijdige partijen, die zich van hem en van zijn gezag in haar bijzonder belang zochten te bedienen. Onzijdig blijven was onmogelijk; hij moest partij kiezen. Zoo kon hij het niet aanleggen, dat hij zich niet minstens even veel vijanden als vrienden maken zou.

De eerste gewigtige aangelegenheid, die zich opdeed, was de handel met Spanje en met de Spaansche Nederlanden. Wij hebben gezien, hoe Amsterdam en Holland daarover met de landprovinciën in verschil lagen. Wie van beide partijen zou Leicester in het gelijk stellen?

Men kon het van den beginne af met aarschijnlijkheid voorspellen. De edelman kon geen sympathie gevoelen voor de winzucht der kooplieden. Hij, wiens eerste doel de verdrijving van den Spanjaard uit de Nederlanden was, moest het stelsel van het uithongeren van den vijand verre verkiezen boven dat van den vrijen handel. Bij de onderhandeling over het aanvaarden der souvereiniteit had hij zijn denkwijs reeds duidelijk

[p. 555]

genoeg aan den dag gelegd; hij had zich verklaard tegen het kiezen van kooplieden in den raad van state: kooplieden immers, hoe vroom en bekwaam zij wezen mogten, ‘waren altijd geneigd en geïnclineerd tot hun eigen profijt.’ De bescheiden tegenspraak der gedeputeerden en hunne opmerking, dat Holland en Zeeland meest bij den koophandel en de zeevaart bestonden, en dus het best door kooplieden vertegenwoordigd werden, had hem niet van gedachten doen veranderen; hij was van oordeel ‘dat men de raden van state behoorde te stellen uit den adel van den lande of andere geleerde lieden.’ Hij scheen niet te begrijpen dat zulke edele en geleerde personen, evenzeer als de kooplieden, geïnclineerd plegen te zijn tot hun eigen profijt; en dat onbaatzuchtigheid niet aan eenigen stand in het bijzonder eigen is.

Doch hoe de landvoogd uit zich zelven gezind mogt zijn, deed minder ter zake. Hij had een uitdrukkelijk bevel van zijn meesteres, hoe hij in dit geval moest handelen. In zijne instructie werd hem voorgeschreven, dat hij den uitvoer van levensmiddelen naar den vijand moest beletten, en wie zich daaraan schuldig maakten gestrengelijk straffen. Men wist in Holland, dat hij zulk een bevel uit Engeland had meêgekregen. Elizabeth had zelf den Nederlandschen gezanten, bij het vaarwel zeggen, dringend vermaand om gebruik te maken van het middel, hun door God verleend, en den vijand uit te putten door hem den toevoer van levensmiddelen, krijgsvoorraad en koopmanschap af te snijden. Dat was zoo veel gezegd, als dat alle handel op 's vijands landen gestaakt moest worden. Maar daarmeê werd dan tevens de geheele koopvaardij van Nederland vernietigd. Want de handel van Nederland bestond in het ruilen der waren van het Noorden tegen die van het Zuiden. Indien men nu de vaart op het Zuiden, dat bijna geheel aan den vijand onderworpen was, moest opgeven, verviel tevens de vaart op het Noorden van zelf. Maar aan de scheepvaart hing het welvaren des lands en bij gevolg zijn weêrbaarheid. De handel bekostigde de oorlogsvloot. De handel leverde de gelden tot onderhoud van het landleger. Het nadeel, dat het verbod van den uitvoer aan Nederland zelf zou berokkenen, was dus volkomen zeker. Maar onzeker bleef het of men den vijand wel in evenredigheid schaden zou. Men hoopte wel dat Engeland, Schotland en Denemarken het voorbeeld van Holland volgen, en de

[p. 556]

vaart op de Spaansche landen verbieden zouden. Maar die hoop berustte op geen zekeren grond. In alle geval zou de duurte der noordsche waren, die in Spanje niet kon uitblijven, schippers genoeg uit de Hansasteden en van elders aanlokken om ter sluiks op Spanje te handelen. Duurte zou men dus bij den vijand veroorzaken, maar geen volslagen gebrek, geen hongersnood.

Amsterdam en de steden van Westfriesland waren onvermoeid in het opstellen van remonstranties en deducties, waarin de voordeelen van den handel, mits met zekere beperkingen en onder toezigt der regering, en daarentegen de nadeelen van een algemeen verbod in het breede vertoond werden. De Staten van Holland, om advies gevraagd, hielden zich schijnbaar onzijdig, en ontwikkelden in hun vertoog, (door den heer van Deventer onlangs uitgegeven) de redenen, die voor en tegen het verbod waren aan te voeren; zij rekenden waarschijnlijk op de kracht der argumenten, die tegen het verbod pleitten; zij wilden den schijn vermijden van onbetamelijken dwang.

Wat zij zich mogen hebben voorgesteld, zeker moet hen het besluit van den landvoogd toch verrast hebben. Naauwelijks was hij, op zijn reis naar het leger in Gelderland, te Utrecht aangekomen, of zonder zelfs op het advies te wachten, dat hij van de Staten van Holland gevraagd had, vaardigde hij, den 4den April, een streng plakaat uit, dat aan de stoutste wenschen der burger-hoplieden van Utrecht ten volle beantwoordde. Op straffe des doods werd aan de ingezetenen verboden eenigen handel te drijven met den vijand en die aan hem onderworpen waren, en, om te beletten dat de eetwaren, die naar onzijdige plaatsen werden uitgevoerd, langs een omweg toch aan den vijand kwamen, werd de uitvoer in het algemeen onder een streng toezigt der convooimeesters geplaatst. Dit plakaat was de doodsteek voor den handel van Holland, die eerst aan het opkomen was en zich nog gemakkelijk naar elders verplaatsen kon. Het dreigde Nederland met Denemarken en Schotland in moeijelijkheden te brengen, want ook aan de kooplieden der onzijdige landen werd de handel met den Spanjaard verboden op straffe van confiscatie. Het berokkende ons oneindig grooter schade, dan de onderstand, dien Engeland verleende, ooit voordeel kon doen. Het was in overhaasting opgemaakt, zonder behoorlijk onderzoek der vermoedelijke gevolgen, buiten overleg met de

[p. 557]

vertegenwoordigers van den handelstand. Maar de landvoogd ging, zoo doende, zijn magt toch niet te buiten; hij was volkomen bevoegd het noodlottige plakaat uit te vaardigen; de wetgevende magt kwam hem ontegenzeggelijk toe; hij had den raad van state gehoord, en hij was niet verpligt zich te houden aan het advies der Hollandsche regenten. Maar juist dat de nieuwe regering regt had om maatregelen te nemen, die ten verderve van het land strekten, was een reden te meer voor de Staten van Holland om berouw te gevoelen over de opdragt van zoo uitgestrekte magt aan een vreemdeling, die met den besten wil niet in staat was om ze ten goede aan te wenden.

Vruchteloos tracht Motley den landvoogd van de schuld van dit onbedachte plakaat vrij te pleiten. Hij haalt daartoe een brief aan, waarin Leicester verzekert den heilloozen maatregel bestreden, en slechts toegegeven te hebben aan het algemeen verlangen. Maar die brief dagteekent van den tijd toen de nadeelige gevolgen van het plakaat reeds aan het licht waren gekomen, en is in lijnregte tegenspraak met een anderen brief, weinige dagen na de afkondiging van het plakaat geschreven, waarin hij met zelfvoldoening over het verbieden van den uitvoer spreekt, en van de Engelsche ministers verzoekt, dat zij een soortgelijken maatregel willen nemen, in welk geval het met den vijand spoedig gedaan zou zijn. Hij verzekert tevens dat zijn populariteit geleden zou hebben, indien hij den uitvoer langer had vrij gelaten.

Dit is het zonder twijfel wat hem in deze bewogen heeft: de zucht naar populariteit. De kortzigtige menigte, zelfs in de Hollandsche steden, jammerde over den toevoer van levensmiddelen aan den vijand. De burgerij te Utrecht, die den landvoogd zoo vleijend had ingehaald, was woedend op de zelfzucht der Hollanders, zonder wier toevoer, naar haar verbeelding, de vijand reeds uitgehongerd zou wezen. De talrijke benijders van Holland's voorspoed spraken in denzelfden geest. Leicester was hun te wille, en bedacht niet dat hij zoo doende de Hollandsche regenten van zich vervreemdde, zonder wier bijstand hij niets vermogt. Weinige dagen na de dagteekening van den brief, dien wij aanhaalden, schreef hij voor het eerst aan zijn vrienden in Engeland, dat er onder de Staten iets gaande was, dat hem niet beviel. De weêrzin, dien hij zag dat zijn handelwijs wekte, bragt hem echter niet tot nadenken en inkeer,

[p. 558]

maar tot heftige gramschap; hij gevoelde zich verongelijkt; niet door inschikkelijkheid maar door geweld wilde hij aan den tegenstand der Staten een einde maken.

Zoo werd hij ongevoelig, en eer hij het zelf wist, het hoofd eener partij. Hij had met Holland gebroken. Hij had de hand geslagen aan de vleeschpotten, en het voorbeeld van Alva had hem moeten leeren, dat dit in Nederland niet ongestraft blijft. Een maand later tastte hij de Staten in een ander teêr punt aan. Hij verleende aan de predikanten de vergunning om een nationale synode te houden, waartoe de vroegere regeringen nooit te bewegen waren geweest.

De Unie van Utrecht had de regeling der godsdienstige belangen aan de afzonderlijke provinciën overgelaten: een bepaling die zeer nuttig was, zoo lang er nog uitzigt bestond om roomsche bondgenooten met de protestantsche te vereenigen. Een poging in 1583, bij het herzien der Unie, gedaan, om de protestantsche kerk tot staatskerk der geunieerde gewesten te verklaren, was mislukt. De Staten van Holland, die de belangstelling der predikanten in de zaken der regering, hun bemoeizucht en hun invloed op de gemeente en bovendien hun onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden ondervonden hadden, wenschten hen in voogdij te houden. Zij wilden geen zelfstandige Nederlandsche kerk, die een magt in den staat kon worden. Zij hadden derhalve de bijeenroeping van een nationaal synode en de invoering van een nationale kerkorde steeds verhinderd, en zelfs aan geen provinciale kerkorde, zoo als de predikanten er een wilden, hun zegel gehecht. Zij gedoogden wel dat de kerk zich met tamelijk ruime vrijheid bewoog en ontwikkelde, maar zij behielden zich het regt voor om tusschen beide te komen, zoo dikwerf het hun noodig scheen. Leicester daarentegen, die zelf regtzinnig en onverdraagzaam was, vreesde voor geen magtige geestelijkheid, en zag te regt in een nationale kerk een band te meer voor de Unie. Door zijn invloed werd te Utrecht, kort nadat hij er was aangekomen, de St. Jacobs kerk met die van het Consistorie vereenigd, tegen den zin der libertijnen, en niet zonder onbetamelijken dwang. Vervolgens riep hij een algemeene Nederlandsche synode naar den Haag bijeen, tot vaststelling eener goede orde in de kerk. Ook hiertoe was hij volgens zijn commissie volkomen bevoegd. De stad Gouda, wier regering zeer libertijnsch was, had wel

[p. 559]

bij de onderhandeling over de magt aan Leicester op te dragen, voorgesteld hem de beschikking over godsdienstzaken te onthouden, doch haar voorstel was niet aangenomen. Even goed als de gouverneurs der Oosten rijksche landsheeren, had Leicester derhalve de wetgeving in kerkelijke aangelegenheden; en hij ging zijn bevoegdheid niet te buiten door het bijeenroepen eener synode. De maatregel was buitendien, naar ons oordeel, in het algemeen belang. Een goed geordende, zelfstandige kerk was voor Nederland wenschelijk, mits er gezorgd werd dat die kerk geen inbreuk maakte op het staatsbestuur, en tot geen vervolging van andersdenkenden nopen kon.

Doch, hoe goed op zich zelf, het was natuurlijk dat in de oogen van de Staten van Holland het eigenmagtig besluit van den landvoogd gevaarlijk scheen. Het was eene afwijking van de politiek, zoolang jegens de kerk volgehouden, en door Prins Willem zelven nageleefd. Schoorvoetend volgden de Staten de bevelen van den landvoogd op, en lieten, omdat zij niet anders konden, de voorbereidende synode der Hollandsche predikanten te Rotterdam bijeenkomen.

Hoe meer Leicester zich van het politieke stelsel van Holland verwijderde, des te duidelijker bleek het dat de Staten voorzigtig gehandeld hadden met zich bij tijds een eigen stadhouder te kiezen. Den man, die daartoe het sterkst gedreven had, den pensionaris van Rotterdam, Oldenbarnevelt, verkozen zij dan ook thans, als opvolger van Buys, tot advokaat van den lande. Geen bekwamer of moediger aanvoerder hadden zij kunnen kiezen. De vrijheden en privilegiën, wier handhaving hij op zich nam, vonden in hem een onverzettelijken verdediger tegen de inbreuken, die Leicester, deels uit onwetendheid, deels met opzet, daarop maakte.

Als eerste daad van openlijke tegenkanting tegen het bestuur van den landvoogd moeten wij den brief beschouwen, door de Staten van Holland aan de Hollandsche leden van den raad van state geschreven, waarin de wensch geuit wordt, dat die heeren zich geen commissie zouden laten opdragen, die hen verhinderen kon de zittingen van den raad geregeld bij te wonen; aan hunne afwezigheid toch meenden de Staten het te moeten toeschrijven, dat het plakaat van 4 April en andere onbedachte verordeningen waren vastgesteld. In een nadere verklaring van dezen brief herhaalden de Staten hun ongunstig oordeel over

[p. 560]

sommige maatregelen van de nieuwe regering, en klaagden zelfs, dat Holland, hoewel het twee derden der oorlogskosten opbragt, weinig of niet geteld scheen te worden, en dat de Hollanders uit alle groote en kleine ambten geweerd, en vreemdelingen bij voorkeur daartoe gekozen werden.

Die laatste zinsnede betrof eene andere grief, die Holland tegen Leicester had opgevat; hij omringde zich met vreemde raadslieden. Wij herinneren ons, hoe hevig Oranje en Egmont en de andere vliesridders en groote heeren over Margaretha van Parma geklaagd hadden, die met een achterraad regeerde, in plaats van den raad van state te hooren; dezelfde klagten werden nu door de Staten tegen Leicester aangeheven. Maar dezelfde drangreden, die Margaretha bewogen had om met weinige vertrouwelingen te raadplegen, dwong thans Leicester eveneens te handelen. Beiden regeerden anders dan hun wettige raadslieden verlangden; hoe konden zij zich dan van dezen bedienen? Buys en zijn vrienden verklaarden zich dagelijks luider en heftiger tegen de regering. De Staten van Holland toonden zich gedurig weêrbarstiger. Het kon niet anders of tegen hen moest de landvoogd steunen op de partij, aan wier wenschen zijn bestuur voldeed, en die niets liever verlangde dan onder zijn leiding tegen de Hollandsche regenten op te trekken.

De mannen, die op dit oogenblik het vertrouwen van Leicester genoten, waren uitgewekenen uit Vlaanderen en Brabant. Adolf van Meetkerken, gewezen president van Vlaanderen en thans, als vertegenwoordiger van het Vrije, lid van den raad van state, was misschien de eenige van den raad, die met hart en ziel de handelwijs van den landvoogd goedkeurde; hij was tevens een man van ervaring en bekwaamheid. Nog hooger stond Daniël de Burchgrave bij Leicester aangeschreven. Die man is door onze geschiedschrijvers, door Reyd vooral, smadelijk bejegend, en door Motley niet in zijne eer hersteld, hoewel reeds voor jaren de heer W.C. Ackersdijck een belangrijke bijdrage tot de juiste beoordeeling van zijn karakter geleverd had.

De Burchgrave was van een deftig, zoo niet adellijk Vlaamsch geslacht, en had een beschaafde opvoeding genoten. Het is niet waar, wat Motley, op gezag van Reyd, verhaalt, dat hij zich van den stand van handwerksman tot dien van staatsman had opgewerkt. Hij was eerst advokaat, vervolgens onder Matthias lid en later procureur-generaal van den raad van Vlaanderen

[p. 561]

geweest; het laatst had hij in den landraad aan de Oostzijde van de Maas gezeten. Hij was dus iemand, die, wat zijn rang en opleiding betreft, volkomen waardig zou geweest zijn om in den raad van state, die denzelfden werkkring had als vroeger de landraad, te zitten; alleen de omstandigheid dat zijn provincie van de Unie was afgescheurd, maakte hem daartoe onbevoegd, en Leicester verhief hem waarlijk niet boven zijn stand door hem eerst requestmeester en later secretaris van den raad te maken. Hij sprak Engelsch; hij kende, als lid van den gewezen landraad, de antecedenten der Nederlandsche regering, en was daardoor in staat den landvoogd velerlei inlichting te geven; hij had geen betrekking op eenige stad of provincie van de Unie, en scheen dus boven de partijen te staan. Maar inderdaad behoorde hij tot de tegenpartij van Holland, en hij stijfde Leicester in zijn strijd tegen de Hollandsche belangen. De Staten van Holland haatten hem dan ook als een hoogst gevaarlijken vijand, en beklaagden zich onophoudelijk over den invloed, dien hij, een vreemdeling, op de regering uitoefende. Maar nooit hebben zij hem eenig bepaald misdrijf te laste gelegd; het ergste, wat zij hem nageven, is dat hij een inderdaad gevaarlijk persoon, Jacques Reingoud, bij den landvoogd had ingeleid.

Ook van de vroegere lotgevallen en handelingen van dezen Reingoud weten onze geschiedschrijvers veel kwaads te verhalen. Wij zijn niet in staat al hun beschuldigingen met bewijzen te staven, maar wij zijn geneigd het meeste er van te gelooven. Want wat wij van den beschuldigde weten, getuigt in alle opzigten tegen hem. Van afkomst was ook hij geen gering persoon. Hij was heer van Couwenberg. Hij had den vrij aanzienlijken post van commies bij de kamer van financiën onder Margaretha, Alva en Requesens bekleed, en zich in die betrekking, naar men zegt, een gewillig handlanger der Spaansche overheersching betoond. Wat hij sinds de pacificatie van Gent had uitgerigt is niet naauwkeurig bekend. Hij schijnt zich bij de aanvankelijk winnende partij der vrijheidsvrienden gevoegd te hehben, en met deze later achteruit te zijn geraakt. Zijn zaken waren meer en meer verloopen, en hij had zelfs aan de Staten om uitstel van betaling zijner schuldeischers moeten verzoeken. Hij was in waarheid een fortuinzoeker geworden, een financier in de kwade beteekenis van het woord, een man die niet door zuinigheid en goed beheer maar door gewaagde speculatiën de schatkist dacht te

[p. 562]

vullen. Om zich te beter bij den kerkschen Leicester in te dringen werd hij van onverschillig katholiek volijverig protestant - toen hem later de katholieke belijdenis weêr beter te pas kwam, bekeerde hij zich weêr even vaardig. Indien Meetkerken en Burchgrave dien avonturier inderdaad bij Leicester hebben aanbevolen, hebben zij dezen al een zeer slechte dienst bewezen.

Hij wist den landvoogd volkomen in te nemen. Het heeft hem zeker aan geen sluwheid en overredingskracht ontbroken. Hij kende het financiewezen in den grond. Hij rekende voor, dat de Nederlanden bij lange na niet opbragten wat zij konden. Hij beloofde tonnen gouds in de schatkist te brengen, zonder dat het land er in het minst bij lijden zou. Vooreerst moesten de middelen van consumptie niet meer, zoo als tot nog toe, verpacht worden; de regering moest ze zelf heffen; de schatten, die de pachters zich nu wonnen, zouden in de schatkist van den staat vloeijen. Van de domeinen en geestelijke goederen waren eveneens nog ontzaggelijke sommen te maken. Maar vooral moesten de baatzuchtige kooplieden bloeden; de ongehoorde winsten, die zij uit den schandelijken handel met den vijand hadden getrokken, moesten voor een deel althans, ten bate van het land, van hen terug worden gevorderd. Een onderzoek van de rekeningen der convooimeesters en van de boeken der kooplieden zou een aantal overtredingen der vroegere plakaten tegen den uitvoer aan den dag brengen, waarvoor boeten konden worden opgelegd tot een onberekenbaar bedrag. Op deze wijs zou de landvoogd over een welgevulde kas kunnen beschikken, en de middelen bekomen om, gelijk hij zoo vurig begeerde, den krijg aanvallenderwijs met verdubbelde krachten te voeren.

Naar zulke schitterende beloften luisterde de landvoogd gretig; hij geloofde ter goeder trouw aan haar verwezenlijking. De financiële maatregelen, die hem werden voorgeslagen, pasten volkomen in het stelsel van regeren, dat hij had aangenomen. De handel op 's vijand landen was streng verboden; het scheen billijk dat men hen, die zich met dien handel op misdadige wijs hadden verrijkt, op contributie stelde ten bate van den staat, tegen wien zij zich hadden bezondigd. De Hollandsche kooplieden en regenten sloegen de verzenen tegen de prikkels, en dachten de regering van den landvoogd te weêrstaan; men moest ze daar-

[p. 563]

voor in hun beurs, op het gevoeligst, straffen, en dus uit vrees voor erger gedwee en onderdanig maken.

Maar om zulke maatregelen, die eene algemeene ontevredenheid in Holland en Zeeland verwekken zouden, met de noodige kracht ten uitvoer te leggen, werd een strenger bewind vereischt dan van den raad van state te wachten was. Men moest het financiewezen aan den raad onttrekken, en aan eene afzonderlijke kamer van financiën, zoo als er onder het bestuur der Oostenrijksche vorsten een bestaan had, toevertrouwen. Natuurlijk moest Reingoud, de ontwerper van al die schoone plannen, aan het hoofd der kamer geplaatst worden. In het geheim werd alles in den achterraad overwogen en voorbereid. De landvoogd hechtte zijn goedkeuring aan hetgeen daar besloten werd. Noch de raad van state noch de Staten Generaal vernamen iets van hetgeen men voorhad.

Den 26sten Junij vernam de raad van state onverwachts, dat er een kamer van financiën was opgerigt, waaraan hij zijn beheer van het geldwezen moest overgeven. Tot hoofden der kamer waren de stadhouder van Utrecht, Nieuwenaar, het Engelsche lid van den raad van state, Killigrew, en de heer van Brakel, een Utrechtsch edelman, gekozen. De gewigtige post van tresorier, werd aan Reingoud, en die van auditeur aan de Burchgrave gegeven. Tot commiezen werden Buys en twee andere leden van den raad van state aangesteld. - Al aanstonds wekte deze aankondiging bij den raad van state, en bepaaldelijk bij de Hollandsche leden, onverholen misnoegen en tegenspraak. En zoodra de Staten van Holland hoorden wat er gaande was, toonden zij zich vast besloten om in zulk een onwettige verandering van den regeringsvorm niet te berusten.

Wij begrijpen ook niet hoe Leicester het had durven wagen om de grenzen zijner magt zoo ver te overschrijden. Hij had geen regt de geheele inrigting der regering te veranderen, den raad van state een gedeelte der bevoegdheid, hem bij zijn wettig vastgestelde en bezworen instructie toegekend, te ontnemen, en dit over te dragen aan een nieuw staatsligchaam, eigenmagtig en buiten voorkennis der Staten Generaal in het leven geroepen. Dat de landvoogd tot zulk een eigendunkelijk handelen niet geregtigd was, volgt reeds van zelf uit den aard der betrekking, waarin hij tot de Staten stond. Maar het was buitendien bij de onderhandeling over de magt, die hem werd opgedragen, met zoo veel woorden gezegd. Reeds toen

[p. 564]

had Davison, uit naam van Leicester, de noodzakelijkheid betoogd, om een kamer van finantiën op te rigten, die de gemeene middelen administreren zou; en daarop was toen door de gedeputeerden der Staten geantwoord: ‘dat eenige provinciën ook van dit advies waren, zoodat men de zaak zou leggen in deliberatie in de vergadering der Generale Staten, en indien Zijne Exellentie, de autoriteit aangenomen hebbende, uit het beleid van de zaken bevond zulks noodig of oorbaar te wezen, dat Zijne Exellentie hetzelve zou mogen aangeven, en dat daarin alsdan zou worden voorzien.’

Duidelijker kan wel geen afspraak zijn dan deze tusschen Leicester en de Staten. Onbeschaamder kon wel geen inbrenk worden gemaakt op eene aangegane verbindtenis. Doch dit was nog niet al. Zonder nominatie van de Staten mogt Leicester, volgens zijn commissie, geen der hooge staatsposten vergeven. Hij had reeds herhaaldelijk tegen die bepaling gezondigd, maar telkens, als daarover klagten vielen, erkend dat hij gezondigd had, en voor het vervolg een naauwer nakomen van zijn commissie beloofd. Nu evenwel vergaf hij op eens al de hooge betrekkingen bij de kamer, zonder eenige voordragt af te wachten, en de gewigtigste betrekking, die van tresorier, droeg hij op aan een vreemdeling, die algemeen gehaat was, en onder zware verdenking van oneerlijkheid lag. Onder dezen stelde hij als commiezen Paulus Buys en twee andere leden van den raad van state aan, die zich daardoor natuurlijk in rang verlaagd moesten rekenen. Hij deed het waarschijnlijk om te voldoen aan den eisch der instructie van den raad van state, dat alle ordonnantiën van betaling geteekend zouden worden, behalve door den tresorier en den secretaris, door drie raadsheeren van verscheiden provinciën (art. 11). Maar hij dacht tevens op deze wijs den lastigen Buys, dien hij dagelijks hartstogtelijker begon te haten, behendig uit den raad te verwijderen. Alsof zich de beleedigde raadsheeren de aanstelling, die in hun oog een vernedering was, zouden laten welgevallen! In smadelijke bewoordingen bedankte Buys voor de eer hem aangedaan; hij zou Reingoud niet als commies onder zich dulden, veel minder wilde hij zich als commies onder zulk een persoon laten stellen.

Geen wonder dat de Staten van Holland over een handeling, die in zooveel opzigten hun duidelijk voorbehouden regten schond,

[p. 565]

ten uiterste verontwaardigd en vergramd waren. Maar in nog hoogere mate waren zij verontrust over hetgeen zij van die kamer, als zij tot stand kwam, te wachten hadden. Zij wisten wat Reingoud in zijn schild voerde, op wie hij het gemunt had; en zij voorzagen een reeks van kwellingen en belemmeringen van hun handel, waardoor die nieuwe financier de belastingen productief zou maken. Daarom waren zij vast besloten hem en zijn kamer te weêrstaan, nu het nog tijd was, en aanvankelijk bragten zij door hun stellige tegenspraak te weeg, dat de geheele zaak nog eerst bij de Staten Generaal ter tafel zou komen.

Wij letten tot nog toe alleen op de onwettigheid van den maatregel, maar de onbezonnenheid er van valt niet minder duidelijk in het oog. Holland betaalde, zoo als wij zagen, alleen twee derden, en met Zeeland te zamen drie vierden der contributiën. Alleen Holland en Zeeland hadden de gemeene middelen in handen van den landvoogd gesteld; Utrecht en Friesland hadden dit nog steeds nagelaten. Wat was er dan dwazer te bedenken, dan het financiewezen te hervormen buiten overleg met Holland, ja, tegen zijn vasten en duidelijk uitgedrukten wil? Hoe veel de financiële krachten der Vereenigde Gewesten vermogten, indien zij volgens het stelsel van Holland werden aangewend, hebben de volgende jaren, na Leicester's vertrek, bewezen. Had de landvoogd zich toegelegd om de belasting op de comsumptie overal op gelijken voet als in Holland in zwang te brengen, en onder een algemeen beheer te stellen, hij had op de meêwerking van die magtige provincie kunnen rekenen, en zou steeds klimmende inkomsten hebben getrokken. Tegen het oprigten van een kamer van financiën zou dan geen onoverkomelijk bezwaar hebben bestaan. Leicester zelf verzekert, in een zijner brieven, dat Buys in den beginne het sterkst voor zulk een afzonderlijke kamer geijverd had, en hij is eenvoudig genoeg om niet te begrijpen, hoe desniettemin dezelfde Buys de oprigting er van thans kon afkeuren. Hij begreep niet dat men minder tegen zijn werktuig had, dan tegen de kunstgrepen waartoe hij het wilde gebruiken. Hij was, even als Reingoud, een vriend van financiële kunsten; hij had geen begrip van de vaste wetten, die ook op dit gebied heerschen. Zoo had hij reeds in de eerste dagen van zijn bewind een goudmijn meenen te ontdekken in

[p. 566]

het munten van dubbele rozenobels, die twee gulden meer zouden gelden dan zij eigenlijke waarde bevatten. De Staten, die de geldzaken beter kenden, hadden hem terstond voorspeld dat die bedriegelijke munt slechts schade aan de ingezetenen, en geen voordeel aan den staat berokkenen zou, en Lord Burleigh had, hoewel minder stellig, den maatregel eveneens afgekeurd. Nu dweepte de landvoogd weêr met de plannen van Reingoud, die alle dezelfde strekking hadden, om namelijk al de gouden eijeren op eens te krijgen door de gans te dooden.

Maar Holland toonde zich vast besloten niet lijdelijk aan te zien, hoe onbezonnenheid en kwade trouw zamenwerkten om zijn welvaart te vernietigen. Gedurig openlijker verzette het zich tegen den verderfelijken gang der regering. Dat leidde den landvoogd nog tot onwettiger maatregelen, die hij noodig achtte om den tegenstand van Holland te breken.

(Het vervolg en slot in een volgend nommer).