De Gids. Jaargang 26


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen, Amsterdam 1862


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 658]

Motley's geschiedenis der Vereenigde Nederlanden.

History of the United Netherlands: from the death of William the Silent to the Synod of Dort. By John Lothrop Motley. Vol. I and II. The Hague, Martinus Nijhoff, 1860.
II.

Sedert eeuwen maakten Holland en Westfriesland één geheel uit, onder éénen stadhouder geplaatst, door ééne Statenvergadering vertegenwoordigd. Maar de steden van het Noorderkwartier waren nog niet vergeten, dat zij eens een zelfstandig bestaan hadden gehad. Gedurende den krijg tegen Spanje, die alle banden van vereeniging, sedert eeuwen door de landsheeren gelegd, weêr los rukte, hadden zij een stap teruggezet op den weg van vereeniging met Holland. Zij hadden wel geen afzonderlijke Statenvergadering gevormd, maar zij bragten toch nu en dan bij gewigtige aangelegenheden te zamen haar stem uit, en zij bezaten een bijzonder collegie van gecommitteerde raden. Tij dens de onderhandeling over de opdragt der souvereiniteit aan Frankrijk hadden zij verzocht en verkregen, dat, in plaats van Holland alleen, Holland en Westfriesland te zamen onder de provinciën, die in de opdragt bewilligden, genoemd zouden worden. Uit zulke teekenen kon men zien, dat er nog een trek naar afzonderlijk volksbestaan onder de oude Westfriezen heer schte. In het algemeen belang moest men dien lust niet voeden. Nederland was reeds verbrokkeld genoeg. Vereeniging, geen verdere verdeeling was wenschelijk. Maar ‘verdeel zoo gij wilt heerschen’, is de leus van alle geweldenaars. Om

[p. 659]

over Holland te kunnen heerschen, begunstigde de landvoogd den noodlottigen geest van afzondering. - Over het zeewezen van Holland en Zeeland was de stadhouder dier provinciën als admiraal generaal gesteld. Maar de landvoogd vond goed, ten einde de magt van den stadhouder te verminderen, drie afzonderlijke collegiën van admiraliteit, één voor Holland, één voor Zeeland en één voor Westfriesland op te rigten. Van voorbijgaand nadeel was het, dat hij in die collegiën vreemdelingen koos, die van het zeewezen geen kennis droegen. Maar de noodlottige gevolgen van de splitsing der zeemagt onder verschillende admiraliteiten, een maatregel waarop men later te vergeefs getracht heeft terug te komen, hebben voortgeduurd tot op den val der republiek. Onberekenbaar is het nadeel, dat Leicester den staat met dien even onzinnigen als verraderlijken maatregel berokkend heeft. En dit was nog niet genoeg om Holland te verdeelen en klein te maken. Het Noorderkwartier moest geheel aan het bewind van den stadhouder onttrokken worden. Sedert 1572 was Sonoy bevelhebber over de krijgsmagt, die in het Noorderkwartier in bezetting lag, en als het ware luitenant van den stadhouder van Holland, van wien hij indertijd zijne aanstelling gekregen had. Na de afzwering van Spanje had hij als zoodanig in de handen van Hohenlo, die tijdelijk den afwezigen Prins van Oranje verving, den eed van gehoorzaamheid afgelegd. Natuurlijk was de verhouding, waarin hij thans tot Maurits, den nieuwen stadhouder, stond, volkomen dezelfde, als waarin hij vroeger tot den Prins gestaan had, ofschoon geen nieuwe eed van gehoorzaamheid aan dezen van hem gevorderd was. Op geheel onwettige wijze nam hij evenwel in dezen tijd een nieuwe commissie van Leicester aan, die hem onder het onmiddellijk bevel van den landvoogd plaatste en van de gehoorzaamheid aan den stadhouder ontsloeg. Met volle regt verklaarden de Hollandsche Staten, dat die commissie strekte tot scheuring van de landen van Holland en tot prejudice van de regten van den stadhouder. En was het hierbij nog maar gebleven. Maar even als het Noorderkwartier werden de Hollandsche vestingen aan het gebied van den stadhouder onttrokken, en onder de onmiddellijke bevelen van den landvoogd geplaatst, in strijd met de oude gewoonten en met den geest der commissie van Leicester. Toen Sidney, bij de onderhandeling over de magt die aan den landvoogd zou toekomen, gevraagd had of deze ook de gouverneurs der steden zou mogen benoemen en afzetten naar

[p. 660]

goeddunken, hadden de gedeputeerden der Staten gezegd, dat er in de vereenigde provinciën, Vlaanderen alleen uitgezonderd, geen steden waren die bijzondere gouverneurs hadden, maar dat, indien Zijne Excellentie, ‘bij tijde van nood of belegering’ goed mogt vinden in eenige steden gouverneurs te stellen, de keuze aan hem zou staan. Er bestond thans zeker geen gevaar voor belegering van eenige Hollandsche stad; toch werden over Vianen, Oudewater, Gorcum en Worcum, en Muiden afzonderlijke gouverneurs aangesteld, die onmiddellijk van den landvoogd afhingen. Het doel was natuurlijk geen ander dan de verzwakking van de onafhankelijke magt van Holland en van zijn stadhouder.

Op deze wijs de bepalingen zijner commissie te schenden veroorloofde zich de landvoogd, in de hoop dat Elizabeth mischien nog terug zou komen op haar besluit om de soevereiniteit der Nederlanden niet te aanvaarden. Geene andere uitkomst voor de bedreigde gewesten kon hij zich voorstellen dan die de heerschappij van Engeland hem beloofde. Reeds in de eerste maanden van zijn bewind was hij van dit gevoelen, en schreef hij in dezen geest aan de Engelsche regering. Dat een enkele wenk van de Koningin voldoende zou zijn om, zoo al niet de regenten, dan toch zeker de bevolking op nieuw de souvereine magt te doen aanbieden, stond bij hem vast. Doch hij wilde niet wachten totdat de Koningin zich bereid toonde tot de aanvaarding. Hij wilde zonder aanleiding de opdragt doen herhalen. De Engelschgezindheid der natie, die uit zulk een opdragt blijken zou, kon niet anders dan zijn gezag tegenover de Staten verheffen.

Zoo, dunkt ons, moeten wij het petitionement verstaan, dat te Utrecht op het laatst van Junij, terwijl Leicester in de stad vertoefde, aan den gang werd gebragt. De burgerhoplieden gaven het voorbeeld, weldra door de regenten der verschillende steden van het Sticht nagevolgd. Zij verzochten, dat de Staten de souvereiniteit der provincie, zonder eenig voorbehoud dan alleen der ware Christelijke religie, aan de Koningin van Engeland zouden aanbieden, en zich bemoeijen om hetzelfde van de overige provinciën gedaan te krijgen. Een soortgelijk petitionement zochten zij overal, tot zelfs in de Hollandsche steden, uit te lokken, doch hierin slaagden zij niet naar wensch. Inderdaad, zoo lang men geen reden had om te gelooven, dat een nieuwe opdragt meer kans had van door de Koningin te wor-

[p. 661]

den aangenomen dan de vroegere, had het geheele verzoek geen zin, en kon tot niets dan tot onrust en tweedragt leiden.

Intusschen vertrok de landvoogd naar den Haag, om er de Staten van Holland en Zeeland over het opbrengen van aanzienlijker oorlogsgelden aan te spreken. Zijn vertrek was het sein voor doortastende maatregelen tegen zijn tegenstanders, waarvan hij de verantwoordelijkheid niet op zich kon nemen, en die dus in zijn afwezen moesten worden uitgevoerd. Paulus Buys, de hoofdleider zijner tegenpartij, dien hij te vergeefs uit den raad van state naar de kamer van financiën had zoeken te verwijderen, werd, juist toen hij zich gereed maakte den landvoogd naar 's Gravenhage te volgen, te Utrecht door de burgerhoplieden in hechtenis genomen.

Dat die daad in alle opzigten onwettig was, behoeft geen betoog. De hoplieden konden, alleen als zij de wacht hadden, iemand op heeter daad betrappen en vast zetten, maar zij mogten maar niet een raad van state arresteren zonder bevel van de hooge autoriteiten. Doch het is meer dan waarschijnlijk, dat zij verzekerd waren van naar den geest en het welbehagen van den landvoogd te handelen, zoo zij al niet met zijn voorweten en toestemming te werk gingen. De houding van Leicester in deze geheele zaak is onwaardig en onverstandig tevens. Hij verklaarde plegtig geen deel te hebben aan de gevangenneming; hij gelastte openlijk den gevangene los te laten. Maar hij gedoogde, dat zijne aanhangers hem hierin niet gehoorzaamden. Zelfs tegenover de Engelsche regering en tegen zijn vrienden hield hij zijne onschuld vol, maar in bewoordingen, die duidelijk bewijzen, dat hij aan de daad niet vreemd was. Een maand voor ze gepleegd werd, had hij aan Walsingham geschreven: ‘Buys is een groot verrader jegens zijn land, jegens de Koningin en mij haar dienaar. Als de Koningin mij wil bijstaan, sta ik er borg voor, dat hij gehangen wordt - maar geen woord daarvan tegen wie het ook zij.’ Nadat de gevangenneming heeft plaats gehad, zegt hij: ‘ik wist er niet van, maar ik ben verheugd, dat anderen het gedaan hebben;’ en hij verklaart tevens, dat hij voorgenomen had dien gevaarlijken persoon in alle geval buiten den raad van state te zetten. Er bestaat dus geen grond om te twijfelen aan de waarheid van de verklaring, later door de hoplieden afgelegd, dat zij gehandeld hadden op het bevel van Leicester, hun door Webbes, zijn bekenden agent, en door Jacques de Pottere overgebragt. Wel deden zij het in het eerst

[p. 662]

voorkomen, alsof zij op eigen gezag hadden gehandeld; maar zij dienden zich wel zoo te houden om Leicester, die de onwettige daad niet op zijn verantwoording durfde nemen, te sparen. Het moest bovendien hun zelfgevoel streelen voor de bedrijvers van een zoo gewigtige daad door te gaan, tegen wier onaangename gevolgen de heimelijke bijstand van den landvoogd hen toch vrijwaarde.

Hoe dit zij, die eerste daad van onregt en geweld was slechts de inleiding tot erger. De partij, die thans te Utrecht bovendreef, en die zich sterk gevoelde door de toegenegenheid van den landvoogd en de ondersteuning van een talrijke bezetting, waarop zij rekenen kon, wilde niet lijden dat een minderheid van gewezen regenten en aanzienlijken haar een passiven tegenstand bleef bieden, in afwachting van een gelegenheid om het verloren overwigt te hernemen. Die oude zuurdesem - zoo als zij zeide - moest worden weggedaan. Leicester, of liever de raadslieden die hem omgaven, verlangden hetzelfde. Een voorwendsel om de gehate tegenstanders uit de stad te verwijderen lag voor de hand. Zij behoorden meest alle tot de St. Jacobskerk, en konden dus onder den naam van papisten en libertijnen begrepen worden, en als gevaarlijk voor de veiligheid van de stad worden verdacht gemaakt. Den 21sten Julij werd, uit naam van Leicester, aan den raad der stad voorgehouden, hoe men alle reden had om te gelooven, dat door kwaadgezinden de stad aan den vijand verraden werd, weshalve de landvoogd het noodig achtte dat ‘een zeer goed getal papisten of die bekend stonden onder de gemeente kwade officiën te doen’, voor een tijd zouden worden uitgebannen. De landvoogd wees er negentien van die soort aan; de burgerhoplieden voegden er nog twee en twintig andere bij; de raad, hoewel niet ingenomen met den voorslag, bragt na eenige aarzeling het getal op zestig. Onder deze als gevaarlijke personen geschandvlekte en uitgewezen mannen waren vele oude aanhangers van Prins Willem, die om hunne antecedenten boven alle verdenking van landsverraad verheven waren, om één te noemen, Floris Thin, een der hoofdbewerkers van de Unie, verder de hoofdschout der stad en andere hooge beambten. Nog denzelfden dag, voor zonsondergang, moesten zij alle de stad ruimen, en zich voor een poos naar een neutraal gebied buiten de Nederlanden begeven.

Natuurlijk wekte die uitzetting de verontwaardiging der Sta-

[p. 663]

ten van Holland en van de geheele magtige partij waartoe de ballingen behoorden. Want dat aan allen het zelfde lot beschoren was, zoo er zich ooit de gelegenheid toe opdeed, was maar al te duidelijk. Holland trok zich daarom, ter zelfverdediging, de zaak der Utrechtsche ballingen moedig aan, en nam vijf der voornaamste, die op zijn grondgebied geweken waren, in sauvegarde. Tegen zulk een openlijken tegenstand achtte zich de landvoogd niet opgewassen, en, met dezelfde oneerlijkheid als vroeger in de zaak van Buys, schoof hij de verantwoording van de daad, die op zijn last gepleegd was, van zich af, verklaarde zich onschuldig aan het te Utrecht gebeurde en bevestigde het door Holland verleende sauvegarde aan de vijf ballingen, waaronder er waren die op zijn uitdrukkelijk verlangen de stad waren uitgezet.

Zulk een gedrag verraadt niet minder kleingeestigheid en onverstand dan oneerlijkheid en bedrog. Door de verantwoording af te wijzen van daden, die een ieder hem weet, verminderde hij den afkeer geenszins, dien zijn handelen bij de magtige tegenpartij verwekt had. Maar hij gaf aan deze zoo doende het regt om, zonder te kort te doen aan den eerbied den landvoogd verschuldigd, met kracht tegen die handelingen op te komen. Zijn vrienden, door hem verloochend, waren prijs gegeven aan den haat van zijn vijanden. Hun handelwijs, in schijn door hem afgekeurd, moest nu wel aan iedereen als geweldig en onwettig voorkomen. De blijkbare beschroomdheid van den landvoogd verhoogde den moed zijner tegenstanders, die hij roekeloos had verbitterd. Hij had zich gehaat maar niet gevreesd gemaakt. Onhandiger had hij zich wel niet kunnen gedragen.

Wat de handelwijs der Utrechtsche democraten betreft, dat zij onwettig en revolutionair was, valt niet te ontkennen. Maar daarmeê is zij nog niet voor goed veroordeeld. Op hoeveel plaatsen was vroeger even revolutionair gehandeld? In de meeste steden van Holland was de oude, roomschgezinde, regering eveneens bij omwenteling van het kussen gestooten. In een tijd van burgeroorlog, gelijk de eerste helft van den tachtigjarigen oorlog inderdaad was, kon het niet anders of het bestaande regt moest dikwerf geschonden worden. Wat de daad der Leicestersche partij te Utrecht veroordeelt, is niet zoozeer de middelen die gebruikt werden, als het doel dat er meê beoogd werd. Dat doel toch was geen ander dan een onbekwamen

[p. 664]

en onopregten vreemden vorst te ontslaan van den wettigen tegenstand van bekwame en vaderlandslievende mannen, ten einde door zijn invloed over de tegenpartij te heerschen.

Over het bezetten der ambten, door eenige der ballingen bekleed en door hun uitzetting opengevallen, ontstonden weêr nieuwe geschillen. Leicester, door zijn Vlaamsche en Brabantsche vrienden kwalijk ingelicht, matigde zich aan, zonder nominatie der Staten af te wachten, ze aan vreemdelingen, tegen de oude herkomsten, weg te schenken. Zoo werd de gewigtige post van hoofdschout aan Charles van Trillo, een aanzienlijken Brabander, die te Utrecht geen burgerregt bezat, opgedragen. De raad der stad, die reeds bij gelegenheid der uitzetting zich weêrbarstig had getoond, en slechts had toegegeven op de bedreiging van anders door de burgerhoplieden gedwongen te zullen worden, protesteerde plegtig tegen deze en dergelijke verkiezingen, als strijdig met de privilegiën. Doch met dit protest teekende hij zijn eigen doodvonnis. De zegevierende democraten duldden voortaan geen tegenstand, hoe bescheiden ook, en Leicester was hun te wille. Bij de gewone regeringsverandering, die in October plaats had, matigde de landvoogd zich aan, wat den toevallig afwezigen stadhouder toekwam, en koos, in strijd met de oude herkomsten, een regering naar den zin zijner partij. De raad werd gezuiverd van den nog overgebleven zuurdeesem; en tot tweeden burgemeester naast een intrigant, die bij verschillende gelegenheden de meest verschillende rollen gespeeld heeft, Peter Ruysch, werd een Brabander, een vriend van de Borchgrave, gekozen, die volgens de privilegiën niet kiesbaar was, Gerard Prouninck genaamd van Deventer. Op gelijke wijs werd het hof (van justitie), dat nog eenige politieke bevoegdheid behouden had, gezuiverd en met verbannen Vlamingen en Brabanders aangevuld.

Zoo was men dus in Utrecht volkomen meester. Leicester beroemde zich, dat thans, ten gevolge zijner maatregelen, de stad zonder bezetting vertrouwd kon worden, doch wijsselijk nam hij toch het Engelsche garnizoen niet weg. Aan de hoofdstad sloten zich de kleinere steden aan. Maar in de Staten der provincie vermogten de steden alleen niet veel tegen de aaneengesloten meerderheid van geëligeerden en ridderschap. De stem, die ter vergadering der Staten Generaal door de Utrechtsche gedeputeerden werd uitgebragt, was dus doorgaans in strijd met de bedoelingen der omwentelingspartij, en Leicester kon zoo

[p. 665]

weinig op de sympathie der Staten Generaal rekenen, dat het geen onverschillige zaak was in welken toon de provincie Utrecht zich deed hooren. Natuurlijk wenschten dus de stadsregenten hun geest in de beide eerste leden der Staten-vergadering over te storten, en de stem van Utrecht ten voordeele van den landvoogd te doen spreken.

Eene eerste poging daartoe leed schipbreuk op de onverzettelijkheid der Staten Generaal. De stad had, kort na de regeringsverandering in October, de beide eerste leden bewogen om toe te stemmen in de onvoorwaardelijke opdragt der souvereiniteit aan Elizabeth, en zelfs om de Utrechtsche gedeputeerden ter Staten Generaal te gelasten de overige provinciën tot het volgen van dit voorbeeld aan te sporen. Behalve de twee gewone gedeputeerden uit de geëligeerden en de ridderschap werd, als vertegenwoordiger der hoofdstad, de pas gekozen burgemeester, van Deventer, met die boodschap afgevaardigd. Van zijn ijver en welbespraaktheid beloofde men zich de meest gewenschte uitwerking. Maar de Staten Generaal, door de beide andere gedeputeerden ingelicht en opgestookt, weigerden van Deventer in hun vergadering toe te laten, op grond dat hij, een Brabander, niet tot burgemeester van Utrecht had kunnen gekozen worden, en dus dit ambt in strijd met 's lands privilegiën bekleedde.

Er is veel over de wettigheid van dit besluit der Staten Generaal te doen geweest. Latere geschiedschrijvers hebben met het beweren der partij van Leicester ingestemd, dat de Staten Generaal onbevoegd waren vonnis te vellen over een zaak, die zoo blijkbaar van zuiver huishoudelijken aard was. Doch, gesteld dat hun beweren juist was, zeker is het dat de handelwijs der Staten Generaal overeenkwam met de antecedenten. Nog in het vorige jaar hadden de Staten van Holland den pensionaris van Amsterdam, Jan van de Wercke, uit hun vergadering geweerd, omdat hij, als geboren Brabander, geen officie in Holland bekleeden mogt, en dus tegen de privilegiën door Amsterdam was aangenomen. Toen mengden zich dus de Staten van Holland in de huishoudelijke aangelegenheden eener stad, juist om de zelfde reden waarom de Staten Generaal zich thans met de aangelegenheden eener provincie bemoeiden. Beide vergaderingen behielden zich het regt voor te beoordeelen, of de gedeputeerden het radicaal bezaten om in haar midden zitting te nemen. En vergelijken wij de beide gevallen, dan moeten wij erkennen, dat bij een pensionaris, die slechts een dienaar der

[p. 666]

stadsregering was, het handhaven van de onbevoegdheid van vreemdelingen tot het bekleeden van posten veel minder te pas kwam dan bij een burgemeester, die een lid en zelfs het hoofd der regering was. Wel is waar, dat men bij andere personen zoo naauw niet had toegezien, en menigen vreemdeling tot gewigtige posten had toegelaten. Van de Wercke was meest om personele redenen geweerd; men kende hem als een gevaarlijk en kwalijk te vertrouwen staatsman. Maar gelijke bezwaren bestonden tegen van Deventer. Hij was de voorvechter der partij, waartegen de Staten op hun hoede waren; hij had als gewezen tresorier van den landraad een nog ongesloten rekening met de Generaliteit; reden genoeg om tegen hem ten strengste de privilegiën toe te passen. Overigens was hij een man, op wiens goede trouw en regtschapenheid niets te zeggen viel. Zijn heftig karakter en zijn hartstogt alleen maakten hem gevaarlijk. Hij behoorde tot die roekelooze ijveraars, die Brabant en Vlaanderen verloren hadden doen gaan, tot die onverdraagzamen die alles veroordeelden wat met hunne overtuiging niet volkomen overeenstemde, die van geen transigeren wilden weten, en die hun doel slechts bereiken wilden langs den eens door hen ingeslagen weg. Uit 's Hertogenbosch verbannen, had hij met de Borchgrave in den landraad gezeten, en den post van tresorier bekleed, en als zoodanig eenige jaren te Utrecht verblijf gehouden, zonder echter aldaar het burgerregt te verwerven. Als Brabander was hij zeker onbevoegd om er in de regering, laat staan als burgemeester plaats te nemen. Alleen door het drijven zijner partij en door de willekeur van den landvoogd was hij tot die waardigheid geraakt. Eene aanzienlijke minderheid was hem tegen. De Staten Generaal achtten zich dus geregtigd, zoo niet verpligt, de geschonden privilegiën van Utrecht tegen de revolutionairen te handhaven.

Hunne afwijzing van het hoofd der democratische partij gaf den twee eersten leden der Staten van Utrecht, die slechts gedwongen in de afvaardiging van van Deventer hadden toegestemd, den moed terug om hem tegen te werken. Hun gedeputeerden, in plaats van op zijn toelating aan te dringen, stijfden veeleer de Staten Generaal in hun genomen besluit. De democraten moesten de hoop wel opgeven om geëligeerden en ridderschap tot hunne inzigten en plannen over te halen.

Maar in plaats van hen af te schrikken, wekte hen die on-

[p. 667]

verwachte tegenstand tot nog stoutmoediger handelen op. Wilden hen de geëligeerden niet goedschiks volgen, wat belette hen den stand der geëligeerden eenvoudig op te heffen? Wij zagen reeds dat die stand na de Kerkhervorming inderdaad geen reden van bestaan meer had, en dat de ijverige gereformeerden sedert lang op zijne afschaffing bedacht waren. Het scheen thans het geschikte oogenblik om zich voor goed van zijn tegenstribbelen te ontslaan, en in de vergadering der Staten aan de steden het politiek overwigt, dat haar in de nieuwe maatschappij natuurlijk toekwam, te bezorgen. Vroeger was het niet gelukt die gewigtige verandering door te drijven; de Prins van Oranje had zich toen daartegen verklaard. Maar thans was de landvoogd op de hand der volkspartij; onder zijn bescherming zou men denkelijk thans beter slagen.

Wat men ging ondernemen was zeker, wij herhalen het, revolutionair. Maar in dit geval was het doel der revolutiemannen ongetwijfeld overeenkomstig het ware staatsbelang. Nu de geestelijkheid als bevoorregte stand niet meer bestond, moest zij uit de Statenvergadering verdwijnen. De protestantsche geëligeerden vertegenwoordigden geen bijzonder belang; zij behoorden tot de ridderschap of tot de burgerij, die ieder hare eigene vertegenwoordigers in de Staten-vergadering had. De geestelijke goederen, wier inkomsten zij voor zich genoten, dienden ten algemeenen nutte geseculariseerd te worden. Wij kunnen niet anders dan de partij van Leicester gelijk geven, dat zij op deze hervorming aandrong, dat zij die des noods met geweld wilde invoeren.

Weinige weken nadat van Deventer door de Generale Staten was afgewezen, verschenen de burgerhoplieden voor den raad der stad, en verzochten dat deze de geëligeerden als politieken staat casseren, en de leden, die burgers der stad waren, gelasten zou, niet langer in die qualiteit ter vergadering der Staten te verschijnen. De raad gaf aan dit verzoek gereedelijk gehoor. Wanneer de ridderschap zich even gewillig betoonde, was de zaak hiermeê feitelijk afgedaan. Maar deze, zoo als te voorzien was, begreep dat zij, verstoken van den steun, dien haar de geëligeerden doorgaans boden, zich tegen de overmagtige en overmoedige stad niet zou kunnen staande houden, en zij weigerde daarom aan een Statenvergadering deel te nemen, waarin de geëligeerden zouden ontbreken. Zoo bleven de steden alleen, en zij zagen zelf in, dat zij toch alleen de provincie niet

[p. 668]

vertegenwoordigen konden. Er hadden derhalve voorloopig in het geheel geen vergaderingen der Staten plaats. De democraten hadden dus hun doel gemist; zij hadden zelfs het tegenovergestelde uitgerigt van hetgeen zij bedoelden; de provincie was tijdelijk zonder vertegenwoordiging, en bij gevolg niet in staat om ter generaliteit haar stem uit te brengen; zij kon den landvoogd tegen het weêrbarstige Holland niet bijstaan. Van Deventer, in wiens afwezen deze kwalijk aangelegde maatregel genomen was, keurde dien ook hoogelijk af. Want, wat de voltrekking voor als nog onmogelijk maakte, Leicester had juist op dit tijdstip het land voor een poos verlaten, en de stadhouder der provincie, graaf van Nieuwenaar, eens een ijveraar voor het gezag van den landvoogd, was allengs van partij veranderd, en verdedigde thans weêr de belangen der geëligeerden en van de ridderschap. Blijkbaar namen de zaken in Utrecht een ongunstigen keer voor de partij van Leicester.

En in Holland stonden voor haar de zaken sedert lang bijzonder slecht. De Staten van die provincie, door hun advokaat uitmuntend aangevoerd, hadden de regering van den landvoogd in haar zwakste punt, in de kamer van financiën en in den tresorier Reingout, aangetast en overwonnen. Een gelukkig toeval, waarvan zij meesterlijk partij trokken, bragt aan het licht wat iedereen vermoedde, dat Reingout oneerlijk was, en zijn eigen voordeel bedoelde met de plannen, die hij den landvoogd had aangeprezen.

De lieden, van wie Reingout, zich bediende, waren meestal, als hij zelf, fortuinzoekers uit Brabant en Vlaanderen, opgegroeid in dienst der Spaansche dwingelandij en eerst na de pacificatie in die der Staten Generaal overgegaan. Inderdaad, tot het werk der zestien commissarissen, die de overtreders der verbodsplakaten moesten opsporen en beboeten, kon men moeijelijk andere dan schaamtelooze en hardvochtige commiezen gebruiken. Zulk een was Etienne Perret. Hij stond bekend voor een onrustig, oneerlijk mensch, die overal, het laatst te Antwerpen tijdens de belegering, oproer had gestookt, om in troebel water te beter te visschen. Ook nu was hij ijverig in de weer om de Staten bij de burgerij der Hollandsche steden zwart te maken. Te Gouda liet hij zich bij zekere gelegenheid zoo heftig en dreigend over de tegenstanders van den landvoogd uit, dat hij gereede aanleiding gaf om hem te Rotterdam, waar hij verblijf hield, te arresteren. Onder zijn papieren, die te gelijker tijd in beslag werden genomen, vond men vele brieven en beschei-

[p. 669]

den, die zijn patroon Reingout, niet minder dan hem zelf, compromitteerden. Te vergeefs trachtte de raad van state de netelige zaak aan de bemoeijing der Staten van Holland te onttrekken. Zonder op zijne opeisching van Perret acht te geven, onderzocht een commissie der Staten de in beslag genomen stukken, en leverde weldra eene uitvoerige deductie tegen Reingout bij den landvoogd in. De zaak was nu niet meer te smooren. Het bleek overtuigend dat Reingout en Perret de velerlei kleine posten, die ter begeving van de kamer van financiën stonden, tot hun bijzonder voordeel hadden verkocht; dat zij zelfs een contract hadden aangegaan om de voordeelen, die hun hun financiële kunstgrepen beloofden, te zamen te deelen. En over de antecedenten en het huiselijk leven van Reingout kwamen schandalen aan den dag, die hem bij de vrome Calvinisten zijner partij in minachting moesten brengen1. Hij was een ver-

[p. 670]

loren man. Leicester liet hem in de eerste opwelling zijner verontwaardiging in hechtenis nemen, en hoewel hij hem later tegen een geregtelijk onderzoek behoedde, gebruiken kon hij hem niet weêr. Het verdere leven van den avonturier, die zich eerlang uit het land wegmaakte, regtvaardigde ten volle de achterdocht, die zijn vijanden jegens hem hadden gekoesterd. Hij begaf zich onder den vijand en stierf als katholiek. Zijn schuld en zijn schande hebben de partij, die zich zijner, ter kwader ure, had aangetrokken, onverdiend bezoedeld.

Met den tresorier viel de nieuwe kamer van financiën, wier ziel hij geweest was. Het geldwezen kwam weêr onder het beheer van den raad van state. In plaats der gewantrouwde handlangers van Reingout werden eerlijke en geachte beambten aangesteld. De Staten van Holland mogten zich beroemen het in deze zaak althans van den landvoogd gewonnen te hebben.

 

Van al deze gebeurtenissen, die op zich zelf en om haar gevolgen van groot belang zijn, geeft Motley een onvolledig en onduidelijk verhaal. De verwarring, die wij in de regering zien heerschen, deelt zich aan zijn beschrijving meê. Het laat bij ons geene andere herinnering achter, dan aan een ongeredderden, onbegrijpelijken staat. Daarentegen is zijn verhaal van de krijgsbedrijven, bepaaldelijk van den slag bij Warnsfeld, waarin de ridderlijke en dichterlijke Sidney sneuvelde, met warmte geschreven, wegslepend schoon.

Belangrijk zijn verder zijne uittreksels uit de briefwisseling tusschen den landvoogd en de Engelsche regering; maar daarvan heeft hij, naar ons oordeel, te weinig partij getrokken om de verhouding van Leicester tot zijn meesteres te schetsen, en de gevolgen aan te wijzen, die daaruit voor den loop der Nederlandsche zaken moesten voortvloeijen.

Buiten Leicester om hielden de Engelsche regering en de Sta-

[p. 671]

ten van Holland voortdurend correspondentie. De schrandere zendelingen, uit Engeland hierheen gezonden, en niet minder de Hollandsche agent te Londen, Ortel, maakten gedurig de regering der Koningin op de groote fouten opmerkzaam, die, naar het oordeel der Staten, de landvoogd beging. De meeste van deze mishaagden de regering van Elizabeth evenzeer als den Staten van Holland. De toelating van vreemde en gewantrouwde personen in den raad van den landvoogd en in het beheer der financiën, het terugzetten der oude vrienden van Prins Willem, de mishandeling van Buys, die aan het Engelsche hof hoog stond aangeschreven, het partijtrekken voor de onverdraagzame Calvinistische ijveraars, vond bij de Koningin en haar ministers strenge afkeuring. De dubbelzinnige wijs, waarop Leicester oogenschijnlijk laakte wat hij heimelijk door zijn partij had laten uitrigten, is zeker gedeeltelijk te wijten aan zijn vrees om de regering te vertoornen, waaraan hij verantwoording schuldig was, en wier vermaningen en bevelen hij niet wilde opvolgen.

Doch al billijkte de Koningin vele van de klagten der Staten, zij achtte zich toch door den tegenstand, dien men haar gunsteling bood, in haar hoogheid beleedigd. Zij had zoo hoogen dunk van de verpligting, waaronder haar weldaden de Staten van Nederland hadden gebragt, dat zij ieder blijk van zelfstandigheid voor ondankbaarheid aanzag. Bij vlagen had zij innig berouw over de hulp aan zulke onhandelbare en eigenzinnige lieden bewezen. Hoe had zij zich ooit de vijandschap van koning Philips ter liefde van dezulken op den hals kunnen halen? Zij haakte naar een dragelijken vrede. Daarom, hoe dikwerf afgebroken, werd telkens de vredehandel met Parma hervat. De Staten hoorden er genoeg van fluisteren om bevreesd te zijn van meêgesleept te worden in eene onderhandeling, die op onderwerping aan het afgezworen gezag van den Koning en op het verlies hunner burgerlijke en kerkelijke vrijheid moest uitloopen. Was het dan niet natuurlijk, dat zij tegen elke uitbreiding van de magt des landvoogds waakten, die dezen meer en meer in staat zou stellen om hen tot dien gevreesden vrede te dwingen? Zoo moest de verhouding van de Staten tot Leicester en zijn meesteres gedurig moeijelijker worden. Toen de landvoogd, kort voor zijn vertrek naar Engeland, de Staten over de voorwaarden, waarop zij met Spanje vrede wilden maken, als uit zijn eigen naam polste, verklaarden dezen zich zelfs tegen alle onderhandeling met den vijand, en hielden zich alsof

[p. 672]

zij ook aan de geneigdheid tot vrede bij de Koningin geen geloof sloegen. Maar in hun hart waren zij zeker niet zoo gerust; zij zagen Leicester met heimelijk genoegen heen gaan en hun de handen weêr vrij laten.

Inderdaad, zij hadden weinig reden om met de uitkomsten van het Engelsche protectoraat gedurende dit eerste jaar tevreden te zijn. Nu Leicester in December 1586 het land tijdelijk verliet, stonden de zaken niet beter dan bij zijn komst een jaar te voren. De krijgskans was niet gekeerd; Parma had Venlo en Grave ingenomen, en zich van de Maas meester gemaakt; de voordeelen door het Engelsch-Nederlandsche leger behaald, waren onvruchtbaar gebieven, en konden tegen de geleden verliezen niet opwegen. De geldzaken waren deerlijk in de war en ten achter. De Staten hadden het dubbel opgebragt van de oorlogskosten der vorige jaren, en toch was het krijgsvolk slechter betaald dan te voren: niet meer dan twee of drie maanden soldij had het voor het geheele jaar ontvangen. De landvoogd had veel meer troepen in dienst genomen dan het land betalen kon; de Koningin had zoo weinig mogelijk bijgedragen; de talrijke legermagt, slecht zamengesteld en slecht aangevoerd, had weinig uitgerigt, en dreigde thans aan het muiten te slaan, nu de betaling van de achterstallige soldij steeds uitbleef. Buitendien had de landvoogd den naijver en het wantrouwen tusschen de verschillende natiën, waaruit het leger bestond, niet weten weg te nemen. De Engelschen en Ieren verachtten en haatten de inboorlingen en Duitschers, die hen weêrkeerig verfoeiden en wantrouwden. Tusschen de legerhoofden heerschte niet minder haat en afgunst. Wat kon men anders dan neêrlaag en verraad in een volgenden veldtogt verwachten?

En in het staatsbestuur was geen van de gewenschte hervormingen tot stand gekomen. Leicester had geen der veranderingen in den regeringsvorm, die zijne instructie hem voorschreef in te voeren, ernstig voorgesteld. Het gezag van den raad van state was niet uitgebreid of beter bepaald. In de gewigtigste zaken was buiten hem om besloten en gehandeld, omdat hij geen blind werktuig in de hand van den landvoogd had willen wezen. Aan de gedeputeerden ter Statenvergadering was door de provinciën geen breeder bevoegdheid toegestaan; integendeel, de partij van Leicester, bepaaldelijk de nieuwe regering van Utrecht en haar leider, van Deventer, waren uit wantrouwen afkeerig van hetgeen zij ‘eene absolute commissie van de

[p. 673]

gedeputeerden’ noemden, en ijverden tegen ‘de perpetuele vergadering der Staten Generaal, waardoor de gedelegeerde magt van deze in een souvereine en ordinaire autoriteit verkeeren zou.’ De Staten Generaal bleven voortdurend magteloos, de verschillende provinciën oneenig en twistziek. De bevolking gevoelde dat alles slecht ging en op nog erger moest uitloopen, doch wist niet wien de schuld te geven, welke verandering te wenschen. De predikanten trokken partij voor den goedkerkschen landvoogd, die hun de synodale bijeenkomst had vergund, en tegen de libertijnsche Staten van Holland, die hen steeds mistrouwend in toom hadden gehouden. Het gezag der Staten nam af, maar zonder dat de magt der algemeene regering er bij won.

Ruim een half jaar bleef de landvoogd zich in Engeland ophouden, waarheen gewigtige aangelegenheden hem hadden geroepen, en waar misnoegen op de Staten hem langer dan noodig was deed vertoeven. Eerst in Julij keerde hij terug. De tusschentijd, waarin de Nederlandsche regering zonder hoofd bleef, is in vele opzigten merkwaardig. Motley heeft uit de Engelsche archieven er ons veel belangrijks over meêgedeeld, voor ons van dubbel belang, omdat de correspondentie van Leicester, door Bruce uitgegeven, niet verder loopt dan tot het eerste vertrek van den landvoogd. Het is te wenschen dat, nu door Motley's nasporingen het bestaan van deze brieven aan den dag is gekomen, de correspondentie van het tweede jaar van Leicester's landvoogdij, even zorgvuldig als die van het eerste, worde uitgegeven1.

[p. 674]

Maar over het voornaamste, dat gedurende de tusschenregering van 1587 hier te lande gebeurd is, de wording van ons republikeinsch staatsregt, zoo als het zich onveranderd tot op 1618 heeft ontwikkeld, en sinds, wel gewijzigd maar toch wezenlijk hetzelfde, heeft voortbestaan - daarover leeren de Engelsche brieven slechts weinig, en Motley, die verzuimd heeft kennis te nemen van hetgeen over dit onderwerp bij ons geschreven is, loopt er oppervlakkig en zorgeloos over heen. Hij schijnt niet eens te vermoeden op welke punten het hier eigenlijk aankomt. Had hij het boek van den heer van der Kemp, de brochure van den heer Beijerman en wat dies meer zij, gelezen, hij zou gezien hebben, waarop hij in het bijzonder te letten had.

Hetgeen Mr. van der Kemp in zijn ‘Maurits van Nassau’ over het ontstaan van het staatsregt der republiek gedurende de landvoogdij van Leicester geschreven heeft, getuigt van een naauwkeurig onderzoek, maar tevens van een zeer partijdig oordeel. De groote fout, die, mijns inziens, zijn voorstelling doorgaans vervalscht, is de onderstelling, waarvan hij uitgaat, dat de Staten van Holland en Oldenbarnevelt, hun voorganger, een stelsel van staatsregt gereed hadden, eer Leicester in het land kwam, en dat zij van de eerste gelegenheid de beste behendig maar ter kwader trouw gebruik hebben gemaakt om dit stelsel in praktijk te brengen. De waarheid is, dat het stelsel der Staten eerst langzamerhand uit de behoeften der tijden ontstaan is. De Staten, wij hebben het bewezen, begonnen met vrijwillig een groot deel hunner tot nog toe bezeten magt aan den landvoogd af te staan, in de hoop dat hij ze naar hun wensch en tot heil van het land zou aanwenden; en cerst toen het bleek, dat hij zijn groot gezag gebruikte om tegen hun

[p. 675]

zin te regeren, en dat hij overigens onbekwaam was voor de taak, die hij had aanvaard, trachtten zij zooveel mogelijk de vroeger verleende magt terug te nemen, en vormden zij een stelsel van staatsregt, dat hun regt om zoo te handelen bewijzen kon. Niet anders is het met de meeste systemen van staatsregt gegaan. Zij zijn niet door zuivere bespiegeling verkregen en vervolgens toegepast, maar de loop der tijden doet feiten ontstaan, en maakt maatregelen noodig, tot wier wettiging vervolgens een stelsel van regt wordt uitgedacht, dat aan de behoeften van den nieuwen toestand beantwoordt.

Wat was natuurlijker, dan dat de Staten, toen Elizabeth hun verweet dat zij Leicester absoluut gouverneur hadden gemaakt, tot hun verdediging antwoordden, dat zij geen afstand hadden gedaan van de souvereiniteit, die integendeel aan hen bleef voorbehouden? Wat was natuurlijker, dan dat de Staten, toen zij zich genoopt vonden tegen de regeringsdaden van Leicester op te komen, zich beriepen op die voorbehouden souvereiniteit? Immers uit deze grondstelling lieten zich een aantal regten afleiden, op wier behoud de Staten den hoogsten prijs stelden.

Elizabeth nam met het antwoord der Staten genoegen, en bekrachtigde hun aanspraak op de souvereiniteit door haar stilzwijgen. Toen Leicester de Nederlanden tijdelijk zou verlaten, verlangde zij, dat hij de regering aan de Staten zou overdragen, van wie hij ze oorspronkelijk had ontvangen. Dit plan werd echter bij de uitvoering eenigermate gewijzigd. De raad van state, die eigenlijk slechts een raadgevend ligchaam nevens den landvoogd was, werd gedurende zijn afwezen regeringsraad, overeenkomstig de gewoonte der Oostenrijksche en Spaansche regering, onder welke, bij ontstentenis van den landvoogd, de regering aan den raad van state toekwam. Maurits, als voornaamste der stadhouders, kreeg den voorrang, en als het ware het voorzitterschap van den raad.

Maar zou die raad onbeperkte magt bezitten; zou hij alles kunnen veranderen wat Leicester had ingesteld? Het was bekend dat een magtige partij de hereeniging van Utrecht met Holland en Zeeland onder het stadhouderschap van Maurits verlangde; de Staten Generaal hadden niet lang geleden den landvoogd verzocht die hereeniging te bewerken. Maar Leicester, die zijn steun in Utrecht vond, was van niets afkeeriger dan van zulk een hereeniging. Zou thans in zijn afwezen de raad van state bevoegd zijn tegen zijn wensch die veran-

[p. 676]

dering in de regering te maken? De landvoogd had, wij merkten het op, Westfriesland zoo goed als een eigen stadhouder gegeven in Sonoy, op wien hij rekenen kon. Op aandrang der Staten van Holland had hij kort voor zijn afscheidnemen beloofd op dien maatregel terug te zullen komen. Maar zou hij nu moeten toelaten dat in zijn afwezen de raad van state Sonoy aan het gezag van Maurits ondergeschikt maakte? Er waren uit Utrecht vijanden van den landvoogd verbannen, die door Holland in bescherming waren genomen. Zou het thans aan den raad van state vrij staan, die ballingen terug te voeren, en met hun hulp een tegenomwenteling in Utrecht te weeg te brengen? Onder de legerhoofden werd om den voorrang, om de aanspraak op bevordering, getwist. Zou de raad van state het regt hebben om die geschillen ten nadeele van Leicester's gunstelingen te beslissen? Dat kon de landvoogd onmogelijk toestaan. Wilde hij weldra terugkeeren en het werk voortzetten, zoo als hij het had aangevangen, dan kon hij niet gedoogen, dat het reeds tot stand gebragte gedurende zijn kortstondig afwezen door den raad van state werd afgebroken. Niets ware natuurlijker geweest, dan dat hij in overleg met de Staten de bevoegdheid van den raad, die hem verving, in enkele opzigten had beperkt. Maar met de dubbelhartigheid, die hem eigen was, gaf hij in de instructie, die aan de Staten werd meêgedeeld, aan den raad een bijna volle magt, doch beperkte deze te gelijker tijd in een geheime acte, die voor de Staten en zelfs, naar het schijnt, voor de meeste leden van den raad van state geheim werd gehouden, maar van welks voornamen inhoud sommige Engelsche oversten kennis droegen. Het gevolg van deze oneerlijke en onverstandige handelwijs moest wezen, dat, indien de raad overeenkomstig zijne instructie bevelen uitvaardigde, de krijgsoversten overeenkomstig de geheime beperkende instructie weigerden te gehoorzamen. Hoe was het mogelijk met zulke tegenstrijdige bevelen te regeren?

Wij begrijpen waarom Leicester de beperkingen der eens gegeven volmagt dus voor de Staten geheim hield. Hij was verzekerd, dat de Staten, werden zij er meê bekend gemaakt, er zich tegen verzetten zouden. Want zonder diep doorzigt kon men voorzien, dat er in de gevaarvolle omstandigheden, waarin de staat verkeerde, ligt het een of ander kon voorvallen, waarop dadelijk orde moest worden gesteld, en waarover men niet eerst het goedvinden van den in Engeland afwezigen landvoogd kon

[p. 677]

vragen. De afstand tusschen Westminster en den Haag was in dien tijd een geheel andere dan tegenwoordig: weken lang was soms de overvaart door tegenwind onmogelijk. Een verordening, waarbij de beschikking over gewigtige aangelegenheden aan een zoo ver verwijderden landvoogd werd voorbehouden, zou dus door de Staten niet ligt bekrachtigd zijn. Om allen tegenstand voor te komen had Leicester derhalve zijn toevlugt genomen tot misleiding en willekeur.

De Staten Generaal, waarop die van Holland overwegenden invloed uitoefenden, en die door middel van den raad van state inderdaad regeerden, namen de afwezigheid van den landvoogd waar, om orde te stellen op de vele misbruiken, waarover zij tot nog toe slechts hadden kunnen klagen. Hun eerste zorgen was voor de financiën, voor het herstel van het evenwigt tusschen de inkomsten en uitgaven. Het eenige middel om daartoe te geraken was het afdanken van een aantal krijgsknechten, die, muitziek wegens slechte betaling, toch niet te gebruiken, zelfs niet te vertrouwen waren. Zoo doende bezuinigde men aanstonds honderd duizend gulden 's maands. Op dien weg voortgaande, zoo als het plan was, zou men weldra het hoog noodige evenwigt hebben hersteld, zonder de krijgsmagt werkelijk te verzwakken. De ervaring, na Leicester's vertrek opgedaan, kan het bewijzen, dat een matig, maar goed betaald en goed toegerust leger veel meer uitrigt dan een talrijke maar ongeordende krijgsmagt.

Niet minder nuttig was eene andere hervorming. Om den gedrukten handel weêr op te beuren, en bij gevolg de landsinkomsten te verbeteren, werd het onbedachte en slecht werkende plakaat van 4 April, tegen den uitvoer naar 's vijands landen, zoodanig gewijzigd, dat het wel geheel afgeschaft mogt heeten. De gunstige gevolgen van dien maatregel lieten zich niet lang wachten. Zij waren zoo afdoend, dat het stelsel van verbod en dwang nooit meer terug is gekomen.

Beide maatregelen druischten in tegen de regeringswijze van Leicester en moesten hem bij gevolg mishagen. Maar veel kwetsender nog voor zijn zelfgevoel was de bemoeijing der Staten ten gunste van Buys, die op hun aandringen uit zijn gevangenschap ontslagen werd, en in Holland de tegenpartij van den landvoogd krachtig kwam versterken. Leicester, die meer aan personen dan aan beginsels hechtte, moet zich grievend beleedigd hebben gevoeld, nu hij den man, dien hij zoo hartstogte-

[p. 678]

lijk haatte, dien hij zoo onwaardiglijk behandeld had, als bij verrassing in zijn vrijheid en in zijne eer hersteld zag.

Het zou bij die eerste hervormingen en herstellingen wel niet gebleven zijn. Het was zeker de toeleg der Staten om alle nieuwe instellingen van den landvoogd, over wier nadeelige werking zij zoo herhaaldelijk hadden geklaagd, te vernietigen, en nu reeds te handelen gelijk zij een jaar later, na den afstand van Leicester, gehandeld hebben. Maar een jammerlijke geneurtenis kwam hen in hun rustig werken storen. Twee maanden nadat de landvoogd vertrokken was, verrieden Stanley en York de schans bij Zutfen en de gewigtige vesting Deventer, en maakten daarmeê den vijand meester van de IJssellinie en openden hem den toegang tot de Veluwe en Utrecht. De eigenzinnigheid en het blind vertrouwen van den landvoogd, die niettegenstaande de nadrukkelijkste waarschuwingen de verraders in zoo gewigtige posten had gesteld en bevestigd, was de voorname schuld van dit ongeluk. De beperkende instructie van den raad van state, die bij deze gelegenheid te voorschijn kwam, had het verder onmogelijk gemaakt de bezetting in tijds te vervangen en de bedreigde plaatsen te redden. De tijding van het gebeurde verwekte dan ook niet minder verontwaardiging over den bedriegelijken en onbekwamen landvoogd, als verbittering tegen de verraders en wantrouwen tegen de Engelsche troepen in het algemeen. Er gebeurde maar al te veel om dit wantrouwen te wettigen. Te Arnhem, te Bergen op Zoom, te Ostende sloegen de Engelsche soldaten van het garnizoen aan het muiten; uit Zwolle liep een vendel Engelschen tot den vijand over. Tegen zulke gevaren te voorzien door het verleggen der bezettingen en het vervangen der oversten, verbood, helaas, de instructie, zoo bedriegelijk buiten medeweten der Staten aan den raad van state gegeven.

Was het wonder, dat onder zulke omstandigheden, te midden van zulke gevaren, en na het ontdekken van zulke heillooze beschikkingen, de Staten zonder langer dralen, zonder afwachten van bevelen uit Engeland, voor zich zelf gingen zorgen? Het was waarlijk geen tijd om naar de theorie van het staatsregt of naar den letter der bestaande commissies en instructies om te zien. De hoogste wet, het heil van den staat, heerschte voor het oogenblik, en deed alle andere verordeningen zwijgen. Men had een landvoogd ingehaald, die het land ten verderve leidde, een krijgsmagt, die den vijand meer dan

[p. 679]

den ingezetenen genegen en hulpvaardig was, een Koningin, die een vrede zocht te treffen, nadeeliger voor den staat dan een zelfs ongelukkig gevoerde oorlog. Zou men op dien weg blijven voortgaan, de banden ontzien, die ons magteloos aan den vijand overleverden? Neen, eerst de vrijheid hernomen, die alleen het land behouden kon; dan onderzocht wat in regt en billijkheid voor het hernemen van die vrijheid te zeggen viel.

Vooral de Staten van Holland begrepen die verpligting, en togen aan het werk met een voortvarendheid en een energie, die ons herinnert dat Oldenbarnevelt hun dienaar en hun leidsman was. Op denzelfden dag, waarop de tijding van het verlies van Deventer tot hen kwam, besloten zij dat de verschillende steden tot haar bijzondere beveiliging waartgelders zouden aannemen, en met buitengewonen ijver werd dit besluit ten uitvoer gelegd. Zoo verwierf zich de provincie eene eigene krijgsmagt onder haar onmiddellijk bevel. De vreemde benden, die op het platte land gelegerd waren, en wier bedoelingen men wantrouwde, werden verwijderd of bewaakt. Maar bovenal werd het gezag van den stadhouder der provincie, ten koste van dat van den algemeenen landvoogd en van den raad van state, uitgebreid. Het regt van bij open brieven (patenten) de garnizoenen te verleggen werd tijdelijk van den raad van state op den stadhouder overgebragt. Het geheele defensiewezen der provincie werd onder zijn onmiddellijk beheer gesteld, bij een merkwaardige acte die de commissie voorheen, eer Leicester in het land kwam, aan Maurits door de Staten gegeven, herleven deed. De oversten, die door den landvoogd over de verschillende vestingen als gouverneurs waren aangesteld, werden aan den stadhouder ondergeschikt verklaard, en Sonoy was de eenige die weigerde te gehoorzamen. Een nieuwe eed werd van het krijgsvolk afgevorderd, waarbij het zich aan Holland en Zeeland in het bijzonder verbond. De verpachting der belasting, die binnen de provincie geheven werd, werd op den naam der Staten van Holland uitgeschreven. Holland en Zeeland hernamen hun zelfstandig bestaan van voor de pacificatie van Gent, onder Maurits als hun stadhouder. Om zijn jonge jaren voegden hem de Staten den ervaren en beproefden Hohenlo als luitenant generaal toe.

Het is niet te ontkennen, dat al die maatregelen moeijelijk overeen te brengen zijn met den geest der Unie van Utrecht. De

[p. 680]

bevoegdheid der algemeene regering werd er ontegenzeggelijk door verkort. Maar dat Holland evenwel niet onverschillig was omtrent het lot zijner bondgenooten, toonde het door de hulp aan de steden van Overijssel, Gelderland en Utrecht geboden. Het wilde in de eerste plaats voor zijne eigene veiligheid zorgen, doch om des te beter de overige provinciën bij te springen. Het onttrok zich aan de hoede eener regering, die elders dan in zijn gewest haar middelpunt had, omdat het zich bewust was zelf de spil te zijn, waarom de generaliteit zich het zekerst kon bewegen.

De heer van der Kemp ziet in al deze blijkbaar onvermijdelijke maatregelen niets anders dan de uitvoering van langberaamde plannen, om Holland ten nadeele der bondgenooten aan de regering van den landvoogd te onttrekken. Hij betreurt het, dat Maurits daartoe meêwerkte; hij gelooft echter, dat de stadhouder slechts het werktuig was, door Oldenbarnevelt behendig gebruikt. Hij schijnt te vergeten, dat nood wet breekt, en dat zelfverdediging, zelfs met schennis van geschreven regten, een eerste pligt is. Buitendien, als enkele provinciën vrijheid hadden om zich onvoorwaardelijk aan de Koningin van Engeland over te geven, gelijk Utrecht had gedaan, stond het zeker andere evenzeer vrij voor haar veiligheid in het bijzonder te waken.

Met de regering der Unie, op wier gezag Holland zich veroorloofde inbreuk te maken, stond het op dit tijdstip ook jammerlijk geschapen. De landvoogd was afwezig en niemand wist wanneer hij terug zou keeren. De raad van state, die hem verving, was slechts voor één jaar aangesteld, en dat jaar liep ten einde. Zijn commissie moest vernieuwd worden - maar door wien? De Staten Generaal begrepen dat zij, als souverein, daartoe geregtigd waren. Zeker, indien Leicester in het land was geweest, had hij, krachtens zijn commissie, de leden van den raad uit een breede nominatie der Staten moeten kiezen. Maar dat hij gedurende zijn afwezen, na zijn tijdelijken afstand van het bestuur, dit regt kon uitoefenen, was niet wel vol te houden. Een meer bedachtzaam staatsman, dan hij zich betoonde, zou deze uiterst belangrijke zaak geregeld hebben, eer hij vertrok. Zoo als de omstandigheden thans waren, konden de Staten Generaal wel niet anders doen dan zelf de commissie van den raad te vernieuwen. Zij begrepen dit ook, en continueerden den raad, doch slechts voor drie maanden, om den landvoogd, zoo hij terugkeerde, spoedig weer de vrije beschikking te hergeven,

[p. 681]

maar zij maakten van deze gelegenheid tevens gebruik om enkele verdachte leden te laten uitvallen, bepaaldelijk Meetkerken, wiens provincie Vlaanderen niet langer tot de Unie gerekend werd, en die dus het radicaal miste om in de regering der generaliteit te zitten. Eveneens verwijderden zij de Burchgrave uit den raad, door te bepalen dat geen secretaris of andere beambte voortaan bij de beraadslagingen tegenwoordig mogt zijn. Het behoeft naauwelijks gezegd, dat het de invloed van Holland was, die deze besluiten door de Staten Generaal deed nemen. In den algemeenen nood namen alle gewesten hun toevlugt tot Holland; de magtigste provincie werd van zelf de invloedrijkste in de generaliteit.

De Staten Generaal begrepen dat het thans ook de tijd was den landvoogd ronduit te zeggen, wat zij van hem en van zijn bestuur dachten. Alle bewimpelingen moesten wegvallen. Nog onder den indruk der velerlei jobstijdingen, die van alle kanten inkwamen, stelden zij een brief op, zoo duidelijk, zoo krachtig van toon, dat Wilkes alle moeite deed om het afzenden er van te verhinderen, doch te vergeefs; de Staten van Holland en vooral Oldenbarnevelt dreven door, dat hij onveranderd en onverwijld werd verzonden.

Die brief, gedagteekend den 4den Februarij 1587, draagt het karakter der gevaarlijke omstaudigheden, waaronder hij geschreven is. Hij is niets minder dan eene acte van beschuldiging tegen den landvoogd, hoewel niet deze maar de achterraad, die hem misleid had, schijnbaar de schuld krijgt. Al de fouten zijner regering worden hem voorgehouden, in het bijzonder de treurige gevolgen der onwettige geheime acte, die de magt van den raad van state beperkt, en het onmogelijk gemaakt had het verraad van Stanley en York te voorkomen. Ten slotte wordt hem nog berigt, dat de Staten Generaal en de Staten der verschillende provinciën in het bijzonder zich verpligt hebben gezien, zulken voet aangaande het gouvernement te nemen en zulke orde op 's lands zaken te stellen als zij geoordeeld hebben te behooren. Er wordt niet opgegeven welke die verordeningen zijn, er wordt niet gevraagd of hij ze kan goedkeuren; het is als of hem die zaken niet meer aangaan, als of de gevaren van het oogenblik zijn wettig gezag geschorst hebben. - Wat Leicester niet minder ergerde dan de brief zelf, was de toezending van een afschrift aan de Koningin. De klagten tegen hem geuit werden bijna een aanklagt, nu men ze tot zijn mees-

[p. 682]

teres rigtte. Overigens werd de brief zorgvuldig geheim gehouden, zelfs voor de regeniten van de provinciën en steden, uit wier naam de Staten Generaal hem hadden geschreven. Men wilde den schijn vermijden van Leicester ook bij de gemeente aan te klagen, en tevens geene aanleiding geven om de Staten van oneerbiedigheid jegens den landvoogd en jegens de Koningin te beschuldigen.

De brief kon op geen ongelegener tijdstip komen dan waarop hij aan het Engelsche hof ontvangen werd. Een gezantschap, dat Leicester op den voet gevolgd was, onderhandelde juist uit naam der Staten met de Engelsche regering over een vernieuwde opdragt der souvereiniteit, waarvan Elizabeth niets hooren wilde, en over aanzienlijker bijstand in geld en troepen, waartoe de Koningin evenmin genegen scheen. De onderhandeling vlotte slecht. Elizabeth, buiten zich zelve door de teregtstelling van Maria Stuart (8 Februarij), waartoe zij eerst na hevigen tweestrijd haar toestemming had gegeven, en waarover zij misschien nu reeds wroeging gevoelde, was in een stemming om te twisten en te razen, en gaf den gezanten op hun billijk klagten en op hun overdrevene eischen niets dan onverdiende verwijten en harde woorden ten antwoord. Daar kwam de tijding van het verraad van Stanley en York en terstond daarop de brief der Staten aan Leicester. De woede, die de Koningin ten gevolge van zoo vele zoo snel opeenvolgende aandoeningen beving, keerde zich tegen de ondankbare, hoogmoedige Staten, die aan haar gunsteling, aan hare onderdanen de schuld durfden geven van de ongelukken, waarin zij grootendeels door eigen schuld vervallen waren. Nooit zou Leicester tot de Staten, die hem dus in zijne eer hadden getast, terugkeeren. Zij zou zich houden aan het tractaat, en de hulp, door haar toegezegd, blijven verleenen, maar niets meer. Sloot zij vrede met Spanje, dan zou zij, haar woord getrouw, voor Nederland zorgen als voor haar eigen rijk. Tot het voortzetten van den krijg wilde zij zich niet stellig verbinden. Een man van aanzien zou weldra aan de Staten haar verdere besluiten komen meêdeelen. Met die boodschap kregen de gezanten hun afscheid.

Men wist thans wat men voortaan van Engeland te wachten had. Al zekerder en zekerder werd men onderrigt, dat Elizabeth zich in een gevaarlijken vredehandel met Parma wikkelde, en het oog sloot voor het gevaar, dat haar rijk en de Nederlanden tevens

[p. 683]

uit Spanje bedreigde. Terwijl in de havens van Spanje en Portugal dag en nacht aan eene armade werd gewerkt, zoo als de Spaansche Koning er nog nooit een in zee had gezonden, geloofde Elizabeth nog steeds aan de mogelijkheid om een vrede te treffen, op voorwaarden, waarvan de Koning nooit, zelfs niet in den uitersten nood, had willen hooren. Wilde men niet met Engeland te gronde gaan, dan diende men de banden, die Nederland aan dat rijk verbonden, eer los te rukken dan naauwer toe te halen. Naar de terugkomst van den verbitterden Leicester kon men onder zulke omstandigheden waarlijk niet verlangen.

Intusschen duurde binnen 's lands de partijschap voort. Het gevaar, waarmeê het verraad van Stanley en York gedreigd had, had ook in Utrecht de gemoederen tot verzoening en toegefelijkheid gestemd, en de volkspartij, door van Deventer geleid, had met die stemming haar voordeel gedaan. Na verschillende vergeefsche pogingen gelukte het eindelijk den stadhouder, graaf van Nieuwenaar, tusschen de stad en de twee eerste standen een schikking te bemiddelen, die schijnbaar aan de geëligeerden en de ridderschap, maar inderdaad aan de stad en aan de volkspartij gewonnen spel gaf. De geëligeerden bleven als stand voorbestaan, en behielden hun politieke regten. Maar twee der wakkerste leden, daaronder ook de vertegenwoordiger van den stand bij de Staten Generaal, werden afgezet, en door twee andere, meer gezeggelijke, vervangen. Die wijziging van het personeel was voldoende om het geheele collegie van denkwijs, of althans van handelwijs, te doen veranderen. Voortaan stemmen meestal de geëligeerden met de steden, en beide te zamen overstemmen de ridderschap, waaruit allengs de meer ijverige leden weg blijven. Zoo was dus de geheele provincie tot de partij van Leicester overgehaald. Utrecht stemt voortaan in de vergadering der Staten Generaal in den geest der democraten. Een groote overwinning, waarvan de eer aan van Deventer toekomt, door wiens beleid deze zaak, die aanvankelijk ten nadeele zijner partij scheen af te loopen, ten slotte tot de meest gewenschte uitkomst gebragt werd.

Een verdere stap op den ingeslagen weg leidde tot een minder gunstig einde. Zoo als de stand de provincie, zoo trachtte thans de provincie de Staten Generaal te winnen en met haar geest te bezielen. Dit was niet wel mogelijk, zoo lang de vergadering der Staten te 's Gravenhage, in het hart van Holland, onder het oog der Staten van dat gewest en van zijn advokaat,

[p. 684]

gehouden werd. Geheel anders zou echter de kans staan, indien de vergadering naar Utrecht kon verplaatst worden. Op aanzetten van van Deventer riep de graaf van Niewenaar de Staten van Overijssel en Gelderland, waarover hij eveneens stadhouder was, naar Utrecht, tot een buitengewone zamenkomst met de Staten van het Sticht, op. Ook Holland, Zeeland en Friesland werden uitgenoodigd aan die bijeenkomst deel te nemen. Op deze wijs hoopte van Deventer een nieuw collegie van Staten Generaal te Utrecht te vestigen, dat in plaats van hem uit te sluiten, zijn leiding volgen zou. Maar Holland liet zich zoo gemakkelijk niet ten onder brengen. De raad van state, die na zijn zuivering meer dan vroeger onder den invloed der Hollandsche staatslieden stond, verklaarde zich stellig tegen zulk een ongewone, bijna onwettige bijeenroeping, die tot een scheuring der Unie dreigde te leiden. De Staten Generaal, waarin Holland en Zeeland, door Friesland ondersteund, den boventoon voerden, stemden daarmeê in. Van Deventer's plan had geen verdere gevolgen.

Hij moest het dus over een anderen boeg wenden. Kon men de Staten Generaal en die van Holland niet winnen, dan moest men ze van hun gezag berooven en onschadelijk maken. Men moest den volke verkondigen, dat de Staten zich ten onregte voor den souverein des lands uitgaven. Aan Leicester kon men zeker niet langer de souvereiniteit toekennen, sedert Elizabeth te verstaan had gegeven dat zij voor haar onderdaan zulke regten niet begeerde. Maar daarom behoefde men de Staten nog niet voor de heeren des lands te erkennen. Bij gebrek aan een wettigen vorst kwam de souvereiniteit niet aan de Staten toe, maar aan het volk, dat door de Staten slechts vertegenwoordigd werd. Sedert de afzwering van Philips was dus het volk van Nederland zelf souverein. Het kon over de landsheerlijke regten naar goedvinden beschikken, ze aan zich zelf voorbehouden of ze opdragen aan wien het wilde.

Merkwaardige theorie! Ook zij was niet door zuivere bespiegeling verkregen, maar tot regtvaardiging van hetgeen de volkspartij deed en voorhad, uitgedacht. Vergissen wij ons niet, dan is van Deventer een der eerste verkondigers van deze leer, zoo als hij een der eerste geweest was die haar bij voorbaat in praktijk hadden gebragt. In een brief van 22 Mei 1587 ontvouwde hij ze reeds voor Leicester, en later schreef hij tot haar verdediging een uitvoerig betoog. Wilkes, die namens

[p. 685]

Elizabeth in den raad van state zitting had, nam de nieuwe leer gereedelijk aan, en beriep er zich later op om het gezag van Leicester tegen de Staten te handhaven. Het stelsel beantwoordde ook zoo volkomen aan hetgeen de partij wilde en werkte, dat het terstond door allen omhelsd, en tot banier verheven werd, waaronder men tegen de Staten van Holland te veld trok.

Ook dezen moesten thans hun praktijk door een theorie regtvaardigen. Zij belastten François Franken, toen ter tijd nog pensionaris van Gouda, met de taak om de wettigheid der bestaande regering te betoogen. De deductie, die hij opstelde, en die door de Staten van Holland werd goedgekeurd en op hun naam uitgegeven, is overbekend. Zij is als het ware de grondslag van het oligarchische staatsregt der republiek geworden. Haar leer werd weldra door Hugo de Groot bekrachtigd en uitgewerkt, en door volgende geslachten als ontwijfelbaar aangenomen. Eerst in de vorige eeuw is het bewezen hoe onjuist de geheele bewijsvoering is. Zij tracht zich niet op afgetrokken beginsels van regt, maar op den historischen oorsprong van de magt der Staten te vestigen, doch in plaats van zich te bepalen tot den laatst verloopen tijd, tot het tijdvak van den opstand, klimt zij op tot ver in het grafelijk bewind, en poogt te bewijzen, dat sedert zeven of acht honderd jaren de souvereiniteit bij de Staten van Holland berust heeft, en door dezen slechts ter uitoefening aan de graven is overgedragen. Een zonderlinge ketterij voorwaar, en die in onze ooren onbegrijpelijk klinkt. Maar in zake van middeneeuwsch staatsregt zag men in dien tijd van overgang niet helder; het was ook slechts te doen om een reeds aangenomen stelsel te wettigen, niet om te ontdekken wat waarheid was. En sommige van onze hedendaagsche schrijvers, die de Staten hunne onwetendheid het envelst duiden, vervallen in niet minder vreemde dwalingen, wanneer zij van het Hollandsche graafschap en van zijn staatsregtelijken toestand gewagen. Om iemand te noemen, Motley zelf, die te regt het betoog der Staten niet historisch maar fabelachtig noemt, voegt er in éénen adem bij: ‘de eerste graaf, die eenig wettig en erkend gezag heeft gehad, is Dirk I, aan wien Karel de Eenvoudige het grondgebied van Holland, bij open brieven, in 922 verleende.’ Die zoo spreekt bezit ongeveer even veel kennis van de middeneeuwsche maatschappij als de schrijver van de deductie der Staten van Holland.

Nog eens, de theorie diende slechts tot regtvaardiging van

[p. 686]

de praktijk. Het was de vraag, wie van beide haar regt kon doen gelden, de conservatieve partij, die de gevestigde aristocratie wilde handhaven, of de revolutionaire, die een volksregering wenschte met een dictator aan haar hoofd. Niet van de deugdelijkheid der bewijzen, niet van de waarde der antecedenten hing in dezen strijd de overwinning af.

De stad Utrecht had vroeg in het voorjaar een bode naar het Engelsche hof gezonden, om den landvoogd en de Koningin van den stand van zaken kennis te geven, en de betuiging over te brengen van haar innige verkleefdheid aan de Engelsche regering. De bode kwam op het laatst van Maart terug met een schriftelijk antwoord van Elizabeth, waarin het gedrag der burgerij werd geprezen, en daarentegen de handelwijs der Staten jegens den landvoogd hevig gelaakt. De raad der stad liet den brief van de puije van het stadhuis aflezen, en met eenige andere missiven, die teregt of ten onregte gezegd werden uit Engeland ontvangen te zijn, drukken en overal, in alle provinciën, uitstrooijen. Ter zelfder tijd had hij een afschrift van den brief der Staten aan Leicester van 4 Februarij, die in zoo hooge mate de verontwaardiging van Elizabeth had opgewekt, in handen gekregen. Daarvan, begreep hij, liet zich uitnemend partij trekken om het volk tegen de Staten op te winden; hij verzuimde die gelegenheid niet; door zijn zorg werd ook deze brief in honderde afdrukken onder de gemeente verspreid. Men gaf voor dat het alleen aan zijn beleedigende strekking te wijten was, dat Leicester niet, zooals anders reeds was bepaald, met versche troepen en gereed geld terng zou komen, en dat de Koningin thans veeleer vrede met Spanje sluiten, en de ondankbare Nederlanden aan hun lot overlaten wilde. Om haar te verzoenen en tot betere gedachten te brengen moest die hatelijke brief, die door slechts weinige pensionarissen en kwalijk gezinde regenten eigenmagtig geschreven was, door het volk van Nederland uitdrukkelijk herroepen worden. De Staten der landprovinciën zouden zich daartoe wel laten overhalen. Van Holland en Zeeland was dit zeker niet te verwachten. Maar dan kon men de vroedschappen der verschillende steden van die provinciën bewerken, en door enkele althans den brief, die zonder haar voorweten opgesteld en verzonden was, doen afkeuren. Zoo zou men de weinige gedeputeerden, die de Statenvergadering van Holland uitmaakten, van hun natuurlijken steun berooven, en magteloos aan het misnoegen van de Engelsche regering overleveren.

[p. 687]

Aanvankelijk gelukte dit wel bedachte plan naar wensch. Gelderland en Overijssel wilden gaarne de ondersteuning van Engeland koopen voor het afkeuren van hetgeen buiten hen om gedaan was. Zij vereenigden zich met Utrecht in het desavoueren van den aanstootelijken brief. Friesland was moeijelijker te winnen. De groote meerderheid der regenten van dat gewest was op de hand der Staten van Holland, en een volkspartij, magtig genoeg om hun te weerstaan, bestond er niet. Doch daarom gaf de regering van Utrecht den moed nog niet op om ook Friesland over te halen tot haar partij. Het geregtshof, dat voorheen uitgebreide politieke regten had bezeten, die sinds den opstand op de Staten waren overgegaan, was misnoegd en weerbarstig, en zijn president Hessel Aysma liet zich door den sluwen van Deventer bepraten om, tot herwinning van den verloren invloed, zamen te spannen met de Utrechtsche democraten, met wie hij niets gemeens had dan den naijver op het gezag der Staten. Door middel van het hof en zijne aanhangers hoopte van Deventer ook Friesland tegen de zeeprovinciën in beweging te brengen. En Holland zelf was verre van eenstemmig. De meerderheid der ingezetenen toonde weinig sympathie voor de Staten. De predikanten waren bijna alle op de hand van den landvoogd, en achtten hem door de regenten verongelijkt. Zij waren gewoon hun meening onbewimpeld uit te spreken, en zij hadden een sterken invloed op de regtzinnige gemeente. Het scheen dus ligt mogelijk de Staten door de burgerij tot toegeven te noodzaken.

Maar die berekening faalde door de onverzettelijke standvastigheid van de Staten van Holland. Met krachtige hand onderdrukten zij de opkomende beweging, die hen dreigde omver te werpen. Zonder iemand te ontzien bragten zij allen ten onder, die zich tegen hen verhieven. In de aanzienlijksten stelden zij bij voorkeur een afschrikkend voorbeeld. Het gebeurde met den beroemden Doneau kan daarvan ten bewijs strekken. Deze uitstekende jurist was de roem van de jeugdige Universiteit van Leiden. Geene eer, die hem niet door de Curatoren en door de regering bewezen, geen voordeel, dat hem niet gegund was. Toen hij, twee jaren geleden, naar elders beroepen, geneigd scheen Leiden vaarwel te zeggen, hadden de Staten hem op de vleijendste wijs verzocht te willen blijven, en, om hem daartoe te eer te bewegen, goeden waarborg voor zijn salaris gegeven, om het even of hij onderwijs gaf of niet. Zij wisten

[p. 688]

en erkenden dat zijn vertrek een onherstelbaar verlies voor de opkomende Universiteit zou wezen. Maar Doneau was een streng en ijverig Calvinist; in den strijd tusschen Leicester en de Staten koos hij de partij van den landvoogd. Hij liet zich in dien geest heftig uit: hij werkte meê om de missive der Utrechtsche partij te Leiden uit te strooijen. Ten laatste klaagde hem Hohenlo, als luitenant van den stadhouder, bij de Curatoren aan. En zonder aarzelen namen dezen daarop hun besluit, en ontsloegen den hoogleeraar uit zijn betrekking ‘om redenen aan hen bekend.’ De Staten, tot wie Doneau zich wendde om dit besluit te niet te doen, weifelden een oogenblik: het scheen hard zulk een man om zulk een reden te verlaten. Doch zij eindigden met het vonnis der Curatoren te handhaven. Meer dan aan den roem der Universiteit was hun aan het gezag der wettige regering gelegen. In den uitstekenden geleerde wilden zij aan allen bewijzen, dat zij zich door niemand straffeloos lieten tegenwerken.

Het is niet moeijelijk te gissen wiens invloed en voorbeeld de Staten tot zoo stouten, bijna roekeloozen, moed aanvuurde. Oldenbarnevelt was de ziel hunner vergadering, de onverschrokken hand die hun besluiten ten uitvoer bragt. Waar zij een oogenblik weifelden en stil stonden ging hij alleen vooruit, en sleepte hen door zijn zelfvertrouwen mede. Toen Lord Buckhurst - de persoon van aanzien, op wiens overkomst Elizabeth de Hollandsche gezanten had voorbereid - een man van gematigden zin zoowel als van groote bekwaamheid, was aangekomen, en zich beijverde om de Staten met den landvoogd en de Koningin te verzoenen, betoonden de Staten van Holland zich genegen om meer toe te geven dan in den gevaarlijken staat des lands, nu Elizabeth in onderhandeling met den vijand getreden was, raadzaam scheen. Oogenblikkelijk verzette zich de advokaat met alle kracht tegen die gevaarlijke inschikkelijkheid. Drie dagen nadat Buckhurst zijn eerste vertoog ter bijlegging der geschillen bij de Staten van Holland had ingediend, en terwijl dezen, naar het schijnt, zich gunstig voor zijn voorstel gestemd toonden, verzocht Oldenbarnevelt zijn ontslag als landsadvokaat, en liet zich slechts overhalen om in dienst te blijven, op voorwaarde dat hij zich ontslagen mogt rekenen als er ‘getreden zou worden in eenigen handel van vrede, of tot het transporteren van den lande zonder conservatie van de Religie en van de privilegiën en geregtigheden van den lande.’

[p. 689]

Wij zouden gaarne van deze kortstondige crisis, van de beweegredenen die Oldenbarnevelt zijn ontslag deden vragen, en van de verzekeringen der Staten, die hem voorwaardelijk deden aanblijven, iets naders weten. Motley, die uit de correspondentie van Lord Buckhurst menige bijzonderheid zijner zending heeft meêgedeeld, schijnt omtrent dit punt niets gevonden te hebben; althans hij geeft ons niet de minste inlichting. Had Oldenbarnevelt reeds nu gegist dat Buckhurst, al zweeg hij voor als nog van den vredehandel met Spanje, inderdaad in last had de Staten daarop voor te bereiden? Had hij verder reden om te vreezen dat de Staten van Holland zich tot zulk eene onderhandeling zouden laten overhalen? De houding, door hem aangenomen, maakt het waarschijnlijk; maar bij gebrek aan bescheiden is de vraag niet volkomen uit te wijzen. Zeker is het, dat de Engelsche gezant de Staten voorloopig van niets sprak dan van de noodzakelijkheid om den landvoogd te bevredigen. En zoo veel althans werkte hij uit, dat de Staten in een brief aan de Koningin hun vroeger schrijven verklaarden en verzachtten, en uitdrukkelijk betuigden ‘het gezag van Leicester, zoo als het hem eens was opgedragen, geheel en onveranderd te willen houden, om door hem na zijn terugkomst uitgeoefend te worden.’ Daarmeê was wel de aanleiding tot nieuwe geschillen niet weggenomen, maar toch eenige voldoening aan het gekrenkte eergevoel van den landvoogd gegeven, en zijn terugkomst mogelijk gemaakt.

Hoe weinig die komst voor de schikking der geschillen en de regeling der binnenlandsche zaken gewenscht mogt zijn, voor het voeren van den krijg scheen de bijstand van Engeland onontbeerlijk. Om den vijand het hoofd te kunnen bieden moest men gedurende de zomermaanden het leger versterken, maar het daartoe noodige geld ontbrak, en was slechts gedeeltelijk door nieuwe contributiën te vinden. Men kwam minstens honderd vijftig duizend ponden te kort. Met de uiterste moeite hoopten de Staten twee derden dier som te kunnen opbrengen, en zij smeekten de Koningin het nog ontbrekende derde voor deze eene keer buitengewoon voor te schieten. Maar te vergeefs. Elizabeth wilde van geen nieuwe vermeerdering van uitgaven hooren. Hoewel Buckhurst, die den nood der Nederlanden van nabij leerde kennen, en de overige raadslieden der kroon het verzoek der Staten ondersteunden, Elizabeth weigerde stellig. Zij voldeed niet eens aan haar vroeger aan-

[p. 690]

gegane verpligtingen, en liet het Engelsche krijgsvolk in dienst der Staten onbetaald en van gebrek verloopen. Zoo slecht toegerust moesten de Nederlanden afwachten wat in het aangebroken voorjaar de vijand beginnen zou. Weldra kwam Parma in het veld, maakte looze aanstalten om Ostende te belegeren, en sloeg onverwachts het beleg voor Sluis.

Eerst door dezen aanslag werd Elizabeth uit de onverschilligheid gewekt, waarin zij ten opzigte van Nederland vervallen scheen. Gelukkig was de brief reeds ingekomen, waarin de Staten zich in verzoenenden en toegefelijken zin jegens den landvoogd verklaarden. De Koningin besloot nog eens haar gunsteling aan de benaauwde Nederlanden te hulp te zenden. In de eerste dagen van Junij kwam die goede tijding in het land, juist toen de Staten Generaal aan Maurits, met Hohenlo als zijn luitenant naast hem, het opperbevel van het leger gedurende de afwezigheid van den landvoogd hadden opgedragen.

Of de terugkomst van Leicester tot heil of tot schade van het land zou strekken, hing af van de verhouding waarin hij voortaan tot de Staten Generaal en in het bijzonder tot de Staten van Holland staan zou. In eendragt en zamenwerking met dezen kon hij veel goeds uitrigten; als hun vijand en tegenstrever was hij niet bij magte iets te doen dan tweedragt te wekken en den gang der zaken te belemmeren. Ongelukkig kwam hij met wrok en haat tegen de Staten, en met plannen van omwenteling en overheersching terug. De brieven, waarin hij aan zijn vrienden, aan van Deventer, aan Sonoy, aan de regering van Utrecht, zijne aanstaande overkomst berigtte, en die door dezen ruchtbaar gemaakt werden, droegen daarvan de onmiskenbare teekenen. Hij keerde terug, zeide hij, niettegenstaande de hem aangedane beleedigingen, alleen om aan de begeerte des volks en aan de uitgedrukte wenschen der predikanten te voldoen. Blijkbaar zou hij dus zijn steun niet bij de regenten maar bij de predikanten en de ijverige gereformeerden zoeken. Hij zou voortgaan op den noodlottigen weg, vroeger door hem ingeslagen, die tot oproer en omwenteling leiden, en op den ondergang van het land uitloopen zou.

Natuurlijk dat de Staten, door die onvoorzigtige brieven bij tijds gewaarschuwd, op nieuw de wapenen tegen hem aangordden, en alle plannen van inschikkelijkheid lieten varen. Er was hun door Buckhurst, uit naam der Koningin, een nadere verklaring van den brief van 4 Februarij gevraagd. Zij gaven die

[p. 691]

thans, maar in geheel anderen toon dan Buckhurst gehoopt had. In plaats van zich te verontschuldigen en beterschap te beloven, handhaafden zij in alle panten hun vroegere beschuldigingen, en door die breed uit een te zetten en met nieuwe bewijzen te staven maakten zij dezen nieuwen brief nog kwetsender voor het eergevoel van Leicester dan den vroegeren, die zooveel aanstoot gegeven had. Feller dan ooit was dus de tweestrijd op nieuw uitgebarsten. Het ongelukkige land zou er de gevolgen van ondervinden.

Het eerste gevolg was het verlies van Sluis. Dat die vesting wel te ontzetten zou geweest zijn, weten wij uit de getuigenis der belegeraars zoowel als der belegerden. Doch daartoe hadden de beide partijen, die den staat verdeelden, eendragtig en ijverig moeten zamenwerken. En aan zulke zamenwerking viel niet te denken. De Staten wisten thans van Buckhurst zelven, dat Elizabeth vrede met Spanje zocht. Zij wisten dat Leicester eene uitgebreide magt begeerde, die hem in staat zou stellen hen des noods tegen hun zin tot vrede te dwingen. Het kon niet anders of die groote zaak moest hun meer ter harte gaan dan het behoud van eene enkele stad. Leicester verweet hun later, dat zij zich om Sluis zoo weinig hadden bekreund als of de stad op St. Domingo of Hispaniole gelegen was. Wij kunnen niet beslissen in hoever de Staten en Maurits inderdaad te beschuldigen waren; maar zeker is het, dat niet minder dan Leicester de bezetting van Sluis en de bevolking van Zeeland hun de schuld der neerlaag gaven. De verbittering van het gemeen tegen de Staten nam door dit hun toegeschreven ongeval nog aanmerkelijk toe.

Ter zelfder tijd was aan den anderen kant het wantrouwen der Staten tegen den landvoogd en zijn talrijke aanhangers nog geklommen. Weinige dagen na de aankomst van Leicester in Zeeland kwam het den Staten van Holland ter ooren, dat een der secretarissen van den landvoogd, Junius, aan dezen en genen een brief van hem liet lezen, die gewigtig van inhoud en voor de Staten beleedigend van toon was. Zulke beleedigingen verdroegen zij niet langer. Zij drongen Junius hun den brief te toonen, en zij namen er copie van. De inhoud was inderdaad verontrustend. Leicester beval Junius de steden van Holland rond te reizen, en aan de welgezinde te verzekeren, dat de uitgestrooide geruchten van een vredehandel tusschen Engeland en Spanje alle valsch waren, en dat Buckhurst, die

[p. 692]

den Staten van vrede had gesproken, daartoe niet gelast was geweest, en alleen uit eigen beweging gehandeld had. - Dit beweren, in strijd met hetgeen de Staten wisten dat de waarheid was, moest hun achterdocht ten opzigte der bedoelingen van de Engelsche regering niet weinig versterken. Maar wat volgde gaf nog gegronder reden tot bezorgdheid. Junius moest aan hen ‘die last over de gemeente hadden’ (aan de predikanten namelijk en aan de volksleiders) te kennen geven, dat de landvoogd, overeenkomstig zijne instructie, zorgen zou alle magt in handen te krijgen, ‘die hij noodig had om te gebruiken de souvereiniteit dezer landen.’ Die woorden waren duidelijk genoeg; zij gaven de verklaring van sommige dubbelzinnige uitdrukkingen in de brieven der Koningin, onder andere van haar betuiging dat zij niet twijfelde ‘of men zon den landvoogd voortaan zijne autoriteit vrijelijk laten gebruiken.’ Welke autoriteit zij bedoelde, behoefde men thans wel niet meer te vragen.

Spoedig bekwamen de Staten nog stelliger berigt van wat hun te wachten stond. De agent van Holland aan het Engelsche hof, Ortel, was een ijverig dienaar der Staten en een behendig diplomaat. Uit eigen beweging lette hij op al wat er gaande was, en schreef hij alles over wat er voor de Nederlanden van belang aan het hof voorviel. Maar omstreeks dezen tijd hadden hem de Staten opzettelijk een vertrouwd persoon toegezonden, met den geheimen last om op alle wijzen uit te vorschen, wat er van den vredehandel met Spanje aan was, en wat er verder ten opzigte van Nederland werd voorgenomen. Zoo aangespoord was Ortel dubbel ijverig in de weer, en niet te vergeefs. Weinige weken later kon hij de geheime instructie overzenden, die Leicester van de regering der Koningin had meêgekregen, en waarop in den brief aan Junius gedoeld werd. Hoe het Ortel gelukt is dit belangrijke stuk meester te worden, weten wij niet; dat zijn afschrift, althans in de hoofdzaak, juist was, blijkt thans ten volle uit de vergelijking met de oorspronkelijke acte, door Motley aan den dag gebragt, en door den heer van Deventer (in zijn ‘Gedenkstukken van Oldenbarnevelt’) uitgegeven.

Tweeërlei werd in deze instructie aan Leicester voorgeschreven. Hij moest de hem eens opgedragen autoriteit onverminderd van de Staten terugvorderen, en verder hun voorhouden dat, daar de kosten van den oorlog hun vermogen schenen te

[p. 693]

boven te gaan, het sluiten van een eerlijken vrede, zoo als Parma uit naam van Philips hem aanbood, geraden was. Weigerden de Staten of de vereischte autoriteit te verleenen, of tot den vredehandel toe te treden, dan moest Leicester zich tot de gemeente, de onderzaten, wenden, ten einde door hun tusschenkomst de regenten tot rede te brengen.

Wij kunnen ons voorstellen hoe de Staten te moede waren, toen hun Oldenbarnevelt dit overgezonden stuk voorlegde. Zij wisten nu wat men met hen voorhad: wilden zij zich niet tot een verraderlijken vrede met den vijand verstaan, dan zou de bevolking, de onstaatkundige menigte, tegen hen worden opgeroepen. Niet minder dan tegen Parma en zijn krijgsbenden hadden zij tegen Leicester en zijn blinde volgelingen op hun hoede te zijn.

Er was echter eene omstandigheid, die hen bij het aangaan van den strijd tegen den Engelschen landvoogd bemoedigen moest. De beide leden van zijne instructie waren niet wel te vereenigen; het een maakte het ander onuitvoerlijk. Hij moest stennen op de ijverige Calvinisten, op het meest oorlogzuchtige deel der natie, en tevens den vrede met Spanje aanbevelen. Doch zoodra hij met die tweede boodschap te voorschijn kwam, verloor hij van zelf den steun der gemeente tegen de Staten, want de menigte hing hem slechts aan, omdat zij van hem een krachtiger voeren van den oorlog verwachtte dan van zijn tegenstanders. Van het oogenblik af, waarop het blijken zou dat hij vrede sluiten en de Staten den oorlog voortzetten wilden, zou de kerkelijke partij van hem tot zijn vijanden overloopen. Dat Leicester zelf dit onoverkomelijke bezwaar gevoelde, bleek uit zijn verzekering in den brief aan Junius, dat de geruchten van een vrede met Spanje valsch en de verklaringen van Buckhurst aan de Staten onjuist waren. Hij trachtte blijkbaar eerst door middel der opgeruide menigte de noodige magt van de Staten af te dwingen, en eerst daarna met voorslagen van vrede voor den dag te komen. Maar zou zijn meesteres zoo lang geduld oefenen en uitstel lijden? Dit was van haar heerschzuchtig karakter naauwlijks te verwachten. In alle geval bestond er een goede kans voor de Staten om het nog van den landvoogd te winnen, als zij het nemen van een besluit op zijn eerste voorstel konden verschuiven, totdat hij met zijn tweede boodschap te berde moest komen.

Intusschen was Sluis, den 5den Augustus, aan Parma overgegeven. Nog drie maanden schoten er van dit jaar voor den veld-

[p. 694]

togt over. Wat zou de vijand thans beginnen? De Staten konden niet vermoeden, wat inderdaad het geval was, dat hij niets meer ondernemen zou, maar zich geheel zou wijden aan de toebereidsels tot de voorgenomen landing in Engeland, in afwachting der groote armade, die in de Spaansche havens werd uitgerust. Men vreesde dat hij zonder verwijl zijn zegevierende troepen, van de pas gewonnen IJsselsteden uit, tegen Gelderland en Utrecht zou doen oprukken. Het was hoog noodig aanstalten van verdediging aan die zijde te maken. Het volk, dat reeds het verlies van Sluis aan de Staten van Holland te laste legde, zou niet lijdelijk hebben aangezien, dat hun wantrouwen nu weer Leicester verhinderde om de noodige maatregelen van voorzorg te nemen. Uit dien hoofde konden de Staten niet anders dan eenige voldoening aan Leicester geven, eenige woorden van verzoening spreken, die hen tot niets verpligtten, maar toch van hun goede gezindheid en hun verlangen naar eendragtig zamenwerken getuigden. Tien dagen na de overgaaf van Sluis vereenigden zich de Staten van Holland en Zeeland met die der overige provinciën te Middelburg, en verleenden aan Leicester eene acte van satisfactie, waarvan de optimisten hoopten dat zij den vrede met den landvoogd herstellen zou. Maar lezen wij de acte aandachtig, dan vinden wij daarin geen grond tot zulk een goede verwachting. De Staten verzoeken wel dat Leicester den toon van hun brief van 4 Februarij zal toeschrijven aan hun bezorgdheid voor het benarde vaderland; zij betuigen hem liefde en eerbied toe te dragen; zij beloven hem zijne autoriteit onverminderd te zullen laten, - maar weêrkeerig vertrouwen zij dat hij hun praerogativen ontzien, en in overleg met hen regeren zal. Zoo werd dus het geschil niet bijgelegd, niet opgegeven. De Staten bleven hun regten handhaven, de landvoogd bleef een ruimer gezag begeeren dan met die voorregten bestaanbaar was. Geen zoete woorden konden dezen tweestrijd wegnemen; weêrzijdsche toegefelijkheid was daartoe noodig, en die stemming ontbrak bij beide partijen.

Op het laatst van Augustus vertrok Leicester van Middelburg naar Dordrecht, dat van al de Hollandsche steden hem nog het meest genegen was. Daar zou hij nu eindelijk aan de Staten Generaal gaan voordragen wat hem de Koningin had bevolen; hij zou veel aanzienlijker bijdragen tot het voeren van den krijg van hen vorderen, en, zoo zij die op grond van hun

[p. 695]

onvermogen weigerden, hun de noodzakelijkheid voorhouden om vrede te sluiten. Maar de Staten Generaal kwamen niet opdagen. Denkelijk zochten de Staten van Holland in het bijzonder tijd te winnen, wel wetende dat Leicester door zijn meesteres eerlang gedwongen zou worden met de voorstellen van vrede voor den dag te komen. Dezelfde taktiek bleven zij volgen, toen hun de landvoogd kort daarop door Bardes, lid van den raad van state voor Holland, kategorisch liet afvragen, hoe veel geld en troepen hun provincie ter zijner beschikking wilde stellen tot voortzetting van den oorlog. Zij beloofden daarover spoedig te beraadslagen en te besluiten, maar intusschen verlangden zij in overleg met den landvoogd uit te maken, hoever het gezag van dezen zich uitstrekte, waar de regten des volks en de bevoegdheid der Staten het beperkten. Zij leverden een breede remonstrantie, daartoe strekkende, in. Uitvoerig vooral betoogden zij dat de landvoogd niet onmiddellijk, maar middellijk door de stadhouders, de kapiteinen en admiralen generaal, regeren moest: met andere woorden, dat hij in Holland en Zeeland alle zaken door tusschenkomst van Maurits moest uitvoeren. Leicester begreep de bedoeling dezer remonstrantie. In zijn, overigens gematigd antwoord, hield hij ten stelligste zijn regt vol om, zonder voorweten van den stadhouder, naar eigen goeddunken de garnizoenen binnen de steden van Holland te verleggen. - Wat hij daarmeê bedoelde zou weldra blijken.

Nog had hij niet van vrede gesproken, hoe dikwerf hem de Koningin had aangemaand niet langer daarmeê te dralen. Hij voorzag wat er gebeuren zou als eens dat gewigtige woord over zijn lippen gekomen was. Eerst als de Staten hem de sommen hadden geweigerd, die hij beweerde noodig te hebben om den krijg te voeren, kon hij, zonder zijn partij al te zeer te vertoornen, van de noodzakelijkheid om vrede te sluiten gaan spreken. De woede des volks was dan misschien van den landvoogd af te leiden op de Staten, wier onwil om het noodige geld toe te staan als de reden van zijn aanmaning tot vrede kon worden voorgesteld. Maar de omzigtigheid, waarmeê de Staten hun beslissing gedurig uitstelden, verijdelde die taktiek. De Koningin, ongeduldig geworden, gebood thans zoo nadrukkelijk haar boodschap over te brengen, dat Leicester niet langer durfde dralen. Een dag na het verzenden van zijn antwoord op de remonstrantie van Holland zond hij twee

[p. 696]

leden van den raad van state, Valcke en Menijn, naar den Haag, om mondeling het voorstel der Koningin aan de Staten meê te deelen, en te zien welken indruk die boodschap op hen maakte. Deze zending was een misschien onvermijdelijke maar zeker een geduchte misslag. De Staten verlangden niets liever dan de uitnoodiging om tot den vredehandel toe te treden te ontvangen, eer zij nog genoopt waren te antwoorden op de overige voorslagen. Er viel niet aan te twijfelen, of zij zouden onverwijld de grootst mogelijke ruchtbaarheid aan de zaak geven. Leicester zag dit zelf in, en juist om deze reden had hij zijn voorstel mondeling laten overbrengen; hij had er zoodoende een minder officieel karakter aan gegeven, en het voor de Staten moeijelijk gemaakt om er bij de gemeente hun voordeel meê te doen. Maar hoe kon hij dan zulk een boodschap aan een Hollandsch en aan een Zeeuwsch raadslid opdragen, die niet tot zijn vertrouwde aanhangers behoorden? Op verzoek der Staten gaven dezen de mondeling voorgedragen boodschap later in geschrift over, en nu zonden de Staten oogenblikkelijk afschriften er van naar de vroedschappen der stemhebbende steden. In weinige dagen wist het geheele land wat de Engelsche regering wilde. Nog langer te ontkennen dat de Koningin voorhad tot vrede met Spanje te nopen, ging nu niet aan. Het was onmogelijk de heeren van den raad van state te desavoueren, zoo als men vroeger Buckhurst had gedaan. Wel klaagde de landvoogd dat zij zijn boodschap niet goed hadden overgebragt, en dat de Staten haar tegen zijn wensch hadden ruchtbaar gemaakt. Doch te loochenen dat er van vredehandel sprake was, kon hij niet. Het deed verder meer kwaad dan goed dat zijn vrienden te Utrecht het verbreiden van alle vredesgeruchten als strafbaren laster verboden. Het bewees alleen dat het volk het sluiten van vrede met den vijand misdadig achtte. En, al wantrouwde de menigte de verzekeringen der Staten, zij begon toch ook te twijfelen aan de opregtheid van den landvoogd en aan de hulpvaardigheid van de Koningin.

Onder zulke ongunstige omstandigheden moest nu Leicester zijn beroep op het volk tegen de Staten beginnen. Juist nu de Staten zich ijveriger voor den oorlog toonden dan hij, moest hij de oorlogzuchtige menigte oproepen om tusschen beide te kiezen.

Twee dagen nadat Menijn en Valcke hun heillooze propositie aan de Staten overhandigd hadden begon de landvoogd zijn

[p. 697]

coup d'état voor te bereiden. Op patent, niet van Maurits, maar van Leicester zelven, rukten eenige compagniën, die in Sluis hadden gelegen, Holland binnen; tien vaandels bezetten Maassluis en Delfshaven, twee vaandels trokken naar Gouda, twee andere naar Schoonhoven. In de patenten stond geschreven, dat de bezetting duren zou, totdat de Staten zouden hebben geantwoord op hetgeen hun van wege den landvoogd was voorgesteld. Het plan was dus de Staten gewapenderhand tot toegeven te dwingen. De afgevaardigden der Staten, die bij Leicester tegen deze onwettige inlegering kwamen protesteren, werden ‘met grammen moede’ - zoo rapporteerden zij - aangehoord, en kregen ten antwoord, ‘dat Zijne Excellentie zich wel zou weten te adresseren aan de souvereiniteit dezer landen, waarvan de Staten niet meer dan de gedeputeerden waren.’

Den zelfden dag, waarop hij die bedreiging tegen de Staten uitsprak, diende de landvoogd bij de Staten Generaal, in wier vergadering natuurlijk de gedputeerden van Holland en Zeeland onthraken, eene uitvoerige remonstrantie in, die niets anders was dan een doorloopende aanklagt tegen de Staten van Holland. Hij verzekerde, dat hij den vrede slechts had aanbevolen, in geval de oorlog, bij gebrek aan middelen, niet langer kon worden gevoerd; hij verklaarde ten stelligste, dat de Koningin de Nederlanden niet zou verlaten, maar dat zij onder Nederland al de geünieerde gewesten verstond, niet maar een of twee provinciën, zoo als sommigen schenen te doen.

Deze remonstrantie, hoewel bij de Staten ingediend, was eigenlijk een manifest aan het geheele volk gerigt. In afdruk werd zij een paar dagen later aan de verschillende provinciën en steden en hooge collegiën, ook aan die van Holland, toegezonden. In de begeleidende brieven werden de stadsregenten uitgenoodigd om de remonstrantie ‘in communicatie te leggen zoo zulks behoort naar ouder gewoonte,’ - dat is te zeggen, er over te beraadslagen met de schutterijen en gilden - ten einde Hare Majesteit des te beter te berigten van hun aller meening en wenschen.

Dat was niet anders dan de burgerijen oproepen om de Staten in het ongelijk te stellen. Maar was Leicester zich bewust waartoe zulk eene oproeping leiden moest? Het kon hem niet onbekend wezen, dat de groote meerderheid der regenten tot

[p. 698]

zijn tegenpartij behoorde, en dat de burgerij zich niet tegen deze verklaren kon, zonder in openlijk verzet te komen tegen de bestaande regering. Wenschte hij overal, zoo als een jaar vroeger te Utrecht gebeurd was, en zoo als zijn vrienden weldra op eenige plaatsen van Holland beproefden, opstand te weeg te brengen en de regering te veranderen? Wij hebben reden om te gelooven, dat hij dit inderdaad bedoelde.

Den 11den September schreef Doucko Aysma aan zijn broeder Hessels, den president van het Hof van Friesland, dat hij nog eenige dagen, hoewel tegen zijn zin, te Dordrecht vertoeven zou, op verzoek van die van Utrecht en van Sonoy, die verzekerden dat de zaak op het hoogst was, en dat spoedig groote dingen gebeuren en een merkwaardige verandering plaats grijpen zou. De groote dingen, door deze vertrouwden van Leicester voorspeld, waren waarschijnlijk de arrestatie der voornaamste van de Staten van Holland en de verandering der regering in eenige steden. Zoo iets werd ook door de partij der Staten gevreesd. Een deputatie der hooge collegies van Holland, die den landvoogd tot matiging zocht te stemmen, en uitnoodigde om in persoon naar den Haag te komen, hoorde hem zoo hevig uitvaren tegen de Staten en in het bijzonder tegen den advokaat, dat zij dezen, bij haar terugkomst, waarschuwde. En Oldenbarnevelt sloeg haar raad niet in den wind. Nog den eigen nacht (tusschen den 11den en 12den September), weinige uren voor dat de landvoogd met een talrijk gevolg den Haag binnentrok, week hij achter de muren van Delft, en hij waagde zich vooreerst daar niet buiten. Ook Maurits hield zich voorloopig buiten het bereik van den landvoogd. Reeds vroeger had men vermoed, dat Leicester zich van de beide hoofden van Holland zocht meester te maken; thans geloofde men algemeen dat, zoo zij niet in tijds ontsnapt waren, het lot van Paulus Buys hun beschoren zou geweest zijn. Nu zij zich hadden weg gemaakt, schoot den teleurgestelden landvoogd niets over dan ijdel klagen over den vermetelen advokaat, die hem had durven beschuldigen van naar de souvereiniteit te staan en het land aan Spanje te verraden. Van de Staten kon hij wel geen troost of heil verwachten. Zij bleven hun voorganger getrouw, zij verleenden hem eene acte van indemniteit, en verlegden zelfs weldra hun vergadering naar Delft, waar hij in veiligheid hun werkzaamheden leiden kon.

[p. 699]

Ook in zijn afwezen hadden zij geheel in zijn geest gehandeld. Zoodra zij vernamen dat Leicester zich tot de steden afzonderlijk gewend had, besloten zij dat niet afzonderlijk door iedere stad, maar door de Staten gezamenlijk zou worden geantwoord, en dat daarover alleen in de vroedschappen, en dus niet met de schutterijen en gilden, beraadslaagd worden zou. Een paar steden, Dordrecht bij voorbeeld en Amsterdam, hielden zich niet aan die afspraak, en antwoordden den landvoogd op haar eigen naam. Doch de groote meerderheid bleef bij haar besluit. De vroedschappen hielden zich aan hare afgevaardigden in de Staten. De burgerijen bleven in rust. Het plan om in Holland eene omwenteling uit te lokken was blijkbaar mislukt. Leicester zag dat hij in den Haag niets meer kon uitrigten, en week naar Utrecht, het hoofdkwartier van zijn partij.

Van Utrecht uit waagde hij nog eene enkele poging om zijn aanhang in Holland op het kussen te brengen, maar, na het gebeurde, zonder eenige kans van te slagen. De eerste stad, waar hij het op gemunt had, was Amsterdam. De hoplieden der schutterij aldaar werden onder de welgezinden gerekend, en Leicester had zijn remonstrantie aan hen in het bijzonder gerigt. Ook had hun stad, in weêrwil van het besluit der Staten, afzonderlijk geantwoord. Meer dus dan in eenige andere stad van Holland scheen het mogelijk te Amsterdam iets uit te rigten. Op het onverwachtst hoorde de regering, den 2den October, dat de landvoogd haar met een bezoek dacht te vereeren, dat hij reeds in aantogt was. In allerijl nam zij de noodige voorzorgen, en verijdelde door haar waakzaamheid de plannen, die zij wel vermoedde dat tegen haar waren gesmeed. De bijzonderheden van dit bezoek zijn ons door Hooft schilderachtig beschreven; wij zullen ze, na hem, niet herhalen. Doch het verwondert ons, dat Motley in zijn uitvoerig verhaal, waarin zooveel onbelangrijke voorvallen een breede plaats innemen, van deze onderneming naauwelijks met een enkel woord gewaagt. De aanslag, al is hij mislukt, verdient onze bijzondere aandacht, omdat hij de bedoelingen van Leicester en zijn partij verraadt, en de strenge maatregelen door de Staten daartegen genomen, regtvaardigt.

Het zelfde geldt van de zamenzwering, kort daarop te Leiden ontdekt, waarin evenwel Leicester zelf niet van zoo nabij

[p. 700]

betrokken was. Leiden was vol van Vlaamsche en Brabantsche uitgewekenen, ijverige vrienden van den landvoogd, felle vijanden der libertijnsche stadsregering. Sedert Augustus vreesde men daar voor onraad en oproer. Er lag een vaandel knechten in bezetting, dat te Sluis het beleg had doorgestaan, en, dat het verlies van die vesting aan de onverschilligheid, zoo al niet aan het verraad der Staten van Holland toeschreef. Hier had men dus gewillige werktuigen voor eene omwenteling bij de hand. Lieden van allerlei afkomst en stand spanden er te zamen, beraamden een aanslag, en zonden een deputatie naar Utrecht tot den landvoogd, om diens goedkeuring op hun plan te verwerven. Welk antwoord zij ontvangen hebben blijkt niet met zekerheid, doch het moet niet afwijzend geweest zijn; althans de zaamgezworenen bleven bij hun opzet. Maar toen zij aan het werk zouden gaan, bemerkten zij dat er op de burgerij niet zoo vast te rekenen viel, als zij eerst hadden gedacht. Even als te Amsterdam was te Leiden de stemming des volks gewijzigd, sedert Leicester zich voor den vrede met Spanje had uitgelaten. De hoofden der zamenzwering besloten daarom met de uitvoering hunner plannen te wachten, tot Leicester zelf in de stad zou komen. Dit uitstel was noodlottig. Een toevallige gebeurtenis bragt inmiddels den voorgenomen aanslag aan het licht. Een der raddraaijers, zekere kapitein Cosmo de Pescarengis, die vroeger te Leiden een tafel van leening had gehouden, raakte om schulden in hechtenis. Dat bragt den schrik onder zijn medepligtigen, die zijn gevangenneming aan een geheel andere reden toeschreven. Een hunner, Andries Schot, een oud gediende van het beleg der stad van 1574, door Dousa in zijn Latijnsche Ode verheerlijkt, begon te vreezen voor de gevolgen eener onderneming, die hem buitendien maar half aanstond, en bragt de zamenzwering aan. De meeste belhamels ontvlugtten nog bij tijds, daaronder professor Saravia, die van de dagen der beeldstorming af de politiek met de leeraarspligten had gepaard, en tegen de libertijnsche regering der Staten, zoo als voorheen tegen de Spaansche dwingelandij had geijverd, en Adolf van Meetkerken, eens president van Vlaanderen, lid der Staten Generaal, lid van den raad van state, maar thans door de tegenpartij van Leicester als vreemdeling uit die hooge posten gestooten. Het was een geluk dat zij ontsnapten, want

[p. 701]

het waren geen dagen, waarin de overwonnenen op genade konden rekenen. Dat ondervond de overste van het vaandel, door wiens toedoen de regeringsverandering had moeten geschieden, Nicolaas de Maulde, die op de vlugt te Woerden achterhaald en gevat werd. Hij was de zoon van een der meest vertrouwde medehelpers van Prins Willem, die zich jegens de afgevallen gewesten en in het bijzonder jegens Holland, zeer verdienstelijk had gemaakt. Zijn beide broeders waren in dienst van het land gesneuveld. Hij zelf had zich bij de verdediging van Sluis loffelijk onderscheiden. Zijn deelneming aan den aanslag, die niet zonder medeweten van Leicester geschieden zou, was om verschillende redenen te verontschuldigen. Maurits en andere der gedeputeerde regters, die hem vonnisden, waren hem persoonlijk genegen. Toch werd hij ter dood gebragt. Het staatsbelang vorderde zijn dood. Hij moest ten voorbeeld strekken aan zoo veel andere heethoofden, die met plannen van geweld tegen de wettige regering omgingen. Aan hem, beter dan aan een aantal geringe en onbekende personen, konden allen zien wat zij waagden, als zij zich tegen de Staten en de regenten van Holland verzetten: zoo hij geen genade vond, wie zou dan gespaard worden? En inderdaad, de strengheid jegens dezen eenen heeft ten goede gewerkt, en velen van onbezonnen en strafbare voornemens afgebragt. Geen stad van Holland is verder beroerd. In Dordrecht, waar de landvoogd meer dan elders bij de regenten gezien was, en waar de gilden hun alouden invloed nog gedeeltelijk behouden hadden, trachtte van Deventer een request van vijandigen toon tegen de Staten in omloop te brengen, maar met geen ander gevolg dan dat de regering voor zich zelve begon te vreezen, en zich naauwer aan de Staten aansloot.

Het Noorderkwartier was naast Utrecht het bolwerk der partij van Leicester geweest. Sonoy was er zoo goed als stadhouder, alleen aan den landvoogd ondergeschikt. Daarheen wendde zich Leicester thans, nu Holland hem ontgaan was. Van daar wilde hij Friesland, waar zijn vrienden zich nog staande hielden, voor zijn partij verzekeren. Maar hij vond er een geheel ander onthaal dan hij gewacht had. Met uitzondering van Medemblik, dat door Sonoy bezet werd gehouden, verklaarden zich alle steden tegen hem. De Staten van Friesland verzochten, dat hij hun provincie thans niet zou bezoeken. Overal was zijn

[p. 702]

aanhang verloopen of moedeloos geworden. Hij moest wel inzien dat zijn tijd voorbij was.

Zelfs in Utrecht begon zijn tegenpartij weêr teekenen van leven te geven. De ridderschap klaagde op gedurig luider toon over de onwettige handelingen, sedert twee jaar binnen de stad geschied, en vorderde herstel. Zij riep daartoe den bijstand der Staten van Holland in. Zij vroeg regt van de Staten Generaal. De stadhouder, graaf van Nieuwenaar, trok meer en meer haar partij. De ingezetenen, ten laatste overtuigd dat vrede met Spanje wel degelijk in de bedoeling der Engelsche regering lag, waren niet meer als vroeger gezind om Leicester in alles blindelings te dienen. Allengs versmolt ook daar de eens zoo magtige partij. In het volgend jaar, nadat Leicester afstand van de regering had gedaan, herstelde er de stadhouder den ouden staat van zaken zonder bijstand van vreemden, zonder gewapende magt, alleen met behulp van een aanzienlijk deel der burgerij. Een duidelijk bewijs, dat zelfs in haar hoofdkwartier de partij haar zelfvertrouwen verloren had.

Niets heeft haar meer benadeeld dan de lust van Elizabeth tot vrede. Van Elizabeth, zeggen wij, want zeker was leicester, zoo stellig als iemand ter wereld, tegen den vrede met Spanje. Hij wist, dat een eerlijke vrede met Spanje voor het protestantsche Engeland, voor de protestantsche Nederlanden onmogelijk te treffen was. Ware hij zijn eigen meester geweest, hij zou alleen met de wapenen den vrede gezocht hebben. Hij steunde op de meest oorlogzuchtige partij in den Nederlandschen staat. En die partij - hij zou haar onregt hebben gedaan, zoo hij anders van haar verwacht had - dacht er zelfs niet aan om voor den vrede te ijveren uit partijschap. Zoo lang zij kon, ontkende zij dat de Engelsche regering het land weêr onder den Koning van Spanje wilde brengen. Toen het niet langer te ontkennen was, schaarde zij zich naast de Staten van Holland en Zeeland, en verklaarde zich tegen de onderhandeling, die tot zulk eene uitkomst leiden moest.

Den 11den October, terwijl de zamenzwering te Leiden aan den gang was, had eindelijk Killegrew, een der beide Engelsche leden van den raad van state, aan de Staten Generaal een brief van den landvoogd voorgelezen, waarin deze, uit naam der Koningin, hen uitnoodigde om deel te nemen aan den vredehandel met Spanje, en om met dit doel gecommitteerden aan Hare

[p. 703]

Majesteit af te vaardigen. Om zich te vrijwaren tegen alle uitvlugten en ontkenningen van den landvoogd, indien hij zag dat zijn voorstel door het volk kwalijk werd opgenomen, verklaarden de Staten over een zoo gewigtige zaak niet te kunnen handelen, wanneer hun het voorstel niet schriftelijk werd overgegeven. Het werd hun daarop weinige dagen later in geschrift toegezonden. Nu hadden zij eindelijk verkregen, wat zij zoo lang hadden begeerd. De vraag van vrede of oorlog kwam aan de orde van den dag. In alle steden hadden er de vroedschappen over te raadplegen. De gemeente vernam, wat zij van de zoo lang gevreesde, zoo lang ontkende onderhandeling van Engeland met Spanje gelooven moest. Zij hoorde het met bittere teleurstelling, met blijkbaren weêrzin. Zij verklaarde zich nagenoeg eenstemmig tegen elken vrede met den verraderlijken vijand. De predikanten, voorheen zoo uitbundig in den lof van den landvoogd en van zijn meesteres, zoo heftig in den blaam der weêrbarstige regenten, waarschuwden thans tegen den vrede, door den landvoogd aanbevolen en door de Staten ontraden. Weldra zonden zij een deputatie naar het Engelsche hof met hetzelfde doel, dat de Staten beoogden, om de Koningin af te brengen van den noodlottigen lust tot vrede.

Eer de Staten der verschillende provinciën gereed waren met hunne adviezen, verliepen twee volle maanden. Holland, Zeeland en Utrecht verklaarden zich eindelijk voor het zenden van een gezantschap naar Elizabeth, om haar op het gevaarlijke van een vrede met Spanje, onder welke schoonschijnende voorwaarden ook, bepaaldelijk voor Nederland opmerkzaam te maken. Overijssel en Gelderland daarentegen wilden zich schikken naar den raad der Koningin, en nevens haar aan den vredehandel deel nemen. Gelukkig dat Friesland zich, na eenige aarzeling, bij Holland voegde; de vier contribuerende provinciën overstemden de beide overige, en er werd besloten tot een bezending aan de Koningin en tot voortzetting van den krijg.

Kort voordat dit gewigtig besluit genomen werd, was Leicester naar Engeland teruggekeerd. Hij was als weggevlugt uit het land, dat hij twee jaren te voren met zoo goede bedoelingen, met zoo grootsche vooruitzigten, was ingekomen. Zijn hartstogt en zijn onverstand hadden die bedoelingen verijdeld en die verwachtingen teleurgesteld. Een ieder begreep dat

[p. 704]

hij voor goed vertrokken was. En niet velen, die naar zijn terugkomst verlangden. De goede dunk, dien de vromen vroeger van hem gehad hadden, was zeer gewijzigd, en met der tijd werd de afkeuring van zijn bestuur hoe langer hoe algemeener. Te vergeefs zoeken wij in de vele pamfletten, die in 1618 en '19 tegen Oldenbarnevelt zijn uitgekomen, een enkel woord van blaam over zijn verzet tegen Leicester, waarmeê zijn verzet tegen Maurits zoo veel punten van overeenkomst aanbiedt. Integendeel, in alle wordt meer of min uitdrukkelijk betuigd, dat zijn weêrstand aan den Engelschen landvoogd geboden, hem tot eer en aanbeveling verstrekte. Zelfs Trigland erkent, ‘hoewel met droefheid, nogtans omdat het de waarheid is, dat vele goede lieden, ook zelfs predikanten, door Leicester misleid zijn, die hier te lande niet veel goeds, ja veel meer wat kwaads heeft gedaan.’ Niemand die iets tot zijn verontschuldiging wist in te brengen. Eerst aan het eind der vorige eeuw, toen de leer van het goddelijk regt der overheid in tegenoverstelling met de leer der volkssouvereiniteit opkwam, begon, vreemd genoeg, de reactie ten voordeele van den landvoogd, in wien men de monarchale beginsels vertegenwoordigd achtte, hoewel hij zelf de souvereiniteit des volks verkondigd had. Naar ons oordeel is zoowel de overdreven lofspraak der hedendaagsche antirevolutionairen, als de onvoorwaardelijke veroordeeling onzer oude geschiedschrijvers, bezijden de waarheid. De waarheid ligt in het midden tusschen beide uitersten. De bedoelingen van Leicester waren zeker eerlijk en goed, maar zijn handelingen waren ondoelmatig. Met volle regt is hij door de Staten tegengewerkt; maar hij had zeker eveneens reden van te klagen over miskenning en ondankbaarheid.

De toestand, waarin hij den staat achterliet, was wanhopig. Verdeeld, verzwakt, mistroostig stonden de afvallige gewesten tegenover een bekwamen, magtigen en voorspoedigen vijand. Had de Spanjaard den vredehandel met Elisabeth ernstig gemeend, en den krijg tegen Nederland met onverdeelde krachten gevoerd, hij zou, naar menschelijke berekening, in weinige jaren de omderwerping van alle provinciën hebben voltooid. Maar de vredehandel was slechts geveinsd, een middel om Engeland in slaap te wiegen, terwijl de armade werd toegerust, een mom, dat Spanje afwierp, zoodra het slagvaardig was. In plaats van Engeland af te trekken van de Nederlanden, dacht Philips het

[p. 705]

met deze te gelijk met éénen slag te verpletteren. Maar de slag viel mis; op de inspanning, waarmeê hij was toegebragt, volgde een staat van uitputting. De loop der overwinningen van Parma werd gestuit. Weldra begon de oorlogskans te keeren: de opstand, tot in zijn uitersten schuilhoek teruggedrongen, kwam op nieuw in het veld, en dreef op zijn beurt de aanvallers gestadig terug en buiten zijn grenzen.

De aanslag der Spaansche armade op Engeland is dus ook voor onze geschiedenis een gebeurtenis van het hoogste belang, wel waardig met alle uitvoerigheid beschreven te worden. Nog nooit was hij zoo treffend geschilderd als thans in het werk van Motley. Naast de belegering van Antwerpen is de neêrlaag der armade zeker het schoonste dat ons de beide deelen, die wij aankondigen, te lezen geven. Een menigte brieven van ooggetuigen, uit de Engelsche archieven opgedolven, stelde den schrijver in staat velerlei kleine bijzonderheden in zijn tafereel op te nemen, die er den schijn van leven en werkelijkheid aan geven. Na de vermoeijenis, die het lezen der onduidelijk voorgestelde onderhandelingen van Leicester's tweede bewind ons gekost heeft, is het een verkwikking te staren op die prachtige, fijn geteekende en rijk gekleurde schilderij, die ons de armade eerst in al haar luister en magt, vervolgens in haar neêrlaag en ondergang voorstelt.

Met die schildering, dunkt ons, had Motley dit deel zijner geschiedenis moeten eindigen; want hier eindigt wezenlijk het tijdvak. De krijgsbedrijven der beide volgende jaren, de deelneming van Philips aan den Franschen burgeroorlog, de vestiging der Staten-regering behooren tot een nieuw tijdperk. Zij worden hier buitendien zonder opgewektheid, kort en als ter loops verhaald. Wij zullen ze thans niet ter sprake brengen.

 

Vatten wij ons oordeel te zamen, dan prijzen wij in het nieuwe werk van Motley, even als in het vorige, de beschrijving der groote, schilderachtige gebeurtenissen, maar wij laken de onevenredigheid der deelen, het veronachtzamen van hetgeen minder tot de verbeelding spreekt. Wij roemen den ijver, waarmeê een schat van nieuwe bouwstof is aangebragt, maar wij bejammeren het dat zij niet zorgvuldiger van alle nuttelooze bestanddeelen ontdaan, en niet juister met de reeds verwerkte stof tot

[p. 706]

een geheel is zamengesteld. Voor den vreemdeling, dien het niet zoozeer om den eigenlijken aard onzer staatsgeschiedenis te doen is, als wel om het verband, waarin de lotgevallen van Nederland tot die van Europa stonden, is Motley's werk uitnemend geschikt. Voor ons Nederlanders daarentegen, die onze geschiedenis in haar eigenaardigheid, in haar volle waarheid willen kennen, blijft ook na Motley's verhaal de geschiedenis van Leicester nog altijd te schrijven.

R. Fruin.