De Gids. Jaargang 29


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1865


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 402]

1705.

Een veldtogt uit den Spaanschen Successie-oorlog.

II.

(Vervolg en Slot van blz. 265.)

De krijgsverrigtingen in de Nederlanden zullen ons thans bezig houden, in verband met hetgeen gelijktijdig aan Moezel en Rhijn plaats had.

Gelijk we reeds zeiden, zou aan de Fransche zijde in de Nederlanden het bevel worden gevoerd door Villeroi; aan den Moezel door Villars; aan den Rhijn door Marsin. - Over Villeroi hebben we reeds vroeger gesproken; men weet, dat zijne aanvoering altijd meer kans gaf op nederlaag dan op overwinning. Toch heeft zijn geluk gewild, dat hij in de Nederlanden het er eenige jaren, ook in 1705, vrij wel heeft afgebragt; eerst het volgende jaar zou eene groote krijgsramp zijne onbekwaamheid weêr in het helderste daglicht stellen.

Marsin heeft in 1705 slechts eene ondergeschikte rol gespeeld; er behoeft hier dus weinig van hem gezegd te worden, en er valt ook weinig van hem te zeggen, zonder dat men hem juist onbekwaamheid kan ten laste leggen; hij had toch een groot gebrek als veldheer: hij was een ongeluksvogel; onder zijne aanvoering werd de nederlaag bij Hochstett geleden; onder zijne aanvoering werd het fransche leger bij Turijn geslagen, waar hij den dood vond. Men kan van Marsin niet zeggen, dat hij een slecht legerhoofd was; maar hij heeft nooit bewezen, dat hij een goed legerhoofd is geweest.

[p. 403]

Verreweg de uitstekendste van de drie was Villars; hij vereenigde aan eene meer dan gewone bekwaamheid eene stoutheid, die zich over niets verwonderde en zich door niets liet ontzetten. Hoe meer men de handelingen van dien merkwaardigen man bij dezen oorlog bestudeert, hoe meer men tot de overtuiging komt, dat hij toen het beste legerhoofd was, dat Lodewijk XIV aan zijne vijanden kon overstellen. De briefwisseling van Villars met den Koning en met Chamillart, den Minister van Oorlog, geeft een duidelijk begrip van zijn karakter: hij is een doorslepen hoveling en spaart de vleijende betuigingen niet; de zaken stelt hij op het gunstigst voor en onthoudt zich van zwarigheden maken en van klagen; tevens echter heeft hij un style sans façon, geen gemaaktheid, geen langdradige omhaal van woorden, maar regelregt op de zaak af, helder en duidelijk; bluf en eigen lof komt daarin zeer veel voor. Er is in Villars iets van een Gasconjer; bij hem denkt men ieder oogenblik, dat er een Cadédis of een Ventre-saint-gris zal komen; en hij ook zou in staat zijn, wanneer men hem sprak van een ravelijn (une demi-lune), dat hij veroverd had, met die personaadje uit Molière te antwoorden: ‘que voulez-vous dire avec votre demie-lune? c'était bien une lune toute entière.’ De nederigheid van een de Ruyter moet men bij Villars niet zoeken, maar hij behoort ook tot een volk dat van overdrijving en grootspraak houdt. Opmerkelijk is de goede verstandhouding, die gedurende den veldtogt van 1705 tusschen hem en Marlborough heeft bestaan; in een brief aan Chamillart van 13 Junij 1705 schrijft Villars: ‘M. de Marlborough m'a envoyé quantité de liqueurs d'Angleterre, de vin de Palme et de cidre; on ne peut recevoir plus d'honnêtetés. J'ai renchéri autant qu'il m'a été possible. Nous verrons comment les affaires sérieuses se passeront...’ Zulke beleefdheden tusschen vijandelijke aanvoerders komen bij de oorlogen van dien tijd meermalen voor; men behoeft ze dus niet toe te schrijven aan de later geblekene verstandhouding, waarin Marlborough, alreeds in den loop van den oorlog met Frankrijk stond.

Het voornemen der bondgenooten was, om in 1705, terwijl in de Nederlanden en aan den Rhijn de krijgsverrigtingen slepende werden gehouden en zij zich daar tot de verdediging zouden bepalen, Marlborough met een goed gedeelte der Engelsche en Nederlandsche strijdkrachten naar de Moezel te

[p. 404]

laten trekken, om, versterkt door een Duitsch leger onder Prins Lodewijk van Baden, daar aanvallend te handelen en aan die zijde Frankrijk binnen te dringen.

Geheel in het begin van Mei 1705 breken de troepen der bondgenooten uit Noord-Braband op en trekken naar de zijde van Maastricht; omstreeks de helft der maand gaan zij op verschillende punten op den regteroever der Maas over, trekken naar het land van Valkenberg en naar de zijde van Aken en zetten verder den marsch voort naar Trier en naar de Moezel. Marlborough zelf is daarbij en heeft 50,000 man onder zijne bevelen; ruim 30,000 man andere troepen blijven achter tot dekking van de Nederlanden; daarvan is eene kleine afdeeling, onder Sparre, in Staats-Vlaanderen; de hoofdmagt, onder Ouwerkerk, is bij Maastricht in eene verschanste stelling op den St. Pietersberg.

Toen Villeroi en de Keurvorst van Beijeren in het zekere onderrigt waren van den afmarsch van Marlborough naar de Moezel, oordeelden zij het oogenblik gekomen om gebruik te maken van de overmagt der fransche strijdkrachten, tot het doen van aanvallende handelingen in de Nederlanden. Zij besluiten allereerst het beleg voor Hoey te slaan, de kleine Maasvesting tusschen Namen en Luik, die in de eerste jaren van dezen oorlog zoo herhaaldelijk van de magt van de eene der oorlogvoerende partijen in die der andere is gekomen, dat zij haast den groven bijnaam zoude verdienen, tijdens den tachtigjarigen oorlog door de Spanjaarden aan de vesting Rijnberk gegeven. Het fransche leger, bij het riviertje de Mehaigne vereenigd, trekt in de laatste dagen van Mei naar Hoey en sluit die vesting in.

De Hollandsche Generaal Cronstrom voerde daar het bevel en had 4 bataillons bij zich; hij is - indien wij ons niet vergissen - de Cronstrom van 1747, die Bergen-op-Zoom verdedigde, of juister gezegd, die het niet verdedigde; men mogt dus toen Racine's woorden wel op hem toepassen:

 
‘Comment en un plomb vil l'or pur s'est-il changé!’

want de verdediging van Hoey, zij moge al niet buitengewoon of schitterend zijn geweest, kan evenwel goed genoemd worden. Aan de verdediging van de stad Hoey viel niet ernstig te denken, evenmin als bij vroegere belegeringen: zij werd reeds den 30sten Mei door de Hollanders ontruimd, die munitie en veel levensmiddelen naar het kasteel medenamen.

[p. 405]

Op den avond van den 30sten Mei openen de Franschen de loopgraven, en reeds den 1sten Junij beginnen hunne batterijen het vuur op het kasteel van Hoey of op de buitenwerken daartoe behoorende. Krachtig voortgezet, maar ook goed beantwoord, brengt dit geschutvuur vernieling te weeg en doet bressen ontstaan in de forten door de Hollanders verdedigd; er hebben verschillende bestormingen plaats, totdat eindelijk de bevelhebber van Hoey, de zekerheid hebbende, dat er geen ontzet of hulp te wachten was van Ouwerkerk's zwakker leger, in onderhandeling treedt met den vijand en den 13den Junij zijne vesting overgeeft. Neemt men in overweging, hoe toenmaals de meeste verdedigingen van vestingen waren, dan komt men tot het besluit, dat de verdediging van Hoey door de Hollanders in 1705 niet slecht is geweest.

Hoezeer Villeroi om dezen tijd last krijgt eene troepenmagt van omstreeks 10,000 man naar de Moezel af te zenden, om daar Villars te versterken, blijft de overmagt der Franschen in de Nederlanden nog groot genoeg om de aanvallende beweging voort te zetten en tot nieuwe belegeringen over te gaan. De citadel van Luik is nu het eerst blootgesteld; half Junij slaan de Fransche bataillons zich om die sterkte neêr, na de stad Luik zonder wederstand in bezit te hebben genomen. Villeroi doet over de Maas het belegeringsgeschut van Hoey komen en wil den 21sten Junij de loopgraven openen tegen het kasteel van Luik.

Zoo ver komt het echter niet, want nog op den 21sten Junij krijgt Villeroi berigt, dat de gevreesde Marlborough de Moezel weêr verlaat en met snelle marschen naar de Maas wil trekken. Dit berigt geeft nog geene stellige zekerheid; maar in afwachting van nadere opgaven, worden de loopgraven niet geopend en blijft het belegeringsgeschut nog aan boord der schepen. Het berigt van Marlborough's nadering bevestigt zich later en Villeroi ziet daarop af van elke aanvallende beweging. Het belegeringsgeschut wordt den 24sten Junij naar Hoey en Namen teruggezonden, en drie dagen daarna verlaat Villeroi Luik en trekt met zijn leger terug, eerst naar Tongeren en later tot bij de verschanste liniën, die bestemd waren om Zuid-Braband en Antwerpen te beschermen tegen de invallen van vijandelijke heirscharen.

Zoodanig waren de eerste krijgsbedrijven van 1705 in de Nederlanden. Alvorens te verhalen, welke oorlogshandelingen

[p. 406]

er in den verderen loop van dat jaar daar plaats hadden, is het noodig een blik te vestigen op wat bij de Moezel was voorgevallen.

 

De Moezel, zoo had men in Frankrijk vernomen, zou in 1705 de strijdplaats zijn voor de voornaamste magt der bondgenooten, die vandaar huns vijands land hoopten binnen te dringen; en Villars, die hier de legermagt van Lodewijk XIV aanvoerde, zou dus de zwaarste taak hebben. Den 10den Februarij kwam dat legerhoofd te Metz en hield zich gedurende die maand onledig met het verkennen van het oorlogstooneel en met het beramen van zijn verdedigingsplan. Men deed hem het voorstel om eene verschanste linie te laten aanleggen van de vesting Luxemburg tot aan de Moezel; Villars verwierp dat voorstel, omdat door die handeling de oorlog van de Fransche zijde het kenmerk van eene lijdelijke verdediging zou hebben verkregen en zoo iets in strijd is met het karakter der Fransche troepen, terwijl het er integendeel op aankwam om den geest dier troepen, terneêrgeslagen door de krijgsrampen van het vorige jaar, weêr op te wekken door eene stoute, bijna aanvallende houding. Villars gaf daarom de voorkeur aan het bezetten van eene verdedigende stelling op den regteroever der Moezel, nabij Sierck, een uur of drie ten noordoosten van Thionville. Daar zijnde, verdedigde hij de ruimte tusschen de Moezel en de Sarre, dekte Thionville en Sarre Louis en kon zelfs Luxemburg, werd het bedreigd, spoedig ter hulp komen. - In de tweede helft van April liet Villars, naar de zijde van Homburg en Tweebruggen, eene kleine aanvallende beweging verrigten, die wel is waar geen belangrijke uitkomst had, maar toch het voordeel opleverde van den geest der Fransche troepen op te wekken.

Maar weldra begonnen Marlborough's legerbenden naar de Moezel op te rukken, en op het einde van Mei was bij Trier eene legermagt van de bondgenooten vereenigd, die, door het vergrootende gerucht, op 110,000 man werd geschat, maar waarschijnlijk toch wel 80,000 man zal hebben bedragen; een Duitsch leger, onder Prins Lodewijk van Baden, zou zich bij die heirmagt van Marlborough aansluiten. Villars, hoezeer hij slechts 40 a 45,000 man aanvoerde, besluit toch te blijven

[p. 407]

stand houden. Een stout besluit, want hoezeer het Fransche leger versterkingen te wachten was van Villeroi uit de Nederlandenen van Marsin's leger aan den Rhijn, zoo kon vóór de komst dier versterkingen Villars door zijn overmagtigen vijand worden aangevallen en geslagen. Maar verschillende, meer of minder gewigtige hindernissen hebben Marlborough weêrhouden dien aanval te doen.

Als eene eerste hindernis wordt opgegeven de zeer ongunstige weêrsgesteldheid, die niet alleen nadeelig werkte op de gezondheid der troepen, maar ook weinig leeftogt deed vinden in de landstreek waar men was of waarheen men trok. Trouwens, Villars had hiertoe ook bijgedragen, door die landstreek zoo veel mogelijk te verwoesten. Het moet toen een koude en natte zomer zijn geweest; ‘het weder is zoo bijzonder koud,’ schrijft Marlborough den 12den Junij 1705 aan den Staatssecretaris Harley, ‘dat ik daaraan eenigermate de desertie onder onze troepen toeschrijf;’ hij verzoekt tevens Harley, wanneer die deserteurs in Engeland mogten komen, hen in de zeehavens, bij hun aan wal te komen, te vatten, ‘zonder daarover te veel beweging te maken’ (without making too much noise), ‘en hen naar het leger op te zenden, om daar eene voorbeeldige straf te ondergaan.’ In een brief aan de Staten-Generaal van den 15den Junij 1705, klaagt Marlborough evenzeer over ‘het ongunstige jaargetijde, dat zóó slecht is geweest, dat er bijna niets op het veld staat en haver en andere veldvruchten, die wij in overvloed hadden moeten vinden, bijna geheel vergaan zijn door de koude.’ In een brief aan Wratislaw, nog uit Trier van den 28sten Mei 1705, klaagt Marlborough reeds over gebrek aan levensmiddelen; en den 22sten Junij, toen men reeds weêr terugkeerde naar de Maas, schrijft het Britsch legerhoofd aan Pesters, een der gedeputeerden te velde: ‘het was ons onmogelijk nog zes dagen langer te blijven in dien toestand, wilden wij niet het dreigendste gevaar loopen, de troepen van honger te zien sterven, door het gemis aan ondersteuning van de zijde onzer vrienden.’

Dit gebrek aan leeftogt schijnt werkelijk bestaan te hebben. In hoever was het echter te wijten aan den aanvoerder zelf, die te weinig gezorgd had voor het aanleggen van genoegzame magazijnen, of die te traag voortrukte, daardoor te lang in dezelfde landstreek bleef en dus de hulpmiddelen dier landstreek te veel uitputte?

[p. 408]

Als een tweede hindernis wordt vermeld het gemis aan trekpaarden en aan vervoermiddelen. Den 19den Mei 1705 had Marlborough uit Coblentz geschreven aan den Keurvorst van Maintz en gemeld, dat hij 3000 paarden noodig had; ‘drie vijfden van die paarden moeten aangespannen zijn voor goede wagens, aan alle zijden van schotten en planken voorzien, en de twee andere vijfden moeten alleen voorzien zijn van tuigen, om het geschut voort te trekken.’ Die 3000 paarden moeten geleverd worden door Maintz, Trier, Keulen, de Paltz en door ‘de staten en graafschappen tusschen den Rhijn, de Moezel en de Saar.’ - Marlborough zeide dus zeer duidelijk, hoe hij het hebben wilde. Maar het schijnt dat aan die aanvraag om trekpaarden en voertuigen weinig of geen gevolg werd gegeven. Ten minste in een brief van 7 Junij 1705, aan ‘Monsieur d'Almelo’ (Rechteren?), schrijft Marlborough: ‘de moeijelijkheden, die zich opdoen voor de artilleriepaarden, geven mij de grootste zorg’; evenzoo, in den reeds aangehaalden brief aan de Staten-Generaal van den 15den Junij, gewaagt de Britsche veldheer van ‘het gemis van paarden en wagens voor het vervoer van het zware geschut’; en in brieven aan de Keurvorsten van Maintz en van Trier en aan andere Duitsche vorsten worden die klagten herhaald, zoodat denkelijk die gevraagde 3000 paarden bij de Duitschers op stal gebleven en niet in Marlborough's leger gekomen zijn.

Had men die voertuigen en die 3000 trekpaarden zoo volstrekt noodig, waarom dan vooraf zich niet verzekerd, dat zij tijdig geleverd zouden worden? En indien men die paarden noodig had, dan was het alleen voor het doen van belegeringen; het geschut, dat bij het leger behoorde, het veldgeschut, zoo als wij het nu zouden noemen, heeft altijd meêgevoerd kunnen worden. Bij gevolg, indien men al door het gemis van die paarden geen belegering konde doen, men had toch een veldslag kunnen leveren.

Maar de derde en grootste hindernis, die Marlborough bij zijne operatiën aan de Moezel ondervond, was het gemis van de hem toezegde medewerking van het keizerlijke leger onder Prins Lodewijk van Baden. Die Duitsche veldheer, die zich vroeger roemrijk had onderscheiden, gedroeg zich bij dit gedeelte van den oorlog op een zeer dubbelzinnige wijze; of dit nu geweest is uit naijver jegens Marlborough, of dat de Prins van Baden toen in verstanding heeft gestaan met Lodewijk XIV,

[p. 409]

is twijfelachtig; maar zooveel is zeker, dat zijne aanvoering de bondgenooten toen meer kwaad dan goed deed, en dat de meening zijner tijdgenooten ten zijnen aanzien zeer ongunstig is geweest. ‘Kortom’, zegt de Vrijer, ‘het aanzien van Lodewijk van Baden zonk bij dezen veldtogt zoo laag, dat niemand van dezen Prins iets groots meer verwachtte, zoodat hij in 't naaste jaar zonder veel droefheid ten grave daalde.’ - Daar zijn vleijender lijkredenen gehouden!

Marlborough's brieven van dit tijdvak kenmerken zich ten aanzien van Prins Lodewijk van Baden door eene groote mate van zelfbeheerschiug. De hooge stand van dien ambtgenoot schijnt den Britschen veldheer - volmaakt hoveling als hij was - weêrhouden te hebben om zijne meening geheel uit te spreken. Toch blinkt die meening herhaaldelijk door in verschillende plaatsen uit die briefwisseling, die wij hier kortelijk zullen aanhalen.

Marlborough was den 21sten Mei naar Rastadt gegaan, om daar eene zamenkomst te hebben met den Prins van Baden, die ziek was, of zich ziek hield. Cardonnel, de geheimschrijver van den Engelschen velheer, meldt den 22sten Mei uit Rastatt, aan zekeren Master Lewis: .....‘Mylord-Hertog heeft zooveel gedaan als het onder de bestaande omstandigheden met Prins Lodewijk mogelijk was. Hij belooft over twee of drie dagen naar de Moezel te trekken, met al de magt die hij verzamelen kan, hoezeer niet de helft van wat Mylord verwachtte. Hij belooft evenzeer om zijn uiterste best te doen, dat het overige zoodra mogelijk volge. Maar al die Duitsche troepen, of ten minste het meerendeel, zijn in een ellendigen toestand, zonder magazijnen, en worden, bij gebrek aan geld, slecht of in het geheel niet aangevuld. De nieuwe manschappen voor 's Keizers eigene troepen, die hij zelf aanvult uit zijne erfstaten, worden naar Hongarije of naar Italië gezonden, hoezeer de corpsen, waartoe zij behooren, hier zijn; zoodat van de regimenten van het keizerlijke voetvolk, die uit 2500 man ieder moeten bestaan, het sterkste, het regiment van Prins Lodewijk, er geen 1500 telt, en van de andere regimenten zijn er weinig of geen die 1000 man sterk zijn, en toch meestal komen zij bij alle opgaven als geheel voltallig voor....’

Bij die zamenkomst te Rastatt werd er den 22sten Mei 1705 een soort van schriftelijke overeenkomst tusschen de beide legerhoofden gesloten, waarin voorkomt, dat ‘gezegde Markgraaf van Baden heeft beloofd, zich met eene afdeeling van 20 ba-

[p. 410]

taillons en 40 eskadrons, te voegen bij den Hertog van Marlborough te Trier. Maar daar aan gezegde troepen nog ontbreekt het regiment van Zollern en verscheiden andere, heeft men gemeend daarom toch geen tijd te moeten verliezen; ten dien einde heeft gezegde Markgraaf zich verbonden zoodra mogelijk op te rukken, ten allerlaatste over vijf dagen, met 12 of 13 bataillons en 28 eskadrons, latende het overige met den meest mogelijken spoed volgen.’

Van dat spoedig oprukken kwam echter niets; het leger van den Prins van Baden kwam niet opdagen. Den 7den Junij 1705, in het gezigt van het leger van Villars, schrijft Marlborough aan Monsieur d'Almelo: ‘Gij zijt genoeg bekend met de dringende aansporingen, die ik herhaaldelijk bij den Prins van Baden heb aangewend, om den marsch van zijne troepen te verhaasten. Toch ziet gij, door het hierbij gevoegde afschrift van een brief, dien hij mij schrijft zonder dagteekening, en die mij gisteren over Trier is toegezonden, dat ik volstrekt geen staat kan maken op hunne komst, en dat te minder omdat hij wil dat zij een omweg maken van 20 uur, over Creutznach, vanwaar de Graaf van Home, die de Wurtembergsche troepen aanvoert, mij berigt, dat hij bevel heeft daar met zijne troepen te blijven, tot aan de komst der troepen van den Prins van Baden....’

Voor het overige is Marlborough in zijne brieven spaarzaam met verwijtingen ten aanzien van den Prins van Baden. In een brief aan Prins Eugenius van den 21sten Junij 1705 en handelende over den veldtogt aan de Moezel, wordt de Prins van Baden zelfs niet eens genoemd, maar bepaalt Marlborough zich daartoe met in het algemeen te zeggen: .....‘Wanneer men mij ondersteund had, dan zouden wij een der glorierijkste veldtogten gehad hebben, die men maar wenschen kan.’ Alleen in een lateren brief aan Geldermalsem, uit de legerplaats bij Thienen, den 7den September 1705, is Marlborough meer open: .......‘Ik ben u ook zeer verpligt voor de mededeeling, door u mij gedaan, van den brief van een generaal van Zijner Hoogheids’ (de Prins van Baden) ‘leger, die nog al bijzonder is. Zij bevestigt mij daarin, dat er van dien kant niets te verwachten is, tenzij de Prins op ernstige wijze worde aangedreven om iets te doen. Dat doet mij zooveel te meer wenschen, dat gij daar onverwijld naar toe wildet gaan om hem aan te sporen. Ik ben zeker, dat dit eene goede uitwerking

[p. 411]

zou hebben; en hoewel ik overtuigd ben, dat uwe aanwezigheid hier zeer nuttig zoude zijn, komt het mij voor, dat gij toch dáár het meeste noodig zijt. Naar de beschrijving, die ik u reeds gedaan heb van het karakter van dien Prins, zult gij vinden, dat hij persoonlijke dapperheid heeft; maar indien hij niet wordt aangespoord, en zelfs nadrukkelijk, dan zal hij nooit iets doen.’

Die aanhalingen zijn noodig geweest, omdat zij licht verspreiden over het gedrag van Prins Lodewijk van Baden bij dit gedeelte van den oorlog. Dat gedrag is onverantwoordelijk geweest, en hoofdzakelijk daarop kan Marlborough zich beroepen om de slechte uitkomst der operatiën van 1705 aan de Moezel te verontschuldigen. De beide andere verontschuldigingen - het gebrek aan leeftogt en het gemis aan vervoermiddelen - zijn minder afdoende; men had voor beide zaken tijdig kunnen zorgen; het gebrek aan leeftogt ontstond voor een goed gedeelte uit het langzame der krijgsvoering; het gemis van vervoermiddelen was geen beletsel om slag te leveren.

 

Toen Marlborough met zijn leger een aantal dagen werkeloos in de omstreken van Trier had doorgebragt en eindelijk begon te wanhopen aan de komst van de heirmagt des Prinsen van Baden, besloot hij alleen tot den aanval op de magt van Villars over te gaan. Een goed besluit, ware het goed uitgevoerd geworden!

 

Den 3den Junij, 's ochtends zeer vroeg, breken de Engelschen, Hollanders, Deenen, Lunenburgers en Hessen, die Marlborough's leger uitmaken, uit de omstreken van Trier op, en den ganschen dag den marsch in zuidelijke rigting voortzettende, komen zij tegen den avond op een kwartier uurs afstands van Sierck. Op de nadering des vijands gaat het leger van Villars eenigzins terug; niet ver echter; het neemt stelling voorwaarts van Königsmachern, op een uur ten zuiden van Sierck, links geleund aan de Moezel, regts aan een groot bosch; achter het front had het Königsmachern en vóór zich enge wegen. In die stelling wachtte het den vijand af.

Bij dien marsch van den 3den Junij hadden de bondgenooten 8 uren gaans afgelegd; het was bij het einde van dien marsch te laat om nog een kamp op te slaan, en de troepen bragten den nacht door, op den grond liggende, bij hunne wapenen. Den 3den Junij had er dus geen aanval plaats; den 4den betrok

[p. 412]

men een kamp en wachtte de komst der artillerie af; overigens deed men niets. Maar ook de volgende dagen deed men niets; men bleef werkeloos liggen tegenover het leger van Villars. Waartoe diende dan die opmarsch der bondgenooten? Den vijand te gemoet rukken en hem niet aanvallen, dat heeft wel wat van de handeling van hem, die een loop neemt om over eene sloot te springen, maar die aan den rand der sloot blijft stilstaan. Het is eene handeling, die weifeling en gebrek aan zelfvertrouwen verraadt.

Villars daarentegen betoonde eene stoutheid, die te regt geprezen moet worden. Met eene heirmagt, die naar zijne schatting 25 à 30,000 man minder sterk was dan die des vijands, waagde hij het, tegenover den overwinnaar van Hochstett stand te blijven houden en een veldslag niet te ontwijken. 't Is waar, Villars wist dat er versterkingen voor hem in aantogt waren; maar eer die de Moezel konden bereiken, kon Marlborough hem reeds slag leveren. Verscheidene der onderbevelhebbers van Villars drongen er bij hun veldheer dan ook op aan, dat deze terug zoude trekken; maar Villars weigerde dit standvastig. De stelling, die hij bezette, beschermde Thionville en Sarre Louis, en had, wat meer zegt, het groote voordeel, aan het Fransche leger eene aanvallende houding te geven, die de bondgenooten ontzag inboezemde en die het zelfvertrouwen der Franschen meer deed herleven. Villars beijverde zich om zijne van natuur reeds sterke stelling nog te verbeteren door het opwerpen van veldverschansingen.

Tegenover de stelling van het Fransche leger blijft Marlborough nu werkeloos staan, en zoo weinig denkt hij aan den aanval, dat hij met zorg een aantal waadbare plaatsen in de Moezel in den rug zijner stelling, bezet, als vreesde hij daar door den vijand te worden aangerand. Villars was evenwel te verstandig om tot een aanval over te gaan; alles bepaalde zich aan weêrszijden tot verkenningen en onbeduidende schermutselingen, en zoo bleven de beide legers dagen en dagen werkeloos tegenover elkander staan, terwijl het ongeduldige Europa een beslissenden veldslag verbeidde.

Het is duidelijk, dat die werkeloosheid geheel en al in het voordeel was van Villars, geheel en al in het nadeel van zijn tegenstander; maar Marlborough zag geen goed middel om aan die werkeloosheid een einde te maken. Slag leveren achtte hij te gewaagd, bij de sterkte van de stelling der Franschen en bij

[p. 413]

het afwezig blijven van het leger van den Prins van Baden; Sarre Louis belegeren was ondoenlijk, zoo lang men Villars niet had teruggeslagen; zelf teruggaan was de handeling, die men nog de beste oordeelde; maar men hoopte, dat zich eene aanleiding zou opdoen, om die handeling, zoo niet te regtvaardigen, dan toch ten minste te verontschuldigen en de eer des veldheers dus eenigzins te redden. Die aanleiding deed zich voor, toen er bij Marlborough een brief inkwam van de Gedeputeerden te velde bij Onwerkerk's leger, waarin zij de vermeestering van Hoey berigtten en om versterking vroegen; den 15den Junij ontving Marlborough een brief van de Staten-Generaal, waarin deze hem in bedenking gaven, of het niet beter was de groote massa van de strijdkrachten der bondgenooten van de Moezel weêr naar de Nederlanden over te brengen.

Marlborough trekt dadelijk partij van die brieven, om met eer uit den valschen toestand te geraken, waarin hij zich bevindt; hij roept een krijgsraad bijeen, en weet zonder veel moeite daar het besluit te doen nemen, om het leger aan de Moezel te ontbinden en gedeeltelijk naar den Rhijn, gedeeltelijk naar de Nederlanden te doen terugkeeren. Dat besluit grondt zich voornamelijk op de onmogelijkheid om, bij het gebrek aan levensmiddelen, bij het gemis aan vervoermiddelen en bij het afwezig blijven van Prins Lodewijk van Baden met zijn leger, iets tegen Villars te kunnen ondernemen; het grondt zich ook op de noodzakelijkheid om in de Nederlanden paal en perk te stellen aan Villeroi's voortgang. - Bij dit alles wordt er gesproken en geredeneerd, alsof men maar tijdelijk de Moezel wil verlaten en alsof men voornemens is om over zes weken de operatiën aan dien stroom te hervatten. Dit wordt door Marlborough uitdrukkelijk gezegd, zoowel in een brief aan de Staten-Generaal van den 15den Junij, als in een brief van den volgenden dag aan den Keurvorst van Maintz, en in brieven aan andere Duitsche vorsten. Het is echter wel waarschijnlijk, dat de Engelsche veldheer er niet ernstig aan gedacht heeft om zoo spoedig de operatiën aan de Moezel te hervatten.

Opmerkelijk ook is het, met welk eene behendigheid Marlborough aan de Staten-Generaal het verlaten van de Moezel wil wijten. Aan de Staten zelve - in zijn reeds aangehaalden brief van den 15den Junij - schrijft hij, dat die Staten ‘schijnen te wenschen’, dat zijn leger naar de Maas terugkeert;

[p. 414]

die uitdrukking zal denkelijk dan ook wel het uiterste geweest zijn van wat dienaangaande in den brief der Staten aan Marlborough voorkomt. Maar in Marlborough's brieven aan verschillende Duitsche vorsten, aan den Keizer, den Keurvorst van Trier, den Landgraaf van Hessen en anderen, klinkt het reeds geheel anders: daarin wordt gezegd, dat de marsch van zijn leger naar de Maas geweten moet worden ‘aan het dringend aanhouden der Heeren Staten’ (pressantes instances de M.M. les Etats); - het is al veel, dat Marlborough niet spreekt van een bevel tot dien terugmarsch naar de Maas!

Terwijl Villars in gespannen verwachting elken dag den vijand ten aanval meent te zien opdagen, ontdekt hij in den ochtend van den 17den Junij, tot zijne groote verbazing, dat die vijand is teruggegaan en van den strijd heeft afgezien. Reeds om 1 uur 's nachts was Marlborough's leger opgebroken en had den terugmarsch naar Trier aangenomen; 20 eskadrons ruiterij dekten dien terugtogt, die niet verontrust werd door Villars, maar bemoeijelijkt door een aanhoudenden regen; de troepen der bondgenooten werden daardoor en door de langdurigheid van den marsch zeer vermoeid, konden eerst laat hun legerkamp betrekken en moesten den 18den rustdag houden. Den 19den Junij vangt de terugmarsch naar de Nederlanden aan.

‘Dus was,’ zegt Devault, ‘de buitengewone ontknooping van eene onderneming, sedert meer dan zes maanden beraamd door alle mogendheden, die Frankrijk vijandig waren, en beproefd door een van Europa's beroemdste veldheeren; eene onderneming, door wier welslagen die mogendheden en hun veldheer hoopten de verovering tot stand te brengen van eene der belangrijkste frontieren des koningrijks.’ - Het is niet ten onregte, dat de Fransche schrijvers hier een eenigzins hoogen toon aannemen; want die veldtogt van 1705 aan de Moezel is voor de Fransche wapenen even roemrijk geweest, als teleurstellend voor de verwachtingen der bondgenooten. Die uitkomst is te wijten aan de stoutheid en groote bekwaamheden van Villars; misschien aan Marlborough's mindere veêrkracht, daar hij zelfs bij de weinige ondersteuning, die hij ondervond, toch sneller had kunnen voortrukken en krachtiger had kunnen doortasten; maar hoofdzakelijk is die uitkomst te wijten aan Prins Lodewijk van Baden en aan de traagheid en onwil, bijna aan verraad grenzende, waardoor die Duitsche vorst Marlborough zonder eenigen steun liet.

[p. 415]

De verdere krijgsverrigtingen bij de Moezel, in 1705, waren van minder gewigt en kunnen hier onvermeld blijven. Evenzoo valt er weinig te zeggen van de operatiën, die dat jaar nabij den Rhijn plaats hadden. De Generaal Thungen verving daar later Prins Lodewijk van Baden in het opperbevel; de Duitsche Generaal had, over het geheel genomen, daar het voordeel aan zijne zijde: hij sloeg den aanval af op zijn verschanst kamp van Lauterburg ondernomen en bemagtigde later de vestingen Drusenheim en Hagenau. Beslissend waren die voordeelen echter in geenen deele, en de veldtogt van 1705 aan den Rhijn bleef van ondergeschikt belang. Het was naar de Nederlanden, dat de groote massa's der wederzijdsche partijen zamentrokken; het was daar, dat men de gewigtigste uitkomsten meende te verkrijgen.

 

Marlborough, met spoed zijne krijgsbenden naar de Nederlanden voortdrijvende, om daardoor de Luiksche citadel te beschermen tegen 's vijands aanslagen, bereikte de Maas bij Visé, tusschen Luik en Maastricht, trok in den nacht van 1-2 Julij die rivier over en rukte den 2den Julij naar This en Haneffe vooruit, nabij de Jeker, om Villeroi's leger op te zoeken en slag te leveren. Ouwerkerk, met zijne krijgsmagt van Maastricht opgerukt, sloot zich aan bij het leger van den Engelschen veldheer, en beider vereenigde magt zal te zamen 70,000 man hebben uitgemaakt. Villeroi's leger had toen nog eene mindere getalsterkte en was ook in andere opzigten zwakker; het Fransche legerhoofd dacht er dan ook geen oogenblik aan om den aanval des vijands in het open veld af te wachten, maar haastte zich om den 3den Julij achter de verschanste linie terug te gaan, die, zich van Antwerpen tot nabij Namen uitbreidende, bestemd was om voor de bondgenooten de ruimte tusschen Schelde en Maas af te sluiten.

Marlborough, alvorens iets tegen die verschanste linie te ondernemen, wil zich meester maken van het verloren gegane Hoey. Den 6den Julij wordt die vesting ingesloten. Den 9den opent het geschut der bondgenooten zijn vuur, eerst op de buitenforten en den volgenden dag op het kasteel; reeds den 11den, na eene onbeduidende verdediging, heeft de overgave

[p. 416]

plaats. De kleine Fransche bezetting bleef krijgsgevangen. Hoey onderging het gewone lot van eene kleine vesting, die geen ontzet krijgt, met genoegzame middelen wordt aangevallen en verdedigd wordt door eene niet bijzonder dappere bezetting.

De overgave van Hoey maakte het geheele leger der bondgenooten weêr beschikbaar; de afdeeling, die de belegering van die vesting had verrigt, sloot zich den 16den Julij weêr aan bij Marlborough's hoofdmagt, en Ouwerkerk, trok met zijn leger, in den vroegen ochtend van den volgenden dag de Méhaigne over, en plaatste zich nabij de Fransche liniën, in de ruimte tusschen dat riviertje en de Maas. Regts van Ouwerkerk, op den anderen oever der Méhaigne, was de hoofdmagt onder Marlborough; een twaalftal bruggen, over de Méhaigne geslagen, verzekerden de gemeenschap tusschen Marlborough en Ouwerkerk. Die stelling der bondgenooten duidde hun voornemen aan om de Fransche liniën aan te vallen en scheen vooral het regtergedeelte dier liniën, in de ruimte tusschen de Méhaigne en de Maas, met den aanval te bedreigen; die bedreiging diende echter slechts om den vijand te misleiden en de onderneming te verbergen tegen een meer noordelijk gedeelte der linie.

Villeroi en de Keurvorst van Beijeren waren intusschen versterkt geworden met troepen door Villars, van de Moezel afgezonden, zoodat, wat de getalsterkte betrof, hun leger nagenoeg gelijk stond aan dat van Marlborough; toch oordeelden de Fransche legerhoofden het onraadzaam om een veldslag te wagen ten voordeele van het onbeduidende Hoey, en zeer verstandig besloten zij, zich tot de verdediging te bepalen. Het is een dwaalbegrip om de kracht van een leger alleen, of zelfs maar voornamelijk, afhankelijk te achten van zijne getalsterkte; de waarde en deugdzaamheid der troepen, het meerdere of mindere zelfvertrouwen, dat vroegere wapenfeiten die troepen geschonken hebben, en vooral de bekwaamheid des aanvoerders, - ziedaar de zaken, die vooral in aanmerking moeten worden genomen, wil men beoordeelen wat er van zulk een leger is te verwachten. Brengt men al die elementen in rekening, dan is het zeer duidelijk, dat hoewel toen, hier in de Nederlanden, 70,000 man der Franschen tegenover 70,000 man der bondgenooten stonden, het Fransche leger verreweg de minderheid had en het dus verstandig handelde met zich niet te wagen aan een strijd in het open veld.

[p. 417]

Achter hunne verschanste liniën hadden Villeroi en de Keurvorst zich geplaatst, en wel, zoo als de aard der zaak medebragt, achter het regtergedeelte dier liniën, dat het meest door den vijand werd bedreigd, en waarvoor zich de legerkampen der bondgenooten uitbreidden. Het Fransche leger was in eenige groote afdeelingen verdeeld, die eene uitgestrektheid besloegen van meer dan 5 uren gaans, van Marchovelette nabij Namen, tot aan Heylissem, een uur ten zuiden van de stad Thienen; het voetvolk was vooraan, onmiddellijk achter de verschansingen der linie; de ruiterij iets meer achterwaarts, om haar beter te verzorgen van fourage en van water; de artillerie was verdeeld in vijf afdeelingen of brigades. De Keurvorst vestigde zijn hoofdkwartier in het kasteel van Jauche, Villeroi te Jandrain, beide plaatsen nagenoeg in het midden van de stellingen van hun leger.

Hier, den vijand vlak voor zich hebbende en vervuld met de onbestemde gedachte, dat de liniën zouden worden aangevallen, waren de hoofden van het Fransche leger in het onzekere, op welk punt die aanval zou plaats hebben, en werden zij verontrust en geslingerd door allerlei tegenstrijdige berigten. Nog den 16den Julij - slechts twee dagen later had de aanval plaats - verneemt men in het Fransche leger, dat Marlborough geen voornemen heeft om aan te vallen en alleen maar in noordelijke rigting op St. Truyen wil trekken, om daardoor het Fransche leger binnen de liniën opgesloten te houden en intusschen het voorliggende land kaal te eten; zeker zou dat weer eene geheel onbeduidende uitkomst geweest zijn, maar men was in dien tijd te zeer gewoon aan zulk eene onbeteekenende wijze van oorlog voeren, dan dat men daarom dit berigt als onwaarschijnlijk moest verwerpen.

Maar den 17den 's ochtends ontvangt Villeroi weêr andere tijdingen; zij melden hem, dat den volgenden nacht 's vijands leger zal opbreken om de Fransche liniën aan te vallen, en onder de bedreigde punten noemen zij ook Heylissem, waar de aanval werkelijk heeft plaats gehad. Dadelijk wordt daarop in het Fransche leger de last gegeven, dat 's avonds, met de taptoe, de geheele infanterie onder de wapens moet komen en zich in slagorde scharen voor het kamp, en dat de ruiterij zich gereed moet houden om vaardig op te rukken naar de punten die aangevallen zullen worden. De generaals, vooral die van den linkervleugel, krijgen bevel om 's nachts patrouilles buiten

[p. 418]

de liniën te zenden, ten einde onderrigt te worden van 's vijands marsch, indien deze zich uitbreidt naar de zijde van zijn regtervleugel; die generaals moeten, in verhouding tot 's vijands beweging, zich even zoo uitbreiden, om niet overvleugeld te worden. Villeroi houdt zich dien nacht op te Mierdorp, het punt dat den vijand het meest nabij is; de Keurvorst blijft in het kasteel van Jauche, ook maar een klein uur gaans van den vijand verwijderd.

Un homme averti en vaut deux, zegt het Fransche spreekwoord; hier, bij die gebeurtenissen van den 18den Julij 1705, is dat spreekwoord echter niet bewaarheid geworden. Want hoewel Villeroi onderrigt was dat hij zou worden aangevallen, en zelfs eenigzins bekend was met de wijze van dien aanval, zoo is die echter volkomen gelukt; en het vermeesteren van de Fransche liniën is even zeer het gevolg geweest van de onbekwaamheid en zwakheid der verdedigers, als van de bekwaamheid en voortvarendheid der aanvallers. Zie hier wat er bij dien strijd om de liniën, bij dat gevecht van Heylissem, heeft plaats gehad.

In een krijgsraad, den 16den Julij gehouden, was bij de bondgenooten het besluit genomen de Fransche liniën aan te vallen. Die liniën, bestaande uit eene stevige borstwering met diepe gracht en voor zich hebbende het riviertje de Ghete, dat onder het werkzaam bereik stond van het geweervuur uit de liniën, en niet dan door middel van bruggen kon worden overgetrokken, hadden eene vrij groote sterkte, nog vermeerderd doordat de Franschen op sommige punten afzonderlijke schansen hadden opgeworpen, als steunpunten der liniën. Maar het is duidelijk, dat zulk een verdedigingsmiddel alleen dán waarde heeft, wanneer er goede troepen achter staan om er partij van te trekken; en Marlborough wilde juist aanvallen op punten waar weinig of geen Fransche troepen waren. Die aanval zou plaats hebben voorbij 's vijands linkervleugel, te Heylissem en te Neer-Hespen, waar men onderrigt was dat slechts kleine wachten van 30 man waren geplaatst. De beschikkingen tot dien aanval waren, in de hoofdzaak, de navolgende:

De eerste zorg, wanneer men in die tijden een veldslag voorzag, was het achteruitzenden van de zware bagaadje; die van Marlborough's leger kreeg bevel om den 17den Julij, 's namiddags om 6 uur, zich, onder bedekking van 400 man voetvolk en 100 ruiters, te Tourines te vereenigen, een dorp

[p. 419]

achter Marlborough's legerkamp; vandaar moest zij, was dit noodig, naar Luik vervoerd worden, de stad waaruit sedert eenige dagen het leger der bondgenooten het brood ontving, daar Maastricht toen wat te ver verwijderd was om als depôtplaats te kunnen dienen.

De marsch van het leger der bondgenooten zou om 9 uur 's avonds geopend worden door twee kolonnen, onder de generaals Hompesch en Scholten, en beide onder het opperbevel van Noyelles. De linkerkolonne, die van Hompesch, waarbij zich Noyelles zelf bevond, was 12 bataillons en 25 escadrons sterk; zij voerde mede 6 veldstukken; 12 wagens, beladen met balken, brugdeelen, schoppen, houweelen en andere werktuigen, werden begeleid door 500 arbeiders. Noyelles had last om regtstreeks naar het kasteel van Wanghe te trekken, tusschen de dorpen Neer-Hespen en Heylissem, aan het riviertje de Ghete, en vóór de liniën gelegen. Bij het kasteel gekomen, moest hij onverwijld een kapitein met 60 grenadiers vooruitzenden, gevolgd en ondersteund door een kolonel met al de andere grenadiers van de 12 bataillons; de grenadiers zouden de Ghete overgaan over eene daar aanwezige steenen brug, zich meester maken van de barrière, die de opening in de liniën tegenover het kasteel van Wanghe afsloot, en, zoo stil mogelijk, de daar aanwezige wacht overweldigen. Was dit gelukt, dan zou Noyelles hiervan onderrigt worden door fakkellicht bij de grenadiers te ontsteken; de aanvoerder zou dan dadelijk bruggen over de Ghete slaan en zoo spoedig mogelijk daarover heentrekken, terwijl de grenadiers intusschen de barrière zouden vernielen en de linie zooveel mogelijk slechten.

De andere kolonne, die van Scholten, zou evenzeer om 9 uur 's avonds op marsch gaan, regts van de kolonne van Hompesch; zij zou sterk zijn 10 bataillons en 20 escadrons, en even zoo een paar veldstukken medevoeren, en wagens beladen met werktuigen en gereedschappen voor het slaan van bruggen en het slechten der liniën. Van de ruiterij zouden 6 escadrons eene soort van voorhoede uitmaken, onder den kolonel Chanclos, die met de landstreek bekend was. De marsch zou gerigt worden op het dorp Neer-Hespen; dáár zou men even zoo te werk gaan als bij de andere kolonne is gezegd. Men zou, van tijd tot tijd, aan Noyelles berigten zenden, en de bevelen gehoorzamen die men van hem zoude ontvangen. Vonden, hetzij Noyelles, hetzij Scholten, den vijand

[p. 420]

onderrigt van de nadering der bondgenooten en tot wederstand gereed, dan moesten zij toch de grenadiers laten aanvallen, en dien aanval met al hunne magt ondersteunen.

De taptoe en het avondschot zouden voor de hoofdmagt van Marlborough het sein zijn om hare tenten op te breken en zich in slagorde te scharen. Om 10 uur zou de marsch beginnen; de beide liniën, waarin het leger geschaard was, moesten de wegen volgen van de twee kolonnes van Noyelles en Scholten; het geschut zou zijwaarts van het voetvolk marcheren; de ruiterij van den linkervleugel moest vóór langs de beide liniën van het voetvolk zich vooruit begeven, om aan het hoofd der marcherende magt te komen. Ouwerkerk's leger zou om 11 uur 's avonds zich in beweging stellen, de Méhaigne overtrekken en den marsch van Marlborough volgen; hij moest door eenige escadrons dragonders, nog ten zuiden der Méhaigne, de Franschen verontrusten en doen gelooven aan een aanval naar die zijde; even zoo moest aan de overzijde der Méhaigne, bij Meerdorp, Albemarle met zijne Hollandsche ruiterij den vijand bezig houden. Die ruiterij van Albemarle zou, later, den marsch van Ouwerkerk's leger volgen en de achterhoede vormen.

Die goede beschikkingen tot den aanval werden goed uitgevoerd, en bragten tot eene gewenschte uitkomst.

De marsch vangt aan; de kolonnes van Noyelles trekken voort tusschen de dorpen Montenaken en Avernas heen, het eerste regts, het tweede links van zich latende. De nacht is donker, en de gidsen weten op de ruime vlakte niet altijd den weg te vinden, zoodat bijna de geheele korte zomernacht wordt doorgebragt om de kleine drie uren gaans af te leggen, die men te doorloopen heeft; het is intusschen 3 en 4 uur in den ochtend toen het hoofd der kolonne bij het kasteel van Wanghe komt; toch doet Noyelles de grenadiers dadelijk overgaan tot den aanval. De Fransche wacht, ongeveer 30 man sterk, bij het kasteel van Wanghe geplaatst, gaat oogenblikkelijk op de liniën terug, zonder eenigen wederstand te bieden; de grenadiers volgen haar, trekken de Ghete over, bemagtigen de barrière, die den ingang der liniën afsluit, en dringen die liniën binnen. Oogenblikkelijk worden er bruggen over de Ghete geslagen, de liniën zooveel doenlijk geslecht en trekken de troepen van Noyelles daardoor naar binnen; 3 battaillons van dien bevelhebber hebben zich, links van het kasteel van Wanghe, even

[p. 421]

zoo zonder eenigen wederstand meester gemaakt van het dorp Heylissem. Regts heeft de kolonne van Scholten zich evenzeer, bijna zonder wederstand, meester gemaakt van Over- en Neer-Hespen, slaat daar evenzoo bruggen over de Ghete, slecht daar de liniën en dringt er naar binnen.

Wanneer men hierbij in aanmerking neemt, dat die marsch van de kolonnen der bondgenooten op korten afstand van de Fransche liniën plaats heeft; dat die marsch bijna den geheelen nacht duurt; dat wel het donker weêr het uitzigt kan belet hebben, maar toch zulk een marsch noodwendig gepaard gaat met gedruisch; dat die marsch wordt verrigt over een geheel vlakken en open grond, zoodat de minste patrouille, de eerste de beste veldontdekker der Franschen de kolonnes der bondgenooten moest hebben bespeurd; dat wel het kasteel van Wanghe en Neer-Hespen slechts bezet zijn door onbeduidende wachten, maar dat op een kanonschot afstands daarvan, bij het dorp Orsmael, 3 regimenten dragonders der Franschen staan; dat die regimenten echter niets doen om de bondgenooten tegen te houden, maar onverwijld op Leeuwe teruggaan, zonder zelfs van 's vijands nadering te waarschuwen; - wanneer men dat alles in aanmerking neemt, dan moet men wel tot het besluit komen, dat het vermeesteren der liniën bij Heylissem door de bondgenooten ook voor een goed gedeelte te wijten is geweest aan het slechte gedrag der verdedigers. ‘God vergeve het hen, die zich hebben laten overvallen,’ mogt de Keurvorst van Beijeren wel uitroepen, in de eerste ontroering over deze krijgsramp.

De Fransche bevelhebbers op den linker-vleugel des legers, Roquelaure, d'Alègre en andere, krijgen eindelijk berigt van het binnendringen des vijands in de liniën, en haasten zich nu om, met alle troepen die hen maar onder de hand komen, naar de zijde van Heylissem te trekken, zij willen, is het mogelijk, door een krachtigen aanval de bondgenooten weêr achter de Ghete terugwerpen. Een paar uur zijn intusschen verloopen, voordat die bevelhebbers de plaats van den aanval bereiken, en zij vinden daar reeds eene aanzienlijke magt van vijandelijke ruiterij bijeen - naar hunne opgave, 40 à 50 eskadrons - die, op twee liniën staande, links van zich het dorp Heylissem had en regts zich uitbreidde tot aan eene kleine beek, bijna halfweg Heylissem en de stad Thienen. Of die ruiterij der bondgenooten toen al of niet door andere wapens

[p. 422]

werd ondersteund, daaromtrent zijn de opgaven niet eenstemmig; in de verzameling van Marlborough's brieven wordt gemeld dat die ruiterij op zich zelve stond: ‘no part of the allied infantry or artillery had however yet arrived’; - de opgaven èn van de Fransche zijde, èn van onze schrijvers zijn echter geheel in strijd hiermede; de laatste zeggen zelfs bepaaldelijk, dat de ruiterij der bondgenooten toen ondersteund werd door eenige bataillons, en dat het vuur van het voetvolk de eerste Fransche escadrons, die men ontmoette, dwong om zich te verwijderen van een ravijn, dat toen overgetrokken werd door de ruiterij der bondgenooten. De meeste waarschijnlijkheid is er dus voor, dat werkelijk hier ook voetvolk der bondgenooten in gevecht is geweest, zoo als dit trouwens ook uit den aard der zaak volgt, daar de eerste aanval op de liniën gedaan werd door grenadiers.

Roquelaure komt met 36 escadrons ruiterij - meest Beijersche en Keulsche troepen, slechts voor een klein deel Spaansche en Fransche - tegenover den vijand, en plaatst zich, met den regtervleugel geleund aan het dorp Esemael nabij de Ghete, evenwijdig aan den vijand; ten einde bij hunne minderheid in sterkte door dien vijand niet te worden overvleugeld, stellen de Fransche escadrons zich op slechts ééne linie. Het Fransche voetvolk is nog ver achter; het voorste gedeelte daarvan, 11 bataillons onder de Caraman, komt evenwel reeds in het gezigt. Roquelaure, om intusschen den vijand op te houden, heeft 10 stukken geschut doen voorkomen, die in de tusschenruimten der escadrons worden geplaatst; acht van die stukken moeten van een bijzonder maaksel geweest zijn; zij waren ‘ieder met drie trompen’, zeggen onze schrijvers; zij hadden, in plaats van ééne ziel, drie; men kon er drie schoten gelijktijdig mede doen. Deze bijzonderheid komt voor bij de meeste schrijvers over dat gevecht van Heylissem.

De Fransche artillerie opende haar vuur op de ruiterij der bondgenooten; maar toen zij dertig schoten gedaan had, gingen de bondgenooten tot den aanval over. Hompesch, een der helden van Eekeren, voerde hier die ruiterij aan, en volgens ééne opgave moet Marlborough zelf hier aan den strijd hebben deelgenomen. Kortstondig en onbeduidend was de wederstand door Villeroi's ruiterij geboden; eene enkele opgave spreekt van twee verschillende charges, de meeste slechts van ééne; onze schrijvers zeggen, dat het vuur van Fransch voetvolk',

[p. 423]

op den bedekten grond nabij Esemael geplaatst, den linkervleugel onzer ruiterij eenigzins in verwarring bragt en die ruiterij dwong meer regts aan te houden; - maar toch, uit alles kan men opmaken, dat hier de strijd slechts zeer kort geduurd heeft. In overijlde vlugt verliet de Fransche ruiterij het slagveld, een aantal bevelhebbers van naam in handen des vijands latende; ook de 10 vuurmonden werden door de overwinnaars genomen.

De nederlaag en vlugt der Fransche ruiterij bragt de bataillons van Caraman, die intusschen het slagveld hadden bereikt, in een gevaarlijken toestand; zij waren op eene ruime, opene vlakte, geheel en al zonder hulp van andere wapens, en zoo goed als omgeven door de overwinnende vijandelijke ruiterij, die met ieder oogenblik in sterkte toenam. Maar de deugdzaamheid van het voetvolk en de bekwaamheid van zijn aanvoerder hielpen het uit dien moeijelijken toestand en deden het geregeld en in orde teruggaan tot op het dorp Noduwe, een uur ten zuiden van Heylissem, waar de verschijning van andere troepen van Villeroi aan de vervolging een einde maakte. In die dagen was, bij den strijd tusschen voetvolk en ruiterij, het overwigt beslissend aan de zijde van het laatste wapen; dat Coehoorn, na den verloren slag van Fleurus, zijn Hollandsch voetvolk ongedeerd en in orde van het slagveld bragt, in weerwil van de aanvallen der overwinnende Fransche ruiterij, wordt als een uitstekend wapenfeit aangehaald, waarvan de wedergade slechts schaars was te vinden; en daarom is men het eenparig daarover eens, dat de terugtogt van het slagveld van Heylissem aan Caraman's voetvolk tot eer heeft verstrekt. De Fransche aanvoerder werd voor dit wapenfeit begiftigd met het grootkruis der orde van den Heiligen Lodewijk.

Het was toen 8 uur 's morgens. De Keurvorst en Villeroi, onderrigt van het doorbreken der liniën bij Heylissem, waren ijlings naar die zijde gesneld, en verzamelden nu hunne magt bij Noduwe, waar zij de geslagene overblijfselen van de troepen, die bij Heylissem hadden gestreden, weder opvingen en ordenden. Wat stond den Franschen aanvoerders toen te doen? eene sterke magt der bondgenooten was de liniën reeds binnengedrongen en zou spoedig gevolgd worden door het overige des legers; een gedeelte van het Fransche leger was reeds geslagen, de overige deelen van het leger waren niet alle bijeen, maar verscheidene nog in aantogt; de strijd te vernieuwen, nogmaals

[p. 424]

eene poging aan te wenden om Marlborough achter de Ghete terug te drijven, en daartoe voor en na de verschillende deelen van het Fransche leger in gevecht te brengen, naar gelang zij aankwamen, dit was eene handeling waarvan weinig goeds te wachten was. Villeroi en de Keurvorst namen dan ook het verstandige besluit om den strijd af te breken, en zoo spoedig mogelijk op Leuven te trekken; daar wilden zij eene stelling achter de Dyle nemen, om zoo doende het doordringen des vijands te beletten.

Verstandig was dit besluit, maar was het goed uit te voeren? Moeijelijk, wanneer men te doen had gehad met een krachtigen, werkzamen vijand. Een enkele blik op de landkaart doet zien, dat Noduwe, waar de hoofdmagt van Villeroi zamentrok, veel verder verwijderd is van Leuven, dan Thienen, waar op dat oogenblik Marlborough's regtervleugel stond, die in die stad een daar aanwezig Fransch bataillon de wapens had doen nederleggen; bovendien, Villeroi's leger kon niet in regte lijn van Noduwe op Leuven trekken; het moest een omweg maken, om elke aanraking te voorkomen met de legermagt der bondgenooten; en het lijdt dus niet den minsten twijfel, dat Marlborough veel vroeger dan Villeroi te Leuven kon zijn, het standhouden aan de Dyle tot eene onmogelijkheid kon maken, of het Fransche leger bij zijn marsch naar de rivier kon aanvallen en slaan. Die gevaarlijke kans bestond er voor de Fransche legerhoofden, maar zij oordeelden dat die kans moest worden gewaagd, en de uitkomst heeft hen begunstigd. Terwijl Marlborough den geheelen langen zomerdag dien hij ter zijner beschikking heeft, in werkeloosheid doorbrengt en met zijn leger stand blijft houden te Thienen en Heylissem, verliest Villeroi's leger geen tijd om op Leuven terug te gaan; den geheelen dag van den 18den Julij brengt het daarmeê door. ‘Die marsch’, zegt Devault, ‘was zeer vermoeijend, vooral omdat, daar de vijand Thienen bezette, men een grooten omweg moest maken. Het schijnt dat hij van zijn voordeel geen gebruik wist te maken; had hij dadelijk na het gevecht den marsch voortgezet, dan zou hij vroeger dan het leger te Leuven zijn gekomen, of zou minstens de achterhoede groote verliezen hebben toegebragt.’ Het was 10 uur 's avonds, toen de ruiterij van Villeroi Leuven bereikte; het voetvolk kwam eerst te middernacht daar aan; geen vijand had men op dien marsch gezien. Eerst den volgenden dag, 's morgens om 9 uur, toen de laatste Fransche troe-

[p. 425]

pen op den linkeroever der Dyle overgingen, vertoonde zich Marlborough's voorhoede in de verte, te laat om iets te ondernemen; het Fransche leger stond veilig achter de Dyle en het gebruikte dien stroom om den vijand tegen te houden en het bemagtigen der liniën en de zege van Heylissem onnut te maken.

Men kan dat gevecht bij Heylissem op den morgen van den 18den Julij 1705 moeijelijk een veldslag noemen; daartoe heeft de strijd te kort geduurd, is de wederstand der overwonnenen te onbeduidend geweest, het verlies der overwinnaars te gering. De uitkomsten van die ontmoeting waren echter van een belangrijken aard; en al moge er eenige overdrijving zijn in de opgaven van onze zijde, die het verlies des vijands aan dooden, gewonden en gevangenen op 7 à 8,000 man begrooten, nog minder waarheid is het wanneer Villeroi zijne verliezen terugbrengt op 80 gesneuvelden en 200 gevangenen; 't is waar, hij voegt daar later nog bij het bataillon dat te Thienen de wapens heeft nedergelegd, en 700 achterblijvers, die bij den terugtogt in 's vijands handen zijn gevallen. Marlborough's brieven begrooten de gevangenen, op den 19den Julij door de Franschen verloren, op 14 à 1500 man. Wat de glans der overwinning verhoogde, was het vermeesteren van geschut - 10 vuurmonden volgens de Fransche opgaven, 18 volgens de onze - en het gevangen nemen van een aantal officieren van hoogen rang, waaronder de generaals d'Alègre en de Horn.

Heylissem is dus eene overwinning geweest, eene overwinning, even zeer te danken aan Marlborough's goede beschikkingen, als aan de dapperheid der troepen, waaraan het legerhoofd ruimen lof toezwaaide. Maar dat van de overwinning geen gebruik werd gemaakt, is iets wat zeer pleit tegen Marlborough's beleid als veldheer. ‘Cet Anglais ne savait pas profiter de la victoire,’ heeft een Fransch militair schrijver eenmaal van hem gezegd, en ook door het gebeurde na Heylissem wordt de waarheid van die woorden ten volle bewezen. Marlborough's werkeloosheid na het behalen der overwinning wordt algemeen afgekeurd, en verdient die afkeuring ook ten volle; eene krachtige vervolging, een snel vooruitrukken op Leuven, had beslissende uitkomsten kunnen geven. In een brief van zijn vijand Slangenburg aan den griffier Fagel (den 27sten Augustus 1705) wordt die misslag bepaaldelijk als eene beschuldiging tegen Marlborough ingebragt: ‘Het ware te

[p. 426]

wenschen dat Hunne Hoogmogenden goedyonden onderzoek te doen, wiens schuld het geweest zij..... waarom, na de vermeestering der liniën te Neer-Hespen, binnen welke men op den achttienden Julij reeds voor zeven uren des morgens stond, en daar den vijand den geheelen dag niet meer gezien werd, waarom, zeg ik, toen niet verkregen kon worden dat men dien dag voortrukte, om hem den overtogt der Dyle te betwisten en te beletten, waardoor men zich van een groot gedeelte van Braband meester kon gemaakt hebben.’

Lodewijk XIV was, zoo als zeer ligt te begrijpen is, alles behalve tevreden over den tegenspoed bij Heylissem ondervonden; en in een brief aan Villeroi (Versailles, 21 Julij 1705) geeft hij aan dien gunsteling zeer duidelijk zijn ongenoegen te kennen: ‘Gij kunt er niet aan twijfelen, dat het mij verrast heeft uit uwen brief te vernemen, dat de vijand tusschen de abtdij van Heylissem en Leeuwe de liniën was binnengedrongen, zonder dat eenige uwer troepen dit verhinderd hebben. Hoewel ik overtuigd ben van uwe waakzaamheid en van de moeite die gij genomen hebt om zorgvuldig onderrigt te worden aangaande 's vijands bewegingen, is het toch evenwel zeer onaangenaam om hem in het hart der Nederlanden te zien, meester van de liniën en van verscheidene gewigtige punten, terwijl mijn leger in de volstrekte noodzakelijkheid verkeert van in overhaasting voor het zijne terug te trekken, om eene volkomene nederlaag te ontgaan, die het gevolg zou zijn geweest wanneer gij de ontmoeting met hem niet ontweken hadt. De tegenspoed, die u heeft getroffen, ontstaat uit de plaatsing van uw leger, die weder onvermijdelijk wordt bij de uitgestrektheid van het grondgebied dat gij te beschermen hebt. Ik verwijt u niets van al wat er gebeurd is; maar, daar de omstandigheden geheel en al van gedaante zijn veranderd, moet gij afzien van eene wijze van oorlogvoeren, die niet in overeenstemming is met den geest der natie en met dien van het leger dat gij aanvoert; dat leger is minstens even talrijk als dat des vijands; bij dat leger zijn verscheidene corpsen, die door hunne uitmuntendheid aan de overigen vertrouwen en den vijand ontzag kunnen inboezemen; gij moet in het vervolg de ontmoeting met den vijand niet zoo omzigtig ontwijken; gij moet den oorlog voeren zoo als men dat vroeger gedaan heeft, in het open veld blijven, uw voordeel doen met de sterkte der door u bezette stellingen, niet zonder noodzake-

[p. 427]

lijkheid een grooten veldslag wagen, maar dien ook niet te angstvallig vermijden, omdat, wanneer de vijand dit bemerkt, hij er gebruik van maakt.....’

‘Gij moet den oorlog voeren zoo als men dit vroeger gedaan heeft,’ dat wil zeggen: gij moet den oorlog voeren, zoo als Condé en Turenne dien gevoerd hebben. De Fransche despoot, toen hij dit voorschrift gaf, zag hierbij echter over het hoofd, dat Villeroi geen Condé of geen Turenne was, en dat, indien hij door die taal zijns Konings aangespoord werd tot stoutmoedige handelingen, dit, bij zijne weinige bekwaamheid, ligtelijk Frankrijk nog ergere krijgsramp zou berokkenen. De tegenspoed bij Heylissem in 1705 heeft minder kwaad gedaan dan de nederlaag bij Ramelies in 1706.

Villeroi, eens rustig achter de Dyle, schrijft uit zijn legerkamp bij Bethlehem, 25 Julij 1705, aan den Koning, om het gebeurde bij Heylissem in zulk een daglicht te plaatsen, als het gunstigst is voor het beleid van het legerhoofd; hij kan hierbij echter niet vermijden de zwakheid der troepen te vermelden; zwakheid die, gelooven wij, dan ook niet te loochenen is.

‘Den 17den,’ zoo luidt het in dien brief, ‘werd ik vóór den middag gewaarschuwd dat de vijand den volgenden dag op marsch zou gaan. Gedurende het overige van den dag werd mij dat van duizend verschillende zijden bevestigd, met de bijzonderheid dat de vijand zijne zware bagaadje had teruggezonden naar Maastricht en Luik, en dat hij eene sterke afdeeling naar de Moezel wilde doen gaan. Dit kwam ons waarschijnlijk voor, en dat de vijand gedurende den tijd dat hij zich door die detachering verzwakte, zich verder van ons wilde verwijderen, om daarnaar tot die handeling over te gaan die hem het geschiktste zou voorkomen.

‘Gedurende den loop van den dag waarschuwde ik alle kwartieren om zich marschvaardig te houden en hunne waakzaamheid te verdubbelen, door gedurende den nacht buiten de liniën patrouilles en veldontdekkers uit te zenden (des partis et des batteurs d'estrade), ten einde te vernemen in welke rigting de vijand heentrok. Ik bleef dien nacht bij de barrière van Mierdorp, als het punt dat den vijand het meeste nabij was; en de Keurvorst bleef op het kasteel van Jauche, dat slechts een uur gaans van den vijand verwijderd was. Gedurende den nacht waarschuwde ik verscheidene malen dat de vijand op

[p. 428]

marsch was, en herhaalde het bevel dat de troepen gereed moesten zijn om op te rukken naar het eerste punt dat aangevallen werd; ik gelastte aan mijnheer de Roquelaure, die op den uitersten linkervleugel was met de heeren d'Alègre, de Biron, de graaf de Horn en verscheidene maréchaux-de-camp, om patrouilles voorwaarts uit te zenden, en aan de drie regimenten dragonders van Valensart, Ferrare en Flavacourt, te Osmael gelegerd, om zeer waakzaam te zijn; even zoo als aan 's Konings dragonderregiment, dat te Weser gelegerd was, om op Leeuwe vooruit te rukken, wanneer de vijand zich tot St. Truijen zou hebben uitgebreid, zoo als het gerucht liep dat hij voornemens was te doen. Ziedaar, Sire, wat de algemeene bevelen betreft, aan het leger gegeven; zie hier wat er gebeurd is, naar het verslag dat mij daarvan is gedaan.

‘Den 18den, met het aanbreken van den dag, naderde de vijand de barrière van Heylissem en die van Wanghe, beide met troepen bezet, zeer moeijelijk te naderen, dewijl men daartoe de rivier en de verschanste linie over moet, en beschermd door de daarachter staande drie regimenten dragonders, door de brigaden Zuniga en de Gondrin, en den geheelen linkervleugel der ruiterij, die zich met eene brigade artillerie voorbij Gaussoncourt uitbreidde. Ik heb de eer gehad aan Uwe Majesteit te melden, dat ik de artillerie op vijf verschillende punten had verdeeld, om overal wat beschikbaar te hebben.

‘Die twee brigaden voetvolk zijn zamengesteld: Zuniga uit 3 Spaansche bataillons en 4 van den Elzas, en de andere uit de regimenten de Gondrin en de La Marck. Van den linkervleugel der ruiterij zal Uwe Majesteit uit den hiernevensgaanden staat de zamenstelling zien.

‘Men heeft mij gezegd, dat de vijand, toen de dag even aanbrak, zich meester heeft gemaakt van de barrière van Wanghe en van die van Heylissem, zonder dat de dragonders, die ze moesten verdedigen, daarheen zijn getrokken; en toch, om daar te komen, moest de vijand eene vlakte overtrekken, effen als de hand, en waar vier veldontdekkers, buiten de linie geplaatst, hem gemakkelijk hadden kunnen zien; dat de dragonders, in plaats van die twee ingangen te verdedigen en berigt te geven van 's vijands nadering aan den linkervleugel, die, gewaarschuwd zijnde, hen spoedig ter hulp zou zijn gekomen, op Leeuwe terugtrokken, zonder eenige waarschuwing te doen. Toen bij den linkervleugel het berigt kwam, dat de vijand binnen de liniën

[p. 429]

was, was hij reeds sedert twee uren daarin. Mijnheer de Roquelaure en al de andere Heeren gingen op marsch; de ruiterij was vooraan, de twee zoo even genoemde brigaden voetvolk volgden; de brigaden van Brandelet en van Lamothe, die wat meer verwijderd waren, stelden zich ook in beweging. De tijd, die noodig was om onze troepen te doen aankomen, diende ook den vijand om zijne magt aanmerkelijk te versterken. Vier escadrons, het hoofd onzer troepen uitmakende en de anderen eenigzins voorafgaande, vonden den vijand in slagorde geschaard in twee zeer uitgestrekte liniën. Toen wij in slagorde waren, zonder het voetvolk, dat nog ver achter was, viel de vijand, die reeds geschaard stond en die ons ver overvleugelde, ons aan en wierp ons overhoop, bijna zonder wederstand. Men zegt, dat de escadrons van de Spaansche garden hun pligt deden, maar door het groot aantal uitgezondene sauvegarden, waren die escadrons zoo zwak, dat zij maar 60 ruiters telden; liet overige bestond uit Beijersche troepen, die geen oogenblik stand hielden, daar de escadrons hier nog zwakker waren dan die der Spanjaarden. Het is bij dien eersten aanval, dat onze generaals gevangen werden genomen.’

Villeroi, die hier klaarblijkelijk eene overdrevene voorstelling geeft van de zwakheid zijner ruiterij, om hare nederlaag daardoor te verontschuldigen, spreekt vervolgens van zijne komst op het slagveld, en hoe hij daar de ruiterij geheel in wanorde vindt; maar hoe die gered wordt door het goede gedrag van Caraman met de 11 bataillons der brigaden Zuniga en Gondrin: ‘zij trokken terug, pelotonsgewijze vurende, zonder doorbroken te worden en reddeden op wonderbare wijze onze ruiterij; wij deden haar herzamelen achter het defilé van Noduwez, waarheen het geheele leger trok, en zoodra zij in veiligheid was nam men het besluit om op Leuven te trekken en daar de Dyle over te gaan. Die twee (?) marschen zijn met eene ongeloofelijke snelheid verrigt, die wel noodig was om het leger van Uwe Majesteit te redden; was de Hertog van Marlborough dadelijk op marsch gegaan, dan zou hij vóór ons te Leuven zijn gekomen.

‘Men heeft mij gezegd, dat de artillerie, die genomen is geworden, zonder bevel op marsch was gegaan; was zij bij het voetvolk gebleven, zoo als zij bad moeten doen, dan was zij niet verloren gegaan. Ziedaar, Sire, het droevige verhaal van eene gebeurtenis, waarop men niet verdacht kon zijn.’

[p. 430]

Droevig was dit verhaal niet alleen, maar ook verward en onnaauwkeurig, en in een nader verslag, door Villeroi ingezonden, worden sommige opgaven in het eerste toegelicht of gewijzigd. Zoo wordt onder anderen daarin erkend, dat men berigt had, dat de liniën den 18den 's ochtens vroeg, of den nacht te voren, op drie punten zouden worden aangevallen: ‘Daar al onze narigten waren, dat de vijand ons zou aanvallen in den nacht van den 17den op den 18den, werd aan het geheele leger gelast, dat bij het slaan der taptoe, den 17den 's avonds, het voetvolk onder de wapenen zou komen en zich in slagorde scharen voor het kamp, en de ruiterij met gezadelde paarden gereed zou zijn om op te stijgen; dat alle generaals den nacht zouden doorbrengen aan het hoofd hunner troepen, en dat de generaals van den linkervleugel gedurende den ganschen nacht veldontdekkers en patrouilles zouden uitzenden tot op 2 à 300 pas buiten de liniën, om te vernemen of de vijand ook in aantogt was naar onze zijde...’

Vervolgens wordt het binnendringen der liniën door de bondgenooten te Heylissem en te Wanghe vermeld en gezegd, dat toen de Fransche generaals met de ruiterij van den linkervleugel (33 escadrons) om 4 uur 's ochtends op het punt van aanval aankwamen, ‘zeer buiten adem en met zeer zwakke escadrons: zij bespeurden dat de vijand reeds met 40 of 50 escadrons was binnengedrongen, die hij op twee liniën plaatste, met den linkervleugel geleund aan zijn voetvolk, achter de heggen van Wanghe geplaatst, en den regtervleugel in de vlakte naar de zijde van Thienen; alles wat aankwam plaatste zich op den regtervleugel, dien uitbreidende. Onze generaals, dit ziende, konden geene betere partij kiezen dan onze ruiterij in slagorde te scharen tegenover die des vijands, en daar hij ons veel overvleugelde, waren zij genoodzaakt zich op ééne linie te plaatsen, om even groot front te hebben als de vijand. Onze generaals deden 10 stukken geschut vooruitkomen in de tusschenruimten der escadrons, hopende daardoor den vijand in bedwang te houden, ten einde tijd te winnen voor het voetvolk, dat met den meesten spoed oprukte, maar nog niet zigtbaar was.

‘Nadat ons geschut ongeveer een dertigtal schoten had gedaan, werd de vijand daardoor zeer benadeeld, en om dit te doen ophouden, nam hij het besluit om de onzen aan te vallen, hebbende hij eene aanmerkelijke overmagt door het grootere getal en de

[p. 431]

meerdere sterkte zijner escadrons. Onze ruiterij hield dien aanval uit, tot aan het gevecht met de blanke wapens (jusqu' à croiser les épées), maar zwichtte eindelijk en werd overhoop geworpen.

‘Onze generaals, ziende dat de vijand niet sterk vervolgde, verzamelden de ruiterij zoo goed zij konden bij een klein ravijn, dat vóór hen was. De vijand naderde, viel ten tweeden male aan en had geen moeite om eene ruiterij overhoop te werpen, die ontmoedigd was en niet ondersteund werd; ten gevolge daarvan maakte de vijand zich ook meester van onze 10 stukken geschut. Gelukkig dat na dien aanval de vijand 11 onzer bataillons zag aankomen, wier goede houding hem staande hield; daarentegen waren die bataillons in een vrij moeijelijken toestand, daar zij geene sruiterij hadden tot hunne ondersteuning, en op eene zeer ruime vlakte omgeven werden door 50 of 60 escadrons des vijands. Dit voetvolk hield zich zoo goed en manoeuvreerde met zoo veel bekwaamheid, dat de eerste troepen des vijands, die het met hevigheid kwamen aanvallen, door zijn vuur werden overhoop geworpen of teruggedreven; en zoodra het een oogenblik vrij had, maakte het regtsomkeert en won grond voor zijnen terugtogt......

‘Om 1 uur na middernacht kwam men op drie kwartieruurs afstand van Leuven, en zoodra het dag werd, ging men op nieuw op marsch en trok de Dyle over, gedeeltelijk boven Leuven, gedeeltelijk door de stad.......

‘........De vijand voldaan van de liniën te zijn binnengedrongen, vergenoegde zich met den 18den te legeren, de regtervleugel te Thienen, de linker bij onze liniën, er op rekenende den volgenden dag Leuven te bereiken, vroeger dan wij; maar hij was zeer verbaasd, toen hij, den volgenden dag om 9 uur 's ochtends aankomende, zag dat ons geheele leger de Dyle reeds over was; daardoor verloor hij het grootste deel van de vrucht zijns arbeids.......

‘.........Zoodat dit gevecht, waarvan de nieuwsbladen met grooten ophef zullen gewagen, hem tot niets anders zal gediend hebben, dan om de liniën te zijn binnengedrongen, waar zij niet verdedigd werden, en hem in de gelegenheid te stellen Leeuwe te vermeesteren, dat een der onbeduidendste verliezen ter wereld zal zijn. Dat alles te zamen zal eenig leven maken, maar niets afdoen tot de hoofdzaak.’

[p. 432]

Men ziet uit die nadere opgaven van Villeroi, dat de Fransche artillerie, die bij Heylissem is verloren gegaan, niet eigenmagtig is vooruitgerukt, maar op bevel der generaals; voorts ook, dat daar die generaals reeds om 4 uur 's morgens met hunne ruiterij tegenover die der bondgenooten kwamen, en daar het reeds tusschen 3 en 4 uur 's ochtends was, toen de voorste troepen der bondgenooten Wanghe bereikten, Villeroi's vroegere bewering, dat de Fransche generaals van den linkervleugel ‘eerst twee uren nadat de vijand de liniën was binnengedrongen, daarvan berigfc kregen,’ allen grond mist. - Ook uit Villeroi's brieven kan men duidelijk zien, hoe Marlborough al de vruchten van de behaalde overwinning verloren deed gaan, door zijne onverantwoordelijke werkeloosheid na het gevecht.

 

Villeroi, door een snellen marsch en door 's vijands werkeloosheid aan eene dreigende nederlaag ontkomen, had nu stelling genomen op den linkeroever der Dyle; zijn linkervleugel breidde zich daarbij uit naar de Demer; het centrum was te Leuven, de regtervleugel te Berthem, een klein uur ten zuidwesten van die stad. De nieuwe verdedigingslijn, die het Fransche leger toen bezette, sloot aan Marlborough den weg naar Brussel af en belette hem om verder in Braband door te dringen; maar Diest en Leeuwe waren nu afgesneden; eerstgenoemde plaats werd geheel ontruimd; uit Leeuwe nam men de 4 regimenten dragonders weg, die daarop waren teruggetrokken, maar men liet er de gewone bezetting. Omdat men vreesde, dat Namen belegerd zou worden, werd eene sterke afdeeling derwaarts gezonden, waardoor natuurlijk de hoofdmagt van Villeroi vermindering onderging.

Marlborough's leger, in statige langzaamheid voortrukkende, verscheen den 19den Julij aan den regteroever van de Dyle en plaatste zich tegenover Leuven. In die stelling blijft het leger der bondgenooten werkeloos, of zoo goed als werkeloos, tot aan den 30sten Julij; twaalf dagen laat men dus verloopen, om den vijand toch al den tijd te geven om van de ontmoediging der nederlaag van Heylissem te bekomen en zich bij de Dyle goed in te rigten ter verdediging, 't Is waar, de schuld van die werkeloosheid wordt voor een gedeelte aan het slechte

[p. 433]

weêr toegeschreven; ten minste in een brief van den 23sten Julij zegt Marlborough: ‘de zware regen, die sedert drie dagen valt, heeft ons opgehouden, anders zouden wij getracht hebben de Dyle over te trekken.’

De Dyle, die toen voor de bondgenooten Braband afsloot, is geen van die groote, snelvlietende stroomen, die aan een leger, dat den overtogt wil verrigten, bijna onoverkomelijke bezwaren in den weg leggen; het is de Donau niet, of de Rhijn; het is eene wel onwaadbare, maar toch niet breede of snelvlietende rivier, waarover, wordt hij daarin door den verdediger niet verhinderd, de aanvaller gemakkelijk en in weinig tijds de bruggen slaat en den anderen oever bereikt. Toch, door een geheel leger verdedigd, kon ook zulk een rivier als een geduchte, bijna onaanvalbare stelling beschouwd worden; en vooral was dit waar in eenen tijd, toen de middelen om bruggen te slaan nog niet dien trap van volmaaktheid hadden bereikt, dien zij in onze dagen hebben, en toen het geschut, dat de legers met zich te velde voerden, nog op verre na niet die geduchte uitwerking had, die thans hem, die de overmagt in artillerie heeft, in staat stelt om door een vernielend vuur zijn vijand van den oever der rivier te verdrijven en daardoor het bruggenslaan en het overtrekken van den stroom gemakkelijk maakt.

De hoofdmagt der wederzijdsche legers was bij Leuven vereenigd, en het scheen dus alsof de overtogt van de Dyle bij die stad moest worden beproefd. Hier echter leverde zulk een overtogt weinig gunstige kansen op; zij vorderde de vermeestering van Leuven, en hoewel die stad, volgens Fransche opgaven, toen geen ander verdedigingsmiddel had dan ‘een muur van 12 voet hoogte en slechts twee steen dik, met een hoogen maar smallen wal,’ zoo voegen die zelfde opgaven er echter bij, ‘dat men toch geschut en stormladders noodig had om Leuven te vermeesteren, daar de gracht diep was en steile hellingen had.’ Zulk eene stad te bestormen, waarachter een leger staat om haar te verdedigen, is eene moeijelijke, bijna onuitvoerbare taak; en er was derhalve niet veel kans op om door een regtstreekschen aanval, door de vermeestering van Leuven, zich meester te maken van bruggen over de Dyle en daardoor den anderen oever van dien stroom te bereiken.

Wilde men op een hooger of lager gelegen punt den overtogt van de Dyle verrigten, en dus geen regtstreekschen aanval, maar eene omtrekking tegen het leger van Villeroi ondernemen, dan

[p. 434]

ging zulk eene handeling met minder bezwaren gepaard, hoezeer zij toch altijd moeijelijk en onzeker bleef.

Eene omtrekking van Villeroi's linkervleugel, eene poging om lager dan Leuven de Dyle over te gaan, was geheel onraadzaam: die rivier, Leuven voorbijgegaan, stroomde verder in noordelijke rigting door eene geheel opene vlakte, totdat zij zich, op een afstand van nagenoeg 3 uren van de stad, met de rivier de Demer vereenigt. De bondgenooten konden er moeijelijk aan denken om in de ruimte tusschen Leuven en de Demer een overtogt van de Dyle te beproeven, want de vijand, van de wallen van Leuven den geheelen open grond overziende, die zich ten noorden van die stad uitbreidt, zou dadelijk elken toeleg van Marlborough ontdekken om naar die zijde over te trekken, en zou dadelijk door het sterk bezetten van den anderen oever dien overtogt ondoenlijk maken. De omtrekking van Villeroi's linkervleugel nog meer noordelijk dan de Demer te willen verrigten, ging ook niet, daar de Franschen de ruimte tusschen die rivier en de Nethe geheel afgesloten hadden door eene verschanste linie; en zelfs, al werd die linie doorbroken, dan zou dit nog niet veel baten, daar dan de bondgenooten tegengehouden konden worden bij Mechelen, aan de Dyle, die, zoo als de kaart dit aanwijst, na hare vereeniging met de Demer, zich in westelijke rigting ombuigt, bijna loodregt op haren aanvankelijken loop van het zuiden naar het noorden.

Daar een regtstreeksche aanval en eene omtrekking van Villeroi's linkervleugel voor de bondgenooten onraadzaam waren, bleef hun dus niets anders over dan hunne toevlugt te nemen tot eene omtrekking van den regtervleugel der Fransche stelling. Hier schenen de kansen gunstiger te zijn.

Wilden de bondgenooten op eenen wijden kring Villeroi's regtervleugel omtrekken en de Dyle op een hooger gelegen punt overgaan, bij voorbeeld te Ottignies of te Moustier, een kleinen dagmarsch van Leuven verwijderd, dan was dit moeijelijk te beletten; eensdeels omdat de Dyle in dat hoogere gedeelte eene te onbeduidende rivier is, en anderdeels omdat de Fransche legerhoofden bezwaarlijk hunne verdedigingslijn zoo ver konden uitbreiden. Marlborough kon dus daar op den linkeroever van de Dyle overgaan en de landstreek bereiken waarop, in den veldtogt van 1815, Napoleon's heirscharen zich bewogen hebben; maar ook daar zoude hij nieuwe zwarigheden ontmoeten.

Indien de bondgenooten, bij dit hoogere gedeelte op den lin-

[p. 435]

keroever der Dyle overgegaan, naar de zijde van Brussel wilden trekken, dan moesten zij het groote bosch van Soignes door, in dien tijd veel uitgestrekter en veel minder met wegen doorsneden dan thans, en waar men dus in weinig tijds, door het maken van verhakkingen, den voortgang van een vijandelijk leger geheel kon stuiten. Wilden de bondgenooten, op den linkeroever der Dyle gekomen, die rivier meer nabij blijven en in de rigting van Leuven voortrukken, dan zouden zij hierbij verschillende beeken ontmoeten, alle in noordoostelijke rigting naar de Dyle stroomende, en alle goede verdedigende stellingen aan het Fransche leger verschaffende. De zuidelijkste van die beeken was de Lasne - zoo bekend door de gebeurtenissen van 1815 - die zich nabij de abtdij van Florival in de Dyle wierp; dan had men de Yssche, die zich niet ver van het dorp Neeryssche in die rivier stortte, en eindelijk de beek van Voer, of Vueren, die van de zijde van het bosch van Soignes naar Leuven liep en zich daar met de Dyle vereenigde.

Nog maar een halve eeuw is er verloopen sinds de dagen toen Willem van Oranje met zijn handvol Nederlandsche troepen te Quatre-Bras het hoofd bood aan Napoleon's talrijke en krijgshaftige legerscharen; maar wie nu nog dat slagveld van 1815 opzoekt om op de plaats zelve de handelingen der toen strijdende partijen te bestuderen, zal daarbij een geheele teleurstelling ondervinden: misschien zal de soldaat van Westenberg's bataillon de hoeve Germioncourt nog herkennen; maar te vergeefs zal de veteraan, die onder Saxen Weimar's aanvoering streed, naar dat bosch van Bossu zoeken, dat zulk een grooten invloed heeft uitgeoefend op dien veldslag van den 16den Junij 1815. Zoo zijn weinige jaren voldoende voor de hand des tijds, om het tooneel, waarop groote gebeurtenissen hebben plaats gehad, geheel van gedaante te veranderen en onherkenbaar te maken; en daarom ligt het in den aard der zaak, dat de geheele verandering, welke ook die landstreek, waarop in 1705 oorlog werd gevoerd, sedert anderhalve eeuw heeft ondergaan, het onmogelijk maakt om uit hare tegenwoordige gesteldheid te besluiten, wat zij toen voor het oorlogvoeren was. Wanneer wij nu de oevers van de Lasne of van de Yssche in overzigt nemen, dan kunnen wij daaruit niet besluiten, in hoever die beeken in 1705 geschikt waren voor Villeroi, om daarachter zijn leger in slagorde te scharen en daar den aanval zijner vijanden af te wachten.

[p. 436]

Gelukkig echter, dat men in het werk van Devault, dat uitmuntende hulpbronnen bevat voor de studie van den toenmaligen oorlog, eene duidelijke en oordeelkundige beschrijving vindt van twee dier beeken; zij is afkomstig van een Fransch officier Naudin, naar het schijnt door den Keurvorst van Beijeren, den 28sten Julij 1705 afgezonden om de Lasne en de Yssche te verkennen. Wij nemen daarvan over de beschrijving van de Yssche, als het meest belangrijk voor het doel van ons schrijven; het is de beschrijving van de stelling, waar den 18den Augustus 1705 Villeroi's leger in slagorde heeft gestaan om den aanval der bondgenooten af te wachten.

.......‘De voordeeligste stelling, die men ooit kan wenschen’, namelijk, als de bondgenooten op den linkeroever der Dyle zijn overgegaan) ‘is de beek van Yssche voor zich te hebben, de regtervleugel geleund aan het bosch van Soignes, bij Overyssche, waar hare kwartieren zouden zijn, en de linker- te Neeryssche, waar de andere kwartieren zouden zijn, en de beide hoofdkwartieren te Lombeeck en te Hoelyberge. De beek van Yssche, hoewel niet breed, kan evenwel om hare hooge oevers niet anders overgetrokken worden dan door middel van bruggen; en langs den linkeroever is een holle weg, waarin men bij eene ontmoeting met den vijand, infanterie zou plaatsen; zij zal de taak vervullen van een bedekten weg en de beek voortdurend met haar vuur bestrijken en zij zal beschermd worden door het geheele leger, dat, op de hoogte geschaard, het voorliggend terrein overziet. Die hoogten domineren bijna altijd de hoogten op den regteroever, wier hellingen slechts een musketschot verwijderd zijn van den hollen weg; en wanneer de vijand iets wil ondernemen, dan moet hij engten doortrekken en ontmoet ieder oogenblik holle wegen. Het terrein is zoodanig, dat wanneer de vijand de beek al over is, hij, om zich in slagorde te scharen, geen voet gronds vindt, die niet op een pistoolschot afstands bestreken wordt uit den hollen weg en onder het vuur staat van het geheele leger, dat veilig op de hoogten in slagorde is; en vóór dat de vijand zou kunnen aanvallen, zouden zijne gelederen zeer gedund zijn.

‘In dit kamp zal het leger gebrek hebben noch aan water, noch aan hout, noch aan fourage, en alles in de nabijheid.’

De omtrekking van Villeroi's regtervleugel op een wijden kring, op eenige uren afstands, leverde dus voor de bondgenooten weinig gunstige kansen op, dewijl het Fransche leger, zoo-

[p. 437]

dra het van die beweging des vijands berigt zou hebben gekregen, door eene frontverandering dien vijand op nieuw kon tegenhouden, in sterke stellingen bij het bosch van Soignes of achter de beek van Yssche. Meer voordeelig was het om eene omtrekking van Villeroi's regtervleugel op korten afstand te ondernemen en den overtogt van de Dyle te beproeven op een groot uur boven Leuven, bij de dorpen Corbeek en Neeryssche. Eenmaal dáár de Dyle overgetrokken, hadden de bondgenooten niets meer te doen met de Lasne of met de Yssche of met het bosch van Soignes, maar konden regtstreeks op Leuven en Brussel trekken; door een korten marsch konden de bondgenooten Corbeek en Neeryssche bereiken, en die beweging konden zij onbemerkt en in stilte verrigten, omdat het bosch van Meerdael, ten zuiden van Leuven en op den regteroever der Dyle gelegen, een digt gordijn uitmaakte, dat belette om uit de stad te zien wat er op den regteroever der Dyle voorviel. Daar kwam nog die omstandigheid bij, dat de Franschen die overgangspunten van de Dyle aanvankelijk verwaarloosden: wel was eene afdeeling van 5 bataillons voetvolk en 4 regimenten dragonders, onder Guiscard, aan de beek van Voer geplaatst; maar Corbeek en Neeryssche zelve waren niet of slechts zwak bezet.

Corbeek en Neeryssche wezen zich dus als van zelve aan, als de punten waar Marlborough de overgang van de Dyle moest beproeven. Er moest toch iets gedaan worden; men kon toch niet zoo werkeloos bij de Dyle blijven staan; men moest met geweld zich meester maken van dien rivierovergang, die men bij eenige voortvarenheid op den 18den Julij zoo gemakkelijk had kunnen verrigten; men moest de vruchten plukken van de overwinning bij Heylissem. Traagheid, het gewone kenmerk van de oorlogshandelingen dier tijden, liet echter twaalf dagen verloopen, alvorens er iets ernstigs verrigt werd. 't Is waar, de wijze waarop toen de legers gevoed werden, kan ook invloed hebben gehad op die tijdverspilling: alvorens de aanvallende bewegingen voort te zetten, zegt een onzer schrijvers (‘de Europische Mercurius’), moesten de bondgenooten de komst van een konvooi uit Luik afwachten, dat, uit 2000 wagens bestaande, met brood en met krijgsbehoeften beladen, den 27sten Julij Marlborough's leger bereikte. Twee dagen later wordt daarop in een krijgsraad besloten tot de onderneming, om de Dyle over te trekken.

Den 29sten Julij, 's namiddags om 5 uur, breekt uit het Hollandsche leger, den linkervleugel uitmakende van Marlbo-

[p. 438]

rough's magt, eene afdeeling op van 18 bataillons en 20 escadrons, de pontons bij zich hebbende en eenige artillerie; die afdeeling wordt aangevoerd door de generaals Oxenstirn, Heukelum en den Hertog van Wurtemberg. Die afdeeling splitst zich in tweeën: het eene gedeelte, onder Heukelum, trekt links op Neeryssche; het andere onder den Hertog van Wurtemberg, trekt regts op Corbeek; Oxenstirn, met de ruiterij, blijft eenigzins achter. Of Neerijssche door de Franschen bezet was, is niet duidelijk; Corbeek was dit wél, mear de kleine magt, die daar stond, werd spoedig door de Hollanders daaruit verdreven. Ten 3 uur 's morgens (30 Julij) worden op beide punten pontonbruggen over de Dyle geslagen, en troepen op den linkerover overgezet; te Neerijssche 2 bataillons voetvolk, 500 grenadiers en 500 fuseliers of snaphaandragers; te Corbeek 500 grenadiers. Twee batterijen zijn op den regteroever der Dyle opgeworpen, om de bruggen te beschermen en het terrein op den linkeroever te bestrijken; die batterijen zijn te zamen met 30 vuurmonden bewapend, zelfs met 40, wil men de Fransche opgaven gelooven. Het geheele leger van Marlborough, des nachts ten 11 uur zijn kamp opbrekende, was naar de Dyle getrokken, de Engelsche troepen op Corbeek, de Hollandsche op Neeryssche; in den ochtend bereikte het de rivier, toen de bruggen gereed waren, batterijen waren opgeworpen en bewapend, troepen aan de overzijde stonden; het leger had niets meer te doen dan over te trekken; de onderneming was, om zoo te zeggen, geheel gelukt, en, om de woorden van den ‘Europischen Mercurius’ te gebruiken: ‘'t scheen nu een gedane zaak te wezen, daar gansch geen zwarigheid meer in stak.’

Toch wordt juist toen de onderneming opgegeven, en op beuzelachtige gronden ziet men af van eene zege, die zoo goed als zeker was. In het Fransche leger was men in den nacht van 29 op 30 Julij onderrigt geworden van de beweging der bondgenooten; maar, onzeker wat het doel dier beweging was, en eene omtrekking van den linkervleugel vreezende, waren de hoofden van dat leger aanvankelijk besluiteloos te Leuven gebleven; totdat eindelijk Villeroi, nader ingelicht omtrent het voornemen des vijands, aan Guiscard bevel gaf om met de ruiterij van den regtervleugel en eenige brigaden voetvolk de Dyle te bezetten, bovenwaarts van Leuven tot aan Neerijssche. De dag was reeds aangebroken, toen Guiscard zich van Berthem in beweging stelde; toen hij nabij

[p. 439]

Corbeek en Neeryssche kwam, waren de beide punten reeds in de magt des aanvallers; toch, toen Marlborough op den linkeroever der Dyle sterke massa's des vijands ontwaarde, oordeelde hij het ongeraden met den rivierovertogt voort te gaan, en gaf bevel de geheele onderneming op te geven. De troepen, die reeds op den linkeroever stonden, keerden naar den anderen oever terug; de pontons werden uit de rivier genomen en weder opgeladen; het leger der bondgenooten verliet de Dyle en sloeg zijn kamp op ten zuidoosten van Leuven en van het bosch van Meerdael, met den regtervleugel te Meldert, den linker te Bossut. In de grootste orde had die aftogt der bondgenooten plaats, die door hun geschutvuur den vijand in ontzag hielden; volgens onze opgaven bedroeg het verlies der bondgenooten aan dooden en gewonden niet boven de 50 man. De Fransche opgaven zeggen dat Neeryssche, omstreeks 8 uur 's ochtends, door de maison du Roi, en de grenadiers te paard, aangevallen en vermeesterd werd; het is echter meer waarschijnlijk dat dit dorp door de Hollanders zonder gevecht ontruimd is geworden.

Dus was de teleurstellende uitkomst van eene onderneming die zoo goed begonnen was. In den reeds vroeger aangehaalden brief van Slangenburg komt ook over deze gebeurtenis het volgende voor: ‘Het ware te wenschen dat Hunne Hoogmogenden goedvonden onderzoek te doen, wiens schuld het geweest zij, dat de aanslag op Neeryssche, waar wij den dertigsten Julij zeer voordeelig en gelukkig gelegerd waren, niet uitgevoerd werd, en waarom de luitenant-generaal Oxerstirn, toen de troepen onder den luitenant-generaal Heukelom alle zwarigheid te boven gekomen waren, met zijne manschap niet voortrukte, waardoor eene zege, die zeer waarschijnlijk was, verzuimd werd.’ Die beschuldiging tegen Marlborough is gegrond; van den overtogt af te zien van eene kleine rivier zoo als de Dyle, terwijl men reeds bruggen daarover heeft, terwijl men reeds batterijen heeft om die bruggen te beschermen, terwijl men reeds een paar duizend man aan den overkant heeft, terwijl het geheele leger gereed kan zijn om dadelijk den overtogt te doen, terwijl dat leger sterker is dan de vijand, niet alleen door het getal, maar ook en nog veel meer door het zelfvertrouwen en de militaire waarde der troepen en de bekwaamheid des aanvoerders, - dat is eene handeling die noch te verdedigen, noch te begrijpen is.

Het is aan Marlborough, dat men met het volste regt het

[p. 440]

mislukken van dien rivierovertogt moet wijten, want hij was de opperbevelhebber, en nergens blijkt het uit dat hij, bij de uitoefening van dit opperbevel, bij deze gelegenheid eenige ernstige tegenstand of tegenstreving heeft ontmoet; - was dit het geval geweest, geen twijfel of men had daaraan evenveel openbaarheid gegeven en daarvan evenveel ophef gemaakt, als later bij de gebeurtenissen van den 18den Augustus 1705.

Maar, om zijn veldheersroem vrij te laten van den smet van dien mislukten overtogt van de Dyle, tracht Marlborough de schuld van het gebeurde op anderen te doen nederkomen; hij treedt hierbij niet op met eene openlijke en bepaalde beschuldiging, die waarschijnlijk tegenspraak en wederlegging zou uitgelokt hebben, maar hij gebruikt het gevaarlijke, maar onedele middel der insinuatiën; hij zegt niet, hij geeft maar te kennen. Den 30sten Julij, uit de legerplaats bij Meldert, in zijn verslag aan de Staten-Generaal over het gebeurde, schrijft hij: .....‘men heeft het niet raadzaam geoordeeld om de onderneming door te zetten;’ en in zijn brief, denzelfden dag aan den Engelschen Staats-Secretaris Harley geschreven, komt even zoo voor: ‘Het werd niet raadzaam geoordeeld om de onderneming te vervolgen;’ - die dubbelzinnige uitdrukking men en het werd, laten het in 't midden, aan wien eigenlijk het mislukken der onderneming van den 30sten Julij 1705 is te wijten. In den volgenden brief aan den Raadpensionaris Heinsius (Meldert, 2 Augustus 1705) herhaalt Marlborough die onbepaalde beschuldigingen; in dien brief, een model van arglist, wordt al wat er verkeerds bij de krijgsverrigtingen heeft plaats gehad, geweten aan de perken die men aan het gezag van den opperbevelhebber heeft gesteld:

‘Mijnheer, ik ben zeer ontstemd, wanneer ik zie hoe alles hier schijnt te zullen gaan, niettegenstaande de overmagt en deugdzaamheid van onze troepen, die ons geen twijfel moesten overlaten aan de goede uitkomst. Maar het is zeker, dat wanneer de zaken hier op denzelfden voet blijven, het onmogelijk zal zijn om met voordeel of goed gevolg iets aanmerkelijks te ondernemen, daar bij elke gelegenheid krijgsraden moeten worden belegd, die alle geheimhouding en spoed onmogelijk maken, waarvan elke groote onderneming afhangt, en die onvermijdelijk bovendien een ander zeer ongelukkig gevolg hebben, daar de bijzondere vijandschap tusschen de vele personen die dan bijeenkomen zoo groot is, en hunne gezindheid en belangen

[p. 441]

zoo uiteenloopende, dat altijd de eene partij zich verzet tegen wat de andere voorstelt, en zij dus nooit eenstemmig zijn.

Ik zeg dit nu niet, omdat ik de eer heb aan het hoofd van het leger te staan; maar het is volstrekt noodzakelijk dat de opperbevelhebber bekleed zij met eene genoegzame magt om te handelen zoo als hem goed dunkt, naar zijn beste weten, zonder verpligt te zijn ooit van zijne voornemens meer mede te deelen dan hij noodig oordeelt. De goede uitkomst van den vorigen veldtogt is onder Gods zegen te danken geweest aan dat gezag, dat ik wensch dat gij mij ook thans geeft, ten beste van het algemeene welzijn en van dat der Staten in het bijzonder. En wanneer gij meent dat een ander beter dan ik dat gezag kan uitoefenen, dan heb ik er niets tegen om mij rustig op te houden in eene der steden van deze landstreek, iets waartoe ik een zeer goed voorwendsel heb, daar ik werkelijk ziek ben.

Ik weet dat dit eene zeer moeijelijke zaak is, maar zij is van het hoogste belang; want zonder dat kan geen veldheer met voordeel aanvallend te werk gaan, of met eer beantwoorden aan het vertrouwen, dat voor het oog der wereld in hem gesteld is.

De luitenant-generaal Hompesch zal u bekend maken met hetgeen ik wil ondernemen, wanneer ik daartoe in staat wordt gesteld; en wanneer ik slaag dan zult gij, daarvan ben ik zeker, erkennen dat dit spoedig den oorlog tot een goed einde zal brengen. Daarentegen wanneer gij, zoo als nu, het legerbeleid aan eene krijgsraad overlaat, dan zal de beste uitkomst, die gij van dezen veldtogt kunt verwachten, zijn, het slechten der liniën en het nemen van Leeuwe. Maar wanneer aan de Franschen, zoo als nu, de tijd gelaten wordt om hun leger door detacheringen van elders te versterken, dan zal het mij aangenaam zijn dat gij eens overwegen wilt, of dit hen niet zal aanmoedigen om ons te verhinderen iets hoegenaamd te doen.

Stond ik niet aan het hoofd des legers, dan zou ik nog veel meer kunnen zeggen over deze aangelegenheid, want ik geloof dat de goede of slechte uitkomst van dezen veldtogt afhangt van het besluit dat gij nu zult nemen; hoe dit besluit ook zij, het komt er op aan om geen tijd te verliezen.’

In een brief, den 3den Augustus 1705 aan den Engelschen Staats-Secretaris Harley geschreven, wijt Marlborough even zoo

[p. 442]

aan de beperking van zijn gezag het onvoldoende der uitkomst van de plaats gehad hebbende krijgsverrigtingen:

‘Mijnheer, ik heb de eer gehad uwe brieven te ontvangen van den 13den en 17den der vorige maand, en ik acht mij gelukkig dat de goede uitslag van hetgeen wij tegen de liniën hebben ondernomen, bij ons zulk eene algemeene tevredenheid heeft verwekt.’ (Hier moet eene vergissing zijn in de dagteekening dier brieven, want eerst den 18den Julij werden de liniën vermeesterd.) ‘Ik moet tevens erkennen dat het een groot ongeluk is geweest, dat wij onze voordeelen niet hebben kunnen doorzetten, terwijl er zoo groot eene verslagenheid bij den vijand was. Ik heb den luitenant-generaal Hompesch naar den Haag gezonden, om met de Staten nadere maatregelen te beramen en te trachten om onze zaken hier op zulk een voet te brengen, dat wij daardoor in staat worden gesteld om onze voordeelen voort te zetten...’

Ook hier is het slechts eene zeer onbepaalde bewering, dat wanneer Marlborough niet meer voordeelen behaald heeft, dit te wijten is geweest aan de beperking van zijn gezag. Iets meer bepaalds komt voor in zijn brief aan den Engelschen Staats-Secretaris Hedges, ook op den 3den Augustus geschreven; daarin wordt duidelijk verwezen op den mislukten overtogt van de Dyle op den 30sten Julij.

‘.....Ik zond gisteren den luitenant-generaal Hompesch naar den Haag, om nadere maatregelen met de Staten te beramen, en te trachten om onze zaken hier op zulk een voet te brengen, dat wij daardoor in staat worden gesteld om onze voordeelen voort te zetten, daar ik de ondervinding heb opgedaan, bij onze poging om de Dyle over te trekken, verleden Donderdag, dat wanneer het opperbevel niet meer uitsluitend bij één persoon berust, wij bezwaarlijk in staat zullen zijn om iets hoegenaamd te verrigten....’

Dit zegt duidelijk: de overtogt van de Dyle is mislukt ‘omdat het opperbevel niet meer uitsluitend bij één persoon heeft berust.’ - Maar, waaruit is dat gebleken? zijn Marlborough's bevelen toen niet gehoorzaamd geworden? hebben de gedeputeerden te velde of Ouwerkerk of anderen zich toen daartegen verzet? Nergens blijkt zoo iets; en toch, had zoo iets plaats gehad, dan lijdt het geen twijfel, of door Marlborough en zijn aanhang zou met grooten ophef daarvan zijn gewaagd. Bij gevolg kan men het zoo goed als zeker beschouwen, dat het

[p. 443]

alleen aan Marlborough's verkeerd beleid is te wijten geweest, dat de overtogt van de Dyle op den 30sten Julij 1705 is mislukt; even als men het ook daaraan wijten moet, dat het leger der bondgenooten na de bij Heylissem behaalde zege niet dadelijk tot Leuven is voortgerukt.

Nu brengt het leger der bondgenooten weder veertien dagen werkeloos door in het kamp tusschen Meldert en Bossut. Zulk eene werkeloosheid komt te dikwijls voor, dan dat het noodig zou zijn te zoeken naar redenen tot verklaring; anders zou men misschien die redenen daarin kunnen zoeken, dat Hompesch nog niet terug was van zijne zending naar den Haag, of dat men van Luik of Maastricht konvooijen met brood wachtte, waarvan men een niet onaanzienlijken voorraad noodig had voor de krijgsverrigtingen die Marlborough beoogde. Gedurende dien tijd van werkeloosheid bij het hoofdleger der bondgenooten, verrigtte intusschen Sparre, uit Staats-Vlaanderen, eene aanvallende beweging; het hoofddoel schijnt hierbij geweest te zijn, een gedeelte van 's vijands magt naar Vlaanderen te trekken; maar die beweging was voor het overige van weinig belang en bepaalde zich tot het overtrekken door de Hollanders van de vaart tusschen Brugge en Gent, en van strooptogten en onbeduidende krijgsverrigtingen naar die zijde.

Hompesch is intusschen uit den Haag teruggekomen bij het hoofdleger, en de gedeputeerden te velde hebben van de Staten-Generaal den last ontvangen, ‘om toe te laten dat de Hertog, ter uitvoering van een oogmerk door hem ontworpen, twee of drie optogten deed, zonder een krijgsraad te beroepen;’ zoo zegt De Vryer, de levensbeschrijver van Marlborough; maar de naauwkeurigheid van die opgave kan in twijfel worden getrokken, daar men in den ‘Europischen Mercurius’ leest, dat juist de operatiën, die wij nu zullen gaan vermelden, voorafgegaan werden door verschillende zamenkomsten van de gedeputeerden te velde en van de generaals, bij het leger aanwezig. Dat ‘oogmerk, door Marlborough ontworpen,’ bestond daarin, om de Dyle op een hooger gelegen punt over te gaan, op wijden kring eene omtrekking van 's vijands regtervleugel te verrigten; daardoor dien vijand te dwingen zijne stelling te verlaten, Leuven en Brussel prijs te geven, of wel, wanneer hij stand hield, hem een veldslag te leveren, die zijn geheelen ondergang kon ten gevolge hebben. Marlborough's operatieplan was goed en kon, werd het goed uitgevoerd, beslissende gevolgen hebben.

[p. 444]

Vóór dat men aan die uitvoering begon, moest men de voeding des legers, gedurende die omtrekkende beweging, verzekeren, en daartoe werd op den 14den Augustus aan de troepen een voorraad brood uitgedeeld voor tien dagen. De zieken en gewonden werden teruggezonden naar Thienen, dat door eene bezetting van 4 bataillons verzekerd werd; 2 andere bataillons bleven in Diest.

Den 15den Augustus, 's ochtends om 4 uur, breekt het leger der bondgenooten op uit zijn kamp tusschen Bossut en Meldert, en in zuidelijke rigting trekkende, komt het dien dag te Corbaix en te Niel S. Martin, twee plaatsjes, digt bijeen gelegen en waarvan het eerste aan Marlborough, het tweede aan Ouwerkerk tot hoofdkwartier verstrekt. Bij dien marsch van den 15den Augustus is Ouwerkerk's leger vooraan geweest en is door dat van Marlborough gevolgd; de marsch is in vijf kolonnes verrigt, twee voor het voetvolk, twee voor de ruiterij en de vijfde voor het geschut en de bagaadje; volgens de Fransche opgaven moet dat geschut bestaan hebben uit 10 vierentwintigponders en 16 mortieren. Het leger werd bij dien marsch voorafgegaan door eenige escadrons ruiterij, eene soort van voorhoede uitmakende; die escadrons gingen reeds om 3 uur 's ochtends op weg; zij hadden bij zich ‘de quartiermeesters en foeriers’ bestemd om ‘het campement af te steeken,’ en ‘twee honderd arbeiders gecommandeerd om de wegen te effenen en gebruikbaar te maaken.’ (‘Europische Mercurius’).

Den 16den Augustus wordt de omtrekkende beweging voortgezet; de bondgenooten gaan de Dyle over, door middel van bruggen te Ottignies en te Sart-Saint-Guillaume, iets hooger dan Ottignies, geslagen; zij komen met den regtervleugel te Génappe, de linker- naar de zijde van het westwaarts liggende bosch Seigneur Isaac. Hier te Génappe worden de beide legers van Marlborough en van Ouwerkerk geheel vereenigd, en tevens 's avonds eene soort van sterke voorhoede gevormd, die uit 20 bataillons en 20 escadrons bestaande, gedeeltelijk troepen van de republiek, bestemd was om onder het bevel van den generaal Churchill, Marlborough's broeder, naar het bosch van Soignes op te rukken.

In het Fransche leger was men onderrigt geworden, dat de bondgenooten in beweging waren; maar nog onzeker aangaande het doel dier beweging, was men daar den 15den Augustus nog werkeloos gebleven. Maar den 16den Augustus in het, zekere onderrigt, dat Marlborough hunnen regtervleugel omtrok, beslo-

[p. 445]

ten de Fransche legerhoofden hunne stelling aan de Dyle te verlaten, en door eene nieuwe stelling achter de Yssche weêr front naar den vijand te maken. Dit geschiedde: den 16den Augustus komt de regtervleugel van het Fransche leger te Overyssche, waar Villeroi zijn hoofdkwartier nam; de linkervleugel komt te Neeryssche. Die stelling achter de Yssche werd, zegt Devault, ‘als onaanvalbaar beschouwd.’ Tegelijkertijd nam men voorzorgen voor Brussel; reeds op den avond van den 15den Augustus was de generaal Grimaldi daarheen gezonden met 9 bataillons voetvolk en 12 escadrons dragonders; den 16den werd die magt versterkt door 9 andere bataillons. Om zich te verzekeren van den steenweg, die van den kant van Génappe door het bosch van Soignes naar Brussel geleidde, werd Pasteur, een befaamd partijganger, Sieur Jacob dit Pasteur, met 6 escadrons dragonders naar Waterloo afgezonden. Te Leuven bleven 3 bataillons en 3 escadrons, die in last hadden onophoudelijk patrouilles uit te zenden om te vernemen of de vijand ook troepen naar de Demer afzond; en daar men niet wist of Marlborough niet soms het oog had op de eene of andere vesting, werden de bezettingen van Ath, van Mons en Charleroi ieder met 1 bataillon versterkt en uit Vlaanderen 2 bataillons naar Dendermonde afgezonden.

Marlborough's leger breidde zich thans uit in die velden, die de heirscharen van Napoleon betraden, toen zij dien heldenstrijd te gemoet gingen, welke hun ondergang zou zijn; maar wat wilde het Britsche legerhoofd? - Ziedaar de vraag, waarop Villeroi en de Keurvorst te vergeefs het antwoord zochten; dan eens verzekerden hunne berigtgevers, dat Marlborough Brussel wilde bedreigen; dan weêr dat hij te Hal de Senne wilde overgaan, op Dendermonde trekken en in Vlaanderen vallen; dan weêr, dat hij strooptogten in Frankrijk wilde verrigten. ‘Die berigten,’ zegt Dévault, ‘hoe vreemd ook en hoe weinig geloofwaardig, werden evenwel bevestigd door den meest vertrouwden berigtgever, die een brief had gelezen van een der gedeputeerden te velde aan een zijner vrienden. De maarschalk Villeroi kon moeijelijk begrijpen, hoe een zoo talrijk leger als dat des vijands zoo ver in het land durfde doordringen met veel geschut en met zijne zware bagaadje, en zich verwijderen van zijn leeftogt, waarvan het maar voor 11 of 12 dagen voorraad bij zich had. Hij kon niet gelooven, dat dit leger de Senne te Hal wilde overtrekken, noch zelfs het doel inzien van eene zoo buitengewone beweging.’

[p. 446]

De maarschalk Marsin is nu ook bij het leger aangekomen en oordeelt dat dit niet sterk genoeg is en er meer troepen van den Rhijn moeten komen. ‘Ook het Hof,’ vervolgt Dévault, ‘was even verwonderd over Marlborough's onderneming, als men dit bij het leger was; het hof meende, dat, om tot eene zoo stoute handeling over te gaan als een aanval op het leger der twee Koningen, die veldheer overtuigd moest zijn, dat zij er belang bij hadden, om het behoud der Nederlanden niet afhankelijk te maken van de uitkomst van eenen veldslag, en het was daarom, dat de Koning aan den maarschalk Villeroi deed weten, dat hij, zonder slag te leveren, den vijand zoo kon bemoeijelijken, dat het dezen berouwen zou tot die onderneming te zijn overgegaan, en dat, wanneer de vijand zijnen marsch vervolgde, de maarschalk vooral eene bijzondere zorg moest dragen voor Antwerpen.’ Lodewijk geeft tevens last, dat Villars nogmaals eene versterking van 8 bataillons en 12 escadrons van den Rhijn naar Nederland zal afzenden; - zulk een last wordt hier gewoonlijk gegeven op het oogenblik dat de versterking, die nog aan moet komen, reeds noodig is; dus, te laat.

Villeroi's leger was nu wel 103 bataillons en 147 escadrons sterk, maar door verschillende detacheringen had hij maar 70 bataillons en 120 escadrons bijeen. Marlborough's leger daarentegen bestond toen, volgens eene slagorde in den ‘Europischen Mercurius’ voorkomende, uit 101 bataillons en 168 escadrons. Neemt men de gemiddelde sterkte aan van 500 man voor ieder bataillon en 150 man voor ieder escadron, dan telden de bondgenooten ruim 75,000, de Franschen 53,000 man. Hierbij dient echter te worden opgemerkt, dat de 11 à 12,000 man, die bij Brussel of in het bosch van Soignes stonden, spoedig bij de hoofdmagt van Villeroi konden worden aangetrokken.

Den 17den Augustus, 's ochtends vroeg, stelde Marlborough's leger zich weêr in beweging; het nam aanvankelijk den schijn aan van naar de zijde van het bosch Seigneur Isaac te trekken; maar regts afslaande, nam het eindelijk stelling met den regtervleugel bij het dorp La Hulpe en de beek van dien naam, - een linker zijtak van de beek van Lasne - en den linkervleugel naar de zijde van Braine-la-Leud; het hoofdkwartier kwam te Frichermont. Men zal de stelling der bondgenooten op den 17den Augustus 1705 het best doen begrijpen door te zeggen, dat zij zoo wat tusschen het bosch van Soignes was en Wellington's slaglinie bij Waterloo, maar eenen eenigzins schuinen

[p. 447]

stand had ten opzigte van die slaglinie. Voor het front van Marlborough's legerkamp had men toen het bosch van Soignes; twee wegen voerden door dat bosch naar de zijde van Brussel: de eene, vóór den regtervleugel, ging van La Hulpe over het klooster Groenendaal; de andere, vóór den linkervleugel, liep over het dorp Waterloo; beide wegen kwamen zamen te Niverdoy, op ongeveer een uur afstands van Brussel. Behalve die wegen liepen daar slechts enkele voetpaden door het bosch, dat, digt begroeid zijnde, als niet door te trekken kon worden beschouwd, vooral voor de legers van die dagen.

Villeroi werd door die bewegingen der bondgenooten nog altijd in het onzekere gelaten aangaande hun wezenlijk voornemen, en het schijnt wel dat bij het Fransche legerhoofd de meening bestaan heeft, dat de vijand door het bosch van Soignes heen op Brussel wilde trekken. Om dit tegen te gaan werd de afdeeling van Pasteur te Waterloo nog versterkt met 1 bataillon en met 350 grenadiers; die partijganger kreeg last om, wanneer hij door overmagt werd aangevallen, terug te gaan op Grimaldi, die met zijn 18 bataillons voetvolk, 12 escadrons dragonders en 10 stukken geschut, stelling nam te Niverdoy, bij de zamenkomst der twee wegen, van Waterloo en Groenendaal komende. Die stelling van Grimaldi was zeer sterk; links leunde zij aan eenige waterplassen of vennen, en regts aan ontoegankelijke ravijnen, die tot aan de rivier de Senne voortliepen. In front wierp men verschansingen op, om die stelling te versterken en vooral den weg van Waterloo af te sluiten; op verschillende punten, zelfs bij de minste voetpaden, waren verhakkingen aangelegd. Tevens deed Villeroi drie brigaden voetvolk op den uitersten regtervleugel overgaan, leunende aan het bosch van Soignes; de plaatsing van die magt daar was minder om den regtervleugel te verzekeren, dien men toch sterk genoeg achtte, dan wel om met spoed Brussel ter hulp te kunnen komen.

Het was intusschen Marlborough's voornemen niet, om door het bosch van Soignes heen naar Brussel te trekken, een marsch, die bij de aanwezigheid van Villeroi's leger op een zeer korten afstand van zijn regtervleugel dan ook zeer gevaarlijk zou geweest zijn. De Britsche veldheer wilde, ten minste zoo heeft hij beweerd, het Fransche leger aan de Yssche aanvallen en slag leveren. Tot dat einde zou de hoofdmagt der bondgenooten, in den ochtend van den 18den Augustus, zich regts in beweging stellen, en de Hulpe

[p. 448]

overtrekken; ‘de Lasne’, wordt in sommige opgaven ten onregte gezegd; het was de Hulpe, een arm of zijtak van de Lasne. - De hoofdmagt der bondgenooten zou vervolgens voortrukken in de ruimte tusschen de Lasne en de Yssche, totdat de hoofden der kolonnes ter hoogte van Neeryssche waren gekomen; dan zou zij zich in slagorde scharen, evenwijdig aan 's vijands slagorde; dit was een noodwendig voorafgaande handeling bij de veldslagen van dien tijd; en daarna zou zij 's vijands stelling achter de Yssche, van Overyssche tot Neeryssche, in front aanvallen. Die frontaanval zou gepaard gaan met een flankaanval, te verrigten door den generaal Churchill, die met zijne 20 bataillons en 20 escadrons, van het dorp La Hulpe naar de abtdij van Groenendaal zou trekken, om vandaar den oostelijken rand van het bosch van Soignes te bereiken, en, uit dat bosch deboucherende, zich op Villeroi's regtervleugel, te Overyssche, te werpen. Om den vijand te misleiden en te doen gelooven, dat het Brussel gold, moesten de generaals Dompré en Grovestins met eene kleine afdeeling van Ouwerkerk's leger de vijandelijke troepen aanvallen, die Waterloo bezet hielden en daar den ingang van het bosch van Soignes afsloten.

Ziedaar het aanvalsplan van Marlborough voor den 18den Augustus 1705, zoo als men dat met waarschijnlijkheid kan opmaken uit wat er gebeurd is. Nergens vindt men echter dit aanvalsplan duidelijk en bepaald vermeld, en zelfs de onderbevelhebbers van het Britsche legerhoofd bleven onkundig aangaande zijne inzigten.

Den 18den Augustus, 's morgens vroeg, valt Dompré bij het dorp Waterloo de troepen van Pasteur aan en drijft deze terug. De Hollandsche bevelhebber vervolgt den vijand en rukt het bosch van Soignes, een half uur ver, in. Hiermede aan het doel van zijne zending beantwoord hebbende, verlaat Dompré het bosch en Waterloo, en volgt den marsch van Ouwerkerk's leger. Pasteur, ziende, dat hij niet vervolgd wordt, keert terug en neemt op nieuw stelling bij Waterloo. - Volgens ééne opgave zou die aanval van Dompré en Grovestins op het dorp Waterloo reeds op den 17den Augustus hebben plaats gehad; waarschijnlijker is het, dat hij in den vroegen ochtend van den 18den werd verrigt, maar geheel duidelijk is de zaak niet.

De generaal Churchill, met zijn 20 bataillons en 20 escadrons, in den vroegen ochtend van den 18den van het dorp La

[p. 449]

Hulpe opgebroken, trekt het bosch van Soignes in en bereikt, zonder tegenstand te ontmoeten, de abtdij van Groenendaal; zelfs dringen troepen van hem door tot nabij het dorp Boitsfort, ten noorden van het bosch, op de vlakte op slechts één uur afstands van Brussel gelegen. Dat doordringen der bondgenooten tot Boitsfort, zou Grimaldi's stelling aan de zamenkomst der wegen van Waterloo en van Groenendaal naar Brussel onnut hebben gemaakt en dien bevelhebber in gevaar hebben gebragt van aan zijn linkervleugel te worden omgetrokken. Om dat gevaar af te wenden zond de Keurvorst twee brigaden voetvolk naar Boitsfort en gelastte aan Grimaldi om bij dit punt den vijand met alle kracht tegen te houden.

Dit was echter niet noodig, want er werd niet aangevallen. Churchill, bij de abtdij van Groenendaal regts afslaande, poogde noordwaarts van de Yssche, bij den oostelijken rand, uit het bosch van Soignes te deboucheren en den Franschen regtervleugel te Overijssche aan te vallen. Hierin slaagde hij echter niet; de oostelijke boschrand was door Fransche infanterie bezet, en de boschwegen door verhakkingen afgesloten. Churchill kon niet verder doordringen dan tot het dorp Hollard, gaf toen de onderneming op, trok terug op Groenendaal, ontruimde verder het bosch, en volgde den marsch van de hoofdmagt der bondgenooten, in de ruimte tusschen de Lasne en de Yssche. - De voorgenomen flankaanval op Villeroi's stelling aan de Yssche bleef dus onuitgevoerd.

Ook de frontaanval bleef achterwege. De hoofdmagt der bondgenooten, 's ochtends ten 3 ure opgebroken, stelde zich regt in kolonne, en ging de Hulpe over, door middel van twee bruggen, eene voor elke linie; Marlborough's leger was vooraan; dat van Ouwerkerk volgde. De marsch ging door bosschen en engten en over moeijelijk terrein, waar zeer goed eene kleine vijandelijke afdeeling het leger der bondgenooten geruimen tijd had kunnen tegenhouden; dit geschiedde echter niet; de Fransche troepen bleven achter de Yssche, met uitzondering van eene kleine afdeeling huzaren, die, op den regteroever der beek gebleven, door de ruiterij der bondgenooten spoedig werd teruggedreven naar den anderen oever.

Toen de Fransche aanvoerders het hoofd van de ruiterij der bondgenooten zagen deboucheren op de vlakte tusschen de Lasne en de Yssche, meenden zij aanvankelijk dat dit slechts eene schijnbeweging was, bestemd om hen hier bezig te hou-

[p. 450]

den, en den marsch naar Brussel te verbergen; de hoofdstad ter hulp te komen, de Yssche te verlaten en Leuven aan zich zelf over te laten, was dan ook in het eerst het voornemen dier aanvoerders, en reeds waren er bevelen in dien zin gegeven. Maar toen men de ruiterij der bondgenooten gedurig verder zag voortrukken. steeds door nieuwe ruiterscharen zag volgen en eindelijk ook door sterke massa's voetvolk, toen begrepen Villeroi en de Keurvorst, dat de stelling bij de Yssche met een aanval werd bedreigd, en daarom, geheel afziende van den marsch naar Brussel, namen zij hunne maatregelen ter verdediging van die stelling. Het was toen omstreeks 7 uur 's ochtends.

Tegen den middag, of iets later, schaarde het leger der bondgenooten zich in slagorde tegenover dat des vijands, tusschen Overyssche en Neeryssche, met de beek tusschen de beide legers. De Franschen hadden dus een aantal uren beschikbaar om zorgvuldig de stelling te bezetten, wier groote sterkte men reeds kent uit de beschrijving van Naudin. De bondgenooten zagen het moeijelijke in van een aanval, op een vijand dien men door het zeer bedekte en doorsneden terrein niet in gesloten orde kon naderen; die, in holle wegen, in dorpen en achter heggen geplaatst, ongehinderd en veilig zijn vuur kon rigten op den naderenden aanvaller, en die, achter zijne voorste en bedekt staande troepen, zijn voetvolk en ruiterij op de opene heuvelvlakte in liniën geschaard had, gereed om zich met overmagt te werpen op de enkele vijandelijke afdeelingen, wie het gelukt zou zijn om, ten koste van groote verliezen en het missen van alle orde en verband, de Yssche over te trekken, en door de moeijelijkheden van den linkeroever dier beek door te dringen.

Bij al die nadeelen, waarmede de bondgenooten zouden te kampen hebben, indien zij 's vijands stelling aan de Yssche aanvielen, voegde zich nog een ander, dat, bij de veldslagen der achttiende eeuw niet zóó beslissend als bij een veldslag in onze dagen, toch ook toen een belangrijk nadeel mogt heeten. Het Fransche leger had zijne artillerie bij zich; de bondgenooten waren zonder artillerie. Waaraan het wegblijven van dit wapen bij den marsch van Marlborough's leger te wijten is geweest, wordt verschillend verklaard; in de brieven van het Britsche legerhoofd komt daarover niets voor; maar bij zijn levensbeschrijver de Vrijer worden Slangenburg ‘en deszelfs aanhang’

[p. 451]

beschuldigd van belet te hebben dat ‘het geschut tijdig genoeg aangevoerd werd;’ - eene beschuldiging, die door niets gestaafd is, en waarin men de uitwerking moet zien van die blinde partijzucht, die tot elken prijs Marlborough's roem wil verheffen, en die daarom al wat er verkeerds gebeurt, aan zijn tegenstander Slangenburg wijt. Mogelijk zou men met meer regt in dat achterblijven van het geschut een bewijs kunnen zien, dat het Marlborough geen ernst is geweest met zijn voorgenomen aanval op de stelling der Franschen achter de Yssche. Andere opgaven - de Europische Mercurius en de levensbeschrijver van Friso - zeggen, dat het geschut niet kon aankomen, uithoofde van den slechten toestand der wegen. Wat hiervan nu moge geweest zijn, zooveel is zeker, dat op den 18den Augustus 1705 het leger van de bondgenooten zonder geschut bleef; eerst den volgenden dag kwam het aan.

Toch besluit Marlborough om aan te vallen, en wel op vier verschillende punten der vijandelijke stelling: op Overyssche, tusschen dat dorp en het dorp Hoelyberge, op Hoelyberge en op Neeryssche. Worden er nu beschikkingen voor die aanvallen genomen, troepen daarvoor aangewezen, bevelhebbers benoemd, voorschriften gegeven; in één woord, heeft er een begin van uitvoering plaats? Niet in het allerminst; hiervan blijkt niets.

Maar in stede daarvan vangt er een twistgesprek aan tusschen Marlborough en de gedeputeerden te velde; deze beginnen het gevaarlijke in te zien van, onder de omstandigheden waarin men verkeert, een veldslag te leveren, en vorderen dat men, alvorens daartoe over te gaan, met Ouwerkerk en alle generaals van het leger zal raadplegen. Die generaals komen ten laatste bijeen, en eindelijk komt men tot het besluit, dat eenige van hen de vijandelijke stelling zullen verkennen, ten einde te kunnen oordeelen over het al of niet raadzame van een aanval op die stelling; - het is toen reeds ver in den namiddag geworden. De verkenning, die door de invallende duisternis niet geheel ten einde kon gebragt worden, had evenwel genoegzaam de sterkte van 's vijands stelling doen inzien, om een aanval daarop als onraadzaam te doen beschouwen; maar toen de generaals terugkwamen om van hunne bevinding verslag te doen, bemerkten zij dat zij zich nuttelooze moeite hadden gegeven: nog vóór hunne terugkomst had Marlborough in arren moede van allen aanval op den vijand afgezien.

In het Fransche leger staat men in gespannen verwachting

[p. 452]

den ganschen dag van den 18den Augustus gereed om 's vijands aanval het hoofd te bieden. Maar die aanval heeft niet plaats, en tegen het vallen van den avond ziet men den vijand zijne tenten opslaan in de ruimte tusschen de Yssche en de Lasne, tegenover de legermagt van Villeroi. Men rekent er nu zeker op, den volgenden dag te worden aangevallen, en daar het blijkbaar is dat Brussel niet meer bedreigd wordt, trekt men de hoofdmagt der troepen, derwaarts gezonden, weder bij het leger aan, en laat alleen Grimaldi daar blijven met 8 bataillons voetvolk en 2 regimenten dragonders; bij Neeryssche, dat gedeelte der stelling waar de ruiterij het meest kan werkzaam zijn, worden 13 escadrons van de Maison du Roi geplaatst. Maar de dag van den 19den Augustus 1705 breekt aan, zonder dat men Marlborough's leger tot den aanval ziet oprukken; dat leger is bij de heggen op de heuvelvlakten op den regteroever der Yssche, zonder troepen vooruit te plaatsen naar de zijde der beek. Alles blijft rustig tot tegen den middag; toen bespeurt men beweging in het leger der bondgenooten; maar een paar uur later ziet men dat leger, in stede van aanvallen, aftrekken en zich van de Yssche verwijderen. Een duizendtal paarden, door Villeroi ter vervolging van den vijand afgezonden, zijn niet in staat om de aftrekkende bondgenooten eenige afbreuk te doen; deze trekken de Lasne over, door middel van bruggen door hen geslagen, en bereiken Wavre, waar zij hunne legerplaats opslaan en tot den 22sten Augustus blijven. Toen weder op den regteroever der Dyle teruggaande, komt Marlborough's leger te Nil-St. Vincent en te Thorembaix Saint Tron, waar het weder eenige dagen blijft.

 

Zoo eindigde met eene volkomene mislukking die onderneming tegen Villeroi's leger, waarvan men zich zooveel had voorgesteld. Die uitkomst deed een storm van misnoegen losbarsten over de gedeputeerden te velde en over Slangenburg; men weet aan hun verkeerd beleid en aan hunne vijandige tegenwerking de verijdeling van Marlborough's grootsche verwachtingen; en de aanhangers van den Britschen veldheer bragten in Engeland de openbare meening in hevige beweging, en stelden dien veldheer voor als het slagtoffer der kuiperijen van bekrompenheid en van afgunst. Was zulk een oordeel alleen het oordeel van dien tijd, het zou minder noodig zijn zich thans nog uitvoerig daarbij op te houden; maar voortdurend,

[p. 453]

tot op den huidigen dag, worden dergelijke beschuldigingen tegen de gedeputeerden te velde van 1705 en tegen Slangenburg ingebragt; het is dus noodig en goed, om te onderzoeken, wat er van die beschuldigingen is; daarom zullen wij hier, op het gevaar af van onze lezers te vervelen, met eenige uitvoerigheid de bijzonderheden toelichten van gebeurtenissen, die tot nu toe niet grondig genoeg bekend zijn en niet met juistheid beoordeeld worden.

Allereerst: wat zegt de hoofdpersoon bij dit alles, Marlborough? Welke klagten uit hij, welke beschuldigingen brengt hij in?

Den 16den Augustus, uit de legerplaats bij Génappe, begint Marlborough een brief aan Sparre, en gewaagt daarin van de voorgenomene bewegingen tegen het Fransche leger. Die brief wordt echter niet dadelijk afgezonden, maar den 19den uit Wavre vervolgd, en besloten met het volgende postscriptum:

‘Drie dagen geleden wilde ik u dien brief toezenden, maar geen gelegenheid hebbende om u dien te doen geworden door de drukten van onzen marsch, deel ik u thans ook het slechte nieuws mede, dat ons geheele ontwerp verijdeld is. Gisteren zijn wij tegenover den vijand gekomen, en mijnheer van Ouwerkerk en ik, de posten verkennende die wij wilden aanvallen, hadden wij alle reden om op een gelukkigen dag te hopen; maar toen er niets meer te doen viel dan de troepen vooruit te doen gaan en te beginnen, wilden de heeren gedeputeerden hunne andere generaals raadplegen, en daar deze van gevoelen verschilden met mijnheer van Ouwerkerk en met mij, hebben de gedeputeerden niet goedgevonden hunne toestemming te geven tot den aanval, zoodat wij genoodzaakt zijn geworden van de onderneming af te zien en terug te keeren om de liniën verder te slechten en Leeuwe te nemen. Gij kunt oordeelen, hoe zeer mij dit verdriet; maar ik zie dat er met die heeren nooit middel zal zijn om aanvallend te handelen, daar zij niets willen wagen, zelfs al is het voordeel geheel aan hunne zijde.’

Op officiële wijze worden de klagten en beschuldigingen herhaald in een brief aan de Staten-Generaal (Wavre, den 19den Augustus 1705):

‘Hoog Mogende Heeren, Naar hetgeen ik reeds de eer had den 13den dezer maand aan U.H.M. te schrijven, is het leger verleden zaturdag zijn marsch begonnen. Dien dag hebben wij gekampeerd te Corbaix en te S. Martin; den volgen-

[p. 454]

den dag te Génappe; maandag zijn wij te Frischermont gekomen; gisteren zijn wij voor het aanbreken van den dag in beweging geweest, en na verschillende défilés te zijn doorgetrokken, zijn wij in eene vrij ruime vlakte gekomen, waar wij, zoo als wij verwachtten, den vijand vonden, tusschen Overyssche en Neeryssche, en met de beek de Yssche voor zich. Tegen den middag, of iets later, was ons geheele leger in slagorde geschaard, en met Mijnheer van Ouwerkerk de vier posten hebbende bezigtigd die ik wilde aanvallen, vleide ik mij reeds, aangezien de deugdzaamheid en overmagt van onze troepen, weldra Uwe H.M. te kunnen gelukwenschen met eene roemrijke overwinning. Maar eindelijk, toen er niets meer te doen viel dan aan te vallen, heeft men niet goed geoordeeld om de zaak door te zetten. Ik ben verzekerd dat de Heeren Gedeputeerden van Uwe H.M. hun de redenen zullen mededeelen die bij hen, zoowel van de eene als van de andere zijde, zijn te berde gebragt; en dat zij tevens Mijnheer van Ouwerkerk regt zullen laten wedervaren, door U te melden dat hij in mijn gevoelen deelde, dat de gelegenheid te gunstig was om haar te laten voorbijgaan; maar ik heb mij evenwel onderworpen, hoewel met veel leedwezen.

Heden zal ik met de Heeren Gedeputeerden en met Mijnheer van Ouwerkerk spreken, opdat zij de noodige bevelen geven voor den aanval op Leeuwe, en om tevens het slechten van de liniën voort te zetten.

P.S. Mijn gemoed is zoo vol, dat ik niet kan nalaten bij deze gelegenheid aan Uwe H.M. voor oogen te houden, dat ik hier thans veel minder magt heb dan toen ik verleden jaar de eer had hunne krijgsmagt in Duitschland aan te voeren.’

En eindelijk, in een brief aan Graaf Wratislaw (Wavre den 20sten Augustus 1705), komt de volgende uitdrukking voor over den voorgenomen aanval op de Fransche stelling bij Overyssche:

‘.....'t Is waar, dat de onderneming wel wat ernstig zou zijn geweest en ons volks gekost zou hebben; maar naar alle waarschijnlijkheid, in aanmerking genomen onze overmagt en de deugdzaamheid onzer troepen, zouden wij eene der volkomenste overwinningen hebben behaald, wat van het uiterste gewigt zou zijn geweest voor de verbondene mogendheden.’

Wat zeggen nu de beschuldigden, de gedeputeerden te velde, de heeren Rouwenoort, van Heemskerk en van Schagen?

[p. 455]

In hun brief aan den Raadpensionaris Heinsius, van den 19den Augustus 1705, melden zij de marschen van den 15den, 16den en 17den, en eindelijk den opmarsch van den 18den naar de Lasne en de Yssche, en vervolgen daarop: ‘Doch wij hebben, de Lane gepasseerd zijnde (alwaar wij verwonderd waren dat zich geen vijand bevond, om zoo difficile passage te disputeren), aan de andere post, te weten de Issche, zo veel te meerder swarigheden ontmoet: want wij vonden (behalven dat er, volgens het zeggen van drie generaals, die daaromtrent gerecognosceerd hebben, geen terrain was om met de ruiterij te passeeren) de posten aldaar zo difficiel, en het geheele vijandlijke leger zo wel geposteerd om dezelve te defendeeren en ons te ontvangen, dat wij meenden, dat geen tentamen daartoe behoorde gedaan te worden, zonder alvorens de sentimenten van den Heere van Ouwerkerk en de verdere generaals en lt. generaals deswege ingenomen te hebben: en hebben wij dezelve, behalve den Heer van Ouwerkerk, unanimiter van sentiment bevonden te zijn, dat het attaqueeren van den vijand in de voorsz. post van de uiterste consequentie en het grootste hazard voor den Staat en de Gemeene zake zoude zijn geweest; allegeerende voor redenen, dat aangezien de vijand niet als met veel desavantage en gevaar van onze kant zoude konnen geattaqueerd werden, wij, ingevalle van een nederlage, in de uiterste verlegentheid zouden hebben kunnen geraken: eensdeels omdat wij zo verre in 's vijandts land zijnde geavanceerd, geene steden nog hospitalen zouden gehad hebben, om onze gekwetsten in te brengen: als om dat de vijand in het voorsz. geval ons zeer ligt den toevoer van brood zoude hebben konnen belemmeren en afsnijden: behalven dat ook noch de gemelde generaals oordeelden, dat de zaken van de Hooge Geallieerden en van onze Republicq, die eenige van gemelde zeiden dat volkomen in de waagschale gebragt wierden, nog in dien staat niet waren om zulk een desperaat werk, gelijk zij het noemden, aan te vangen.

‘De Heer Hertog van Marlborough was wel van sentiment, gelijk mede de Heer van Ouwerkerk, dat de voornoemde zaake doenlijk was: dog wij hebben niet konnen resolveeren in een werk van zo groote importantie toe te stemmen, tegens het sentiment van alle de generaals van dat leger, in het welke Haare Hoog-Mogenden ons de eere hebben gedaan van ons te deputeeren.’

Verder zeggen de gedeputeerden, dat zij hebben voldaan aan

[p. 456]

de bevelen der Staten, ‘om zonder het houden van een krijgsraad te mogen toelaten, dat den Hertog van Marlborough een marsch twee of drie zoude doen, tot uitvoering van eenig dessein bij Zijn Excellentie geformeerd;’ zij voegen er echter bij, ‘dat allen den Generaals van ons leger zeer vreemd is voorgekomen, dat zij van de voornoemde gedane marches niet de minste kennisse hebben gehad.’

Die brief van de gedeputeerden te velde aan den Raadpensionaris Heinsius, of aan den griffier Fagel, wat wel hetzelfde zal geweest zijn, is geschreven gelijktijdig met den brief van Marlborough aan den Raadpensionaris; de eerste brief is dus natuurlijk nog geene beantwoording of wederlegging van den tweeden. Toen echter die brief van Marlborough in druk werd uitgegeven en in menigte in het leger werd verspreid om daar de gemoederen op te hitsen, achtte Slangenburg het noodig in eene wederlegging te treden van hetgeen in Marlborough's schrijven voorkomt; de Hollandsche generaal doet dit in een brief aan den griffier Fagel van den 27sten Augustus 1705, een brief, die niets meer of minder is dan eene bepaalde akte van beschuldiging tegen Marlborough's beleid als veldheer. In dien brief zegt Slangenburg:

‘Den agttienden kregen wij bevel om 's Hertogen van Marlborough's leger te volgen, die te Hulpe de rivier van dien naam overtrok, op welke men twee bruggen geslagen had, namelijk een voor iedere linie; en nadat men door verscheiden moeilijke engten, bosschaadjes en holle wegen voortgetogen was, kwamen wij voor het kasteel en dorp Overysche, zijnde de vijanden aan de andere zijde der riviere de Ysche zeer voordeelig gelegerd, alzoo zij alle diepe wegen, heggen, huizen en het dorp zelfs met hun voetvolk hadden bezet, agter welke hunne paerden in slagorde stonden. Den voorgaanden dag had de Hertog van Marlborough een hoop volks van twintig bataljons afgezondert, onder welke zes van dezen Staat waren, bij welke hij nog negen eskadrons van denzelven en elf anderen uit zijn leger, en dus te samen twintig eskadrons voegde. Het gebied over dezen hoop werd buiten ons weten opgedragen aan den generaal Churchill, die met deze troepen denzelven dag met ons opbrak en dwars door het bosch van Sonië tot aan het dorp Hollard voorttoog, alwaar hij onmogelijk vond om dat met zijne manschap door te trekken, vermits hetzelve door 's vijands voetvolk geheel bezet was. De generaal Churchill gaf hiervan terstond

[p. 457]

bericht, en gedurende onzen aantocht naar Hulpen vernamen wij, hoe hij 't onmogelijk had gevonden om op die plaatse door te breken. Hierop, na zijne terugkomste, oordeelden wij, dat het ontwerp 't welk men gevormd had, was om den vijand in de zijde aan te tasten, terwijl de twee legers dien van voren besprongen. De vijanden stelden zich tegen ons met twee liniën voetvolk en twee liniën ruiterije in orde, dewelke op de genoemde plaatse zoodanig geschaard waren, dat 't grootste deel hunner krachten tusschen Overyssche en het bosch stond. Zoo ras wij aankwamen werd het leger van dezen Staat in slagorde gesteld, ten minste voor zooverre het voetvolk zulks eenigzins doen konde; maar 's Hertogen heir vorderde in het geheel niets. Des morgens omtrent tien uren bereikten wij de vlakte van Overyssche en wij bleven daar tot vijf uren na den middag, zonder dat ons, zooveel ik wete, nog iets was medegedeeld van 't ontwerp dat men had gevormd.

Tusschen vijf en zes uren ontfingen wij bevel om ons bij de Heeren gedeputeerden van Hunne Hoog Mogenheden en bij den Hertog van Marlborough te vervoegen; en wij daar gekomen zijnde, gaven hunne Edelmogenheden ons kennisse van het oogmerk om den vijand op vier verscheide plaatsen, namelijk eerst te Overyssche, 2. tusschen Overyssche en Holberge, 3. bij het dorp Holberge en eindelijk te Neeryssche, te bespringen; waarover hunne Edel Mogenheden mij mijn gevoelen afvraagden. Ik antwoordde hun, dat ik gekomen was zonder te weten dat men eenig voornemen in 't oog had; dat zij, die zulks ontworpen hadden, buiten twijfel ook maatregels ter uitvoeringe beraamd en dezelve voorgesteld zouden hebben; dat ik die ook met allen eerbied die mogelijk was zou helpen uitvoeren; en dat ik voor 't overige geenszins in staat was om mijn gevoelen thans te zeggen.

De Heeren Gedeputeerden vonden toen goed de generaals Tilli en Salisch, nevens de luitenant-generaals van 's Heeren van Ouwerkerk's leger te doen roepen, opdat dezelven daarover ook hun gevoelen mogten zeggen, waarop wij antwoordden, dat wij alles 't gene ons bevolen werd, met alle mogelijke vlijt en onderwerpinge zouden trachten uit te voeren.

De Hertog van Marlborough voer over deze zake geweldig uit en zeide, dat men voor Gode nog voor de menschen niet konde verantwoorden, indien de vijand niet aangetast wierd. Dusdanig eene inleiding verplichtte ons om ons gevoelen met

[p. 458]

eene gemeene stemme te uiten, namelijk dat het ons niet mogelijk was iets anders te doen dan het gehoorzamen en uitvoeren der bevelen die ons gegeven werden: dat wij ook niet goedvonden om ons bloot te stellen voor de verwijten die men ons vervolgens zou kunnen doen, over dat wij, in het gezichte des vijands, de uitvoering van een oogmerk, 't welk buiten ons weten vervormd was, en ons hier eerst voorgesteld werd, belet hadden; en dat wij niet verantwoordelijk wilden zijn voor de gevallen die hierop volgden.

Hunne Edel Mogenden vonden ook goed om ons te bevelen, dat wij ons gevoelen zouden zeggen, zoo over de gelegentheit van den grond, als of wij oordeelden dat het ontwerp uitvoerlijk was; eene zake die de generaals gezamenlijk weigerden te doen, zoodat de Heeren Gedeputeerden zich verplicht vonden hen daartoe met zeer sterke uitdrukkingen te nopen, ja hun zelfs te zeggen, dat zij Hunne Hoog Mogenheden de namen dergenen dewelke weigerden te gehoorzamen, zouden overschrijven; waarop de generaals van het gemelde leger, een yder volgens zijn eigen gevoelen en in gehoorzaminge van den last dien zij ontfangen hadden, verklaarden, dat dien post geenszins te overweldigen was; dat de vijand daar met zoo veel volks en zoo voordeelig gelegerd stond, dat de aanval niets anders kon naar zich slepen, dan eene volkomene vernieling van de geheele Staatsche krijgsmacht, waartoe zij geenszins hun raad konden geven. Ik voegde daarbij dat ik veertig jaar gedient had, maar in al dien tijd nimmer een aanval van deze nature had zien voorstellen, veelmin in overweginge nemen; gelijk mede dat niemant der Generaals een gezicht had kunnen nemen van den toestand des gronds, nog van de wijze hoedanig de vijand van het dorp en kasteel Overyssche tot aan het bosch gelegerd was; en dat zij zelfs niet beter van zijne andere posten konden oordeelen. Men verzogt ook dat de andere generaals van den Staat, die in 's Hertogen van Marlborough's leger waren, van gelijken gehoord mogten worden om hun gevoelen te uitten, het welk niet werd gedaan: maar na verscheiden gesprekken tusschen de Heeren Gedeputeerden, den Hertog en den Heer van Ouwerkerk vond men goed dat de generaals Noyelles, Tilli, Salisch en ik, de vier genoemde posten, dewelke men voor had te bespringen, zouden gaan beschouwen, opdat wij berigt mogten brengen van den staat waarin wij dezelven bevonden hadden; 't welk de generaal Noyelles van zich schoof.

[p. 459]

De andere genoemde generaals vervoegden zich nevens mij naar die plaatsen, en men gaf ons den kwartiermeester-generaal der Hanoversche troepen, Stark geheten, nevens den brigadier Botmar, om ons den grond (dien men uitgekozen had) te wijzen. Met dezen beschouwden wij eerst den post tusschen Overyssche en Holberge, alwaar wij zagen dat aan de overzijde van de riviere de Yssche een groote moerassige grond was, door de welke eene kleine rivier liep, die eene streek lands bespoeld hebbende, zich aan den kant der boschaadjes, heggen en diepe wegen in de rivier de Yssche worp; dat de grond aan wederzijden der Yssche mede moerassig was, en dat de vijand met allen vlijt arbeidde aan eene verschansing op een klein stukje open lands, 't welk dwars doorsneden werd door eenen grooten of heeren weg, die tusschen de gezeide boschaadjes en heggen henen ging. Van hier begaven wij ons naar den derden post van Holberge, daar wij geen andere weg zagen om den grond aan de overzijde der Yssche te winnen, dan door het dorp Holberge zelfs, 't welk men niet dan ten hoogsten met drie of vier man in het gelid doortrekken konde; dat de twee zijden des dorps omringt waren met heggen, die hetzelve, nevens een hollen weg, dewelke ook om het land liep, in de lengte doorsneden; dat aan de andere zijde van het dorp en de kerk nog een zeer holle weg was, gelijk mede eene zeer dikke en hooge hegge, die dwars door het land liep; dat de beide zijden der Yssche mede zeer moerassig waren; en dat men aan de rechte zijde een zeer lage grond, maar aan de andere zijde een groot bosch had.

Wij vervolgens aan den vierden post te Neeryssche gekomen zijnde, was het reedts te laat, om dien te beschouwen, zoodat wij wederkeerden om ons verslag te doen. In deze wederkomste vraagde de Heer Salisch aan den Brigadier-Generaal Botmar en aan den Kwartiermeester-Generaal Stark, of de grond en de toestant dezer posten bezwaarlijker was om den vijand te overweldigen dan die van Hochsstet, waarop zij antwoordden, wel driemaal bezwaarlijker; hetwelk den generaal Salisch deedt zeggen, dat hij zich zeer verwonderde hoe men dusdanige ontwerpen om eenen vijand die zoo voordeelig gelegerd was, te bespringen, op het tapijt bragte, daar de aanval van Hochstet voor eene vermetenheid aangezien, en als zoodanig door verscheidene berispt was; waarop deze Heeren niets inbragten, en, ons verlatende, naar hunne legerplaatse keerden.

Wij voortgaande om den Veldmaarschalk ons bericht te bren-

[p. 460]

gen, zagen in het passeren van eenen weg, die langs de twee zijden der heggen, waar achter de Veldmaarschalk gelegerd was, liep, den Hertog van Marlborough voorbij rijden, zonder dat hij ons toesprak. Vervolgens kwamen wij bij den Veldmaarschalk, dien wij in zijne kales vonden slapen, en deden denzelven ons verslag, zonder dat wij dezen avond, nog ook den volgenden dag, van het bespringen des vijands hoorden spreken: integendeel gaf men bevel om de werklieden de wegen te doen slegten, en de bruggen over de rivier de Laan te slaan, over welke de artillery nevens de grove pakkaadje gevoerd werd, en wij kwamen ons na den middag op de hoogte van Waveren begeven, alwaar wij tot den twee en twintigsten bleven, toen wij optogen om onze oude legerplaats van Niel Sant Martyn en Sant Vincent te betrekken, van waar wij gisteren, den zes en twintigsten dezer maand, te Perve gekomen zijn.

Ik voeg hierbij, dat de Hertog van Marlborough den generaal Churchill orde had gezonden om zich met den hoop van twintig battaljons en twintig eskadrons uit het bosch van Sonië weder bij het leger te vervoegen, gelijk met'er daad geschied was, voor dat ik of eenige generaals waren verstendigt van het voornemen, om den vijand op de gemelde vier posten te bespringen. Zelfs kwam de generaal-majoor Bulaw, die de ruiterij onder den generaal Churchill gebood, terug, terwijl men over dat voornemen raadpleegde en het gevoelen der generaals van 't leger hunner Hoog Mogenheden afvraagde. Ja, dat gansche ligchaam troepen was toen reets in de vlakte, agter onze liniën gekomen.

Uit dit alles kunt gij, Edele Heer, zoowel als hunne Hoog Mogenheden oordeelen, hoevele der aanzienlijkste generaals het onmogelijk vonden om eenen vijand, dewelke al het voordeel aan zijne zijde had, te bespringen, voordat men het gevoelen van alle generaals des legers had ingenomen. Maar boven dit alles moet men ook aanmerken, dat, nog in het leger van den Hertog, nog in dat van dezen Staat, eenige troepen of generaals, ter beginninge des aanvals op de bijzondere posten, waren afgezondert of heengezonden; dat er geene artillery voorhanden, nog geschut of hawbitsers op de batterijen waren; schoon de vijand, voor den middag, al zijn geschut op de schietkatten gevoerd en dezelve voordeelig geplaatst; en dat er nog geen troepen naar Nederyssche waren afgevaardigt, immers voor zooveel tot onze kennisse is gekomen. Doe hierbij dat

[p. 461]

het onmogelijk geweest zou zijn om voor donker iets te beginnen, als men let zoowel op de groote omtogten die men verpligt was te doen, om daar te komen, als dat men geene toebereidselen om de bespringing op eene der vier posten te beginnen, had gemaakt. Deze was de reden waarom ik den Heeren Gedeputeerden zeide, dat men van gevoelen was om den vijand niet te bespringen, en dat, indien men mijn gevoelen vraagde over deze zake die zoo weinig mogelijk scheen, zulks naar eenen stap geleek, welke dienen zou om, ingevalle men weigerde dezelve te ondernemen, de schuld des kwaden uitslags op onzen hals te schuiven. Waarom al de generaals van dit leger ook met reden zeiden, dat zij met alle mogelijke eerbiedigheid aan de bevelen die men hun gaf, gehoorzamen zouden, schoon zelfs vele der voornaamste generalen van 's Hertogen leger verklaard hadden dat de aanval niet uitvoerlijk was.’

Slangenburg beantwoordt vervolgens wat voorkomt in Marlborough's brief aan de Staten-Generaal van den 19den Augustus 1705:

‘.... De inhoud van denzelven is voor ons onverstaanbaar, vermits daarin wordt gesteld, vooreerst, dat omtrent den middag al het heir in slagorde was geschaard, daar wij de minste orde niet ontvangen hebben om dezelve te vormen, daar de ruiterij des Heeren van Ouwerkerk, die den linkervleugel moest beslaan, geen gronds genoeg had om zich in orde te schikken, en dat men behalven dit, de dingen die noodzakelijk tot het begin waren, noch gedaan, noch bevolen had. Ten tweeden, dat de Hertog met den Veldmaarschalk de vier posten, dewelke men bespringen wilde, volkomen beschoud hebbende, zich vleide, dat, de goedheit en meerderheit van hunner Hoog Mogenheden troepen aangemerkt zijnde, hij dezelven ras met eene roemrijke overwinninge zou hebben kunnen gelukwenschen, even als of er niets te doen was dan aan te vallen; dat men vervolgens niet goed vond den aanval voort te zetten; en, om alles in één woord te besluiten, dat hij vertroude dat de Heeren Gedeputeerden Hunnen Hoog Mogenheden de redenen die voor en tegen bijgebragt werden, bekend zouden maken, gelijk mede aan den Heer van Ouwerkerk dat recht doen om te zeggen, dat die van hetzelfde gevoelen met hem was. Deze zake is ook nimmer tot onze kennisse gekomen. Integendeel hebben wij de zaak nooit anders begrepen, dan dat de Heer van Ouwerkerk van ons gevoelen was, volgens 't gene hij mij

[p. 462]

in 't bijzonder had gezegt, dat de onderneming bezwaarlijk was: maar naar 's Hertogen zeggen, dat de twee hoofden in één gevoelen waren, zijn wij verwonderd dat men ons de minste kennisse heeft doen hebben noch van eenige beschikking, noch van eenige orde tot den aanval, gelijk men buiten ons weten daartoe de bevelen gaf in de verovering der liniën te Neer-Hespen; dat men eene gelegenheit hebbe laten voorbijgaan, die, gelijk gezegd word, ons eene gloryrijke overwinning kon gegeven hebben; dat de generaal Churchill met zijn lichaam benden is teruggeroepen, ja zelfs reeds digt bij teruggekomen was, voordat men ons van het minste voornemen kennisse gegeven had; dat toen den generalen Tilli, Salisch en mij last gegeven was om de andere posten te gaan beschouwen, en wij des avonds vandaar teruggekomen waren om verslag te doen, men ons nimmer uitgebreider bevelen opgeleid noch zelf eens gesproken heeft; en dat men na het ter zijde leggen des aanslags, toen wij naar Waveren in optocht waren, ons in geenerlei zake tegengesproken heeft.’

Hier volgt nu nog de reeds vroeger aangehaalde herinnering aan den 30sten, - de mislukte rivierovertogt bij Neeryssche, - en aan het vermeesteren der liniën op den 18den Julij. In één woord, de geheele brief is, zoo als reeds gezegd is, eene bepaalde akte van beschuldiging tegen Marlborough.

Wie had nu bij deze zaak gelijk? Niemand: allen hadden ongelijk.

De Staten-Generaal hadden ongelijk, met niet volle magt te laten aan het legerhoofd.

De Gedeputeerden te velde hadden even zoo ongelijk, met zich te mengen in het opperbevel; dit was hunne opdragt, zal men zeggen; goed, doch zij hadden het verstand moeten hebben om zich met het legerbestuur alleen dan in te laten, wanneer dit slecht ging, wanneer het volstrekt noodig was zich met de zaak te moeijen; zij hadden moeten doen zoo als later Goslinga deed.

Slangenburg en de Hollandsche generaals hadden ongelijk, met een eigen bevel te willen voeren, onafhankelijk van dat van Marlborough.

Marlborough, eindelijk, had ongelijk, met zich die beperking van zijne magt te laten welgevallen; hij had moeten weten te bevelen; maar het is alsof hij hier eene soort van komedie speelt, zich het beperken van zijne magt getroost, die beperkingen zelfs opzoekt, om daardoor eene verontschuldiging

[p. 463]

te vinden voor de verkeerde wijze waarop hij dezen veldtogt bestuurde.

De Vrijer, de levensbeschrijver van Marlborough, geeft van Slangenburg de volgende schets, die natuurlijk niet overdreven gunstig is:

‘Frederik Joan baron van Baer en heer van Slangenburg, een Geldersch edelman, was sedert vele jaren in den krijgsdienst der Nederlandsche Republyke geweest. In den jare 1672 deed hij zich reets als Kornel uitmunten’ (denkelijk is dit onjuist; want in 1674, toen hij te Séneffe gewond werd, was hij luitenant-kolonel), ‘en gaf sedert vele preuven zijner dapperheit, tot dat hij in den jare 1689, toen hij 't ampt van luitenant-generaal des voetvolks bekleedde, wegens geschil met den Prinse van Waldeck, voor sommige jaren van den dienst werd verlaten. Na den dood van dien Prinse, in den jare 1694, trok hij weder te velde, en werd deswegens met het begin des tegenwoordigen oorlogs, in de gemelde waerdigheit ook gehandhaaft. Het jaer 1703 begost voornamelijk blijken op te geven van zijne ongemeene eerzucht en zonderlinge gesteltenisse van gemoedsaart, die hem noopte om, als Cesar, niemand boven zich in 't heir te dulden. Het overlijden des graven van Athlone, in den beginne van dit jaar, verschafte hem hiertoe de eerste gelegenheit, wijl hij daardoor, nevens andere bevelhebberen, op hooger bevordering doelde; maar ten vollen openbaarde zich zulks na den strijd van Ekeren; want 't harte hem gewassen zijnde door den roem dien hij in dat gevecht verworf, was zulks oorzaak dat hij alle gebied over zich voor ondragelijk hield.....

‘....Het is zeker dat de Heer van Slangenburg een wakker krijgsman en generaal was, die dikwerf doorslaande blijken van zijnen moed en zijne krijgskunde had gegeven; maar zijne eerzucht voerde hem te verre. Den Hertog van Marlborough haatte hij als eenen vreemdeling, aan wien de Nederlandsche generaals gehoorzamen moesten, en die ook den graaf van Noyelles boven hem handhaafde, en den veldmaarschalk Ouwerkerk omdat die hem boven 't hoofd gesteld was; want inderdaad was hij ouder hopman dan denzelven en kon met recht naar 't eerste krijgsampt dezer republyke dingen, gelijk hij dat naar oogschijn ook zou verworven hebben, tenzij zijn godsdienst, die Roomschgezind was, daartoe een onverwinnelijke hinderpaal gestrekt had. De Staten, schoon in de keuze der

[p. 464]

bevelhebberen geenszins ziende naar de Kristensche sekte welke dezelve volgen, konden echter niet goedvinden om tot oppergebieder harer krijgsmacht eenen persoon te benoemen, die een godsdienst zoo verschillend met den hunnen was toegedaan; zoo omdat men sedert de oprichting des gemeenenbests daarvan geen voorbeeld had gezien, nog ook gezint was dat voor 't vervolg te stellen, en dat men daarenboven vreesde voor eene opschudding onder de ingezetenen, die door zoo ongewoon een zake ligt aan 't hollen konden raken. Maar de Heer Slangenburg, in plaatse van deze aanmerkinge met aandacht te overwegen, vierde zijner eerzucht en zijnen hoogmoed den vollen toom, en stelde alles in 't werk wat mogelijk was om den Heer Ouwerkerk den voet te ligten en Marlborough's aanzien te knakken.......’

De brief van Slangenburg aan Fagel geeft stof tot verschillende aanmerkingen.

De vijandschap tegen Marlborough is daarin onmiskenbaar. Daartoe heeft natuurlijk ook bijgedragen Marlborough's brief van den 19den Augustus 1705 aan de Staten-Generaal; die brief was openbaar gemaakt door een drukker, ‘die het afschrift van de bedienden des Engelschen gezant's ontfangen had’ (de Vrijer), en, volgens Slangenburg's schrijven, waren ‘met den post van gisteren honderden afdruksels’ naar het leger gezonden. De toon, waarop in Slangenburg's brief van Marlborough wordt gewaagd, is geheel vijandig: ‘hij voer geweldig uit;’.... ‘wij reden den Hertog voorbij, zonder dat hij ons toesprak;’ enz. - Van de overwinning van Hochstett wordt met misprijzing gesproken, en aan den generaal de Salis de woorden toegeschreven ‘dat de aanval van Hochstett voor eene vermetenheit aangezien, en als zoodanig door verscheidene berispt was.’

Ook de vijandschap tegen Ouwerkerk en Noyelles straalt in dien brief door; de laatste ‘schuift de verkenning van's vijands stelling van zich;’ Ouwerkerk, toen men hem verslag komt brengen van die verkenning, ‘vindt men slapende in zijne kales.’ - Ouwerkerk, die volgens Marlborough voor den aanval op 's vijands stelling was, is, volgens Slangenburg, daar tegen geweest, ‘omdat de onderneming bezwaarlijk was.’ Het waarschijnlijkste is, dat ‘le bonhomme Ouwerkerk’, zoo als Goslinga hem in zijne gedenkschriften noemt, een van die zwakke of toegevende karakters is geweest, die geen weêrstand

[p. 465]

weten te bieden aan sterke of hevige drangredenen. Marlborough, met zijne wegslepende welsprekendheid, zal hem overtuigd hebben dat er moest worden aangevallen, en Ouwerkerk zal met hem hebben ingestemd; en toen Slangenburg, met zijne onstuimige hevigheid, hem zal hebben aangetoond, dat het dwaasheid was om aan te vallen, zal Ouwerkerk ook dezen gelijk hebben gegeven. Zulke karakters zijn zoo zeldzaam niet.

Verder straalt in dien brief de meening door, dat het leger der Republiek iets geheel afgescheidens moet zijn van het leger van Marlborough; dat het Engelsche legerhoofd niet te beschikken heeft over de Hollandsche troepen, zonder de toestemming of voorkennis van de Hollandsche bevelhebbers; en dat zelfs alle handelingen en bewegingen van het leger der bondgenooten vooraf in eenen krijgsraad besproken moeten worden en ter kennis gebragt van de verschillende generaals. ‘Buiten ons weten,’ schrijft Slangenburg, ‘werd Churchill aan het hoofd gesteld der voorhoede, waarvan een gedeelte uit troepen der Republiek bestond. Tegenover de vijandelijke stelling bij de Yssche komt ‘het leger van dezen Staat’ in slagorde, zoo veel mogelijk; ‘maar 's Hertogen heir vorderde in het geheel niets;’ - dus, beide legers onderling afscheidende, aan elkander overstellende, en zelfs het Engelsche in een minder gunstig daglicht plaatsende. ‘Wij zijn verwonderd dat men ons de minste kennisse niet heeft doen hebben noch van eenige schikking, noch van eenige orde tot den aanval, gelijk men buiten ons weten daartoe de bevelen gaf in de verovering der liniën te Neer-Hespen.’ - Slangenburg verwondert er zich over, dat men van den aanval op 's vijands stelling afzag, zonder het verslag af te wachten van de generaals welke die stelling hadden verkeerd, en dat men later de meening van hen, die den aanval hadden afgeraden, ‘in geenerlei zake tegengesproken heeft;’ en, zoo als men reeds gezien heeft, maken de gedeputeerden te velde aan de Staten-Generaal kenbaar, dat ‘alle generaals van ons heir het zeer vreemd achten, dat zij de geringste kennis niet mogten hebben’ van de verschillende marschen en bewegingen van het leger.

Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat die inzigten van Slangenburg en van de gedeputeerden te velde geheel en al verkeerd waren, en dat het minste begrip van krijgskennis en veldheerskunst er toe brengen moet om zulke inzigten geheel en al af te keuren en te veroordeelen. Een opperbevel-

[p. 466]

hebber moet zijne plannen niet algemeen bekend maken; hij moet niet raadplegen met zijne onderbevelhebbers; hij moet zelf weten wat hij te doen heeft; anders deugt hij niet. Één moet bevelen, de anderen gehoorzamen; het moet geen praatpartij of dispuut-collegie worden; dit is de jammerlijkste toestand dien men bedenken kan.

Verder kan men opmerken, dat Slangenburg, zeker door zijne drift verblind, in zijn brief tegenstrijdigheden zegt. Zoo, in het laatste gedeelte van dien brief, valt hij Marlborough daarover aan, dat deze aan de Staten-Generaal meldt, dat den 18den Augustus ‘omtrent den middag al het heir in slagorde was geschaard:’ en toch zegt hij zelf, in een vroeger gedeelte van den brief, dat 's morgens omstreeks 10 uur het leger van den Staat zooveel mogelijk in slagorde kwam. - Na eerst opgegeven te hebben dat de Hollandsche generaals als hunne meening uitten, dat 's vijands stelling achter de Yssche ‘geenszins te overweldigen was, dat de vijand daar met zooveel volks en zoo voordeelig gelegerd stond, dat de aanval niets anders kon naar zich slepen, dan eene volkomene vernieling van de geheele Staatsche krijgsmagt,’ laat Slangenburg er onmiddellijk op volgen, dat hij aan de gedeputeerden te velde heeft gezegd ‘dat niemand der generaals een gezigt had kunnen nemen, noch van den toestand des gronds, noch van de wijze hoedanig de vijand van het dorp en kasteel Overyssche tot aan het bosch gelegerd was; en dat zij zelfs niet beter van zijne andere posten konden oordeelen.’ Hoe vreemd dat de gedeputeerden die tegenstrijdigheid niet hebben opgemerkt; hoe vreemd dat zij de Hollandsche generaals niet hebben geantwoord: Maar, Mijne Heeren, gij zegt dat 's vijands stelling te sterk is om haar aan te vallen; en gij zegt meteen, dat gij die stelling niet gezien hebt! Hoe rijmt dat?

Hartstogt, drift, eenzijdigheid, tegenstrijdigheden, dit alles kan men in Slangenburg's brief opmerken; toch bevat die brief belangrijke bijdragen voor de kennis van dit gedeelte onzer krijgsgeschiedenis; zij pleit overtuigend tegen het beleid van Marlborough als veldheer.

Marlborough had, na de vermeestering der liniën op den 18den Julij, snel kunnen vooruitrukken, en het daardoor den vijand onmogelijk maken, om op nieuw stand te houden achter de Dyle en op die wijze den verderen vooruitgang der bondgenooten te stuiten; dat snel vooruitrukken had, bij het verlies

[p. 467]

dat Villeroi's leger reeds geleden had, en bij de verwarring daardoor ontstaan, noodwendig groote voordeelen moeten geven. Dat vooruitrukken heeft niet plaats; men blijft stand houden; men rukt daarna langzaam vooruit; men blijft twaalf dagen werkeloos, en laat den vijand dus al den tijd om zijne stelling achter de Dyle te versterken. Dat die handeling een misslag geweest is, is niet te ontkennen.

Den 30sten Julij gaat men eindelijk over tot de onderneming om de Dyle over te trekken. Die onderneming gelukt; er zijn bruggen geslagen over die rivier; er zijn batterijen om die bruggen te beschermen; er zijn reeds een paar duizend man op den anderen oever, en het geheele leger op dezen oever is gereed om hen te volgen; en nu juist ziet men geheel af van de onderneming. Waarom? omdat op den anderen oever de vijand sterke massa's zamentrekt. Had men dan gedacht dat de vijand dit niet zou doen; had men dan gedacht dat hij, zonder slag of stoot, zou aftrekken! - Dat opgeven van den reeds gelukten overtogt van de Dyle is een tweede, groote misslag.

Toen besluit Marlborough eene omtrekking te verrigten van den regtervleugel der vijandelijke stelling; - dát moet geen misslag worden genoemd; dat moet integendeel worden genoemd eene stoute, krachtige handeling; te stouter, omdat bij de wijze van oorlogvoeren van dien tijd, het eene noodzakelijkheid was voor een leger om in gemeenschap te blijven met zijne magazijnen; hier verloor Marlborough voor het oogenblik die gemeenschap, maar daarom had hij zijne troepen voor tien dagen van brood voorzien. Door een flankmarsch heeft Marlborough, in drie dagen tijds, zich loodregt geplaatst op 's vijands stelling achter de Dyle, en daardoor dien vijand gedwongen zijn front te veranderen en zich te plaatsen in de ruimte tusschen de rivier en het bosch van Soignes; 's vijands front wordt beschermd door de Yssche en de Lasne.

Marlborough besluit die vijandelijke stelling in front aan te vallen met de hoofdmagt der bondgenooten, terwijl zijn broeder Churchill, met 13,000 man, door het bosch van Soignes zal trekken, om den oorsprong der Yssche heengaan, en Villeroi in den regterflank aantasten. Dit aanvalsplan zou zeer goed zijn geweest, wanneer de Franschen niets gedaan hadden om hun regterflank te verzekeren, en het bosch van Soignes geheel onbezet hadden gelaten; maar hoe weinig bekwaam de Fransche

[p. 468]

legerhoofden ook waren, dit was toch wat al te veel bouwen op hunne onbekwaamheid. Churchill wordt dan ook in het bosch van Soignes door den vijand tegengehouden; de flankaanval blijkt onuitvoerbaar; de afdeeling van den Engelschen generaal wordt weer bij het hoofdleger aangetrokken, en alles zal zich nu bepalen tot een frontaanval. Het hoofdleger is opgebroken den 18den, 's ochtends; tegen den middag komt het in slagorde aan de Yssche, tegenover de stelling die de vijand aan de andere zijde dier beek bezet.

Marlborough wil slag leveren; - zoo heet het, maar wij gelooven er geen woord van. Indien hij slag wilde leveren, waarom de beschikkingen daartoe dan niet uitgegeven; waarom dan niet kenbaar gemaakt welke bevelhebbers, welke troepen werkzaam moesten zijn tegen die punten, waar men wilde aanvallen; waarom vooral dan niet gezorgd dat de artillerie tijdig in de slaglinie was? - De artillerie was toen op lange na niet zulk een beslissend wapen als in onze dagen; toch was het, ook toen, bij een veldslag een zeer groot nadeel voor een leger, wanneer het zonder geschut stond tegenover een vijand die wél geschut had. Al die handelingen, die het leveren van een veldslag onmiddellijk moeten voorafgaan, waren verzuimd, en dit verzuim duidt genoegzaam aan, dat het Marlborough geen ernst was met dien veldslag.

Er was dan ook geene reden om een veldslag te leveren; want de kansen op de overwinning waren gering, en de gevolgen van eene nederlaag konden zeer verderfelijk zijn.

Uit Slangenburg's brief en ook uit andere opgaven, blijkt ten duidelijkste, dat 's vijands stelling achter de Yssche zeer sterk was. Men moest die stelling in front aanvallen, waar zij gedekt werd door de beek met hare moerassige oevers, door heggen, dorpen en bosschen; voor de weinig beweegbare troepen van dien tijd was het uitermate moeijelijk om over zulk een terrein tot den vijand te komen; geschut, om den aanval voor te bereiden, had men nog niet bij zich; voordat men de beschikkingen tot den aanval had genomen, voordat de troepen op de aangewezen punten waren gekomen, vooral die welke Neeryssche moesten aantasten, zouden er nog eenige uren moeten verloopen, en daar het reeds middag was voordat men in slagorde kwam, was er kans dat dien dag de strijd niet ten einde zou gebragt worden, en 's nachts zou de vijand zich verder kunnen verschansen en daardoor zijne stelling nog

[p. 469]

sterker maken. De kansen op eene overwinning waren dus niet zeer groot, en Marlborough erkent dan ook ‘dat de onderneming wel wat ernstig zou zijn geweest en ons volks gekost zou hebben;’ maar volgens de Vrijer zou ‘de verbaastheit van den vijand Marlborough op eene wisse zege hebben doen hopen;’ - waarom bragt men die ‘verbaastheit’ dan ook niet in rekening den 30sten Julij, toen men den overtogt van de Dyle kon verrigten; of den 18den Julij, toen men, na het vermeesteren van de liniën, in eens tot de Dyle had kunnen doordringen? Op die beide dagen was er veel meer reden om op die verbaasdheid te rekenen, en daarvan partij te trekken; den 18den Augustus kon die verbaasdheid van Villeroi zoo heel groot niet zijn.

De kansen op eene overwinning waren dus op den 18den Augustus 1705 voor Marlborough niet zeer groot; maar nu de gevolgen van eene nederlaag? Men moet hier niet vragen: wat zou er van het geslagen leger der bondgenooten geworden zijn, wanneer zij een Napoleon tegenover zich gehad hadden; want dan is het duidelijk, dat er van dat leger niets zou zijn teregt gekomen. Maar Villeroi had zeer weinig van Napoleon, en de oorlogvoering van dien tijd was over het geheel weinig Napoleontisch. Toch kon de toestand der bondgenooten, bij eene nederlaag teruggedrongen tegen de Lasne of de Dyle, zelfs den minst bekwamen vijand aanzetten tot eene krachtige vervolging, die Marlborough's leger in eene zeer hagchelijke gesteldheid zou gebragt hebben. Dat leger was bovendien, juist door zijne omtrekkende beweging, afgesneden van zijne magazijnen, en magazijnen waren bij de oorlogen van dien tijd een onontbeerlijk iets. Ook daarom kon eene nederlaag de bedenkelijkste gevolgen hebben voor Marlborough's leger, dewijl daardoor dat leger de gemeenschap met zijne magazijnen geheel kon verliezen.

Weinig kans op het behalen der overwinning; groote kans om bij het ondergaan van eene nederlaag geduchte verliezen te lijden; - die dubbele bedenking moest van het leveren van een veldslag afhouden, en wij hebben dan ook de volle overtuiging dat Marlborough den veldslag niet gewild heeft. Maar hij nam den schijn aan alsof hij dien wél wilde; door vroegere misslagen in een toestand geplaatst, waarin al wat hij deed, aanleiding moest geven tot gegronde aanmerkingen, wilde hij den schijn aannemen alsof hij niet vrij was in zijne handelingen;

[p. 470]

hij wilde op anderen de vesrantwoordelijkheid doen drukken van wat hij zelf verkeerds gedaan had. De gedeputeerden te velde vielen in den door hem gespannen strik; zij waren onvoorzigtig - of eerlijk - genoeg, om zich te verheffen tegen het uitgesproken voornemen om Villeroi's stelling aan te vallen; zij wilden dat, alvorens daartoe over te gaan, ‘Ouwerkerk en de andere generaals en luitenants-generaals’ zouden geraadpleegd worden. Die generaals schijnen omzigtiger te werk te zijn gegaan; zij weigerden aanvankelijk hunne meening te uiten; hoe konden zij een oordeel uitbrengen over plannen waarvan zij geen woord wisten? zij waren daar alleen om te gehoorzamen aan hetgeen de opperbevelhebber gelastte; op hem alleen kwam de verantwoordelijkheid van alles neêr; - die taal moge door spijt en wrevel zijn ingegeven, toch drukte zij eigenlijk het ware, het goede militaire beginsel uit. Later evenwel, op de nadrukkelijke aansporing van de gedeputeerden, brengen de generaals hun gevoelen uit; met eenparigheid - Ouwerkerk's twijfelachtige meening misschien uitgezonderd, - verklaren zij zich tegen den aanval op 's vijands stelling; en eene nadere beschouwing van die stelling doet hen in hunne meening volharden. Marlborough heeft nu zijn doel bereikt; hij onderwerpt zich, schijnbaar met groot misnoegen, aan het besluit der gedeputeerden; op dat besluit werpt hij nu de schuld van alles wat er verkeerds gedaan is; alleen dat besluit heeft hem belet eene schitterende overwinning te behalen; hij stelt zich zelf voor als naauw beperkt in zijn gezag, als het slagtoffer van de onverstandige aanmatigingen der gedeputeerden en van Slangenburg's kuiperijen.

De magtige aanhang van het Britsche legerhoofd in Engeland bewoog hemel en aarde om hem genoegdoening te doen verschaffen, en zijn tegenstander te doen vallen. In Holland was men aanvankelijk voornemens Slangenburg te ondersteunen; ten minsten twee van de meest invloed hebbende steden, Amsterdam en Leyden, trokken partij voor den Hollandschen generaal; maar weldra zegevierde de Engelsche invloed, en Slangenburg werd opgeofferd. Onder voorwendsel van ziekte verliet hij het leger, waarbij hij sedert niet meer verscheen; zijne militaire loopbaan was geëindigd.

Wij willen aannemen dat de Staten-Generaal voorzigtig gehandeld hebben, met, de onmogelijkheid inziende van eene goede verstandhouding te brengen tusschen Slangenburg en Marlborough, eerstgenoemden te verwijderen, en aan den Brit het

[p. 471]

volle oppergezag te laten; de algemeene belangen der bondgenooten maakten dit besluit misschien wenschelijk; maar toch is dat besluit ook een bewijs, hoe zeer Nederland zich toen afhankelijk stelde van de Engelsche staatkunde. Wij willen toestemmen dat de godsdienst van Slangenburg toen misschien een beletsel heeft uitgemaakt, om hem het opperbevel over de legermagt der Republiek op te dragen; maar toch, beschamend is het voor ons, daarbij op te merken, dat Lodewijk XIV soms Protestanten aan het hoofd van zijne legers heeft gesteld; de dweepzieke despoot, die het edict van Nantes herriep, is toch in dit opzigt verdraagzamer of verstandiger geweest dan de regenten der Republiek! Wij willen, in één woord, niet betwisten dat de noodzakelijkheid of het staatsbelang toen gebiedend voorschreven om Slangenburg op te offeren; maar wat wij wél betwisten, is het regt dat de hedendaagsche geschiedschrijver zich soms aanmatigt, om nu nog blaam te willen werpen op dien roemvollen naam; om nu nog, vergetende welke uitstekende diensten Slangenburg zijn vaderland heeft bewezen, zijn naam geheel en al op te offeren aan den naam van Marlborough; om nu nog de tweedragt dier beide mannen voor te stellen als het gevolg der afgunst van een intrigant zonder bekwaamheid, jegens een groot legerhoofd, jegens een genie. Zulk eene voorstelling is niet alleen onvaderlandsch; zij is ook valsch en onwaar.

 

Wat na die mislukte operatiën der bondgenooten aan de Dyle in 1705 in de Nederlanden voorviel, is van weinig of geen belang geweest; het draagt geheel en al het kenmerk van het onbeduidende van vele der veldtogten van die dagen. Een paar woorden kunnen volstaan om het te vermelden.

Leeuwe, een klein plaatsje in Braband, dat na het verlies der liniën door de Franschen bezet was gehouden, wordt nu door de bondgenooten belegerd, en zonder moeite in weinig dagen genomen (2-5 September); de generaal van Dedem, met eene sterke magt en genoegzame middelen die zwakke vesting aanvallende, dwong het handvol verdedigers, dat zich daarbinnen bevond, de wapens neder te leggen. In het laatste gedeelte van den veldtogt wordt even zoo nog de kleine ves-

[p. 472]

ting Santvliet door Marlborough belegerd en genomen (26-29 October). Wie nu van Bergen-op-Zoom naar Antwerpen reist, zal, ter halverwege het onbeduidende Santvliet opmerkende, zich moeijelijk kunnen voorstellen dat de overwinnaar van Hochstett zich eenmaal met het belegeren dier plaats heeft ingelaten; en zelfs in die dagen, toen men zoo veel met vestingen ophad, toen bijna alles vesting was, was men toch reeds overtuigd van de onbeduidendheid van Santvliet, en meer dan eens was er bij de Fransche legerhoofden sprake van geweest om het te verlaten en te slechten; men was niet overgegaan tot de uitvoering van dit verstandig voornemen, en dit verzuim deed eene bezetting van duizend man nutteloos verloren gaan. De boete van besluitelooze traagheid, die wél inziet wat er slechts en verkeerds is, maar die het gedurig uitstelt om daarin verandering te brengen!

De voordeelen door Marlborough behaald, op zich zelve reeds zoo weinig beteekenend, werden nog van onbeduidender aard, dewijl zij opgewogen werden door een voordeel dat den Franschen legerhoofden toen ten deele viel. Diest werd den 25sten October door de Franschen overvallen en genomen, juist op het oogenblik dat Marlborough's heir zich noordwaarts had gewend om Santvliet aan te tasten; de bondgenooten hadden den misslag begaan van in het slecht versterkte en slecht bewapende Diest eene bezetting van 1500 à 2000 man achter te laten, die met de vesting verloren ging. Eene poging, later (in den nacht van 11-12 November) door Villeroi beproefd, om even zoo Leeuwe te hernemen, werd echter verijdeld door de wakkerheid der bezetting van die kleine vesting. Half November verlieten daarop de wederzijdsche legers het open veld, en verdeelden zich in de winterkwartieren.

 

Ziedaar den veldtogt van 1705 in de Nederlanden. Door de bondgenooten onder zoo schitterende vooruitzigten en met zoo grootsche verwachtingen geopend, werd zij op zoo jammerlijke wijze besloten; wél mogten zij met de Desdemona van Shakespeare uitroepen: ‘o most lame and impotent conclusion!

Wij zullen hier niet nader treden in het onderzoek naar de oorzaken, dien dezen voor de bondgenooten ongelukkigen afloop van den veldtogt teweegbragten; dit zou niet anders zijn dan eene herhaling van wat reeds daarover is gezegd bij het verhaal van verschillende handelingen van dien veldtogt. Wij

[p. 473]

hebben herhaaldelijk aangetoond dat, mogen ook andere invloeden hebben medegewerkt om de krijgsverrigtingen der bondgenooten in de Nederlanden in 1705 zoo onbeduidend en nietig te maken, de uitkomst toch voornamelijk te wijten is geweest aan Marlborough's verkeerd beleid; hetzij dan dat dit verkeerd beleid moet toegeschreven worden aan minder goede inzigten en aan gebrek aan voortvarendheid; hetzij, wat meer waarschijnlijk is, dat dit verkeerd beleid moet geweten worden aan de zelfzucht van den Engelschen veldheer, die het hem onraadzaam deed achten om nu reeds door het behalen van groote voordeelen in de Nederlanden, eene te beslissende wending aan den oorlog te geven. Hoe langer de oorlog duurde, hoe meer Marlborough in de gelegenheid was om geld bijeen te schrapen, en dat was voor hem de hoofdzaak.

Aan de Fransche zijde verwekte de uitkomst van den veldtogt van 1705 in de zuidelijke Nederlanden eene tevredenheid, die niet ongegrond was: het gevaar dat Frankrijk bedreigde, eerst aan de Moezel, later in Braband, was geheel en al afgewend, en de gevreesde vijandelijke veldheer had de vernedering moeten ondergaan, zijne ver reikende ontwerpen geheel te zien verijdelen, en met zijn sterk en goed leger niets uit te rigten. Dat die uitkomst Frankrijk's Koning en zijne krijgsbestuurders met voldoening vervulde, was zeer natuurlijk en billijk; maar zij gingen daarbij veel te ver; zij schreven die uitkomst toe aan hunne eigene bekwaamheid en aan de minderheid des vijands; opgeblazen van ijdelheid meenden zij het regt te hebben om met geringschatting van dien vijand te spreken; hunne dwaze verblinding voerde hen den weg op, aan welks eindpaal zij de nederlaag van Ramilies zouden vinden.

In Villeroi's brieven aan den Koning, dadelijk nadat den 18den Augustus 1705 de onderneming der bondgenooten tegen de stelling der Franschen aan de Yssche mislukt was, komt de uitdrukking voor van de vreugde over dat verkregene voordeel; de geest des schrijvers is daardoor als bedwelmd. Die brieven teekenen het bekrompene, ijdele karakter van den Franschen maarschalk; hij neemt daarin den gewigtigen en geheimzinnigen toon aan van iemand, die op zijn invloed op den souverein vertrouwt: ‘hij heeft veel omstandigheden aan Z.M. mede te deelen; hij kan dat zoo niet schriftelijk doen; maar hij hoopt later de eer te hebben dit bij een mondeling onderhoud aan den Koning suit te leggen.’ Maar vooral afkeurenswaardig is de toon waarop

[p. 474]

hij van Marlborough gewaagt: ‘Ik geloof dat Uwe Majesteit met eenig genoegen den aftogt van den Hertog van Marlborough zal vernemen, na de ijdele beloften die hij aan de Staten-Generaal had gedaan van iets buitengewoons te verrigten.... Ziedaar het grootsche ontwerp van Mijnheer van Marlborough, dat tot niets anders geleid heeft dan om zijn leger op zeer on- nutte wijze te vermoeijen; wat hij beraamd heeft, heeft hij slecht uitgevoerd; en na overvloed van schimpende taal, heeft hij geen aanval durven doen op het leger, hoe zeer dit nood- wendig verspreid was. Het kan niet anders of de vijand heeft veel volks verloren door vermoeijenis en door gebrek aan leeftogt.... Men behoeft er niet aan te twijfelen, of de Hertog van Marlborough zal op de Heeren Staten de schuld werpen, dat hij niet geslaagd is in zijn grootsch onderwerp om Brussel te nemen en Uwer Majesteit's leger te slaan.’

Terwijl de Fransche veldheer zulk een toon aanslaat, geven de Koning en zijn oorlogsminister in hunne antwoorden daaraan niets toe; ook zij zijn bedwelmd door het onverwachte krijgsgeluk dat de Fransche wapenen te beurt valt.

Lodewijk XIV schrijft aan den Keurvorst: ‘die ongelukkige gebeurtenis zal den Hertog van Marlborough even weinig tot eer verstrekken, als de poging die zij’ (de bondgenooten) ‘deden om de Dyle over te trekken.’ En aan Villeroi schrijft de Koning: ‘die groote beweging die over de marsch van den Hertog van Marlborough werd gemaakt, is eindelijk besloten met een schandelijken terugtogt.’ Ook Chamillart doet hierin voor zijn Koning niet onder; hij schrijft aan Villeroi: ‘Het zal u weinig moeite kosten om mij te doen erkennen, dat ik slechts een gering denkbeeld heb van de bekwaamheid van den Hertog van Marlborough; wat hij in dezen veldtogt gedaan heeft, breekt, mijns inziens, den grooten naam af, dien men hem gaf na den slag van Hochstett; het winnen van dien veldslag moet meer geweten worden aan het loutere toeval, dan aan de bekwaamheid der vijandelijke legerhoofden; 't is waar dat zij partij wisten te trekken van onze slechte stelling. Laat hem nu eens naar Engeland terugkeeren na de vermeestering van Leeuwe; zijne ontvangst daar zal niet zoo schitterend zijn als ten vorigen jare.....’

Wanneer men zúlke menschen zóó hoort spreken, dan wordt men haast geneigd om partij te trekken voor Marlborough.

 

Maastricht, 15 April 1865.

W.J. Knoop.