De Gids. Jaargang 37


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1873


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 361]

Baertiën Hooft.

I.

Amsterdam ligt, als een halve maan of wassenaar, aan den zuidelijken oever van het Y. De Amstel, wier wateren in de laatste eeuw verleerd hebben geregeld noordwaards te stroomen, stortte zich weleer in de Y-golf uit. Slechts aan hare westzijde loopt bij den riviermond een kaai langs den oever, het Damrak genaamd; aan den oostkant staan de achtergevels der diepe huizen van de Warmoesstraat met hunne grondslagen onmiddelijk in het water. Dit maakte, vooral in de XVIIe Eeuw, toen vele voorname kooplieden vóor aan de straat hunne winkels en achter hun opslag hadden, het laden en lossen van goederen, die te water verzonden werden, zeer gemakkelijk.

De bogen der halve maan, die zich ál meer vermenigvuldigd en ál verder uitgebreid hebben, worden door verscheidene gordels van grachten uitgemaakt, die opvolglijk Cingel, Heeren-, Keizers- en Princengracht heeten.

Het is den ouden Burgemeesters van Amsterdam niet euvel te duiden, dat zij zich het Patronaat over de schoonste grachten hebben voorbehouden en die Heerengracht hebben genoemd; de Princen-gracht slechts weinig luister bijzettende en er niet in slagend het Cingel den naam van Conincxgracht, dien het een tijd lang gevoerd heeft, te doen behouden.

Winkeliers, die in de Warmoesstraat hun fortuin hadden gemaakt, vestigden zich niet zelden met hun kantoor in een deftig woonhuis aan de Zuid- en Westzijde van dat Cingel.

Wat kan dit alles echter den jonkman schelen, die op een avond in Januari van het jaar 1635, met een groene veêr op zijn zwarten hoed en in een dikken mantel gewikkeld, zich

[p. 362]

voortspoedt van de Warmoesstraat naar het Cingel? Hij vliegt met een kloppend hart de stoep van een welgebouwd huis op, en verbeidt met ongeduld het oogenblik, waarin hem zal worden opengedaan. Nog slingert de kunstig gesmede schelknop zachtkens heen en weêr, waaraan hij bescheiden getrokken heeft; en reeds meent hij, dat men hem niet heeft gehoord. Hij is toch al 23 jaar oud, en behoorde de spreuk zijner eenige zuster indachtig te wezen: ‘patientie is goed cruydt’.

Hij kortte zich nog den tijd met gedachteloos het ijzeren duikelaartjen om zijn spil rond te draayen, waarmeê des daags een der vensterluiken van de zijdelkamer werd vastgezet, toen de ketting van der bovendeur werd afgelicht en deze ter breedte van een wijde kier werd geopend. Nelletiën, de oude dienstmeid, liet daarop den jonkman in, en beandwoordde de vraag, ‘of de Juffrouw thuis was,’ niet alleen bevestigend, maar voegde er zelfs bij, dat hij in de binnenkamer nóg een kennis zoû aantreffen.

Dit laatste scheen onzen borst maar half welkom. Niet, dat hij de vrouw des huizes, die eene weduwe was van 48 jaar, alléen wenschte te ontmoeten: verre van daar. Hij zoû, ware dit het geval geweest, zijne vizite zeer, zeer kórt gemaakt hebben: maar, hoewel hij niet heel schrander was uitgevallen, hoorde hij duidelijk uit het zeggen van de dienstmaagd, dat, zoo de Jónge Juffrouw, naar wie hij niet had gevraagd, hare moeder gezelschap hield (gelijk hij hoopte), een medegast hem te-gemoet zoû treden. En zóo was het.

Staat mij toe, met meer volledigheid dan in die tijd onder burger lieden gebruikelijk was, u te zeggen, met wie wij, zoo ge 't goedvindt, in dat huis op de Conincxgracht, op dien Loumaandsavond van het jaar 1635, gaan kennismaken.

Onze jonkman treedt, zonder veel komplimenten, met hoed en mantel de hooge kamer binnen. Het is een vrij groot vertrek, dat de geheele breedte van het huis inneemt, zoo dat Nelletiën, om in haar keuken voor het avondeten te gaan zorgen, de kamer in de volle lengte moet dóorsloffen, terwijl voords eene langs den wand loopende bovengaanderij het achterhuis met de bovenvertrekken van het voorhuis gemeenschap geeft.

Een oogenblik verwijlt onze jonkman, in het halfdonker, onder deze net betimmerde balustrade, om op te nemen, wien hij ontmoeten zal. Voor het lange breede gordijn van groen damast, dat de binnenplaats-kruisvensters afsluit, staat de tafel,

[p. 363]

op haar zware gedraaide pooten. Aan gene zijde van de tafel, doch eenigszins aangeschoven bij den op roodmarmeren kolommen rustenden hoogen schoorsteen, waarin de overblijfsels van een groot turfvuur liggen te kwijnen, - is de vrouw van den huize gezeten; zoo als wij vernamen eene weduwe van bijna vijftig jaar, maar nog frisch van uitzicht, en wier haren niet noodig hebben onder de achterwaards liggend kantvleugels van haar witte huive eene wijkplaats voor grijzing te zoeken. Zij draagt voords, een grooten ronden geplooiden kraag, een zwart lakensch met fulpen agrementen doorwerkt kleed, en heeft aan een der vingers van hare blanke, breyende handen, een half dozijn schitterende ringen.

Aan de linkerzijde van de tafel, dicht bij het venstergordijn, zit een nog jeugdig, maar reeds geheel volvormd meisjen. Voor zoo ver het betreklijk flaauwe licht van twee dikke talkkaarsen, op koperen tafelkandelaar, het toelaat, doet zij van tijd tot tijd een steek aan de borduring van een strook donkerblaauw fluweel, die wel bestemd schijnt tot draagband voor een degen. Gelukkig de jonge Ridder, zoû men allicht zeggen, die daarmede bevoorrecht zal worden! Die handen toch, hoewel wat traag in haar bewegingen, zijn zoo blank en fraai gevormd als Rubbens ze ooit geschilderd heeft: zij zijn niet van de smalle, maar van de mollige soort. Ziet die putjens op de plaats de knokkels, en dan die fijne toppen, als duim en voorvinger een draadtjen puntig maakt, dat door het naaldoog gestoken moet worden. Het spreekwoord zegt: aan de nagels kent men den leeuw: maar - men kent er ook de vrouw aan. Ik spreek hier niet van misbruik der nagels. Ik spreek van kleur en vorm. Dit meisjen, gij hebt het begrepen, was eene poezele blondine. Het gouddraad, waarmeê ze borduurt, zoû al heel fijn en koel van kleur moeten zijn, om er heur gedeeltelijk achterover gekamd, maar verder in weelderige lokken hoofd en hals omgevend háar bij te kunnen vergelijken. Fijner gepenceelde wenkbraauwen onder het schitterend voorhoofd, met zijn zacht geaderde slapen, vindt men bij geen madonna van Rafaël. En wanneer zij haar blaauwe oogen opsloeg en bijv. soms plotselijk den voor de tafel zittenden vreemdeling aanzag, van wien ik nog niet heb gesproken, - dan scheen dit bijna een evenement: zoo diep en helder was dat blaauw, zoo groot die glans, zoo verrassend de rijkdom der kleine bewegingen, die honderd nuances van gevoel en verbeelding schenen uit de drukken.

[p. 364]

De vreemdeling, dien ik daar aanduidde, was níet vreemd voor onzen jonkman, zoo min als voor de moeder en dochter, die hij bezocht. Hij was van gelijke leeftijd als de nieuw ingetredene, maar schéen iets ouder. Hij had iets van een zeeman, zoû men zeggen: een roode kleur, tintelende oogen, harde handen, en een glimlach, welks gulheid eerder vrijpostigheid was.

Nog moet ik van een persoon spreken, in dit vertrek vertegenwoordigd. Boven de hooge schouw hing het portret ten halven lijve van den overleden man en vader dezer vrouwen. Aan hem dankte de dochter hare blonde haren, en ofschoon hij een deftig burgerlijk voorkomen had, weêrsprak zijn uitzicht niet, dat zijn grootvader op zee, bij Duins, was omgekomen, en dat die grootvader zes broeders had gehad, die koopvaardijschippers waren, gelijk hij.

In éen woord: gij bevindt u in het huis van Krijn Willemsen Hooft, wiens weduwe, Maria van Bronckhorst, benevens hunne eenige dochter, ik de eer heb gehad aan u voor te stellen.

De overlevering der patriciesch-Amsterdamsche familie Hooft luidt, dat de stamvader van het geslacht, een Zaandammer reeder en scheepskapitein, zeven zonen had, alle schippers op hun eigen schip gelijk hij; dat de vader en zijne zonen die op de ‘kleyne Oost’ voeren, gelijk men het noemde, dat is Denemarken en Noorwegen, op zekeren dag in het jaar 1572, alle te gelijk in de Sondt ten anker kwamen, en dat de Koning van Denemarken, om dit aardig toeval, deze acht zeevaarders aan zijne tafel noodigde.

De vader heette Willem Jansen Hooft; de zeven zonen, die tot hun jaren gekomen zijn: Broer Hooft, oude Jan Hooft, Cornelis, Pieter, Claes, jónge Jan en Krijn of Quirijn Hooft.

Pieter Hooft was de grootvader van Muydens beroemden Drossaart; Quirijn - de grootvader van den man, hier, boven den schoorsteen, en van een anderen Krijn, die in Noorwegen gehuwd was, en uit wien, in den jare 1612, te bergen de glimlachende rosse jonkman werd geboren, dien wij hier in het gezelschap aantreffen zijner nichten, en dien men Dirck Krijnssen Hooft noemde.

Wij hebben inmiddels onzen nieuw ingetreden jongen vriend lang genoeg aan de kamerdeur laten posthouden, om thands tot hem te-rug te keeren.

[p. 365]

Dirck Krijnssen zat met den rug naar de deur en met den hoed op het hoofd. De binnentredende groette half bedremmeld met den zijne; hij sloeg zijn mantel open en zeide: ‘Goên avond samen, vrienden!’

De oude Juffrouw Hooft keek met half dicht geknepen oogen, om den binnenkomende te herkennen.

Onze vriend had de onhandigheid het éerst het jonge meisjen te groeten, dat Baerte heette; raakte toen verward in de handschudding, waar Dirck Krijnssen hem meê ontving, en kwam dus vrij laat naar de gezondheid van de vrouw des huizes vernemen.

Dirck intusschen zett'e zich bij Baertgen, en liet de plaats vóor de tafel voor onzen jonkman open.

‘Wel zoo, Justus?’ zeide moeder Marijtgen, ‘bent gij het? Ik zoû je haast niet herkennen... Je bent weêr zoo mooi als poes.’ Hiermede zinspeelde Juffrouw Hooft op de inderdaad zwierige kleeding van den jongeling. Hij droeg namelijk een kakaukleurd wambuis, met gouddraadstrepen, een zwart fluweelen broek met satijnen strikken en roode Napelsche zijde kousen. Terwijl de nieuwlings ingevoerde platte kraag zoo min aan zijne uitrusting ontbrak als de petit-poinct-handboorden. Met een gouden koord en dito kwastjens waren zijne feuille-morte-handschoenen bovendien vercierd.

‘Ik zeg niets van die fijne Napelsche koussens,’ ging Juff. Hooft met eenige vinnigheid voort: ‘in het veen ziet men op geen turfie, en vaders, of moeders winkel is ruim genoeg voorzien... Ja, hoe maakt het de goeje vrouw?’

De jonkman, die een donker bruin oog, maar daarbij een uitzicht had zoo goedig dat het aan domheid grensde, kreeg een groote kleur, en zag, in zijne verlegenheid, naar Baertgen, die een lachjen met Dirck wisselde, maar toch te veel gevoel van rechtvaardigheid had, om niet de balans tusschen hare moeder en den jongen Vondel (want wij hebben hier werkelijk met den thands eenigen zoon van den grooten dichter te doen) een weinig te herstellen.

Baertgen herinnerde zich, dat hare grootouders van vadersen moederszijde insgelijks een winkel hadden gedaan, en zij hield zelve te veel van opschik om uit dezen hoofde te kunnen toelaten, dat er aanmerkingen gemaakt werden op het kostuum van den jongen Joost, dat alleszins naar haar smaak was.

[p. 366]

‘Je zoudt Justus wel verlegen maken, moeder!’ zeide ze, ‘en je vergeet, dat er in de Trou,’ het winkelhuis der Vondels, ‘jaarlijks voor duizenden naar buitenslands wordt omgezet. Waarom zoû een rijke koopman geen Napelsche kousen mogen dragen?’

- ‘Een rijke koopman ben ik nog in het geheel niet, Juffer Baertgen,’ zeide Joost, straks purper-, nu vermiljoenrood.

‘Je bent er toch al een jaar of vijf in, niet waar, Sinjeur?’ ging de deernisloze weduw voort; ‘en je zult je moeder al mooi in de hand komen..... Maar ja, hoe gaat het met de goeje vrouw?’

- ‘Dank je, Juffrouw, - maar niet beter!’ andwoordde de jonkman. ‘Doctor is er van daag twee maal geweest en zeide, dat moeder niet buiten gevaar was...’

- ‘Dan zijn we je dubbel verobligeert voor de attentie van het ons te komen zeggen,’ andwoordde de onverbiddelijke, die wel wist, dat het hart van den minnaar méer dan dat van den zoon hem naar de Cingel gedreven had.

‘Zie eens,’ zeide Baertgen, om hem eene afleiding te geven, ‘wat fraai geschenk neef Dirck voor mij meê van Vranckfoort gebracht heeft,’ en zij toonde aan den verbluften Just een fraai geëmaliëerd borstcieraad, dat tevens cassolette was, en geschikt om met reukwerk gevuld te worden.

‘Ja,’ zeide Dirck, ‘Baertiën-nicht houdt nog al van die snuisterijen, en ik denk: het is alle dagen geen kermis.’ Dit zeggende pakte hij, met de grootste vrijmoedigheid, het schoone meisjen onder de kin, dat zijne hand wel afweerde, maar toch niet met een uitdrukking, die voor 't vervolg dergelijke privauteiten zoû voorkomen.

‘En hoe gaat met de broeders van Rhetorijcke?’ vroeg Dirck. ‘Ik heb, sints ik mijn expeditie-contoor te Amersfoort op touw heb gezet, niet veel meer van de edele konst gehoord.’

- ‘Uitstekend!’ andwoordde Joost. ‘Eendracht maeckt macht. Sedert de Lavendel voor goed verdwenen is, zijn de Ouwe-Cameristen en de Academisten het meer éens geworden... We hebben, op het Schermschool boven de kleine Hal, malkander heerlijke feestmalen gegeven.... de luidtjens van Coster aan ons, en wij wederkeerig... Daar is ook al een heel mooi nieuw blazoen in de maak - de Bijecorff

[p. 367]

omkranst met ons Eglantiertjen.... En we zijn nu aan 't bouwen óok...’*

p - ‘Zóo... ben-je aan 't bouwen...’ zeide Dirck. ‘En komt vader nog drukt op de speelavonden?’ vroeg hij, met den ironischen trek, die zijn knevel en wenkbraauwen nooit verliet.

‘Vader is nacht en dag met Keizer Konstantijn bezig,’ andwoordde de jonge Joost....

‘En dus komt alles nu op U aan?’ spott'e Dirck.

‘Dat is te zeggen, daar zijn nog wel ándere poëeten en kamerspelers, die er druk voor werken,’ andwoordde de goede jongen.

Baertgen had met hem te doen: zij wist zeer goed, dat de jonge Joost een volijverig rederijker was, maar bloot als opperman in de kamer fungeerde; dat zijne beurs meer op kontributie gesteld werd dan zijn vernuft, en dat hij, ofschoon een lieve zangstem hebbende, zoo min een groot dichter of kunstenaar was, als hij tot dus verre zich een groot koopman had betoond. Om hem eenigszins te redden tegenover haren gruwzamen neef, zeide zij:

‘Sinjeur Joost, je hebt zoo'n goede smaak: hoe vindt ge 't patroon van deze porte-épéc?’ en zij maakte eene beweging die Joost den moed gaf op te staan, en zich tusschen haar en Dirck Krijnssen te plaatsen, om het borduurwerk in oogenschouw te nemen.

‘'t Is heerlijk!’ zeide Joost: ‘wat een mooye, zwierige ranken, en wat werkt dat gefigureerde paerlemoer en dat geschubde goud uitmuntend op dat donker fluweel.

Neef Dirck is toch niet in den Ridderstand verheven?’ waagde hij er zoet-bitter bij te voegen.

‘Neen, jongetje, dat niet!'’ andwoordde Dirck, die inmiddels met zijn borst en elbogen op de tafel was gaan liggen en zijn hartstochtlijk aanstaren van de schoone Baerte slechts nu en dan afbrak om een minachtenden blik op den jongen Vondel te werpen. ‘Alleen groote dichters, zoo als gij en uw vader, gaan op ridderketenen uit.... Jammer maar, dat er wel eens ijzeren, in plaats van gouden rammelen.’ Dit was eene onedele toespeling op de gevangenschap, waarmede men Vondel in der tijd om zijn Palamedes bedreigd had.

[p. 368]

De jonge Joost begreep niet recht wat de forsche Noorman bedoelde, maar de toon en de blik van dezen deden hem een rilling over zijn leden gaan, hij verbleekte, en ging te-rug naar zijn zitplaats. De oude Juffrouw Hooft, die de Vondels weinig genegen was, had toch eene te goede opvoeding gehad, om toe te laten, dat, ten haren huize, dit gesprek zoo dóorging; zij zeide daarom, op een minzamen toon, tot den vernederden jongeling:

‘Neen, het is een draagband, dien Baertgen aan Jonker Vlaming van Outshoorn, ter gelegenheid van zijn huwelijk met onze nicht Claesgen Hooft, zal aanbieden.’

Daar werd nog een en ander gesproken. Er kwam echter geen enkel woord meer over de lippen van den armen Justus. Al spoedig trouwens reeds Dirck op, en zeide, dat hij aan Warner beloofd had hem op zijn contoor te komen vinden. Warner was de éenige broeder van Baertgen, en zett'e, onder toezicht van zijn oom Pieter, de handels- en reederijzaken voort, die de vader hem had nagelaten.

Dirck voegde het woord bij de daad; ging met groot gemak moeder Marrijtgen omhelzen, nam de beide handen van Baertgen, haar ‘tot morgen’ wenschend, tikte met een vriendelijk woord zijn medeminnaar op den schouder, en verwijderde zich door de deur, die naar de keuken en binnenplaats leidde, vanwaar men het contoor bereikte, dat zijn uitgang had in de Langestraat.

‘Zeg toch aan vader en Anna,’ zeide Baertgen, toen Dirck vertrokken was, en terwijl zij zich tot den jongen Vondel keerde, ‘dat ik spoedig eens zal komen zien, hoe moeder het máakt.’

Deze woorden werden met veel vriendelijkheid gezegd; maar daar de beide vrouwen opgerezen waren, had Joost geen moed zijn bezoek te verlengen. Hij hing dus zijn mantel om, greep zijn hoed, groette de oude Juffrouw; en de jonge volgde hem in het voorhuis. De maan scheen helder door het snijraam boven de deur, en toen Baertgen er een blik naar opsloeg, kwam zij den armen Joost werklijk schooner dan een Engel voor. Zij hield hare armen zachtkens over elkaâr geslagen voor het lijf, en scheen te wachten, dat Joost de voordeur zoû openen.

‘Hé ja! hoe gaat het met je cither?’ vroeg zij; ‘we moeten toch eens weêr een duëttinootjen samen zingen.’

Wat had Joost in een ander oogenblik deze voorslag met

[p. 369]

vréugde vervuld; maar door zijn goed hart vloog als een bliksemschicht de gedachte aan zijne ter dood kranke moeder.

‘Graâg...... als moeder weêr beter is,’ zeide hij, met een bevende stem.

‘O ja!’ hernam het lichtzinnig meisjen. ‘Beterschap!’ De deur was geopend en met het laatste woord stak zij hartelijk de hand naar den jonkman uit, die ze met vurigheid drukte en, het gemoed vol verwarde aandoeningen, naar huis keerde.

II.

In de nacht van 11 op 12 Februari van het zelfde jaar 1635, waarin we den jongen Vondel op zijn bezoek bij de familie Hooft vergezeld hebben, wonen wij eene treurige geschiedenis bij in de Warmoesstraat. Het is ten huize van den 47-jarigen dichter-zelven.

In den gevel zijner woning was een steen gemetseld, waarop twee elkaâr omsluitende rechter handen waren uitgebeiteld, en waaronder met romein-kapitale letters het opschrift was geplaatst: in de trov. Ofschoon, toen de oude Vondel, de vader van den dichter, dit huis betrok, het waarschijnlijk dien naam reeds droeg, scheen deze er toch al zeer gepast voor te zijn van het oogenblik af, dat Vondel er Mayken de Wolff, als zijne wettige vrouw, in binnenleidde.

Het dichtwerk van den grooten man wettigt wel het vermoeden niet, dat deze dichter, in zijne gade, eene Muze gevonden heeft, die hem bezielde, of, zoo als Bilderdijk, eene weêrhelft, die hem aanbad: in tegendeel - onder den invloed harer familie kon zij haren man maar naauwelijks vergeven, dat hij nu eenmaal tot de edelste gloriën van het land behoorde; duidde zij hem zelfs euvel, dat hij zich, door zijn schrijven ten voordeele der Remonstranten, zoo vele vijanden maakte; en men mag het er veilig voor houden, dat de verschijning, waarvan Vondel verhaalt, als zoû zij hem na hare dood aangezet hebben tot het voltooyen van zijn Konstantijn, eene vrucht is geweest van des dichters verbeelding, waartoe de werkelijkheid alleen-bij-reaktie aanleiding had gegeven. Maar daarentegen wat Mayken in idealiteit te kort schoot, vulde zij

[p. 370]

in praktischen zin en moedige werkzaamheid ruimschoots aan. Zij was het, die voor een groot gedeelte zich met het drijven hunner handelszaak en winkelneering belast had. Die zaken waren belangrijker dan men ze doorgaands afschetst; daar het de moeite waard was voor Vondel, in het jaar 1628, ter inning van zekere praetensiën, zich naar Denemarken te begeven. Hier trad de dichter persoonlijk als koopman op; maar het schijnt, dat, in 't algemeen, gedurende zijn eerste dichterlijk tijdperk, en in het tijdperk zijner voorbereiding, Máyken gezorgd heeft, dat ten hunnent de schoorsteen vrolijk kon blijven rooken. Vondels huisvrouw was iets ouder dan hij. Geboren in 1586, schonk zij hem nog op 48-jarigen leeftijd het kind, op welks overlijden hij dat roerend vaersjen gemaakt heeft:

 
‘Konstantijntje,
 
't Zaligh kijntje’;

en schoon in dat dichtjen, tegenover het zegepralend kind, alleen de bedroefde, niet de verzwakte, moeder geschetst wordt, zoû het kunnen wezen, dat dit late kraambed, gevoegd bij het verdriet, dat de dood van haar lief dochtertjen Saartjen* haar bezorgd had, haar overlijden heeft vervroegd.

In de nacht van 11 op 12 Februari des jaars -35, zat Vondel aan haar bed, met haar vermagerde hand in de zijne. Hunne dochter Anna lag er geknield vóor en schreide in haren neusdoek. Zij verwachtten ieder oogenblik den laatsten snik. De jonge Joost was niet te huis; men had wel om hem gezonden, maar boven de Kleine Vleeschhal in de Nes vierde men de inwijding van het nieuwe Kameristen-blazoen: ‘Door Yver in Liefde bloeyende.’ In plaats van hem, was er echter nog een ander man in de kamer van wat meer leeftijd: het was de welgegoede heelmeester Ariaen van Bancken, een Oud-Amsterdammer en Vondels huisvriend, in wien Mayken een groot vertrouwen had. Toen zij zeer lang,

[p. 371]

zacht hijgende, roerloos gelegen had, gaf zij te kennen, dat zij nog iets wilde zeggen. Vondel boog zich tot haar over:

‘Joost,’ zeide ze, ‘ik ben het bangst voor Just;’ zoo noemde men den zoon, in onderscheiding van den vader. ‘Hij is zijn hoofd geheel kwijt - en tot alles in staat - om Baertië. Beloof me, dat je hem op reis zult sturen... Dan,’ vervolgde zij, haar hoofd verleggende en hare stem een weinig verheffende, ‘Meester,... Meester Ariaen,’ en een glimlach ging nog over haar trekken, ‘kunt ge je dochtertjen Aeltië niet wat ingeven, dat die nog eenmaal - de vrouw - en reddende engel van mijn arm kind kan worden.....’

Mr Ariaen trad nader aan de veege sponde: ‘Goede moeder,’ zeide hij, ‘wees zonder zorgen: leg uw hoofd gerust neêr: we zullen voor u en de uwen ál doen wat we kunnen.’

Het hart van den braven Vondel was vol: vol van droefheid en dankbaarheid. O, hoe dierbaar werd hem nu deze vrouw, al had ze ook zoo weinig in zijn geestesleven kunnen deelen. Zij was hem eene trouwe hulp en gezellin geweest, de moeder zijner kinderen: van die uitmuntende dochter Anna, die daar bij haar bed lag, van Saartjen en Konstantijntjen, die haar naar den Hemel waren voorgegaan - en dan van den ongelukkigen Joost, dan jonkman zonder hoofd en met een allerzwakst charakter.

‘Mayken!’ riep Vondel door zijn tranen, ‘God vergelde je al het goed, dat je aan mij en onze kinderen gedaan hebt!’ Hij boog zich op haar neder, kuste haar klam gelaat: ‘Goeje nacht, Joost!’ fluisterde zij, en - ontsliep.

Daar was gerucht beneden in huis; het kwam de trappen op; de jonge Joost stortte naar binnen, en daar was al de waardigheid en kracht noodig, die Vondel boven zijn zoon vooruit had, om dezen lichtzinnige met de woorden: ‘daar ligt uw moeder; zij is al dood!’ uit de bedwelming te-rug te brengen, waarin zijne slemppartij hem gewiegd had.

Drie dagen later, den 15den Februari, volgden vader en zoon in stille droefheid het lijk naar de Oude Kerk, waar het in het ‘Vrouwenchoor’, in Vondels eigen graf* is bijgezet.

Vóor het einde der maand, was Joost, de jonge, met een naamgenoot van hem, zekeren Joost Bourgonje, die later zijn zwager werd, op reis naar Duitschland en Denemarken.

[p. 372]

En in Juni - hadden onverlet de drie huwelijksuitroepingen plaats van Dirck Krijnssen, en Baertgen Hooft, die zich met der woon gingen vestigen in Amersfoort1.).

III.

Ik heb niet kunnen opsporen, hoe lang de schoone Baertgen Hooft met haren achterneef Dirck is getrouwd geweest. Lang genoeg, naar 't schijnt, om Just van den Vondel, acht jaar na zijn moeders dood, te doen besluiten ook op zijne beurt een huwelijk aan te gaan, en wel met de zelfde Aeltgen Ariaens van Bancken, de chirurgijnsdochter, waarvan zijn moeder op haar doodbed gesproken had.

Deze jonge Joost heeft in onze letterkundige leerboeken een zeer slechte reputatie. Geeraardt Brandt, die hem echter niet persoonlijk zal gekend hebben2.), zegt van hem, dat hij was ‘klein van geest en los van hoofde; dat men hem tot neering en koopmanschap hadt opgebracht, maar dat hy er de man niet toe was.’ Nochtans voegt hij er bij, dat onze loshoofd, ‘met zyn vrou by zynen vader woonende, zyne zaaken eenighsins waarnam en zich passelyk’ gedroeg. Hij was reeds in het jaar -41, naar het voorbeeld van vader en zuster, tot de Katholieke Kerk te-rug gekeerd, waartoe ook de Van Banckens bleven behooren. Langer dan 5 a 6 jaar is hij ondertusschen met Aeltgen niet gehuwd geweest. Zij schijnt, hoewel de dochter van een geneesheer... een zwak gestel gehad te hebben, en liet haren man drie kinderen na, welke hem alle op jeugdige leeftijd ontvielen.

-Wij vinden hem-zelven het eerst als een weduwnaar van 37 jaar te-rug op een mooyen Oktoberdag, in een tuin, die hem had toebehoord, en die hij nog te huur hield3.), gelegen buiten de St. Anthonis-Poort4.) aan het Molenpadt, dat is in de tegenwoordige Plantaadje. Hij is daar in een vreemd geassorteerd gezelschap. Voor-eerst vinden wij er den jeugdigen, maar drogen dichter Jan Serwouters, boekhouder van beroep; dan, den schilder Carel van Savoy, bekend door zijn portret

[p. 373]

van de schoone Isabella Bosmans* 5.); verder eene Dame van middelbare leeftijd, in wier spraak men eene Italiaansche herkent, al heeft zij het uitzicht van eene Israëlietische: voords, niet bij deze vrienden, maar in een zijvertrekjen, een oud Heer met licht-rood krullend haar en donker-roode oogranden, die wel zeer zeker tot de ‘Joodsche Natie’ behoorde. Joost scheen niet te weten, hoe hij met deze dubbele audiëntie tot een goed einde zoû komen.

Hij prezenteerde intusschen zonder komplimenten aan de drie gedoopte personen een glaasjen brandewijn met suiker, en de Italiaansche vrouw, die de leer ‘'s lands wijs - 's lands eer’ was toegedaan, weigerde niet een kleinigheid dier hartversterking te gebruiken.

‘Zoo zoo,’ zeide Just, ‘dus gij zijt hier blijven hangen, sedert dat relletjen van Mas-Aniëllo!’

- ‘Si, Signore!’ andwoordde de Donna, en vervolgde in gebroken Hollandsch, dat wij voor 't gemak een weinig zullen beschaven: ‘Mijn vader had groote vrees, dat het goevernement van den Vice-Re, il Conte di Monterei, nooit weêr hersteld zoû worden. Mijn meester in de boetseerkunst, il famoso Giuliano Finelli, zuchtte in den kerker, en ik nam de vlucht met mijn broeder Gaetano, die mij hier bij Signor Carlo’ - zij bedoelde Carel van Savoy - ‘introduceerde..’

- ‘Signora Ricci,’ zeide de schilder, inlichtend,

‘Angiolina Ricci,’ verbeterde zij.

‘De Juffrouw dan heeft, in die twee jaar, hier te lande al heele fraaye werken uitgevoerd,’ ging meester Carel voort. ‘Niet alleen verstaat zij uitnemend de kunst van het boetseeren in was; maar zij maakt ook allerlei chimicque praeparaten, om het metaal der vercierselen na te bootsen... Niet waar, Signora, per imitar ornamenti in oro, e con perle e diamanti....?’

- ‘Si, si, Signore!’ zeide de kunstenares.

Het gelaat van Justus teekende schier verrukking. ‘Dát is het!’ riep hij, ‘Dat is het! - Jan!’ sprak hij tot den dichter-boekhouder Serwouters, en hij wenkte hem buiten de kamer: ‘Is die zaak in orde? Heeft de patroon toegegeven?’

- ‘De Patroon,’ andwoordde Serwouters, ‘is bereid u

[p. 374]

ƒ 1800: - uit te betalen, als gij het connoscement der partij zijden stoffen aan hem wilt endosseeren....’

- Goed, goed, geef hier...

- ‘Dan zal de patróon, bij arrivement van het schip, zich verzekeren, dat de expertise, die van zijnent wege bij de inlading te Napels heeft plaats gehad, goed is geweest, en de partij voor het gezegd bedrag mogen behouden, of naar keuze in openbare veiling aanslaan.’ -

- ‘Goed, goed,’ zeide Just: ‘'t ware anders beter, dat de Patroon al die heerlijke wollen en zijden stoffen, damast en fluweel naar Denemarken exporteerde; zoo als ik ZEd. heb aangeraden... Ik heb daar zeer notabele relaties aangekoopt..’

Serwouters maakte de beweging van iemant, die met Schillers personaadje zegt: ‘Ich habe hier nur ein Amt, und keine Meinung;’ hij stelde het connoscement in Justus' handen, en deze ging er meê in het kamertjen, daar hem de Israëliet stond te wachten. Inmiddels prevelde hij binnensmonds: ‘1800 guldens, en 300 gulden op de acties in de uitgraving, dat is 2100, en 100 gulden van moeders vingerling, dat is 2200, en 100 gulden, die Schabaelje mij leenen zal..... dan bén ik er.’

Eene sekonde later onderhandelt hij met den koopman: want deze Israëliet was een koopman.

‘Edele Heer,’ zegt de Oosterling, het is voor niet: éen dozijntjen zillevere rijertjens: het is voor niets. En de koopman, die zich dicht bij het venster geplaatst had, verslond met de oogen den inhoud van een klein robbevellen écrin, dat hij in de hand hield. Het was iets schitterends: want de weêrschijn verlichtte het gelaat van den koopman. Just hield de beide handen op den rug van een stoel, en keek bedrukt naar de lucht.

‘'t Is wat moois,’ zeide de Jood.

‘Ja, maar je hebt me bepaald gezegd 2300: - gulden.’

‘Neen,... ik heb uwe gezegd 3200: - en nu doe ik er nog wat af: ik vraag maar - éen duizend en twaalf ducatonnetjens...’

- ‘Ik betaal je contant.....’

- ‘Dat is uw voordeel, Edele Heer! anders was het 4000: - guldetjes.... 't Is zoo mooi!’ zeide de koopman, en schudd'e met het hoofd. ‘Maar zóo als uwe wil....’ en hij sloot het écrin; en maakte zich gereed het weder bij zich te steken.

[p. 375]

Just hield zijn arm te-rug en begeerde het stuk nog eens te zien. Het was een zeer schoon borstkruis van vrij groote diamanten, ingericht, om er een of ander heilig of teder herinneringsteeken in te sluiten, en aldus gedragen te worden.

Just gaf het met een zucht aan den koopman te-rug. ‘Neen, steek het bij uwe, Edele Heer! - het geld zal ik wel krijgen. Een klein bónnetjen, onderteekend met uwes geakkrediteerde firma, is mij genoeg...... Vaders inventaris is mij meer als borg.....’

- ‘Geen woord aan vader!’ riep Just uit.

- ‘Neen,’ zeide de handelaar: ‘Uwe begrijpt me niet. Ik bedoel maar: zonder crediet is er geen negotie.....’

Just ging met het borstcieraad in de andere kamer.

- ‘Ziet gij, Juffrouw Ricci!’ zeide hij, en toonde haar het geopend écrin.

- ‘O, che bello, che magnifico gioiello!’ riep de Italiaansche.

- ‘Ja, ziet gij; de Juffrouw, wier wasse beelt gij dan zoudt maken, moest dit dan om den hals hebben!’

- ‘Capisco, capisco!’ was het andwoord. ‘Nu, die zulk een schoone parure heeft, zal wel la più bella creatura di Amsterdam zijn!’

- ‘Ja, dat is ze!’ riep Just, en zijne oogen schoten stralen: ‘en van Amersfoort ook.’

Wij verlaten dit gezelschap, en vinden den armen Just, eene maand later, in gesprek met zijn vader en zuster.

IV.

Het drietal zit in Vondels schrijfvertrek, dat door zijn hooge vensters het uitzicht had over het Water of Damrak. Het is daar rustig, in die Warmoesstraatsche achterhuizen; om dat er sedert de XVde of XVIde Eeuw geen kaai meer langs heenloopt en de schepen zich stil door het water voortbewegen.

Vondel is in een deftig zwart gewaad gekleed. Hij heeft dezen morgen deelgenomen aan de begrafenis van Burgemeester Gerbrand Claeszen Páncras. Hij heeft daarbij voorgedragen zijn fraai gedicht, getiteld: Dootbaer:

[p. 376]
 
‘Nu volght de Stadt, in rouw, by paren
 
Den Burgermeester, die het kruis
 
Der Stadt vercierende, acht paer jaren
 
Een toevlught was van menig huis
 
Een blijde troost der ouderloozen.’

Hij heeft Anna, zijne dochter, de slotregels juist laten hooren:

 
‘Wy dragen U op onze handen,
 
Terwijl de rouw ons harten wont,
 
Te kercke, droef en ongeduldigh,
 
O Burgervader, goet van aert:
 
Wy blijven lóf den grave schúldigh.
 
De sleutels van de poort, bewaert
 
Tot op den oever van uw leven,
 
Ontfangt het Raethuis met de maer
 
Van uwe doot, te vroegh beschreven
 
Met inckt van tranen op uw baer,
 
Waer neffens onze Heeren gingen.
 
Leef lang in uw nakomelingen!’

- ‘Dat wensch ik U, Vader!’ zeide Just, ‘en daarom kom ik je nog eens spreken over mijn voornemen....’

Het gelaat van den dichter nam eene ernstige uitdrukking aan. ‘En met wie zoudt ge een twéede huwlijk willen aangaan?’ vroeg hij.

‘Met wie anders als met Baertië, Vader? - mijn eerste liefde.... Och, als ge haar wat meer kende...’

- ‘Je zalige moeder hield niet veel van haar,’ zeide Vondel: ‘zij vond, dat ze tóen al-te-veel om haren opschik gaf...’

- ‘Maar dat is vijftien jaar geleden, Vader!’ pleitte de zoon. ‘Zij was toen 17; ze is nu eene effective vrouw van 32 jaren...’

- ‘Ik vrees Just,’ zeide Anna, ‘dat gijliê elkaâr niet veel vooruit zult brengen... Je hebt allebeî het zelfde zwak...’

- ‘Och, waarom?’ andwoordde Just: ‘'t is waar, dat we allebeî de dingen graag een weinig in het groot doen. Neef van der Vecht, zeide mij ook altijd, in de dagen dat ik nog bij hem op den Blaeuburghwal woonde, dat ik voor een groot koopman in de wieg was gelegen....’

- ‘Hij hield je voor de gek,’ andwoordde Anna. Just bloosde.

[p. 377]

- ‘Kan ík het helpen, dat ik niet veel óp heb met viezevazen en femelarijen?...’

- ‘Just, Just!’ zeide Vondel, en sloeg op Anna een blik, die den zoon tot meerder achting voor zijne brave zuster vermaande. ‘Maar hoe staat het met haar fortuin?’

- ‘O, heel goed!’ andwoordde Just: ‘Zij heeft in Amersfoort het contoor en de stallen van Dirck na zijn dood aangehouden, zoo als gij weet; en daar zijn altijd heele drukke verzendingen van kostbare waren naar Duitschland geweest...* Ze moet daar zelfs vrij wat land hebben liggen.’

Vondel dacht na. ‘Als ik haar oom Pieter eens spreken kon,’ zeide hij: ‘dat is zoo'n oude vriend van ons; die zoû mij niet misleiden...’

- ‘Welnu, Vader, doe dat!’ zeî Justus. ‘Zij is wel in stad, maar in waardschap bij haar schoonvader den ouden kaptein Hooft. Willen wij dan morgen eens naar oom Pieter, naar den Nieuwendijk stappen?’

Vondel gaf toe. Anna wist wel, dat Baertgen Hooft niet voor het model van een huishoudster te boek stond, maar Just was ook al bij de 40 jaar - weduwnaar - had strikt genomen vaders consent niet eens noodig; en was op nieuw, sedert hij met de Amsterd. kermis Baertgen in den schouwburg gezien en gesproken had, tot over de ooren verliefd.

Wat zij daarenboven niet wist, was, dat Just de oude kennis met Baertgen reeds weêr voor goed had aangeknoopt, en dat hij haar had weten te bewegen, om gedurende haar verblijf in Amsterdam toe te laten, dat haar borstbeeld in was geboetseerd werd, door la signora Angiolina Ricci.

Des volgenden morgens stapten vader en zoon op het door hen bepaalde uur naar den Nieuwendijk, waar Pieter Hooft de bloeyende winkelzaak zijns vaders in scheepsvictualie, zeemansuitrustingen, vlaggen, wimpels, enz. voortzett'e, ook na dat zijn broeder, de vader van Baertgen, aan de Cingel zijn koopmanskantoor op Noorwegen gevestigd had.

Toen de Vondels zich voor de toonbank aanmeldden, zeide een oude schele knecht, dat de patroon naar de korenmarkt was, maar spoedig te huis zoude komen; de Juffrouw was

[p. 378]

Juffrouw Baertgen gaan bezoeken ten huize van den ouden kaptein.

‘Als de Heeren zoo lang bóven wilden gaan.... Daar was nog wat moois te kijken ook: een kopstuk, waar al de in den winkel voor-handen vergulde scheepsnimfen en Pallassen zoo veel als niks bij waren. Het was hier dezen morgen bezorgd.’

Vondel, de vader, lett'e niet veel op deze woorden, en volgde Just naar boven.

Daar stond, op een chineesch verlakt meubel, dicht bij het venster, de levensgroote buste van Baertgen Hooft, in was geboetseerd, getint, en met verwonderlijke kunstmiddelen het leven afgezien.

Just bleef nu achter den vader en schoof een gordijn open, terwijl deze met zeker ontzag zich op een afstand voor het kunstwerk plaatste.

De allengs in jaren klimmende dichter, die eerlang tot zichzelven zeggen zoude:

 
‘Ick tel mijn grijze haeren
 
Oock zonder glazen oogh......
 
En noch ontvonckt mijn hart in lust tot poëzy...’*

stond als vastgenageld, door de macht van zoo veel overweldigende schoonheid; den hoed, dien de dichter had opgehouden, nam hij langzaam en onwillekeurig af:

 
‘Hier scheen een dageraet in 't aenschijn óp te blozen,
 
Voor 't rijzen van de zon; te mengen blanck en root:
 
Bezielde leliën en levendige roozen.’

Liefde maakt den domste schrander, zegt men vaak. De jonge Joost ging daarvan het bewijs leveren.

‘Vader,’ zeide hij, ‘ik loop even naar de Mart, om sinjeur Pieter te gaan opzoeken.’

Toen Joost Junior met Monsieur Hooft te-rug-kwam, had de dichter de regelen geschreven, die ik u ga voorlezen, en ondervond de zoon geen belemmering meer in zijn huwelijksplan:

[p. 379]
Op een gekleurt wassen beelt6.).
 
Zoo volght de Kunst Natuur van pas,
 
En schept uit zuiver Maegde-was
 
Geen dootse schaduw van een Beelt,
 
Maer 't wezen, daer de Ziel in speelt;
 
Een Ziel, die, zeker waert ge-eert,
 
Ons aengebore zeden leert,
 
En door den zwier der leden toont
 
Wat waerdigheit daer binnen woont.
 
Al 't geen haer milt is toegedeelt,
 
Bewijst wat mensch van mensch verscheelt.
 
Haer oogen blaeuwen in den kring
 
Gelijk turkoizen in den ring,
 
En geven eenen heldren dagh
 
Van gunst en vriendschap en ontzagh.
 
Wat spreeckt, wat zeit de lieve mont,
 
Die 't hart des minnaers heelt, en wont,
 
En, met een klanck van teer gewelt
 
Getempert, trotsen nedervelt,
 
Die willigh strijcken, en 't geweer
 
Voor hare voeten leggen neêr?
 
Hoe weeligh zwieren, hier en daer,
 
De locken van het blonde hair!
 
Men zou gelooven, dat de lucht
 
Der lente in zulcke stricken zucht.
 
De boezem koestert kuische min.
 
Het schijnt of Cyprus Koningin
 
De borst dus uitsteeckt, en gebiet
 
Al watze wil, en anders niet.
 
Hoe blinckt de blancke perle aen 't oor,
 
Als dauw en druppels van Auroor!
 
Hoe voeght de goude keten om
 
Dien zwanen-hals, daer 't Heiligdom
 
Van 't diamante Kruis aen vast,
 
Bedeckt het poezeligh albast.
[p. 380]
 
Van hare noit bevleckte borst,
 
Zoo blanck als sneeuw by winter-vorst.
 
zoo 't wel-gelijcken wort gelooft*,
 
Hier trof de Kunst haer wit op 't hooft.



illustratie

V.

Zal ik u het huwlijksleven schetsen van den zoon des dichters met haar, wier beeltenis hij hier voor ons verrijzen doet?

Geeraardt Brandt, de nuchtere, verwloze, maar eerlijke historicus, zegt er niet veel goeds van: maar schijnt de geschiedenis alleen te hebben opgemaakt uit zekere retrospektieve klachten van den dichter, toen hij hem, in zijn hoogen ouderdom, ging bezoeken. Vondels poëzie in het tijdvak 1650-1656 draagt geenszins de sporen van zielelijden en verzwakking; de lucifer was in aantocht, de gedichten op de Blockhuizen, op Karel den le, een deel van die op Christina van Zweden, op Marten Tromp, Van Galen, de Wiltzangh op het buiten der Hinlópens, de Inwijdingh van het Amst. Stadhuis werden geleverd; het krooningsfeest op St. Lucas had plaats. Dat alles wijst op een stemming, die niet is wat Brandt den dichter in den mond legt: elendig. Dat Vondel, bij de bekommeringen des levens, zijn troost zocht en vond in de bewerking der Harpzanghen Davids kan daarom toch waar zijn.

Joost de Jonge, zegt Brandt, was ‘quaalyk gepáart [aan zyn tweede vrouw], die zyn losse zinnen [nog meer] aan 't hollen holp, en veel geldts verdeê. Door zyn ongeregelt leven, slecht beleidt, en bot verzuim liep alles in 't wilde.’ Het komt mij

[p. 381]

voor, dat die toestand te sterk gekleurd is. De jonge Joost geeft over het geheel den indruk van een goeden hals, wien van zijns vaders genie alleen een zekere neiging voor het magnifique was toebedeeld, welke hij niet botvierde in grootsche dichtschilderingen, maar waarvoor hij bevrediging zocht in het doen van onvoorzichtige handelsspekulaties en in het leven op een betrekkelijk grooten voet.

Hij zal iets artistieks in zijne natuur gehad hebben, dat zijn gevoel van orde geheel overschaduwde en hem de vermaken der waereld, aan de zijde zijner schoone vrouw, sterk zal hebben doen najagen.

Wat deze vrouw aangaat - toen Vondel de vaerzen op haar beeltenis maakte, die wij gehoord hebben, was ze sedert 15 jaar het hoofd van een huis geweest. Zij had haren eersten man geen kinderen geschonken; zij schijnt in gegoede omstandigheden te hebben verkeerd: er was dus gelegenheid om zich veel in 't openbaar te vertoonen, en van zich te doen spreken. Vondel bezingt echter hare ‘aengebore zeden,’ haar ‘waerdigheit,’ haar vlekkeloos gemoed, bij al haar schoonheid en lieftalligheid. Werpt men mij tegen, dat zij eenige jaren, wellicht van 1635 tot 1650, buiten Amsterdam geleefd heft, en hare gangen dus minder kunnen worden nagegaan, - dan andwoord ik, dat er, voor eene vrouw als de beschrevene, veel deugd noodig is, om zoo lang met een halven zeerob als Dirck Hooft in Amersfoort te wonen, en bij de familie en vrienden in Amsterdam ter goeder naam en faam bekend te blijven.

Dit geloof ik: dat Baertgen Hooft veel van weelde hield, dat zij op onverstandige wijze haren beperkten man heeft aangezet, om groote ondernemingen te doen; in zonderheid consignaties naar Denemarken; dat beiden gaarne menschen zagen: dat zij hunne teering gants niet inrichtten naar hunne neering, en dat Just zich links en rechts bedriegen liet; hetgeen door den vader niet kon voorkomen worden, om dat deze een weêrzin tegen den koophandel had en de Voorzienigheid hem tot den eersten dichter van zijn land had bestemd.

Toen hij dan ook later, ter inning van eenige praetensiën zijns zoons, naar Denemarken reisde (bijna 20 jaar na dat hij dit land nóg eens bezocht had) ontbrak hem geenszins de lust aldaar een tal van ‘groote personaadjen’, zoo als Brandt zich uitdrukt, ‘onsterffelyken lof tóe te zingen’ en verzett'e hij

[p. 382]

zich niet tegen het maken van zijn portret, door den hofschilder Karel van Mander*: dit bewijst wel, dat hij zich niet zóo ongelukkig gevoelde, als men het doet voorkomen.

Intusschen hadden er ontegenzeggelijk treurige gebeurtenissen in zijne familie plaats gehad, die niet onvermeld mogen blijven.

De jonge Joost ‘verquiste en verloor, binnen weinig jaaren’, zegt Geeraardt Brandt, ‘niet alleen zijn eige middelen, maar ook zoo veel van 't geen hem anderen hadden toebetrout, dat hy op 't punt stondt van te breeken [bankroet te gaan]; ten waare zijn vader, uit vaderlyke zucht en eerlieventheit, hem de handt hadt gebooden; de schuldtheffers te vrede stellende, en groote sommen voor hem betaalende.’

Het blijkt inderdaad van elders, dat de jonge Joost omstreeks 1654 den kousenhandel, dien zijn vader geheel aan hem overgelaten had, verliet, maar toch genoegzaam ter goeder naam stond, om den 5den December den eed als lid van het Gilde der Makelaars te kunnen doen.

Bij gelegenheid van den verkoop van eenig vast goed, dat aan de drie minderjarige kinderen uit zijn huwlijk met Aeltgen van Bancken toebehoorde, treden als voogden op: de oude Vondel en diens vriend Pieter Blesen. Moet daaruit toch wellicht afgeleid worden, dat de vader van de natuurlijke voogdij over zijn kinderen ontzet was? Hoe 't zij - zoo Baertiën hem, voor nu 24 jaar geleden, voorstelde bij de cither eens weêr een ‘duëttinootjen’ samen te zingen, - de duo, dien zij op een graauwen Decemberavond van het jaar 1659 aanhieven, was van een hoogst aandoenlijken aard.

Zij woonden in een klein huisjen op het Rockin. Het was 8 uur in den avond. Baerte was met eenig naaiwerk bezig. Justus' voordochtertjen Maria, pas elf jaar oud, was al handig genoeg om hun jongste kind, Willem, een 4-jarig knappjen, naar bed te hebben kunnen leggen. Just, nu al een man van 47 jaar, zat voor den haard, met de handen in den zak. Zijn oudste zoontjen, dat Joost heette, als vader en grootvader, en de eerstgeborene was uit zijn huwelijk met Baertiën, stond, bij de tafel, met den meesten ernst een kaartehuis te bouwen.

Wij, die Just gezien hebben als de frissche kavalier, met zijn napelsche zijden kousen, toen hij zoo schuchter zijn hof bij

[p. 383]

Baertiën kwam maken, zouden hem bij de herinnering moeilijk herkennen, zoo vervallen ziet hij er uit, al dragen zijn kleêren nog geene sporen van armoede.

Baertiëns gezondheid heeft weêrstand geboden aan den drang van het lijden; een weinig vermagering misstaat der 41-jarige vrouw niet; en als zij in de kaars ziet, en met die fraaye vingers van altoos, ditmaal een garen-, geen gouddraad, door de naald steekt, ondergaat men onwillekeurig den indruk eener schoonheid, wier harmoniën door geen kleed van lompen zouden te verstoren zijn. Zij werpt nu en dan een weemoedigen blijk op het kaartehuis, dat haar zoontjen bouwt, en zucht dan.

‘Heb-je nu nog betalingen te doen, man?’ zegt ze.

Just heft het hoofd op, werpt een rolletjen papier, waarmeê hij heeft zitten te spelen, in de haard, wrijft zich over het voorhoofd en zegt: ‘Ja, den wissel van Ricci! ik heb dien Napolitaan, als ouden handelsvriend, niet kunnen weigeren zijn tratta van 300 scudi te accepteeren; hij zoû mij in tijds dekken. Hij heeft het vergeten, zoo als ze mij altóos vergeten!’

- ‘Maar, man, waarom stel je je dan ook zoo licht borg? - Na onze ongelukken, en nu je makelaar bent, hadt je dat goed kunnen weigeren.’

- ‘Ben-je dan vergeten,’ zegt hij, ‘wat groote verplichtingen ik aan die familie heb?..... Heeft zijn dochter je borstbeeld niet gemaakt? Het is haar goed betaald; maar zulke dingen zijn met geen goud op te wegen....’

Dit blijk zijner liefde deed Baertgen áan. Zij ging bij hem staan, ging met hare vingeren door zijn haren, en kuste hem op het voorhoofd.

‘Hoû-je dan altijd nog zoo véel van me, Just?’ vroeg zij, met bewogen stem.

‘Vraag je dat nog, Baertiën?’ riep hij. ‘Voor wie heb ik naar rijkdommen getracht? Voor wie zal ik het lot nog op nieuw gaan uitdagen? - Voor wie,’ voegde hij er stil bij, ‘heb ik zelfs dingen gedaan, die....’

Zij sloot hem den mond. ‘Ach,’ zeide ze, ‘spreek het niet uit! O zeker, ik ben schuldig, de schuldigste,’ fluisterde zij.

- ‘Neen, Baertiën,’ zeide hij: ‘ik, als de man, had verstandiger moeten zijn! Maar is het mij aan te rekenen, dat ik er trotsch op was de liefste vrouw van het land te hebben?’

Terwijl zij zoo spraken, had het dochtertjen Maria den klei-

[p. 384]

nen Joost buiten de kamer getroond. In dit oogenblik ging de klopper aan de voordeur en men hoorde spreken op de stoep.

De echtgenoten ontzett'en lichtelijk en luisterden. Zij hoorden nu niets meer dan het tikken der gangklok.

Maar een oogenblik daarna opende men de huisdeur, en Maria kwam haastig binnen, om te zeggen, dat de neven De Wolff en Van der Vecht vader wenschten te spreken.

Just en Baertgen zagen elkander met ongerustheid aan, en zeiden te gelijk: ‘Verzoek te Heeren om binnen te komen.’

Baertgen zett'e zich aan de tafel; Just ging naar achter, om de Heeren door de binnenkamer te ontvangen.

Joan de Wolff en Jacob van der Vecht waren zwagers, beide aanzienlijke kooplieden* (al voerde Joan maar den titel van ‘Sijcraemer’), zwagerszoons en -schoonzoons van den dichter Vondel.

Jacob van der Vecht, die een jaar of acht ouder was dan Joan en de vijftig achter den rug had, trad het eerst binnen. Baertgen reeds op en verzocht de Heeren, meer met een heusch gebaar dan met woorden, plaats te nemen.

De Wolff nam het woord: ‘Baerte-nicht,’ zeide hij, ‘wij komen je een tijding brengen, die van geen aangenamen aard is. Gij weet, dat we Justus reeds voor een paar jaar hebben aangeraden, ter voorkoming van nieuwe moeilijkheden, het land te verlaten, en onder behoorlijk toezicht, zijn fortuin in Oost-Inje te gaan beproeven.... Maar Just was daar niet toe te bewegen... Ondertusschen, daar moest raad geschaft worden...’

- ‘Ja, neef Hans,’ riep Justus uit, De Wolff den voornaam gevend, dien hij in hun kindsheid plach te dragen: ‘je hebt volkomen gelijk: ik heb mijn onrecht ingezien: het kan zóor niet langer gaan... Och, ik twijfel niet, of je zult ook Baertiën bereid vinden, om met me scheep te gaan.... maar ik ben nog niet door al mijn obligo-s heen...’

- ‘Verontrust je daar niet over,’ zeide Van der Vecht ‘Ik heb, buiten mijn schade, voor den wissel van Ricci kunnen interveniëeren. We hebben alles klaargemaakt; het passagiegeld is betaald.... maar Baertiën kan niet meê....’

- ‘Neen,’ zeide de Wolff zich zelf aanmoedigende, ‘Baertiën kan niet meê.’

- ‘O God! moest ons dat nog overkomen!’ riep de vrouw,

[p. 385]

en bedekte zich, op de tafel leunend, het gelaat met de handen.

‘Baertiën nie meê!’ riep Just, en werd zoo bleek als zijn linnen. ‘Maar, Heeren! dan ga ik óok niet.’

- ‘Je zult wél,’ zeide Van der Vecht.

‘Maar ik ben toch vrij man!’ riep Just. ‘Ik zal vader gaan vragen, of dat een behandeling is!’

- ‘Vader excuseert zich van je nog vóor je vertrek te ontmoeten!’ zeide de Wolff op zachten toon.

‘Mijn God!’ riep Just: ‘dat is verschrikkelijk! Vader, die me verstoot.’

- ‘Hoe heb-je hém, zijn zaken, zijn naam behandeld!’ zeide Van der Vecht. ‘Heeft hij geen 40,000 guldens bij je akkoord laten zitten? - Ben-jij geen oorzaak dat hij dat postjen in den grooten lommerd heeft moeten aannemen?’

Just verviel in een mijmering. Hij leunde zijn hoofd aan den hoogen schoorsteen.

De Heer Van der Vecht haalde een opgerold pergament uit den zak. De Wolff fronste lichtlijk het gelaat, als of hij het slaan van een grooten slag nog voor onnoodig hield.

Plotselijk keerde Just zich om, en zeide: ‘Ik ga niet; ik scheî me niet van mijn huisvrouw.’

- ‘Vrindtje,’ andwoordde de Heer van der Vecht, dan moeten we je aanzeggen, dat je wél zult gaan: want dat in Burgemeesterskamer aldus besloten is.

- ‘O God! een vonnis!’ riep Baertiën, trad op haar man toe, en omhelsde hem. ‘Wij hebben samen misdaan, Just,’ zeide zij, ‘laat het ons samen moedig dragen. Moeten wij een tijd gescheiden zijn - wie weet wat een gelukkige toekomst of zich, over weinige jaren, voor ons nog weêr opent.’

- ‘En wanneer, wanneer wordt dat gruwzame vonnis uitgevoerd?’ vroeg Just. ‘Zal ik gevangen genomen worden? Zal men mij boeyen?’

- ‘Wel neen, Just,’ andwoordde de goedhartige Jan de Wolff: ‘als ge u goedschiks tot de reis laat vinden, zal je geen leed geschieden.’

- ‘Maar je vertrek is op overmorgen bepaald,’ voegde Van der Vecht er bij.

‘Overmorgen!’ riepen Just en Baertiën te gelijk, op wanhopigen toon.

‘En mijn uitrusting!’ zeide Just.

[p. 386]

‘Nicht Agnes heeft daarvoor gezorgd,’ andwoordde De Wolff - hiermeê zijne vrouw, de vermaarde Agnes Block, aanduidende.

‘Och ja, als nicht Baertiën morgen de overkleêren maar zoo wat bij-een-pakt,’ zeide Van der Vecht, ‘dan gaat alles van zelf.’

- ‘Wij zullen u komen afhalen,’ zeide de Wolff.

‘En vader!’ -

- ‘Vader - zult gij niet meer zien,’ andwoordde de Wolff: ‘hij is, met Anna, bij mij, buiten.’

VI.

En de 2den dag daaraan, naderden den steiger nabij den Schreyerstoren, te midden van het gewoel veler personen, die elkaâr vaarwel zeiden en die bezigen matrozen hun bagaadje aanbevolen, ook Just van den Vondel, die zijn vrouw onder zijn éenen arm had en zijn éenig dochtertjen onder den anderen. Ook zijn oudste zoontjen was er bij; en op een paar passen afstands volgden de Heeren Van der Vecht en De Wolff.

De boot, die Just naar boord zoû voeren, lag aan den steiger. Aan de koffers van den tobbert was niet veel in te laden. Het schip lag op zijn vertrek, met den voorsteven naar Pampus gekeerd. Als de wind gunstig bleef en er geen vorst tusschenbeide kwam, zoû men, hoewel het December was, eenmaal aan Texels reede, dadelijk zeilen.

Sints lang waren de juweelen, die het borstkruis omgaven, door Just in der tijd aan Baertiën geschonken, met gemeen overleg te gelde gemaakt; maar het zilveren kasjen in kruisvorm was nog aanwezig.

Baertiën had daarin van Just, door een romeinsch geestelijke, een stukjen van het echte kruis des Heilands gekregen; in die onderstelling noemt Vondel het, in zijn gedicht, een ‘heiligdom’.

Toen zij nu, met diepe aandoening elkaâr vaarwel hadden gezegd, Justus vrouw en kinderen nógmaals omhelsd had, kreeg Baertiën uit haar beugeltasch een klein pakjen, dat zij Just nog gaf, met de woorden: ‘Hier heb je het kruis, het teeken des lijdens; ik heb er wat haren van een boetende Magdalena om heen gewonden.’

[p. 387]

En met dat souvenir, met die blonde haarlok, die, ontrold, misschien twee amsterdamsche ellen lengte had, was de uitwijkeling op het punt in de boot af te klimmen, toen iemant, ‘die hem toch zóo niet wou laten vertrekken,’ den steiger op kwam loopen. Het was de 72-jarige vader, die omtrent de gelukkige stemming van den goedhartigen loshoofd was ingelicht. Hij drukte hem aan zijn hart. ‘Anna ligt buiten ziek,’ zeide hij; ‘maar wenscht u Gods zegen.’7.)

Daarop gaf hij zijn zoon nog een schrijven mede voor den Heer Rijcklof Goenszen, Kommandeur ter Zee en extraordinaris Raát in Indië; en de krachtige riemslagen van twee matrozen voerden den armen Just naar boord*

VII.

Hij is op die zeetocht overleden. Hoe lang Baertgen hem overleefd heeft, is niet bekend.

Het zoontjen, dat wij het kaartehuis zagen bouwen, liep het in de waereld óok niet meê; ik zal daar, bij later gelegenheid, van verhalen.

Het lieve dochtertjen Maria bereikte slechts den ouderdom van 20 jaren. Met de laatste regels der ‘Uytvaert,’ haar door en 81-jarigen goortvader gewijd, zalik deze studie besluiten:8.)

 
Wat herquam van het enckel Een
 
Doolt, als in ballingschap verschoven;
 
Vint geene rustplaets hier beneên;
 
En zoeckt het Vaderlant daer boven.
 
 
 
Zoo waelt de lely van 't kompas,
 
Die met den zeilsteen wert bestreecken,
 
Rondom, en zoeckt de starlichte as,
 
Haer wit, waer van zij was versteecken.
[p. 388]
 
Maria steegh met haer gemoedt,
 
Van werreltsche ijdelheên gescheiden
 
En los, naer dit volkomen goet,
 
Waertoe d'elenden 't hart bereiden.
 
 
 
Twee vleugels, ootmoet en gedult,
 
Verhieven haer uit aertsche dampen,
 
Daer 't eeuwigh' Een 't gebreck vervult,
 
En vleesch en geest niet langer kampen.
 
 
 
Haer leste stem en âem was Godt,
 
De troost der aengevochte harten,
 
Het beste deel, en hooghste lot.
 
Zoo voer ze heene uit alle smarten.
 
 
 
Wat kroontghe, op dat uw liefde blijck',
 
Met paerle, zilver, en gesteente,
 
En palm, en roosmarijn, het lijck?
 
O Speelnoots, dit 's een dor gebeente.
 
 
 
Zij leefde tien paer jaren lang,
 
Maer nu van 's werrelts last ontbonden,
 
Verwachte om hoogh geen' ondergang.
 
Het hemelsche uurwerck telt geen stonden.
 
 
 
Een rey van Englen kroon' de ziel
 
Met lauwerier in 's Hemels hoven,
 
Nu 't kleet des lichaems haer ontviel.
 
Zy noode ons met gebên Daer-boven.

J.A. Alberdingk Thijm.

[p. t.o.p. 389]

Genealogie van Baertgen Hooft en van Vondels kleinkinderen.



illustratie