De Gids. Jaargang 38


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1874


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 417]

Naar Amerika.

Fr. Gerstäcker, Naar Amerika. Een verhaal, 3 dln. Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon. 2e druk, 1874.

Het is misschien gevaarlijk een titel van een ander over te nemen, wanneer men eene geheel verschillende wijze van behandeling volgt. Gerstäcker gaf een verhaal, of wat men in het gewone leven een roman noemt. Ik denk aan de hand der statistiek de beteekenis der landverhuizing naar Amerika te bestudeeren. Hij schetste de lotgevallen van landverhuizers niet alleen in betrekking tot hun welvaart of armoede, maar ook tot hun geluk of ongeluk in de liefde. Kon hij schilderen, ik zal eenvoudig optellen en aftrekken. Hij mocht dan ook ongestraft drie deelen vullen.

Gerstäckers roman is een oude bekende; hij werd een twintigtal jaren geleden geschreven. Maar al is er in die 20 jaren veel gebeurd en veel veranderd, al zijn die 20 jaar voor Amerika van meer beteekenis dan eene geheele eeuw voor Europa, toch vindt men in dien roman zeer veel dat nog van toepassing is. Wel geschiedt de overtocht der landverhuizers haast niet meer per zeilschip, wel zou nu New-York de landingsplaats in den roman moeten zijn en zijn Indiana en Milwaukee reeds lang de kinderschoenen ontwassen, maar de geschetste lotgevallen blijven mogelijk en waar, al moet het tooneel meer westwaarts verlegd worden. Arkansas kan echter nu nog voorbeelden van squatters en backwoodsmen leveren, van misdadigers die zelfs vrouw en kinderen niet ontzien.

Ik heb mij niet ten doel gesteld de letterkundige waarde van dezen roman te beoordeelen, maar als schets van de mogelijke lotgevallen van landverhuizers in Amerika acht ik dien zeer hoog. Natuurlijk zal niet iedereen door dezelfde onge-

[p. 418]

lukken getroffen worden en is niet voor allen hetzelfde van toepassing, omdat sommigen beter hunne maatregelen nemen of een ander doel hebben, maar iedereen zal er wat in vinden, dat hem op gevaren opmerkzaam maken of tot waarschuwing strekken kan.

Het eerste deel kan misschien daarvoor overgeslagen worden, wat de introductie der personen en het leven op het zeilschip bevat; men zou zelfs het 3de deel kunnen ontberen, wat met romantische ontknoopingen is gevuld, om des te meer het 2de deel te waardeeren. Hierin vindt men schilderingen van het leven in eene groote Amerikaansche haven als New-Orleans, van de Mississippi, van de Ohio, van de hoeven in Amerika, speciaal in Indiana, van de loghouses, van de bedrijvigheid in die streken, en van de gejaagdheid waarin iedereen verkeert om geld te verdienen, zoodat hij van prijzen van granen enz. steeds den mond vol, maar geen oog voor de schoonheid der natuur heeft. Daarin verkrijgen tallooze opmerkingen over het Amerikaansche leven en karakter ongedwongen eene plaats; men wordt er herinnerd aan de moeilijkheid voor den nieuw aangekomene om de keuze te doen van de plek, waar hij zijne nieuwe toekomst zal beginnen; men maakt er kennis met de speculanten in town-lots, die van eene nieuwe stad zooveel goeds zich voorspiegelen, dat zij niet alleen vreemden misleiden maar haast zelven het gaan gelooven. Men hoort er de kabbelende beek en den leemigen zandigen grond prijzen, die in den mond van elken Amerikaan bestorven zijn; men verneemt er ook iets van de military grants, waarmede de opkoopers de groene boeren grof bedriegen.

De opmerking dat de scheepsgezagvoerders medelijdend de landverhuizers aanzien, die zij overvoeren, omdat zij eenigen reeds hebben zien terugkeeren vol teleurstelling, of omdat zij weten hoe moeilijk de nieuwelingen het hebben in de haven van aankomst, waar zoovelen op hen azen - die opmerking moet tot kalmte stemmen en op hen, die toch gaan, een heilzamen indruk maken. Die teleurstellingen, zegt Gerstäcker, heeft men te huis wel voorzien en overwogen, maar nu het er werkelijk zoo uitziet, wordt de borst toch beklemd. Geduld - ja, dat neemt men zich voor te oefenen, - maar geduld is eene schoone zaak voor hem, die zekerheid heeft, dat hij slagen zal en die intusschen heeft om te eten. Werken wil men, maar het minste werk te moeten aanvaarden, en toch te zien dat de Amerikanen u daarin ver de baas zijn, en dan nog goeden moed te houden,

[p. 419]

dat heeft veel te beteekenen. In Europa heeft de arme daglooner zich tallooze ontberingen getroost van af het oogenblik dat hij het besluit tot emigreeren nam. Hij heeft welgemoed met vrouw en kinderen de reis te voet afgelegd en zijn pak zelf gedragen van uit het binnenland naar de boot; - maar nu in Amerika nog eens hetzelfde te moeten doen, eigenlijk erger nog, in het vreemde land eerst werk te moeten zoeken om een stuk brood te verdienen, - daartoe behoort meer dan geduld. Moed en volharding zijn de daarvoor vereischte hoe danigheden: alleen sterke hoofden kunnen die ontgoocheling doorstaan.

Gerstäcker kent de werkelijkheid en geeft daarvan eene duidelijke voorstelling. Het is daarom een gelukkig denkbeeld der heeren van Kampen & Zoon geweest, om eene goedkoope nieuwe uitgave van dezen roman te bezorgen, in een tijd, nu ook ten onzent de aandacht weder meer op landverhuizing gericht wordt. Menigeen kan daaraan nuttige wenken ontleenen, niemand - dan de onbesliste plannenmakers en voor hen zou dit zeker een zegen zijn, - zal daardoor worden afgeschrikt om naar Amerika te trekken. Amerika biedt zooveel aanlokkelijks en waarlijk goeds, dat ernstige lieden zich niet laten bang maken door de teleurstellingen van anderen en zelfs niet door de slechte kansen, welke ook in Amerika zeer talrijk zijn. De roman zelf kan dit bewijzen, want al wilde Gerstäcker afschrikken, hij liet toch aan het goede alle recht wedervaren, en zijne schilderingen van dat goede moeten bij nadenkenden indruk maken, des te dieper naarmate men ziet, dat hij met landverhuizen niet ingenomen is.

Er is in de laatste twee of drie jaren in ons vaderland eene beweging op touw gezet om onze landslieden naar Amerika te doen verhuizen, waardoor alle vragen betrekkelijk de landverhuizing op nieuw aan de orde zijn gesteld. Daarbij zullen de nuchtere schetsen van het practische leven, welke Gerstäcker geeft, een goeden invloed hebben tegenover de opgesmukte verhalen en groote cijfers, die wij met zekere studie onder de oogen van het publiek zien brengen. Die aanmoediging der landverhuizers vereischt des te meer nauwlettend toezicht, omdat zij uitgaat van philanthropie en dus eene slechte leiding de droevigste teleurstellingen kan opleveren.

[p. 420]

I.

Dat de landverhuizing van Europa zich voornamelijk naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika richt, is een bekend feit. Onder landverhuizers verstaat men eigenlijk Europeanen, die naar Noord-Amerika trekken, alsof er niet nog vele andere landen zijn, waarheen zij hunne schreden kunnen richten. Australië b.v., biedt uitstekenden grond en een zeer gunstig klimaat; Canada is niet zoo bar koud als sommigen wel denken, maar toch komen Australië en Canada veel minder in aanmerking, zelfs in Engeland.

Waarom toch wordt die voorkeur aan de Vereenigde Staten geschonken? Het klinkt misschien vreemd, vooral als men bedenkt, dat de landverhuizers uit de volksklasse en wel voornamelijk uit den boerenstand, zeker de minst ontwikkelden, komen, maar de grond van die voorkeur is de politieke vrijheid en gelijkheid, waarop men in Amerika vast rekenen kan. De algemeene oorzaak van landverhuizing is de wensch om tot welvaart te geraken, of althans zijn bestaan te verbeteren.

De meest mogelijke zekerheid, dat men waarlijk de vruchten zal plukken van het hard werken, wat men weet ook in het nieuwe vaderland te moeten doen, zonder van de vruchten een groot gedeelte aan anderen te moeten afstaan - die onbetwiste zekerheid levert alleen Amerika. Alle burgers zijn niet alleen gelijk voor de wet, maar ook in werkelijkheid; ieder is onafhankelijk man en alleen zich zelven verantwoording schuldig. Deze maatschappelijke gelijkheid maakt de politieke volkomen en het algemeene stemrecht tot eene waarheid. De regeering bestaat ter wille van en door het volk, maar staat niet als in vele groote Europeesche rijken boven het volk.

Toegegeven dat de boer uit Posen of Zwaben, de daglooner uit Ierland, of zelfs de Gelderschman of Zeeuw zich niet voldoende rekenschap kunnen geven van de grondslagen der Amerikaansche constitutie, zij weten toch zeer goed dat in Amerika niemand hun in den weg staat, dat zij niemand om vergunning hebben te vragen, terwijl zij in Europa geen stap verzetten kunnen zonder goedkeuring der overheid.

Een uitvloeisel van die maatschappelijke gelijkheid ziet men in het feit, dat de Amerikaansche landbouwer, b.v. in zijne kleeding, niet onderscheiden is van den stedeling. In Europa heeft in elke streek de landman zijne eigenaardige kleederdracht;

[p. 421]

wij hebben hem er lief om, al hebben wij te lijden van zijne boerschheid en achterlijkheid, die corrollaria van den eenvoud. Maar in Amerika is een Fries, een Zeeuw, of zelfs een Marker, wanneer die in het verre westen is verzeild, niet te herkennen van een bewoner van St. Paul of Milwaukee of Chicago. Men lacht er om - of vindt het ten minste eene aardigheid, - dat de boerinnen of hare dochters, die in huis hard moeten werken, bij het in Amerika algemeen heerschende gebrek aan dienstboden, na volbrachten arbeid een toertje te paard gaan rijden en chignons of eenige andere excentriciteit dragen. Maar men ziet dan het karakteristieke van dit feit over het hoofd; de boeren doen hetzelfde als de steêlui, omdat zij zich volkomen gelijk gevoelen; zonder eigenwaan, al zijn zij rijker, zonder valsche schaamte, al kunnen zij zich even goed bewegen.

Mogen wij aan dat bewustzijn van gelijkheid - bij volkomen vrijheid niet te vergeten - niet nog een ander feit toeschrijven, t.w. de algemeene verspreiding van het onderwijs. Het is waar dat in de constitutie van elken Amerikaanschen Staat de plicht is opgelegd om overal voor voldoend openbaar onderwijs te zorgen, en ik wil aan die hoofdoorzaak niets te kort doen. Erkennen wij nog dat, én door de bepaling, dat daar waar minstens 50 huisgezinnen bijeen wonen eene school moet bestaan, én door de ruime fundaties voor kosten van scholen (in de nieuwere Staten o.a. door aanzienlijke landschenkingen) de uitvoering van dien plicht is gewaarborgd en mogelijk gemaakt. Maar dan blijft nog de vraag: waarom de boer, die in Europa onverschillig voor - indien niet vijandig tegen - het onderwijs is, in Amerika hoogen prijs daarop stelt, en zeker zijne kinderen naar de school zendt, wanneer hij niet ook zelf nog onderricht gaat nemen. Moet men dit niet toeschrijven aan het bewustzijn dat hij nu bezit, dat hij gelijke rechten en plichten heeft als de steêlui en dat, deze niet beter zijnde, hij zich ook door hen niet mag laten overtreffen. Ook hij moet de courant kunnen lezen, omdat ook hij geroepen wordt aandeel te nemen in de beslissing van alle vraagstukken zoowel lokale als gewestelijke of ook de Unie betreffende. Die constitutioneele bepalingen tot bevordering van het onderwijs, hoe voortreffelijk en doeltreffend ook, zouden zeker zulk een gunstig resultaat niet hebben, indien niet de bevolking zelve zoo hoogen prijs stelde op onderwijs. Die bevolking echter bestaat voor een groot deel uit landverhuizers, nog pas kort gevestigd,

[p. 422]

en die in Europa het onderwijs zoo weinig waardeerden, daar ten minste waar de gelegenheid geboden werd.

Er is nog een reden van de voorkeur door landverhuizers aan de Vereenigde Staten geschonken. Ook in andere landen kan men hooge dagloonen, gezond klimaat, vruchtbaar en goedkoop land vinden, maar zij worden door de Vereenigde Staten overtroffen door het uitgebreide spoorwegnet dat deze bezitten. Hierdoor worden de beste landerijen in ieders bereik gebracht, maar wordt vooral aan de landbouwproducten in het verre binnenland waarde gegeven, omdat deze aan de markt kunnen gebracht worden, waar men ze ten allen tijde en in elke hoeveelheid verkoopen kan. Wij Nederlanders hebben wel getoond dat voordeel te ken˚nen; menige Amerikaansche spoorweg zoude niet gebouwd zijn of niet die uitbreiding hebben gekregen, indien niet Nederland het noodige geld had verstrekt.

Doch dit heeft geene betrekking tot ons tegenwoordig onderwerp. Dank zij het rusteloos bouwen - voor wiens geld en tot welken prijs dan ook - hadden de Vereenigde Staten op het einde van 1873 70,000 miles spoorweg voltooid op hun grondgebied van circa 2½ millioen □ miles, bewoond door ruim 40 millioen menschen, dus 1 mile spoorweg per 34 □ miles en per 566 inwoners. Het meest treffende bewijs is wel dit, dat van die 70,000 miles ruim 66,000 geheel in exploitatie waren, terwijl 2 jaar te voren, dus in 1871, dit cijfer was 44,000 miles, zoodat in die 2 jaren tijds het aantal miles in exploitatie met 50 pct. is toegenomen. In Amerika gaat alles zoo snel dat zaken, die eenige, b.v. een tiental jaren oud zijn, reeds tot de verouderde behooren. Men hechte dan ook niet veel aan de vergelijking met 10 of 20 jaren geleden. Maar 2 jaar is zelfs voor Amerika nog vlug. Men bedenke eens wat in dien tusschentijd bij ons tot stand gekomen is. Hoeveel dichter naderde het Noordzeekanaal tot zijne voltooiing: hoeveel voeten diepgang werden toegedaan aan den Rotterdamschen waterweg; hoeveel kilometers won het Nederlandsche spoorwegnet? (De Oosterspoorweg werd in 1871 aangevangen en kwam in Juni 1874 gereed voor 66 kilometers.)

Om het voordeel van een uitgebreid spoorwegnet duidelijker te maken, vergelijke men hiermede eens den toestand van Australië. Om de vergelijking zoo gunstig mogelijk te doen uitvallen, bepale men die tot de 3 westelijke provinciën; dan zien wij dat

[p. 423]

Victoria heeft 332 miles spoorw. op 81,198 □ miles en 730,000 inw.
New South-Wales heeft 403 miles spoorw. op 323,437 □ miles en 519,182 inw.
Queensland heeft 206 miles spoorw. op 678,600 □ miles en 120,306 inw.

of te zamen 1 mile spoorweg per 1100 □ miles en per 1400 inwoners. Dus in vergelijking met de geheele Unie (zonder uitzondering der woestenijen) 1/80 van de verhouding tot het grondgebied en ⅖ van de verhouding tot de bevolking. Californië, dat ook veel kustgebied heeft en dus gevoegelijk met deze westelijke kustlanden van Australië kan vergeleken worden, telt op de helft van het grondgebied van New-South-Wales slechts een honderdduizend inwoners meer, maar bezit 3 maal meer spoorwegen. In vergelijking met Victoria, heeft Californië de dubbele grootte en ruim honderdduizend inwoners minder, maar toch het 3½ voud spoorweg.

Men heeft dikwijls hooren verzekeren, dat Amerika aan de spoorwegen zijne ontwikkeling te danken heeft en dat deze eerst reuzenschreden deed, toen de spoorwegbouw begon, maar weinigen kunnen zich daarvan eene voorstelling maken. Niet iedereen beseft dat daar de spoorweg veelal den eersten gebaanden weg vormt. In de streek waar de spoorweg wordt aangelegd, is geen straatweg, geen kanaal, zelfs geen voetpad door het bosch te bekennen. Naar een ver gelegen fort gingen eens of tweemaal per jaar transporten levensmiddelen enz., maar deze banen geen weg; soms wordt ook de winter gekozen om het transport per slede over de sneeuw te doen. Men denkt daaraan niet, wanneer men op de effectenlijst de naam van een spoorweg leest, men gelooft dan aan de verbinding van twee plaatsen - of plaatsjes - want men weet niet dat die streek mijlen in de ronde nooit is gepasseerd geworden, dan misschien door Indianen, die geen rijwegen behoeven. De spoorweg moet de dorpen, of liever steden - want dorpen kent men in de Amerikaansche terminologie niet - creëeren, waarin de menschen moeten komen wonen, die over den spoorweg zullen rijden, enz.

Dit geldt voor het passagiersvervoer. Met het goederenvervoer is het niet anders gesteld. De spoorweg moet beginnen met zijn eigen benoodigdheden te vervoeren; eerst de rails, dan de planken, deuren en vensters voor de stations en al wat voor de exploitatie noodig is. Tegelijk daarmede ontstaat het vervoer voor de ‘stores’, de winkels a l'instar van het verkoophuis, waar de werklieden zich alles kunnen aanschaffen, van kleederen en gereedschappen tot champagne toe. Allengs

[p. 424]

wordt het vervoer uitgebreid, wanneer de farmers komen en landbouwwerktuigen worden aangevoerd, tot eindelijk de retourvracht, het graan, de mais of tarwe opdaagt. Nu is het pleit gewonnen. Daar waar niets was, zijn steden gesticht, hoeven aangelegd en worden producten verkregen. De spoorweg heeft zijn doel bereikt, hij plukt de vruchten van zijn streven.

Het land dat tot dusverre geene waarde had, is dadelijk een begeerlijk voorwerp geworden sedert het aan een spoorweg ligt. De mare van het spoorwegplan had reeds velen vooruit doen gaan, die in allerijl bezit hebben genomen, om er later anderen, de eigenlijke ontginners, gelukkig mede te kunnen maken, mits hun plaats bespreken betaald worde. De ontginner breekt den grond en verbouwt de producten, waar hij weet dat hij ze naar eene markt kan brengen, daar ze waarde hebben en hij ze dus te gelde maken kan.

Van den spoorweg hangt 't dus af of de producten te verkoopen zijn. De landbouwer gevoelt dit en vreest instinctmatig in den spoorweg den monopolist van het vervoer, zoodat hij zeer spoedig over te hooge vrachten klaagt, van afpersing en kwellen gaat spreken, enz. De spoorweg aan de andere zijde moet hooge vrachten vorderen, omdat hij òf duur exploiteert wanneer hij bij kleine partijen vrachten aanneemt - en dan nog wel altijd in ééne richting - òf over verre afstanden vervoeren moet. Hieruit zijn de grieven en twisten ontstaan, die in verschillende Staten aanleiding gegeven hebben tot een openlijken oorlog tusschen landbouwers en spoorwegen. De landbouwers hebben zich vereenigd tot ‘granges’ en vervolgen nu de spoorwegen. Bij de verkiezingen hebben zij den kreet: lage spoorwegtarieven aangeheven en gezegevierd, zoodat zij in de voornaamste westelijke Staten wetten hebben kunnen doordrijven, waarbij op straf van vervallingverklaring der concessie bepaalde tarieven zijn voorgeschreven.

Men zou het ondankbaarheid kunnen noemen, indien dit woord niet te verheven ware bij de beoordeeling der verhouding tusschen eene spoorwegmaatschappij en de landbouwers. Toch heeft elke Noord-Amerikaansche westelijke Staat zijn opkomst allermeest aan de spoorwegen te danken. In den beginne was men dan ook bereid elke vracht te betalen. Later toen men zelf tot eenige welvaart was gekomen en zich meer onafhankelijk begon te gevoelen, maar toen ook de spoorweg meer voordeel begon te plukken, wilde men de rollen omkeeren en

[p. 425]

nu den spoorweg aan zich ondergeschikt maken. Evenals een burgeroorlog gewoonlijk de meest verwoede gevechten oplevert, omdat de opstandeling zich wreken wil over de geledene onderdrukking, zoo is ook de verbittering tegen de spoorwegmaatschappijen het grootst bij hen, die vroeger het meest door haar bevoordeeld zijn.

Doch bij de beoordeeling dezer verhouding verlieze men niet uit het oog het gewicht van de tariefquaestiën. Hoe verder in het Westen, des te duurder is het transport naar de graanmarkten en des te geringer wordt de winst van den landbouwer. In jaren van voorspoedige graanoogsten drukt de vracht b.v. van de westelijke grenzen van Jowa of Minnesota of zelfs van Illinois naar Chicago en Milwaukee zwaar, en blijft er weinig over voor den landbouwer. De invloed van die vrachten wordt vooral duidelijk, wanneer men bedenkt, dat zelfs te Chicago en Milwaukee, hoe groote markten overigens ook, de prijzen sterk gedrukt worden door de vrachten van daar naar New-York en eindelijk door die naar Europa, waar eerst de eigenlijke waarde voor den verbruiker bedongen kan worden.

Het is dan ook dikwijls voorgekomen, dat de landbouwer zijne producten liever tot beestenvoeder of zelfs tot brandstof bezigde, dan dat hij die naar den spoorweg bracht. Ligt zijne hoeve een 20 miles (32 kilometers of ca 6 uren gaans) van den spoorweg verwijderd en moet hij zich, boven zijn arbeid in het veld, nog de moeite getroosten zijn oogst naar het verafgelegen station te rijden om ten slotte eenige weinige centen daarvoor te ontvangen, zoo weinig dat hij niet eens een paar laarzen voor een wagenvracht graan zou kunnen koopen, dan gaat hij liever er toe over zijn product tot dergelijke, zelfs onnatuurlijke doeleinden te gebruiken. Dit geldt vooral voor mais of ‘corn’; de waarde van tarwe is hooger en zij kan dus vrachtprijzen dragen, welke van mais alle winst wegnemen. In districten waar voornamelijk tarwe wordt verbouwd, zijn dan ook de klachten het minst luide, maar de druk wordt ondragelijk genoemd in de mais-produceerende districten. Nu is mais een der stapelproducten van de Vereenigde Staten: de oogst van 1870 leverde daarvan 276 millioen HL of 760 millioen bushels op, terwijl die van tarwe 105 millioen HL. of 287 millioen bushels bedroeg.

Maar ook voor tarwe is van veel belang de vraag: hoeveel bedraagt de vracht? Wanneer tarwe is genoteerd, gelijk in 1870

[p. 426]

te Liverpool $ 1.42 gond per bushel,
te New-York $ 1.25 currency per bushel,
te Chicago of Milwaukee $ 1.- currency = 87 cents goud per bushel, of respective $ 1.46 goud1, 1.09 en 0.97 currency, als 25 September 1874.

dan is het van het grootste belang te weten, hoeveel de vracht van de hoeve of van het naastbijgelegen spoorwegstation naar Chicago of Milwaukee bedroeg. Daarvoor hangt men geheel van de spoorwegmaatschappij af. Vordert deze 21 cents per bushel als in den winter van 1872, dan kunnen groote klachten niet uitblijven. De landbouwer heeft natuurlijk het oog gevestigd op den hoogsten prijs, op dien te Liverpool, en wordt daardoor zoo verblind dat hij de quaestie van transport geheel vergeet. Wanneer hij dus op de plaats zelve slechts eenige centen ontvangt, dan is het niet onnatuurlijk dat hij over afzetting, enz. klaagt. Hij deed beter een ander gewas te verbouwen, doch dergelijke verandering kan niet zoo spoedig worden ingevoerd, dat men de fluctuatiën der markt zou kunnen volgen. Niet elk oogenblik kan men overgaan tot dat artikel, dat den hoogsten prijs geldt, zelfs niet indien men dit voorzien kon reeds in den zaaitijd. Maar ook in Amerika moet de regel worden in acht genomen, dat de mensch van brood alleen niet leven kan en dat men dus verscheidenheid in de teelt van producten moet hebben.

Het nut van de spoorwegen zal dan ook door de landbouwers weder algemeen erkend worden; zij blijven bij uitstek het middel tot verdeeling van den rijkdom, gelijk de oude orthodoxe staathuishoudkunde dat noemt. Wat zouden Illinois, Jowa, Minnesota, Wisconsin zijn zonder spoorwegen. Hoe klein zou Chicago zijn gebleven, dat nu een getal inwoners heeft zoo groot als Amsterdam, met eene drukte van verkeer als Londen. Daarom roepen nu ook Dakotah, Nebraska, Colorado, New-Mexico naar spoorwegen. Zij kunnen roemen op land, niet minder in qualiteit dan dat van die Staten; zij bezitten minerale schatten van grooteren rijkdom dan een hunner.

Deze drie dan zijn de groote voordeelen, welke de Vereenigde Staten opleveren boven eenig ander land ter wereld. Onbeperkte vrijheid en gelijkheid, buitengewone zorg voor het

[p. 427]

onderwijs en een uitgebreid spoorwegnet. In Canada en Australië vindt men evenzeer een gezond klimaat en uitstekend land voor eene luttele som gelds, of zelfs om niet te verkrijgen: ook daar zijn de belastingen gering, is men vrij van militairen dienst, heeft men vrijheid van godsdienst, maar de drie uiteengezette voordeelen ontbreken daar of worden niet in die mate aangetroffen.

Het is echter wel der moeite waard nog met een enkel woord stil te staan bij de overige vereischten voor landverhuizing, welke men ook elders aantreft; 't komt mij zelfs voor, dat de mate, waarin Amerika die oplevert, grooter is dan in eenig ander land.

Grondeigendom is gemakkelijk te verkrijgen. Door zich te vestigen, een huis te bouwen, het land te ontginnen en te verklaren dat men Amerikaansch burger wil worden, verkrijgt men na volbrenging van 5 jaren 160 acres = 64 hectaren gronds. De onkosten bedragen slechts eenige weinige dollars voor registratie bij de vestiging en later voor het eigendomsbewijs. Maar om deze wijze te kunnen volgen moet men precies weten, welk land Staats-eigendom is, hetgeen voor een immigrant, een nieuweling, zeer moeilijk is, omdat de grenzen van dien eigendom nergens duidelijk maar alleen op het papier bij het landkantoor worden aangegeven. Hoe zal een vreemdeling die een terrein heeft uitgekozen, b.v. aan den rand eener prairie, precies op de kadastrale kaart aanduiden, waar dat terrein gelegen is? Vergist hij zich en komt hij op eens anders eigendom te land, dan baten zijn 5 jarig verblijf, enz. niet, maar loopt hij nog gevaar, dat die ander de vruchten plukt van zijnen arbeid. Langs een spoorweg, die eene landschenking heeft ontvangen, is dit uitzoeken van een homestead nog moeilijker.

De meeste immigranten koopen dan ook liever het benoodigde land: voor 4 à 6 dollar per acre kunnen zij in het Westen land verkrijgen (ƒ 21 à ƒ 31½ per hectare), hetgeen zij in termijnen, behoudens rentevergoeding, kunnen betalen.

Canada verkoopt, op het voorbeeld der V.S., volgens eene wet van 1872, in Manitoba het land voor $ 1 per acre tot een maximum van 640 acres aan een kooper, en schenkt 160 acres als homestead na een 3 jarig verblijf en ontginning. Maar Manitoba ligt tusschen 96 en 99o WL. van Greenwich,

[p. 428]

noordelijk van Dakotah en van den noordwestelijken hoek van Minnesota; het telt pas een 2000 tal blanken. In Ontario kan men 100 acres of meer om niet verkrijgen, maar in eene streek ver van een spoorweg gelegen.

In Australië gelden in elke provincie andere bepalingen betrekkelijk den verkoop van land; door alle echter is de minimum-prijs gesteld op ongeveer £ 1. per acre. In New-South-Wales kan men, 5/ of ¼ van den koopprijs contant betalende, het saldo over 3 jaar in eens of bij termijnen van minstens 1/ per jaar voldoen, in het laatste geval met rentevergoeding ad 5 pCt. Victoria staat toe eene betaling van 1/ in elke der eerste 6 halfjaren en dan het saldo van 14/ in eens af. Beide provinciën hechten daaraan allerlei voorwaarden omtrent de ontginning. Queensland alleen kent ‘homesteads’ van 120 acres bouwland of 320 acres bouwland en weide, maar heft eene jaarlijksche belasting van 9 d. per acre bouwland en 6 d. voor weide. Het geeft ook zijn land goedkooper, t.w. voor 15, 10 of 5/ naar qualiteit.

Men ziet het, de prijzen komen hooger te staan dan in Amerika, en toch ligt het land niet zoo binnen het bereik als dat in Amerika, dank zij de spoorwegen.

Dat het niet alleen de uitstekende qualiteit van het land is wat de landverhuizers lokt, wordt het best bewezen door een voorbeeld hetwelk wij in Europa waarnemen. Waarom gaan de landverhuizers niet naar Hongarije, Posen of Oost-Pruisen, waar zij uitstekend land te ontginnen vinden met veel minder moeite als in Amerika en zonder die reis over zee? Dit idée, waarvoor Fr. List sterk heeft geijverd, wordt ook door Roscher en Kapp aangegeven. Zij zouden dat veel liever zien, vooral lettende op het aantal Duitschers dat dan voor het vaderland behouden zou blijven. Om het land goedkoop of zelfs om niet te geven, daartoe zouden Pruisen en Oostenrijk misschien nog wel te bewegen zijn, maar dan komen weder de militaire dienst, de godsdienstvrijheid, de hooge belastingen in aanmerking, en in deze opzichten zal Amerika het nog langen tijd van Europa blijven winnen.

Wat verscheidenheid van klimaat betreft is er geen land als de Vereenigde Staten. Ieder landverhuizer zoekt zooveel mogelijk een klimaat, dat zachter is dan dat waarin hij tot dusver leefde; verbetering is ook in dit opzicht zijn zoeken. Maar het verschil mag niet te groot zijn.

[p. 429]

De census van 1870 geeft de bewijzen, hoe de verschillende nationaliteiten over de Vereenigde Staten verdeeld zijn. Natuurlijk na aftrek van hen, die te New-York zijn gebleven. Daar komen bijna allen aan, daar blijven de meesten, die niet met een bepaald plan, maar alleen met de algemeene begeerte om hun fortuin te maken, gekomen zijn. Zoo zijn van 1,690,000 Duitschers ca. 317,000; van 2,625,000 Engelschen en Ieren, 670,000 in de stad New-York gebleven, zonder nog New-Jersey te rekenen.

Men vindt dan, b.v. van de 17,000 Italianen in de Unie, 3,600 in New-York, 4,600 in Californië en 1884 in Louisiana (waarvan 1566 in New-Orleans).

Maar de emigratie van Italië gaat voornamelijk naar Brazilië. Een beter voorbeeld levert die der Zweden en Noren, waarvan dikwijls gewag is gemaakt, en waarvan in het bijzonder is opgemerkt, dat die naar Minnesota is gericht. Zij die voor Minnesota ijveren, doen het zelfs voorkomen, alsof vooral in het Noorden van dezen Staat de Zweden en Noren zich hebben gevestigd. Nu is het mogelijk dat in de laatste jaren - na 1870 - meer Noren daarheen zijn getrokken, maar dit getal kan nog niet groot zijn en staat zeker achter bij dat wat bij den census in andere streken is bevonden. De kaart tegenover pag. 343 van vol. I. Ninth census geeft met een oogopslag te zien, dat die immigratie eigenlijk geconcentreerd is langs de Mississippi, bij het snijpunt van de grenzen der drie Staten Jowa, Minnesota en Wisconsin. Wel bieden St. Paul en omstreken nog eene eenigszins belangrijke nederzetting, maar toch worden de meesten in de andere Staten gevonden. Zoo zijn van de 97,000 Zweden in Amerika ca. 3000 in Illinois, 21,000 in Minnesota, 10,800 in Jowa enz., en van de 114,000 Noren, 40,000 in Wisconsin, 36,000 in Minnesota, 17,000 in Jowa, ca. 12,000 in Illinois enz.

Ik herhaal het: mogelijk zijn in de laatste 3 jaren, 1871/3, vele Noren zich in het Noorden komen vestigen, maar toch blijft 't een feit, dat van de 200,000 Zweden en Noren, die reeds vroeger naar de Unie gekomen zijn, verreweg de meesten eene meer zuidelijke vestiging verkozen.

Raadpleegt men de kaart van de Duitsche nederzettingen, dan ziet men dat deze begrensd zijn ten zuiden door de Ohiorivier, ten westen door de Missouri en ten noorden door de meren of eigenlijk door de 45ste parallel. De Duitsche

[p. 430]

bevolking is het talrijkst in Illinois (te Chicago 52,000), langs de Mississippi, en bedraagt alleen in dezen Staat 203,000. Daarbij moeten de 113,000 Duitschers van Missouri (60,000 in St. Louis) en de 66,000 van Jowa geteld worden om een denkbeeld te geven van de Duitsche kolonies aldaar. Ohio telt 282,000 Duitschers over den geheelen Staat verspreid, maar in massa's bij Cincinnati (50,000 in de stad zelve) en tusschen Cleveland en Sandusky langs het meer Erie opeengehoopt.

Het meest opmerkelijk zijn echter de dichte nederzettingen van Duitschers langs de Niagara en vooral die langs de westelijke oevers van het meer Michigan met het middenpunt Milwaukee. Deze stad, gelijk men weet, voornamelijk door Hamburgers gesticht, telt 22,000 Duitschers.

De Engelschen bleven meest in de oostelijke Staten New-Jersey, Connecticut, Massachusetts enz., waar ook de meeste Ieren te vinden zijn. Overigens zijn de Ieren evenals de Duitschers over de noordelijke en westelijke Staten verspreid, terwijl de Engelschen meer bijeen blijven.

Van de onderverdeelingen der Duitschers als de Beyeren, Badensers, Hanoveranen, Hessen, Wurtembergers enz., valt niets omtrent de verkiezing van klimaat af te leiden; van de Beyeren, b.v. vindt men evenveel (11,000) in Wisconsin als in Missouri, in Kentucky (6,000) als in Michigan.

Er zijn dus nog andere redenen van voorkeur aan eene bepaalde landstreek in het spel, als b.v., dat men zich wenscht aan te sluiten bij eene reeds bestaande volkplanting van landslieden. Het klimaat is dan ook geen beslissende reden van keuze. Ook schijnt er eenige grond om aan te nemen, dat het verschil in klimaat tusschen de Staten der Unie geene uitersten oplevert, dat er vele en zachte overgangen zijn, en dat alleen de zuidelijke en de noordelijke Staten aan de grenzen van de 45ste en van de 30ste parallel waarlijk onoverkomelijke verschillen en bezwaren opleveren.

Van daar ook, dat een man als Fr. Kapp, die jaren lang in Amerika de landverhuizing gadesloeg, zeggen kan: In natuurlijke voordeelen ligt het noordwesten ver bij de noordwestelijkste der Zuidelijke Staten achter. Virginië, Kentucky en Tennessee b.v. zijn ware lustoorden, en worden in vruchtbaarheid van grond door geen Staat der Unie overtroffen. Maar de politieke toestand van deze Staten maakt

[p. 431]

het voor den landverhuizer weinig gewenscht om zich daar te vestigen.

Ik meen mij bij deze klimaat-quaestie te mogen onthouden van eene vermelding der statistiek van den thermometerstand, enz.; over de geheele Unie zouden tal van waarnemingen vergeleken moeten worden. De gemiddelde cijfers toch acht ik voor vergelijking geheel onvatbaar. Ik vind het zelfs een ongelukkig middel om eene gemiddelde warmte of koude te berekenen, door de warmste met de koudste standen op te tellen en die dan door het aantal dagen te verdeelen. Wat baat het b.v., of men in een Staat (Minnesota) in Januari gemiddeld 19o. 4 Fahrenheit heeft, wanneer men eenige dagen van 36o. in dezelfde maand ziet afgewisseld door dagen van 5o.-0 van Fahrenheit, of ook wanneer men in Februari een gemiddeld cijfer van 18o.7 verkrijgt, met een warmsten dag van 41o. en een koudsten van 15o. beneden 0. Even bedriegelijk zijn de gemiddelde cijfers van den zomer; Juni, Juli en Augustus met gemiddelde van 64, 69 en 68 leverden warmste dagen van 89, 90 en 84 op, tegen koudste van 47, 56 en 56. In 1855 vinden wij daar een maximum van 96o. en een minimum van 33-0 van Fahrenheit.

Men zou misschien met het laatste cijfer schrik aanjagen aan hem, die niet weet dat bij zulke koude in dien Staat volkomen windstilte heerscht, en men de koude in het eerste oogenblik bijna niet bemerkt.

Die gemiddelden geven weinig licht. In New-York b.v. is 't in den zomer drukkend heet, in den winter soms zeer koel. Maakt men een gemiddeld cijfer van de beide uitersten, of ook van de cijfers van al de dagen eener maand, hoeveel zal men dan wijzer zijn geworden? Datgene waar het op aankomt is, dat men wete welke uitersten men te doorstaan zal hebben. Verreweg de veiligste baken daarvoor is de voorlichting van een vertrouwd persoon en eene verklaring omtrent zijne eigene levenservaring. Hoewel daarbij nog ontzaglijk veel valt te bedenken, als b.v. het lichaamsgestel van den raadgever in vergelijking tot dat van den raadvragende, kan men daarop beter vertrouwen dan op de cijfers der thermometerwaarnemingen, welke alleen de deskundigen behoorlijk beoordeelen kunnen, en die behandelen ze dan ook met de uiterste voorzichtigheid.

In het algemeen kan van alle meest bevolkte Staten der

[p. 432]

Unie gezegd worden, dat daar sterke afwisselingen van den thermometer zijn en dagen van groote hitte staan tegenover dagen van sneeuwstormen en strenge vorst. Wanneer het verre Westen nog meer bekend en bevolkt wordt, zal men de bewering bevestigd vinden, dat langs de zuidzeekust in noordelijk Californië, in Oregon, tot zelfs in Washington Territory het meest gelijke klimaat, met zeer weinig koude in den winter, gevonden wordt1. Doch de moeilijkste quaestie is daarbij: hoe daarheen te komen. Voor landverhuizing uit Europa op groote schaal is deze reis nog te kostbaar en te moeilijk wegens zijn langen duur.

Dat echter zoovelen uit Europa toch dergelijke lange reis aanvaarden en dichter tot de Zuidzeekust, althans een duizendtal miles verder, reizen dan de meeste landverhuizers, is het gevolg van een ander voordeel, dat de Vereenigde Staten bieden, te weten de vrijheid van godsdienst, eene vrijheid, die zoover zich uitstrekt, dat zelfs leeringen strijdig met de burgerlijke wetten toegelaten worden. De Mormonen, buiten de wetten tredende door de veelwijverij, blijven ongestraft door

[p. 433]

de onmacht der federale regeering om in eene alleen staande communauteit, zoo ver afgelegen van alle andere, de wetten te handhaven. Doch de mogelijkheid om overal in de Unie koloniën te stichten, ingericht naar de eigenaardige grondstellingen der stichters, wordt door verschillende godsdienstsekten hoog gewaardeerd. Daarvan is dan ook dikwijls gebruik gemaakt, gelijk bewezen wordt door de tallooze sekten, welke men in de Vereenigde Staten aantreft.

Een duidelijk bewijs vinden wij daarvan ook in de vestigingen van Nederlandsche landverhuizers in Jowa en in Michigan in de jaren 1845 en volgende, voornamelijk gedreven door de begeerte om daar eene eigene gemeente te stichten onder leiding van hun herder.

Ook nu nog zijn nieuwe voorbeelden aan te voeren van de voorkeur, die ook in deze opzichten aan Amerika geschonken wordt. De Mennonieten, het in Zuid-Rusland niet langer kunnende uithouden, richten in grooten getale hunne schreden naar Yancton in Dakotah. De zuidoostelijke hoek van dit territorium gaat dientengevolge eene schoone toekomst te gemoet.

Wat doet wel de regeering der Unie, of wat doen de regeeringen der verschillende Staten, om landverhuizers te lokken of om hun de reis gemakkelijk te maken?

De immigratie toch is voor de Vereenigde Staten van de grootste beteekenis. In een vijftigtal jaren (1820-1870) zijn 7½ millioen menschen de bevolking komen vermeerderen, hetgeen ongeveer ¼ uitmaakt der totale vermeerdering van de bevolking met ca. 29 millioen (in 1820 9,600,000 en in 1870 38½ millioen). In de decenniën 1851/60, toen 2,598,000 en 1861/70, toen 2,491,000 landverhuizers zich kwamen nederzetten, was hun aandeel in den aanwas zelfs meer dan ⅓.

Onder die 38½ millioen kwamen 5½ millioen voor in den vreemde, en 9,700,000, dus ca. ¼, uit vreemde ouders (beiden vreemdelingen) geboren. In sommige Staten, waar in de laatste jaren de landverhuizers zich meerendeels vestigden, als New-York, Minnesota, Wisconsin, Californië, is meer dan ⅓ der bevolking uit vreemde ouders geboren. Die verhouding is ⅕ in Illinois en Jowa, hetgeen aantoont dat daar velen zich hebben gevestigd, komende uit de andere Staten der Unie. De vreemdelingen echter vermeerderden ook in deze Staten met 60 en 90 pCt. boven het cijfer van 1860 en telden 500,000 en 200,000, terwijl Minnesota er 160,000, Wisconsin 364,000 en Californië 209,000 bevatte.

[p. 434]

Behalve de numerieke vermeerdering ook de moreele en de maatschappelijke beteekenis aan te toonen, zou ons te ver leiden. Is die beteekenis ook niet algemeen bekend? Wat zouden Illinois, Jowa en Californië nu zijn - om van de andere niet te spreken - of Minnesota, dat in 1850 6000 en in 1870 439,000 inwoners telde? Men ga eens na het aantal bebouwde acres, de belastbare waarde van de eigendommen nu en een tien- of twintig-tal jaren geleden, en men zal verrassende cijfers zien. Fr. Kapp en Edw. Young, de statistici van de immigratie in Noord-Amerika, zijn gaan berekenen, welke waarde ieder immigrant vertegenwoordigde. Zij lieten zich daarbij verleiden tot de poging om van de aankomelingen te weten te komen, hoeveel geld ieder medebracht. Maar de boeren koesterden argwaan over die nieuwsgierigheid en lieten slechts eenige weinige dollars zien, die zij in klinkende munt bij zich hadden. De statistici moesten dus toch voor hunne berekeningen als basis nemen eenige geïsoleerde feiten, die toevallig ter hunner kennis gekomen waren. De een spreekt dan ook van 150 thl., de ander van $68. Doch de immigrant vertegenwoordigt zeker eene hoogere waarde; zijn arbeid zal land ontginnen en rijkdom scheppen. Dit in aanmerking nemende, komen dan de beide genoemde autoriteiten op 650 thlr. en $800 per hoofd. Kapp gaat eindelijk nog verder en berekent, dat bij gemiddeld 200,000 landverhuizers per jaar, Duitschland 30 millioen thaler in geld en 100 millioen kapitaal verliest. In eene ronde som, zegt hij, geeft dus Europa dagelijks 1 millioen dollars kapitaalwaarde aan de Vereenigde Staten. Dat is een sterk sprekend cijfer dat indruk maken moet. Althans op dezulken, die door het zien van vele boomen een oog voor het bosch verloren hebben. Maar zij, die zich eene voorstelling weten te maken van het nut, dat een gezeten landman als burger van den Staat oplevert, en van de waarde, welke hij met zijn gezin vertegenwoordigt, zullen aan dergelijke berekeningen niet veel hechten. Daartegenover komt toch nog zeer veel in aanmerking, als, b.v. dat zoolang de landverhuizing niet massaal is, zoolang niet geheele dorpen of landstreken worden ontvolkt, de plaats der vertrekkenden terstond wordt ingenomen door anderen, die vroeger of geen, of niet dan een moeilijk bestaan konden vinden.

Al is dus ieder landverhuizer niet een zuiver verlies voor zijn moederland, hij is toch zeer zeker eene groote aanwinst

[p. 435]

daar, waar hij zich nederzet. Dit wordt in Amerika zonder uitzondering erkend.

De federale regeering bepaalt hare aanmoediging der immigratie echter tot de vrijgevige wetgeving omtrent den grondeigendom. Zij heeft zelfs tot hare schade ondervonden, dat zij hiermede voorzichtig moet zijn om het misbruik te voorkomen, dat Amerikanen òf op eigen naam òf op naam van landverhuizers daarvan maken. Zoo was het een bezwaar tegen het wetsvoorstel, om voor de Russische Mennonieten eene uitgestrekte landstreek beschikbaar te stellen en dus uitzondering te maken op de wet, waarbij door homestead of preëmption iedereen 160 acres kan verkrijgen. Men vreesde de landspeculanten, die spoedig van de onervarenheid der Russen gebruik zouden maken; men vreesde ook het precedent.

Men zou onder de middelen tot bevordering der landverhuizing nog kunnen rekenen de uitgave van rapporten en statistieken omtrent de landverhuizing, landbouw, grondgesteldheid van eenige Staten enz., waaraan veel ten koste wordt gelegd, zoodat die stukken in kolossale getallen worden verspreid zelfs in Europa.

Voor de goede behandeling van den landverhuizer in Amerika vermag de federale regeering niets; zoodra hij den voet aan wal zet, staat hij onder de wet van den Staat, waarin hij zich bevindt. Wel heeft de Staatssecretaris voor de buitenlandsche zaken pogingen aangewend, om bij internationale overeenkomst maatregelen te treffen, welke eene goede behandeling op zee aan boord van het schip zouden verzekeren, doch omtrent het verblijf in het binnenland vermag de regeering niets. De reis per spoorweg levert niet minder bezwaar op dan die op zee; de immigranten-treinen ondervinden meest onnoodig lang oponthoud: soms moeten zij uren staan wachten op een station, en de immigranten moeten dagen en nachten achtereen in de waggons doorbrengen, aan de dure buffetten der stations hunne levensmiddelen koopen enz. Er is echter geene autoriteit, die hen daartegen behoeden kan.

Alleen in de havens, waar zij landen, vinden de landverhuizers eenige bescherming, in het bijzonder te New-York, waar de bekende inrichting van Castle Garden gevonden wordt. Hier worden zij in alle opzichten geholpen en verzorgd tot zij de wijde wereld ingaan. Opmerking verdient het echter, dat die inrichting indertijd is opgericht door eene par-

[p. 436]

ticuliere vereeniging en eerst later onder bestuur der Staatsautoriteiten is gekomen.

Slechts enkele Staten nemen rechtstreeksche maatregelen om de landverhuizing naar hun gebied te bevorderen, en zenden agenten of wervers naar Europa. Maar de spoorwegmaatschappijen toonen ten dezen opzichte nog meer activiteit en hare agenten verdringen die van den Staat.

Geen Amerikaansche Staat heeft ooit gedaan wat de Australische provinciën doen. Deze hebben agenten te Londen, die op verschillende wijzen de landverhuizers helpen kunnen. Alleen Victoria heeft in den laatsten tijd zijne gunstige bepalingen ingetrokken en verleent geen hulp meer. Geheel gratis overtocht wordt echter niet gegeven, dan alleen bij uitzondering voor vrouwelijke dienstboden of landbouwers, welke door den agent die gunst worden waardig gekeurd. In de meeste gevallen betaalt de kolonie een gedeelte, b.v. £ 5, der passagekosten ad ca. £ 11. Nieuw-Zeeland opende voor 1871 en 1872 telkens een crediet van £ 200,000 voor invoer van immigranten. Op die wijze worden de kosten van de reis naar Australië ongeveer gelijk met die naar Noord-Amerika, gewoonlijk £ 5.5 bedragende. Is de emigrant onvermogend om ook dit te betalen, dan wordt hij verder geholpen, mits hij voor het ontbrekende eene promesse geeft voor het dubbele bedrag (b.v. voor £ 8 indien hij slechts £ 1 zelf betaalt). Queensland geeft hem dan, als die promesse in de kolonie is afbetaald, eene aanwijzing op land voor eene waarde van £ 20 per persoon.

Door die agenten zijn reeds verscheidene ladingen geëxpedieerd. Zoo las men in de Times van 4 Augustus 1874, dat den 27sten Juli het 139ste schip was uitgezeild voor het bureau van Queensland, ingevolge het landorder-systeem. In 1872 werden naar Nieuw-Zeeland geholpen 6279 personen, naar Queensland 2343 en nog 1331 naar Victoria op eene totaal-emigratie naar die provinciën van 6616, 2380 en 5269.

Er is echter behalve den invloed op den landverhuizer zelven een nadeel voor den Staat in die hulp gelegen. Deze premiën werken wel om emigranten te trekken, maar eenmaal genoten, vermogen zij niet hen te houden. Spoedig verlaten zij de provincie, die hen hielp, voor eene andere, waar zij meenen nog beter te zullen slagen.

[p. 437]

II.

Wij hebben ons tot dusverre bezig gehouden met hetgeen aan gene zijde van den Oceaan geschiedt, doch ook de beteekenis der landverhuizing voor het moederland verdient onderzoek.

Is het voordeel van den een ook hier een nadeel voor den ander? Verliest Europa wat Amerika wint? Ja, zeggen de statistici Engel en Kapp in hunne berekening der kapitaalwaarde van elken emigrant, die dan natuurlijk de vermeerdering van het kapitaal van Amerika moeten afschrijven op het kapitaal van Europa. Doch dit is door overmaat van bejag op juistheid onjuist. Ik wil eens aannemen, dat de winstrekening goed is, al komen er nog zooveel schadeposten in aanmerking voor de talrijke landverhuizers, die in New-York blijven en tot armoede vervallende, aan de gemeente daar zeker groot verlies berokkenen. Maar men vergeet, dat de landverhuizer zijne waarde eigenlijk ontleent aan Amerika. De handwerksman, die Europa verlaat omdat hij ter nauwernood een stuk brood verdienen kan, wordt hier niet gemist; zijne plaats is spoedig door een ander vervuld. Maar in Amerika, waar hij door een goed loon in staat wordt gesteld in zijne behoeften te voorzien, is zijne waarde veel hooger. De wet van vraag en aanbod doet zich ook hier weder gelden.

Het sterkste voorbeeld hiervan levert wel de geschiedenis der Iersche emigratie. Iedere Ier van de 1½ millioen, die in de noodlottige jaren van 1846 en volgende hun land verlieten, verlichtte zijn vaderland en was eene aanwinst voor Amerika. Zelfs zij, die het minst ontwikkeld waren en dus de geringste waarde hadden, waren in vele gevallen nog bruikbaar; maar het voornaamste was, dat de besten onder hen, die in hun vaderland een rampzalig leven leidden, in Amerika ten minste gelegenheid vonden in hun levensonderhoud te voorzien. In plaats van een verlies voor hun land, was hun vertrek ongetwijfeld eene winst. Ja, indien het mogelijk ware geweest den toestand van Ierland als met een tooverslag te veranderen, wanneer een dictator iedereen gelegenheid tot arbeid en een klein kapitaaltje had kunnen verschaffen en tevens de groote landgoederen had verdeeld onder de arbeiders, in één woord, indien eene groote sociale omwenteling had kunnen plaats grijpen, dan had Ierland geen zijner zonen kunnen missen en had ook

[p. 438]

allen gelukkig gemaakt, - maar zulke onderstellingen zijn alleen op het papier mogelijk.

In Duitschland zijn soms enkele streken door de landverhuizing als geheel ontvolkt. Baden, Beieren, Wurtemberg. Hanover, Mecklenburg en dergelijke Staten hebben in grooten getale hunne landslieden naar Amerika zien vertrekken. Er bleven daar soms niet genoeg over om de opengevallen plaatsen te bezetten en de bestaande productie vol te houden. Doch de ware oorzaak van dat verval ligt dieper en is niet de landverhuizing, die zelve slechts een gevolg is. De slechte regeering, de onmogelijkheid om zijn bestaan te verbeteren, of eenige andere reden die de meesten deed verhuizen, bleef van kracht voor de achterblijvenden. Hieraan, niet aan de landverhuizing, is de achteruitgang van die streken te wijten. Met andere woorden: indien niemand het land verlaten had, zou de achteruitgang toch hebben plaats gehad; alleen hadden zooveel meer menschen daaronder geleden.

De Duitsche regeeringen kunnen dat niet aldus begrijpen; zij zien met leede oogen zoovelen vertrekken, die als militairen of als belastingschuldigen nog den Staat moesten dienen. Want het zijn niet de armsten, die het land verlaten, noch ook de ouden van dagen, die in het leger toch geen dienst meer kunnen doen. Vroeger reeds legden die regeeringen den landverhuizers allerlei hinderpalen in den weg, maar zelfs tegenwoordig nog doet de keizerlijke regeering al wat zij vermag, hoewel niet zoo bepaald optredende. De ‘Entlassungs Scheine’ zijn moeilijker te verkrijgen; den spoorwegen is een wenk gegeven om hunne tarieven te verhoogen, die zij in deze tijden maar al te gaarne opvolgden. In het Parlement zelf zijn stemmen opgegaan om de regeering te bewegen nog meer moeilijkheden te berokkenen; de Pommersche edellieden hebben met naïven trots straffen - en wat niet al - geëischt tegen die landverhuizers. Maar te vergeefs; zij vermochten niet een dam op te werpen, die dezen stroom kon keeren; misschien zijn zij er in geslaagd enkelen te ontmoedigen. Welke moeite men zich gegeven heeft in het uitdenken van middelen, blijkt uit het voorstel, dat men een schip zoude uitrusten om uit Amerika de teleurgestelde Duitschers terug te voeren, die dan, te huis teruggekeerd, een afschrikkend voorbeeld konden leveren. De omstandigheden zijn den ontwerper van dit voorstel dienstig geweest, want tegenwoordig keeren velen uit Amerika terug,

[p. 439]

en de ondervinding zal moeten leeren of daarmede voor goed een ommekeer in de landverhuizing heeft plaats gehad. Ik kan zulks niet gelooven; dat repatrieeren is een gevolg van tijdelijken overvoer der Amerikaansche arbeidsmarkt, toen de vraag naar arbeid tengevolge van de crisis van 1873 zeer beperkt was geworden. Juist tijdens die crisis zijn velen naar Amerika getrokken, die nu, uit wanhoop dat zij niet voldoende werk konden vinden, teruggekeerd zijn1. Daaronder komen dus voornamelijk handwerkslieden en fabriek-arbeiders voor, maar, naar het schijnt, ook eenige landbouwers. Daarbij is gekomen, dat de stoombootmaatschappijen tot alle prijzen vrachten aannamen, omdat de handel en de uitvoer zooveel minder levendig, waren en dat zij dus de passagiers-tarieven als het ware om het hardst hebben verlaagd. De Amerikanen hebben aanvankelijk gemeend, dat die belangrijke terugvloeiing voornamelijk toe te schrijven was aan de begeerte van velen, om van de lage vrachten gebruik te maken en de vrienden in Europa eens weder te bezoeken. Velen mogen aldus gehandeld hebben, hun getal is echter betrekkelijk klein tegenover dat der teleurgestelden.

Engeland heeft een ander begrip dan Duitschland van de landverhuizing; het totaal der geëmigreerde Engelschen, Schotten en Ieren overtreft zeker dat der Duitschers, maar de Engelsche regeering laat de landverhuizing haar loop, alsof ook zij doordrongen ware van het begrip, dat elke Engelschman in den vreemde de consumtie van Engelsche manufacturen en andere nijverheidsartikelen bevordert. Het is mogelijk dat deze commercieele politiek door de Engelsche regeering begrepen is; waar toch worden door de regeering de commercieele belangen der natie beter begrepen en bevorderd, dan in Engeland? Maar daarbij komt zeker ook de regel, dat wat zijne materieele welvaart betreft, ieder voor zich zelven heeft te zorgen. Toen dan ook eenige jaren geleden - in 1870 - eene beweging op touw gezet werd, om van de regeering een voorschot van £ 2 millioen te verkrijgen, ten einde daarvoor een honderdduizendtal emigranten te doen verhuizen, ging in den lande een kreet

[p. 440]

op, die het plan terstond deed mislukken. De behoefte om toch iets te doen in de omstandigheden, waarin men toen verkeerde, was echter zoo groot, dat personaadjes als de lord Mayor van Londen zich lieten medesleepen. De publieke opinie, geleid door de Economist, had echter dat plan spoedig in duigen geslagen. ‘Dat Smith van St. Pancras belasting betalen, of gelijk Mr. Torrens het voorstelde, gedwongen worden zou zijn geld te leenen, opdat O' Brien van Cashel een welgesteld Amerikaan zou worden, - op deze verrukkelijke dwaasheid (exquisite absurdity) kwam het geheele plan neder,’ zeide the Economist (v. 20 Januari 1870).

De hulp voor emigratie naar Australië, geheel in het belang der kolonie gegeven, hebben wij reeds vermeld. Doch er wordt in Engeland ook hulp verstrekt met een liefdadig doel. Er zijn Unions, die het zich ten taak stellen, lieden, die te huis niet voldoende brood kunnen verdienen, naar Amerika of naar Australië te zenden. Die vereenigingen zijn vrij talrijk, doch er bestaan geene verzamelstaten van hare resultaten. Onlangs heeft men ook getracht, tijdens de strike van de boerenarbeiders in Engeland, dezen in grooten getale naar Amerika te doen verhuizen, doch dit plan, met hoeveel talent ook door Arch verdedigd, is niet tot uitvoering gekomen, zoowel omdat het haast onmogelijk is, door arbeiders op een gegeven oogenblik eene groote som gelds te doen bijeenbrengen, welke voor eene massale verhuizing noodig is, als ook omdat tijdelijk, tengevolge van de crisis, door de ongunstige omstandigheden in Amerika er toen moeilijk werk te vinden was.

Buiten die Unions houden nog verschillende particulieren zich met het bevorderen der landverhuizing bezig. Een ieder kent b.v. de pogingen van Mis Rye, die met ladingen jonge dienstmeisjes naar Canada trok. Aan hare persoonlijke leiding zijn de goede resultaten te danken, welke zij heeft mogen verkrijgen.

De liefdadigheid onderneemt zeker een der moeielijkste werken, wanneer zij hulpbehoevenden gaat verplaatsen in een vreemd land, waar deze voor zich zelven alles moeten scheppen. Dit is eene der sterkste beproevingen, waaraan men den mensch kan onderwerpen. De fout toch van hen die gebrek lijden, zelfs van de besten onder hen, van de zoogenaamde eerlijke armoede, mag men toeschrijven aan het gemis van energie. Men kan dit verklaren, verschoonen zelfs, op grond dat de omstandig-

[p. 441]

heden machtiger zijn dan de wil, en alleen eene zeer krachtige energie, welke bij den mensch tot de uitzonderingen behoort, den staat van armoede vermag te overwinnen waarin zij verkeeren; maar als regel geldt, dat gemis van energie eene voorname oorzaak van den voortduur hunner armoede is. De uitzonderingen bevestigen hier den regel.

Nu onderwerpt men juist hen, wier energie in het moederland te kort schoot, aan die vuurproef van overplanting in een vreemd land, waar men, om onder dak te komen, de boomen eerst moet vellen, waarvan het huis moet gebouwd worden; om brood te hebben, eerst den grond moet ontginnen, enz. Soms komen onder die hulpbehoevenden lieden voor, die een ambacht kennen, maar meestal hebben zij niets geleerd, zijn het lieden van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Dezulken zou men aan den landbouw zetten, de meest onervarenen zouden juist verplicht worden alles te scheppen, - is het wonder dat er zoovelen in het nieuwe land mislukken en dat dan hunne ellende nog zooveel te grooter is, al ware het alleen door de teleurstelling na de kortstondige hoop?

Waarlijk, hulp te verleenen om iemand in staat te stellen te emigreeren, is eene daad van de grootste verantwoordelijkheid. Voor een ander te willen is misschien mogelijk, wanneer men dien ander steeds vergezelt, doch zoodra deze gemeenschap verbroken wordt, ontstaat halfheid van wil en gevaar voor het mislukken der beste bedoelingen.

Hieraan is het maatschappelijk verongelukken van zoovele emigranten te wijten. Wel zijn er ook velen goed geslaagd, maar in verhouding tot het totaal is hun aantal niet groot.

Eene andere wijze van hulp is het vooruitbetalen of overzenden der passagekosten door hen, die in Amerika gevestigd en geslaagd zijn, ten behoeve van familieleden of vrienden, die in het moederland zijn achtergebleven. Daarvoor worden jaarlijks groote bijdragen overgemaakt; b.v. naar Engeland ruim £ 700,000 per jaar (in 1852/4 zelfs ruim £ 1½ millioen per jaar), zoodat in de 25 jaren 1848/72 in het geheel ruim £ 17¾ millioen waren overgezonden. Van de £ 750,000 in 1872 kwamen £ 300,000 voor in Amerika vooruitbetaalde passagegelden via Liverpool. Zoo was ook voor 8,541 Noren en Zweden van de 12,371, die in 1869 van Christiania naar Amerika zeilden, de passage vooruitbetaald.

Deze wijze heeft een ontzaglijk voordeel boven die van het

[p. 442]

uitzenden van emigranten. De familieleden en vrienden toch vinden in het land hunner nieuwe vestiging hulp van vrienden, die bezwaren opheffen en hinderpalen wegnemen kunnen, welke zij anders op hun weg hadden ontmoet. Zij vinden de hulp daar, waar zij die behoeven: de uitgezondenen laten alle hulp achter.

Men zal beweren, dat ook in het nieuwe vaderland de emigrant hulp met raad en daad kan vinden. In Canada en Australië b.v. hebben de Engelsche liefdadige instellingen hare agenten of vertegenwoordigers. Bovendien zijn alle rechtschapen menschen in de koloniën steeds bereid de nieuw aangekomenen terecht te wijzen en te helpen. Maar daartegenover staan er helaas zoo velen, die er op uit zijn om hun voordeel te doen met de onervarenheid der nieuw aangekomenen, ja die daartoe geen bedrog ontzien. Wilde men iederen emigrant behoorlijk vrijwaren voor alle misleiding, men zou voor elk een specialen agent moeten aanstellen, die hem overal vergezelde, gesteld dat het mogelijk ware zoovele betrouwbare agenten, vrij van alle baatzucht, te vinden. Van het eerste oogenblik dat de emigrant aan wal stapt, loopt hij gevaar, hetzij hij eene tijdelijke verblijfplaats zoekt in de haven van aankomst, hetzij hij zich direct naar een spoorwegstation begeeft; wanneer hij zijn spoorwegkaartje nemen, geld wisselen wil, of wat ook, altijd staat hij bloot aan onedele speculatie. Een ieder, die gereisd heeft, kent die gevaren, maar de onervarene, minder ontwikkelde landbouwer of ambachtsman staat daaraan veel meer bloot. Men mag veilig aannemen, dat iedereen voor die misleiding is gewaarschuwd, maar toch betalen verreweg de meesten leergeld en begrijpen 't eerst recht, wanneer zij de droevige ervaring hebben opgedaan.

Wat de philanthropie al niet heeft uitgedacht om kwade praktijk tegen te gaan, verdient bewondering. Het meest bekende voorbeeld is de inrichting van Castle Garden in New-York, waar jaarlijks een 250,000 immigranten landen. Het zou ons te ver leiden die hier uitvoerig te beschrijven. Alleen vermelden wij, dat zij, indertijd door eene particuliere Commissie tot stand gebracht, nu onder beheer van de State-commissioners of emigration staat en hare kosten bestreden worden uit het hoofdgeld van $ 1.50, dat voor elken emigrant moet worden voldaan door het schip. De reederijen klagen hierover en dreigen het vervoer naar Boston, Philadelphia enz. te richten, maar de commissioners vragen eene vermeerdering van die taxe, omdat zij

[p. 443]

niet alle kosten der inrichting (waaronder ook een hospitaal) bestrijden kunnen. Stippen wij alleen hier aan, dat een man, die zich beroemd en bemind gemaakt heeft door zijn lidmaatschap van die Commisie, de heer Verplanck, een afstammeling was van eene Hollandsche familie. Bij zijn overlijden in 1870, na eene 20jarige werkzaamheid in die Commissie, werd hij inderdaad algemeen betreurd.

Buitendien bestaan er over geheel Amerika verspreid nog vele bijzondere vereenigingen of commissies, voornamelijk van Duitschers, om aan landslieden, in geval van nood, hulp te verleenen.

Maar er is nog eene phase in de reis der emigranten, welke de aandacht bijzonder waard is en waarbij ruimte is voor menige verbetering.

Het is niet noodig, dat men eene reis gedaan hebbe op eene groote transatlantische stoomboot, waarop een duizendtal emigranten zijn ingescheept, om te bevroeden, welke bezwaren eene dusdanige opeenhooping van menschen in een klein bestek moet opleveren, vooral niet als men bedenkt, dat bij ongunstig weder de poorten der toegangen tot het dek gesloten zijn en die massa dagen en nachten achtereen in het tusschendek moet verblijven. Men stelle zich die massa eens voor: Ieren, Duitsche boeren, Polen, of wie niet al; geen hunner aan zindelijkheid gewoon, of indien zij dit zijn, dan des te meer lijdende van onzindelijkheid van anderen. Dan komt zeeziekte en ledigheid; men kan elkanders gezelschap niet ontloopen. Men slaapt, gelijk het heet, in afzonderlijke kooien, maar hoe zijn die ingericht? Twee of drie verdiepingen boven elkander, tusschen welke een gang is opgengehouden. Op die verdieping is door een paar planken eene afscheiding gemaakt, waarin een stroozak kan liggen; hij die, te bed liggende, zijn hoofd een weinig opheft, kan alles overzien. Nu zijn op de best ingerichte schepen voor gehuwde lieden en voor vrouwen afzonderlijke ruimten bestemd, doch dit wil niet veel meer zeggen, dan dat alle gehuwden bij elkander zijn en vlak daarbij de ongehuwde of alleen-reizende vrouwen of meisjes. De afscheidingen met een paar planken zijn overal voldoende geacht. De bediening aan boord geschiedt echter uitsluitend door mannen of jongens; voor de tusschendekspassagiers is geen vrouwelijke hulp aanwezig.

De gelegenheden om zich te wasschen bestaan uit eenige rijen waschbakken of gootsteenen; stel een tiental rijen, elk van

[p. 444]

5 voor een 1000tal passagiers, dan weet men wat te denken van de waschgelegenheid. Met de privaten is het niet veel beter gesteld en de zindelijkheid daarvan laat alles te wenschen over. Voor de maaltijden wordt voldoend en behoorlijk voedsel verstrekt; hoeveelheid en qualiteit zijn beter dan de meeste emigranten te huis gewoon zijn geweest. Maar de wijze van toebereiding is gebrekkig; er wordt vooral geklaagd over het brood en over de aardappelen.

Ten slotte bedenke men eens, welken invloed in een reisgezelschap, dat een 14 dagen verplicht is te zamen te blijven, een die zich slecht gedraagt, dronken of ruw is, hebben kan. En dan, hoeveel zulke lieden onder een duizendtal menschen kunnen voorkomen; hoe die door samenwerking hun invloed kunnen vermenigvuldigen. Men vindt ze onder de landlieden, zoowel als onder hen, die uit de achterbuurten der groote steden komen.

Waarlijk, de reis van een emigrant biedt weinig aangenaams of zelfs dragelijks. Vroeger golden de bezwaren nog meer, toen men zich van zeilschepen bediende, omdat daar én de inrichtingen veel minder goed waren én de reis zooveel langer duurde. De sterfte aan boord der zeilschepen was dan ook soms verschrikkelijk groot, waarvan helaas de onmenschelijkheid der reeders eene voorname oorzaak was. Men hale de voorbeelden niet op, welke de Hollandsche reeders in de vorige eeuw of zelfs nog in het begin van deze eeuw hebben geleverd; onze reederijen zijn zwaar - maar niet onverdiend - gestraft door het geheele verlies van het landverhuizersvervoer. Ook baat het niet daartegenover voorbeelden te stellen van Hamburger of Bremer schepen, als b.v. de Leibnitz in 1868, - of andere, waarop de cholera, pokken, roodvonk of typhus droevige verwoestingen hebben aangericht.

In de havens van uitklaring der emigrantenschepen wordt van overheidswege toezicht uitgoefend op de inrichting dier schepen. Doch zelfs wanneer de wettelijke bepalingen goed worden toegepast en het toezicht nauwgezet geschiedt, blijft 't toch onmogelijk alle minder goede praktijken te voorkomen. Ook mag de wetgever niet te veel eischen; anders zou hij de stoombootreederij misschien te zware voorwaarden gaan stellen. Aan de onderlinge concurrentie der stoombootlijnen en ook aan de openbare meening moet overgelaten worden, de wettelijke bepalingen aan te vullen en te controleeren. Daar de vrachten

[p. 445]

gelijk zijn, rest der concurreerende Maatschappij geen ander middel om de landverhuizers of tusschendekspassagiers naar zich toe te lokken, dan door te wedijveren in goede behandeling en goede inrichtingen aan boord. De ‘White Star line’ b.v. heeft in deze een goeden invloed gehad en de anderen genoopt tot verschillende verbeteringen. Doch ook de publieke meening vermag iets. Van tijd tot tijd vindt men in de Amerikaansche couranten uitvoerige rapporten van personen, die òf met een bijzonderen last, òf uit eigen beweging de behandeling der tusschendekspassagiers en de inrichtingen op de booten hebben onderzocht1; soms hebben zij daartoe zelven eene reis als zoodanig gemaakt. Eindelijk hebben verschillende philanthropische vereenigingen of speciale van overheidswege ingestelde commissiën zich de taak van bescherming der landverhuizers aangetrokken, als te Bremen en te Hamburg het ‘Bureau für Auswanderer, enz. Deze strekken hare zorgen uit tot aan land, voor dat de landverhuizer zich inscheept, zien toe dat zijn contract met de reederij richtig zij en dat hij goede waar kan bekomen, wanneer hij zijn beddegoed, vorken, messen enz. voor de reis koopt.

Wil men te veel reglementeeren, men streeft het doel voorbij; zonder alle reglementeering alles over te laten aan de wet van vraag en aanbod, gaat ook niet. De contracteerende partijen zijn niet gelijk; aan de eene zijde de machtige reederij, aan de andere de weinig ontwikkelde landverhuizer. Daarom moet de openbare macht toezicht houden en den landverhuizer zooveel mogelijk waarborgen voor eene goede behandeling verschaffen. De ondervinding heeft de noodzakelijkheid daarvan bewezen; de groote moeilijkheid blijft echter de uitvoering der gegeven voorschriften of waarborgen ten allen tijde te verzekeren. Is het schip eens in zee, dan kan de gezagvoerder onbeperkte macht doen gelden, zooals de formule het uitdrukt: ‘Ik... schipper naast God.’

In de vorige eeuw waren die voorzorgen, was dat philanthropische streven onbekend. Er werd ook niet gedacht aan hulp voor hen, die den overtocht niet konden bekostigen. De landverhuizer moest geheel zich zelven helpen. Er was toen echter een middel in zwang om onvermogenden toch over zee te helpen,

[p. 446]

dat tot de grofste misbruiken heeft aanleiding gegeven. De reederij stond hun toe in Amerika de passage in te verdienen; de landverhuizer verhuurde zich dan in Amerika voor een zeker aantal jaren, en het bedongen loon werd bij vooruitbetaling aan den scheepsgezagvoerder gegeven om de schuld der passage af te lossen.

In theorie heeft deze wijze van handelen veel aanlokkelijks. Geheel door eigen energie bereikt de landverhuizer dan zijn doel; hij behoeft geen steun te vragen. Maar de practijk heeft helaas hoogst droevige ervaringen opgeleverd en het onhoudbare van die theorie bewezen. Dat inverdienen der passage deed een toestand geboren worden erger dan slavernij; de meester in Amerika maakte meestal groot misbruik van het contract, dat voor een zeker aantal jaren gesloten werd, maar ook de scheepsgezagvoerder als agent der reederij beschouwde den landverhuizer als een voorwerp van handel, en trachtte met de grootste hardvochtigheid zooveel geld mogelijk op hem te verdienen. Geen familiebanden werden ontzien, vrouwen of dochters werden in ellende gestort, - in één woord alles wat van de slavernij gezegd is, was op het lot van landverhuizers, die hunne passage moesten inverdienen, van toepassing. Ongelukkig genoeg voor ons land, viel de proef van die methode in een tijd, toen de Hollandsche reeders de Duitschers naar Amerika overvoerden, en is de qualificatie der landverhuizings-agenten als zielverkoopers, aan onze taal ontleend, eene blijvende herinnering daarvan geworden.

Hoe moeilijk de quaestie der bevordering van de landverhuizing ook zij, hoe zou men toch niet verlangen krachtige maatregelen daarvoor te nemen. Men bedenke eens de ellende, die door velen in Europa wordt geleden in voedsel, in kleeding, in woning, in ontwikkeling, en stelle daartegenover de goede toekomst, die in Amerika kan bereikt worden. Wel staan tegenover de hoogere loonen ook hoogere prijzen van levensmiddelen, kleeding en andere benoodigdheden; wel moet b.v. de arbeider, die de wildernis gaat ontginnen of die een spoorweg gaat aanleggen in onbewoonde streken, zijn kost duur betalen, maar die kost is ontzaglijk veel krachtiger dan die, welken hij in Europa kon bekomen. Hij kan werkelijk en geregeld vleesch verkrijgen. Welke sensatie moet dit niet maken op vrienden of familieleden, die in Europa achterbleven. Is het wonder wanneer deze hulp komen vragen, indien zij zelven zich niet redden kunnen, en zou het mogelijk zijn die te weigeren aan

[p. 447]

een, die innig gelooft door die hulp voor goed uit de ellende verlost te worden. Hij weet niet welke beproevingen hij zal te doorstaan hebben, alvorens dien beteren toestand duurzaam bereikt te hebben, maar hij weet zeker, dat niet erger hem treffen kan dan de toestand, waaronder hij nu gebukt gaat.

Voor den oppervlakkigen beschouwer schijnt er in Europa inderdaad overbevolking te bestaan. Het moge waar zijn, dat meerdere energie eene grootere mate van nut daaruit zou kunnen trekken, maar de uitslag is onzeker of alleen in eene meer verwijderde toekomst te verkrijgen. Wanneer men b.v. waarneemt, dat boeren op gehuurde plaatsen niet vooruitgaan, dat sommigen niet dan met groote moeite hunne pacht kunnen opbrengen, en toch wanneer zij door eene of andere omstandigheid hunne hoeve moeten verlaten, aan een wissen ondergang blootgesteld zijn, bij de moeilijkheid om eene andere hoeve te verkrijgen. Meerdere kennis van landbouw, ontginning van woeste gronden (ten onzent heide), zou zeker verbetering aanbrengen, maar slechts voor weinigen; en dan nog wordt voor ontginning van heide een belangrijk kapitaal gevorderd. Bij dien toestand is het geen wonder, dat men op de gedachte komt om hen over te brengen in een land, waar zij hunne kennis en klein kapitaal met vrucht gebruiken en dan ook tot welvaart komen kunnen.

Maar men zal dit niet doen, althans niet stelselmatig; op groote schaal dat gedeelte der bevolking te doen emigreeren, wat men zou aanzien als overbevolking, is eene hersenschim, wanneer het in de uitvoering geen misdaad zou worden. Misschien is het mogelijk eene groote menigte menschen te overreden om hun land te verlaten, maar men denke zich eens die massa te gelijk aangevoerd in een vreemd land. Wie zal voldoende voor haar zorgen, de hulpbehoevenden terechtwijzen, den wankelmoedigen moed inspreken kunnen? Men kan dan ook er niet aan denken juist hen te doen emigreeren, die men het liefst zou wegzenden. In de nieuwe wereld is nog minder dan in de oude plaats voor de armoedigen, krachteloozen of ongelukkigen. De ellende, die te New-York b.v. geleden wordt, is zeker niet minder dan die in vele plaatsen van Europa; in de nieuwe wereld geraken de zwakken veel eerder onder den voet dan in de oude.

Massale landverhuizingen hebben dan ook niet plaats gevonden onder de leiding van de regeering of van eenige groote

[p. 448]

corporatie. Zij kwamen alleen voort uit natuurlijke drijfveeren. Die van Ierland geschiedde om den hongersnood te ontgaan, die van Duitschland meest om binnenlandsche onlusten of oorlogen. Na 1830, na 1848, in 1867/8 en laatstelijk na 1870 hebben de Duitschers in groote getalen hun land verlaten. Dan eens kwamen uit Baden, dan weder uit Holstein, Hessen, Nassau, Hanover of Bohemen de meesten, al naarmate oorlog of politieke beroering het land geteisterd hadden. Uit Holstein, Hessen en Nassau kwamen in 1867/71 44 pCt. der landverhuizers uit het Duitsche Rijk, terwijl de bevolking van deze provinciën nog niet ⅕ van die van het rijk uitmaakt. In de jaren 1867/71 verdubbelde de geheele landverhuizing uit Duitschland, en bedroeg 2 pCt. van de bevolking tegen 1 pCt. per jaar in 1860/6.

Hongersnood of duurte van levensmiddelen, oorlog, binnenlandsche politieke onlusten of godsdienstvervolgingen zijn de voorname beweegredenen van die landverhuizing geweest. Het eenige wat daarvan afschrikken kan, is dan ook, wanneer diezelfde omstandigheden zich in Amerika vertoonen; een geweldige crisis in de handelswereld als in 1857, en als de pas afgeloopen crisis van 1873, of een burgeroorlog als in 1860/4 in Amerika woedde, houden dan van de landverhuizing terug.

III.

Het zoo belangrijke onderwerp der landverhuizing heeft in de laatste jaren ook in Nederland de aandacht weder getrokken, en wel in drieërlei richting.

De oude quaestie toch: of men uit Nederland landbouwers naar Oost-Indië zou overbrengen, om, volgens een vast plan van kolonisatie, het Europeesche element in Indië te versterken en tevens de welvaart van vele Nederlanders te bevorderen, door hen in het bereik te brengen van de schatten, die Indië's bodem opleveren kan, is in het vorige jaar weder op het tapijt gebracht. Wel herinnerde men zich de ervaringen, door onze voorouders opgedaan, wier herhaalde pogingen telkens mislukten. Maar men vleide zich, dat de oorzaak daarvan voornamelijk lag in de qualiteit der uitgezondenen, die zeer veel te wenschen overliet. Indien men, in plaats van bij voorkeur de laagste maatschappelijke rangen te nemen, eens lieden koos, wier

[p. 449]

physiek en moraliteit gunstige kansen boden, zou de proef beter slagen, meende men. De indruk van het rapport der Staatscommissie van 1857 was verflauwd; men had vergeten, hoe eene autoriteit, als prof. Donders, op hygiënische gronden de onmogelijkheid van Europeesche kolonisatie in Indië had bewezen. Men achtte de quaestie vatbaar voor ernstig debat. Dit had dan ook plaats. In het vorige jaar werd in het Indisch genootschap de quaestie opnieuw uitvoerig en veelzijdig behandeld, waarbij vooral de heeren Cornelis de Groot en Robidé van der Aa in het strijdperk traden en de overwinning, ernstig betwist, eindelijk aan den laatsten, den bestrijder der kolonisatie, verbleef.

Indien de landverhuizing niet naar Indië gericht mag worden, dan toch ga zij niet voor het moederland verloren, was de wensch, dien de vrienden van Suriname daarop deden hooren. Velen onder hen gordden zich aan ter verdediging van hun lievelingsdenkbeeld en namen de pen op om den breeden stroom van brochures, die jaarlijks ten onzent allerlei plannen verwateren, te doen zwellen. Doch zij mochten geen verder succes behalen dan ons te overtuigen van hunne liefde voor onze West-Indische bezittingen, van de heerlijke vruchtbare landouwen, die daar braak liggen - om ons tot den wensch te brengen, dat anderen zich geroepen mogen gevoelen daarvan de vruchten te gaan plukken. Want vruchtbaarheid van het land alleen is niet voldoende; het klimaat moet ook van onze gading zijn en de instellingen en regeering van het land bovendien moeten ons waarborgen, dat wij in volkomen zekerheid volledige vrijheid van handelen hebben en dus zelven de vruchten van ons werken genieten zullen. Nu moge Suriname veel vruchtbaar land opleveren, het klimaat moge in sommige gedeelten niet dien slechten naam verdienen, dien het bij het publiek heeft, toch is het zeer twijfelachtig of de politieke toestand wel het verhuizen naar Suriname aanlokkelijk maakt.

Dezelfde opmerking geldt eigenlijk ook voor Oost-Indië, en in het algemeen voor elke kolonie. De afhankelijkheid van het moederland verhindert overal de politieke - of wil men liever, maatschappelijke - vrijheid. Het is zacht zich te spiegelen aan anderen, en wij kunnen dan wijzen op de ervaring van Engeland. Australië werd voor landverhuizing gezocht, toen het een eigen bestuur had gekregen, Canada evenzoo. Daarbij komt, dat men in deze gewesten niet te rekenen heeft met eene talrijke bevolking van inboorlingen, als in Britsch-Indië, -

[p. 450]

evenals op Java - tegenover wie het gezag moet worden gehandhaafd, en dus reden gegeven wordt tot inmenging van de regeering, welke niet bestaat in gewesten, alleen door Europeanen of hunne afstammelingen bevolkt.

Eindelijk kan eigenlijke landverhuizing naar de koloniën moeilijk slagen, omdat die, voornamelijk bestaande uit lieden, die door handenarbeid in hun onderhoud moeten voorzien, in de kolonie, waar de arbeid niet in eere is, waar reeds de inboorlingen voldoende werkkrachten leveren, niet het terrein vindt, dat zij behoeft. In plaats van aan handwerkslieden of landbouwers, heeft men in de kolonie behoefte aan personen, die den arbeid der inboorlingen leiden en ontwikkelen kunnen.

De landverhuizing van Nederlanders is dan ook alleen gericht naar de Vereenigde Staten. Het aantal van hen, die naar Australië, de kaap de Goede Hoop enz. vertrekken, is betrekkelijk gering, en men kan dus veilig aannemen, dat allen, die in de jaarlijksche verslagen der provincie worden opgesomd, als landverhuizers naar de Vereenigde Staten zijn vertrokken. Zijn daaronder soms lieden geteld, die eene andere bestemming hadden gekozen, men kan deze in compensatie brengen met hen, wier vertrek onbekend bleef aan de autoriteiten. Want ten onzent zijn geene formaliteiten te vervullen bij landverhuizing; in groote gemeenten b.v. kunnen er velen vertrekken zonder dat het gemerkt wordt.

Raadplegen wij die statistiek, om ons eenig denkbeeld te vormen van de beteekenis der landverhuizing uit Nederland. De geregelde opgaven van elke provincie dagteekenen van 1845 en 1846. Van 1845 tot 1864 vinden wij dan opgegeven 31,976 personen, van 1865 tot 1873 26,523, of te zamen 58,499 personen. In de jaren 1871, 1872 en 1873 vertrokken 9,422 personen, zoodat het totaal van 1845 tot ulto. 1870 bedroeg 49,577. Nu vindt men bij den census van 1870 in Amerika opgegeven: inwoners in Holland geboren 46,801. Het verschil (ad 2776) tusschen beide cijfers is dus gering. Van hen, die in het begin van dat zesentwintigjarig tijdvak vertrokken, waren in 1870 zeker reeds velen overleden. Men kan dus veilig de cijfers der provinciale verslagen als minima aannemen. Het jaar van de grootste emigratie was 1847, toen 5322 personen emigreerden; met het voorgaande en de beide volgende jaren telt men in de 4 jaren, 1846/9, toen de groote exodus van afgescheidenen onder Ds. van Raalte naar Michigan,

[p. 451]

en onder Ds. Scholte naar Pella in Jowa plaats had, 11,315 personen of meer dan ⅓ van het geheele 20jarig tijdvak 1845/64. Daarna neemt men weder eene levendige landverhuizing waar voor de jaren 1853/6 met 9,258 personen (in 1854 alleen 3611), voorts in 1866/9 (in 1867 alleen 4187), terwijl eindelijk in 1871 opnieuw de lust tot emigratie sterk aangewakkerd werd, waarvan 1873 het hoogste cijfer levert met 3867. In het tijdvak 1865/73 is ook de beweging veel aanzienlijker geweest dan in de voorgaande 9 jaren, 1857/64; deze gaven per jaar een gemiddeld cijfer van 1,054, hetgeen voor 1865/73 bedroeg 2,947. Dit groote verschil vindt zijne verklaring in de omstandigheid, dat in de jaren 1859/64 de emigratie het geringst was (gemiddeld 946 per jaar), zoodat voor 1859 het laagst bekende cijfer van alle jaren, t.w. 497, aangeteekend werd.

Vergelijken wij onze emigratie met die van Groot-Brittannië en Ierland en van Duitschland, waartoe wij het veiligst de cijfers der Amerikaansche statistiek kunnen nemen. Nu werden, gelijk wij reeds gezien hebben, in 1870 in de Vereenigde Staten geteld 2,625,971 personen, geboren in Groot-Brittannië en Ierland; 1,690,410 geboren in Duitschland, (met uitsluiting van Oostenrijk) en 46,801 geboren in Holland. Toetsen wij deze getallen aan die der bevolking in 1871 in Groot-Brittannië en Ierland van 31,857,000, in het Duitsche Rijk (behalve Elzas-Lotharingen) van 39,508,000, en in Nederland van 3,579,000. dan zien wij, dat tegenover de bevolking in het moederland de nationalen, wonende in de Vereenigde Staten, uitmaken, 8.2 pCt. voor Groot-Brittannië en Ierland, 4.3 pCt. voor Duitschland en 1.3 pCt. voor Nederland. Verder staat:

Bevolking in V.S.
Zweden 4,204,000:97,327 = 100:2.3
Noorwegen 1,760,000:114,243 = 100:6.4
Denemarken 1,784,741:30,098 = 100:1.7
Zwitserland 2,269,147:75,145 = 100:3.3

Nederland heeft dus in verhouding weinig van zijne bevolking afgestaan aan de Vereenigde Staten. De toename van de landverhuizing in de laatste jaren kon eenige wijziging in die verhouding brengen, maar toch blijft die voor 1873 nog beneden 1.08 per mille der bevolking, terwijl wij zagen dat voor Duitschland in 1867/71 de verhouding gemiddeld per jaar 2 per mille of het dubbel was.

[p. 452]

Wat het aandeel betreft der verschillende provinciën in de emigratie, ziet men dat Gelderland het grootste contingent leverde of 13,103, dan volgt Zeeland met 12,341, Groningen met 7,290, Zuid-Holland met 7,269, Noord-Holland met 4,964 enz. In 1847, 1854, 1867, de jaren van de grootste emigratie, telt men uit enkele provinciën soms een duizendtal, maar de onderlinge verhouding wordt zelden verbroken. Een enkele maal slechts ziet men dat gebeuren, als b.v. toen Limburg in 1862/3 869 personen zag vertrekken, of op eens de helft van zijne geheele landverhuizing in 29 jaren tijds, en dat nog wel in 2 jaren, toen in de overige provinciën de verhuizing onbeteekenend was. Onder de oorzaken der emigratie hebben wij voor Nederland gelukkig niet te wijzen op oorlogen, of het zich onttrekken aan militaire plichten. Ten onzent komt zoo niet het vluchten voor geloofsvervolging in het spel, dan toch de wensch om een oord op te zoeken, waar men geheel vrij en alleen onder gelijkgezinden levende, volgens zijne godsdienstige overtuiging kan handelen, zonder aanstoot van andersdenkenden te lijden. Het is bekend, dat de emigratie uit onze noordelijke provinciën vooral door deze drijfveer is te verklaren. Maar daarbij komt ook de wensch om zijn lot te verbeteren en een grooter deel der aardsche goederen deelachtig te worden.

Het is reeds aangestipt, hoe men in den boerenstand aan eene zekere mate van overbevolking lijdt, zoodat het voor vele boeren bijna onmogelijk is eene hoeve te vinden. De concurrentie dientengevolge onder dezen stand ontstaan, heeft ook de pachten soms zeer opgedreven, hooger dan velen opbrengen kunnen, zoodat er onder de pachters zeer velen zijn, wien het niet voorspoedig gaat. Notarissen ten platten lande kennen dien toestand en hebben veelvuldig gelegenheid daarvan treurige bewijzen te zien bij boedelredding enz.

Kunnen de pachters besluiten, voor zij hun klein kapitaaltje hebben verloren, naar de Vereenigde Staten te gaan, hebben zij moed de moeilijkheden te trotseeren, welke emigratie oplevert, zij zullen daar vinden wat zij hier missen: goed land waarvan zij de vruchten zullen plukken. Hunne kinderen vooral zullen den meerderen welstand ondervinden, dien zij in Amerika kunnen bereiken. De ouders zelven zullen het beste deel van hun leven moeten zwoegen en alleen een gelukkigen ouden dag beleven, maar het zijn de kinderen, die den voorspoed genieten zullen.

[p. 453]

Gelijke opmerking geldt voor de handwerkslieden. De bekwamen, ijverigen en krachtigen onder hen kunnen zeker in Amerika een beteren toestand bereiken, maar hoevele bezwaren hebben zij niet te overwinnen, al was het alleen maar om zich de vreemde wijze van werken eigen te maken.

Wanneer Amerika dan zooveel goeds biedt ook voor Nederlanders, is het dan niet zaak onze landgenooten op te wekken tot landverhuizing, hun die voordeelen onder de oogen te brengen, hun de gelegenheid gemakkelijker te maken, in een woord hen voort te helpen naar Amerika, zooals wij zoo gaarne in elk ander opzicht hen voorthelpen. Zou men niet zelfs een stap verder moeten gaan en lieden, wien het onmogelijk is hier in het levensonderhoud van hun gezin te voorzien, maar die gezond en krachtig zijn, die werken kunnen en willen, de middelen te verschaffen om in Amerika de gelegenheid te vinden, die zij hier te vergeefs zoeken.

Het is een gevaarlijk werk. Dat zij, die het toch ondernemen, dit karakter erkennen, ziet men bewezen door het feit, dat daarvoor comité's worden opgericht. Voor datgene toch, waarvan men zelf de verantwoordelijkheid niet wil dragen, of wat men begrijpt dat aan het enkele individu niet wordt toevertrouwd, richt men een comité op. Dit moge niet meer waar - dan toch altijd eenigszins - zijn dan elke andere paradox, men zal toch erkennen, dat wanneer A of B zijne landgenooten gelukkiger wil maken door hen over de zee te helpen, hij voor dit liefdewerk zich omringt van eenige andere enthusiasten, die even warm gevoelen, al zijn zij minder door ijver ontstoken tot handelen, en dat hij dan namens het comité optreedt, met een zeker prestige bekleed.

Behalve in Engeland, als b.v. Miss Rye, is mij niet bekend dat individuën zich met het bevorderen der landverhuizing inlieten. Ook in Engeland echter hebben de comités de overhand; ten onzent zijn zij nog schaarsch; in Duitschland worden ze, zoover mij bekend, niet gevonden.

Wij kennen er nu hier te lande een, t.w. de vereeniging tot ondersteuning der emigratie van minvermogenden naar den Noordamerikaanschen Staat Minnesota, gesticht den 13den Maart 1873 (reglement goedgekeurd bij Kon. besluit van 30 October 1873, no. 30 Ned. Staatscourant v. 12 Februari 1874). Vroeger moet er ook eens door 3 dames een comité zijn opgericht (zie Economist 1861, p. 384) onder den titel van:

[p. 454]

Vrouwenvereeniging tot bevordering der landverhuizing, vooral voor vrouwen en meisjes, speciaal met het doel om onvermogenden, die zich bij haar aanmelden, voort te helpen. Doch van dit comité heb ik niets naders vernomen. Het thans bestaande comité beperkt zijn werkkring hier tot minvermogenden en aan de andere zijde tot Minnesota, maar Minnesota maakt zoozeer een hoofddoel uit van de werkzaamheid van de vereeniging en hare stichters, dat zij nog in andere qualiteit t.w. als cargadoors of agenten der Northern Pacific-Spoorwegmaatschappij - sedert bankroet - de landverhuizing ook van gegoeden naar Minnesota bevorderen.

Deze vereeniging heeft eene zonderlinge wijze van werken; hare leden betalen eene jaarlijksche contributie van ƒ 5, en zoodra de kas een zekere som (ik meen ƒ 500) bevat, wordt deze som door het bestuur aan een lid toegewezen als reisgeld naar Amerika; op deze wijze kan dan 99 jaar later de laatste van het honderdtal geholpen worden, mits er altijd honderd blijven contribueeren. Het is misschien de bedoeling om van eenige goedige welgestelde, lieden die contributie ad ƒ 5 te verkrijgen, die velen gemakkelijk geven voor een weldadig doel.

Er is reeds een dergelijke uitverkorene in Minnesota geplaatst en die laat nu recht dankbaar zijn zoet gefluit hooren in het maandblad ‘de Landverhuizer’. Indien allen tot en met den 100sten even tevreden zijn, heeft de vereeniging een groot succes behaald. Maar dat mogen wij afwachten.

Het is waar, dat hij nu reeds niet alleen staat en dat er anderen zijn, die met hem den lof zingen van Minnesota. Ik wil gelooven met volkomen recht. Minnesota ondervindt voorspoed en heeft veel rijk land, maar het treft des te aangenamer sommige dier lofzangen te hooren van enkelen, wanneer men een paar jaar geleden van diezelfde personen brieven heeft ontvangen met het dringende verzoek om voorspraak tot het bekomen van eene aanstelling of eenige betrekking. Is het onverwacht en buitengewoon slagen van die personen niet bekend geworden, dan mag men zich misschien verwonderen over den ommekeer in hun lot, of anders hunne geloofwaardigheid niet ten volle vertrouwen.

Doch Minnesota is zeker een rijk land. Toch ontkennen de voorvechters niet, dat de winters daar bar streng kunnen zijn, alleen trachten zij de blaam - zoo die daarin steekt - af te schuiven door te wijzen op enkele koude dagen of sneeuw-

[p. 455]

buien in meer zuidelijke Staten, als Jowa. Alsof men kon beweren, dat de winters te St. Petersburg voor Italianen zeer goed te dragen zouden zijn, omdat misschien te Rome wel eens sneeuw is gevallen.

Het klimaat in Minnesota is ruw, in den winter te koud, in den zomer te drukkend om dezen Staat als bij uitzondering tot het doel der Nederlandsche landverhuizing te maken. Er wordt niet beweerd, dat zij het daar niet kunnen uithouden, maar wel dat zij zich in minder noordelijk gelegen Staten behagelijker zullen gevoelen en hun besluit tot landverhuizing daar in één opzicht te meer zullen roemen.

Die voorkeur voor Minnesota is voor Zweden en Noren volkomen gewettigd, voor Nederlanders niet; zij kunnen beter vinden. Dat toch die Staat hier zoo sterk is aangeprezen, heeft een anderen grond dan de voortreffelijkheid van grond en klimaat, en wel deze, dat daarin de St. Paul en Pacific-Spoorweg is gelegen, waarvoor uitsluitend in Nederland het geld is opgebracht, zoodat hier op Minnesota meer de aandacht is gevallen en daarmede nauwe betrekkingen bestonden, terwijl ook de Northern Pacific-Spoorweg in Nederland zijne agenten heeft gevonden.

De stichting dier langnamige vereeniging toch is uitgegaan van agenten van den Northern Pacific-Spoorweg; zij richtten dan ook de personen, die zij hadden aangeworven, naar de landerijen van den Northern Pacific, ja wat meer is, zij gaven deze geheel over in handen van den spoorweg, die hunne vestiging langs zijne lijn gaarne en met de beste zorgen (door het eigenbelang voorgeschreven) bestierde. Die stichters zien dan ook geheel door de oogen van die Spoorwegmaatschappij. Als antwoord toch op de vraag naar bewijzen voor de soliditeit der zaak (de bevordering der emigratie naar Minnesota), gaven zij als waarborg op 1o. hunne namen; 2o. de algemeen erkende eerlijkheid van de directie der Northern Pacific-Spoorwegmaatschappij, waarvan ieder bankier en ieder die met Amerika bekend is, kan getuigen; 3o. de omstandigheid, dat de obligatiën dier Maatschappij in Amerika à pari, in Londen 92½ pCt. staan.

Dergelijke stoutmoedigheid is alleen mogelijk, wanneer men de gevaren in het geheel niet kent; zonder van den tweeden waarborg te spreken mag men er toch wel op wijzen, dat de derde, de noteering te Londen en zelfs die in Amerika, geheel fictief waren, hetgeen men zeer gemakkelijk had kunnen te weten komen.

[p. 456]

Het is uiterst moeielijk van Europa uit de landverhuizing naar Amerika te bestieren; de landverhuizers krijgen dan toch hunne inlichtingen uit de tweede hand, en de personen of comités, die de inlichtingen geven, dragen de verantwoordelijkheid van hetgeen anderen hun hebben medegedeeld. Zonder nu nog het gevaar van kwade trouw overdreven voor te stellen, moet men toch zeker rekenen op al te gunstig gekleurde voorstellingen, of, wil men liever, op het te licht tellen van bezwaren. De Amerikanen, vooral zij, die belang hebben bij de landverhuizing, kunnen niet anders dan hun land roemen. Tegenover dit erkend feit kan men op zijne hoede zijn, maar wanneer Nederlanders dergelijke voorstellingen hier onder hun eigen naam verbreiden, dan staat men ongewapend en geeft zich licht gevangen door hetgeen uit betrouwbaren mond wordt vernomen.

Men zal mij waarschijnlijk tegenwerpen, dat ik feitelijk de landverhuizing bestrijd, wanneer ik die menschlievende propoganda afkeur; wanneer ik er echter niet in geslaagd ben, door hetgeen ik tot dusver heb geschreven, te bewijzen hoe onjuist die beschuldiging zou zijn, wensch ik op te merken, dat ik niet uitga van de meening, dat het doel de middelen wettigt.

Zonder eenige propoganda is het toenemen der landverhuizing niet mogelijk, maar dan is slechts eene enkele wijze van propaganda geoorloofd, te weten die, welke uitgaat van de vrienden of familieleden, welke reeds naar Amerika verhuisden; over deze kunnen de landgenooten met kennis van zaken oordeelen. Gaan die vrienden of familieleden soms te ver in hunne aanbevelingen en geven zij aanleiding tot teleurstellingen, hun is het dan ook mogelijk te herstellen wat zij verkeerd deden, zij kunnen dan met raad en daad ter zijde staan, zij kunnen hulp verleenen daar waar die noodig is. Indien ik in de termen viel om te emigreeren, ik zou dit dan ook zeker niet doen, wanneer ik er niet op rekenen kon personen aan te treffen, die met raad en daad mij ter zijde zouden willen staan. De landverhuizing van individuën levert groote moeielijkheden, welke eenige familiën vereenigd gemakkelijk te boven komen; het is niet alleen de verdeeling van arbeid, maar ook de hulp van eene vriendenhand, die dan de taak zooveel verlicht.

Men weet wat in Duitschland de brieven van de eerstvertrokkenen, wat voor Ierland de vooruitbetaalde reiskosten gedaan hebben; voor ons land late men ook vrije werking aan de mededeelingen, die uit Jowa of Michigan komen, of zelfs uit

[p. 457]

Minnesota, mits die niet opgesmukt worden om te dienen voor eene courant. Het streelend gevoel dat onze proza gedrukt zal worden, heeft soms een nadeeligen invloed op den eenvoud van ons verhaal. Dit kan dan ook teleurstellingen veroorzaken, die van vertrouwde mededeelingen aan vrienden of familieleden niet te vreezen zijn.

Ik wensch slechts eene zaak, dat is, dat ieder die landverhuizersagenten op onwaarheid betrapt, deze onverbiddelijk tentoonstelle. Men zegt wel: de waarheid achterhaalt ze wel, maar wat kan dit nog baten aan gene zijde van den Oceaan. Dan klinkt het schrikkelijke ‘te laat’ in de ooren en de moeilijkheden zijn ontzaglijk vergroot, omdat men met teleurstellingen is begonnen en eerst de verloren moed herwonnen moet worden.

De regeering blijve ook in deze aangelegenheid zooveel mogelijk onzijdig: zij mag alleen bedrog of oplichterij te keer gaan of trachten te voorkomen. Alleen door goede bepalingen op de logementen en agenten voor landverhuizers, alsmede omtrent de inrichtingen van schepen, die landverhuizers willen overbrengen, is zij bij machte iets te doen. Die bepalingen zijn in ons land goed getroffen, voor zooveel althans de nog beperkte ondervinding leert, want het vervoer van landverhuizers over ons land is nog gering en buiten verhouding tot dat van andere landen.

De regeering echter bevordere geene landverhuizing; begrijpt zij dat Nederlanders in den vreemde, en in het bijzonder in Amerika, tot hoogere welvaart zouden kunnen komen, zij grijpe dan in eigen boezem en spanne alle krachten in om de instellingen van ons vaderland te verbeteren, zoodat zij met die van Amerika kunnen wedijveren. Erkennen wij, dat het onderwijs, de maatschappelijke en politieke gelijkheid, een uitgebreid spoorwegnet, de Europeanen naar Amerika lokken, dan geen dag verzuimd en alles in het werk gesteld om met Amerika ook in die opzichten gelijk te worden. Wat ontbreekt ons daartoe? Schieten wij te kort in rijkdom, of in energie, of in een ontwikkeld zedelijk bewustzijn? Wel neen. Wij kunnen geene minderheid erkennen in vergelijking met Amerika, en behoeven dat ook zeker niet, wanneer wij maar alle krachten inspannen om den bloei van het vaderland te bevorderen.

 

N.J. den Tex.