De Gids. Jaargang 41


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1877


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 619]

De boeken der vorige maand.

Non coquis sed convivis.

Onder de boeken der vorige maand noemen wij allereerst de nieuwe editie van Vondels werken, die onder toezicht van Dr. J. van Vloten, in de oorspronkelijke spelling, bij H.A.M. Roelants te Schiedam, het licht ziet. Voor het onderwijs aan middelbare en hoogere scholen bestond - want de kostbare editie van Van Lennep rekent in deze niet mede - geen andere uitgaaf dan die, welke van 1864-'66 door Dr. van Vloten bij denzelfden uitgever in het licht gezonden werd. Doch terecht was tegen hare bruikbaarheid in het midden gebracht, dat de hedendaagsche spelling bij deze editie was gebezigd. Men vond in Roelants' bekend Klassiek Letterkundig Panthéon enkele stukken van den prins onzer dichters, en wel in de oorspronkelijke spelling - maar een volledige Vondel-uitgaaf, die zich ook door goedkoopte aanbeval, ontbrak. In die leemte wordt thans door Dr. van Vloten en den heer Roelants voorzien. In hetzelfde formaat als bovengenoemd Letterkundig Panthéon is de eerste aflevering verschenen der eerste serie van Vondels dichtwerken, die zijn treurspelen, zijn geschied- en hekeldichten, waaronder ook Palamedes en de Leeuwendalers, bevatten zal. In een tweede serie zullen later de leer- en mengeldichten, de verhaal- en leerdichten, de verjaar- en bruiloftsdichten, de bijschriften, enz. worden opgenomen. De heer van Vloten heeft zich met de zorg voor den tekst, de rangschikking van den inhoud dezer uitgaaf en de historische inleiding der verschillende stukken belast. Men weet dat die taak aan goede handen is toevertrouwd en de heer van Vloten tot hen behoort, die onzen grooten Vondel eene innige vereering toedragen. Tot eer van zijnen heilige werd door hem reeds menig moeilijk werk ondernomen en volbracht en menige lans ook gebroken. Met Vondels Lucifer wordt deze nieuwe uitgave geopend, die aan den koning van België is opgedragen, en die wij het beste succès toewenschen.

 

‘Een vrouwenbeeld met al de bekoorlijkheid, met al de deugden harer sekse versierd’, schreef Bakhuizen van den Brink van Maria

[p. 620]

Pijpeling, de moeder van Pieter Paulus Rubens, Vlaanderens grootsten schilder, wiens driehonderdjarig geboortefeest enkele dagen geleden te Antwerpen met zoo grooten luister en zoo edele geestdrift gevierd werd. Hoe waarachtig verdiend deze lofspraak is, beseft ieder, die de monografie leest door den heer W. Francken Az. aan De moeder van Pieter Paulus Rubens gewijd en te Rotterdam bij D.J.P. Storm Lotz in het licht gegeven. Eerst voor later tijd is het bewaard gebleven om naar aanleiding van het onderzoek omtrent het huwelijk van Prins Willem den Eerste met Anna van Saksen en de eigenlijke geboorteplaats van den grooten schilder, uit de archieven te 's Hage, Dillenburg, Idstein, brieven en bewijsstukken te voorschijn te brengen, die Maria Pijpeling eene plaats verzekeren in de breede rij van uitnemende moeders van beroemde mannen, maar ook een aandoenlijken blik geven op de treurige omstandigheden van Rubens' eerste levensjaren. Met welk een trouw heeft deze vrouwe geleden door, voor en met eenen onwaardigen echtgenoot, die, door zijn overspel met Anna van Saksen, haar op de grievendste wijs had beleedigd, haar en hare kinderen aan schande had blootgesteld, die ter dood veroordeeld was, maar eindelijk door haar uit zijn kerker verlost werd. Haar moed is onder dit alles even onbezweken gebleven, als hare vergeving groot was, en haar karakter, haar kloekheid van geest aller eerbied verdienen. Het is den heer Francken uitstekend gelukt een zeer aantrekkelijk beeld te ontwerpen dezer edelaardige vrouw. Ook wordt het scherpzinnig betoog van Bakhuizen van den Brink, dat Rubens te Siegen is geboren, door den heer Francken nader bevestigd.

 

Elisa is de titel van een drama in vier bedrijven, door den heer Désire Delcroix geschreven, dat bekroond werd met den driejaarlijkschen prijs der Nederlandsche tooneellitteratuur, door het Belgisch staatsbestuur ingesteld, en dat te Leiden bij A.W. Sijthoff uitgegeven is. De oude heer van Duren, een gewezen handelaar, wordt door gewetenswroeging gefolterd, omdat het geld, dat den grondslag tot zijn fortuin heeft gelegd, niet op eerlijke wijs verkregen werd. Gelukkig komt een kleindochter der door hem benadeelde weduwe als gouvernante in het huis van zijnen schoonzoon Dewilder. Tusschen diens zoon, Alfred Dewilder, en Elisa Barkels ontstaat weldra eene innige liefdesbetrekking. De oude heer Van Duren vermaakt aan Elisa een deel van zijn vermogen en tracht op die wijs boete te doen voor het bedreven kwaad. Maar de vader van Alfred verzet zich halsstarrig tegen een echtverbintenis tusschen zijnen zoon en ‘de gouvernante’ - en Elisa zelve bezit onafhankelijkheid genoeg om het legaat te weigeren, waarbij tegelijkertijd over haar hart ten gunste van Alfried Dewilder beschikt was. Intusschen

[p. 621]

hebben de jongelieden elkander toch wezenlijk lief en ten slotte komt, dank ook der bemiddeling van een oud vriend des huizes, Dr. de Witte, alles nog te recht. Het stuk speelt in een dorp van Vlaanderen ten huidigen dage en is natuurlijk in de eerste plaats bestemd om gezien, en niet gelezen te worden.

 

De uitgever IJ. Rogge, te Amsterdam, heeft den tweeden druk in het licht gezonden der vertaling van den historischen roman van prof. Georg Ebers, Eene Egyptische Koningsdochter geheeten. De eerste druk, die in 1865 werd uitgegeven, was sedert eenigen tijd uitverkocht. Geen wonder, zoo men let op de gunstige beoordeeling die twaalf jaar geleden in onze voornaamste letterkundige tijdschriften werd uitgesproken, zoowel over de kunstschepping van den geleerden Egyptoloog, als over de vertolking, die door de heeren H.C. Rogge en C.H. Pleyte met meestal gelukkigen uitslag was volbracht. De Egyptische Koningsdochter en Warda zijn twee boeken, die elkander aanvullen voor de kennis der Egyptische oudheid. Voor hen, die met den jongsten roman van prof. Ebers kennis maakten, maar Eene Egyptische Koningsdochter nog niet lazen, biedt de verschijning van dezen tweeden druk eene goede gelegenheid aan tot eene vergelijking, in welke opzichten de geleerde dichter is vooruitgegaan. De Leipziger hoogleeraar heeft na de eerste uitgaaf van zijnen eersten roman op menige bladzijde daarvan belangrijke wijzigingen aangebracht; bij de tweede uitgaaf der Nederlandsche overzetting is hiermede rekening gehouden, en tevens op sommige punten de vertaling wezenlijk verbeterd. Met ingenomenheid wijzen wij op de nieuwe verschijning van dit werk, dat, toen het onzen landgenooten voor het eerst werd aangeboden, in de Gids terecht een der uitmuntendste voortbrengselen der nieuwere Duitsche letterkunde genoemd is.

 

Fransche tooneelen door een Engelschman geschetst, luidt de titel van een vijftal alleraardigste schetsen van den heer E.C. Grenville Murray, die door den heer L.J. van Hasselt vertaald, en te Zutphen bij A.E.C. van Someren in het licht gegeven zijn. Aan den heer Grenville Murray hebben de lezers van de Pall Mall de meestal zoo geestige artikels te danken, welke dit blad geeft over Fransche toestanden op maatschappelijk en staatkundig gebied. Velen daarvan zijn opgenomen in een tweetal bundels - The member for Paris, 2 dln. en French pictures in English Chalk, 2 dln. - die deel uitmaken van Tauchnitz' bekende Collection of British Authors. Deze schetsjes zijn zoo onderhoudend, zoo puntig soms, zoo prettig, zoo echt Fransch van toon, dat men af en toe twijfel voelt opkomen aan de nationaliteit van den schrijver. De heer Grenville Murray heeft ongetwijfeld Frankrijk en de Franschen van meer dan ééne zijde

[p. 622]

bekeken en geeft telkens de overtuigendste blijken daarmede volkomen bekend te zijn. Wie weten wil, hoe het in Frankrijk bij verkiezingen kan toegaan, wanneer de regeering officiëele candidaten stelt - en niemand zal de actualiteit van dit onderwerp ontkennen - dien raden we aan kennis te maken met ‘Onze roode kandidaat, verhaal van eene Fransche verkiezing’. ‘De minister tegen zin en wil’ leert op uitstekende wijs, hoe zoo menigmaal de beste voornemens tot verbetering van allerlei gebreken schipbreuk lijden op den sleur, den bureaucratischen geest, die in ministeriëele departementen maar al te dikwijls heerscht. ‘Ons geheim genootschap’ brengt de donkere dagen van December 1851 in herinnering, terwijl ‘De ambulance Tricoche’ en ‘Eene petroleuse’ ons verplaatsen in den verschrikkelijken tijd, die op den val van het tweede keizerrijk gevolgd is. Wij achten het een goed denkbeeld van vertaler en uitgever het werk van den heer Grenville Murray nader in ons land bekend te maken. Alleen had de eerste nu en dan beter zorg moeten dragen, dat zijn zinbouw niet te zeer op die van het Engelsche werk geleek.

 

De bergachtige landstreek aan den Moezel, die onder den naam van den Eifel bekend is, heeft naar de uitdrukking van den beroemden Berlijnschen hoogleeraar Leopold von Buch, ‘haars gelijke in de wereld niet; zij moet tot gids en vraagbaak dienen, om menige andere landstreek te leeren begrijpen en de kennis van dit land is bijna onontbeerlijk voor ieder, die van de vulkanische verschijnselen op vaste landen een helder begrip wil hebben’. Doch niet alleen voor den geoloog, ook voor den kruidkundige, ook voor den gewonen liefhebber van fraaie planten is de ‘Vulkanische Eifel’ in hooge mate belangwekkend. Allerlei planten, die men in ons land niet anders dan in tuinen gekweekt ziet, vindt men daar in het wild groeiend, nù in overvloed, dan zeldzamer en weer als curiositeiten. Voeg hierbij de prachtige natuurtooneelen, die zich daar allerwege, en vaak op de meest verrassende wijze, aan den blik des opgetogen zwervers voordoen. De indrukken, door hem tot tweemaal toe in deze landstreek ontvangen, heeft de heer H. Witte geschetst in Twaalf dagen in den Vulkanischen Eifel (Leiden E.J. Brill). Hij deelt geen reeks van bijzonderheden mede omtrent de vorming van den bodem, hij geeft geen dorre opsomming van plantennamen, hij verzamelt zijn reisherinneringen en maakt zoodoende opmerkzaam op de vele en eigenaardige schoonheden van dit landschap. In welk een aangenamen vorm de heer Witte dit kan doen, is onzen lezers bekend. Zijn boek is een even nuttige als onderhoudende gids voor hen, die de schoone oevers van den Moezel willen bezoeken.

 

Wie een gids verlangt voor een der belangrijkste noordelijke pro-

[p. 623]

vinciën van ons vaderland, neme Friesland en de Friezen ter hand, een alleraardigst boekje, zich reeds door zijn uiterlijk aanbevelend, dat bij Hugo Suringar te Leeuwarden in het licht verschenen is. De historische tentoonstelling te Leeuwarden, waarop onlangs in dit tijdschrift de aandacht werd gevestigd, is, naar wij meenen, de aanleidende oorzaak tot deze uitgave geweest. Men zoeke hier geen plaatsbeschrijving van alle steden of dorpen. Friesland en de Friezen wil een algemeen overzicht geven, in enkele trekken het karakter teekenen van land en volk, en is hierin - dank zij der medewerking van de heeren A.J. Andreae, J.G. van Blom, G. Colmjon, Waling Dijkstra, D. Hansma, H. de Jong, M.E. van der Meulen, S.K. Sipma, Johan Winkler en anderen - naar het ons voorkomt, gelukkig geslaagd. Een aantal Friesche plaatsen worden aan de hand van dit boekje bezocht; er worden tochtjes gemaakt door de fraaiste of interessantste gedeelten der provincie; en men vindt tevens allerlei bijzonderheden saamgebracht omtrent zeedijken, friesche paarden, hardrijders, plaatselijke scheldnamen, volksbijgeloof, volksoverleveringen, en aardige schetsjes geteekend van een harddraverij op een dorp, een boerenbruiloft, een boerenbegrafenis, een Sneeker zeilwedstrijd. Eenige houtsneden sieren dit boekje op.

 

‘Soranus’ heeft het werk van den heer E. Spuller over Ignatius van Loyola en de Jesuïten uit het Fransch vertaald en - zonder aanwijzing van den uitgever! - in het licht gezonden. De heer Spuller, een der geavanceerd-republikeinsche volksvertegenwoordigers van Frankrijk, de hoofdredacteur van Gambetta's orgaan, la République Française, had zich ten taak gesteld een verslag te schrijven van het merkwaardig boek van Dr. J. Huber, professor in de philosofie aan de universiteit te München, Der Jesuiten-Orden nach seiner Verfassung und Doctrin, Wirksamkeit und Geschichte characterisirt. Dit bracht den heer Spuller er toe op zijne beurt onderzoekingen in te stellen naar het gezelschap van Jezus en het leven van diens stichter. Het voor ons liggende boekje is de vrucht daarvan. Het hoofddoel van den heer Spuller was niet het genootschap van Jezus aan te vallen, maar het te doen kennen in samenstelling en inwendige inrichting. Hij nam daarbij het leven van Ignatius van Loyola tot punt van uitgang; hij trachtte diens gevoelens en denkbeelden in het juiste licht te stellen door het verhaal van zijne daden, en de instellingen van het genootschap tot helderheid te brengen door mededeeling van de bijzondere hoedanigheden en plannen van den stichter. Bij het schrijven van dit boek is de heer Spuller van de overtuiging uitgegaan, dat men het beruchte genootschap een deel van zijn kracht ontneemt, door den geheimzinnigen sluier op te heffen, waarmede het in de verbeelding van nog velen is omgeven, en door openbaar,

[p. 624]

voor allen toegankelijk te maken, wat dienaangaande allengs door velerlei onderzoekingen is aan het licht gebracht.

 

Het zesde nummer der belangwekkende Stemmen over Staatkundige en Maatschappelijke Vraagstukken, die onder leiding van den heer D.C. Nijhoff te Culemborg bij Blom en Olivierse het licht zien, bevat van de hand van Dr. H.J.E. van Hoorn een opstel over Het Nederlandsch Ultramontanisme. Ook na het bekende werk van den Berner Hoogleeraar Friedrich Nippold over de Roomsch-Katholieke Kerk in Nederland is een uiteenzetting van het wezen en het streven van het Nederlandsch Ultramontanisme niet overbodig te achten en ongetwijfeld komt Dr. Van Hoorn de lof toe, dat hij een zeer actueel staatkundig en maatschappelijk vraagstuk besproken heeft. Op de vraag, wat de Ultramontanen willen, antwoordt hij met verwijzing naar het opperherderlijk schrijven van den negenden Pius, den bekenden Syllabus complectens praecipuos nostrae aetatis errores, die een tachtigtal stellingen veroordeelt over godgeleerdheid, wijsbegeerte, staatkunde en zedeleer, waarin het staatkundig, kerkelijk, maatschappelijk, huiselijk, persoonlijk, zedelijk-godsdienstig leven van onzen tijd ter sprake komt. Dr. Van Hoorn vestigt verder de aandacht op de worsteling tusschen de theocratie en den Staat, gelijk die zich in de geschiedenis vertoont, en op de krachtige figuren, Gregorius VII, Bonifacius VIII, die daarbij op den voorgrond treden. Onder anderen vorm is thans de strijd tusschen Keizer en Paus teruggekeerd; het is een worsteling geworden tusschen den ‘Stedehouder Gods’ en den Rechtsstaat. Ook deze auteur is van oordeel dat Katholiek zijn en Ultramontaan wezen niet hetzelfde beteekent, maar onthoudt aan de aanhangers dezer laatste richting den lof niet van consequent te zijn. Enkele bladzijden uit de geschiedenis slaat hij op om te doen zien, hoe in de Katholieke kerk van Nederland allengs de Ultramontaansche partij de bovenhand verkreeg. Zoo zijn wij ook thans getuigen van de ‘worsteling voor de opperheerschappij van den Paus als Hoofd der kerk, en van zijn vertegenwoordigers, in alle rangen der geestelijkheid, tegen den modernen Staat, die geen bevoorrechting van geestelijken kent, van hen geen andere heerschappij dan een zedelijke, door de macht van hun persoonlijkheid, duldt, en gelijk recht van allen voor de wet predikt’. Met welke wapenen die worsteling van den kant der Ultramontanen wordt gestreden, toont Dr. Van Hoorn aan door te verwijzen naar der Ultramontanen eigenaardige beschouwing van de geschiedenis van ons vaderland, naar hun pogingen om de openbare school bij ons volk verdacht te maken, naar de polemiek en de propaganda door hen in dagbladen en andere geschriften gevoerd, naar de middelen waardoor de vrijheid der verkiezingen een klank

[p. 625]

gelijk gemaakt en de ontevredenheid der Roomsch-Katholieken tegen het staatsbestuur wordt aangevuurd.

Hoe zal de Staat zich tegen dit gevaar beveiligen, dit tweedracht zaaien tusschen zijne burgers te keer gaan? Hoe moet de oorlog van de zijde der vrienden van het moderne staatsleven gevoerd worden? Geen preventieve middelen, waarschuwt Dr. van Hoorn, maar repressieve. De Staat zorge voor een zooveel mogelijke algemeene verlichting, voor strenge handhaving van de wet tegenover allen, die het wagen, haar te overtreden. ‘Maar - voegt hij hierbij - wie dezen weg wil inslaan, moet wel bedenken dat volharding, waakzaamheid, geestdrift alleen kunnen doen voortgaan en tot de zege leiden’. Men zorge vooral dat de tegenstanders geen martelaars worden. Nederland late zich nooit verleiden tot de uitvaardiging van ‘Mei-wetten’, wier invoering Prof. Opzoomer enkele jaren geleden onvermijdelijk heeft genoemd. Vrijheid voor allen, maar ook bestraffing van iedere daad, die in strijd is met de wetten des lands. Openbaarmaking van de beginselen en het streven der Ultramontaansche partij; nauwer aaneensluiting van allen, die onze moderne staatsinstelling liefhebben; het afschudden der onverschilligheid, die nog zoo velen in deze bezielt, en tegenover den gemeenschappelijken vijand een vergeten der geschilpunten, die liberalen, conservatieven, modernen, orthodoxen, anti-revolutionairen, afgescheidenen verdeeld houden - ziedaar de zedelijke middelen, waardoor de strijd tegen de Ultramontanen gestreden moet worden. Vooral houde men daarbij een waakzaam oog op de school en zorge men dat overal de neutraliteit streng worde gehandhaafd. Verbetering, versterking van staatstoezicht is hiertoe noodzakelijk. Ook biede men onverbiddelijk weerstand aan elk pogen, dat bevoorrechting van eenige gezindte of het vragen naar kerkelijke overtuiging bij benoemingen ten doel heeft, en houde men streng vast aan het beginsel der volkomen scheiding van Kerk en Staat.

Aldus in hoofdtrekken het met veel overtuiging geschreven betoog van Dr. H.J.E. van Hoorn.

 

Men kan, naar ons dunkt, niet beter doen, dan, na lezing der brochure over Het Nederlandsch Ultramontanisme, het boekje van den heer W.G.E. Walter ter hand te nemen, In onze Vlaamsche Gewesten, Politieke Schetsen geheeten, dat te Gent, bij Ad. Hoste, het licht zag. Hier ziet men het Ultramontanisme aan het werk. Langs welken wig een Ultramontaansch priester binnen korten tijd het goede zaad, door zijnen bejaarden en vrijzinnigen voorganger uitgestrooid, kon doen sterven; hoe hij in een kleine dorpsgemeente het fanatisme aanblies, dat den geest verstokt en het hart verstompt - heeft de heer Walter in novellistischen vorm in zijne Politieke Schetsen ver-

[p. 626]

haald, die niet alleen naar hetgeen in de Vlaamsche gewesten van België voorvalt, maar ook naar hetgeen in sommige provinciën van ons vaderland geschiedt, geteekend moeten heeten. Het is een zeer eenvoudige geschiedenis; te boeiender en te aangrijpender wellicht juist door hare eenvoudigheid, maar vooral omdat ook in dezen kleinen kring de groote strijd tusschen vrijheid van denken, vrijheid van geweten en bittere onderdrukking des geestes gestreden wordt.

 

In de reeks der ‘verhandelingen rakende den natuurlijken en geopenbaarden godsdienst, uitgegeven door Teylers Godgeleerd Genootschap’, is thans de bekroonde prijsvraag opgenomen van den heer Julius Happel, ‘Prediger der reformirten Gemeinde zij Buetzow’, over Die anlage des menschen zur religion, vom gegenwärtigen standpunkte der völkerkunde aus, betrachtet und untersucht (Haarlem, De Erven F. Bohn). Met belangstelling zal ongetwijfeld door de mannen van het vak deze omvangrijke studie worden ontvangen. De geleerde auteur leidt uit de gelijkvormigheid, waarmede ‘die religiösen grundanschauungen und thätigkeiten’ aan den dag treden, de gevolgtrekking af, dat ‘die religiöse anlage eine allgemeine, ja specivisch menschliche, und im geistesleben eine centrale stellung einnehmende anlage ist’. Het motief van dien godsdienstigen aanleg, en mitsdien het object van den godsdienst is God. Maar de blijdschap, God gevonden te hebben, openbaart zich nergens zoo sterk als bij Israël. Dit verschijnsel is uit verschil van religieusen aanleg te verklaren. In Israël ontwikkelt die aanleg zich allengs. Abraham, Mozes, Christus zijn de namen, die drie groote keerpunten in die ontwikkelingsgeschiedenis aantoonen. De heer Happel wijst na dit betoog de zedelijke waarde van den godsdienstigen aanleg aan, waarbij de verhouding tusschen godsdienst en zedelijkheid ter spraak komt, en eindigt met het verhaal der lotgevallen - niet met de geschiedenis - van den religieusen aanleg, die hem zekerheid geven dat ‘die christliche frömmigkeit von den materiellen daseinsbedingungen des völkerlebens unabhängig, und fähig ist, sich immer wieder einen neuen leib nach den veränderten verhältnissen, in die sie eingeht, zurecht zu bilden’.

 

De heeren J.H. Gunning Jr. en P.D. Chantepie de la Saussaye Dz. hebben onder den titel Het Ethische beginsel der Theologie bij P. Noordhoff te Groningen een tweetal studiën in het licht gegeven, die vroeger een plaats gevonden hadden in het theologisch tijdschrift, Studiën geheeten, waarvan de heer Chantepie de la Saussaye mederedacteur is. Het is een poging om het beginsel der theologie van den overleden Groningschen hoogleeraar Chantepie de la Saussaye nog eens in het licht stellen en ‘daardoor te doen uit-

[p. 627]

komen dat in onze dagen, waarin tegen het wetenschappelijk karakter der theologie zooveel wordt ingebracht, de ethische richting aan de eischen voldoet welke aan een wetenschappelijke theologie kunnen gesteld worden, doordat zij aan het geloof der gemeente een vast beginsel voor haar wetenschap ontleent’. De eerstgenoemde der beide auteurs heeft in zijn Hoofdvereischten voor de Dogmatiek der Hervormde kerk vooral het oog gevestigd op de inwendige huishouding der theologie; de laatstgenoemde besprak in Het wetenschappelijk karakter der theologie hoofdzakelijk hare uitwendige verhoudingen; ‘waaruit van zelf moest volgen dat de eerste zijn wapenen meer tegen de rechter - de tweede tegen de linkerzijde keerde’.

 

Van de Handleiding tot de kennis van het staats- en administratief recht van Nederlandsch-Indië, door Mr. J. de Louter, leeraar in de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde aan het Gymnasium Willem III te Batavia, heeft bij Martinus Nijhoff, te 's Gravenhage, de ‘tweede omgewerkte uitgave’ het licht gezien.

 

Nu de bloementijd voorbij is, schijnen de uitgevers zich geroepen te achten om ons door de uitgaaf van enkele geschriften over sommige der schoonste bloemen te vertroosten. Wij ontvingen een drietal uit het Hoogduitsch vertaalde werkjes, waarvan het eene Keur van Bloemen en Sierplanten heet, en in het oorspronkelijk door den heer A. Kerstens werd geschreven. In de tot hiertoe verschenen afleveringen (elk van een kleurendruk voorzien) werden de primeveer, de anjelier, de phlox, de gloxinia, de cyclamen behandeld. Het tweede werkje, dat even als het eerstgenoemde te 's Hertogenbosch bij W.C. van Heusden het licht zag, is door den heer M. von Strantz geschreven, en heet De Geschiedenis onzer Bloemen en Planten. Het is een alleraardigst boekje, dat - gelijk de voorrede terecht zegt - in onderhoudenden vorm de vragen beantwoordt, die bij de beschouwing van elke bloem zich onwillekeurig aan ons voordoen: ‘Waar zijt ge vandaan? Wat hebt ge beleefd? Hoe werdt ge vereerd? Van welke zeden of gewoonten waart ge het symbool?’ enz. De roos, de myrte, de vergeet-mij-niet, de granaatboom, de cipres, het driekleurig viooltje, de tulp, de camelia, het klimop, de anjelier, de resida, de lischbloem geven hier antwoord op die vragen. Het derde werkje, waarop wij de aandacht vestigen, heet De Roos, en is, naar het Hoogduitsch van den heer C.J. Petzold, door den heer H. Witte vertaald (Leiden, E.J. Brill). De vraag naar de geschiedenis der roos wordt hierin slechts ter loops behandeld. Dit boekje wil meer als een leiddraad worden beschouwd, die aankomende kweekers en liefhebbers bij de verpleging van de koningin der bloemen kunnen volgen.

[p. 628]

Men kent de eigenaardige, dichterlijke manier, waarop Michelet het leven der natuur bespiedde en beschreef. Nergens komt zij wellicht zoo duidelijk uit als in zijn boek: De Vogel, waarvan dezer dagen bij Blomhert en Timmerman, te Nijmegen, de tweede druk eener Nederlandsche vertolking verschenen is. ‘De vogel, één enkele vogel, schreef Michelet, ziedaar geheel ons boek, maar door al de verscheidenheden heen van zijn bestemming, zooals hij zich vormt en schikt naar de talloos verschillende toestanden der aarde en de tallooze doeleinden van het gevleugelde leven. Zonder de meer of min vernuftige stelsels van gedaanteveranderingen te kennen, vat de liefde de deelen van haar voorwerp in ééne eenheid te zamen. Zij blijft niet staan bij het uitwendig onderscheid der soorten, noch bij den grenspaal des doods, waar de draad schijnt afgebroken. In dit boek valt de dood ruw en wreed midden in den loop des levens in, maar als een voorbijgaand iets; het leven gaat ongedeerd zijn ouden gang..... Op vele punten zwak, vindt dit boek zijn kracht in warm gevoel en vast geloof. Het blijft aan één denkbeeld standvastig getrouw, of liever het is één gevleugelde gedachte. Niets wijzigt of breekt haar vlucht. Over den dood en zijn ras gedempte klove, door het leven heen en zijn schijnvormen, die de onveranderlijke eenheid vermommen, vliegt zij voort, streeft zij opwaarts met koenen vleugelslag van het vogelnest tot het wereldplan, van het vogelei tot het scheppingsverband, van des vogels minbetoon tot de liefde Gods’.

 

Door den uitgever W. Hulscher, te Deventer, is in het licht gezonden Het heelal, naar Lockyers Astronomy bewerkt door Dr. F. de Boer. De bewerker heeft plan en indeeling van het oorspronkelijke behouden en ook de keus der voorwerpen, die tot opheldering moeten dienen, over het geheel aan Lockyer ontleend - maar overigens zich talrijke afwijzingen veroorloofd, die hem voorkwamen verbeteringen te wezen. De aarde en hare bewegingen, de maan en hare bewegingen, het zonnestelsel, de zon, de vaste sterren, de plaatsbepaling aan den hemel en op aarde worden in dit boekje besproken, en de vraag beantwoord, waarom de hemellichamen zulk een regelmatige beweging hebben.

 

Een aantal voorstanders der gezondheidsleer, meestal geneeskundigen van professie, heeft zijne medewerking toegezegd aan een tijdschrift voor den beschaafden stand, De gezondheid geheeten, dat te Amsterdam bij D.B. Centen verschijnt. Prof. Pruys van der Hoeven schreef in zijn Anthropologisch onderzoek: ‘Niet daarin is de waarde der geneeskunde voor de maatschappij gelegen, dat zij zieken geneest, of verborgen kwalen ontdekt en ontleedt. Zij heeft eene hoogere roeping, die tot heden te weinig gevoeld of geschat is.

[p. 629]

Zij moet waken voor de gezondheid der maatschappij, en hierin, in die gezondheidspolitie, ligt haar eigen kracht en wezen’. Van dit beginsel gaan redactie en medewerkers van dit tijdschrift uit, die, voor zooveel wij oordeelen mogen naar de aflevering, waarmede wij kennis maakten, op degelijke wijs hunne taak opvatten en de resultaten van hun onderzoek in eenvoudigen, bevattelijken vorm aan beschaafde leeken weten mede te deelen.

 

Tevens vestigen wij de aandacht op een ander nieuw maandschrift - De Geneeskundige bijdragen - dat, onder redactie der heeren J. Menno Huizinga, arts te Harlingen, en W.H.L. Borgerhoff Mulder, arts en off. van gezondheid te Leeuwarden, bij Faber en van der Zwaag, te Harlingen, en bij J.F.V. Behrns, te Amsterdam, wordt uitgegeven. De redactie stelt zich ten doel ‘de vragen des tijds, zoowel die op maatschappelijk gebied, welke met de geneeskundige wetenschap in nauw verband staan, als die op meer speciaal geneeskundig terrein kort en bondig te behandelen’. Zij wenscht tevens ‘door mededeelingen uit de Duitsche, Engelsche, Fransche, Italiaansche, Portugeesche en Amerikaansche litteratuur een voldoend overzicht te geven van de geesteswerkzaamheid der buitenlandsche collegas.’

 

Een zoo belangrijke plaats neemt het kind in het huisgezin in, dat het geen verwondering wekt, dat een groot deel der boeken, die de vorige maand het licht zagen, bestemd is om tot de vorming van het kind mede te werken.

In de eerste plaats vestigen wij de aandacht op Het Kind van vier tot zeven jaren, ‘eene handleiding voor onderwijzeressen en voor allen, die in de eerste opleiding van kinderen belang stellen’, welke door den heer A. Jansen, directeur van de kweekschool tot opleiding van Bewaarschoolhouderessen te Rotterdam geschreven en te dier stede bij J.H. Dunk uitgegeven is. Na eenige beschouwingen over de ontwikkeling der verstandelijke vermogens van den mensch, handelt de schrijver over de wijze, waarop de bewaarschool die vermogens tot ontwikkeling brengen kan door algemeene aanschouwingsoefeningen, prentbeschouwing, oefeningen in het onderscheiden der kleuren, vormleer, getalleer, vertellen, bespreking van versjes, zingen en spraakoefeningen, en geeft hij voorbeelden van de manier, waarop dit onderwijs ingericht moet worden, om ten slotte de voorwaarden te bespreken voor een gezonde ontwikkeling der vermogens van het kind, waarbij op lichamelijke gezondheid, beweging, spelen en speelgoed gewezen wordt. Zonder twijfel bevat het boek van den heer Jansen menigen behartigenswaardigen wenk, dien men wèl zal doen op te volgen, indien men het levensgenot verhoogen wil der kleinen, die in het tijdperk verkeeren, waarvan de dichter zong:

[p. 630]
 
O, dierbaar perk van drie tot zeven jaren,
 
Als ieder voorwerp 't oog bekoort, het harte streelt.

De betrekkelijke juistheid dier dichterlijke uitspraak zal de heer Mr. H.G. Brouwer BGz. toegeven; maar voor wie de zeven jaren te boven gaan, houdt hij zich aan dat andere dichterwoord:

 
Cet âge est sans pitié!

Want, zegt hij, er is geen onbarmhartiger marteling te bedenken dan die, welke de onderwijzer aan lagere, middelbare en hoogere school zoo menigmaal van den leerling ondervindt. In zijn brochure Pijnbank of Carcer, Paedagogisch-Juridische aanteekeningen; bij mogelijke schoolwetsherziening aan wetgevers en bestuurders ter overweging aangeboden, heeft Mr. H.G. Brouwer BGz. deze stelling met blijkbare overtuiging ontwikkeld en toegelicht. Ons onderwijs - schrijft hij - voldoet niet. Het kan niet voldoen, want er is aanhoudende, toenemende behoefte aan hulppersoneel. En dat zoo weinigen zich aan 't onderwijs wijden, is niet om de lage tractementen - andere ambtenaren van den Staat zijn niet veel beter bezoldigd - niet om de geringe kans op bevordering, maar (en de heer Brouwer laat dit met groote letters drukken) omdat hij, die aan het onderwijs zich wijdt, veel kans heeft gemarteld, vermoord te worden; omdat geen medelijden, maar hoon en spot zijn deel is. ‘Als de lieve jeugd goedvindt den onderwijzer te folteren, te martelen, hem het leven tot een hel te maken, dan is er nauwlijks iemand, die zijn partij kiest, dan haalt men spottend, lachend, hoogstens medelijdend de schouders op en daarbij blijft het’. De ouders trekken voor het meerendeel met hun kinderen partij tegen den onderwijzer en de huiselijke opvoeding breekt weer af, wat de onderwijzer opbouwt. De braafste, achtenswaardigste, geleerdste mannen zijn voor den moedwil der jeugd niet veilig. Er is maar één middel om aan dezen rampzaligen toestand een einde te maken, en dat middel is wettelijke bepalingen en strafrechterlijke tusschenkomst. Welke wet kan goed heeten, die (in verband met andere wetten) tot de leerlingen van de bewaarschool tot de hoogere burgerschool toe, ja, tot de hoogeschool toe zelfs, duidelijk zegt: ‘Indien gij soms niet wilt werken, er geen lust toe hebt of te lui zijt, indien gij goedvindt uwe makkers eveneens van 't werk te houden, lust gevoelt uwe onderwijzers te bespotten, te tergen, ongeschikt te maken voor hun werk, hen te doen sterven des noods; - wij hebben het recht niet, u - vrije zonen van den vrijen Nederlandschen grond - dit te beletten; ga gerust uw gang en - weet bovendien, dat indien uw getergde en gekwelde onderwijzer wagen mocht, u op eenigerlei wijze te straffen, wij - uwe ouders - de vrije burgers van den

[p. 631]

vrijen staat, u beschermen zullen op alle mogelijke wijzen. Indien zij u ook maar met den vinger aanraken, we zullen hen met de wet in de hand aanklagen en laten schorsen of ontslaan, en indien zij u op eene andere wijze zoeken te straffen, zullen we hen aanklagen als ongeschikte, onbekwame, onaangename menschen, en het verlies van hun goeden naam, de minachting hunner superieuren zal hun loon zijn.’ Zoodanig is de geest der bestaande wet, zegt de heer Brouwer, die voor het geval, dat hem aangetoond wordt, dat de aangehaalde woorden niet rechtstreeks uit de twintigjarige wet op het lager onderwijs en uit de vijftienjarige wet op het middelbaar onderwijs voortvloeien, zich verbindt ‘zijn eigen boek op te eten’. Wettelijke bepalingen alzoo, waarbij de leerling beschermd wordt tegen willekeur, hardvochtigheid, onverschilligheid van den staatsof gemeenteambtenaar, met zijn opvoeding belast, maar waarbij ook de onderwijzer, leeraar, praeceptor of docent beschermd worden tegen den overmoed, de kwaadwilligheid, de boosheid en andere ondeugden van hen, die aan hunne zorg zijn toevertrouwd. Voor die bepalingen, waarbij het Duitsche stelsel van schoolpolitie gewijzigd en gematigd is overgenomen, verwijzen wij naar de brochure zelve.

 

De opening van den nieuwen cursus aan de verschillende inrichtingen van onderwijs heeft ons een ganschen stroom van boeken, voor de school bestemd, toegezonden - voor een deel oude bekenden, die voor de tweede, derde, vierde maal hunne opwachting komen maken. Wij noemen de titels:

Inleiding tot de Nederlandsche dichtkunst door P.H. van Moerkerken, leeraar aan de Rijks hoogere burgerschool en het gymnasium te Middelburg (Middelburg, J.C. en W. Altorffer). - Een korte aanwijzing van het eigenaardige van rhythmus en vers, strofe en rijm en van de verschillende dichtsoorten, met voorbeelden ter opheldering, aan oudere en jongere Nederlandsche dichters ontleend.

Nederlandsche spraakkunst door D. De Groot, directeur der Rijkskweekschool voor onderwijzers te Deventer; vierde druk (Groningen P. Noordhoff, Arnhem J. Voltelen).

Kleine Nederlandsche spraakkunst door Dr. W.L. van Helten. Eerste deeltje; rededeelen en spelling (Rotterdam, Otto Petri).

Theoretisch practische inleiding tot de Hoogduitsche taal door H.C. Spruyt, leeraar aan de Rijks hoogere burgerschool te Sappemeer. Vierde druk. (Groningen, P. Noordhoff).

Wörterbuch der Deutschen Verben, Adjektive und Präpositionen, mit Angabe ihrer Konstruktion und der üblichen Redensarten, door Dr. C.W.G.E. Schwarz, leeraar aan de handelsschool te Amsterdam (Haarlem, de Erven F. Bohn).

Literarhistorisches Lesebuch. Charakteristische Proben aus der klas-

[p. 632]

sischen und neueren Literatur nebst Einleitungen, erklärenden Zugaben und einem Abriss der Literaturgeschichte, door Dr. C.W.G.E. Schwarz. Drie deelen (Sneek. H. Pijttersen Tz). Het eerste deel bevat Dichtungen, het tweede Prosa, het derde den Abriss der Deutschen Literaturgeschichte nebst Einleitungen und erklärenden Zugaben zu klassischen Dichtungen.

Lijst van de voornaamste vorsten en regenten uit de oude- middelen nieuwe geschiedenis. Met opgave van de regeringsjaren en eenige genealogische bijzonderheden, door Dr. H.C. Rogge. Vierde vermeerderde druk (Amsterdam, IJ. Rogge).

Leerboek der aardrijkskunde, door L.J.C. Ludolph. Derde, vermeerderde en verbeterde druk (Rotterdam, Otto Petri).

Leerboek der mechanica, voor middelbare scholen, door Dr. G. Schouten, leeraar te Kampen. Twee deelen (Kampen, H.W. Wilmerink). Het eerste deel behandelt de mechanica van het punt, het tweede de mechanica van het lichaam.

 

Bij Joh. IJkema, te 's Gravenhage, ziet het licht eene Geïllustreerde bibliotheek voor Jongelieden, door P.J. Andriessen, R. Koopmans van Boekeren, Johan Gram, Gerard Keller, Anth. L. de Rop. De eerste aflevering bevat een verhaal van laatstgenoemden auteur, ‘Albert Varendal’ getiteld.