De Gids. Jaargang 42


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1878


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 219]

De zegepraal der hervorming te Amsterdam.
(Vervolg en slot van blz. 114.)

Het was niet mogelijk voor Amsterdam tegenover de Gentsche Pacificatie doorgaande eene afwachtende houding aan te nemen. 't Is waar, hoewel dat Staatsstuk de bepaling bevatte dat de landen en steden die er nog niet aan hadden deelgenomen de vruchten van de Pacificatie zouden kunnen genieten wanneer zij er zich bij aansloten, kwam er niets in voor op grond waarvan men die steden tot deelneming zou kunnen of moeten dwingen.

Maar niettemin, daar werd op die deelneming aangedrongen, ook door den te Utrecht gezetelden Stadhouder en 't Hof van Holland, die tot nog toe beiden door de Amsterdamsche regeering waren erkend. En zonder het aannemen der Pacificatie zoude men met de andere Hollandsche steden op een voet van oorlog blijven, hetwelk, kon het vermeden worden, natuurlijk door niemand werd gewenscht. Men begon daarom met de door 't Hof van Holland geëischte afkondiging niet ronduit te weigeren, maar onder protest te doen plaats hebben (7 Dec. 1576). In welke bewoordingen dit protest vervat was, blijkt niet duidelijk, en misschien hecht de Heer ter Gouw er te veel gewicht aan. Wagenaar vermoedt dat het niet anders inhield dan het voorbehoud van der stede vrijheden en voorrechten. Daarna opende men onderhandelingen om te geraken tot de ‘Satisfactie’, zooals in art. 7 van het Gentsche verdrag de vaststelling van een modus vivendi tusschen den Prins van Oranje en de steden, die zijn Stadhouderschap nog niet erkend hadden, genoemd werd.

De vroedschap of Raad der zes en dertigen besloot om afgevaardigden naar Brussel te zenden, met volmacht ‘conform het formulier’ dat de Raad van State had gezonden. De Heer ter Gouw

[p. 220]

meent dat dit besluit viel tegen den zin der Burgemeesters, 'twelk niet onmogelijk is; toch meenen wij te moeten doen opmerken dat hier slechts sprake was van onderhandeling te Brussel, en niet rechtstreeks met den Prins. Voor het eerste konden voor de Burgemeesters niet die redenen van oppositie bestaan als voor 't laatste. Hoe het zij, vier dagen later werd dit besluit in de Vroedschap weder herroepen, ‘gelet op de verandering van zaken sedert vier dagen’; de Heer ter Gouw plaatst achter die woorden een (?) en schijnt dus te twijfelen of er werkelijk iets was gebeurd wat den naam van eene verandering van zaken mocht dragen. Gebeurd was er dan ook niets; maar onze aandacht is getroffen door het samentreffen van deze data met die van de zending van Gonzaga en Escovedo door Don Jan naar Antwerpen, met de brieven die in zoo hooge mate de verontwaardiging van Aerschot opwekten, en waarin deze o.a. ook gelezen had dat van alle kanten volk bijeengebracht werd om de Spanjaarden te ondersteunen. Wanneer wij hiermede in verband brengen de omstandigheid dat Burgemeester Pieterszen, de gewezen schout, zich toen ook te Antwerpen bevond, dan rijst het denkbeeld bij ons op, of de regeering van Amsterdam bij die gelegenheid, of een paar dagen vroeger, mogelijk óók brieven had ontvangen, waarin Don Jan haar eene ‘verandering in de zaken’ berichtte; want men moge al vrij algemeen veronderstellen dat de Landvoogd in deze dagen ernstig den vrede begeerde, dit sluit niet uit dat hij wel eene poging kan hebben gedaan om Amsterdam op te stoken en met den Brusselschen Raad van State in conflict te brengen. Onderhandelingen ‘niet op zijn Hollandsch of Vlaamsch, maar op zijn Spaansch of Italiaansch’, waren ook hem niet vreemd. Het laat zich ook niet enkel aan het toeval toeschrijven dat juist op den tijd dat Don Jan zich meester maakte van het kasteel van Namen (24 Juli 15771) de Amsterdamsche regeering op nieuw haar stedelijk legertje versterkte (ter Gouw, blz. 143). Zij werd daartoe in staat gesteld door subsidiën van Don Jan. De Heer ter Gouw maakt alleen melding van de vier duizend gulden die de regeering in Mei 1577 uit de ‘eygen coffre’ van Don Jan ontving, maar heeft niet gevonden of haar in Juli geld gewerd (blz. 143). Uit de Rapiamus van Tresorieren blijkt echter dat in die maand

[p. 221]

acht duizend gulden inkwam, ‘duer ordonnantie van Don Johan van Oistenryck, gouverneur, op reeckening en in minderinge van 'tgeen S.M. dese stede schuldich is tot onderhout van de twee deser stede vendelen soldaten.’ En in September stelde Burgemeester Jan Vechters aan Tresorieren, weder op rekening dierzelfde schuld van Zijn Majesteit, vier duizend gulden ter hand. Maar deze waren niet rechtstreeks ontvangen, maar afkomstig van den verkoop van 't zilveren vaatwerk van den Heer van Champigney, door hem te Antwerpen aan den pensionaris Blokland, namens de stad Amsterdam, verpand, in Augustus 1576 (Inventaris Archief, I, 257), toen deze edelman als lid van den Staatsraad zich verplicht gevoelde om op deze wijze uitvoering te geven aan het besluit van dat regeeringslichaam om Amsterdam althans eenige geldelijke ondersteuning te doen geworden. Toen die beleening (welke tegen acht percent liep) niet werd afgelost, werd het onderpand door de stad gerealiseerd. Maar inmiddels waren twaalf maanden verloopen, en op 't oogenblik dat de opbrengst van Champigney's zilverwerk diende om de Amsterdamsche aanhangers van Don Jan in staat te stellen hun krijgsvolk te bezoldigen, stond diezelfde Champigney met den Staatsraad vijandig tegen Don Jan over; een curiens voorbeeld van den verwarden politieken toestand in die dagen.

Bij de geldelijke toelagen voegde Don Jan brieven met lof over de getrouwheid van Amsterdam en vermaningen tot volharding, die zeker wel eenigen invloed zullen hebben uitgeoefend op de Vroedschap, maar stellig niet zóóveel als de Heer ter Gouw (blz. 157) toeschrijft aan de missive van 1 Sept., want die is eerst half October te Amsterdam aangekomen, en dus nadat de onderhandelingen, wel niet met de Hollandsche Staten, maar toch met den Stadhouder, aanvankelijk tot een goed einde waren gebracht. Voordat die brief nog was aangekomen, had Don Jan reeds een nieuwen geschreven, waarvan hij, om de onveiligheid der wegen, nog een duplicaat zond. Spoedige hulp van ‘gens et deniers’ wordt daarin beloofd, en ook gewaarschuwd tegen het geloof slaan aan geruchten dat de Koning was teruggekomen van 't voornemen om, des noods door dwang, de Algemeene Staten bij den Roomsch-Katholieken godsdienst en de hem verschuldigde gehoorzaamheid te houden. Een brief van Koning Filips zelven, d.d. Madrid 2 Sept., vergezelde dat schrijven. Zij werd met de missive van Don Jan ‘ontvanghen den 26 October 1577 vuyt Lutzenburch’ en is thans nog op

[p. 222]

't Archief aanwezig, met een duplicaat, waarop de aanteekening ‘ontvanghen 29 Oct. van de Co. Mt.’ allicht zou doen denken dat dit rechtstreeks uit Madrid was gekomen, indien niet de (anders al te toevallige) omstandigheid dat op dien dag ook de ontvangst der duplicaat-missive van Don Jan wordt vermeld, aanleiding gaf om, met den Heer ter Gouw, te oordeelen, dat de brief van Filips geschreven is op een door den Koning in blanco geteekend blad papier, zooals de Landvoogd er in voorraad kan gehad hebben. Iets anders dan dankbetuiging voor de betoonde trouw en aansporing tot volharding daarin, behelst het Koninklijk schrijven niet.

Ondertusschen ontbrak het ook niet aan missives van de andere zijde, waarin beden noch dreigementen werden gespaard om den toestand te doen veranderen. Zij kwamen zoowel van de Hollandsche Staten, als van de uitgeweken Amsterdammers, die zich in de omliggende steden hadden nedergezet. Onder die der laatsten is vooral de brief van Willem Bardes, den zoon van den gewezen Schout, merkwaardig door stijl en inhoud en doet ons een gunstigen dunk opvatten van den man, die naderhand zulk een veelbeduidende rol zou spelen in de eindelijke omkeering van Amsterdam. Voor 't oogenblik echter oefende ook zijn woord geen invloed uit, althans niet op de mannen die het roer in handen hadden. Wat de gemeente betreft, zij gaf in dit tijdperk meer dan eens blijken dat hare gevoelens zich langzamerhand wijzigden.

Reeds bij 't beleg van Haarlem hadden de gilden der ambachtslieden verklaard geen dienst te willen doen buiten de stad, en in Maart 1574 weigerden de schippers zich te laten gebruiken voor 't vervoer van Spaansche soldaten. In diezelfde maand zag de regeering zich genoodzaakt het zingen van Geuzenliedjes te verbieden, en Claes Overlander, een aanzienlijk burger, werd in April gebannen en in een boete van ƒ 1000 verwezen, ‘men zeyde het was om een lyetghen dat hij geschreven hadden van de Prins van Orangie.’ In het volgend jaar lieten de ontevredenen het niet meer bij lijdelijk verzet of bij liedjes, maar trachtten reeds naar aaneensluiting, want in Januari 1575 loofde de regeering belooningen uit aan verklikkers, aangezien in de stad ‘eenighe ware dye confyderatie ghemaekt hadden met de geussen’1.

Na het sluiten der Pacificatie keerde de geest in de stad zich

[p. 223]

nog veel meer tegen het stelsel der Burgemeesters; er werd luide geklaagd dat zij de belangen van de stad niet bevorderden, en ten slotte begonnen zelfs de geëligeerde burgers te morren en oppositie te voeren1. En dat niettegenstaande men tien jaar lang alle verdachten de stad had uitgezet - geen onbewezen beschuldiging, maar uit meer dan één stuk op 't Archief aan te toonen.

't Was dan ook geen wonder, dat de publieke opinie zich wijzigde! Men had nu gelegenheid gehad te beoordeelen wat er geworden was van het werk dat de zustersteden in 1572 zoo stout hadden begonnen. Geen opgewonden volkswaan van 't oogenblik was 't gebleken, dat moedig verzet tegen Filips en zijne trawanten: in de wanhopigste toestanden had zich de wordende republiek gehandhaafd - in alle gevaren was zij staande gebleven - over alle hinderpalen had zij gezegepraald. Geen voorbijgaande wind van ketterij was 't gebleken, die de voorvaderlijke leerstukken en kerkgebruiken had op zij doen zetten: het Protestantisme bleek een godsdienstvorm die Holland paste, waarin de vroomste zielen en de scherpste verstanden van toenmaals zich konden vinden en die geen vruchten droeg van zedeloosheid, van onverschilligheid of verstijving van 't godsdienstig leven. Aan de ‘Geuzen’, zooals zij zich in 1577 in Holland voordeden, was niets meer wat verachting of verontwaardiging kon opwekken. Was het wonder, dat ook bij hen, die tot nog toe trouw aan hun kerkleer waren gehecht geweest, twijfel begon te rijzen, of niet ten slotte het Protestantisme de aangewezen godsdienstvorm was, ook voor Amsterdam. Wij zwijgen van beschouwingen van stoffelijken aard; waar dezen zich deden gelden, kon voor den Amsterdammer de keus niet moeielijk zijn tusschen Prinsgezind en Koningsgezind, want de welvaart der opgestane steden was in 't oog loopend, vooral in vergelijking met den treurigen achteruitgang van Amsterdam.

Inzonderheid onder de kooplieden die dagelijks verkeerden met land- en vroegere stadgenooten in de opgestane steden (want de noodzakelijkheid had geëischt dat verkeer, hoewel nu en dan officieel verboden, toch oogluikend toe te laten), inzonderheid onder 't opkomend geslacht, dat van den Wederdoopers-aanslag nog slechts bij overlevering wist, en waarbij de heugenis van den beeldenstorm na tien veelbewogen jaren reeds was verflauwd, mag de neiging tot een verandering groot zijn geweest.

[p. 224]

Niet alzoo bij de mannen die op 't kussen zaten. Zij bleven steeds en tot het laatste oogenblik onverzettelijk aan Kerk en en Koning getrouw. Zij hielden in de verarmde en verlaten stad hun banier overeind op de puinhoopen van de vroegere welvaart, en, terwijl ze onderhandelden met de Staten, versterkten zij, zooals wij zagen, op nieuw hun stedelijk legertje.

‘'t Was een ultramontaansche oligarchie die tot elken prijs op 't kussen wenschte te blijven,’ zegt de Heer ter Gouw. Wij hebben over dat ‘op 't kussen blijven tot elken prijs’ reeds een enkel woord gezegd. Op de wijze waarop Joost Buyck en zijn vrienden te werk gingen, was er alle kans dat zij binnen kort aan 't hoofd zouden staan van een stad, zóó uitgeput, ontvolkt en verarmd, dat het waarlijk der moeite niet meer waard was er Burgemeester van te zijn. Men kan een groote mate van verblinding veronderstellen, maar bezwaarlijk zóó groot, dat mannen, die Holland zoo goed keuden, als men van Burgemeesters van Amsterdam mag veronderstellen, in werkelijkheid zich zouden gevleid hebben met de hoop dat, na al het gebeurde, de zaken ooit weder geheel op den ouden voet zouden komen. Vooral nu reeds Gelderland en Utrecht duidelijke blijken gaven van, zelfs ingeval de zuidelijke provinciën weder van de zaak der vrijheid afvallig werden, zich nauwer en vaster aan Holland en Zeeland te willen aansluiten. Het beste middel om op 't kussen en in aanzien te blijven, was zich geheel en al aan Oranje over te geven.

Maar, zegt de Heer ter Gouw, in dat geval zouden de bannelingen teruggekeerd zijn en spoedig deel in de regeering geëischt hebben, en het was uit geweest met het rijk der Spaanschgezinde oligarchie. Het is zoo, de Prins had zich het recht gereserveerd om zoo noodig de wethouderschap te veranderen, en hij had daar te Haarlem gebruik van gemaakt; maar er was hier van twee kwaden het minste te kiezen, en hadden Joost Buyck en zijn vrienden willen transigeeren met hunne beginselen, zij zouden wel ontzien zijn geworden. Maar dit was juist wat zij niet wilden, en wat ons achting voor hen afdwingt, maar de verontwaardiging gaande maakt van den Heer ter Gouw.

Ook het vaak herhaalde verwijt van eene familieregeering te willen vestigen, achten wij overdreven. Het ligt in den aard der zaak dat, waar men door de tijdsomstandigheden gedwongen is om bij de keuze van ambtgenooten ten strengste op gelijkgezindheid te zien, mannen van een partij die onophoudelijk

[p. 225]

terrein verliest, hunne keuze in steeds beperkter kring moeten doen. Familieregeering wordt dan ook vaak gevolg, maar 't is onrechtvaardig de zucht daartoe als oorzaak te doen gelden. Buitendien stelle men zich den toestand van Amsterdam in het hervormingstijdperk niet zóó voor, alsof sommige familiën uitsluitend de Katholieke en andere eenparig de Protestantsche partij waren toegedaan. Bij kenteringen der publieke opinie in godsdienstzaken is dit zelden het geval; het was het ook toen niet. Het feit, dat Hooft mededeelt, van de beide broeders die bij de Februari-onlusten in 1567, ‘na elkander in 't harnas geholpen te hebben’, bij de vraag tot elkander gericht, op wien 't gemunt was, bleken ieder een andere partij te zijn toegedaan, stond niet op zich zelven.

Dirk Schaep hield het met de Katholieke partij, terwijl zijn beide broeders, Pieter en Gerrit, ijverige voorstanders der hervorming waren1, hoewel Pieter gehuwd was met een dochter van Dirk Hillebrandtsz den Otter, die in 1578 door de partij van zijn schoonzoon zou zijn uitgezet, als men hem niet om zijn hoogen leeftijd had verschoond. De dichter Hendrik Laurensz Spieghel en zijn zuster Maria, de stichteres van 't ‘Maagdenhuis’, bleven Katholiek, terwijl hun broeder Jan in 1578 na de hervorming als raad optrad, en hun zwagers Herman Roodenburch en de zoon van Adriaan Pauw tot de hoofden der Gereformeerden behoorden. Het laatste kan ook gezegd worden van Andries Boelensz Loen en zijn broeder Claes ‘in Hamburg’. Maar dier beider broeder Hendrik2 bleef Roomsch; althans wij vinden zijne afstammelingen later op 't Bagijnhof en in de Katholieke familiën van Fonteyn en Hartoghvelt terug. De Watergeus Dirk Duyvel was gehuwd met een dochter uit het vroeger en later aan de oude Kerk zoo gehechte geslacht van Dommer, de balling Jacob Bas met eene zuster van Maarten Codde, die de voorvader van den bekenden Jansenistischen Aartsbisschop is geweest. Leendert de Graeff, de vriend van Brederode, en Reinier Rooclaes, de belastinggaarder van den tienden penning, waren zwagers; Jan Persijn, de gastheer van Alva, en Adriaan Pauw waren volle neven. De Roodenburchen waren vermaag-

[p. 226]

schapt aan de den Otters. Pieter Pieterszoon Bicker wordt in 1575 door de Katholieken, en Hendrik Jacobszoon Bicker in 1578 door de Gereformeerden de stad uitgezet. Ook van de aanzienlijke familie Benning treffen wij leden aan onder beide partijen. De schout Pieter Pietersz was de oom van Cornelis Benning, Jan Duyvenszoon, die in 1578 onder de kiezers behoorde en later Burgemeester werd, terwijl zijn vader Docter Jan Duyvensz. in 1578 is uitgezet. De vurige Calvinist Jan Muerlinck was getrouwd met Immetjen van der Does, wier tante met de Haarlemsche Geuzen-Burgemeester Claes van der Laen, en wier oom (Pieter Boelensz) daarentegen met de dochter van Joost Buyck was gehuwd. Nog een andere balling, Hendrick Meyster, noemt Joost Buyck zijn oom, ja de eigen zwager van dien streng-Katholieken Burgemeester, Pieter Jansz de With1, werd, wegens bijwonen der preek en gewapend verzet tegen de regeering, in 1568 onthalsd.

Voorbeelden genoeg om aan te toonen dat, al heeft er vóór de gebeurtenissen van 1566 neiging bestaan bij den Magistraat om eene familieregeering te vestigen, zooals blijkt uit het daartegen in 1565 uitgevaardigde reglement van de Landvoogdes Margaretha, de omstandigheden weldra dwongen om niet meer te vragen tot welke familie iemand behoorde, maar welke richting hij was toegedaan, zooals de overlevering dan ook zegt dat in het tijdperk, dat wij behandelen, niemand in de regeering kwam die niet bij de keurmeesters in 't Minderbroeders-klooster als zuiver in de leer bekend stond. Het reglement van 1 September 1565 werd dan ook in 1573 ingetrokken als een noodelooze belemmering in de keuze.

Het had toch ook geen doel getroffen, want gedurende zijn bestaan had het toch geen einde gemaakt aan de stelselmatige uitsluiting van de regeering van die familiën die er om hadden verzocht. Dit waren namelijk, als wij meenen te mogen aannemen, de rijke koren- en houtkoopers van den Nieuwendijk en het Water, met hunne Doopsgezinde sympathiën, ronde degelijke mannen, kloeke kooplieden, echte Hollanders, die met hun eigen schepen naar de Oostzee voeren en wier éénlettergrepige namen (Kies, Hooft, Graef, Boom, de Wael, van Neck, Vonck, Smit, Vriend, Kat) op hun afkomst van over 't IJ wijzen. Zij sloten, de een wat vroeger, de ander wat later,

[p. 227]

zich van heeler harte bij de hervorming en bij Oranje aan en hielpen, na het overgaan van Amsterdam, in de jonge republiek spoedig de kern vormen van eene gematigd anti-clericale partij, die een tegenwicht gaf aan het drijven der Calvinisten.

Kwestiën van persoonlijk en familiebelang zullen wel nooit geheel buiten 't spel gebleven zijn, maar overwegingen van kerkelijken aard bleven toch het grootste struikelblok van de onderhandelingen over de toetreding van Amsterdam tot de Pacificatie. Toch mogen wij ook de bezwaren op politiek of staatsrechtelijk gebied niet voorbijzien.

Hoe duidelijker de loop der gebeurtenissen in 1577 bewees dat Oranje en zijn aanhangers de Zuid-Nederlanders wisten voort te drijven op een weg die hen hoe langs zoo meer van den Koning verwijderde, hoe minder heil de trouwe aanhangers van de oude toestanden zagen in het bestuur van die Staten-Generaal, wier eigenmachtig bijeenkomen bezwaarlijk volgens 't vigeerende staatsrecht als wettig aan te merken was. Men zoude echter bij oppervlakkige beschouwing mogelijk meenen dat er voor Amsterdam, als Hollandsche stad, nog meer redenen waren om zich bij de patriotten te voegen, dan voor de Zuid-Nederlandsche gewesten. Het tegendeel was waar. Waar andere Nederlanders zich bij de Gentsche Pacificatie konden aansluiten, zonder hunnen godsdienst of hun zelfbestuur te verliezen, kon Amsterdam dit voorbeeld niet volgen zonder tevens daardoor te komen in het toenmaals in Holland van kracht zijnde staatsverband, t.w. de Unie van Holland en Zeeland, en de ordonnantie op de regeering van 4 Juli 1575. Wij zwijgen van de bepalingen daarbij gemaakt omtrent het doen ophouden van de uitoefening van den Roomsch-Katholieken godsdienst, want hieromtrent kon men zich bij de ‘Satisfactie’ verstaan, maar de omstandigheid dat door de Staten van Holland de Souvereiniteit feitelijk was opgedragen aan den Prins van Oranje, bracht de steden die zich onder zijn bewind begaven in een staat van rebellie tegen den Koning, die hun toestand bij een altoos mogelijken ommekeer van zaken oneindig gevaarlijker maakte dan die van de andere vijftien gewesten.

En daarbij kwam nog dat, onder den drang der omstandigheden en bij den gebiedenden eisch van eendracht, door de Staten bij die Grondwet aan de centralisatie offers waren gebracht, waarvan de noodzakelijkheid door Amsterdam moeielijk kon worden toegegeven, en rechten uit handen waren gegeven

[p. 228]

die zestiende-eeuwsche stadsregenten zich verplicht mochten rekenen te handhaven tegenover den Souverein, hoeveel te meer tegenover een soort van Ruwaard. Men denke b.v. aan het dertiende artikel van de nadere Unie van Holland en Zeeland van 25 April 1576, waarbij aan den Stadhouder de macht werd gegeven in sommige gevallen de stedelijke regeeringen te verzetten. Dit alles geeft reden te over waarom, ook afgescheiden van de godsdienstkwestie en van alle persoonlijke veeten, het voor Amsterdam eene alles behalve eenvoudige zaak was om goedschiks toe te treden tot de Gentsche bevrediging en de ‘Satisfactie’ van den Prins aan te nemen.

Bij den Heer ter Gouw echter weegt ook dit alles niets. 't Is alleen maar koppigheid van ‘Joost Buyck en de anderen’. Als hij vermeldt hoe de Hollanders de stad insloten en den toevoer beletten, dan voegt hij er bij dat het aan de ‘Spaansche factie’ zelve stond zich daarvan te bevrijden. Zij had slechts onder 't bewind van den prins van Oranje als Stadhouder terug te keeren, waarna ‘zelfs’ (!) hare afgevaardigden ook weer ter Statenvergadering van Holland zitting en aan 's lands regeering deel konden nemen. Maar dit wilden Joost Buyck en de anderen niet, Spaansch wilden ze blijven, enz.

Wat zou de Heer ter Gouw wel zeggen als een Roomschgezind schrijver dezelfde aardigheden verkocht ten opzichte van bijv. het beleg van Haarlem, toen het ook maar aan de burgers zelve stond zich daarvan te bevrijden, door zich eenvoudig onder 't bewind te stellen van Alva, die hun, als die onderwerping niet door gewapend verzet was voorafgegaan, ook gaarne al hunne stedelijke voorrechten zou hebben teruggegeven?

 

Had het voor Amsterdam zelfs bij 't bestaan van goeden wil (waaraan wij echter twijfelen) eigenaardige moeielijkheden in om tot een vredesverdrag te komen met den Prins en de Staten, aan den anderen kant was het voor dezen ook niet gemakkelijk; hoewel de goede wil aan hunne zijde uit den aard der zaak veel grooter was, daar zij bij eene voortduring der vijandschap niets te winnen, maar veel te verliezen hadden, terwijl Amsterdam bij dien voortduur altoos nog een kans open had op een ommekeer in den loop der gebeurtenissen. Maar was er veel wat de toenmalige regeering van Amsterdam onmogelijk kon toestaan, ook voor de Staten waren er op hun beurt eischen die zij onmogelijk konden laten vallen. Bij alle welwillendheid en alle

[p. 229]

begeerte om 't verdrag tot stand te brengen, mocht men van de Staatsche zijde toch niet toegeven wanneer de Amsterdammers de onderhandelingen te Brussel ten overstaan van de Algemeene Staten wilden voeren in plaats van met de Staten van Holland. Dat was geen dwarsgang waarin de Amsterdamsche regeering was ‘verdwaald,’ zooals de Heer ter Gouw het noemt; het was misschien een met berekenend overleg gekozen middel om de onderhandelingen te rekken, maar 't was tegelijk de rechte weg om te kennen te geven dat men wel gaarne op 't voorbeeld en naar den wensch der Algemeene Staten tot vrede wilde komen, maar geen plan had zich daarbij te onderwerpen aan den Prins, die op voet van oorlog stond met den Koning, waaraan die zelfde Staten zelven onderworpen wenschten te blijven.

De Algemeene Staten zouden dan, zoo hoopte men, misschien begrijpen dat er eigenlijk ten slotte maar één weg was om uit die impasse te geraken, namelijk een verdrag waardoor Amsterdam feitelijk van Holland afgescheiden werd en in 't vervolg als 't ware eene provincie op zich zelf zou uitmaken. Dit was iets wat Holland onmogelijk kon toegeven, maar wat Amsterdam, zoo 't schijnt, wel toelachte.

Het straalt ten minste al dadelijk door in het ontwerp van Satisfactie dat Amsterdam in negen artikelen bij den Prins inleverde, toen in Maart 1577 de onderhandelingen over de Satisfactie eigenlijk voor 't eerst met ernst werden aangevangen. Daarin werd toch niet alleen geëischt dat te Amsterdam ‘bij dage ofte bij nachte’ geen andere religie zou mogen worden ‘gepredickt, gheleert noch gheëxerceert’ dan de oude Katholieke Roomsche religie, en dat niemand eenig ambt in Amsterdam zou mogen bedienen als die ‘Catholyckelick leefde, naar de roomsche catholycke religie, en voor catholyck openbaerlick geacht’ werd, maar men weigerde ook ronduit de eigen soldaten af te danken en krijgsvolk, dat onder den eed van de Staten stond, in te nemen. En, wat vooral opmerking verdient, men wilde alleen dragen in die gemeene-landslasten welke door de Algemeene Staten werden vastgesteld, zoodat de financiën van de provincie Holland, niet slechts wat de sinds 1572 verloopen jaren betrof, maar ook voor de toekomst, van die van Amsterdam geheel zouden afgescheiden blijven. Ook wenschte men het, sinds kort verkregen, privilegie te behouden waarbij was toegestaan dat van de vonnissen van het gerecht van Amsterdam appèl zoude zijn, niet zooals vroeger op 't Hof van Holland, maar ter keuze

[p. 230]

van den appellant, òf op dat Hof, òf rechtstreeks op het algemeen hoogste rechterlijk collegie der zeventien Nederlanden, den Hoogen Raad van Mechelen. Het was zooals Marnix aan Jan van Nassau schreef: ‘Ceulx d'Amsterdam.... veulent se joindre avecq Hollande de nom, mais en effect ne veullent avoir riens de commun’1.

Mogelijk hebben de Amsterdamsche Heeren zich gevleid op deze grondslagen van Amsterdam een republiekje op zich zelf te maken, door geen vaster band aan Holland verbonden dan Utrecht of Friesland, en daardoor nog meer glorie bij te zetten aan den naam en rang van Amsterdam en.... van henzelven. Maar de Staten van Holland konden natuurlijk niets van dien aard toegeven, zoodat de onderhandelingen niets vorderden. Ten slotte werd de toestand nog ingewikkelder, doordien de Prins, sinds hij door de Algemeene Staten naar Brussel geroepen was, en daar de zaken feitelijk bestuurde, genoodzaakt was het algemeen landsbelang niet ten eenenmale uit het oog te verliezen ten behoeve van de bijzondere belangen van Holland en Zeeland, en hij zich dus op 't punt der Satisfacties wat inschikkelijker toonde dan de Staten dier gewesten2. Toen besloten de laatstgenoemden eindelijk den Gordiaanschen knoop door te hakken en zich met geweld van Amsterdam meester te maken, gevende daarover den 1sten Nov. 1577 een manifest uit, dat men bij Commelin lezen kan (fol. 1055).

Het gevolg hiervan was de aanslag van 23 Nov. 1577, die bij alle stadsbeschrijvers uitvoerig is vermeld. Zij hebben echter verzuimd gebruik te maken van de bijzonderheden door Petrus Opmeer in zijn Katholiek Martelaarsboek medegedeeld, hoewel Opmeer als Amsterdammer en tijdgenoot alles nauwkeurig kon weten, en er geen reden is om hem, in zijn verslag van het straatgevecht, van partijdigheid te verdenken.

De kommandant van Haarlem, kolonel Herman Helling, overrompelde de Haarlemmerpoort en rukte de stad in, met de troepen die hij bij zich had. Dat was echter maar 4 à 500 man, de kleinste helft van het korps dat voor den aanslag bestemd was; het meerendeel bleef door een misverstand achterwege. Helling, die reeds tot den Dam was voortgerukt, vond zich daarom te zwak, toen - nadat men hem zoo 't schijnt

[p. 231]

eenigen tijd door mondelinge onderhandelingen had opgehouden1 - de stadssoldaten en gewapende burgers (het eerst onder aanvoering van IJsbrand Hollesloot, een bloedverwant van den Schout) op 't luiden der alarmklok kwamen aanrukken naar den Dam, waar zij den kapitein Smoor, die waarschijnlijk aan 't hoofd had gestaan der stadssoldaten, die de waag bewaakten, reeds gekwetst vonden. Helling, vreezende te worden afgesneden van de poort, door welke hij de andere troepen verwachtte, trok terug naar 't noordeinde van den Nieuwendijk, en verschanste zich daar. Inmiddels verscheen Wolphert Michielsz, de hopman van 't vendel stadssoldaten der Nieuwe Zijde, die, zooals Opmeer naief mededeelt, pas ontnuchterd was van een maaltijd, daags te voren door hem aan de priesters en voorzangers van 't Lieve-Vrouwen-gilde gegeven. Bij den eersten aanval op de barrikade door de Staatschen opgeworpen, sneuvelde, in de bocht van den Nieuwendijk, zijn luitenant Rem Hollandt, bijgenaamd (naar het huis waarin hij woonde in de Kalverstraat) Bourgondië, die in der tijd van Keizer Karel V den ridderslag ontvangen had, als belooning voor zijn diensten bewezen bij de onderhandelingen om den Keurvorst van Brandenburg op 's Keizers zijde te brengen2. Helling trachtte nog vergeefs zich te verzekeren van den bijstand van de bootsgezellen die op de Nieuwebrug samengeschoold waren; de Schepen Roo-claes verdreef hem van daar, en op den Nieuwendijk schoten de burgers uit de vensters en van de daken op de Staatsche soldaten. Tegen de verschansing werd geschut aangevoerd, waaruit een kogel Helling trof. Men droeg hem naar de poort, waar hij den laatsten adem uitblies. Michielsz vermeesterde daarop de barrikade en de Staatschen sloegen op de vlucht, gedeeltelijk over de vest, waarbij

[p. 232]

ettelijken verdronken; terwijl anderen, zoo 't schijnt, van de poort werden afgesneden. Onder dit getal was Ruyckhaver, die hen aanvuurde om zich in wanhoop door te slaan. Bij dien uitval werd Wolphert Michielsz. bij de Engelschesteeg met een hellebaard doorstoken, aan welke wonde hij nog dienzelfden dag bezweek.

Dit kon echter het kleine hoopje soldaten, dat zich nog niet naar buiten had weten te redden, niet helpen; zij werden neergeschoten of gevangen genomen, en de aanslag was mislukt.

De Heer ter Gouw noemt die aanslag een misgreep, en zij was het in ieder opzicht. Vooreerst was de macht te klein, en ten tweede was er geen zorg gedragen voor eenige reserve; op medewerking van de prinsgezinde burgers was wel gerekend, maar verzuimd eenige verstandhouding in de stad aan te knoopen; althans heeft de stedelijke Regeering, ondanks een scherp onderzoek, niemand kunnen ontdekken die binnen de stad iets van den aanslag had geweten. De uitgeweken burgers, het Amsterdam buiten de muren, waren ook bij den aanslag niet vertegenwoordigd, tenzij door een paar kapiteins, Claes Ruyckhaver en Dirk Duyvel, die Amsterdammers waren. Maar dit waren gewezen Watergeuzen, en de Watergeuzen stonden in Amsterdam in slechten reuk. Men was het rantsoeneeren van de Oostzeevloot in 1569 nog niet vergeten, en uit de moeite die Hooft zich geeft om zijn bloedverwant Jacob Simonsz. de Rijk van 't gros der Watergeuzen te doen onderscheiden, blijkt wel dat ook nog na de Hervorming de sympathie te Amsterdam niet groot was voor de zeeschuimers. Men wist toch dat een groot deel daarvan gewezen beeldstormers waren, volstrekt geen aanhangers der hervorming, maar lieden zonder eenigen godsdienst, van wie Amsterdamsche schippers, die in hun handen waren geweest, getuigd hadden, dat 't ‘nyet en waren dan schuymsel van boeven en rabauwen’, soms met vijf of zes brandmerken versierd, die zich dagelijks bedronken, liefst uit gestolen miskelken, en gedreigd hadden alle Amsterdammers die zij in handen zouden krijgen over boord te werpen, uit wraak dat hun spitsbroeder Troyen te Amsterdam op den dood zat1.

Wat Ruyckhaver betreft, van wien Wagenaar in twijfel verkeert of hij een Haarlemmer dan wel een Amsterdammer was, hij was de zoon van een Haarlemsch bierbrouwer, maar zelf te

[p. 233]

Amsterdam poorter geweest, zoodat hij er nog vrienden kan hebben gehad. Maar hij had er ook, als wij ten minste Hendrik van Biesten mogen gelooven, onbetaalde crediteuren, en al was hij een heldere kop, en al had hij de blaam van bankroetier uitgewischt door den roem van dapper krijgsman, te Enkhuizen en te Alkmaar, op de Zuiderzee en op de Schelde behaald, men mag twijfelen of hij wel de rechte man was om bij de Amsterdammers als vertegenwoordiger hunner uitgeweken stadgenooten op te treden. De raad dien hij aan Helling gaf om, door hier en daar brand te stichten, de stad in verwarring te brengen, pleit ook niet voor de groote vriendschap die hij zijn voormaligen stadgenooten toedroeg. Hij werd dan ook volgens Hooft, na 't mislukken van den aanslag, door een persoonlijken vijand vermoord (volgens Opmeer echter door een ‘edelmoedig’ soldaat, Rufus genaamd).

De tegenpartij had een zwaar verlies geleden door den dood van Wolphert Michielsz, dien de geestelijkheid haren Judas Maccabeüs noemde. Hij was een geboren Amsterdammer, maar van afkomst een Fries. Zijn huwelijk met eene Persijn en de gunst van Schout Pieter Pietersz, wiens substituut hij in 1567 was geweest, had hem 't baljuwschap van Waterland bezorgd, en als er nog iets noodig was om zijn haat tegen de Prinsgezinden te versterken, was het de herinnering aan de plundering van zijn huis en aan de vijf bange uren die hij uit vrees voor zijn leven in zijn hemd in een varkenskot had doorgebracht, bij de overrompeling van Monnikendam door de Watergeuzen in den nacht van 2 op 3 Maart 1572.

Oppervlakkig beschouwd mag het eenige verwondering baren dat Helling en Ruyckhaver hoegenaamd geen medewerking vonden bij de burgerij, hoewel er onder de inwoners van Amsterdam zoovelen waren die verlangend uitzagen naar het oogenblik waarop de vijandschap tusschen Amsterdam en de andere Hollandsche steden een einde zou nemen, onder welken vorm dan ook. Voor een groot deel is dit zeker toe te schrijven aan de zorgvuldige waakzaamheid die op den Dam betracht werd, waardoor de Geuzen dadelijk tot staan gebracht werden, hetwelk hunne geringe macht en de gevaren waaraan allen zich blootstelden die hen zouden willen toevallen, dadelijk aan 't licht bracht.

Maar men vergete ook niet den afkeer dien ieder rustig burger toenmaals had van de gehuurde krijgsknechten, om 't even welke partij zij dienden. Dikwijls waren de burgers in de zestiende

[p. 234]

eeuw genoodzaakt zich te verzetten tegen de soudeniers hunner eigene partij; en rukte de tegenpartij aan, dan was de roofzucht der soldaten vaak een krachtiger beweegreden tot wakkere verdediging dan de bedoelingen der bevelhebbers. Helling mocht door strooibilletten verkondigen dat hij ‘uit vaderlycke medelijden’ in Amsterdam gekomen was, en werkelijk zijn officieren hebben laten zweren dat zij het plunderen zouden te keer gaan, ieder wist dat naar zestiende-eeuwsch krijgsrecht bij het gewapenderhand innemen van een stad de soldaten een zeker recht hadden op de plundering, of althans op eene afkoopsom van 't plunderen. Op zulk een wijze, door ruw soldatengeweld, begeerde daarom geen of bijna geen Amsterdammer van 1577 op de zijde der Staten gebracht te worden.

De Staten van Holland legden natuurlijk niet veel eer in met de mislukte onderneming. De Amsterdammers klaagden hen aan bij de Algemeene Staten wegens schennis van de Pacificatie van Gent. Het is waar dat volgens dit Staatsstuk van geenerlei vijandelijkheden tusschen Nederlanders onderling sprake mocht zijn, maar het geval dat het verdrag tusschen den Prins en de steden van zijn stadhouderschap ‘die jegenwoordich onder 't ghebiet en de ghehoorsaamheyt van zijne Exc. niet en staen’, niet tot stand zou komen, omdat men 't over de voorwaarden niet eens kon worden, was in de Pacificatie ook niet voorzien.

Den Prins had men van den aanslag onkundig gelaten, opdat hij er de verantwoordelijkheid niet van zou deelen. Sommige geschiedschrijvers is dit zeer onwaarschijnlijk voorgekomen. En het is dan ook moeielijk aan te nemen dat de Zwijger, al wist hij de bijzonderheden van den aanslag niet, het besluit der Staten van den 1 Nov. niet zou gelezen hebben, waarbij in beginsel tot eene dergelijke onderneming werd besloten. Maar in zijn tegenwoordige positie te Brussel konden de Staten van Holland bezwaarlijk zijne goedkeuring verwachten op wat ze voorhadden, ja reeds de beletselen die aan den handel van de stad in den weg werden gelegd had hij in October bepaald verboden1. De Staten schijnen dus goedgevonden te hebben de zaak van Amsterdam door te zetten met of zonder, ja desnoods in weerwil van den Prins. En van dezen was het moeielijk te vergen dat hij met de Hollandsche Staten zou breken om de Amsterdamsche Heeren in staat te stellen hun ontwerp door te zetten om van

[p. 235]

Amsterdam eene feitelijk van Holland onafhankelijke stad te maken, met eene eigene soldatenmacht, die van niemand dan van Burgemeesters bevelen te ontvangen had. Prins Willem, zich als altoos gematigd voordoende, mocht reeds aan het geconcipieerde accoord van Satisfactie, waarin het korps der stads-soldaten, al was 't op de halve sterkte, behouden bleef, zijn toestemming gegeven hebben, hij deed het niet dan onder voorbehoud dat de Staten van Holland en Zeeland het óók zouden goedkeuren en misschien wel met de wetenschap dat die daarin nooit zouden treden.

Uit het schrijven van Marnix, dat wij boven aanhaalden, blijkt althans dat deze vertrouwde van den Prins de zaken niet anders beschouwde dan de Staten, en hoezeer de Zwijger gewenscht moge hebben dat de kwestie zonder geweld te gebruiken kon worden opgelost, hij was veel te schrander om niet in te zien dat met de beginselen van Joost Buyck en diens gelijkgezinden eene vredelievende schikking onmogelijk was, zonder in strijd te komen met het belang van den jonggeboren Hollandschen Staat, die hem nauwer aan 't hart moest gaan dan de Algemeene Unie, al ware het dan ook maar alleen om in geval van mislukking van laatstgemelde zich weder op Holland te retireeren. Officieel afkeurende, officieus niet aanradende, bepaalde hij er zich toe om aan te zien wat de Staten van Holland deden, en wat hij zichzelven niet ontveinsde dat door hen moest worden gedaan.

De Staten gingen dus voort, inmiddels niet weinig door de Amsterdamsche ballingen aangeloopen, zegt Hooft; ‘opgehitst’, zegt Dr. Nuijens1. Zou Dr. Nuijens werkelijk meenen dat naar hun stem in deze zaak niet had moeten gehoord worden? Naar onze bescheiden meening was het toch hunne zaak wel in de allereerste plaats; de uitgewekenen waren even goed Amsterdamsche burgers als de geblevenen. En van de Hollandsche overheid mochten zij, met evenveel recht als de inwoners van andere steden, eischen dat hen de uitoefening van hunnen godsdienst in hun eigen vaderstad mogelijk werd gemaakt.

De Staten gingen dus voort op den eenmaal ingeslagen weg om Amsterdam door dwang te bewegen, hetzij tot een accoord, hetzij tot eene van de burgers uitgaande beweging. De vorm, waaronder die dwang thans werd aangewend, was insluiting van de stad en afsnijding van den toevoer van levensmiddelen en

[p. 236]

handelsartikelen. Dit was een welgekozen middel, want aan eene dergelijke blokkade kon Amsterdam niet lang tegenstand bieden. Het was wel niet het doel om de stad bepaald uit te hongeren, maar alle handel werd ten eenenmale onmogelijk gemaakt, en de toestand waarin Amsterdam nu reeds jaren verkeerde, had het reeds zoodanig uitgeput, dat het weerstandsvermogen tegen dergelijken druk oneindig zwakker was dan het twaalf jaren vroeger zou geweest zijn. Eerst was aan den handel een zware slag toegebracht door het uitwijken van zoovele voorname kooplieden, die met hun vermogen en hunne relatiën hunne kantoren in andere steden heropend hadden; daarna had de onveiligheid der zee, door de kaperijen der Watergeuzen, het koopmansbedrijf op nieuw benadeeld, en ten slotte was sinds 1572 de zeehandel geheel verloopen, daar de Westfriezen de Zuiderzee gesloten hielden. Van uitvoerhandel was zoo goed als geen sprake meer, en zelfs om de noodzakelijke levensbehoeften van de landzijde in de stad in te voeren, was gedurende den oorlog slechts nu en dan een weg open geweest, zoodat de regeering er wel toe had moeten komen om, hoe ongaarne ook, de handel met de rebellen-steden nu en dan oogluikend te vergunnen. En dan waren die van Enkhuizen en Dordrecht wel zoo vriendelijk om de arme Amsterdammers toe te staan het graan en zout, waarvoor zij vroeger hun eigen handelsvloten uitzonden, bij hen uit de tweede hand in te slaan, en dan leverden de Delftsche brouwers weder voor eenigen tijd aan de dorstige Amsterdammers hun meest geliefkoosd bier. -

Bij dat opdrogen der welvaartsbronnen en den hoogen prijs der levensmiddelen voegde zich nog de druk der belastingen, daar de stad zoovele oorlogskosten òf zelve moest betalen, òf aan de Landsregeering, zonder hoop op teruggave, moest voorschieten, zoodat zelfs de spaarpenningen der vermogenden ten laatste opgeteerd moesten raken. De toestand werd alzoo ten laatste onhoudbaar, en de burgers, van welke politieke of godsdienstige richting ook, eischten tot elken prijs een verdrag.

De regenten echter wilden nog volhouden tot het uiterste. Don Jan had hun in December weder hulp van krijgsvolk toegezegd, en hoewel zij zich over de vijandelijkheden van Holland bij de Algemeene Staten hadden beklaagd, en deze thans met Don Jan op den voet van oorlog waren, zouden ze toch ook de hulp van den Landvoogd niet versmaad hebben.

Wel verkondigden zij te Amsterdam aan ieder die 't hooren

[p. 237]

wilde dat de zaken ‘op goede hoop’ van acoord stonden, maar zij bleven inmiddels hardnekkig weigeren om iets toe te geven aan de eischen van de Staten, aan wie ondertusschen door den Prins volmacht was gegeven om de zaak af te doen. De ijzeren gordel waarin de troepen van Sonoy de stad besloten, werd al nauwer toegehaald. Zelfs de visscherij op het IJ en het ter markt komen der landlieden werd door zijn soldaten niet toegelaten, en ten slotte werd het een formeel beleg, hoewel men zich van weerszijden zooveel mogelijk van handdadigheden onthield.

Het korps stadssoldaten werd echter in Jan. 1578 op nieuw versterkt, en eindelijk op 750 man gebracht. In de desbetreffende Vroedschapsresolutie wordt met ronde woorden gezegd, dat dit geschiedde niet alleen omdat de stad door de vijanden hoe langs zoo meer bezet werd, maar ook omdat ‘enigen burgeren hem zeer oproerig in der stad maecken zoodat te besorgen es dat zij enige correspondentie metten vianden syn houdende’. De Heer ter Gouw heeft dan ook volkomen recht, om meer dan eens te doen uitkomen, hoe het in dienst houden der stadssoldaten ook strekte om de vrije uiting van de gevoelens der burgers te beletten.

Bovendien bereikten de Burgemeesters met het aanwerven der stadssoldaten een dubbel doel. Hielpen deze troepen eensdeels tegenover de gezeten burgers een soort van schrikbewind handhaven, aan de andere zijde was het aanwerven eene vermomde omkooping van de geringere ingezetenen, die tevens op die wijze gedurende het beleg aan den kost werden geholpen. Ook de schuitevoerders werden door de stad in soldij genomen1.

Maar dat alles kostte geld, en veel geld, en de stedelijke financiën waren, niettegenstaande de accijnsverdubbeling2 en de gedwongen leeningen, in den treurigsten toestand. Blijkens de Tresoriersrekeningen was het waaggebouw reeds verhypothekeerd, de consignatiekas aangesproken en geld opgenomen tot tien, ja twaalf percent3. Ten slotte ging men in Januari 1578 over tot een maatregel van den uitersten nood, namelijk om geld te

[p. 238]

laten slaan van zilverwerk toebehoorende aan de ‘schutterijen, godshuizen en gilden’, en van 'tgeen waarmede goedwillige burgers deze stede zullen begeeren te assisteeren, zooals de Vroedschapsresolutie het uitdrukt.

Volgens een post van de Tresoriersrekening (de eenige die over deze zaak door Dr. Scheltema in Aemstels Oudheid wordt medegedeeld) is er 551 mark zilver vermunt, maar jammer is het dat niet duidelijk blijkt welk zilverwerk dit geweest is. Ook door den Heer ter Gouw is dit niet opgehelderd.

Raadplegen wij echter den Rapiamus van Tresorieren over 1577 (2 Febr. 1577-2 Febr. 1578), dan blijkt dat 38 mark is vermunt van een schaal aan de stad toebehoorende en van het zilver der schutters, dat volgens Raadsbesluit van 17 Jan. het eerst moest worden aangetast. Men bepaalde zich echter gelukkig tot twaalf schalen en twee pullen van de Oude Schutterij, twee pullen, een ‘paesbort’ en een ‘misbroots-bosgen’ van de Handboogschutters en een gedekten kop van de Voetboogschutters. De Vroedschapsresolutie van 11 Jan. had dan ook (waarschijnlijk uit loffelijken afkeer van noodeloos wandalisme) bepaald, dat men in handen der gecommitteerden zoude doen brengen dát zilverwerk, 'twelk men ‘ten minsten schaden zou mogen breecken’. Zoo bleven de met zilver beslagen drinkhorens van de Schuttersgilden gespaard, welke nog steeds op 't Archief in bewaring zijn en in de laatste jaren op menige tentoonstelling de eer ophielden onzer zestiende-eeuwsche kunstnijverheid. Daarna werd het zilverwerk van de gilden aangesproken, die, zooals ons uit een aanteekening van het Groot-Kramersgild is gebleken, voor de waarde, tot 22 stuivers 't lood berekend, los-rentebrieven kregen, tegen den penning twaalf. Op diezelfde voorwaarden werden (zelfs van de preekstoelen, blijkens Vroedschapsresolutie van 20 Jan.) particulieren uitgenoodigd om hun zilverwerk in handen der gecommitteerden te stellen.

Is er aan die uitnoodiging veel gevolg gegeven? Er wordt op den Rapiamus van 1577 - Febr. 1578 verantwoord 236 mark, 9 lood, en op die van Febr. - Mei 1578 147 mark, 12 lood, dat tot dien prijs in ontvangst werd genomen, te zamen veel meer dan, naar alle waarschijnlijkheid, het zilverwerk der gilden kan gewogen hebben1. Is het overige van particulieren

[p. 239]

gekomen? of zijn de noodmunten volgens de algemeen aangenomen lezing grootendeels van 't kerkzilver geslagen? Wat tegen die overlevering zou pleiten is, dat er zilverwerk der kerken, na de hervorming, op last der regeering door Kerkmeesters aan Tresorieren is ter hand gesteld en door dezen verkocht aan een wisselaar (zekeren Françoys Bruynseels). Er is daarvan verantwoord op de Tresoriersrekening van ‘1578 na de Alteratie’: van de Oude Kerk en de Heilige Stede 767 ons wit zilver, verkocht à 43½ st. en 910 ons verguld à 48 st. en van de Nieuwe Kerk 1000 ons wit en 790½ ons verguld; te zamen meer dan 400 mark1. Dit zoude allicht aanleiding geven om te denken dat het vermunten van kerkzilver door de oude regeering slechts een praatje was, dat door de aanhangers der nieuwe verspreid was om hun eigen kerkroof te bemantelen. Maar was het bovenvermelde alles wat de kerken bezeten hebben? Of was soms, ook hier, door de oude regeering den regel gevolgd van eerst te versmelten ‘wat ten minsten schade mocht gebroken worden’, en was alzoo het zilverwerk, dat de Hervormden nog vonden, misschien alleen datgene wat meer waarde had van maakloon dan van metaal? 't Komt ons voor dat deze oplossing het waarschijnlijkste is, want de burgers zullen niet veel lust gehad hebben hun bewerkt zilver tot een spotprijs aan de Tresoriers over te doen; en dat eenig piëteitsgevoel de Roomschgezinde Regeering zou verhinderd hebben het zilverwerk der kerken aan te tasten, behoeft niet in aanmerking te komen, want de Vroedschapsresolutie van 11 Jan. bewijst dat men zich daarover had heengezet. Het zilverwerk der gilden was trouwens óók kerkelijk gereedschap, behoorende tot de eigen altaren die de gilden in de kerken hadden. Maar gelukkig behoeven wij ons niet te bepalen tot argumenten van waarschijnlijkheid, want het stelligste bewijs dat ook de Roomsch-Katholieke magistraten het kerkzilver niet onaangetast hebben gelaten, is te vinden in het stuk op 't Archief gemerkt T. 1. no. 6 (Inv. II, 188), waaruit blijkt dat de Kerkmeesters van de Heilige Stede nog van de oude magistraat te vorderen hadden van geleverd zilver ƒ 280, 10 st., 9 penn. (alzoo voor 15 mark, 15 lood).

Zoo hebben dan de beide partijen elkander niets te verwijten, en heeft de nieuwe regeering met het realiseeren der kerk-

[p. 240]

schatten slechts het werk voortgezet dat de oude was begonnen. Zoo behoeven wij dan ook niet alle waarde te ontzeggen aan die algemeen, en ook door den Heer ter Gouw, aangenomen overlevering, dat onder het versmolten zilver zich ook een St. Nicolaasbeeld zou bevonden hebben van groote waarde, hoewel die overlevering, voor zoover wij weten, door geen enkel stuk te bewijzen is en alleen berust op mondelinge mededeelingen.

Dat het beeld bestaan heeft, is zeker, want Walich Syvaerts, die in zijn ‘Roomsche Mysteriën ondeckt’ er melding van maakt, en de kosten, het zilvergewicht en 't jaartal van vervaardiging opgeeft, kon uit de beste bronnen putten om deze bijzonderheden te weten, daar hij kort voor de Reformatie Ouderling werd en in 't laatst der zestiende eeuw Kerkmeester van de Oude Kerk is geweest. Maar dat het nog door de oude regeering in 1578 versmolten is, voegt hij er niet bij. Domselaer is de oudste schrijver die dit vermeldt en wel als een mededeeling van eenige oude Amsterdammers. Uit zijn werk is het overgegaan in alle latere stadsbeschrijvingen en geschiedenissen. Wagenaar laat er zich echter niet dan zeer voorzichtig over uit. Le Long, die een schriftelijke order van de Burgemeesters na de Reformatie had gevonden, waarbij Kerkmeesters gelast werden de Ciborie en een St. Nicolaasbeeld te verkoopen, deelt die mede, doch voegt er bij (echter zonder bewijs), dat dit een ander, kleiner beeld was.

Ger. van Loon1 is de eerste schrijver die gewag maakt van zilveren kandelaars, lampen en vaten, die ook uit den kerkeschat der Nieuwe Kerk zouden zijn versmolten, en hij geeft afzonderlijke afbeeldingen van die noodmunten, welke afkomstig zijn van het zilverwerk der Oude, en van die welke geslagen zijn van dat der Nieuwe Kerk. Zijn bronnen geeft hij hiervoor niet op, maar hij heeft vele inlichtingen gehad van den grijzen Amsterdamschen verzamelaar en oudheidkenner Andries Schoemaker. Van de grootste stukken (ter waarde van 40 en van 20 stuivers) zijn, volgens v. Loon, die welke aan de eene zijde het Stadswapen en aan de andere zijde in een eikenkrans de letters P. AR. ET FO (Pro aris et focis) vertoonen van de Oude Kerk; de eenvoudiger type, die zich niet voor verdediger van haardsteê en altaren uitgeeft, maar aan de keerzijde blind is, zijn van de Nieuwe Kerk. Ook de kleinere stukken (van 10 en 5 stuivers) die allen eenzijdig zijn, hebben een herken-

[p. 241]

ningsteeken aan den parelrand, die op de munten van 't zilverwerk der Oude Kerk het wapen omgeeft en welke op die der Nieuwe Kerk ontbreekt, en aan een andere plaatsing van het jaartal en van de aanduiding der waarde. Aan deze onderscheidingen hebben de penningverzamelaars zich steeds gehouden, zoodat de zorg van den Heer ter Gouw overbodig is, dat zij zouden meenen dat al hun Amsterdamsche noodmunten van 't zilveren St. Nicolaas-beeld afkomstig zijn.

‘Op den zeven en twintigsten Januarij, werdt ook, door den Raad, beslooten, klein geld van tin te slaan; doch ik weet niet, of dit besluit ter uitvoeringe gebracht werdt’, schrijft Wagenaar. Wij durven bijna met zekerheid zeggen dat het niet tot uitvoering kwam, daar die tinnen noodmunten van Amsterdam nooit in de penning-verzamelingen voorkomen, en het toch hoogst onwaarschijnlijk is dat, terwijl zulke een menigte zilveren bewaard zijn gebleven, geen enkel exemplaar van de tinnen tot ons zou zijn gekomen. Slechts in één catalogus, zoover wij weten, komt een tinnen noodmunt van Amsterdam voor, en wel in de verzameling P. Smidt van Gelder (Ao. 1846), onder No. 960. Daar de stempel echter volkomen gelijk was aan die van de No. 3 der Nieuwe Kerk bij v. Loon, en dus dezelfde waarde-aanduiding van tien stuivers droeg, zoo is 't waarschijnlijk dat dit unicum zijn aanzijn te danken had aan eene dier praktijken die vroeger in de numismatische wereld niet zeldzaam waren, met andere woorden, dat het eenvoudig een tinnen afgietsel van een echte zilveren noodmunt was.

Wel is de Magistraat, nadat de nieuw geslagen munten pas weinige dagen in omloop waren, overgegaan tot den maatregel om hun koers te verhoogen, boven de zilverwaarde, waartoe ze oorspronkelijk waren uitgegeven. Hierdoor werden ze eerst recht noodmunten, in de eigenlijke beteekenis des woords. Die tot verhoogden koers werden uitgegeven, kregen een kleine instempeling: de letters P.G. of de afbeelding van het Bourgondische vuurstaal of van een vaas of lijkbusje; een enkele maal komt ook een doodshoofd voor. De gestempelde noodmunten zijn minder zeldzaam dan de ongestempelde.

Voor wij van de noodmunten afstappen, kunnen wij de verzoeking niet wederstaan om hier de regels over te schrijven, waarin P. le Jolle in zijn Description burlesque d'Amsterdam (1666) de overlevering van 't versmelten van 't St-Nicolaasbeeld vermeldt, vooral om de eigenaardige voorstelling van de reden

[p. 242]

die de overheid zou hebben bewogen om de versmelting te doen plaats hebben:

 
.... ‘j'ay envie
 
De vous montrer en quel endroit
 
Saint Nicolas estoit tout droit
 
Planté, tenant en main sa crosse:
 
Peste, ce fut un fait atroce
 
Qu'on fit en l'an septante et huit
 
De l'arracher sans faire bruit
 
Du beau milieu de sa boutique,
 
Pour l'employer à la fabrique
 
De certaines pièces d'argent
 
Qui montroient l'Estat indigent
 
Où pour lors se voioit la ville:
 
C'estoit estre trop incivile
 
Pour des Catoliques Romains
 
De mettre sans respect les mains
 
Sur le Saint Patron d'une Eglise;
 
Il paroit bien que leur sotise
 
Ou plûtot leur infame cas
 
Différait du fait de Michas1,
 
Qui d'un argent de filoutage
 
Fit fabriquer un bel image;
 
Car ceux-ci plusque lui filous
 
D'un grand Saint en ont fait des sous;
 
Mais quoi c'estoit faire une ruse
 
Qui mérite qu'on les excuse
 
D'avoir osté aux Hugenots
 
De quoi fondre plusieurs lingots.’

Veel historische waarde behoeft men echter aan deze laatste aardigheid niet te hechten. 't Is zeker dat de priesters bij hun verjaging gemakkelijker geld konden medenemen dan een zilveren beeld, maar geld zouden zij er van de regeering toch niet voor gekregen hebben, doch, zooals wij gezien hebben, een rentebrief. En die zou waarschijnlijk door de nieuwe regeering niet zijn gehonoreerd geworden, als deze had kunnen vermoeden dat het in ruil daarvoor verstrekte zilver stads- of kerkelijk

[p. 243]

eigendom was geweest. Toch is het niet zoo onmogelijk dat de begeerte om sommige voorschotten, door regenten en geestelijken uit eigen beurs of uit kerkelijke fondsen gedaan, nog te verrekenen, alvorens hun rijk op zijn einde liep, niet zoo vreemd was aan de dringende behoefte aan gemunt geld.

In allen gevalle hebben de noodmunten een belangrijken dienst bewezen aan de partij die ze liet slaan, doordat zij haar in de gelegenheid stelden de zaak nog eenige weken te rekken. En althans tot na Vrouwendag - de dag waarop nieuwe Burgemeesters werden verkozen - wilde men nog uitstellen, wat toch eindelijk gebeuren moest, en waartoe de zes en dertig raden, eigenlijk reeds den 26 Augustus 1577 en nu op nieuw den 20 Januari 1578, besloten hadden, t.w. om te accordeeren zoo goed mogelijk, en de afgevaardigden van de stad, die thans te Delft waren om met de Hollandsche Staten te onderhandelen, niet te doen terugkeeren dan met het gesloten traktaat.

Vrouwendag kwam en nog steeds bleef dezelfde partij aan 't bewind. In plaats van Joost Buyck, die twee jaren achtereen burgemeester was geweest en dus nu moest aftreden, kwam Jacob Gerrit Teeuwsz, die in 1577 was afgetreden, weder aan, terwijl Cornelis Claes Meewisz aanbleef. Voor de beide andere aftredende burgemeesters Vechtersz en Canter kwamen twee nieuwe namen, Hendrik Jacobsz. Bicker en Reinier Hendriksz Rooclaes, beiden in 1574 in de vroedschap en kort daarna in de schepensbank gekomen, en in 't minst niet van Prinsgezindheid verdacht. De laatstgemelde bevond zich op dit oogenblik te Delft, als afgevaardigde tot de onderhandeling, die thans werd gevoerd onder bemiddeling van de Staten van Utrecht, wien het denkbeeld van een strijd, die tusschen Holland en Amsterdam op hunne grenzen zou gevoerd worden, in 't minst niet toelachte. Nog weinige dagen uitstel (door den Heer ter Gouw, te recht of ten onrechte, toegeschreven aan het wachten op nadere tijdingen betrekkelijk den slag van Gemblours, die een oogenblik hoop gaf op spoedig ontzet), en de Satisfactie was tot stand gekomen (8 Febr.).

Satisfactie op 't punt van de religie, zooals de Pacificatie van Gent het uitdrukte, had de regeering van Amsterdam er wèl mede verkregen, want geene vrije godsdienstoefening werd op het grondgebied van de stad aan niet-Katholieken vergund; zij mochten er wonen zonder dat ze aan de ceremoniën van den Roomschen godsdienst behoefden deel te nemen, maar hunne

[p. 244]

eigene leer te verspreiden was hun verboden; zij mochten er begraven worden op eene ‘bequame ende eerlijcke plaetse binnen de muyren’, die hun ‘by advys van de Regenten gedesigneert’ zou worden, maar de begrafenis mocht van geenerlei staatsie, toespraak of godsdienstige plechtigheid vergezeld gaan - bepalingen, in theorie uitmuntend om de algemeene rust te bewaren, maar waarvan het voor ieder te voorzien was dat de handhaving in de praktijk op den duur niet was te vergen van de ballingen. En toch mochten deze volgens 't achtste artikel allen terugkeeren en hun poortersrechten op nieuw genieten.

Op wereldlijk gebied echter had de Amsterdamsche regeering alles moeten toegeven. De soldatenmacht, waarover zij zoo lang had beschikt, werd haar ontnomen; de vendels stadssoldaten werden ontbonden en de vier- à zeshonderd man, die in 't vervolg de rust zouden bewaren, zouden staan onder den eed van trouw aan den Prins en de Staten, in de soldij van laatstgemelden. Eén vendel zou komen onder bevel van een der terugkeerende ballingen, Herman Roodenburch de oude, en de kapiteins van de anderen zouden gekozen worden uit ‘goede vreetsamige ende onpartijdige Burgers’ die tot 1576 in Amsterdam gewoond hadden. De eenige soort van lijfwacht, die de burgemeesters behielden, was de stads-nachtwacht, die echter niet boven de 40 man sterk mocht zijn. Met ander garnizoen zou de stad niet belast worden, tenzij zijn Princ. Excell. dit uit ‘hooghen noot van den vyandt’ goeddacht. De hoofdzaak was, dat de drie schutterijen op den ouden voet werden hersteld en allen die vroeger daartoe hadden behoord er weder in opgenomen werden. De gemeentelijke belastingen zouden te Amsterdam van 1 Maart af op denzelfden voet geheven worden als in andere Hollandsche steden, maar 't recht van appèl op den Hoogen Raad van Mechelen bleef den burgers die zulks wenschten in civiele processen vergund. De paalkistkwestie tusschen Amsterdam en Enkhuizen werd tot later verschoven; de uitbreiding der stads-limieten en het bij voorraad uitvoeren der vonnissen van de stedelijke rechtbank bleven gehandhaafd, maar alle andere privilegiën, gedurende ‘de troublen’ door de stad verkregen, werden van nul en geener waarde verklaard.

 

Als ooit een verdrag gesloten werd, waarvan 't te voorzien was dat het niet lang stand zou houden, was het dit. Eene stad, uitsluitend door Katholieken geregeerd, zou, houw en trouw

[p. 245]

aan den Prins, in de Statenvergadering van Holland stem hebben over het nemen van de beste maatregelen tot verdediging van 't Calvinisme?! Eene stad waarin den Gereformeerden het inwonen alleronaangenaamst werd gemaakt, zou, omringd door bloeiende handelssteden waar zij volkomen godsdienstvrijheid genoten, weder tot de oude grootheid zich verheffen?!1.

Was 't wonder, dat vele burgers het beter achtten den eed niet te doen op een verdrag dat de lands- en stadsregeering elkander wel konden beloven ‘vast onverbrekelycken ende van waerden te houden ende doen onderhouden ten eeuwighen dagen’, maar waarin de burgers kwalijk iets anders dan een wapenstilstand konden zien?...

Maar voor 't oogenblik was men er mede geholpen. De stad werd van 't beleg ontslagen en de uitgewekenen konden weder vrij in Amsterdam terugkeeren.

Hoe zij zich zullen gehaast hebben! de ballingen, die meer dan tien jaar lang hadden rondgezworven. Gebrek hadden de meesten hunner niet geleden, maar het heimwee naar de geliefde stad had hen nooit verlaten. Veel hadden zij buitenslands gezien, maar nergens hadden zij Amsterdam gevonden. Schoone inrichtingen voor den handel waren hun hier en daar voorgekomen, maar nergens hun paalhuis, hun korenmetershuis, hun waag. Ruime havens vol schepen hadden zij aangetroffen, maar nooit was hun hart zoo opengegaan als in de dagen van ouds, als zij van de hooge en breede Nieuwenbrug de korenvloten van drie honderd schepen het IJ zagen opzeilen. Tooneelen van welvaart hadden zij aanschouwd, maar nergens het levendige gewoel van hun ‘Plaets’. Breede stroomen hadden zij bevaren, langs oevers aan natuurschoon rijk, maar niets had hen zoo geboeid als de Amstelgolfjes, kabbelend ‘langs de oevers laag en 't altijd groene veld’. Prachtige gebouwen hadden hun oog tot zich getrokken, maar nergens hadden ze de zonnestralen zien spelen op zóó vriendelijke stadsgezichtjes, als de net onderhouden gevels langs den Fluweelenburgwal aanboden.... daar was maar één Amsterdam!!

Naar Amsterdam dus! Maar hoe vonden zij Amsterdam terug? De stad ontvolkt, de haven zonder schepen, de Lastaadje verbrand, de pakhuizen ledig, de winkels schraal voorzien, onbe-

[p. 246]

woonde huizen, het gras op de straten, de armoede grijnzende uit iederen hoek. Maar dat zou alles anders worden, als maar eerst.... De gansche week sloven en zwoegen om de stad weder in zijn oude welvaart te brengen, om dan des Zondags God niet gemeenschappelijk te mogen danken voor Zijn hulp en te bidden om Zijn zegen, zonder vooraf de poort uit te sluipen naar deze of gene onmogelijke plek1 - daarvoor had men niet zoovele jaren geleden om het geloof!.....

Was daar dan geen Oude Kerk, nog kort geleden verbouwd van 't geld der burgers zelven en versierd met al wat rijkdom en kunst vermocht, om te prijken als een kerk zoo schoon, en een toren zoo hoog als men ergens wist aan te wijzen, een kerk waarin vroeger zelfs den Lutherschen ketters de begrafenis niet geweigerd was2? En als die parochie-kerk niet beroofd mocht worden van hare drie en dertig altaren, was er dan geen ‘Broerenkerk’, waarin Jan Arentsz en Pieter Gabriël reeds hadden gepreekt in de dagen van ‘Vive le Geus!’ En konden de Minderbroeders die kerk niet missen, was er dan niet nog een ‘Zieken-kerk’, die ver genoeg buiten de stad stond, dat het psalmgezang de monniken en nonnen in de kloosters aan de Oude Zijde niet storen zou in hun devotie...!

En de teruggekeerde balling beet zich op de lippen en balde de vuist....!

Voor 't oogenblik moest hij zich tevreden stellen met de stad terug te zien, zich weder te vestigen in het ledigstaande ouderhuis3 en met vrienden en verwanten de oude betrekkingen te hernieuwen. Wat daar onder menigen luifel van den Nieuwendijk en op menige stoep van de Warmoesstraat en aan menige werf in de Houttuinen zal zijn gekout op de voorjaarsavonden van het jaar 1578! Dan verhaalde de teruggekeerde balling van de gevaren geloopen bij zijn vlucht - van de haven der behoudenis te Emden - van de vriendelijke woorden van Willemvader - van de welvaart van Enkhuizen en Hoorn; of van de tochten der Watergeuzen - van den hongersnood in Leiden en van de zalige vreugde genoten bij 't ontzet - van 't ge-

[p. 247]

vangennemen van Bossu en van den intocht van den Prins te Brussel - van de Spaansche furie te Antwerpen.

En de geblevene vertelde van de hongersnood-prijzen van graan en erwten, van kaas en visch - en van de bankroetiersvlucht van Duck Dalf - en van de gekwetste Spaansche soldaten die in 't Minnebroersklooster gelegen hadden en gedurig ‘o Naarden! o Naarden!’ riepen - en van de groote galg die op den Dam had gestaan - en van de wagens met stroppen die hij naar Haarlem had zien rijden, nadat die stad ingenomen was - en van al de ellende die men geleden had, terwijl God de uitgewekenen in den vreemde en in de rebellensteden zoo zichtbaar had gezegend!

En men herinnerde elkander aan de Februari-dagen van 1567, toen men ‘het stadhuis zou gehad hebben, als men harts genoeg had gehad’1. En de uitgewekene vroeg aan den achtergeblevene wat het hem gebaat had dat hij het hoofd in den schoot had gelegd en zijn geweer had ingeleverd op 't Bushuis en met brandende waskaars was medegeloopen in de processies?

En den Amsterdammer, die gebleven was, gloeide de wang, en hij balde de vuist......!

Dat alles gistte en woelde in Amsterdam. En wat deed men in de regeeringskringen, om de grieven te doen vergeten en de partijen te verzoenen?

Bij de satisfactie waren gijzelaars geëischt door de Staten voor de richtige nakoming van het verdrag - in de Vroedschap kibbelde men wie er gaan zou, alsof er bezwaar kon bestaan om een paar weken gijzelaars te zijn in den Haag, als werkelijk de achterblijvende leden der regeering plan hadden het verdrag te goeder trouw na te komen!

Bij de satisfactie was overeengekomen de stadssoldaten af te danken, waaronder natuurlijk afbetaling der soldij was begrepen - de Burgemeesters hadden geen geld!

Bij de satisfactie was bepaald dat de Gereformeerden een ‘bequame en eerlijcke plaetse’ voor begraafplaats zou worden aangewezen - Burgemeesteren wilden hen afschepen met een bijna ontoegankelijken verloren hoek aan den stadswal: achter het Paulinianenklooster, tusschen de dolhuisjes en het stadswapen- of bushuis!

De satisfactie bracht mede dat Don Jan, door de Algemeene

[p. 248]

Staten tot vijand des lands verklaard en met hen in openlijken krijg, ook te Amsterdam als vijand werd beschouwd - uit Duitschland vernam men dat zijn afgezanten er geen geheim van maakten dat hij in Amsterdam nog vermogende vrienden had.

De satisfactie vorderde de wederoprichting der schutterijen - de magistraat kon het met de gemachtigden der Staten van Holland zoo min over de organisatie als over de keuze der bevelhebbers eens worden, en het herstel der schutterij was in 't laatst van Mei niet alleen nog niet tot stand gekomen, maar scheen verder verwijderd dan ooit.

De Heeren uit de Staten wilden echter niets van hunne eischen laten vallen. Zij achtten het hoog noodig dat de schutterij onder vertrouwde hoofden stond, vooral daar men vreesde voor een onderneming van Don Jan's zijde, die ditmaal uit het Noorden zou worden gewaagd. Aldegonde had in Duitschland de lucht gekregen van een plan om met Zweedsche schepen, die door Don Jan gehuurd zouden worden, de Zuiderzee op te varen, Kampen en Deventer - de eenige steden die nog aan deze zijde van den Moerdijk in zijn handen waren - te ontzetten, en misschien Amsterdam te heroveren. Dat het eene dergelijke onderneming niet aan bijval zou ontbreken van de zijde der Amsterdamsche regeering, viel bezwaarlijk te betwijfelen. Het waren toch nog altoos dezelfde mannen die zoolang hadden volgehouden de stad voor den Spaanschen Koning te bewaren, en van hartelijke medewerking met de Hollandsche Staten, was bij hen geen sprake. Was het niet te bewijzen dat zij rechtstreeks in verstandhouding stonden met Don Jan, evenmin was het waarschijnlijk dat zij de correspondentie hadden afgebroken met hun vriend en oud-ambtgenoot, de gewezen Schout Pieter Pieterszen, die zich nog altoos in 't gevolg van dien vorst bevond. Bovendien had het aanvankelijk geluk dat de krijgsbewegingen van Don Jan volgde, sinds Parma hem met versche troepen was komen steunen, zijn aanhang in de Katholieke gewesten versterkt. Zelfs in de noordelijke provinciën moest men op zijn hoede zijn, wilde men niet al de voordeelen, sinds 1575 behaald, weder verliezen. Reeds had het Hof van Friesland geweigerd het plakkaat, waarbij Don Jan tot vijand des lands werd verklaard, te laten afkondigen, en hadden de woelingen der Roomsche geestelijkheid te Utrecht de regeering dier stad tot strenge maatregelen genoopt. Overal begon men te ontwaken uit den schoonen droom van verdraagzaamheid en godsdienstvrede, die de Gentsche

[p. 249]

Pacificatie had voorgespiegeld, en in te zien dat een keuze moest worden gedaan. De burgerijen en het volk, die nu een tiental jaren de beide godsdiensten naast elkander hadden gezien, begonnen, althans in de Noord-Nederlandsche en Vlaamsche gewesten, meer en meer tot het Calvinisme over te hellen. Wel waren velen nog niet geneigd de kerkplechtigheden en leerstelsels, waarin zij waren opgevoed, te laten varen, maar anderen meenden met de hervorming van Kerk en Staat, niet op dezen te kunnen of te behoeven te wachten. Het vuur smeulde in Antwerpen en Gent; in Groningen en Leeuwarden; in Zwolle en Nijmegen; in Haarlem en Utrecht, maar vooral in Amsterdam. En in Amsterdam kwam het 't eerst tot uitbarsting.

Op Zondag 25 Mei 1578, werd (voor de vijfde maal) godsdienstoefening der Hervormden gehouden, buiten de limiet, ingevolge de bepalingen der Satisfactie. De Sint Anthoniesdijk strekte ditmaal tot predikplaats. Voorganger was Thomas van Thiel, een man die onder de hervormers van Nederland met eere mocht genoemd worden. Hij was de eenige geestelijke die het Verbond der Edelen in 1566 mede onderteekend had. Hij was toen abt van St. Bernard bij Antwerpen, waar hij een inkomen had van zestig duizend gulden. Hij had alles verlaten en was predikant geworden bij de Gereformeerden; hij was met hen naar Holland gekomen, had te Haarlem als predikant gestaan en vervulde thans die bediening te Delft.

‘Wat woorden hij’ op den dijk buiten Amsterdam op dien Zondag ‘voordroegh uit de Heylighe Schrift’, zegt Hooft, ‘en oft zyn' uitlegging tot ophitsing der gemeente strekte, heb ik niet kunnen verneemen.’ Eén ding mogen wij veronderstellen: zijn woorden kwamen uit het hart. En vele Amsterdammers, die niet bepaald tot de Gereformeerden behoorden en mogelijk nog nooit een Geuzenpreek hadden gehoord, zullen aan de lippen van den vurigen Vlaming hebben gehangen en erkend hebben dat wat hij sprak, iets anders was dan de sermoenen van Pater Duncan, van Broer Hendrick, of wie zij anders ooit hadden gehoord. Niet dat de Geuzen-predikant welsprekender of geleerder was of meer populair, maar het was als tintelde daar in zijn woorden een hooger leven, als sprak daar uit zijn blikken een krachtiger bezieling, als gloeide daar in zijn rede een alles overweldigende kracht, die bergen verzetten en de wereld overwinnen kon... dat was het geloof. Het geloof, niet in eigen goede werken of in de voorbede van heiligen, maar het geloof

[p. 250]

in den almachtigen God, die zijn kinderen niet verlaten zoude, en tot wien ze vertrouwelijker durfden bidden dan de Katholiek tot zijn beschermheilige, omdat zij het wisten dat Hij Zijn eigen Zoon voor hen, menschen, in den dood gegeven had, en met dien Zoon hun alles zou schenken. - Wij gelooven ons niet op 't gebied der fantazie te begeven, met te zeggen: door dergelijke predikatiën ging voor de Amsterdammers een licht op over de kracht die de Gereformeerden ontwikkeld hadden in den bangen strijd tegen den Spanjool, een kracht waarvan men te Amsterdam nooit had gedroomd. Nu begreep men daar waar de toekomst lag.

Wat Hooft mede niet gebleken is - of wat hij der moeite niet waardig achtte te vermelden, en wat ook bij den Heer ter Gouw ontbreekt - is, dat den vorigen dag de Gereformeerden in tegenwoordigheid van van Thiel vergaderd waren ten huize van Jan Muerlinck om de gemeente te organiseeren en ouderlingen en diakenen te kiezen. Onder de eersten staan bovenaan de namen van Adriaen Reyniersz. Cromhout, Hendrik van Marcken, Reynier Simonsz. van Neck en Reynier Kant, die ook in 1566 en 1567 aan 't hoofd hadden gestaan der Consistorialen. Hun geestverwanten en lotgenooten, Egbert Roelofsz., Guiljam du Gardyn en Thyman Meynertsz., treffen wij onder de diakenen, aan, met den gastheer Muerlinck en den korenkooper Jan Jansz. Smit, die in 1566 nog niet zoo groote rol hadden gespeeld, maar toch ook tot de ballingen behoorden, die door den Bloedraad waren ingedaagd, en met Jan Pietersz. Reael, die in 1567 de psalmen van Dathenus in 't Latijn en in 't Nederduitsch, op zijn kosten te Rouaan had laten drukken. President-diaken was Cromhouts schoonzoon Cornelis Florisz. van Teylingen, ook een der mannen van 1566-67, die later Kolonel der schutterij en Burgemeester is geweest.

Op het lijstje der Kerkeraadsleden ontbreekt de naam van den man, die anders in die dagen het erkende hoofd der Amsterdamsche Hervormden was: Mr. Willem Bardes, de zoon en naamgenoot van den Schout, die onder 't bewind van Hendrik Dirksz. voor zijn verdraagzaamheid zoo bitter had moeten boeten; een man van goeden huize en luitenant-stadhouder van 't Noorderkwartier.

Hij was reeds vóór de satisfactie als afgezant der Staten door de Amsterdamsche regeering ontvangen, ja als bemiddelaar geroepen geworden; thans was hij de aangewezen persoon om te komen als afgezant der onroomsche burgerij ten stadhuize bij

[p. 251]

den magistraat en in 't logement waar de gekommitteerden uit de Staten - van Mathenesse, van der Myle en Maelsson - vertoefden. Deze Heeren hadden, des Vrijdags, van de vroedschap het definitieve besluit ontvangen, dat men in hunne voorstellen betrekkelijk de schutterij volstrekt niet wilde treden, en zich daarna waarschijnlijk met Bardes verstaan, die van zijn kant Sonoy waarschuwde om troepen in de nabijheid gereed te houden - een voorzorg die overbodig bleek. Van de soldaten die binnen Amsterdam lagen was men zoo goed als zeker. 't Waren meerendeels dezelfde personen die vroeger als stads-soldaten hadden gediend, maar ook zij waren niet vreemd gebleven aan de wijziging die de publieke opinie te Amsterdam in den laatsten tijd had ondergaan. Bovendien waren zij thans ingenomen met de geregelde betaling die zij van de Staten van Holland ontvingen en misnoegd over de zware dienstplichten, waarvan burgemeesteren de schuld kregen. Ook stonden ze nu onder staatsgezinde bevelhebbers, die van den voorgenomen aanslag schijnen onderricht te zijn geweest en in den morgen van den gedenkwaardigen Maandag 26 Mei de voornaamste punten van de stad lieten bezetten. Bardes begaf zich nu naar 't stadhuis, met vier andere aanzienlijke teruggekomen ballingen: docter Maarten Koster, die in zijn ballingschap lijfarts van den koning van Denemarken was geweest, Adriaan Cromhout, die te Medemblik 't Burgemeesters-ambt had bekleed, Adriaan Pauw, vóór zijn verbanning Agent van Denemarken te Amsterdam, en Guiljam Du Gardyn, die den 21 Augustus 1566 den eersten Hervormden predikant de poort van Amsterdam had binnengeleid. Het vijftal ging nog een en andermaal heen en weder tusschen het stadhuis en het logement der Staten-leden. Welk ultimatum zij overbrachten is niet bekend geworden, maar eene schikking kwam niet tot stand, hoewel de burgemeesters uit de vensters van 't bekende torenkamertje, waarin zij hunne vergadering hielden, konden zien dat de Dam vol volk stond en de Hervormden gewapend waren. De burgemeesters onderwierpen zich, zoo 't schijnt, gelaten aan hun noodlot, want zij verhinderden Du Gardyn zelfs niet zich op de pui van 't stadhuis te begeven, vanwaar hij met zijn hoed het afgesproken sein gaf dat de regeering onverzettelijk bleef. Een musketschot uit een der vensters van de door de soldaten bezette Waag gaf hem als 't ware het antwoord: ‘Wij zijn gereed!’ Nu klonk de kreet: ‘Wie Oranje lief heeft volge mij’, Prinsevlaggen kwamen te voor-

[p. 252]

schijn, de burgers barricadeerden den Dam met de koopmansgoederen die bij de Waag lagen en voorzagen zich van geschut uit het stads-bushuis in de Hoogstraat. Het stadhuis werd met steenworpen aangevallen, maar weldra bleek het dat de stadhuiswacht der nachtwakers geen weêrstand bood en dat niemand de haakbussen afvuurde, waarmede de vierschaar gewapend was. De burgers stormden nu het stadhuis binnen, grepen de overheidspersonen die zij vonden, en brachten hen in bewaring op de Waag. Andere, ook oud-leden der regeering werden uit hunne woningen gehaald, waaronder Hendrik Dirksz. - die sinds hij uit den Magistraat geweerd was, de procureurspraktijk te Amsterdam waarnam1 - niet werd vergeten. En opdat niemand zich in den aard der beweging zou vergissen, leidde men ook hen daarheen, wier rijk te Amsterdam uit was, tegelijk met dat der tegenwoordige regenten: de Minderbroeders of grauwe monniken, en misschien ook eenige priesters.

Waar blijven nu de Katholieke burgers uit de Kalverstraat, die in 1567 met vliegend vaandel hun Burgemeesters te hulp kwamen! Wat doen nu de devote vrouwkens die in 1566 het Sacramentshuisje van de Heylige Stede met zoo goed gevolg tegen de beeldstormers hadden verdedigd2. Het is uit met het Katholicisme in Amsterdam. Niemand steekt een hand uit om de bedreigde priesters en monniken te helpen; om de magistraten, die alles voor het geloof hadden over gehad, te verlossen3. Wel is de Dam nog altijd afgezet, maar het is niet om het ontzet van de gevangenen op de Waag te beletten, maar integendeel om hen te beschermen tegen 't gemeen dat woedend schreeuwt: ‘Voert ze na de galg, daar ze menigeen aan geholpen hebben’.

Want zóó rustig ging het niet in zijn werk, of de smalle gemeente was uitgelaten, en ruwe varensgasten vervulden de stad, zoodat we mogen aannemen dat Bardes blijde zal geweest zijn toen zijn gevangenen heelhuids op twee schuiten4 waren

[p. 253]

ingescheept, waarvan één met geestelijke en één met wereldlijke Heeren was geladen. De schuiten boomden het Damrak uit en buiten om naar den Sint-Anthoniesdijk, waar de gevangenen aan land gezet en dadelijk in vrijheid werden gesteld. Dat ze naar de stad zouden terugkeeren behoefde hun tegenpartij niet te vreezen, want het volk was zoo opgewonden, dat het niet te verwonderen was dat een der ooggetuigen zich, volgens Bor, de woorden van Phocilides herinnerde:

 
‘Daer en is niet erghers dan d' onverstandighen hoop,
 
Het Ghemeen volck loopt een blinden loop.’

Toch werd geen andere baldadigheid gepleegd dan de verwoesting der altaren en beelden in de kerk van 't Minderbroedersklooster. (De Heer ter Gouw heeft bewezen dat Hooft overdreef toen hij schreef dat alles in 't klooster geroofd of vernield werd.) Men liet het grauw uithollen en bezette des avonds de wachten met Gereformeerden, waarschijnlijk uit de schutterij.

En wij kunnen het ons voorstellen dat de vlammen omhoog stegen van pektonnen en vreugdevuren en de lucht weêrgalmde van 't Wilhelmus en de Geuzenliederen, terwijl de teruggekeerde ballingen een zege-psalm aanhieven over Israëls verlossing van den Baälsdienst. -

Voor de leiders der beweging was het niet een der minste redenen van blijdschap, dat alles was afgeloopen, zonder dat een droppel bloeds was gestort.

 

Ziedaar het verhaal van de gebeurtenissen van dien allergewichtigsten dag, zooals het tot ons is gekomen, grootendeels door de pen van Hooft. Want de bronnen voor de geschiedenis van dit belangrijke feit vloeien niet rijk. De bladzijde bij Hooft, eenige woorden (misschien van Adriaan Pauw) bij Bor, een kort briefje van Bardes aan Sonoy, en enkele posten uit de Tresoriersrekening - ziedaar alles! Ook de Heer ter Gouw schijnt niet meer te hebben kunnen vinden. Van menig minder belangrijk voorval bezitten we uitvoerige beschrijvingen in brieven of dag-

[p. 254]

boeken van ooggetuigen; omtrent Amsterdams reformatie zijn wij minder gelukkig. En het schijnt dat zij, die er het voornaamste aandeel aan hadden, niet noodig hebben geoordeeld in rustiger dagen het verhaal er van ten papiere te brengen. Niet dat zij zich hun werk schaamden, maar zij achtten het beter het stilzwijgen te bewaren over de verandering der regeering, om geen aanleiding te geven tot discussie over de meerdere of mindere wettigheid van het bewind, dat in 1578 de teugels in handen nam, en waarvan latere magistraten de legale descendenten waren. Een zekere angstvalligheid dat politieke of godsdienstige partijen er soms wapenen uit smeden mochten, schijnt al spoedig bij de Amsterdamsche patricische familiën de geneigdheid te hebben doen ontstaan, om de herinneringen aan den eersten dag des nieuwen levens, zoo al niet in den doofpot te stoppen, dan toch ook niet als triumfen aan den nazaat over te leveren. Hooft mocht als geschiedschrijver de feiten niet verzwijgen, maar in meer dan een zijner uitdrukkingen straalt duidelijk door, dat het bedrijf zijn volle goedkeuring niet wegdroeg1.

Zeer vermeldenswaardig, vooral daar hij nog nergens gedrukt is, achten wij den post der Tresoriersrekening, waarin verscholen onder het hoofd ‘Utgheven beroerende der Steden Artillerye en munitie’, de kosten van de omwenteling op ongekunstelde wijs zijn geboekt. Hij luidt aldus:

[Aen] ‘Herman Rodenburch d'oude betaelt twee en vijftich gulden twee stuvers acht penn. over salaris, welc hy betaelde seven bosschutters voir hair dienst van twintich daghen, mit vracht twe scippers betaelt d. die vorige Regierders en graawe Monnicken utvoerden, als meer andere onghelden die hij ter saake van die Alteratie betaelde, blyckende bij zijn declaratie mit Ord. van d. burgmr̄n. Cromhout en Bairdesz in dato den XVIII Juny Ao. 78 en zijn qtie.’

‘Comt in munte Vlaems VIII £ XIII Stv. IX gr.’

Goedkooper is zeker nooit een stad van regeering gewisseld. Er komt echter nog een post bij, door Dr. Scheltema in Aemstels Oudheid, en door den Heer ter Gouw in Nacht en Morgenrood

[p. 255]

vermeld, voor bier op de Waag gebruikt, terwijl de uitgezetten daar bewaard werden.

 

Bij het omzien naar bronnen van Katholieke zijde vinden wij een verhaal van 't gebeurde in de Opkomst der Nederlandsche Beroerten, waarschijnlijk door den Haarlemschen Jezuïet Augustinus van Teylingen1. Aan dit boekske zal wel door niemand veel gezag worden toegekend, maar men mag toch niet alle waarde ontzeggen aan mededeelingen, die klaarblijkelijk een, zij het ook verwijderden, naklank zijn van de verhalen, welke door Katholieke ooggetuigen omtrent de Hervorming van Amsterdam zijn gedaan. Wij gelooven dan ook dat de Heer ter Gouw wel wat ver gaat in zijn verwijten van onnauwkeurigheid. Zoo wordt b.v. in dit boekje Roodenburch genoemd als de woordvoerder der Gereformeerden bij Burgemeesters. Uit de uitdrukking dat Bardes zich ‘ondertusschen’ verzekerde van den bijstand van Sonoy, maakt de Heer ter Gouw op, dat de schrijver van de Opkomst dit onderhoud stelt op een vroeger datum dan den 26sten. Men kan daar echter even goed uit lezen dat het wel op den 26sten was. Maar de hopman die toen, met Du Gardyn, 't laatst op 't stadhuis was en schouderophalend daar afkwam, was, zegt de Heer ter Gouw, niet Roodenburch, maar Jonckheyn. Hoe weet de Heer ter Gouw dit? Enkel uit Hooft. Maar kan Hooft zich niet in den persoon vergist hebben? De waarschijnlijkheid pleit er juist meer voor dat het Roodenburch was. De verwer Jonckheyn was toen een onbeduidend personaadje, in vergelijking van Roodenburch, die in 1566 aan 't hoofd stond van de Voetboogschutterij en voor de toenmalige regeering de onderhandelingen voerde met Brederode over diens vertrek. Roodenburch's kommando over de bezetting was een der voorwaarden geweest waarop de Staten van Holland hadden toegestemd in de Satisfactie, en wanneer een vertegenwoordiger van de stadssoldaten bij Burgemeesters noodig was, kwam hem die rol veeleer toe dan Jonckheyn. Ook bij Opmeer (blz. 305 van de Antwerpsche uitgave van 1700) komt Roodenburch voor als hoofdpersoon bij 't reformeeren van Amsterdam. Dat hij onder 't spreken meer dan eens dreigend de hand aan 't geweer sloeg, acht de Heer ter Gouw in strijd met Roodenburch's karakter. Maar

[p. 256]

uit de voorstelling die Hooft van Roodenburch geeft, bij de mededeeling van het gebeurde tijdens Leycester's verblijf te Amsterdam, blijkt veeleer het tegendeel.

Durfden wij den schrijver van de Opkomst vertrouwen, dan zou ook onze nieuwsgierigheid bevredigd zijn betrekkelijk den inhoud van den eisch die in den morgen van den 26sten aan de Burgemeesters werd gedaan, want volgens dien schrijver zou Roodenburch (wel niet schriftelijk, maar mondeling) gevraagd hebben het inruimen der kerken. Wij kunnen den Heer ter Gouw niet toegeven dat het antwoord van Burgemeesters ‘dat dit tegen de oude gewoonte en tegen den inhoud der satisfactie streed’, op dien eisch niet slaan kan. Men zal toch niet beweren dat het prediken der Gereformeerden in de stadskerken niet met de oude gewoonten streed! Over de organisatie der schutterij was het laatste woord van weêrszijden reeds gesproken, zoodat het ‘etlijke malen’ heen en weder loopen der onderhandelaars tusschen 't stadhuis en het hoofdkwartier der Hervormden in de herberg der Statenleden zich uit onderhandelingen over dat punt alléén, moeielijk laat verklaren.

Zonder dat het bepaald er in gezegd wordt, geeft het verhaal in de Opkomst der Nederl. Beroerten wel eenigszins den indruk als wenschte de schrijver te kennen te geven dat zij die de omwenteling tot stand brachten, geen burgers waren, maar matrozen van de Geuzenvloot, of als matrozen vermomde soldaten van Sonoy. Gelukkig wordt dit echter weder tegengesproken door zijn bericht1 dat het een burger was, de Procureur Pieter Claasz Boer, die het eerst aanving met steenen naar 't stadhuis te werpen. Ook achten wij de bijzonderheid niet onaardig, die hij mededeelt, dat de geestelijken naar de schuit geleid werden, onder de galg door. Onmogelijk is het niet; wij hebben toch gezien dat de galg op den Dam in 1573 weder werd opgericht, en wel nabij de sluis.

Ook omtrent het aantal en de namen der uitgezette personen verkeeren wij in 't onzekere, als wij niet het lijstje aannemen uit de Opkomst der Nederl. Beroerten, waaruit wij ook weten dat de Geuzen menschelijk genoeg waren om enkele Heeren (van elders blijkt ook een paar monniken) om hoogen leeftijd of lichaamszwakte thuis te laten. De Heer ter Gouw neemt deze bijzonderheid aan, ja hij deelt zelfs mede dat de pastoors van

[p. 257]

de Oude en de Nieuwe Kerk tegelijk met de Minderbroeders in de schuiten zijn weggebracht, waarvoor, als 't waar is1, juist geen andere bron is dan de Opkomst, maar hij betwist de autoriteit van den schrijver van de Opkomst juist op een punt waar deze de onwaarschijnlijkheid volstrekt niet tegen zich heeft. De Heer ter Gouw wil namelijk niet toegeven dat Brouwer en Marcus óók zijn uitgeleid, daar deze tresoriers waren en met de nieuwe tresoriers hebben afgerekend.

Het argument dunkt ons nog al zonderling; de uitzetting toch was meer een symbolische handeling dan een verbanning, en dat Brouwer en Marcus den 26sten Mei werden weggebracht naar een plek die hoogstens een uur gaans van Amsterdam verwijderd was, sluit toch niet in, dat zij een paar dagen later niet in Amsterdam konden zijn, om aan hunne opvolgers de kas over te geven; verondersteld dat dit gebeurd is, wat uit den rekeningpost in Aemstels Oudheid, dien de Heer ter Gouw ten bewijze daarvan aanhaalt, volstrekt niet blijkt. Deze toch heeft niet op de overgave der kas, maar op de afsluiting der rekening betrekking, en het is ons zelfs onbegrijpelijk, hoe iemand als de Heer ter Gouw, indien hij dien sluitpost niet in Aemstels Oudheid, maar in de Tresoriersrekening zelve heeft nageslagen, bij mogelijkheid kon veronderstellen, dat die den 29sten of 30sten Mei 1578 zou zijn geboekt.

Uit andere posten in die rekening blijkt dat hetgeen de nieuwe regenten op de Tresorie vonden in gereed geld en in ‘restanten uit het memoriael’, volgens inventarisatie geen vijftien duizend pond was, maar slechts ƒ 7547.19 st., en dit werd hun ter hand gesteld, niet door, maar ‘in den name ende van wegen de Tresorieren vóór de alteratie’; zoodat wij zeer twijfelen aan dat persoonlijk overgeven der kas, zooals de Heer ter Gouw het zich voorstelt. Vooral daar men dan wel tegelijk rekening en verantwoording zou hebben gevraagd en dan niet noodig zou gehad hebben om in Dec. 1578 en Jan. 1579 boden te zenden naar Calcar en tot tweemalen toe naar Amersfoort, om Cornelis Jacz. Brouwer, die naar eerstgemelde plaats de wijk genomen had, en Jan Dirckz.

[p. 258]

Marcus, die zich in laatstgenoemde stad ophield, te insinueeren ‘dat sy souden comen om te liquideren haeren reeckeningen’1.

Maar het liep tot December 1579, eer de liquidatie over 1577 eindelijk tusschen Marcus en de nieuwe tresorieren werd afgesloten (blijkens de akte vermeld in de Inventaris van 't Archief, Dl. I, 265), bij welke gelegenheid ook wel de rekening van ‘1578 vóór de alteratie’ zal zijn afgesloten. Althans zoo goed en zoo kwaad als het ging, want de oude Tresorieren verklaarden dat, daar ze hun boeken en papieren sedert den 26sten Mei nooit meer hadden gezien, zij ook niet konden oplossen hoe het kwam dat de uitgaven de ontvangsten met een zeer aanzienlijke som overtroffen. Zóó staat geboekt na den laatsten post van ontvangst op den Rapiamus van 1577 en het is dus niet te verwonderen dat men het voor 1577 en 1578 maar bij dien Rapiamus gelaten heeft en geen nette Tresoriers-rekening heeft opgemaakt2, terwijl de rekening van ‘1578 vóór de alteratie’ sluitende werd gemaakt met die van ‘na de alteratie’ met den door den Heer ter Gouw vermelden post, waarvan 't bedrag is £ Vl. 15019. - .9.12.

 

In den eersten roes der vreugde schijnt men er zelfs niet aan gedacht, of er althans geen bezwaar in gezien te hebben, dat de stad thans zonder eenig bestuur was3, maar den volgenden dag hebben, ‘om alle verdere inconvenienten te verhoeden, der Gemeente de wapenen uyt de hand te gecrygen, deze goede Stad, den burgers ende Inwoonders van dien, in volle ende vaste verseeckeringe, ruste ende vreden te stellen, twelck sonder regieringe ende administratie van Justitie niet en mach geschieden’ - ‘de drie Schutterien deser stede, representerende het

[p. 259]

Corpus ende ryckdom derselve stad, raedsaem ende nodich bevonden, uyt den haren te kiesen sessendertich treffelycke, notable ende vredelycke mannen, d'welcke uyten name van haer, ende van wegen de gansche gemeente.... revoceerende den eed daermede sy aen de voors. magistraten ende Regierders waren verbonden, ende denselven Regierders ende Magistraet wederomme ende réciproche van haren eed ontslaende.... sullen eligeren sessendertich mannen, ende onder denselven vier Burgemeesters.... omme als Raden ende Burgemeesters voor dit lopende Jaer... te regeren.’

In dezer voege werd officieel de akte geregistreerd, waarbij de drie schutterijen zich zelven de keuze opdroegen van nieuwe regenten.

Wij hebben boven reeds met een enkel woord gewezen op de plaats die de oude schuttersgilden bekleedden in de politieke organisatie der Nederlandsche steden in de zestiende eeuw, en wij gelooven dat ieder zal toestemmen dat in dien tijd geen andere, zeker geen betere vertegenwoordiging van de burgerij was te denken1. De verantwoordelijkheid voor 't gebeurde namen de schutterijen overigens niet op zich; 't was een fait accompli en ‘alsdoen geensins te voorcommen’, zooals de akte zegt.

't Was dan ook misschien overbodig veel over de kwestie te redeneeren. Voor elk individu, zelfs voor den meest nauwgezetten op 't punt van onderwerping aan de wetten van Staat en Overheid, kan zich het moment voordoen waarop deze wetten in die mate in conflict komen met zijn overtuiging, zijn grondbeginselen, zijn geweten, dat heimelijk of openlijk verzet hem heilige plicht wordt, hetzij hij dat onder leuzen als: ‘Men moet God meer gehoorzaam zijn dan de menschen’, of: ‘Salus populo suprema lex est’, zich zelven bekent, hetzij hij het bemantelt door allerlei redeneeringen, die de wettigheid van zijn verzet en de onwettigheid der eischen van 't gezag aantoonen. Men zal deze stelling mogelijk revolutionair noemen, het is daarom niet minder een feit, dat de geschiedenis van alle eeuwen haar bevestigt. En wiens zedelijk gevoel zoude ook niet in opstand komen tegen de poging om het, onder alle omstandigheden, welke

[p. 260]

ook, te binden aan onderwerping aan een bestaand regeerings-stelsel. Vooral wanneer dit stelsel zoodanig is ingericht, dat het geen vervorming binnen de grenzen van zijn eigene wetten toelaat, en daardoor gevaar loopt van in 't verloop der tijden van een weldaad tot een plaag te worden. Want wie stemt het niet den grooten Duitschen dichter toe dat wat eenmaal eene wijze staatswet was, door de veranderde omstandigheden eene onzinnige tirannie kan worden en dat dezelfde wetten, verschillende menschengeslachten beheerschende, ten slotte voor hen als in eene erfelijke slepende kwaal veranderen.

 

Wat de Staten van Holland en den Stadhouder betreft, geen van beiden hebben eenige aanmerking gemaakt op de wijze waarop de nieuwe stadsregeering was tot stand gekomen; maar ook evenmin schijnen zij de officieele goedkeuring verleend te hebben, die hun gevraagd werd door eene deputatie uit de Vroedschap en de Schutterijen, welke den Prins in Juni antwoord kwam brengen op zijne vragen om inlichting over het gebeurde - vragen die hij tot de Amsterdamsche regeering had gericht, naar aanleiding van een klaagschrift door de verjaagde regenten bij hem ingeleverd. Het ontslaan van de oude regeering van haren eed was echter geschied ten overstaan van de gemachtigden van de Staten, zoodat de burgerij tegenover de landsregeering verantwoord was.

De lijstjes der gekozenen uit de drie schutterijen geven niet aan dat er eenig verschil in richting tusschen die drie corporaties onderling bestond. Op elk der lijstjes komt een der Zaterdags gekozen ouderlingen voor, en een paar der voornaamste ballingen van 1567.

Toen de zes en dertig gekommitteerden uit de schutterij tot de keuze der nieuwe raadsleden zouden overgaan, bleek het dat drie hunner waren afwezig gebleven. Van één daarvan, Cornelis Barendsz in de Romeny-boot, die ook lid der oude regeering was geweest, en tot lid der nieuwe gekozen werd, is 't, door de niet-aanvaarding van laatstgenoemd ambt, meer dan waarschijnlijk, dat hij met het werk niet te maken wilde hebben. Zooveel te meer pleit de keus, door de schutters op hem gevestigd, voor hunne gematigdheid. Een ander gekozene, Gerrit Schaep, is ook wel ‘niet gecompareerd’, maar heeft later toch het ambt van Raad aangenomen. Mr. Cornelis Barendsz vond alzoo geen medestanders.

[p. 261]

Des Woensdags vergaderden de ‘gequalificeerden’ op de raadkamer ten stadhuize, en benoemden Bardesz. Koster en Cromhout tot Burgemeesters, benevens Dirk Jansz de Graeff, een der aanzienlijkste consistorialen van 1566 en stamvader van het in de zeventiende eeuw zoo beroemde burgemeesterlijke geslacht. Tevens kozen zij zes en dertig mannen, waaronder een negental der hunnen, tot Raden of Vroedschappen. Van zestien daaronder is het, door hunne hoedanigheid van oud-balling of van nieuw-gekozen ouderling, bewezen dat ze tot de geprononceerde Hervormden behoorden. Onder de twintig anderen zijn er vier die deel uitgemaakt hadden van de oude regeering, namelijk: de gemelde Romeny-boot, de grijze van der Horst, die om zijn hoogen leeftijd verzocht verschoond te blijven; voorts Cornelis Willemsz van Rieck en Evert Corssen Sorgh in 't Marsje, welke beide laatsten zich aan de nieuwe orde van zaken aansloten. Nog vinden wij op de lijst der gekozenen Jacob van Campen. Indien dit dezelfde is die kort na de omwenteling de stad is uitgewezen1, was dit ook zeker geen aanhanger der Hervormden.

De nieuwe Vroedschap maakte zoo spoedig mogelijk eene nominatie van achttien personen, waaruit het Hof van Holland negen Schepenen koos2. Ook in dit kollege komen weder de namen van Cornelis Romeny-boot en van den oud-Schepen Cornelis Willemsz van Rieck voor, naast die van Adriaan Pauw en van de Gereformeerde ouderlingen Fuyck en van Delft.

Het ensemble van 't personeel der nieuwe regeering liet dus weinig te wenschen over. Aan den eenen kant was het Gereformeerde element er genoeg in vertegenwoordigd om geen twijfel over te laten omtrent den oorsprong en aard der verandering; aan de andere zijde was men gewaarborgd tegen het verwijt van al te exclusieve overheersching van ééne richting, door het kiezen van mannen, die zoolang mogelijk de oude regeering geëerbiedigd, of er zelfs deel van uitgemaakt hadden.

Geen enkel oogenblik - ook dit komt in aanmerking - gaf

[p. 262]

de nieuwe regeering blijk van voor hare taak niet berekend te zijn. Amsterdam heeft zijn rang onder de steden van Holland aanstonds met waardigheid ingenomen en bewaard. 't Was hier niet als met eene opgeworpen bewind van ruwe volkstribunen of van behendige vleiers van 't gepeupel - de Hervormde Patriciërs namen hunne plaats in als eene hun wettig toekomende, waarvan ze verdreven waren geweest, maar waartoe ze eervol waren teruggeroepen.

Het verdrag van Satisfactie van 8 Febr. bleef nog eenigen tijd een twistappel, daar, vooral in belastingkwestiën met de Staten van Holland, de nieuwe Amsterdamsche regeering, als het in haar kraam te pas kwam, zich nog wel eens beriep op de Satisfactie, al had zij zelve het belangrijkste artikel daarvan buiten werking gesteld. Eerst den 20sten Dec. 1581 is deze zaak geregeld en het Satisfactie-akkoord door een nieuw verdrag tusschen Holland en Amsterdam vervangen.

Van eigenlijk gezegde wraakoefening op de leden en aanhangers der oude regeering is geen sprake geweest. Wel moesten natuurlijk sommigen daarvan nu op hunne beurt buiten hunne vaderstad rondzwerven, maar dit schijnt meer uit eigen beweging te zijn geweest, dan ingevolge vonnissen van verbanning. De schrijver van de Opkomst der Ned. Beroerten deelt mede dat Bouwen Leep-oog, de gehate kapitein van de nachtwacht, Jacob van Campen, Wiggert Ellerts, Marcus Pompejus Occo, en eenige andere personen van minder aanzien een briefje thuis kregen, waarin hun gelast werd de stad te verlaten. Doch wij hebben hier nergens eenige bevestiging van gevonden. Wel deelt Wagenaar een vijftigtal namen mede van vluchtelingen die door de stedelijke regeering zijn ingedaagd, waaronder Wouter Burchmans, de hopman der stadssoldaten aan de Oude Zijde, zijn vendrig IJsbrand Hollesloot, Pieter Opmeer de Jonge, Augustijn van Teylingen (de vader van den vermoedelijken schrijver der Opkomst?) enz.

Dat ook eenige stedelijke ambtenaren werden vervangen, lag in den aard der zaak. Hieronder waren de rectoren der stadsscholen, Simon Sonnius en Pieter Aphert; doch deze kregen nog een extra toelage voor de kosten hunner verhuizing. In hunne plaats kwamen Sybrand Augustinus en Pieter van Meerhout.

 

Maar hoe ging het met de religie? Het antwoord dat de feiten op deze vraag geven is kortelijk dit: het gros der burgerij en

[p. 263]

der nieuw gekozen regeering hebben zich ruiterlijk en beslist aangesloten bij de Hervorming, maar zij namen daarbij tegenover andersdenkenden zooveel welwillendheid in acht als de omstandigheden maar gedoogden.

Het was natuurlijk dat het eerste artikel van de Satisfactie onmiddellijk als vervallen werd beschouwd. Van een uitsluitend handhaven van den Roomsch-Katholieken godsdienst was uit den aard der zaak geen sprake meer. En niet alleen dit, maar even als in de andere Hollandsche steden werd ook te Amsterdam de Gereformeerde religie godsdienst van staat. Onder de nieuwe regeeringsleden schijnt er niemand geweest te zijn, die goed oordeelde in de uiterlijke gemeenschap der Roomsche kerk te blijven, en even als elders in Holland werden voortaan alleen Gereformeerden tot leden der regeering gekozen.

Geschiedschrijvers van Ultramontaansche richting beweren dat er geen reden bestaat voor de Nederlanders, als geheel genomen, om zich te verblijden over deze omwenteling, die in de meeste Hollandsche steden in 1572, in Amsterdam in 1578 plaats had, want, zeggen zij, het was de zegepraal van eene kleine, maar stoutmoedige minderheid. Laat ons voor 't oogenblik toegeven dat de Gereformeerden de minderheid hadden, dan nog kwam het landsbewind aan hen toe en was het een zegen voor Nederland dat zij het aanvaardden en behielden. Eene regeering toch waarin Katholieken en Gereformeerden naast elkander zaten was in dien tijd ondenkbaar. Het is een schoone droom van tolerantie, om, niettegenstaande verschil van godsdienstige zienswijze, met elkander samen te werken tot een zelfde doel. Maar of dit uitvoerbaar is, wanneer dat doel iets anders is dan het bevorderen van eenig speciaal belang op wetenschappelijk, sociaal of artistiek gebied, valt te betwijfelen. Zoodra regeeringsbeginselen ter sprake komen, zullen de meeningen, wenschen en bedoelingen van ieder staatsman of regent altoos worden bepaald door zijn wereldbeschouwing. Zoo meende men althans tijdens de Nederlandsche republiek, en ontzegde daarom den belijders van andere godsdiensten dan de Hervormde de bevoegdheid om den Staat te helpen besturen. De negentiende eeuw volgt een anderen weg, maar of zij dien zal bewandelen tot haar laatste jaar, staat nog te bezien. De praktijk heeft althans reeds geleerd dat in sommige staten en steden ieder overtuigd Katholiek of orthodoxe protestant, en in andere, ieder die zich niet aan de leiding der geestelijkheid overgeeft, stelselmatig buiten het bewind wordt gehouden, of, zoo hij er uit

[p. 264]

achting voor zijn persoon in wordt geduld, van allen invloed daarop beroofd. In 1877 zoude een dr. Maarten Koster evenmin deel uitmaken van de regeering van Amsterdam als in 1577 en in 1879 zoude er voor Joost Buyck niet meer kans bestaan, in zijn vaderstad aan 't bewind te komen, dan in 1579. Dit is als eene natuurwet; men moet er zich aan onderwerpen. Maar al ligt het uitsluitend heerschen van een godsdienstige partij als burgerlijke overheid in de natuur der dingen, dit sluit het recht nog niet in om over de gewetens te heerschen, en alle onderdanen te dwingen diezelfde godsdienstige overtuiging aan te kleven. En het was om die reden dat de Gereformeerde richting in de zestiende eeuw, al was ze zelfs in de minderheid geweest, het bewind in handen kon en mocht nemen, want zij wilde en konde, wat de andere partij had getoond niet te willen of niet te kunnen, namelijk: vrijheid van godsdienst toestaan1. Dat onder die vrijheid van godsdienst niet behoeft verstaan te worden dat de Gereformeerden zich zouden onthouden hebben of zouden hebben moeten onthouden van pogingen om het nog Katholiek gebleven deel der bevolking tot hunne overtuiging over te halen, spreekt van zelf; welk mensch van werkelijk gevestigde overtuiging kan het onverschillig zijn, of zijn vrienden en landgenooten die overtuiging al dan niet deelen. De juiste grens tot hoeverre eene heerschende partij mag gaan om anderen te nopen tot het deelen van wat zij, te goeder trouw, haar beter inzicht in de zaak noemt, is moeielijk te bepalen. Na drie honderd jaren zijn wij het daar nog niet over eens, en waar vele leden der heerschende partij meenen dat zij nog veel te weinig doet, hebben vele leden der minderheid reeds gemoedsbezwaren, dat zij al veel te veel doet. In de zestiende en zeventiende eeuw zal de Protestantsche regeerende partij misschien ook wel eens buiten de juiste grens zijn gegaan (hoeveel verontschuldiging het staatsbelang ook inbracht, zoolang men met eene Katholieke mogendheid in oorlog was). Maar zóóverre als de partij die zich aan de Katholieke kerk hield, kon eene Protestantsche regeering uit den aard der zaak die grens niet overschrijden.

Zooveel is zeker, dat de Magistraten die in Mei 1578 te Amsterdam optraden de terzijdestelling van de Roomsche kerkleer en

[p. 265]

de afschaffing der Roomsche kerkgebruiken beschouwden als een volbracht feit, niet slechts wat hunne eigene personen, maar ook wat het volk betrof; want in de kerken werd de Roomsche godsdienstoefening gestaakt, en men stelde ze, althans de Oude Kerk, onmiddellijk ter beschikking der Gereformeerden. Indien de oude regeering minder hardnekkig aan haar stelsel van niets toe te geven had vastgehouden, zij zoude waarschijnlijk in 1577 bij akkoord van Satisfactie, even als te Haarlem, met het afstaan van ééne kerk aan de Hervormden hebben kunnen volstaan, of ten minste een der kerken, misschien wel de voornaamste, voor de Katholieken hebben kunnen bewaren. Door te veel te willen behouden, verloor zij alles. Tegen 't einde der omwentelingsweek, zoo lezen wij, liet de nieuwe regeering de altaren en beelden uit de Oude Kerk wegnemen en werd deze voor de Gereformeerde godsdienstoefeningen in gebruik genomen.

Den 29sten Mei predikten de Gereformeerden reeds in dit kerkgebouw, en drie dagen later in de Kapel der Heilige Stede. Doch dit laatste was waarschijnlijk slechts eene manifestatie, want de godsdienstoefening werd in dat gebouw vooreerst niet herhaald. Ook de kapellen van St. Olof, van St. Pieter, van onze Lieve Vrouw en van St. Jakob werden gesloten. De beide laatsten zijn later afgebroken; de St. Pieterskapel werd tot vleeschhal verbouwd; de Olofskapel en die der Heilige Stede zijn onder den naam van Oudezijds en Nieuwezijds Kapel tot protestantsche kerken ingericht. De kloosters1 werden, nadat men de monniken en nonnen had laten uitsterven, tot instellingen van algemeen nut of liefdadigheid, of wel tot burgerwoningen verbouwd.

Dit geschiedde ingevolge overeenkomsten in der minne met de kloosterlingen, die hunne goederen en inkomsten afstonden aan de verschillende liefdadigheidsgestichten, onder voorwaarde van levenslang onderhoud voor hunne personen, waaraan gaarne werd voldaan. Volgens de vroedschapsresolutie van 20 Juni 1578 hebben sommige kloosters zelf om zoodanige regeling verzocht.

De nog voorhanden zijnde kerksieraden en gereedschappen werden, zooals wij reeds zagen, te gelde gemaakt. De opbrengst werd deels aan de nieuwe inrichting en de reparatie der kerken besteed, deels gereserveerd ten behoeve der schul-

[p. 266]

den en renten die op de kerken rustten. Het overige schijnt aan de stadskas ten bate te zijn gekomen1. De eigendommen der Heilige stede en het gebouw zelf, zoo lang het nog niet als kerk werd gebruikt, werden aan 't Burgerweeshuis afgestaan, dat ook ƒ 2000 kreeg uit de opbrengst van het zilverwerk der Nieuwe Kerk, tot welks verkoop eerst den 3den October werd besloten. ‘De renten van de reste’ zoude even als de inkomsten der vicarijen en de opbrengst van den verkoop van de gebouwen van 't Minderbroeders-klooster2 aangewend worden tot onderhoud der predikanten, want de eischen der Staten van Holland betrekkelijk de eigendommen van kerken en kloosters werden door de Amsterdammers ronduit afgeslagen3.

In Juli werden voor 't eerst vier vaste predikanten bij de Gereformeerde Gemeente beroepen; één daarvan nam het beroep niet aan; twee anderen konden geen ontslag bekomen van de Noord-Hollandsche dorpsgemeenten die ze bedienden; de vierde, Cuchlinus, een Duitscher die vroeger in de Paltz en in Emden predikant was geweest, werd, met den in Augustus, ook uit Emden, beroepen Hardenberg, den 31 Augustus in den dienst bevestigd, door niemand anders dan Petrus Dathenus die ‘bij leening’ in 1578 ook te Amsterdam den predikdienst heeft waargenomen. Op dienzelfden 31en Augustus werd voor het eerst Avondmaal gehouden.

Al of niet daarmede in verband (dit durven wij niet beslissen) volgde weinige dagen daarna (2 Sept.) een oploop en een beeldenstorm in de Nieuwe Kerk en de kloosterkerken, waaraan zich ook de schutters en de soldaten schuldig maakten die door Burgemeesters ter bescherming der kloosters waren gekommandeerd. Men kan uit dit feit eenigszins opmaken wat men te denken heeft van de beweringen aangaande ‘Katholieke bevolkingen, die door een nieuwgezinde minderheid werden onderdrukt.’ Indien eenige opgewonden ijveraars, ondanks het uitdrukkelijk verbod van Burgemeesters, dergelijke

[p. 267]

gewelddadigheden durfden plegen, moeten zij wel zeker zijn geweest dat de groote meerderheid hunner medeburgers allen eerbied voor de Lieve Vrouwen- en heiligen-beelden verloren had.

De Heer ter Gouw, die zijn werk besluit met den ‘langnagewensten’ vrede-maaltijd der drie schutterijen, die in den zomer van 1578 gehouden werd, zou zeker velen aan zich verplicht hebben indien hij niet een zoo bevreemdend stilzwijgen had bewaard over de bijzonderheden van de Kerkelijke hervorming van Amsterdam. Misschien zou hij dan het, ook ons duistere punt hebben trachten op te helderen, waarom in September in de Nieuwe Kerk een beeldenstorm kon plaats hebben, wanneer daarin reeds gepreekt was, ‘weenigh daaghen’ zooals Hooft zegt, nadat dit in de Oude Kerk was geschied. Is er mogelijk gepredikt zonder dat de beelden waren weggenomen, totdat dit het volk begon te ergeren en dit zelve deed wat de magistraat tot nog toe had nagelaten? Of is 't waarschijnlijker dat wij de uitdrukking van Hooft niet al te letterlijk hebben op te nemen en door die ‘weenigh daaghen’ ook drie maanden mogen verstaan, gedurende welke de Nieuwe Kerk gesloten bleef, totdat zij door de Gereformeerden met geweld werd ingenomen? En zoo ja, wat was de reden van dat gesloten blijven? Heeft de regeering soms eerst nog een achterdeur willen openhouden voor 't geval dat men omtrent eene verdeeling der kerken soms nog tot een vergelijk kon komen met die van de oude religie? Of was de reden eenvoudig dat er in den zomer toch nog geen predikanten genoeg waren om twee kerken te bedienen? 't Laatste komt ons wel het aannemelijkst voor1.

Hoe het zij, de Katholieke eeredienst is sinds den 26sten Mei 1578 in geen der beide parochiekerken meer toegelaten; de nieuwe regeering heeft zich dadelijk de beschikking over de kerkgebouwen onvoorwaardelijk toegeëigend.

Men heeft er de mannen van 1578 een grief van gemaakt

[p. 268]

dat zij de kerken aan de Roomsch-Katholieken ontnamen. Dit is in de hoogste mate onbillijk. Onbillijk, zelfs in de termen waarin de beschuldiging vervat is. Van ontnemen toch aan eene godsdienstige gezindte en toekennen aan eene andere als zelf bewuste daad, kan geen sprake zijn op het standpunt der hervormden van de zestiende eeuw. Het doel was ook niet een nieuw godsdienstig genootschap te stichten, naast het bestaande1, maar het was terugkeer naar het oude, zuivering, hervorming, herstel. Verbannen moest al wat ingevoerd was in den loop der eeuwen. En die kerken, door en op de kosten der burgerij gesticht ter eere Gods, men beschouwde ze als het onvervreemdbaar eigendom van de burgerij2 onder verplichting ze ter eere Gods te gebruiken en niet te laten exploiteeren door eene, in de oogen der 16e eeuwsche hervormers, slechts op eigen voordeel bedachte priesterschap. Men erkende dat er nog enkele eenvoudige zielen waren die te goeder trouw den Mariadienst en de heiligen-vereering, de oorbiecht, en al de zeven sacramenten onmisbaar rekenden voor hunne zaligheid en had er niet op tegen om die dwalenden te vergunnen, zoolang men ze niet overtuigen kon, hunne wijze van godsvereering voort te zetten, maar het kwam bij niemand op, om ten hunnen behoeve in de stadskerkgebouwen langer de misbruiken te dulden ‘in Godes kerck allengskens ingebracht.’

De Roomschen, die te Amsterdam nog overgebleven waren, moesten dus hunne godsdienstoefeningen zonder uiterlijke praal houden in huiskerken. Een der verbannen of gevluchte pastoors, Willem van Uitgeest, keerde spoedig terug en bediende de mis in eene brouwerij op den Oudezijds Voorburgwal bij de Heintjehoekssteeg (thans nog de Roomsch-Katholieke St. Nicolaaskerk), tot hij in 1580 op Lichtmis door de Schouten-dienaars werd gegrepen en op nieuw de stad werd uitgezet. Het was in het tijdperk toen Rennenbergs afval een wantrouwen had doen opvatten tegen alle Roomschgezinden, dat zelfs aanleiding gaf tot de keur van 20 April 1580, waarbij hun het prediken, trouwen en doopen werd verboden. Hieraan werd echter de hand niet

[p. 269]

gehouden. Een ander Amsterdamsch priester, Nicolaas Elant, zette het werk van Uitgeest voort en hield binnen de muren van Amsterdam eene kleine gemeente van Roomschgezinden bijeen, die de kern werd, waarbij in den loop der volgende eeuw eene menigte Katholieken zich aansloot, die van andere plaatsen zich af en toe te Amsterdam kwamen nederzetten. Zij werd spoedig versterkt door proselieten, zooals Vondel en anderen, wier ouders overtuigde Protestanten waren geweest, maar in wier bloedverwantschap het Katholicisme niet was uitgestorven, en in wier gemoed ijverige en veelszins achtenswaardige paters, zooals Laurentius en Stalpaert v.d. Wiele, Cracht en Marius, licht een aanknoopingspunt vonden.

En zoo gaf dan juist het tijdelijk welzijn van Amsterdam, dat, zooals wel niemand zal tegenspreken, in hooge mate door de omwenteling van 1578 is bevorderd, aanleiding dat thans na 300 jaren, Amsterdam een grooter aantal Katholieke kerken en een grooter aantal ijverige pausgezinden telt dan vele Nederlandsche steden die in 1578 met Amsterdam in bevolking gelijkstonden en waarin het Katholicisme met geweld is gehandhaafd, b.v. Valençiennes, Doornik of Yperen. Eene godsdienstige gezindheid, door den dwang van 't wereldlijk gezag in stand gehouden, is eene ongelukkige broeikasplant, en voor de Katholieke Kerk in Nederland is de ontworsteling aan het Spaansche juk op den duur evinmin eene oorzaak van achteruitgang geweest, als het verlies van de hoedanigheid van Staatskerk het in 1798 voor de Hervormde kerk was.

Uit dit oogpunt beschouwd zoude men misschien, zonder juist ‘een dwingeland of een krankzinnige’1 te zijn, mogen beweren dat in Mei 1878 de Roomschgezinde Amsterdammers het jubilé van de bevrijding hunner stad uit de boeien van den gewetensdwang met even gerust geweten kunnen vieren als hunne Gereformeerde stadgenooten.

Wanneer zij echter te goeder trouw meenen, dat het voor Amsterdam beter ware geweest als het, zij het ook met opoffering der tijdelijke welvaart, voor altijd eene stad gebleven was waarin niemand geduld werd wiens godsdienstige overtuiging met die der Roomsch-Katholieke priesters verschilde, dan willen wij hun gevoelen eerbiedigen, in de hoop zij van hunne

[p. 270]

zijde den juichtoon niet euvel zullen duiden die er bij het derde eeuwfeest onwillekeurig oprijst uit het hart, niet slechts der Gereformeerden, maar ook der aanhangers van andere gezindten. Immers ook de Lutherschen en Doopsgezinden, al kunnen zij den bloei hunner Amsterdamsche gemeenten eerst van de zeventiende eeuw af rekenen, dagteekenen haar bestaan toch reeds uit de zestiende.

Want het toevertrouwen van de regeering aan belijders van andere godsdienstgezindten dan de Hervormde, mocht ondienstig worden geoordeeld en het dulden van de openbaarheid hunner godsdienstoefeningen mocht een oogenblik een vraag van overweging geweest zijn voor de mannen van 1578 - over de gewetens te heerschen begeerde niemand hunner. Trouw zijn ze gebleven, zij en hunne opvolgers, aan - en zegen hebben ze gehad op het regeeringsstelsel dat den 26sten Mei 1578 werd ingevoerd, en dat nooit schooner in zijn beginselen en in zijn gevolgen is geteekend dan in de regels van den onsterfelijken Vondel:

 
‘God, God, zeît d'Amsterheer, zal elx geweten peilen;
 
De vrijdom ga zijn gang, en vliegh met volle zeilen
 
Den IJstroom uit en in; zoo wort ons vest gebout:
 
Zoo tast den koopman tot den elleboogh in 't gout.’

D.C. Meijer Jr.