De Gids. Jaargang 43


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1879


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Vondels woning.

Nog slechts weinige maanden en het zal twee eeuwen geleden zijn, dat zich daar van die eenvoudige huizinge op den Singel, schuins tegenover de Warmoesgracht, een stille lijkstoet bewoog, en den weg koos, die naar de Nieuwe kerk leidde.

Een veertien-tal vrienden, op begeerte van den overledene tot dezen laatsten liefdedienst uitgenoodigd, allen beoefenaars van de dichtkunst, al waren zij geen dichters van den eersten rang, droegen, gelijk de gildebroeders hunne dooden, een groot man ter laatste rustplaats. Het achtbaar hoofd, dat nog slechts enkele oogenblikken te voren door de achtergebleven betrekkingen voor de laatste maal met eerbiedig liefdevolle blikken was gadegeslagen, had heugenis van 92 jaren. Al sierde een krans van zilveren lokken den krachtig gebouwden schedel, het brein had tot voor weinige jaren zijne jeugdige frischheid bewaard, het vuur, dat er in gloeide, was pas sedert kort verdoofd, het bijtende vernuft had den grijzen dichter nooit geheel begeven. Al gingen er jaren van miskenning beurtelings met jaren van waardeering, jaren van huiselijk leed na jaren huiselijk lief, maatschappelijke welvaart of geldelijken achteruitgang voor dien grooten geest voorbij, hij scheen den storm der tijden te kunnen trotseeren, den drang der omstandigheden te kunnen weerstand bieden. Hij bezweek niet, dan nadat de tand des tijds zijne sloopende werking ook op dat ijzeren gestel had doen gelden.

Meen daarom niet dat de man, die daar ten grave werd gedragen, een wezen was ongevoelig voor het leed, dat hem of de zijnen trof; dat hij onverschillig was voor de groote gebeurtenissen die zijne tijdgenooten beroerden. Integendeel. Niemand, die door zijn woord twee, ja meer menschengeslachten zóó inspireerde als hij, die nu eens zelf bezield door een edel beginsel, zijne medeburgers te bezielen wist, dan weer een auditorium vermocht te boeien door de versregels die van het tooneel van den Amsterdamschen Schouwburg weerklonken;

[p. 2]

niemand die beter hier een geestig epigram, een passend bijschrift wist te vervaardigen, daar schooner de lier sloeg, wanneer het gold een jeugdig bruidspaar in Hymen's gilde te verwelkomen, of dieper de fijnste snaren des gemoeds wist te treffen, wanneer ze in zijn binnenste waren geroerd.

't Verwondert ons niet, dat die veertien broeders, al kromden zij niet onder den lichten last van 't stoffelijke omhulsel, gebukt gingen onder het leed, dat hen door den dood van hunnen voorganger trof; dat zij bewust waren van het feit, de laatste eer te mogen bewijzen aan den prins der Nederlandsche dichters, groot in zijn epos, groot in zijn karakter, groot in zijn ongeluk, aan Joost van den Vondel.

Nog slechts weinige maanden en het zal twee eeuwen geleden zijn, dat zich daar een eenvoudige lijkstoet bewoog, die al wat er restte van zooveel groots, aan den geheiligden bodem ging toevertrouwen.

De jaren die dat tijdstip van het tegenwoordige scheiden, hebben geene af breuk gedaan aan de waardeering van dien grooten geest. Oud-Holland ging met mannen als Hooft, van Baerle, Brandt en de Decker, met Vos, Westerbaen, Victorinus en Broekhuizen, met van Ollefen en Lulofs voor, en het jonge Holland bleef niet achter. Ja, men zou bijna durven beweren dat den jongeren geslachten van die waardeering het leeuwendeel toekomt (zie Aanteekening I). Van Lennep, Alberdingk Thijm en van Vloten, Lina Schneider en wie niet al meer, zijn hem gevolgd in leven en streven, in werken en denken, hebben den held van twee eeuwen opgeroepen uit zijne laatste rustplaats, het dorre gebeente hebben zij vleesch en bloed gegeven, en Vondel leeft weer, met den cyclus waarin hij zich bewoog, te midden van het volk dat hij het zijne noemde, Vondel is gepopulariseerd in de hoofdstad, die het schoonste plekje, haren drassigen bodem ontwoekerd, hem opdroeg.

Zoo er al volken zijn die geen prijs stellen op de historische herinneringen of op 't instandhouden van traditiën, het Nederlandsche voorzeker niet. Het piëteitsgevoel is daar Goddank nog niet verstikt, en al teert het ook thans wellicht wat veel op de groote daden van het voorgeslacht, eene natie die dat voorgeslacht voor oogen houdt, is, noch wordt ooit eene nation éteinte, omdat zij juist in de geschiedenis de beste school vindt voor hare onafhankelijkheid. Aan zulk een piëteitsgevoel werd gehoor gegeven, toen eenige vrienden en vereerders van Vondel

[p. 3]

te zamen kwamen en eene Vondel-Commissie vormden, met het doel om den gedenkwaardigen datum van 5 Februari 1879 niet ongemerkt voorbij te laten gaan en zoo mogelijk te doen strekken om Vondels werken in nog ruimeren kring bekend te maken. Welke de plannen van dit commité zijn, is mij niet bekend. Ik meen echter dat ieder die in staat is iets bij te dragen tot het welslagen van hun streven, daartoe gehouden is. Veel meer nog is hij, die eene nieuwe, zij het ook eene kleine mededeeling weet te doen, die van belang is voor de levensgeschiedenis van den Nederlandschen dichter bij uitnemendheid, verplicht dat ter algemeene kennisse te brengen.

Jaren lang heeft men geweten dat Vondel bij zijn huwelijk in 1610 reeds 14 jaren in de Kerkstraat - dat gedeelte der Warmoesstraat dat, tusschen den Vijgendam en de Oude kerk gelegen, sedert meer dan twee eeuwen den geüsurpeerden naam van Warmoesstraat draagt - woonde. Men weet dat hij van daar zijne woning naar de Prinsengracht bij de Beerenstraat overbracht, en dat hij, gelijk wij reeds opmerkten, op den Singel tegenover de Warmoesgracht overleed. In weerwil van velerlei nasporingen is men er niet in geslaagd te ontdekken, welk huis in de Warmoesstraat door hem werd bewoond, onder welk dak hij het grootste gedeelte van zijn werkzaam leven sleet. Terwijl men u in 't buitenland, om slechts weinigen te noemen, een Shakespeare-huis, een Schiller- of Goethe-huis weet aan te wijzen, is in de Amstelstad het Vondel-huis niet bekend. Vraagt ge daarentegen naar het huis van de Ruyter, of van Rembrandt, de eerste de beste voorbijganger zal er u - mits ge u maar niet aan 't ander einde van de stad bevindt - brengen.

Wellicht vindt ge hierin het bewijs, dat de Hollander van voorheen en van thans het meer hield met daden dan met woorden, dat hij meer ophad met plastische dan met abstracte kunst? Of wellicht meent ge ook, dat ik mij vergis, en ge voert mij in triomf naar de Warmoesstraat, op den hoek van de Oudebrugsteeg, waar met zooveel letters te lezen staat, dat de sigaren-verkooper in Vondels huis woont. En gisteren, had ik u dan geantwoord, bracht mij een ander juist voor dienzelfden, kortelings van fraai antiek in leelijk nieuwerwetsch verbouwden gevel, met even weinig schijn van waarheid, mij verzekerende, dat Duc d'Alf, bloedgieriger memorie, dáár verblijf hield.

Inderdaad, gij vergist u, vriendelijke leidsman! Gij hebt geloof gehecht aan een praatje van het volk, dat zoo spoedig

[p. 4]

meent, dat een mooi oud huis, en mannen van beteekenis uit den goeden ouden tijd, toen de levensmiddelen nog goedkoop waren en het verdienen gemakkelijk was, onafscheidelijk bij elkaar passen. In 't midden der XVIIe eeuw werd dit huis, dat om zijne voor den handel voordeelige ligging meer dan om zijne ruimte of grootte eene huurwaarde van ƒ 800 werd waardig gekeurd, bewoond door den eigenaar Antony Coenraedtsz, een onbekende grootheid, die nauwelijks in eene of andere familie is thuis te brengen, omdat hij, als de meeste inheemsche burgers uit die dagen, geen eigenlijken familienaam draagt; waarschijnlijk een gezeten winkelier die zich de weelde kon veroorlooven een aanmerkelijk deel van zijn kapitaal voor eene eigene woning vast te zetten; want, berekend naar den verkoopprijs van andere perceelen in de nabijheid, die voor dezelfde prijzen waren verhuurd, moest een eigenaar van huizen tevreden zijn, wanneer hij door deze belegging ± 3¼ pCt. van zijn geld maakte, hetgeen niet meer of niet minder was dan de gemiddelde rentestandaard in die dagen. Antony Coenraedtsz was derhalve zóó bemiddeld, dat hij omstreeks een kwart tonne gouds uit zijne zaken kon missen.

Herinnert ge u nog dat schilderachtige geveltje in hollandsche renaissance opgetrokken, met zijn bevallige trapjes, zijn keurig gesmede muurankers en zijn sierlijk beeldhouwwerk, geschakeerd als het was met zijn witte benthemer hoeksteentjes, tusschen de helder gekleurde muren? Kunt ge ze u voorstellen, die schilderijen en prenten van oude of levende meesters, die u een indruk gaven van eene hollandsche straat in eene stad vol leven en bedrijvigheid als waarin Amsterdam zich kon verheugen tegen 't midden der XVIIe eeuw? Ge weet, dat het toen een tijdperk van bloei was; Vondel zegt het:

 
Amsterdam was nooit zoo krachtig
 
Op gewonnen slagh of steê,
 
Als op d' inkomst van de vreê.

Welnu! werk die indrukken in uwe weelderige fantasie tot een schilderachtig geheel om, bevolk het met het krachtige ras van breedgeschouderde mannen, os humerosque Deo similis, gelijk Rembrandt ze u maalde, voeg daar nog een enkelen Aziaat of donkerkleurigen Afrikaan aan toe, werp - om zelf geen anachronisme te zijn - uwe stijve XIXeeeuwsche kleeding

[p. 5]

weg, hul u in dien zwierigen mantel, laat uit de korte broek uwe mollige kuiten flink te voorschijn komen, druk op uwe golvende lokken den slappen vilten hoed, die hier of daar wel eene nonchalante deuk mag hebben, en zie om u heen! Het ziet er schilderachtig uit in de Warmoesstraat, al treft ge het, dat in plaats van door een vroolijk tintelend zonnetje uw tafereel door het getemperde licht van eenen met hollandsche regenwolken benevelden hemel wordt beschenen. Welk een vertier, welk eene levendigheid!

In de Warmoesstraat van de XVIIe eeuw woont nog een deel van de kern der burgerij. Wel is zij, sedert de stadsregeering de Heeren- en Keizersgrachten van de Brouwers- tot de Leidschegrachten had laten rooien, beduidend in aanzien achteruitgegaan, wel is er de volte verminderd sedert de Keyser's Beursgebouw het Rokin sierde, wel weerklinkt er niet meer, als in de tijden van vóór de alteratie, de plechtige zang, de statige tred van ‘de gemeyne pryesteren ende cnapen van den Chore van Sinter Nyclaes parochie kerck’, toch heeft zij haren ouden luister nog gansch niet verloren. Regeeringspersonen achten het nog geenszins ongepast daar verblijf te houden. Ziet gij, bij voorbeeld, ginds naast de woning van IJsbrand van Rhijn, des schepen Jacob's kleinzoon, het huis waar de ‘Meercat’ in den gevel staat en ‘Ceulen’ uithangt, het vijfde huis van de St. Annastraat gaande naar de zijde der Oude kerk? Daar woont de Edele Heer Roetert Ernst, sedert 1644, dus reeds vier jaren, commissaris van de zeezaken. 't Is een man die 't nog ver zal brengen, want kondet ge in de toekomst lezen, dan zoudt ge weten, dat hij in 1651 van dit ambt gepromoveerd zal worden tot commissaris van de kleine zaken, om in 1653 plaats te nemen in de schepenbank onder mijne Heeren van den Gerechte. Roetert Ernst behoort tot eene aanzienlijke familie, al waren al zijne agnaten nog niet kenbaar door den familienaam Roeters, die eene latere generatie van patronym tot geslachtsnaam verhief. En hij was, dank zij den stokvischhandel zijner voorouders, waarvan zijn wapen u kan spreken, bovendien rijk genoeg - in Amsterdam was ook toen reeds rijkdom een criterium voor aanzienlijkheid - om aan Dr. Egbertsz (misschien wel Dr. Sebastiaen's erven), zijn huisheer, de aanmerkelijke som van ƒ 900 huur te betalen.

Schuins daartegenover, in het huis waar ‘Gend’ in den gevel staat (zie Aanteek. II), daar woonde nog kort te voren Frans

[p. 6]

of François Bruijningh, een man, die wel niet tot de ‘heeren’ behoorde, maar die toch een hoogst gewichtig ambt ten stadhuize

 
...... dat lang van hem beseten
 
Van zijn oprechtigheyd en onbevleckt geweten
 
Getuyghenisse droeg

bekleedde; een man, van wien met recht kon gezegd worden:

 
....... wiens ooren altijdt vol
 
Bedruckte klaghten zijn, en dick om ruste wenschen
 
Wanneer hij wort omringht van radeloze menschen,

daar hem het ambt van Secretaris der Desolate Boedelskamer, reeds bij hare oprichting in 1643, werd toevertrouwd. De eervolle betrekking die hij bekleedt heeft ook de goede zijde dat zij finantieel geen geringe voordeelen afwerpt, waardoor onze Bruyningh dan ook in staat wordt gesteld in een huis van ƒ 800 huurwaarde te wonen. 't Schijnt hem echter op den duur in de Warmoesstraat te druk geworden te zijn; de man had dan ook - ge zult het moeten toestemmen - als hij thuis was recht om zijn wensch naar rust bevredigd te zien. In 1647 verliet hij het, en de eigenaar betrok het zelf. In dien eigenaar herkennen wij Pieter van Bueren, den gelukkigen echtgenoot van de schoone Ida van Gerwen (zie aanteek. III), eene jonkvrouwe uit brabantsch bloed gesproten, in hare bruidsdagen, die den 28sten Maart 1634 aanvingen, eene ronde schalke 18-jarige ‘met putjes op de kaecken’ en die inderdaad uit het zuidelijker stamland eene ietwat hartstochtelijke natuur had geërfd; althans Vondel oordeelde het geraden ter hunner bruiloft de hulp van 't westewindeke in te roepen, om

 
........ de lieve lippen
 
Die, in 't kussen onversaet
 
Zich verpijnen zonder maet,

kon 't zijn te verfrisschen. De bruigom, even oud als Vondel's stamhouder, woonde toen niet ver van zijne bruid in de Warmoesstraat, wellicht in 't zelfde huis dat wij hem kort geleden weer zagen betrekken en waardoor hij een buurman van Vondel was. Yda's leven spoedde zich rustig voort, bijna onder 't oog van hare magen, want slechts weinige huizen verder, tegenover de St. Annastraat, in 't ouderlijke huis, woont Matthijs van Gerwen Isaacszoon, haar broeder. Beide echtgenooten zijn inmiddels een dagje ouder

[p. 7]

geworden, en dat is ook het eenige wat ik u van hen kan vertellen, want die buren hebben hunne bekendheid bij het nageslacht alleen aan het bruiloftsvers, waaruit ik citeerde, te danken.

Waar eene goede verstandhouding met zijne buren al niet goed voor kan zijn! - In dit opzicht voorwaar zijn wij er bij vroeger niet op vooruitgegaan. Thans kent men zijne buren nauwelijks; men hoorde nooit den naam van hem die weinige huizen verder woont. Vroeger gaf de buurschap een band die den familieband vrij nabij kwam. Men sprak elkaar, stelde er prijs op elkaar nader te leeren kennen; de weerbare manschap ontmoette elkaar onder 't schuttersvendel der wijk; het noodzakelijke buurpraatje van de deftige huismoeders en van de hoopvolle jonge dochters mocht niet ontbreken; men noodde elkaar op zijne feesten, op de bruiloften zijner kinderen en.... van een bruiloft komt een bruiloft..... 't gebeurde niet zelden, dat de buurschap aanleiding gaf tot het knoopen van eene zoete vrijaadje. Wilt ge naast het voorbeeld van Pieter van Bueren nog eenige anderen? Dan noem ik u, om van de dubbel verzwagerde Warmoesstraters Joost van den Vondel en Hans de Wolff, die slechts door zes huizen van elkander gescheiden waren, niet te spreken, Rebecca de Wolff, Vondels nicht, die sedert haar huwelijk met Gilbert de Flines Philipsz. schuins op Vondels woning zag, en Jacob de Wolff uit den witten Wolff, broeder van Rebecca, die in 't huwelijk trad met Catharina Coesveld, wier ouderhuis van Vondel's woning aan de andere zijde toevallig ook zes huizen verwijderd was.

Doch laat ons middelerwijl niet vergeten den blik te wenden naar een ander huis, waar ‘de bonte mantel’ in den gevel staat en dat daardoor schijnt aangewezen als het stamhuis van de familie Bontemantel, waaruit de verdienstelijke Oranjegezinde Schepen en Raad Hans Bontemantel geboren werd, een man, die door zijne nagelaten handschriften een welverdienden naam bij alle voorstanders van de geschiedenis van Amsterdam heeft verworven. In dat huis woonde voor weinige jaren Cornelis van Campen, thans behoort het nog aan zijne erfgenamen, die 't verhuurden aan Gerrit van Schayk. Cornelis van Campen, Vondels buurman ter linkerzijde, is niet even onbekend gebleven als het echtpaar waarvan ik u zoo even sprak. Cornelis van Campen was een rederijker, die, naar een tijdgenoot getuigt,

...... met kunst 't gemeen beloop der dingen

Het nut der deugt, en 't quaet der ondeught (wist) te zingen.

[p. 8]

Hij heeft lang lier en snaren kunnen stemmen, althans in 1635 was hij reeds hoog bejaard, en vermoedelijk is hij in 1638 overleden. Het huis dat hij bewoonde werd dus minstens een tiental jaren door zijn zoon Nicolaas, den bouwmeester van den schouwburg, in 1634 Raad der stad, met zijne overige erven in het gemeen gehouden. Zijn hooge leeftijd maakt het waarschijnlijk, dat hij dezelfde Cornelis van Campen Jacobsz is, die den 17den October 1602 op 38jarigen leeftijd ondertrouwde met Catharina Queeckel Cornelisdochter. In 1635 moet hij dan 71 jaren oud zijn geweest. Vondel heeft hem blijkbaar zeer goed gekend; hunne buurschap zal daartoe in de eerste plaats aanleiding hebben gegeven, en uit het feit, dat bij dien ondertrouw des bruidegoms oom Roemer Visscher getuige was, zal het, dunkt mij, niet te gewaagd zijn om te beweren, dat in zijn huis Vondels kennismaking met Tesseltje en Anna Visscher, van Campen's volle nichten, plaats had.

Gaat ge thans nog eenige schreden verder, dan vindt ge tusschen de Wijde- en Enge Kerksteeg, bijna tegenover 't huis van Hans de Wolff, de woning van den Edelen Heer Claes Pancras, dien gij, wanneer ge een langdurig rechtsgeding aanhangig hebt, in 1650 in 't Edel Achtbare College van Schepenen zult terugvinden en wien het nog beschoren is burgemeester te worden. Thans is hij nog pas drie jaren getrouwd met Petronella Jorisdr. de Waert, en hij had zich dus tevreden kunnen stellen met een huisje van ƒ 500 huurwaarde van zijn schoonvaders erfgenamen in huur te nemen. Hij denkt er echter reeds over - ik kan u dit wel sub rosa meedeelen, ge zult er geen misbruik van maken - om dit huisje aan te koopen. Pancras is geen onbekende voor Vondel. Zijn huwelijk werd door Vondel bezongen, en als er in 1649 rouw zal komen over zijn huis, over de geheele stad, door 't afsterven van zijn vader, den burgemeester Gerbrant Claesz Pancras, den ‘opreghten’ Pancras, die

 
Een toevlught was voor menigh huis,
 
Een blijde troost der ouderloozen,

dan zal het Vondel zijn, die bij ‘de doodbaer’ een woord uit het hart tot het hart spreekt, een woord dat nog in Claes Pancras' gemoed weerklank zal vinden, als hij den 10den Augustus 1668 in zijne kwaliteit van Oud-Burgemeester te stemmen zal hebben over Vondels pensioen.

Doch ik hield u reeds te lang voor zijn huis staande. Gilbert

[p. 9]

de Flines de oude, zijn overbuurman, ziet ons reeds vragend van onder den luifel van zijne woning aan. Gij wilt liever eens een kijkje nemen op den Dam, die rondom de Waag vol ligt met koopmansgoederen. In uwe haast hebt ge geen oogen voor de schilderachtige geveltjes, noch voor de bont beschilderde uithangborden aan hunne sierlijk bewerkte ijzers. Ge bemerkt den notaris Jean de Bary niet, die juist voor zijn deur stond; ge vergeet eene vriendschappelijke groete te brengen aan den zijdehandelaar Balthazar de Neufville, die 't derde huis benoorden de St. Annastraat bewoont, en ge zoudt inderdaad in twee stappen aan den Middeldam zijn geweest, hadt gij niet gehoor moeten geven aan den dringenden wenk van den koopman Jan van Wickevoort, die sedert den dood van zijn vader, den uit Antwerpen gerefugieerden Jasper van Wickevoort (zie Aanteek. IV), het huis naast het noorder hoekhuis van de Papenbrugsteeg bewoont en die u zal kunnen zeggen wat het laken van uwen mantel kost, of wat de ‘Waerdeyns van de draperyen der Laekenen’ in hunne jongste vergadering besloten hebben. Uit vrees van voor onbescheiden uitgekreten te worden, verzel ik u niet binnen diens woning.

Haastige vreemdeling! hadt ge dan geen oog voor dat huis tusschen de huizen ‘Gend’ en ‘de bonte mantel’ gelegen, waar ge een gevelsteen met de afbeelding van een vaartuig en het opschrift ‘de Kraeck’ zoudt hebben opgemerkt? 't Is waar, de eenvoudige kousenwinkel lokte u niet tot eene nadere beschouwing uit, en 't uithangbord, verkleurd, verweerd en verroest als het is door langdurigen dienst - 't hangt er immers reeds sedert 1596 - was er niet naar om in het oog te vallen. 't Is dan ook geen voornaam koopman van edelen bloede of van patricischen huize die hier woont, slechts een nederig lid van 't Cramersgilde houdt hier verblijf; doch dit belet niet, dat gij terstond den indruk zoudt hebben gekregen, dat in dit huis de zetel is van eene oude gevestigde firma, die de oud-Hollandsche ‘trou’ niet te schande maakt, al gaan de zaken in de laatste jaren helaas niet zeer voorspoedig, en al behoorde zij niet meer tot de duizenden dergenen die ‘genot maeiden’ uit

 
Het Koopsaet, eêl en milt van aert,
 
Dat goude en zilvre Oesten baert.

Maar dat was ook voor een groot deel hieraan te wijten, dat de toekomstige erfgenaam der firma geen nieuw leven aanbracht

[p. 10]

in het jaren heugende handelshuis, en het tegenwoordige hoofd meer gevoel heeft voor de schoonheden der klassieke schrijvers, dan voor 't schoone weefsel van zijn handelsartikel, meer doortrokken is van den geest die den man tot dichter, dichter bij uitnemendheid stempelt, dan vervuld met gedachten aan den bloei zijner nering, en zich derhalve vrijer beweegt op 't hooge huis te Muyden, dan op de Beurs te Amsterdam te midden van

 
den Burgerzwarm van d' oude en nieuwe zij
 
En al 't uytheemsche bloet.....

In deze eenvoudige woning, waarvan ik niet zal trachten het uiterlijk te beschrijven, uit vrees van de waarheid te kort te doen, woont Vondel. Daar werkte hij, daar schreef hij de verzen, die geslachten in verrukking brachten en den naneef twee woorden op de lippen tooverden, eene hulde even kort als kernachtig: ‘scripsit aeternitati’.

Of Vondel daar tot 1648 altijd gewoond heeft? Wie zal 't u zeggen; wellicht iemand, die, gelukkiger dan ik, tijd en gelegenheid zal hebben een onderzoek in te stellen in het belangrijke gerechtelijke archief dezer gemeente, onlangs door Mr. W.H. Elias geïnventariseerd, of in de protocollen der Notarissen, die met eene onbegrijpelijke behoedzaamheid verborgen en weggestopt worden; hoe? - dat weet niemand anders, dan de jongstbenoemde notaris, die altijd slechts voor weinige maanden schatbewaarder is, en die van tijd tot tijd zich in de treurige noodzakelijkheid bevindt er een blik op (ik zeg niet in) te werpen. Mijn bron is van anderen aard, en klimt niet hooger op dan tot 1648, misschien 1647, toen de boekhouder ter Thesaurie extraordinaris of zijn adjunct, belast met het boeken der ontvangen verpondingssommen, op den 9den Juni 1648 aanteekende, dat Joost Vondel over de jaren 1647 en 1648 aan verponding een bedrag van ƒ 162.10 betaalde, zijnde het montant van den 8sten penning van de huurwaarde van het door hem bewoonde huis. Indien in dat verpondingboek, het oudste der reeks ten archieve aanwezig, niet gemakshalve die huurwaarde stond aangeteekend, zou eene kleine berekening ons aanwijzen dat Vondels huis in dien tijd een huurwaarde van ƒ 650 vertegenwoordigde. Meestal schijnt de bewoner deze 12½ pCt. aan verponding of belasting te hebben moeten betalen. Een klein staaltje, dat hooge belas tingen in den bloeitijd van stad en gemeenebest reeds inheemsch waren. Of de gaarders veel moeite hadden met het innen dier

[p. 11]

gelden, blijkt uit de registers niet. Wel lieten verschillende bewoners de verpondingsgelden, - omdat aan de contante betaling niet het voordeel van 4 pCt. korting verbonden was, als bij de extraordinaris verpondingen - gedurende twee, drie, ja zelfs enkele malen gedurende vier jaren oploopen, en dit zou pleiten, dunkt mij, voor de inschikkelijkheid van de overigens niet populaire ontvangers der verpondingen, Tegelijk is het echter een bewijs dat Vondel niet als een nalatige betaler mag worden aangemerkt, omdat hij, zooals wij zeiden, in '48 ook over het vorige jaar betaalde. Hij volgde in deze de gewoonte zijns tijds.

Joost van Vondel betaalde die belasting evenwel niet als eigenaar, maar als huurder, terwijl in dat register als eigenaar geboekt staat Matthijs Kistgens of Kistiens, zooals men zijn naam schreef toen hij zelf den 20sten Juni 1650, nadat hij het huis denkelijk zelf had betrokken, over het jaar 1649 het nog den lande verschuldigde aanzuiverde.

Ofschoon Vondel geen eigenaar was, bleef hij er nog tot diep in Mei 1650 wonen, want toen zijn zoon Joost van den Vondel de Jonge met Baertje Hooft ter aanteekening bij commissarissen voor de roode deur ging, den 21sten Mei 1650, verklaarde hij te wonen in de Warmoesstraat. Dat men nu met den Joost van Vondel uit het verpondingboek den jongen Joost bedoeld zou hebben, acht ik daarom weinig aannemelijk, omdat men in dien tijd het onderscheid tusschen gelijknamigen vader en zoon nog scherp in 't oog hield. Verkeerde men dan in de noodzakelijkheid iemand om belasting aan te spreken, dan liep men geen gevaar zich te vergissen.

Moeielijker en met minder zekerheid is het te bepalen, of het huis ‘de Kraeck’ zijne eerste en eenige woonplaats in de Warmoesstraat geweest zij. Reeds bij zijn huwelijk in 1610 had hij gedurende 14 jaren, dus sedert 1596, in de Warmoesstraat gewoond. Het is uit twee extracten uit de begraafboeken van de Oude kerk, door Dr. Scheltema in Aemstels Oudheid (deel IV) gegeven, bekend dat Vondels vader op den dag van zijnen dood (Februari 1608) aldaar woonde in een huis genaamd ‘de Trou’, dat Vondel zelf in 1618 toen een kind van hem ter ruste werd gelegd, insgelijks in ‘de Trow’ woonde. Verder blijkt uit het adres van een brief door Tesselschade aan Vondel geschreven, waarop Dr. Scheltema in het Handelsblad van 16 October 1867 de aandacht vestigde, dat de dichter in 1630 de Trouw nog niet verlaten had. Vondel is

[p. 12]

derhalve, even als zijne zuster Clemenske, die zich in Mei 1607 met Hans de Wolff in den echt verbond, uit het ouderlijke huis getrouwd, en voerde reeds gedurende eenige jaren de zaken, toen zijne moeder, zich daaruit terugtrekkende, een huis op de Engelsche Kay (thans Singel over de ronde Luthersche kerk) betrok, uit welk huis de 20jarige Sara van den Vondel in April 1614 de gade werd van Joost Willemsz van Nyekercke.

Het is mogelijk, hoogst waarschijnlijk zelfs, dat onze dichter ook na 1630 in het ouderlijke huis bleef wonen, doch even mogelijk is het, dat hij, ofschoon de Warmoesstraat niet verlatende, na 1650 een- of meermalen verhuisde, en dat het huis ‘de Kraeck’ alleen zijne laatste woonplaats aldaar was. Doch dit komt mij minder waarschijnlijk voor, omdat men in dien tijd niet spoedig huis en buurt verliet, waaraan men door' zijne nering en zijne vrienden verbonden was. Maar is misschien tusschen 1650, nadat Vondel het had verlaten, en 1684, waarin de naam ‘de Kraeck’ het eerst gevonden wordt, het huis verdoopt? Ik durf bijna een ontkennend antwoord hierop geven. Immers reeds in 1558 woonden in de Warmoesstraat twee personen, die den naam Craeck droegen, Jasper en Jan Jacobsz (Quokyer van de Taxateurs, binnen deser stede van Aemstelredamme XVcLVII. ten archieve bewaard), die hun naam aan het huis kunnen gegeven, of aan wie het huis zijnen naam ontleend kan hebben. Neemt men echter aan dat men in dit huis Vondels ouderhuis teruggevonden heeft, dan is het feit gemakkelijk te verklaren, dat de oude Joost, zoowel als onze dichter, gezegd werden te wonen in ‘de Trou’. Bijna ieder huis waarin een koopman of een winkelier woonde, droeg, behalve den gevelsteen, een uithangbord of -teeken. Terwijl de eerste het blazoen - als ik het zoo eens noemen mag - was van het huis of van den houwheer, was het tweede dat van den bewoner, zijn onvervreemdbaar eigendom, dat blijkens bijna alle oude veilconditiën, als het huis werd geveild of overgedragen, niet onder den verkoop begrepen was. In menig familiewapen ging dit uithangteeken over. Wellicht zou Vondel, indien hij ooit de ijdelheid gehad heeft zich een geslachtswapen te bedenken, veeleer een hond (zie Aanteek. V) in zijn schild hebben geplaatst dan de lauwerkrans waarmede een hoffelijk heraldicus uit den pruikentijd hem bedacht. Dat uithangteeken werd van lieverlede het kenmerk der firma, waaronder zij hare waren in den handel bracht. Verhuisde de handelaar, het uithangteeken werd

[p. 13]

aan de nieuwe woning gespijkerd; door het uithangteeken werd de winkelier aangewezen zoowel als zijn huis, omdat het uithangteeken veel meer geschikt was de aandacht te trekken, dan de gevelsteen, die, niet zelden hoog in den gevel of achter den luifel verstoken, onbereikbaar was voor het oog. Zoo woonde de boekhandelaar Colom, in ‘de vyerige Colom’, dat kennelijk een uithangbord was aan zijnen naam ontleend. Evenzoo de boekhandelaar Sweerts, die op den Dam in ‘de wakende hond’ woonde, en wiens uithangteeken men op verscheidene oude prenten kan zien. Zulk een uithangteeken, dat op den luifel bevestigd was, of aan een langen ijzeren stang boven den luifel hing, werd meermalen in hout of steen boven de deur van den winkel aangebracht, toen eerst de luifels, daarna de uithangteekens uit de mode geraakten. Een opmerkzaam Amsterdammer zou in zijne geboortestad menig voorbeeld van een dergelijk dubbel gevelornement kunnen aanwijzen. Doch genoeg reeds om aan te toonen dat het niet aangaat alléén op grond van den naam ten jare 1684 te betwisten, dat het bedoelde huis Vondels ouderhuis is.

Evenwel hoopte ik door de eigendomspapieren van den tegenwoordigen eigenaar uitgemaakt te zien, dat dit huis eens des dichters of zijn vaders eigendom was. Met eene bereidwilligheid, waarvoor ik hem nog dankbaar ben, voldeed de heer Asseler, sedert vele jaren eigenaar en bewoner, aan mijn verzoek om inzage. Het oudste eigendomsbewijs dateerde echter van 11 Januari 1684, op welken datum David Kops en Anna Abrahamsdr. Bus, echtelieden, het huis ‘de Kraeck’ voor schepenen overdroegen voor ⅔ aan Jan Hoetmaar, en voor ⅓ aan Albert Hendricksz. De vraag zou nu kunnen rijzen, of dit echtpaar werkelijk het huis overdroeg, dat indertijd aan Matthijs Kistgens behoorde. De verpondingboeken van de latere jaren gaven daarop een toestemmend antwoord. Want, nadat het in het register 1650 - 52 aan vankelijk was gesteld op naam van Matthijs Kistgens, als eigenaar, en Joost van Vondel, als huurder, verbeterde men het register, door beide namen door te halen, en dien van Rogier Bus daarvoor in de plaats te zetten. Uit de latere registers blijkt dat deze eigenaar het verhuurde aan Joris Vinckel, Venckel of Veynkel - in parenthesis gezegd een naam die onder de verwanten van Vondel ook wordt gevonden. - Deze Joris bewoonde het even lang als Rogier leefde, en kocht toen 2 huizen meer naar de oude brug een eigendom. Tusschen 1659 en 1661

[p. 14]

bewoonde de nieuwe eigenaar, Abraham Bus, het zelf, en toen hij tusschen 1671 en 1673 overleed, bleef zijne weduwe er tot 1682 in wonen. Reeds den 18den Maart 1683 stond het op naam van Cops, die het in 't zelfde jaar ondershands schijnt te hebben verkocht aan Jan Hoetmaar (deze betaalde althans 17 Nov. 1683 de verponding), aan wien het, zooals wij zagen, eerst in Januari van 't volgende jaar - iets wat niet ongebruikelijk was - voor schepenen werd opgedragen. De gegevens vullen dus hier elkaar aan, en 't is aan geen redelijken twijfel onderhevig, of het perceel No. 110, thans door den heer Asseler bewoond, was eens Vondels woning.

De stad was in die dagen als het ware historisch in eenige deelen verdeeld, en de gaarders van de verponding hebben die verdeeling in hunne registers gevolgd (zie Aanteek. VI). Vandaar vindt men verpondingsboeken van de Oude zijde, bevattende dat deel der stad, dat aan de oostzijde van den Amstel binnen de eerste steenen ommuring begrepen was, en van de Nieuwe zijde, bevattende de huizen aan de andere zijde der rivier binnen dienzelfden muur gelegen. In de verpondingsboeken van de Nieuwe stad werden nu geregistreerd al de woningen die binnen de stad gekomen waren door de vergrootingen van 1585 en 1593, terwijl men in de boeken met het opschrift Nieuwste werk opschreef de gebouwen van de uitbreiding van het jaar 1612. Later, toen eene nieuwe vergrooting nieuwe registers noodig maakte, kon men die boeken toch niet nieuwer dan het nieuwste doopen, en men vergenoegde zich ze eenvoudig te merken met N.N.N. In deze registers vindt men dus de uitbreiding van 1661. Dit systeem van stadsverdeeling bleef gehandhaafd tot 1734, toen men voor 't eerst op 't praktische denkbeeld kwam de wijkverdeeling als basis der registerverdeeling aan te nemen.

Van de Oude zijde in wijk 10 verhuisde Vondel nu naar het Nieuwste werk, in wijk 5. In 1653 vinden wij hem althans terug op de Prinsengracht, het derde huis van de Beerenstraat. Ware de reeks van registers over dit stadsgedeelte niet zoo deerlijk verbroken, dan zou het vrij gemakkelijk zijn om na te gaan wanneer hij die woning betrok en verliet. Het naaste register loopt echter over 1647-1649, en na eene groote gaping volgen registers uit den tijd toen Vondel reeds lang ter ziele was.

Toch is het belangrijk een blik te slaan in het register,

[p. 15]

waaruit wij den toestand van Vondels nieuwe buurt in 1649 kunnen opmaken. Allereerst treft ons de aanmerkelijk lagere huurwaarde der huizen, die daar ter plaatse stonden, zóó laag zelfs, dat men in de verzoeking zou komen te vragen of men hier niet grootendeels onbebouwde erven vond. Terwijl in de Warmoesstraat de huizen nooit minder dan ƒ 500 aan huur opbrachten, ontmoet men hier cijfers van ƒ 25. Jacob Veerle (zie Aanteek. VII), die in 1649 ongeveer in 't midden van de Prinsengracht tusschen de Run- en Beerenstraat woonde en wiens huis, eigendom van Jan Hendriksz Admiraal, in 1643 voltimmerd, op eene huurwaarde van ƒ 350 was geschat, moet in zijne buurt een Croesus geweest zijn, die een waar paleis bewoonde. Vondel betrok dus een kwartier waar de kleine burgerstand meerendeels in zijne eigene, onlangs gebouwde huisjes woonde, want het komt niet vaak voor dat een huurder de verponding betaalt. Komende van de Runstraat, passeerde men successivelijk: in 't vierde en in 't derde huis vóór de Beerenstraat Maarten Willemsz Verhoeff, die in de verponding naar eene huurwaarde van ƒ 124 en ƒ 24 betaalde, Jean de la Cour naar eene huurwaarde van ƒ 195 en Hans Senepart, in 't hoekhuis, ƒ 67. In 't andere hoekhuis woonde Mr. Adriaen en betaalde jaarlijks aan Volckert Jacobsz zijn huisheer ƒ 50. Haesje Cornelisdr. kreeg toen van de huurderesse Leonard Janszoonsweduwe een huur van ƒ 100, terwijl de kleermaker Lubbert Gerritsz, die in de verponding slechts bijdroeg over eene huurwaarde van ƒ 36, in 't derde huis voorbij de Beerenstraat woonde. Vondel verminderde zich dus blijkbaar zeer door den zetel zijner lares et penates daarheen over te brengen, ja hij schijnt zelfs in zoo verre ten achter gestaan te hebben bij zijne buurtgenooten, dat hij geen eigen huisje bewoonde, maar, hetgeen uit het briefje aan pater Couvrechef zou kunnen opgemaakt worden, binnenshuis kamers betrok. In 1649 staat er althans nog geen eigendom ten zijnen name, en de som van ƒ 1375, die Joost van den Vondel de Jonge, te zamen met zijn zwager Joost Bourgoigne, van Adriaen Hendriksz Bruyningh voor een tuin met getimmerte daarin, op 't Molenpad buiten de St. Anthonispoort ontving (Acte van kwijtschelding, 20 Juni 1648), heeft blijkbaar niet gediend om een eigen huisje voor zijn vader te koopen.

In zijne nieuwe woning, waar hij aanvankelijk (tot 1659?) slechts met zijne dochter Anna woonde, beleefde Vondel, gelijk bekend is, niet veel vreugde. Van uit dit huis droeg hij twee

[p. 16]

kleinkinderen ten grave en zag hij zijns zoons boedel in November 1656 devolveeren - gelijk men het noemde - aan de desolate boedelskamer, zonder dat er evenwel een faillissement kan gevolgd zijn, wijl de jonge Joost bij zijn vertrek naar Indië in Dec. 1659, nog makelaar was. Doch reeds lang te voren heeft de jonge Joost in den reuk gestaan van een slecht financier te zijn, daar uit de overdrachtsacte van 14 Juli 1656 blijkt dat Joost van den Vondel de Oude en Pieter Bleesen, met voorbijgang van den vader, tot voogden over Aeltje van Bancken's kinderen waren benoemd, hetzij dat dit plaats had krachtens het testament hunner moeder, hetzij door eene aanstelling van Schepenen. Want het komt mij voor, dat de moeder in dat testament de Weeskamer had uitgesloten, wijl den 13den Juli 1656 het gerecht en niet de Heeren Weesmeesteren vergunning tot dien verkoop aan de bovengenoemde voogden gaf. De registers der Weeskamer, die tegenwoordig te 's Hage onder de Algemeene Commissie van Liquidatie der zaken van de voormalige Weesen Momboirkamers berusten, en die ik niet met dit doel heb ingezien, zullen in deze zaak wellicht de noodige ophelderingen geven, daar Joost den 24sten Mei 1650, weinige dagen vóór zijn huwelijk met Baertge Hooft, de schoone tweeendertigjarige weduwe van Dirk Crynsen Hooft, aan zijne kinderen hun moederlijk erfdeel ‘bewees’.

Keeren wij, na deze uitweiding over den jongen Joost, naar den diep beproefden dichter terug.

Gedurende de tien lange jaren (1658-1668), die hij aan de Bank van Leening sleet, vond hij in die onaanzienlijke woning de rust die hij behoefde om den Lucifer te schrijven, zijne Psalmberijmingen en Harpzangen te dichten, zijne Jephta, Bataafsche gebroeders, Adam in Ballingschap en eene menigte andere treurspelen te vervaardigen.

Nog woonde Vondel daar ter plaatse toen hem zijne kleindochter Maria in den jeugdigen leeftijd van twintig jaren ontviel. Hij droeg haar den 17den Dec. 1668 ten grave, in dezelfde kerk, waarop hij, toen den 11den Januari 1645

 
De Koningin van Aemstels hooftgebouwen
 
't Gewijde dak van Eggart lei(t) ter neer
 
Verrookt in asch, eer twee geslagene uren.

zijne voortreffelijke ‘klaghten’ dichtte. Haar gebeente werd gelegd in het graf, gemerkt met Letter F, No. 344, en dus niet

[p. 17]

in het graf waarin hij later zou worden bijgezet. Nauwelijks een achttiental maanden vroeger had hij een ander ter laatster rustplaats gebracht. Het was Hendrik IJsbrandtszoon de Bruijn, die hem of den zijnen een goed hart had toegedragen. Kort na diens kinderloos overlijden verschijnt althans Vondel den 23sten Juni 1667 ter Secretarie ten Stadhuize en doet aangifte van zijne niet onbelangrijke nalatenschap. Met eene reeds onzekere hand stelde hij ten blijke der waarheid in het tweede register der Collaterale successie blz. 102vo zijne naamteekening. Deze nalatenschap bevatte:

een huis en erf, op den hoek van Dwarsboomsloot, den 17den Nov. 1667 door schepenen getaxeerd op ƒ 3500;

een huizing en pakhuis op de Breestraat, op den hoek van de Markensteeg, getaxeerd op ƒ 7000;

een huis op Rapenburg, in de Foeliestraat, getaxeerd op ƒ 1400;

een tuin, liggende op 't Bloempad, buiten de St. Anthonispoort, den 22sten Nov. getaxeerd op ƒ 300, en voor dien prijs verkocht;

een custingbrief, groot ƒ 10,000, ten laste Jan en Aernt van Aem, teerkoopers, gevestigd den 25sten October 1663, toen Hendrik de Bruyn dit huis had verkocht (zie register van Quytsch., LL., blz. 131vo), op een huis en erf in de Teertuinen.

Over dit bedrag van ƒ 22,200 betaalde Vondel op den 22sten November, illico zegt het register, den 20sten penning aan den lande verschuldigd. Toch zullen zich in dien boedel ook wel goederen bevonden hebben, die niet der collaterale successierechten subject waren, zoodat men deze nalatenschap veilig op een kwart tonne gouds mag begrooten.

Het komt mij voor, dat Vondel hier optrad voor de rechten zijner kleindochter Maria, die aan genoemden Hendrik de Bruyn in den bloede bestond, want deze de Bruyn komt voor onder de vierendeelen van hare tante Giertje van Bancken, weduwe van Joost Bourgoigne, bij de overdracht van den tuin buiten de St. Anthonispoort, op den 14den Juli 1656.

Dank zij misschien deze erfenis, kwam de familie van den Vondel weder in eenigszins ruimere omstandigheden. Daardoor werd hij wellicht in staat gesteld voor zijne betrekking van suppoost in het huys van Leeninghe te bedanken, want wel had hij, zich beroepende op zijne hooge jaren, behoud van zijn tractement aangevraagd, maar toen hij dit rekwest indiende, was 't immers nog niet boven allen twijfel verheven, dat de ‘Heeren’ zijn verzoek zouden inwilligen. Daarvoor moet hij bij zich

[p. 18]

zelven zekerheid gehad hebben des noods ook zonder dat pensioen te hebben kunnen leven.

De dood van Maria, zijne kleindochter, stelde hem in het bezit van een deel harer nalatenschap, en dit kan aanleiding hebben gegeven dat hij naar eene betere woning omzag. In het voorjaar van 1670 woonde hij reeds op den Singel over de Warmoesgracht, boven de donkere sluis (zie Aanteek. VIII). Van uit dat huis werd den 16den Mei zijn kleinzoon Willem van den Vondel, die, zooals men uit het door zijn grootvader vervaardigde grafschrift mag opmaken, aan de tering overleed, in de Nieuwe kerk begraven, in het graf C., No. 231, een eigendom van Jacob van Ceulen. Weinige weken later werd dit graf op den naam van Anna van den Vondel overgeschreven, uit wier nalatenschap het krachtens erfstelling van 16 Juli 1675 aan Pieter Bleesen overging. Ligt in deze weelde van een eigen graf niet een bewijs voor mijne meening, dat de familie finantieel was vooruitgegaan?

De huurwaarde der huizen op den Singel tegenover de Warmoesgracht was over 't algemeen aanzienlijk hooger dan die van de huizen op de Prinsengracht. In die buurt woonden ook lieden wier namen genoemd mochten worden. De verpondingsboeken van de Nieuwe Zijde wijzen dit aan. De reeks is echter ongelukkig weder zeer geschonden, daar, om een voorbeeld te geven, in het tijdsverloop van 1660-1683 al de registers tusschen 1665 en 1679 verloren zijn geraakt.

Wat ons van nut kon zijn voor de bepaling van Vondel's laatste woning, ontbreekt dus hier ten eenen male.

Na den dood van Auna van den Vondel, de vrome 64jarige, wier godsvrucht haar evenwel niet belette bij testament Pieter Bleesen, in stede van haren ouden vader of haren in vrij kommervolle omstandigheden levenden neef, den schoenmaker Justus van den Vondel, tot haren universeelen erfgenaam te benoemen, kwam deze Just, die een jaar te voren met Aeltje van Regteren was gehuwd, bij zijn grootvader inwonen. In 1678 althans, toen hij weduwnaar geworden ter ondertrouw aanteekende, woonde hij, even als zijne bruid, op den Singel. Het voorwerp zijner liefde, Griete Nacken, moge eene brave vrouw zijn geweest, zij was, wat verwantschap aangaat, den zoon van Baertje Hooft niet gelijk. Hare familierelatiën waren dan ook niet van de meest schitterende. Twee harer zusters zijn mij bekend. Zij teekenden den 6den April 1685 gelijktijdig aan, terwijl Joost bij die plechtigheid als ge-

[p. 19]

tuige van beide bruigoms fungeerde, en zijne echtgenoote als getuige van hare zusters. De vier aanstaande echtgenooten woonden toen allen in de Driekoningenstraat. De oudste zuster, Jannetje Nacken, huwde met den arbeider Harmen Dircksz, de andere, Geertruy, met den schoenmaker Jan Claesz van Eger.

Justus woonde toen reeds niet meer op den Singel; althans de verpondingsboeken van den jare 1680 af, maken van zijn verblijf aldaar geene melding.

Gelijk uit het bovenstaande blijkt, zal het vrij moeielijk zijn, op grond van hetgeen tot dusverre bekend of geraadpleegd is, met juistheid aan te wijzen welke de huizen waren, die Vondel na 1650 betrok. Neemt men in aanmerking dat hij van 1653 tot 1668 op de Prinsengracht, en van 1670 tot 1679 op den Singel woonde, dan bestaat er weinig grond om het huis in de Spuistraat de eer van een Vondelshuis toe te kennen. Geen huis heeft daarop, dunkt mij, meer recht dan dat in de Warmoesstraat. Moge de Amstelstad dan al niet het geboortehuis van den grooten dichter kunnen aanwijzen, dan stelle zij zich tevreden met de woning waar hij de gelukkigste tijdperken zijns levens sleet, onder wier dak hij meer dan vijftig jaren beschutting vond. Daar voerde hij zijne Mayke de echtelijke woning binnen, daar aanschouwden de panden zijner liefde hun eerste levenslicht, daar bezochten hem de mannen die zich een naam hebben verworven in de letterkundige geschiedenis van ons vaderland, daar was het, dat hij laureatus door zijne medeburgers de hulde zijner tijdgenooten ontving. Daar metsele men de trouw in den gevel, en wijde dien gedenksteen aan de nagedachtenis van Neêrlands grootsten dichter, opdat daar de plaats zij waar het nageslacht bij voorkeur zijner herdenkt.

 

Amsterdam, November 1878.

N. de Roever.

[p. 20]

Aanteekeningen.

I. De Vondel-litteratuur heeft in den laatsten tijd zulk eene uitgebreidheid verkregen, dat het vaak niet weinig lezens en doorsnuffelens kost om te weten of het geene oude nieuwtjes zijn die men opdischt. Hoe ongaarne ook, kon ik echter niet altijd buiten het bekende blijven. De lezer houde mij dit ten goede. Wil hij weten waaruit ik dit putte: het is het onschatbare werk van van Lennep en Thijms ‘Portretten’, werken, die, wat inhoud en wat vorm betreft, te ver boven mijnen lof verheven zijn. Geen beter denkbeeld kan men zich van ‘dien gulden tijd’ vormen dan door deze werken - helaas te kostbaar om in veler handen te zijn - te raadplegen.

 

II. Dit huis ligt thans ten noorden van het Bijbelhotel en draagt No 112, terwijl het huis de Bontemantel thans met 108 is genummerd. Het huis van Roetert Ernst is No. 121, van Isaac v. Gerwen No. 122, van Gilbert de Flines No. 117, van Hans de Wolff No. 196, van Cath. Coesvelt No. 120, van Claes Pancras No. 93, van Gilbert de Flines de Oude No. 98, van Balthazar de Neufville No. 125, en van Jan van Wickevoort No. 134.

 

III. Duyfje van Gerwen, op wier huwelijk met Joan van de Poll Vondel insgelijks een gedicht vervaardigde, was hare zuster.

 

IV. De Wickevoorts en de Neufvilles waren Vondel evenmin onbekend als andere buurtgenooten. Hij heeft enkele leden dier familiën bezongen.

 

V. De Heer Alberdingk Thijm houde het mij ten goede, dat mijne opvatting van het symbool der trouw eenigszins van de zijne (Portretten, blz. 96) verschilt. Ik meende altijd dat twee elkaar omsluitende handen het symbool was van de vriendschap en dat het gebruikelijke beeld van de trouw een hond was. De huwelijkstrouw heb ik echter wel eens door twee handen zien symboliseeren, (b.v. op zilveren bruiloftspenningen) gelijk men de huwelijksliefde door twee vlammende harten voorstelt. Doch dit pleit juist voor mijne meening. 't Is immers het welsprekende beeld, dat de vurigste liefde ten slotte in eene hechte, trouwe vriendschap tusschen twee verwante zielen wordt omgezet.

't Symbool van de trouw boven den ingang der secretarie in het oude - mocht ik zeggen aanstaande! - stadhuis vertoont een hond. Waarom nam de patriot van de XVIIIe eeuw anders den keeshond tot symbool, dan om te kennen te geven ‘het vaderland getrouwe - blijf ik tot in den dood’?

 

VI. Men vindt deze verponding-registers met de registers van de Taxatiën, te zamon 72 deelen, in den inventaris van het gemeente-archief aldus

[p. 21]

beschreven: verpondingsboeken of boeken eerst van den achtsten en later van den twaalfden penning van den huur der huizen binnen deze stad 1632-1733. (Zie Deel III, blz. 49, No. 37.) De registers van 1632 tot 1648 zijn evenwel niet gehouden door Thes. extraordinaris, maar door Commissarissen tot het schatten der 8e en 12e penning der huren van nieuw getimmerde of verbeterde gebouwen. (Vgl. Wagenaar, III, blz. 390).

 

VII. Met deze opgave wil ik geenszins te kennen geven, dat ik dezen Jacob Veerle voor denzelfden persoon houd van wien Vondel blijkens het briefje aan Pater Couvrechef in 1653, melding maakt.

 

VIII. Tot juiste bepaling van het huis kan het wellicht dienstig zijn hier op te geven wie in 1680 ter wederzijden van de Huiszittensteeg woonden. Komende van de zijde der Torensteeg: Enno Harmansz (huurwaarde ƒ 350), Wed. Hendrik Joosten ƒ 600, Albert Vermeulen ƒ 750, Henrick Wilder ƒ 150, Isaac Raap ƒ 130 ('t wordt in Mei 1681 betrokken door Corn. Lycochton, terwijl eigenaar wordt Harmanus Bruynsteen), erven Reinier Bruynen ƒ 130, Cornelis Hoogeboom, Notaris ƒ 180. = Huiszittensteeg = Elsje Noseman's erven ƒ 240, Gilles Noseman ƒ 375 (in 1662-64 bestond het hoekhuis denkelijk nog niet), Cornelis Benning's erven ƒ 200, Graaf van Noielle ƒ 180, Jacob Perne ƒ 700, Wed. Coenen ƒ 600, Wed. Coenen ƒ 400, Willem Muylman ƒ 400, enz.