De Gids. Jaargang 46


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1882


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 344]

Bibliograpisch album.

Taal studie, Tweemandelijksch tijdschrift voor de studie der Nieuwe Talen, onder redactie van F.J. Rode, C. Stoffel en I.J.A. Frantzen. Culemborg, Blom en Olivierse. 1881.
Vondels taal, Eene Proeve van onderzoek naar de Grammatica van het Nederlandsch der zeventiende eeuw, door W.L. van Helten. I. Vormleer. II. Syntaxis. Rotterdam, Otto Petri. 1881.
Refereinen en andere gedichten uit de XVIe eeuw, verzameld en afgeschreven door Jan de Bruine; uitgegeven door K. Ruelens. Antwerpen, P. Kockx. 1879 en 1880.

In 1848 schreef een diep denker, E.J. Potgieter, in dit tijdschrift naar aanleiding van Da Costa's verzen:

 
‘De Maatschappij gevoelt
 
Haar evenwigt gestoord. Haar lichaam kwijnt en woelt
 
Bij beurten; 't is de plaag van 't kankrend pauperisme.’

de volgende woorden: ‘Onze patricische aristocratie is uit de aeloude burgerij opgewassen; wat er voortreffelijks in het volk schuilt, vinde in ieder opzicht gelegenheid burgerman te worden! Slechts ontwikkele het zich zelfstandig en niet door ziekelijk patronaat. Vrije handel belooft honderde handen arbeid en brood, belooft het laatste bij meer onafhankelijkheid dan de nijverheid in naburige landen vergunt. De opwekking van gewestelijk, van stedelijk leven, die de hervorming onzer staatsinstellingen volgen moet, zoo deze baten zal, kan voor velerlei krachten nieuwe werkkringen openen.’

Toen Potgieter deze woorden schreef was het een tijd van gisting, waaruit nieuwe kracht zou te voorschijn komen, toen de voorboden

[p. 345]

der worsteling tegen het oude en versletene in de maatschappij op velerlei gebied reeds te zien waren. Wat er in die dagen op staatkundig gebied geschied is, behoeft wel geene nadere vermelding. De beweging van '48 en hare gevolgen heeft ten onzent nog geen geschiedschrijver noodig; velen van het nog levende geslacht hebben er in gedeeld; allen plukken er de vruchten van. Wat Potgieter verwachtte is gekomen: op de hervorming onzer staatsinstellingen is opwekking van gewestelijk en stedelijk leven gevolgd, op elk gebied zijn nieuwe werkkringen geopend, de krachtsinspanning over het algemeen is toegenomen.

Niet alleen op het veld der politiek, ook op dat der wetenschap zijn de mannen van '48 werkzaam geweest; ook op dit gebied had eene revolutie plaats, werd aan de oude school de doodslag toegebracht. In hooge mate is die krachtsontwikkeling waar te nemen op het gebied der Nederlandsche taal en Letterkunde.

De mannen, die ten troon zetelden, onderscheidden zich door deftigheid, voorliefde voor eene zekere oppervlakkigheid, welke populariteit genoemd werd, door veronachtzaming van strenge, ijverige studie, terwijl zij zich liefst verlustigden in sierlijke verhandelingen over den rijkdom onzer taal, wier woordenschat - getuige Visscher's Ferguut - niet eens door hen verstaan werd, of in lofredenen op onze groote mannen en dichters van vorige eeuwen, terwijl eigen gemakzucht hen weerhield zich in te spannen als deze, of hunne werken en hunne taal in allen deele te bestudeeren.

Wat er in die dagen voor de beoefening onzer oude taal en letteren geschiedde, had men dan ook niet aan hunne hand, maar aan die van vreemdelingen en van een Zuid-Nederlander te danken. Hoffman von Fallersleben, Mone, Jaeob Grimm en Willems deden wat wij in de eerste plaats van landgenooten hadden mogen verwachten; zoo menig schoon gedicht, dat den liefhebbers dier dagen zonder waarde scheen en te nauwernood werd aangezien, werd door hen weder wereldkundig gemaakt; de oude taal, ten onzent nauwlijks of dan nog slecht verstaan, werd door hen systematisch bestudeerd.

Mone's woord: ‘de Hollanders zijn in hunne eigen letterkunde vreemdelingen geworden’ was eene waarheid, die echter door een aantal studenten dier dagen dieper werd gevoeld dan door hunne leermeesters. Wat door deze verwaarloosd werd, zou door gene

[p. 346]

gedaan worden: Jonckbloet, de Vries, Leendertz, Tideinan e.a. richtten in 1844 eene Vereeniging ter bevordering der oude Nederlandsche letterkunde op; op het gebied van de geschiedenis der letterkunde sloten zich bij deze richting aan Van Vloten en Alberdingk Thijm. Behalve het aanwijzen van den nieuwen weg rustte echter op hen ook de plicht aan het geliefhebber der oude school een einde te maken. Siegenbeek en zijn opvolger Schrant waren welgezind, en hetgeen van hen uitging - en het was zeer weinig - deed geen nadeel aan de wetenschap, doch zij waren te oud om eenige verandering in hunne richting te brengen. Anders was het gesteld met de mannen, die te Utrecht en Groningen den toon aangaven.

Lulofs te Groningen, die meer dichter en declamator was dan geleerde, de minst schadelijke van de twee, had een Handboek van den vroegsten bloei der Nerlerlandsche Letterkunde gegeven, waarbij hij uitging van de stelling, dat Jacob van Maerlant de oudste Nedrrlandsche schrijver en dichter was en dat vroegere schrijvers slechts bij naam of bij gissing bekend waren. Naar aanleiding van deze en andere ongerijmdheden werd hij door Jonckbloet in den Gids van 1846 in staat van beschuldiging gesteld en werden hem ten laste gelegd: Inconsequentie, Valsche voorstelling en Incompleetheid. Elk punt der beschuldiging was zoo voldoende door bewijzen gestaafd, dat de beschuldigde zich niet de moeite eener poging tot weerlegging behoefde te geven.

De andere, ‘een slimmer Sisyphus was nog na hem gebleven’, was Visscher, berucht als uitgever van den Ferguut, van eene Beknopte geschiedenis der Nederlandsche letteren en van opstellen, critieken enz. in tijdschriften als Astrea. Wanneer er van iemand kan gezegd worden, dat hij een dilettantisme huldigde ‘rechts en links beuzelende zonder doel, zonder systeem, zonder overtuiging’, dat hij iemand was, die in plaats van wetenschap onvruchtbaar, onbetrouwbaar liefhebberen stelde, dan kon dit omtrent Visscher getuigd worden. De verkeerde eigenschappen der toenmalige richting waren in groote mate bij hem vertegenwoordigd. Zijn gebrek aan ernst en waarheidszin, zijne geringe mate van wetenschappelijke kennis, welke door eene groote mate van pliantasie vergoed moest worden, waaraan hij eene deftige schijngeleerdheid paarde, zijn door niemand zeker strenger en ernstiger aan de kaak gesteld dan door Alberdingk Thijm in de Gids van 1854, Na deze twee aanvallen had de oude school haar

[p. 347]

laatstee, strijd gestreden en trad de jongere school zegevierend uit den strijd, kloek van moed, sterk van geest, krachtig door wetenschap. Velen sloten zich hierbij aan en een nieuw tijdperk, dat van nauwkeurig systematisch onderzoek door mannen, die een open oog voor het schoone in onze taal en letteren en waarheidszin in 't harte hadden, was aangebroken. Dat tijdperk van belangstelling en streng onderzoek is nog niet ten einde; integendeel het aantal arbeiders aan de groote taak neemt steeds toe, de belangstelling breidt zich steeds uit en, wanneer het waar is dat krachtig gevoel van nationaliteit zich uitspreekt in de belangstelling van een volk in zijne taal, dan kan men omtrent ons volk een gunstig getuigenis geven. Ook buiten de rij dergenen, die eene meer bepaald wetenschappelijke opleiding genoten hebben, ook bij de mannen, die al hunne kracht aan het onderwijs wijden, wordt lust en ijver gevonden om hunne krachten aan de taalwetenschap dienstbaar te maken. Voor hen is het echter van groot belang een blik te slaan op de geschiedenis dezer wetenschap. Deze toch kan hen leeren hoe alleen nauwgezet en systematisch onderzoek, gegrond, op kennis, vrucht kan dragen, terwijl alle geliefhebber, dat meest berust op onvoldoende voorbereiding, oppervlakkigheid, verslapping en eindelijk de kwijning der wetenschap, die men wilde dienen, ten gevolge heeft.

Niet hoeveel maar hoe eêl1 verdient ook hier het oog te worden gehouden; sommige artikelen in taalkundige tijdschriften toonen maar al te duidelijk, dat de schrijver zieh tot schrijven en onderzoeken aangordde, vóór hij zijn onderwerp meester, ja zelfs vóór hij genoeg op de hoogte der wetenschap was. Door zulke opstellen wordt niemand gebaat, noch degene die hooger staat, noch de gelijke of de mindere; de eerste leest het niet, de andere wordt er door op een dwaalspoor gebracht. Juist een tijdschrift, dat gericht is tot onderwijzers en aankomende onderwijzers, moet in dit opzicht voorzichtig zijn, daar het anders licht onberekenbaar veel kwaads tegenorer weinig nuts kan stichten. De toestand der wetenschap vóór 1848, welke het gevolg was van oppervlakkigheid en gebrek aan voldoende voorbereiding bij de studie, moet velen een waarschuwing zijn.

Het grondig, systematisch onderzoek, op broeden grondslag geba-

[p. 348]

seerd, is niet alleen der wetenschap ten goede gekomen. Op de vereenvoudiging van het onderwijs, op het systeem van het taalonderwijs is het van grooten invloed geweest. In de verschillende methoden is eenheid gekomen, de spraakkunst is vereenvoudigd door de betere voorstelling en indeeling der verschillende taalregels. Zoowel theoretisch als praktisch is alles er op ingericht om het taalonderwijs eenvoudig, duidelijk en dien ten gevolge gemakkelijk te maken - iets wat met de verwarde en ingewikkelde schoolspraakkunsten van vroeger tijd lang niet altijd het geval was.

Zijn deze voordeden bij het onderwijs in de nederlandsche taal al spoedig in het oog gevallen en den leerling ten goede gekomen, bij dat der vreemde talen is dit veel langzamer gegaan. Hier heerscht geenszins die eenheid op het punt van onderwijs der spraakkunst, die het den leerling zooveel lichter maakt zich in de verschillende talen en spraakkunsten thuis te gevoelen. Dikwijls heerscht er een groot verschil in methode tusschen de duitsche en engelsche of fransche spraakkunsten. Ieder van deze is anders ingericht, geeft verschillende definities van dezelfde zaken, heeft een verschillend systeem, waar, zoo er een wetenschappelijke ten grondslag ware gelegd, slechts in kleinigheden afwijking, in hoofdzaak overeenkomst moest bestaan.

Daarom is het - eenige jaren geleden - een gelukkig denkbeeld van de HH. Stoffel, Rode en de Boer geweest om een tijdschrift op te richten, dat zich ten doel stelt, datgene, wat door de wetenschap als vaststaande bevonden is, in ruimer kring bekend en voor het onderwijs geschikt te maken, praktische wenken te geven voor het onderwijs der vreemde talen en eene wetenschappelijke leiding te bieden aan hen, die zich aan de beoefening der Fransche, Engelsche of Hoogduitsche taal willen wijden, hetzij ter verdere oefening, hetzij voor de studie in verband met het examen ter verkrijging der acte voor het middelbaar en gymnasiaal onderwijs.

Met het oog hierop zegt dan ook een man, dien wij met ingenomenheid als opvolger van den Heer de Beer in de redactie van dit tijdschrift: Taal en Taalstudie begroeten, in zijn Lectori Salutem (p. 43): Jedenfalls also erwarte man von uns keine Gelehrsamkeit, keine fachwissenschaftlichen Untersuchungen, und der Philologe von Fach durchforsche diese Spalten nicht in der Hoffnung etwas neues su finden. Dit woord is volkomen waar, maar even waar is het dat de man der wetenschap, mogen hem ook al de zaken, welke behandeld wer-

[p. 349]

den, van elders bekend zijn, zal moeten erkennen, dat de vorm, vooral van de stukken der redacteuren, bij uitstek goed gekozen is en dat zij door de duidelijkheid, waarmede de verschillende kwesties en feiten uiteengezet zijn, volkomen aan dat doel beantwoorden.

Dat de redactie van Taal en Taalstudie in Frantzen ala mederedacteur eene uitstekende keuze gedaan heeft, getuigen zijne artikels: Orthographie und Aussprache, Ueber die starken Verten, Schwankungen im neuhochdeutschen Sprachgebrauch, Einige Bemerkungen über den Conjunctiv en zijne Correspondenz (over de Klinkers in Schleicher en Engelien) in het laatst verschenen nummer. Zij nemen eene waardige plaats in naast artikels als La langue d'Alphonse Daudet van Rode, Antiquated and obsolescent phrases in the Vicar of Wakefield en Shall and Will van Stoffel.

Ook onder de medewerkers zijn er vele, die blijken geven, dat zij op de hoogte zijn van hetgeen op het gebied der taalwetenschap wordt verricht, en dat zij zich met de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek door grondige studie hebben vertrouwd gemaakt.

Welk een verschil er is tusschen etymologieën, door den taalkenner gegeven en die welke op mededeeling van niet altijd vertrouwbare woordenboeken berusten, kan eene vergelijking bewijzen van die van Verdam en die, welke door anderen in dit tijdschrift gegeven zijn. Verdam's Mots d'origine germanique repris dans la langue hollandaise sous vétement français zal voor menigeen, die zich niet met taalstudie heeft beziggehouden, een verrassend licht hebben doen opgaan over de geschiedenis en de oorspronkelijke beteekenis dier woorden. Op een enkel na - als b.v. heraut, dat m.i. niet zoo zeker is, wat afkomst betreft, - is de historische ontwikkeling van de beteekenis der woorden gegrond op deugdelijke bewijzen; al zijn de bewijzen er niet overal bij gegeven, de plaats waar men ze vinden kan, is meestal door Verdam aangewezen, Anders is het gesteld met etymologiën als Geertrude = alltruth, Wilhelm = guildhelm, dus goudhelm, Poltron = pollice truncus, mustard van mustum ardens, Stork van στϱϒω, welke voor den man der wetenschap even verrassend zijn als voor den leek. Wel gaan zij op gezag van een Engelschen bisschop, doch gezond verstand zal den leek al spoedig zeggen dat de bisschop meer phantasie dan kennis bezit. De kennis van het Fransch, die de Heer V.K.V.

[p. 350]

natuurlijk heeft, had hem al spoedig kunnen doen zien dat de germaansche w in het Fransch meest altijd door gu wordt weêrgegeven (wesp, guêpe, enz.) en dat er dus geen kwestie van kan zijn, dat de Franschen in hun Guillaume eene anderen vorm van Willem bewaard hebben; hoe kon uit goud of gold, dat bij dit woord in Nederland en Duitschland aan Engelsch guild moest beantwoorden, de vorm wil ontstaan - of hebben wij Willem uit William, de Duitschers Wilhelm uit William verbasterd? In eene latere aflevering heeft de schrijver deze etymologie ingetrokken, gehoor gevende aan vriendenraad. Deze vriend vermocht echter niet zooveel, dat hij de afleiding Stork van den verl. tijd van στεϱω, ἐστοεϱα, doorstreek. Wel erkent hij dat juist die karaktertrek ook aan andere vogels eigen is en dus achterdocht moet verwekken, maar 't is zoo hard iets op te geven, dat niet onaardig is. Ik dien even zijne redeneering te volgen: ἐστοεϱα komt nauw overeen met OHd. Storh, Duitsch Storch, Eng. Stork. Oppervlakkig bezien, lijkt het wel wat, maar er zitten angels in den grond. Tegen het verband tusschen στ en st, γ en k (niet hd. h als overgang tot k, want deze h is uit k ontstaan) is geen bezwaar. Voltaire placht te zeggen: in de etymologie beteekenen consonanten een weinig, vocalen niets; wij zeggen het thans niet meer, en nauwkeurige vergelijking van het vocaalstelsel zou den Heer V.K.V. doen zien, dat hij zich op glad ijs heeft gewaagd. Aan Grieksche o beantwoordt in de Germaansche talen a, vergelijk b.v. met ϕοϱος v. ϕεϱω, baar van beren, ὀτὠ met acht, πὀτὠ met got. fadi, ὀῤνις met ohd. arni, enz. De verhouding van het Grieksche en Germaansche vocalismus op dit punt, zoover het bekend is, uiteen te zetten, zou meer tijd en ruimte vereischen, dan ik thans beschikbaar heb. Zeker is het echter dat onze o niet maar zoo zonder bewijs met Gr. o kan vergeleken worden. στοϱγῆ wordt door den schrijver de liefde van dieren voor hunne jongen genoemd; later verbetert hij dit door te zeggen: στἑϱγω wordt gebezigd van de wederkeerige liefde van ouders en kinderen; dit is volkomen juist, doch verder beteckent στἑϱγειω liefhebben in 't algemeen, begeeren, verzoeken, tevreden zijn. Welke van deze is de oorspronkelijke beteekenis, die bij de gezamenlijke volkeren voorkwam? Heeft zich bij beide b.v. uit brgeeren het liefhebben, het beminnen van ouders en kinderen verder ontwikkeld? Zoolang dit alles niet kan aangetoond worden, behoor ik nog tot degenen, die meenen dat de geschiedenis

[p. 351]

van het woord Stork, vóór het bij de Germanen voorkomt, in het duister schuilt. Ik betwijfel ten zeerste of Van Lennep en Van den Bergh bij de bewerking van het oude verhaal wel in de verste verte aan στἑϱγειν hebben gedacht. De overige etymologiën zijn voor een deel van denzelfden aard. Heeft wellicht de Heer V.K.V. den bisschop met zijn dwaze etymologiën eens in 't ootje willen nemen en den lezer er bij?

Doctor Trench, aartsbisschop van Dublin, behoort tot die liefhebbers, die, niet toegerust met voldoende kennis, gewapend met eenige woordenboeken van verschillende talen, aan 't werk tijgen om afleidingen van woorden te zoeken - een nutteloos werk, want zij leeren noch hunne eigene taal, noch eene andere hierdoor; - hebben zij woorden gevonden, die in vorm en eenigermate in beteekenis op elkander gelijken, dan gaan zij zoo spelen met vormen en begrippen, om den lezer duidelijk te maken dat de woorden identiek zijn en alleen op verschillend stadium van ontwikkeling staan, dat hunne wijze van werken en voorstellen bij verstandige leeken ongeloof verwekt, door de deskundigen niet wordt aangezien, en alleen bij een dommer publiek vertrouwen vindt.

Liefhebbers en beginners gaan maar al te veel aan dat euvel - jagen en snuffelen om etymologieën te maken - mank. Toch is er, om een woord nauwkeurig in zijne geheele ontwikkeling te kunnen nagaan, meer kennis noodig, dan een aanvanger of liefhebber meestal bezit. Het is niet voldoende te kunnen zien dat twee woorden in vorm op elkaar gelijken; men moet bovendien de verschillende beteekenissen kennen, welke de woorden in iedere taal gehad hebben, men moet weten welke van deze de oudste was, nagaan hoe de begrippen in elkander zijn overgegaan, hoe de verhouding is der talen, waaruit men woorden vergelijkt, of er een klankovergang mogelijk is en welke klankwet dezen overgang van klank beheerscht; het geslacht van het woord en de reden van de verandering van geslacht, zoo deze zich voordoet, moet in 't licht worden gesteld. Om zoo de geschiedenis van een woord te kunnen neerschrijven, is het niet voldoende een aantal woordenboeken te hebben geraadpleegd, maar men moet ook de werken gelezen hebben, die in eene taal geschreven zijn, m.a.w. de taal verstaan.

Wanneer ik hier tegen het maken van dergelijke etymologieën meende te moeten waarschuwen, dan was het vooral uit vrees dat

[p. 352]

deze slechte methode, waarvan men in andere tijdschriften voor het onderwijs maar al te veel voorbeelden aantreft, veld zou winnen.

Wat ik tot lof van dit Tijdschrift kan zeggen, overtreft verre het klein aantal op- of aanmerkingen. Alles wat er nog verder goed in is, op te sommen zou te ver voeren; genoeg zij het mijn wensch uit te spreken, dat het in veler handen nut moge stichten, en dat door dit Tijdschrift eenheid van systeem en methode ook in het onderwijs der vreemde talen moge gebracht worden.

 

Van eenigszins anderen aard is het werk van Dr. W.L. van Helten. Vondel's Taal, een proeve van onderzoek naar de grammatica van het Nederlandsch der zeventiende eeuw, is een boek, niet voor den beginner, maar voor den meer gevorderde op het gebied der Nederlandsche taalwetenschap geschreven. Ook voor den leeraar bij het M.O. even goed als voor den student is de spraakkunst van Vondel van belang. De eenvoudige Amsterdammer, doch fijne kunstenaar, de geestige opmerker en scherpe hekeldichter, de man van het volk, die zoover boven den groeten hoop uitstak, had een woordenrijkdom, die velen hem benijdden, kende zijn taal, zoo als weinige van zijn tijdgenooten of jongeren. Zijn taal, zijn dicht hebben velen van jongere geslachten tot voorbeeld en studie gestrekt. Wie der groote dichters in later dagen mocht hem niet noemen als den man, aan wien hij zooveel verplicht was, zoo wat vorming als wat taal en kracht van uitdrukkking betrof.

 
Een ruwe diamant, maar van het eerste water,
 
Die door zich zelven blonk, ontleende kunst ten spijt,

zoo als Bilderdijk van hem zong, terwijl Loots hem in een zijner verzen toeroept:

 
De taal was ruw en woest en straf,
 
Zij rolt van uwe lippen af,
 
Gestemd voor zangkoralen.

Ook de lateren hebben hem niet verwaarloosd, getuige het woord van Beets:

 
O, Vondel! had mijn hart u meer in eer gehouen
 
Zijn dorst slechts aan uw bron gelaafd,
 
Mijn domme jeugd aan n zich willen toevertrouwen
 
En in geen vreemd gareel gedraafd:
 
'k Zou mooglijk hedendaags met vrediger genoegen
 
Terugzien op mijn dichterpad, enz.

en zijn Gesprek met Vondel in de onlangs uitgegeven Sparsa.

[p. 353]

Geen wonder dus dat eene studie over Vondels taaleigen van 't hoogste belang is voor taalkundigen en geletterden. Dit werk, dat groote nauwkeurigheid, en veel kennis vereischt, is thans verricht en wij mogen Dr. van Helten dankbaar zijn voor de zorgvuldige wijze, waarop hij alles heeft nagegaan en het geheel heeft bewerkt. Hij heeft hiermede een werk van blijvende waarde geleverd. In enkele opzichten moge men van gevoelen verschillen, - b.v. wat indeeling der klanken of wat de methode der uiteenzetting op sommige plaatsen betreft, - van het geheel kan men getuigen dat het een werk is hetwelk de vrucht mag genoemd worden van veel zorg en studie en dat voor diegenen, die zich op de taal der 17e en 18e eeuw willen toeleggen, eene uitmuntende basis geeft.

In ruime mate is de taal der vorige eeuwen ter verklaring van de taal van Vondel aangevoerd; dit doet des te meer den wensch bij ons opkomen naar eene volledige spraakkunst der 15e en 16e eeuw en van het middel-nederlandsch, zoowel van de letterkundige taal als van die der charters.

De woorden aan het slot van het voorbericht: ‘qut legit, emendet scriptorem, non reprehendat’ meen ik aldus te moeten opvatten: lezer, zoo gij fouten vindt, wees zoo goed en deel ze mij mede, doch doe dit niet op hoogen toon in de eene of andere scherpe critiek.

Ik geloof geheel in den geest van den schrijver te handelen, wanneer ik eenige kleinigheden mededeel, waarin ik met hem van gevoelen verschil. Zoo is het b.v. om een juist oordeel te krijgen over de geschiedenis van het klankstelsel gemakkelijker voor den lezer, als de schrijver bij de uiteenzetting hiervan synthetisch, dan wanneer hij analytisch te werk gaat; v.H. gaat overal van de klankleer in Vondel's tijd. uit en zet dan de verhouding van die klankleer tot de oudnederlandsche en oudgermaansche uiteen; voor het systeem en het overzicht was uitgang van het oudgermaansch vocaalstelsol gemakkelijker geweest. Wat de schrijver op blz. 4 omtrent de r in werrelt, parrel zegt, die door monosyllabische uitspraak in de eerste lettergreep zou gekomen zijn, kan ik niet geheel toegeven. M.i. kan eene opeenvolging van rlt, d.i. twee liquidae en een tenuis1, onmogelijk in eens worden uitgesproken;

[p. 354]

de eerste liquida moet zijn toon behouden, al drukt de schrijver dien niet uit. De verdubbeling der r zal aan een anderen invloed moeten toegeschreven worden. Bij beide woorden heeft m.i. niet een zelfde oorzaak geleid tot verdubbeling der r: in parle, of perle (o.a. in Getemde Mars) had de a of e in gesloten lettergreep een onvolkomen klank; viel de e op het eind af, voor de invoeging eener e tusschen r en l, of eigenlijk voor de re-toon van r hoorbaar werd, dan behield a natuurlijk haar onvolkomen klank en deze kon hij invoeging van e niet anders dan door verdubbeling der r worden uitgedrukt; had er in parle of perle eerst eene invoeging van e tusschen r en l plaats, dan werd de voorafgaande klinker volkomen en dus later ook in de gesloten lettergreep door het dubbelde teeken uitgedrukt. Bij werelt was misschien iets anders in 't spel, dat dit woord tot werreld deed overgaan - daargelaten nog dat het zoo voortreffelijk rijmt op dwerrelt -; reeds bij Maerlant vindt men:

 
Sp. Hist.I,1,1. Die de werelt eerst werrelt hiet,
 
Hine was in dole niet:
 
Hy gaf hare bina rechten name
 
Want bider mcsdaet van Adame
 
Daer hi Gode omme vererrede
 
Entre werelt al verwerrede
 
So es hare die name comen
 
Werrelt mach men de werelt nomen
 
Wantie sidert alle jare
 
Hevet soe sijn gewerret in hare.

Het volk, dat het woord niet meer verstond, heeft het in verband gebracht met werren, later warren, waarnaast dan ook de spelling wareld, hoewel wareld toch zeker niet algemeen in de spreektaal geweest is. Dit begrip bestond zeer zeker ook in Vondels tijd, even als het nog lang na hem gevonden wordt. De vorm weereld of wereld is bovendien bij Vondel de gewone vorm van het woord, die met dubbele r komt slechts hier en daar voor.

Met het op blz. 8 vermelde leek, meer, waarbij ohd. lacha en onrd. loekr vermeld worden, kunnen van nederlandsche woorden nog

[p. 355]

vergeleken worden; het Overijselsch-graafschapsche lake (beek) en de Leek in Groningen, het, Leekster meer, het eerste a stam, het laatste i stam.

Wanneer v.H. op blz. 75 mededeelt dat bij Vondel in rijm nog een nom. sing. raven voorkomt en v. Lenneps uitgave III, 76 aanhaalt, is dit eene onjuistheid, die zijn grond waarschijnlijk heeft in het niet voluit opteekenen der plaats. Zij luidt:

 
Wat syn se vryer nn als Indiaensche slaven.
 
Hen piekt geen Spaensche kray, maar Gommers felle raven.

Niet verder lezende zou men denken dat tegenover den singularis kray een sing. raven moest staan; dit is echter niet zoo, blijkens het volgende:

 
Die prassen, om, het aes van Hollands melleck-koe,
 
Die boter krunt en kryglit de huyd vol slagen toe.

Uit die prassen is het duidelijk dat raven nom. plur. is.

Wat den datif. sing. mijn op blz. 122 betreft, kan ik mij niet met de zienswijze van den schrijver vereenigen. Mijn als dat. s. = mij komt in de omstreken van Haarlem nog dikwijls voor, vooral wanneer de datief met nadruk gebruikt wordt: hij heeft het mijn gegeven, het behoort mijn (niet aan een ander), verder in: dit is mijn (weggelaten is de tegenstelling maar dat is dijn); naast dit laatste staat ook de uitdrukking dit is van mijn en met gelijke beteekenis dit behoort mij; aanvankelijk progressief heeft men vervolgens zoowel van voor mijn geplaatst, als mijn voor den dat. sing. gaan gebruiken.

Onder de Duitsche woorden op blz. 160 ontmoet ik o.a. het woord swans, dat door v.H. voor een middel-frankischen indringer gehouden wordt. Met andere daar opgenoemde als schaffen Gijsbr. 554, dat behalve op meer plaatsen bij Vondel ook bij Marnix, Kiliaen, Meijer Oude Nederl. Spr. voorkomt, gewisse, dat in dialect dikwijls aangetroffen wordt, e.a. heb ik ook dat woord voor goed Hollandsch gehouden. Bij het volk is het nog in gebruik als benaming voor het membrum virile en in Vlaanderen vindt men hetzelfde grondwoord, doch met anderen vorm in: swanselen, swansen, d.i. heen en weer schudden met iets, met een bak met water heen en weer schudden en dien ten gevolge water storten, welke laatste beteekenis swanselen meer bepaald gekregen heeft. Even als bus, os e.a. heeft ook het woord swans in het nederlandsch zijn gutturaal vóór de s verloren; in

[p. 356]

het Oud-Beijersch (vgl. Schmeller) is zij gebleven: schwankz. Het is dus van denzelfden stam als ndl. zwenken (swankjan) en duidde dus datgene aan, wat heen en weder geschud werd; dat de beteekenis oorspronkelijk algemeener was dan thans blijkt uit het middelhoogd. swanz, dat, behalve staart, ook sleep van een kleed en zwaaiende beweging beteekende.

Andere opmerkingen daarlatende wil ik den lezer nog opmerkzaam maken op de laatste uitgave van Dr. v. Holten, nl. de Syntaxis van Vondel. Voor hem, die Vondels taal gaat lezen, is ook dit tweede werk over die taal onmisbaar, daar de schrijver hierin verscheiden verbeteringen en aanvullingen geeft op zijn eerste werk. Op zich zelf is het bovendien van groot belang, daar het eene eerste schrede is op een weg, waarop, wordt mijne hoop vervuld, vele volgen zullen. Tot nog toe is er weinig gedaan voor de kennis van den zinsbouw, zoowel van de taal der 17e en 18e eeuw als der middelnederlandsche dicht- en prozaschrijvers. Toch is dit voor de juiste kennis van de ontwikkeling onzer taal in haren geheelen omvang onmisbaar.

 

Wanneer eenmaal iemand onderneemt hetzelfde werk, dat door v. Helten voor Vondel gedaan is, voor de taal der 15e en 16e eeuw te verrichten, zal hij met vele en eigenaardige moeilijkheden te kampen hebben. Rhetorikale gemaniereerdheid in de uitdrukking der gedachte, schijngeleerdheid en overdreven sierlijkheid in den vorm kenmerken de letterkundige gewrochten dier dagen. Slechts hier en daar vindt men in Charters of prozastukken duidelijk bewijs dat deze taal der mode niet geheel in de volkstaal was opgenomen, maar dat onder het volk de oude eenvoud beter bewaard was gebleven dan bij de hoogdravende rhetorijkers, althans voor zoo verre wij ze kennen. Wanneer wij de spelen, Factiën en hoe zij meer mogen heeten, der landjuweelen uit de 16e eeuw doorbladeren, dan vinden wij de meeste voorzien van eene approbatio van den een of anderen Eerwaardigen Heer Prochiaan en een inhoud, hieraan volkomen beantwoordend. De zeggingskracht en de politieke of wijsgeerlge onderwerpen der 15e en der eerste jaren van de 16e eeuw hebben plaats gemaakt voor eenvoudige, onschuldige onderwerpen, bezongen in flauwe onbeduidende taal. Het groot aantal onuitgegeven bundels, die langzamerhand, dan hier dan daar, aan

[p. 357]

den dag komen, doen ons echter zien dat wij den geest van dit tijdperk niet naar die landjuweelen, van kerkelijke goedkeuring voorzien of die toen in druk verschenen, moeten beoordeelen. Wat openbaar was in die dagen van vervolging en verdrukking gaf den volksgeest niet volkomen weer.

Eene groote aanwinst voor de kennis van dien tijd is dus de bundel Refereinen en andere gedichten uit de 16e eeuw, verzameld en afgeschreven door Jan de Bruijne, uitgegeven door den bekenden Archivaris der Koninklijke Bibliotheek te Brussel, den Heer K. Ruelens. Het zijn, zooals de Heer Ruelens mededeelt, enkel onbekende, verborgene of strafbare gedichten; juist in deze zal men den echten geest, de getrouwe weerspiegeling der gedachten van het volk dier dagen moeten zoeken.

Op grond van dit en van verschillende handschriften, te Brussel en elders bewaard, meent de schrijver als grondregel te kunnen vaststellen, dat al wat wij kennen uit goedgekeurde boeken het middelmatige is, en dat er beter moet bestaan.

Enkele dezer gedichten zijn reeds elders uitgegeven, doch werden òf om der volledigheid wille, òf omdat zij eene andere lezing gaven, ook hier weder opgenomen; zoo b.v. No. X, ook voorkomende in het HS. Refereynen en andere gedichten van Anna Bijns, op de Bourgondische Bibliotheek, evenzoo XI, XII, XIII; No. XIX is te vinden in de uitgave Bogaerts, blz. 77, doch met andere lezing, terwijl No. XLI uitgegeven is door Serrure, Vad, Mus. V, 381. Van Anna Bijns zijn verder No. LXVI, LXVII, LXIX, LXX, z. Jonckbl. en v. Hellen, blz. 5,12,63,38, doch LXVIII is een gedicht van haar, dat hier niet voorkomt. Verder komen nog bij Jonckbloet en v. Hellen of bij Bogaers voor: LXXIII, LXXIV, LXXV, LXXVI, LXXVIII, LXXIX, LXXX.

Een der merkwaardigste wat voorstellingswijze en taal betreft is No. XXV, dat door Wygans te Breda kort na 19 Dec. 1562 vervaardigd moet zijn. Om een staaltje te geven van den geest, dien sommige gedichten dezer merkwaardige collectie ademen, deel ik een paar coupletten hiervan mede:

 
Cortelyc quam ick gegaen in een covente,
 
om my te biechten als eenen paciente,
 
daer ick twee bruerkens vant te samen staen praten.
 
Deen sprak aen don confrater seer pertinente:
[p. 358]
 
een blijde tijding dwelck is inde prente:
 
dees hugenooten, die ons plagen te haten,
 
sijn nu verslagen, de maer goet volder straten.
 
- Och neen, sprack dander bruerken, ick vrees voer misval;
 
sy hebben Calvinus geslacht sterck te baten
 
die ons Paus decreten bederven al;
 
ick hope dat monsuer Gewise remedieren sal.
 
- En twijfelt niet, sprack dbruerken, want soo ick spuere,
 
Condé is in handen, wy hebben dry vuere.
 
 
 
Ick luisterden vast toe en sweech al stille.
 
My dacht, tginck heel nae haren wille,
 
't was al van Condé datse hadden voet handen.
 
Deen bruerken sprack: men sal hem geven een pille
 
daer hy aen verworgen sal; t is minder geschille
 
dan oftmen daer eenen mutsaert om gonck verbranden.
 
Virgillien, sielmissen brengt hy al in schanden,
 
het vagevuer, den aflaet en al ons gewin:
 
mettenen, compleeten, ons goede provanden;
 
hy en acht bisschop, cardinael, ja den pans no min;
 
ons roomsche editie wilt hy breken in
 
met de confessie van Onsborch, dewelek is een luere:
 
Condé is in handen, wy hebben dry vuere.
Prinche
 
Ick ginck stracx by haer om t verstane te weten
 
ick groetense minnelyc nae myn vermeten
 
en sey: ghy, heeren, wat isser nieus int schuyte?
 
Sy spraken: Condé is gevangen gesmeten,
 
dat hem de raven op moeten eten:
 
hy heeft quispel en wywater doen liggen in muyte.
 
- Daer weet ick bescheet aff, sey ick ten besluyte,
 
hy is verwesen en moet sterven duer twiste.
 
- Dats voer ons, seyden sy, een goey virtuyte
 
nu sullen wy weer vullen ons aflaetkiste
 
met inquesicien en subtylen liste,
 
en ons convent comt weder in synen fluere:
 
Condé is in handen wy hebben dry vuere.
 
 
 
J.H. Gallée.