De Gids. Jaargang 49


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1886


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 287]

Lord Chesterfield
en
de Republiek der Vereenigde Nederlanden.

III.

‘Het zou mij zeer spijten, indien men mij bij mijn terugkomst met wantrouwen ontving, want ik verklaar plechtig dat ik zonder eenige booze bedoelingen kom. Ik wensch in vriendschap met allen te leven, die in 's Konings dienst zijn’, schreef Chesterfield, eenige maanden voor zijn terugkeer naar Engeland. Het verblijf in de Nederlanden, dat hem de ellende van een legale anarchie deed kennen, was zeer geschikt om hem de voordeelen van een krachtig bestuur, door een mannenhand gevoerd, te doen waardeeren. Onder den indruk van wat hij in de Republiek had aanschouwd, maakte hij zich de illusie, genoeg kalinte en lijdzaamheid te hebben verworen, om voortaan te verdragen, wat hij afkeurde. ‘Ik kom terug, goed voorbereid, om met geduld te lijden: want ik ben hier in de school van geduld. Te moeten handelen met omstreeks twee honderd personen van verschillend karakter en beroep is al even vermoeiend, als te handelen met een mooie vrouw, die minstens twee honderd maal op een dag van humeur verandert.’+

Doch de natuur is sterker dan de leer. De Earl of Chesterfield, die het verdrag van Weenen had helpen sluiten en de vertrouwde was geweest van den staatsman der Republiek, zag zich bij zijn terugkomst in Londen op den achtergrond geschoven. Het ministerie behandelde hem als een gewoon diplomatiek agent, te onbeduidend, dan dat zijn woorlichting waarde kon hebben. Chesterfield werd buiten alle zaken gehouden.

[p. 288]

Als ware hij op het terrein der Republiek niet beter thuis dan de meeste Engelsche staatslieden, werd hij noch om raad gevraagd noch in vertrouwen genomen. Had Robert Walpole hem willen winnen, hij zou er waarschijnlijk in geslaagd zijn, want Chesterfield had eerzucht en bekwaamheid, en kon diensten bewijzen. Maar de eerste minister, die niemand nevens zich duldde, stiet hem door geringschatting en verwaarloozing van zich af. Chesterfield mocht Lord High Steward zijn, hij was de man niet, om in de formaliteit van een hofambt bevrediging van zijn eerzucht te vinden. En evenmin om ter wille van dien post, zijn gevoeligheid over de minachtende bejegening te onderdrukken of te verzwijgen. In de Nederlanden was zijn onwil tegen de Hanoversche politiek ontwikkeld: persoonlijke gevoeligheid scherpte, als steeds, het staatkundig inzicht. Beide vereenigd dreven hem in de rijen der oppositie terug, waartoe hij voor zijn ambassade had behoord. Reeds na betrekkelijk korten tijd werd hij op nieuw tot de erkende tegenstanders van Walpole gerekend.

In het voorjaar van 1733 bracht de eerste minister de beroernde accijnsbill in 't Parlement in. Deze voordracht schonk een krachtig wapen aan de oppositie, om het volk in beweging te breugen, onder de leus, dat zijn vrijheid door de nieuwe belasting werd bedreigd. Als dikwerf waren het meer de gebreken van den mensch, dan de misslagen van den staatsman, die de rijen van Walpole's vijanden verbreedden. De wrok tegen den overmachtigen minister, die steeds zijn wil aan anderen oplegde, zonder eenige zelfstandigheid te dulden, herschiep zelfs vroegere volgelingen in onverzoenlijke vijanden. Zoo algemeen en dreigende werd het volksverzet, door de oppositie in 't leven geroepen, dat de regeering het wetsvoorstel moest prijsgeven.

Walpole, die tot dusver, twaalf jaar achtereen, Engeland had geregeerd, zonder op eenigszins ernstigen tegenstand te stooten, vergaf de nederlaag niet. Hoofden of leden der oppositie, in of buiten het parlement, werden gestraft, door het ontnemen hunner betrekkingen. Een van hen was Chesterfield. Zijne broeders hadden in het Lagerhuis tegen de wet gestemd: in dezen als in andere feiten werd zijn invloed erkend. Toen eenige dagen na de verdaging der tweede lezing de Lord High Steward of the Household in 't koninklijk paleis kwam, werd hem namens Z.M. de witte staf, het

[p. 289]

teeken zijner waardigheid, afgeëischt. Chesterfield was ontslagen. Het was de straf voor zijn euvelmoed, zich tegen den eersten minister der kroon te verzetten.

Het jaar 1733 met de geschiedenis van den accijnsbill, wijst het keerpunt in Walpole's politiek leven aan. Tot dusver de bijkans onbestreden meester van hof en parlement, had hij na 1733 met een steeds toenemenden stroom van tegenstanders te kampen. Jaren achtereen zag Engeland de worsteling tusschen dien éénen man, die het gezag lief had als zijn persoonlijk recht, en de oppositie, die, hoe dikwerf ook verslagen, onvermoeid voortging hem te vervolgen, af te matten, om hem te verslaan.

Het eigenlijke tooneel van den strijd was, als gewoonlijk, waar het een ministerieel leven geldt, het huis der Gemeenten. Pulteney was daar de voorname aanvoerder: Chesterfield en Carteret waren zijn bondgenooten in het Hoogerhuis. Ofschoon de regeeringsaanhang onder de Pairs nog grooter was dan in de Gemeenten, wist Chesterfield door zijn groote redenaarsgaven, zelfs te midden van een meerderheid, die zijn inzichten niet deelde, zich voor de regeering geducht te maken. Menige rede wordt door tijdgenooteu geroemd, die persoonlijk onwil of wrok tegen hem koesterden. Onslow, de speaker, een aanhanger der Walpole's, brengt, even als de jongere Horace Walpole1), zij het ook met onwillige stem, hulde aan zijn groot talent. Hij noemt hem den geestigsten man van zijn tijd en een sierlijk redenaar. ‘Door zijn ambassade in Holland had hij eenige kennis van zaken: hij zorgde bovendien goed op de hoogte van zijn onderwerp te zijn, als hij aan het debat deelnam. Niemands redevoeringen werden ooit meer bewonderd en trokken meer gehoor, dan de zijne. Voornamelijk waren zij geliefd bij hen, die of van zijn geest genoten of er behagen in vonden, om de ministers aan de kaak te zien gesteld door zijn talent van ridiculiseeren, of de bitterheid van zijn ironie, een wapen, dat hij meesterlijk hanteerde en nooit naliet te bezigen. De ministers, die in het Hoogerhuis zitting hadden, waren bang voor zijn geestigheden. Maar bovenal was men bang voor zijn scherpe pen, want de scherpste stukken in een der oppositiebladen werden hem toegeschreven.’2)

[p. 290]

Het komt niet met de strekking dezer studie overeen, dien achtijarigen strijd in bijzonderheden na te gaan. Debatten over den zevenjarigen duur van het parlement, over staande legers, over het ontslag van officieren wegens afkeuring van regeeringsvoorstellen, over de emancipatie der kwakers en over meer dergelijke onderwerpen, zijn zelfs voor de wordingsgeschiedenis der parlementaire regeering, tot wier barensweeën zij behooren, van ongelijke waarde. De oppositie tegen Walpole bovendien ontleende te veel scherpte aan persoonlijke grieven, om het recht steeds op haar zijde te hebben. De tijdgenooten beheerschen, zoodat niemand zich ter zijde kan stellen, maar ook niemand zich verheffen, om of als mededinger of als opvolger te kunnen optreden, is de niet zeldzame misslag van staatslieden, die gewoon zijn meer op den weg, door hen persoonlijk afgelegd, te letten, dan op dien, welken de volksontwikkeling voortaan heeft te gaan. Walpole plukte met ieder jaar, in de toenemende kracht der oppositie, er de wrange vruchten van.

In November 1733 trad Chesterfield in 't huwelijk met Melusina van Schulemburg, in naam de nicht, volgens de publieke opinie de dochter van de hertogin van Kendal, de oude maitresse van George I. Hij herstelde door dit huwelijk eenigszins zijn finantieele krachten, die door zijn schitterende levenswijze in de Republiek ernstig geleden hadden. Zijn verhouding tot het hof werd er niet beter door. George II had dit huwelijk lang tegengehouden, op grond van Chesterfield's verslaafdheid aan het spel. De vroegere lord of the bedchamber kende den voormaligen prins van Wales te goed, om de teederheid van Z. M's. conscientie niet op den waren prijs te stellen.

In deze positie vond de jonge Prins van Oranje, toen hij in 't laatst van 1733 naar Engeland overkwam, om zijn huwelijk met Anna van Hanover te voltrekken, den nog voor korten tijd zoo invloedrijken ambassadeur in de Republiek terug. Op vijandigen voet met de regeering1) en in ongenade bij het hof, had niettemin Chesterfield invloed genoeg, om, met hulp van den bisschop van Londen, zijn vriend en vroegeren huiskapelaan in den Haag, Richard Chenevix, tot kapelaan van de prinses van

[p. 291]

Oranje te doen aanstellen, ondanks het verzet van den minister, die in hem slechts een beschermeling en een werktuig van Chesterfield zag1).

De vijandige verhouding, die indertijd tusschen den tegenwoordigen koning als prins van Wales en diens vader George I had bestaan, herleefde tusschen George II en zijn zoon, zij het ook om geheel andere redenen. Ditmaal nam de verwijdering nog hatelijker karakter aan, omdat ook de moeder niet alleen er in werd betrokken, maar zelve heftig tegen haar zoon partij koos. Op haar sterfbed weigerde zelfs Caroline van Brandenburg zich met haar kind te verzoenen.

Gelijk onder den eersten George sloot de oppositie zich onder den tweeden aan den Prins van Wales aan, en steunde deze haar door zijn hooge positie, zijn invloed en somtijds door zijn stem in het Hoogerhuis. Desniettemin slaagden de vijanden van Walpole er niet in, den gehaten tegenstander ten val te brengen, zoolang de buitenlandsche politiek de natie niet tegen den premier deed opstaan.

De onderwerping van Engeland aan de belangen van het Hanoversche keurvorstendom was de hoofdgrief, ook tegen Walpole's buitenlandsch beleid. Toen de Poolsche successie-oorlog (1733-35) dreigde Europa in brand te ontsteken, nam de beschuldiging, die tot dusver een meer algemeene was en feitelijke bewijzen had gemist, het eerst, sedert het tractaat van Weenen, een stelligen, beslisten vorm aan. De Nederlandsche Republiek, om

[p. 292]

den krijg te ontgaan, liet uit vrees voor de barrière, die Oostenrijk niet kon, Engeland niet wilde voorzien, door Franschen invloed zich bewegen tot een tractaat, waarbij de Oostenrijksche Nederlanden door Frankrijk neutraal werden verklaard. De oppositie beschuldigde openlijk de regeering, dat zij de Staten-Generaal tot dien stap had gedwongen. Ter wille van Hanover had zij in 't geheim met Frankrijk geheuld, en aan den keizer en de Nederlanden de hulp geweigerd, waartoe zij volgens het Weener tractaat verplicht was. De regeering van Walpole wierp de beschuldiging verre van zich, en noemde de passieve houding van Engeland het gevolg, niet de oorzaak van het neutraliteitsverdrag, door de Republiek gesloten.

Voor Chesterfield, die zich als een der vaders van het Weener tractaat beschouwde, dat de oude verstandhouding tusschen Oostenrijk en de zeemogendheden had hersteld, was het een bittere grief, dat Walpole's inschikkelijkheid voor Hanoversche belangen op de nauwe betrekking tot de Republiek ongunstig werkte. Maar nog had de regeering de meerderheid, ook bij verkiezingen, voor zich.

Doch aan den politieken horizont vertoonden zich eerlang zwaarder wolken. Engeland geraakte met Spanje in twist (1737) over commercieele belangen, en het recht van scheepsonderzoek op zee, dat de Spaansche regeering zich toekende. De patriotten - de tegenstanders der Hanoversche, dynastieke politiek - beschuldigden den minister, dat hij onverschillig voor nationale eer en belangen was. De handelsgeest des volks verklaarde zich met heftigheid tegen Walpole en eischte oorlog met Spanje. In strijd met zijn eigen overtuiging liet hij zich tot een oorlogsverklaring aan Spanje verleiden.

Wat zijn vroeger verzet had aangevangen, voltooide de ongelukkige loop van den krijg. De groote schade, die de handel leed, werd aan de krachteloosheid geweten, waarmede Walpole den krijg voerde. Een algemeene kreet ging tegen den minister op, die Engelands eer niet handhaafde en den handel berooven liet. Bij deze eerste grief voegde zich eerlang een tweede. Keizer Karel VI stierf (29 Oct. 1740), zoodat Engeland geroepen werd om de rechten van Maria Theresia volgens de opgenomen verplichtingen te verdedigen. Tot haar tegenstanders behoorde Frankrijk, als verboudene van Spanje en Beijeren. Beducht voor een algemeenen Europeeschen oorlog zocht Wal-

[p. 293]

pole door subsidiën aan de Oostenrijksche vorstin aan Engelands verplichtingen, en door onderhandelingen met haar bestrijders aan zijn persoonlijke zucht naar vrede te voldoen. Niettemin vertrok Koning George, die zijn eigen bedoelingen had, naar Hanover, waar hij een legercorps zou bijeenbrengen, om Maria Theresia bij te staan. In waarheid zou het slechts dienen om Hanover te verdedigen, niet om oorlog te voeren, beweerde de oppositie. En de uitkomst scheen de juistheid der beschuldiging te bewijzen. Aangevallen door een Fransch legercorps, moest George in een verdrag (Sept. 1741) bewilligen, waarbij Hanover voor een jaar neutraal werd verklaard en beloofde geen ondersteuning aan de koningin van Hongarije te schenken.

Een kreet van ergernis ging tegen de regeering op, die noch Engeland tegen Spanje, noch Maria Theresia tegen haar vijanden te verdedigen wist. Al was Walpole aan het laatste verdrag volkomen onschuldig, het werd hem verweten. Van alle kanten namen de beschuldigingen en beschuldigers toe, terwijl de rijen zijner aanhangers en vrienden door vrees en verraad aanvingen te dunnen. Newcastle's toon, tot dusver onderworpen en volgzaam, werd hooger en aanmatigender, naarmate hij het oogenblik zag naderen, waarop hij Walpole ten val kon brengen, gelijk hij Townshend gedaan had. Toen de verkiezingen van 1741 zich tegen den premier verklaarden, en zijn meerderheid was weggesmolten, liet zich eindelijk Walpole bewegen om den ongelijken strijd op te geven, en voor de macht zijner vijanden en het verraad zijner ambtgenooten het hoofd te bukken.

Een juichtoon ging op, toen de val van den gehaten minister (Jan. 1742) bekend werd. De vrijheid van Engeland scheen gered: niet langer zouden Engelands belangen door die van een keurvorstendom worden beheerscht.

De oppositie, die jaren lang Robert Walpole had bestreden, bestond uit de meest vreemdsoortige bestanddeelen, Jacobieten, Tories, Whigs, Katholieken, Ieren, enz. Welke namen zij ook voerden, de haat tegen Walpole was hun eenige band van vereeniging geweest. Toen deze verbroken werd, dreigde zij uiteen te spatten. Om een krachtig bewind mogelijk te maken, scheen het daarom raadzaam een ministerie op den meest breeden grondslag zoo samen te stellen, dat alle partijen zouden vertegenwoordigd zijn en de regeering steunen.

[p. 294]

Doch ditmaal vond het denkbeeld nog geen bijval. Het kabinet, dat optrad, is in de parlementaire geschiedenis onder den weinig vleienden bijnaam van ‘the drunken administration’ bekend. Het dankte dien aan een minder nobele eigenschap van den premier, lord Carteret. Hij is nooit nuchter, schreef een tijdgenoot1). Een begaafd en talentvol man, vol van stoute ontwerpen, slaagde Carteret er niet in, de partij, tot wier eminente hoofden hij jaren lang was gerekend, aan zijn ministerie te verbinden. Deze heftige leider der oppositie bleek als minister niet bestand tegen de bedwelming van de hoflucht. Hij boog het hoofd voor koning George en werd een der gewilligste dienaren der Hanoversche politiek. Newcastle, Hardwicke en de andere ambtgenooten van Walpole, die bij des meesters val als de ratten het zinkende schip hadden verlaten, om over te loopen op vijandelijken bodem, zouden desniettemin het hem niet envel hebben geduid, indien de vorstelijke gunst, die hij verwierf, ook hun ten goede ware gekomen.

In de laatste jaren van Walpole had William Pitt, de toekomstige Earl of Chatham, zijn roemvolle politicke loopbaan aangevangen. Als lid der oppositie had hij zijn eerste lauweren behaald. Noch hem noch Chesterfield, wien Pitt in deze jaren ‘den eenigen man, die Engeland kan redden,’ noemde2), was een plaats in het ministerie aangeboden. Aanvankelijk vond niettemin de politiek van Carteret bij hen goedkeuring. Hij brak met de halve maatregelen van zijn voorganger en deed Engeland krachtig optreden. Maria Theresia werd niet alleen met subsidiën ondersteund, maar ook met een leger, dat naar Vlaanderen werd gezonden. Om de Nederlandsche Republiek, die tot dusver een onzekere en weifelende houding had aangenomen, tot wakkere deelneming aan den krijg te verbinden, stak hij zelfs de zee over en bracht een bezoek aan den Haag.

Doch de aanvankelijk gunstige stemming veranderde spoedig.

De koningin van Hongarije werd, weinige maanden na Walpole's val, door Frederik II tot den vrede van Breslan (Juli 1742) gedwongen. Van dezen hoofdvijand bevrijd, richtte Maria Theresia al hare krachten tegen den keurvorst van Beijeren, die zich veroorloofd had de Duitsche keizerskroon aan te nemen. Op

[p. 295]

den dag zijner kroning in Frankfort viel zijn hoofdstad in Oostenrijksche handen. Beijeren, met zijne bondgenooten, Frankrijk, Spanje, waren bestemd om Oostenrijk vergoeding te verschaffen voor het verlies van Silesië, dat aan Frederik II was afgestaan.

Aan deze politiek van wraak en wraakoefening, de vrucht van het diep gekwetst gevoel der vrouw en der vorstin, leende zoowel George II als Carteret bereidwillig het oor. Even traag als Engeland in den aanvang van den oorlog de Oostenrijksche vorstin had ter zijde gestaan, even gewillig schenen koning en minister thans, om haar bij haar stoute plannen te steunen. George II, bij wien de lust ontwaakte, om den gehaten mededinger van Pruissen tot de oude onbeduidendheid van een markgraaf van Brandenburg terug te dringen, en hem van zijn landen te berooven, ten einde die bij Hanover te voegen, voelde zijn ijdel klein hoofd gloeien van eerzucht, om de krijgslauweren van een Willem III te verwerven. Met voller harte wierp hij zich in den krijg, om roem en buit te behalen.

Engeland sloot met verschillende Duitsche vorsten verdragen, waarbij het eenige duizenden hunner onderdanen tegen goede guineas huurde of kocht. Ook George II, keurvorst van Hanover, verhuurde aan zich zelf als koning van Engeland1) een 10.000 man, die de Engelsche regeering betaalde.

Deze politiek was het niet, die Carteret als hoofd der oppositie had voorgestaan. Tegen de vredelievendheid van Walpole was gestreden, omdat het tractaat van Weenen Engeland verplichtte Maria Theresia bij te staan. Maar de ontwikkeling, nu aan den krijg gegeven, was door niemand geëischt of gewenscht. Alle rollen werden diensvolgens verwisseld. De oppositie, vroeger oorlogszuchtig, pleitte thans voor den vrede. Het ministerie, vroeger vredelievend, verdedigde thans den oorlog. Carteret deed in anderen vorm hetzelfde, wat aan zijn voorganger was verweten: hij schikte zich naar Hanover. Tegen hem, als tegen Wal-

[p. 296]

pole, keerde zich het verzet zijner vroegere medestanders, William Pitt bij de Gemeenten, Chesterfield in het Hoogerhuis. ‘Het is maar al te duidelijk - riep de latere Chatham uit - dat dit groote, dit machtige koningrijk slechts als een provincie van een verachtelijk keurvorstendom wordt beschouwd.’ Maar Carteret, die een meerderheid in het parlement had, bekommerde zich niet om vroegere tegenstanders, of om den onwil, waarmede sommige ministers hem volgden. ‘Op de menschenmarkt van Europa’, zoo als Pitt sprak, huurde Engeland voortdurend troepen, om de eerzucht van den Hanoverschen koning en de stoute plannen van Maria Theresia te dienen. De publieke opinie verklaarde zich meer en meer tegen de oorlogzuchtigheid der regeering. ‘Geen Hanoversche koning!’ was de dronk, die ook in royalistische kringen gehoord werd. Zelfs de overwinning, die George - de laatste der Engelsche koningen, die een leger aanvoerde - in 1743 bij Dettingen behaalde, bracht geen verandering in de stemming der natie te weeg. Maar Carteret hield standvastig vol. Een verdrag, in 't najaar van 1743 te Worms gesloten, verbond Engeland op nieuw aan Oostenrijk en Sardinië, en legde het nieuwe verplichtingen tot groote finantieele opofferingen op.

Tot dusver hadden Frankrijk en Engeland slechts als bondgenooten, de eerste van Beijeren en Spanje, de laatste van Oostenrijk, aan den oorlog deel genomen en elkander bestreden. In 1744 veranderde de toestand. Frankrijk zelf verklaarde aan England den krijg. Sinds was de kans geringer dan ooit, dat de vredelievende politiek der oppositie zou zegevieren. Doch wat politiek beginsel niet vermocht, scheen persoonlijk belang te zullen bewerken.

Lord Carteret, die in 1744 door den dood zijner moeder Earl of Granville werd, en onder dezen naam meer bekend is dan onder den eerste, telde zijne vijanden niet alleen onder zijne tegenstanders, maar ook onder zijne ambtgenooten. Voornamelijk was het de hertog van Newcastle, en diens broeder Henry Pelham, eerste lord van de schatkist, die zich tegen zijn plannen verzetten. Het staatkundig verschil was bij Newcastle meer voorwendsel, dan ernst. De beleedigende overmoed, waarmede Carteret zijne ambtgenooten, inzonderheid hen, de Pelhams, bejegende, deed hen de hand reiken aan de oppositie, aan Pitt en Chesterfield, om ontslagen te worden van het

[p. 297]

drukkend overwicht van den premier, wiens hooge gunst bij den koning hen zelven bedreigde. Een politieke intrigue1) volgde, die Granville (Nov. 1744) ten val bracht.

‘De ministers zijn de koningen van het land’, jammerde George II, toen hij gedwongen werd Carteret te ontslaan. Van een benoeming van Chesterfield en Pitt wilde hij niet weten. De eerste had hem diep gegriefd, door een dier snijdende woorden, gelijk de edele lord dikwijls ten beste gaf. Eens, dat er sprake was van den pretendent, die met een inval dreigde, zeide Chesterfield spottende: ‘het is heel gemakkelijk om met de Jacobieten vrede te sluiten. Laat Z.M. aan den pretendent Hanover afstaan. Engeland zal niet voor de tweede maal een koning van daar laten komen.’ Bovendien had hij onlangS een legaat, door George I aan de hertogin van Kendal gemaakt, doch door George II niet uitbetaald, opgeëischt en Z.M. met een proces bedreigd. Desniettemin moest de koning toegeven. Bij de samenstelling van het kabinet, waarin thans allerlei elementen van de vroegere oppositie werden opgenomen - het dankte daaraan zijn naam: the broad-bottom administration - werd Chesterfield tot lord-luitenant van Ierland benoemd.

Hem werd echter een voorwaarde gesteld, om den koning eenigszins met de verandering te verzoenen. Voordat hij zijn hoog ambt te Dublin zou aanvaarden, moest hij naar de Nederlanden gaan, om de Republiek tot krachtige deelneming aan den krijg op te wekken. George was zoo boos op hem, dat hij eerst weigerde hem een afscheidsaudientie te geven: en toen hij ook hierin bewilligen moest, de nieuwe ambassadeur geen ander woord van hem ontving, dan dit: ‘gij hebt uw instructiën, mylord.’ Chesterfield boog en ging.

Oogenschijnlijk was deze missie in onverzoenlijken strijd met de vredelievende inzichten, die Chesterfield tegen Carteret had voorgestaan. Hij heeft later zijn houding toegelicht op eene wijze, die volkomen bevestigd wordt door de sinds bekend geworden bescheiden. Toen hij in 1748 als secretaris van Staat aftrad, zond hij een apologie van zijn gedrag2) in 't licht en besprak daarin ook deze dagen.

[p. 298]

De grondslag zijner vereeniging met de Pelhams was de zucht naar vrede. De beide partijen - de ministeriëele en de oppositie - kwamen overeen, om, zoo spoedig als de omstandigheden het vergunden, den koning van de noodzakelijkheid te overtuigen, om een einde aan den krijg te maken, die niet voor de belangen van England, maar voor die van Hanover gevoerd werd. De algemeene volksaf keer, de zware druk der subsidiën, die Engeland betaalde, en de onwil van Holland, om aan Frankrijk den oorlog te verklaren, zouden gronden genoeg aan de hand geven, om Z.M. tot verandering zijner politiek te dwingen. Chesterfield noemde het don Quichotterie, aan Oostenrijk een vergoeding voor Silesië te willen bezorgen, en ontkende, dat Engeland daartoe eenige de minste verplichting had.

Deze voorstelling, jaren later gegeven, wordt geheel bevestigd door een officiëel staatsstuk1) uit de dagen zelve. De Pelhampartij in het ministerie bewerkte den val van Granville, door Z.M. de keus te laten tusschen het ontslag of van hen zelven, of van den staatsman, die den oorlog à tort et à travers doorzette. Zij boden een memorie den koning aan, waarin zij de politieke houding, die zij verdedigden, geheel afhankelijk stelden van de rol, die de Nederlandsche Republiek zou willen spelen. ‘De grond, waarop de maatregelen van Groot-Brittannië berusten, is het vertrouwen, dat de Staten-Generaal, volgens de bestaande tractaten, cause commune met ons zouden maken. Daar Holland de eenige onzer bondgenooten is, die geen subsidie van ons krijgt, draagt Engeland den geheelen last van den krijg alleen. Wij hebben geen verdrag met Holland, dat de verhouding der krachten, ter zee en te land, bepaalt, of de sommen vaststelt, door beide mogendheden voor den krijg te leveren. De gevolgen van dezen toestand zijn voor onze oogen. Onze oude, natuurlijke bondgenooten gaan hun eigen weg; zij kunnen ons loslaten, zoodra zij maar willen. Het is daarom noodig, dat de Republiek tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk gebracht worde, en met Engeland een verdrag sluite, dat de samenwerking regelt. Een minister van hoogen stand en bekwaamheid moet onverwijld naar de Nederlanden gaan. Indien hij echter niet slaagt, en onze oudste en voornaamste verbondenen weige-

[p. 299]

ren zich met ons te verbinden, dan doet zich ernstig de vraag voor, of wij niet, in vereeniging met Holland naar een geschikt middel moeten uitzien, om tot een algemeenen vrede te komen.’

Op deze grondslagen berustte het coalitie-ministerie, waarin Chesterfield als lord-luitenant van Ierland optrad. Natuurlijk kon het niet onmiddellijk een einde aan den krijg maken: de verbintenissen, die Engeland had aangegaan, en de krijg zelf, waarin men verkeerde, beletten elk overhaast besluit. Maar het vredelievend karakter van zijn politiek was openbaar. Pitt, die nog buitengesloten was, sprak het weinige weken later (Januari 1745) uit, toen het ministerie de middelen voor den krijg in Vlaanderen aanvroeg. Hoe ook gemarteld door jicht, die hem van zijn jeugd af vervolgde, trad hij op, om de aanvrage te ondersteunen. ‘Indien dit de laatste dag van mijn leven was - sprak hij - wil ik hem in het huis der Gemeenten doorbrengen, omdat ik oordeel, dat de toestand van mijn land nog ellendiger is dan die van mijn gezondheid.’ Nadrukkelijk wees hij er op, hoe de geldaanvrage nu een geheel ander karakter droeg, dan in 't vorige jaar. Toen overheerschte een noodlottige invloed in 's konings raad: toen scheen het, dat men maar krijg op krijg, uitgave op uitgave stapelde, ten einde Oostenrijk in zijn avontuurlijke plannen, de herwinning der avulsa membra imperii, te steunen, zonder op het belang van Engeland te letten. ‘Nu daarentegen is het doel, om door een enge verbintenis met Holland, aan vrienden en vijanden een billijken vrede aan te bieden, zonder den krijg langer voort te zetten, dan onze eigen rechten en die onzer bondgenooten eischen.’

Zou de Nederlandsche Republiek tot deze enge verbintenis te bewegen zijn?

Er was geen grond, om het te verwachten. Het ministerie hoopte het niet. Het wenschte integendeel, dat de staatslieden der Republiek zouden weigeren. Dan zou de koning moeten erkennen, dat Engeland, verlaten door zijn oude en natuurlijke bondgenooten, verplicht was om een einde aan den krijg te maken.

In de laatste dagen van Januari 1745 vertrok Chesterfield naar den Haag. Hij moest de Republiek trachten te bewegen, om openlijk den oorlog aan Frankrijk te verklaren, en over de krijgsoperatiën een overeenkomst met Engeland te treffen. Dit was de tweeledige taak, die hem was opgedragen. Slechts de voorstanders van den krijg hoopten, dat hij slagen zou. Hij niet.

[p. 300]

De Republiek der Vereenigde Nederlanden had sedert het uitbreken van den Oostenrijkschen successie-oorlog gewankeld tusschen raad geven en niets doen. Gelijk Engeland was zij door het tractaat van Weenen verplicht, om de Pragmatieke Sanctie te handhaven. Niettemin had zij zich twee jaar lang tevreden gesteld met het aanbieden van bemiddeling en het verleenen van subsidiën. In 1740 en 1741 was wel tot eenige versterking van het leger, ten minste op het papier, besloten, maar het was de Oostenrijksche vorstin niet ten goede gekomen. Vrees voor Frankrijk en Pruissen en de weifelende houding van Engeland werkten samen om de Republiek in een gedragslijn te sterken, die door de zwakheid van den staat en door den binnenlandschen toestand gebiedend scheen voorgeschreven. De heerschende oligarchie zag een oorlogsverklaring voor het einde van haar heerschappij aan, omdat zij tot de herstelling van het stadhouderschap en de verheffing van den Prins van Oranje zou leiden. Eigenbelang en nationale zwakheid, wrange vrucht van de jarenlange verwaarloozing van alle openbare belangen, scheen de onwaardige houding tot plicht te maken. De invloed van Frankrijk, sedert 1732 in de Republiek herlevende en stijgende, steunde krachtig de vredespartij. Toen, na Walpole's val, Carteret een leger naar de Oostenrijksche Nederlanden zond en de vestingen van Vlaanderen bezette, werd dit krachtsbetoon van den bondgenoot door Frankrijk als een wapen gebruikt, om de Republiek schrik aan te jagen, en wantrouwen tegen de bedoelingen van Engeland te wekken. ‘Wij zijn er in geslaagd - verklaarde in 1743 de secretaris der Fransche ambassade - Holland tot een non valeur dans les comptes de l'Angleterre te maken.’

Desniettemin dreef de gisting in de Republiek, de invloed der stadhouderlijke partij en de aandrang van Engeland de Staten tot maatregelen, die, gelijk steeds elke bascule-politiek, de tegenstanders niet wonnen en de eigen aanhangers ontevreden maakte. Een commissie uit de Staten van Holland, aan welke in het najaar van 1742 een onderzoek der tractaten werd opgedragen, besliste, dat de Republiek verplicht was de koningin van Hongarije met troepen en niet als tot dusver met geld alleen bij te staan. Doch tot een krachtiger en waardiger houding leidde ook dit niet. Een leger van 20.000 man werd uitgerust, maar kwam te laat, om aan den slag bij

[p. 301]

Dettingen (1743) deel te nemen, en keerde na eenige marschen op Duitschen bodem terug, zonder iets verricht te hebben. De leiders der Republiek wilden aan den oorlog slechts deelnemen als bondgenoot van Oostenrijk, maar niet als vijand van Frankrijk. Zij meenden door dit voorbehoud zich voor de vijandschap van Lodewijk XV te vrijwaren en het oorlogsgevaar van de grenzen verwijderd te houden.

In het begin van 1743 stierf de kardinaal de Fleuri. Zijn dood effende de baan voor de oorlogspartij aan 't Fransche hof, die voor 't oogenblik Lodewijk XV medesleepte. In Maart des volgenden jaars verklaarde Frankrijk, dat tot dusver slechts als verbondene van Spanje en Beijeren aan den krijg had deelgenomen, den oorlog aan Engeland en Oostenrijk. Wel verschoonde het nog de zwakke Republiek, maar blijkbaar alleen onder de stilzwijgende voorwaarde, dat zij als tot dusver zou voortgaan de speelbal van Frankrijk te zijn en uiet wagen tegen te spartelen. Hoe ernstig elke daad, die van iets getuigde, wat men zelfstandigheid van een volk gewoon is te heeten, in Parijs werd opgenomen, bewees de ontevredenheid der Fransche regeering over het samenbrengen van een leger. Toen de Hollandsche troepen naar Duitschland vertrokken, vertrok ook de Fransche gezant de Fénélon1), de zaken der ambassade aan den secretaris, den abt de Laville, opdragende.

Met de openlijke deelneming van Frankrijk aan den strijd,

[p. 302]

breidde zich niet alleen het oorlogstooneel uit, maar vermeerderden ook de moeielijkheden voor de regenten der Republiek. Nog voor de oorlogsverklaring was Engeland met een inval van den Jacobitischen pretendent bedreigd, die met Fransche schepen zou worden overgevoerd. George II eischte van de Staten de hulp, door het tractaat van 1678 hun opgelegd. Twintig oorlogsschepen en zes duizend man hulptroepen, uit de barrière in de Oostenrijksche Nederlanden gelicht, werden naar Engeland gezonden, ondanks de memoriën, door den abt de Laville er tegen ingediend. Door ditmaal eenigermate trouw aan de opgenomen verplichtingen te zijn, meende de Republiek geen rechtmatigen grond van bezwaar aan Frankrijk te geven, en tevens de gunst van Engeland, die men bij ernstig gevaar niet missen kon, zich te verzekeren. Doch hardnekkig weigerde zij den oorlog aan Frankrijk te verklaren, hoe sterk de drang van Engelsche zijde was, en hoe krachtig ook de Oranjepartij zich voor een krijg uitsprak. Zelfs de kennisgeving van Lodewijk XV, dat de veldtocht van dit jaar zich naar de Oostenrijksche Nederlanden zou richten, en ook de barrière niet langer verschoond kon worden, bracht geen verandering in het besluit te weeg, schoon de onrust groot en algemeen was, die het vooruitzicht wekte. Om het dreigend gevaar, zoo mogelijk, te bezweren en Frankrijk's vriendschap te behouden, besloten de Staten een buitengewoon gezant naar Parijs te zenden. Unico Willem, graaf van Wassenaar, vertrok, om voorslagen tot een algemeenen vrede te doen. De Republiek had, geheel buiten weten van Maria Theresia, preliminairen opgesteld, die aan Frankrijk werden aangeboden. Maar te Parijs dacht men evenmin als te Londen, waar Carteret nog regeerde, aan vrede; de voorslagen van Wassenaar werden geheel onaanneembaar verklaard1).

Te Parijs wilde men den oorlog en de verovering der Oostenrijksche Nederlanden. Binnen het verloop van weinige weken werden de barrièresteden door de Franschen bezet, in hun bewegingen niet gehinderd of belemmerd door de troepen der verbondenen, wier aanvoerders, naar Willem van Haren schreef,

[p. 303]

‘elkander noch achting noch eerbied toedroegen, en er alleen op gevat schenen, om malkanderen tegen te spreken1).’ Ware de Oostenrijksche Aartshertog Karel van Lotharingen niet onverwachts aan den Rijn verschenen, zoodat het Fransche leger grootendeels moest wegtrekken, om een inval van den vijand in Frankrijk zelf te voorkomen, reeds in dezen enkelen veldtocht van 1744 zou Maurits van Saksen de verovering der Oostenrijksche Nederlanden hebben voltooid.

Voor 't oogenblik week het gevaar terug, doch het bleef dreigende. De regenten der Republiek konden voorzien, dat de legers van Frankrijk in een volgend jaar aan hare grenzen zouden staan, zoo niet nieuwe afleiding elders het voorzetten van den strijd in de Nederlanden belette, of een vredesverdrag een einde aan den krijg maakte. De voorspoed der Fransche wapenen deed hen minder dan ooit tot een oorlogsverklaring neigen, die hen met een inval op eigen grondgebied en al de noodlottige gevolgen voor hun heerschappij bedreigde, welke de herinnering aan 1672 hun voor oogen stelde. Om dezen jammer te voorkomen, waren zij tot alles bereid. In den nazomer van 1744 nam Frederik de Groote, die Maria Theresia zich door verschillende verbonden steeds sterken zag, zoodat hij voor het behoud van Silesië begon te vreezen, in alliantie met Frankrijk en Beijeren op nieuw de wapenen op. Om de rust in het Duitsche rijk, zoo 't heette, tegen zijn verstoorders te handhaven, sloten Engeland, Saksen en Oostenrijk te Warschau een verdrag. Hieraan nam de republiek, een paar weken voor Chesterfield's komst, deel, en beloofde aanzienlijke sommen aan den keurvorst van Saksen, voor de troepen die hij tegen den Pruisischen koning te velde zou brengen2). Tot geldelijke

[p. 304]

opofferingen was zij bereid, om de vijanden van Frankrijk te ondersteunen, en het krijgsgevaar zoo ver mogelijk te verwijderen.

In deze politieke omstandigheden bevond zich de Nederlandsche Republiek, toen Chesterfield in het begin van Februari 1745 in den Haag aankwam.

Veel was er in de laatste jaren veranderd. Van de mannen, met wie hij gewerkt had, toen hij het tractaat van Weenen voorbereidde, waren slechts enkelen over. Simon van Slingelandt was sedert jaren dood. Zijn zoon was ontvanger-generaal van Holland, maar oefende geen politieken invloed. De achtingswaardige Fagel leefde nog, maar had, des levens en des werkens moede, zijn post neergelegd en was als griffier door zijn neef opgevolgd. De politieke mannen van den tweeden en derden rang, die voor veertien jaar reeds of nog niet de eerste schreden op den maatschappelijken ladder hadden gezet, waren omhoog geklommen, al naar gelang de conventiën onder de regenten hun stijgen meer of minder snel hadden vergund. De man, met wien hij ditmaal voornamelijk zou te handelen hebben, was de Raadpen-

[p. 305]

sionaris Anthony van der Heim. Chesterfield had hem in vroeger jaren zeker ook wel gekend, maar noch toen noch nu schijnt de indruk dezer persoonlijkheid van dien aard geweest, dat hij hem eenige vermelding in brieven of elders heeft waardig gekeurd.

Als Engelsch gezant in den Haag vond hij Robert Trevor, die in 1739 als envoyé was opgevolgd aan zijn beschermer1) Horace Walpole, broeder van den vroegeren Engelschen premier, Robert Walpole. Sir Horace, die nooit van Chesterfield had gehouden en hem zijn bestrijding van zijn broeder niet vergaf, beval den Engelschen lord, toen diens zending naar de Nederlanden was besloten, op zeer eigenaardige wijze aan zijn protégé Trevor aan. ‘Ik hoop - schreef hij2) - wanneer onze oude vrienden Chesterfield gelukwenschen, dat hij in de regeering gekomen is, dat zij hem tevens beleefdelijk doen gevoelen, hoe zeer zij zich verwonderen, dat hij zoo lang in de oppositie is geweest; want hij is al dien tijd heel ijverig geweest, om te verzekeren dat onze familie geen krediet bij de Nederlanders had.’ Dat Trevor aan dit vriendelijk verzoek heeft voldaan, is onwaarschijnlijk. Hij was gehuwd met Constantia Huybert, de dochter van den heer van Kruijningen, een oud vriend van Chesterfield. Indien de jongere Horace Walpole, de bekende briefschrijver, dezen Nederlandschen letterkundige gekend had, hij zou Chesterfield's vriendschap als een nieuw bewijs hebben aangevoerd, welk een bijzondere voorliefde de edele lord voor slechte auteurs had. Maar Trevor, later lord Trevor en viscount Hampden, heeft het zeker niet noodig gevonden, de goede verstandhouding met Chesterfield en den gezelligen omgang in het huis van zijn levenslustigen schoonvader te verstoren, door zich tot orgaan van de politieke gevoeligheid van een der Walpole's te maken. Wij vinden hem met Chesterfield samenwerken, zonder dat van eenige verwijdering blijkt. Trouwens, in hun politieke beschouwing schijnen zij het vrij wel eens geweest te zijn. En Chesterfield, hoe weinig hij zijn scherpe tong ook in toom wist te houden, legde, waar de politiek hem niet scherpte, zelden de hoffelijke innemendheid af, die, oorspronkelijk kunst, langzamerhand natuur was geworden.

[p. 306]

In een secreet besogne van 8 Febr. deed hij aan de Staten opening van den hem opgedragen last. Hij kwam, om een vast plan van samenwerking in de volgende campagne vast te stellen. Daartoe moest het getal troepen, door iedere mogendheid te leveren: de quantiteit artillerie, het aandeel in de kosten van den krijg worden afgesproken. Tevens wenschte Engeland de verhouding vast te stellen, waarin beide staten aan subsidiën, zoo zij noodig werden geacht, zouden deel nemen. De conventie, die deze punten zoude bevatten, zou tot grondslag dienen voor een alliantie met al de verbondenen, en tevens tot basis voor het plan der krijgsoperatiën. Eindelijk was Chesterfield gelast nadrukkelijk aan te dringen op een onverwijlde oorlogsverklaring van de Republiek aan Frankrijk1).

Niemand verwachtte, ook Chesterfield zelf niet, dat deze voorslagen voetstoots door de Republiek zou worden aangenomen. Zij had tot dusver van geen concert van maatregelen willen hooren, en nog voor weinige maanden aan Trevor's vertoogen, om tot een openlijke vredebreuk met Frankrijk over te gaan, nadrukkelijk weerstand geboden. Chesterfield kende den toestand der Republiek te goed, om het verband van haar buitenlandsche politiek met den binnenlandschen partijstrijd niet in te zien.

Op 't oogenblik, dat hij in den Haag kwam, hield een nieuwe kwestie de gemoederen bezig.

[p. 307]

Eigenlijk was het een oude. In 1742 waren zes vreemdelingen tot generaals benoemd, en niet naast, maar onder hen de prins van Oranje, stadhouder van Friesland, in den lageren rang van luitenant-generaal. Op gekwetsten toon had de prins geweigerd de benoeming aan te nemen. Zijn aanhang rustte niet en bleef voortdurend op zijn benoeming aandringen. Friesland had zelfs in 1744 verklaard, alle consenten te zullen inhouden, zoo lang zij niet tot stand was gekomen. Zijne vrienden en voorstanders, ofschoon deze scherpe houding van Friesland geenszins allen goedkeurende, waren steeds onvermoeid bezig, om den weg te effenen, en onderhandelden met invloedrijke leden van Holland, die niet allen onwillig schenen. Men vleide zich, in Februari 1745, den prins tot generaal van het voetvolk te zien aanstellen. Doch de benoeming, voorgesteld door den graaf van Rechteren, bleef achterwege, ditmaal, naar 't schijnt, voornamelijk tengevolge van de weigering des Prinsen, om onder den prins van Waldeck, die tot generaal en chef van het leger werd aangesteld, te dienen.

Chesterfield keurde de onbuigzaamheid des Prinsen zeer af. ‘De koninklijke prinses en de prins van Oranje kwamen van nacht in het huis in 't Bosch aan, en ik maakte heden mijn opwachting bij hen, - schreef hij den 21 Febr. N.S.1). - De Staten-Generaal zullen hem spoedig tot generaal van het voetvolk benoemen: en zijn commissie dateeren van den 2 Januari 1742, d.i. den dag van de aanstelling der vreemde generaals, wier benoeming zooveel beweging gemaakt heeft: en Friesland de aanleiding geschonken (of misschien slechts het voorwendsel) om zich tegen alles te verzetten en niets te betalen. Ik hoop, dat de Prins de commissie zal aannemen. Ik doe al mijn best, om er hem toe over te halen, maar ik twijfel er aan, of ik slagen zal. Ik durf zeggen, dat hij verkeerden raad volgt, als hij 't weigert, zoowel voor zijn persoonlijk, als voor 't algemeen belang2).’

De aanstelling van Waldeck tot opperbevelhebber kwetste niet alleen den prins, maar vele anderen. ‘De benoeming van den prins van Waldeck heeft - voegde Chesterfield er bij3) - velen van de oude generaals hier geërgerd; maar zij zijn van

[p. 308]

dat soort, dat het beter is hen te ergeren, dan te gebruiken. Door ieder ander wordt de keus goedgekeurd. Men heeft Waldeck gekozen als een wakker generaal, die in den volgenden veldtocht met kracht en energie zal optreden. Generaal Cronstrom zei vroeger, dat hij den dienst zou verlaten; nu bedelt hij, om gebruikt te worden. Ginkel spreekt op denzelfden toon, maar zal wel eveneens handelen. Alleen Pretorius zal, geloof ik, weggaan.’ Chesterfield gaf Waldeck den raad, geen moeite te doen, om Cronstrom en Ginkel te winnen: het was beter als hij ze kwijt was. Cronstrom was maar een boutefeu, een lawaaimaker, een pen-en-inkt man, en daarbij op het geld verzot. Ginkel was een beschroomd man1).’

Dit partijtrekken van den Engelschen ambassadeur voor den staatsgezinden opperbevelhebber tegenover den schoonzoon des Engelschen konings werd hem in Engeland niet euvel geduid. Want Waldeck berustte in een regeling, die de Prins van Oranje zeker niet spoedig zou hebben toegegeven.

De ongelukkige campagne van het vorige jaar was voor een groot deel aan de oneenigheid der generaals geweten. De Staten-Generaal hadden daarom reeds in Januari, voor Chesterfield's komst, Maria Theresia verzocht, om Karel van Lotharingen aan het hoofd van de geallieerde legers in de Nederlanden te stellen. De koningin van Hongarije weigerde het, maar bood aan, om generaal Königseck met het opperbevel te belasten. Chesterfield maakte er geen bezwaar tegen, offerde den meest inpopulairen Engelschen generaal op2), en wist daarvoor te verkrijgen, dat het ‘commandement honorair en titulair’ over de geheele krijgsmacht aan den hertog van Cumberland, den zoon van George II, werd opgedragen, schoon de graaf van Königseck als kommandant en chef ad latus het eigenlijke opperbevel zou voeren. Waldeck kwam dus onder de bevelen van den jongen Cumberland te staan, wat de prins van Oranje zeker stellig zou geweigerd hebben.

Weinige dagen voordat Chesterfield in den Haag kwam hadden de Staten-Generaal een besluit genomen, dat een der hoofdpunten

[p. 309]

zijner onderhandeling werd. Van de twintig oorlogsschepen, die zij in 1744 naar Engeland hadden gezonden, riepen zij de helft terug. Te Whitehall weigerde men aanvankelijk hierin genoegen te nemen en beriep zich op het tractaat van 1678. Maar Chesterfield, ofschoon hij volgens zijn last bij de Staten opkwam tegen het gevallen besluit, geloofde niet, dat het iets baten zou. ‘Ik heb de nevensgaande memorie over de schepen aan de Staten-Generaal ingediend, maar ik zeg niet en verwacht niet, dat zij eenig goed zal doen. Want op alles wat ik zeg krijg ik ten antwoord: het is noodzakelijk. Het is inderdaad waar, dat al hun admiraliteitscollegiën te zamen niet in staat zijn één enkel schip behoorlijk uit te rusten. Maar het is ook waar, dat het alles de vrucht is van hun langdurig slecht bestuur en van die ingekankerde misbruiken, die de Republiek bijna hebben vernield, en indien zij voortduren, gelijk ik meer waarschijnlijk acht dan dat zij zullen afgeschaft worden, haar geheel ten gronde zullen richten.’ Toen de Staten op hun besluit bleven staan, gelijk Chesterfield verwachtte, schreef hij naar Londen: ‘Zij dringen er op aan, om tien van hun schepen terug te hebben, om voor convooy van hun koopvaardijschepen te gebruiken. Ik vrees, dat Z.M. zal moeten toegeven, want anders loopt hij gevaar, dat hij ze allen verliest: zij zijn in staat om ze alle twintig terug te roepen, als de tien hun geweigerd worden. Daar zij deze schepen zeggen noodig te hebben om hun handel tegen de Franschen te beschermen, heb ik de gelegenheid te baat genomen, om hun eens te vragen, waarom zij toch den oorlog niet aan Frankrijk verklaren, daar Frankrijk feitelijk dien aan hen heeft verklaard? Wat konden zij nog verliezen, door hen te verklaren, daar Frankrijk toch hun handel belemmert? Maar argumenten hebben geen kracht in deze anarchie, en zonder er iets tegen in te brengen, antwoorden zij niets, dan, dat zij niet kunnen, omdat zij niet kunnen: of, dat zij niet willen, omdat zij niet willen.’1)

Hadden de regenten der Nederlandsche Republiek in 't jaar onzes Heeren 1745 deze brieven kunnen lezen, het is niet waarschijnlijk, dat zij bijster met den Engelschen ambassadeur zouden ingenomen zijn geweest. De geringschatting, om niet het woord minachting te bezigen, die in de wijze der bespreking

[p. 310]

doorstraalt, is te groot, om niet onaangenaam aan te doen. In 1730 hadden Slingelandt en Fagel nog de eer der Republiek voor Europa opgehouden, maar thans was de tijd aangebroken, waarin het woord werd vervuld, door den gezant van Portugal bij den dood van den Raadpensionaris gesproken: ‘De staat heeft zijn hoofd verloren; hij zal misschien, zoolang Fagel leeft, zich staande houden, maar als die sterft of zijn invloed verliest, zal het niets anders zijn dan onrust en verwarring.’

Het was niets anders meer dan onrust en verwarring. Chesterfield, die het ten volle erkende, rekende er mede, en zonder hardnekkig na te jagen, wat hij begreep niet te kunnen verkrijgen, en zelfs niet wenschte, stelde hij zich tevreden, te verwerven, wat hij kon en moest, schoon hij het evenmin begeerde.

Op denzelfden dag, dat Chesterfield Londen had verlaten, was Keizer Karel VII te Munchen overleden. Deze onverwachte gebeurtenis (20 Jan. 1745) veranderde den geheelen stand van zaken. Zij opende het uitzicht op een verzoening tusschen Beijeren en Oostenrijk, daar het openvallen van de keizerkroon een der voornaamste redenen van Maria Theresia's onverzoenlijkheid wegnam. Oostenrijk, sedert eeuwen gewoon het hoofd zijner vorsten met de kroon van Duitschland gesierd te zien, mocht hopen ze voor Frans van Lotharingen, den echtgenoot der jonge vorstin, te winnen. De nieuwe keurvorst van Beijeren smachtte naar vrede, en zou aan Maria Theresia, wier overmacht zijn vader zoo zwaar had ondervonden, geen hinderpalen in den weg werpen. De verzoening tusschen Beijeren en Oostenrijk kon een groote stap tot herstelling van den vrede in Europa zijn. Groot was daarom de teleurstelling, toen het bleek, dat de aangeknoopte onderhandelingen ernstig gevaar liepen tot niets te leiden, omdat de Oostenrijksche vorstin goed vond, zeer hooge eischen aan den nieuwen keurvorst to stellen. Chesterfield en Trevor brachten het ongunstig bericht aan de Staten, en stelden hun voor, gemeenschappelijk een ernstig schrijven tot Maria Theresia te richten: de geallieerden rieden hunne bondgenoote aan, wat minder veeleischend te zijn, en integendeel liever door een kleinen afstand van grondgebied zich den vrede met Beijeren te verzekeren dan den krijg te doen voortduren. Volkomen bereidwillig traden de Staten tot het denkbeeld toe1). Het scheen

[p. 311]

ook hun een groot voordeel, toen de vrede van Füssen eindelijk de wapenen tusschen de twee hoofdvijanden deed rusten.

Doch met dit vredesverdrag was de krijg niet ten einde. Het was slechts een eerste stap, die nog door vele anderen moest gevolgd worden, voordat de ploeg van den landman weer de platgetreden velden zou doorklieven. Voor de Republiek inzonderheid was geen 't minste uitzicht op vrede. Frankrijk kwam onverholen voor zijn plannen tegen de Oostenrijksche Nederlanden uit, wier vermeestering het hoofddoel van den volgenden veldtocht zou zijn. Te Weenen bekommerde men zich niet om deze ver verwijderde gewesten, en dacht men er slechts aan, om zich op Pruissen te wreken en vergoeding voor de geleden verliezen in Italië te zoeken. Maria Theresia liet de verdediging der Nederlandsche provinciën aan Engeland en de Republiek over.

De zekerheid, dat de zuidelijke Nederlanden eerlang het tooneel van den strijd zouden zijn, dwong de regenten der Republiek, om in Engeland's voorslagen, voor een deel, te treden. Men mocht van Frankrijks vredelievende verzekeringen gelooven wat men wilde, ook deze vriendschappelijke vijand kon, als hij aan de grenzen der Republiek verscheen, de stadhouderlooze regeering ten val brengen. Om deze grootste aller denkbare rampen te voorkomen, werd er een overeenkomst met Engeland gesloten. De Republiek verbond zich om 60.000 man, de garnizoenen er onder gerekend, uit to rusten en te onderhouden: Engeland zou 40.000 man te velde leveren. De Republiek kreeg tien van de twintig oorlogsschepen terug, onder voorwaarde, dat zij de blijvenden te Portsmouth behoorlijk zou uitrusten, zoodat zij ten minste zee konden kiezen, wat nu zelfs niet het geval was. Ook omtrent de te leveren artillerie, de betaling van belegeringskosten, zoo zij voorkwamen, enz. werden bepalingen vastgesteld. Ten aanzien van genoegzaam alle punten, aan Chesterfield ter behartiging opgedragen, kwam een overeenkomst1) tot stand; slechts het hoofdpunt, de oorlogsverklaring aan Frankrijk, bleef onafgedaan. In een concert van maatregelen traden de leiders der Republiek: van een andere deelneming aan den krijg dan als geallieerde

[p. 312]

van Oostenrijk en Engeland wilden zij niet weten. Frankrijk, hoopten zij, zou hun de vrijheid, die zij namen, niet euvel duiden. De struisvogel-politiek, die zich niet kwetsbaar acht, omdat zij het gevaar niet in het aangezicht durft zien, scheen dezen staatslieden voortdurend de hoogste wijsheid.

Bijzonderheden over de onderhandelingen, die tot deze schikkingen leidden, zijn geheel onbekend. Het is trouwens te vermoeden, dat zij weinig belangrijks zouden bevatten. De conventie van 30 Maart 1745 had weinig te beteekenen. De houding van de Republiek werd er niet waardiger, de troepen niet beter door. De oneer, die de slag bij Fontenoi op hare wapenen wierp, verloor er niets door aan gewicht.

 

Lord Chesterfield scheen geen haast te hebben, om naar Engeland terug te keeren. Niet voor den 20en Mei verliet hij de Republiek. Wat deed hij in dien tijd?

Terwijl hij in den Haag onderhandelde, was de veldtocht aangevangen. Er was besloten, zegt men1), dat als de vijand een vesting aangreep, het leger der geallieerden een slag zou wagen: daarop wachtte Chesterfield. Hij behoefde niet lang te wachten. In het laatst van April werd Doornik door de Franschen berend: den 10den Mei had de slag bij Fontenoi plaats. De verbondenen werden geslagen, voornamelijk, naar de Engelschen zeiden, door het schandelijk gedrag der Hollandsche troepen. Het verwonderde Chesterfield niet en kwam hem niet ongelegen.

Hij had in de Nederlanden iets meer gedaan, dan met de officiëele leiders der Republiek te onderhandelen. Hij poogde de diplomatie vertegenwoordigers der andere mogendheden van de vredelievendheid van het Engelsche kabinet te overtuigen, en stappen tot een algemeenen vrede voor te bereiden. Aan den Pruisischen gezant moest hij echter bekennen, dat Engeland door het Warschauer verdrag de handen gebonden waren, zoodat hij aan zijn meester geen anderen raad kon geven, dan den krijg met kracht voort te zetten; slechts op het slagveld kon Frederik den vrede vinden2). Doch geheel anders was de verhouding tot Frankrijk, dat wel de Oostenrijksche Nederlanden wilde veroveren, maar geen belang had om door een

[p. 313]

krijg met de Republiek de bestaande stadhouderlooze regeering ten val te brengen en zijn invloed in de waagschaal te stellen. Met den abt de Laville had Chesterfield kennis gemaakt en hij was met hem, ofschoon zijn diplomatieken vijand, op zoo vertrouwelijken voet geraakt, dat hij hem in later jaren ‘zijn ouden vriend’ noemde en niet schroomde op hun vriendschappelijke betrekking een beroep te doen. ‘Wij waren tegelijkertijd vrienden en vijanden, toen wij in den Haag waren,’ - schreef Chesterfield1) in 1749. - ‘Het heeft niet aan ons gelegen, zoo wij niet reeds voor vier jaar vrede gehad hebben.’ Op derde plaatsen ontmoetten de gezanten der krijgvoerende mogendheden elkander, en bespraken, wat ieder hunner, om hoe uiteenloopende redenen ook, wenschte.

De vrucht dier besprekingen bleek twee dagen na Chesterfield's vertrek. Den 22en Mei bracht de abt de Laville een bezoek aan den Raadpensionaris van der Heim, om hem mondeling mede te deelen, dat de Fransche koning, ondanks de behaalde voordeelen, volkomen genegen bleef tot het aangaan van vrede op billijke voorwaarden. Deze opening werd in de volgende maand gevolgd door den voorslag van een vredescongres, en van eenige punten, die tot preliminairen konden dienen. Door der Staten gezant in Londen werd aan het Engelsche ministerie kennis gegeven, en het denkbeeld van een diplomatieke samenkomst aangedrongen, voornamelijk op grond, dat het voor beide staten zeer zwaar zou zijn, den tegenwoordigen, zeer drukkenden oorlog voort te zetten. Doch ondanks Chesterfield's steun, zonder eenige vrucht.

De stemming te Whitehall was in zijn afwezigheid geheel veranderd.

De conventie van 30 Maart 1745 was in Engeland met groote blijdschap vernomen. Voor de partij, die het ministerie had gevormd en steunde, scheen het een belangrijk feit, dat zij had tot stand gebracht, wat zelfs Carteret niet had vermocht. De Republiek had voor de eerste maal, sedert den aanvang van den oorlog, zich tot een stellige verbintenis laten bewegen. Chesterfield zag zich, om zijn groot diplomatiek beleid, met lofspraken overladen. Een lid van het parlement, die

[p. 314]

niet tot zijn vrienden behoorde, paste op hem de karakteristiek toe, die Clarendon van Hampden geeft: ‘een hoofd, om groote dingen te bedenken: een tong, om er toe over te halen: een hand, om ze uit te voeren.’

Men betreurde alleen, dat de overeenkomst slechts voor een enkel jaar, niet voor den geheelen duur van den oorlog was gesloten. ‘Ik ben overtuigd - schreef Philip Yorke1) aan den ouden Horace Walpole - dat alles is verkregen, wat mogelijk was. De Staten waren zeker tot niets meer te brengen. Het is eigenlijk onbegrijpelijk, dat wij zooveel moeite hebben om hen tot iets te bewegen, wat voor hun eigen veiligheid en onafhankelijkheid volstrekt noodzakelijk is.’

Chesterfield zelf was bij uitstek kalm over die zoogenaamde diplomatieke overwinning. Toen hij in Engeland terugkwam, na, gelijk hij zeide, het weinige goed te hebben gedaan, wat in zijn vermogen was, wees hij zijne ambtgenooten nadrukkelijk op de keerzijde der medaille. In het hoofddoel zijner zending was hij volstrekt niet geslaagd, had hij stellig schipbreuk geleden. De Republiek weigerde de oorlogsverklaring aan Frankrijk. Waar een man als hij, bekend en invloedrijk in de Republiek, zijn doel niet had kunnen bereiken, mocht men aannemen, dat een ander niet gelukkiger zou zijn. Het was thans den tijd, om, zoo als bij de samenstelling van het kabinet was besloten, den koning op de noodzakelijkheid van den vrede te wijzen.2)

Doch, hoe nederig en bescheiden de gezant ook wees op zijn geleden nederlaag, de meerderheid der ministers volgde hem niet. De liefde tot den vrede was met den persoon van Lord Granville geweken. De hertog van Newcastle zag geen ander middel om den wrok des konings te overwinnen, dan door blindelings, gelijk Carteret, de oorlogzuchtige politiek van George II te omhelzen. Chesterfield mocht praten, wat hij wilde: het baatte hem niet. Hij had het ongeluk ten deele geslaagd te zijn, waar hij volkomen schipbreuk had moeten lijden, indien zijn vredelievende inzichten zouden zegevieren. Minder dan ooit dachten zijne ambtgenooten er aan, door het voorstaan

[p. 315]

van vredesonderhandelingen, den steun des konings aan het wankelen te brengen. Engeland, zoowel als Frankrijk, bereidde in Juni 1745 zich tot een krachtiger krijgvoering voor. In Amerika was Cape Breton aan de Franschen ontnomen: een groote expeditie derwaarts werd beraamd. ‘Het scheen - zoo spotte Chesterfield - alsof twee deelen van den geest des gunstelings in de ministers waren gevaren.’ Niet vrede, maar vernedering, ‘kleinmaking’ van Frankrijk, was hun leus geworden.

Even strijdlustig scheen de vijand, de regeering te Parijs. Zij bedreigde Engeland met een inval en een aanslag, om de kroon van Groot-Brittannië aan de Hanoversche dynastie te ontnemen.

Te midden van het hernieuwd wapengekletter was geen plaats voor vredelievende stemmen. Op den laatsten dag van de Augustusmaand verliet lord Chesterfield Londen, om als lord-luitenant van Ierland het gezag van Engeland's koning en volk over ‘green Erin’ te handhaven.

 

Theod. Jorissen.

 

(Slot in het volgend nummer).