De Gids. Jaargang 49


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1886


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 357]

Pontiaan van Hattem. Een bladzijde uit de geschiedenis der gereformeerde kerken dezer landen.

‘Waarom,’ vraagt Dr. A. van der Linde1), klagende over ‘onze wetenschappelijke achterlijkheid en onverschilligheid’, ‘heeft bijvoorbeeld noch geen Nederlandsch theoloog een geschiedenis geschreven van het Hattemisme en de daarmee samenhangende interessante verschijnselen in de Gereformeerde kerk der zeventiende en achttiende eeuw? Dat ware een verdienstelijker en dankbaarder werk, dan de ontelbare bijdragen tot het scheurpapier der toekomst.’

De toelichting kon ietwat vriendelijker luiden en de aanleiding van minder overdrijving getuigen. Maar de vraag is alleszins gepast. Zij werd trouwens in anderen vorm reeds vroeger gesteld, o.a. door Dr. B. Glasius, toen hij een artikel over Pontiaan van Hattem2) besloot met den wensch, ‘dat de geschiedenis van Van Hattem en van de zijnen door een bevoegde hand, voor wie niet alleen de hierover uitgegeven stukken, maar ook de oorspronkelijke oorkonden toegankelijk zijn, in een helder licht moge gesteld worden.’

Het antwoord kan kort zijn. Er valt niet te denken aan een volledige geschiedenis van Van Hattem en de Hattemisten, zoolang niet de bijzonderheden nader onderzocht en met name het leven en werken van Van Hattem zelf beter bekend en onpartijdiger beschreven zijn, dan tot heden het geval is. De

[p. 358]

geschiedenis van het hoofd der school - indien hier van een school mag en niet veeleer moet gesproken worden van een richting of geestesstrooming - is zoozeer in nevelen gehuld, dat b.v. Glasius kon zeggen: ‘de juiste tijd zijner bevestiging (als predikant te Philipsland) schijnt onbekend te wezen’, om zich vervolgens neer te leggen bij de algemeene opmerking: ‘In 1675 was hij daar reeds predikant.’ Dr. Borsius waagde de gissing: ‘Wanneer Van Hattem omstreeks de jaren 1675 -1680 (als student) te Saumur vertoefde’, enz.; terwijl hij toch destijds reeds sedert eenige jaren predikant te Philipsland was. Dr. H. Heppe sprak, in zijn verdienstelijke Geschichte des Pietismus und der Mystik in der reformirten Kirche1), waarin trouwens meer dergelijke fouten voorkomen, over de aanhangers van ‘Pontiaan († 1706) von Hattem, einer kleinen Stadt in Gelderland, den Hattemisten.’ Carolus Tuinman heet bij allen Van Hattem's voornaamste betrijder, hoewel hij om zeer geldende redenen, geen deel heeft gehad aan zijn vervolging en het hem wegens onrechtzinnigheid gegeven ontslag uit den predikdienst. Dr. van der Linde noemt Pontiaan van Hattem en diens werken, als er sprake is van ‘Spinozistische bewegingen in Holland,’ terwijl één van 's mans warmste vereerders, Mr. Jacob Roggeveen, juist aan den omgang met hem zijn terugkeer van het Spinozisme dankte en vóór het jaar 1696 of 1700, niemand, naar het schijnt, op den inval kwam, dat Van Hattem een Spinozist zou zijn. De heer P. Huet betoonde zich, enkele jaren geleden, in de Stemmen v. Waarheid en Vrede, hoogelijk ingenomen met een door hem toevallig gevonden boek van den Hattemist Jakob Bril, doch haastte zich zijn geloovige lezers in den waan te brengen, dat de geprezen mysticus waarschijnlijk niets gemeen had met den afgezetten predikant van Philipsland. Ypey en Dermout2) zijn betrekkelijk uitvoerig in hun mededeelingen over onzen Pontiaan, maar kennen hem zonder grond een bedriegelijk karakter toe, verdenken hem mede van ‘schrikkelijke ketterijen’, doch stellen deze allerminst in het juiste licht. Borsius, Glasius, J. van Leeuwen en anderen verzekeren, op het voetspoor van oudere schrijvers, dat Van Hattem Verhandelingen of Lessen over den Catechismus had uitgegeven, waarvan de onrechtzinnigheid des schrijvers ontslag als predikant ten gevolge heeft

[p. 359]

gehad. De waarheid is, dat Van Hattem, zoolang hij predikant was, niets heeft uitgegeven en men zijn vervolging heeft ingesteld op grond van.... geruchten. Zoo spannen allen samen, om dwalingen te bestendigen en wat eenmaal in nevelen is schuil gegaan, stillekens in het duister te laten. De een praat en schrijft den ander na. Ziedaar het geheim der eenstemmigheid, waarmede schier allen1), wier gevoelen men gewoonlijk raadpleegt, een hoogst gebrekkig en bovendien ongunstig oordeel vellen over Pontiaan van Hattem, zijn leven en werken.

Allen, die na 1729 over Pontiaan van Hattem hebben geschreven, putten hun kennis aangaande zijn persoon en streven, bijkans uitsluitend, hetzij rechtstreeks hetzij door tusschenkomst van derden, uit het verhaal over Schoristen en Hattemisten, dat zekere Theodorus Hasaeus zijn landgenooten ten beste gaf, om hen te troosten met de wetenschap, dat het sectarisme destijds de orthodoxie niet enkel in Duitschland, maar ook in Holland en met name in Zeeland bijzonder verontrustte.2) In menig opzicht verdient de schrijver den lof van nauwgezetheid en onpartijdigheid. Zijn rechtzinnigheid mocht hem afkeerig maken van den onrechtzinnig verklaarden Van Hattem, en minder geschikt om diens later uitgegeven geschriften onbevooroordeeld te lezen; het blijkt niet, dat hij om die reden de geschiedenis opzettelijk verminkt en ten deele onjuist, ten deele onvolledig zou hebben weergegeven. Maar de bronnen, waaraan hij zijn kennis van de door hem beschreven feiten ontleende, waren niet zuiver. Zijn oordeel over Van Hattem stond reeds vast, toen hij kennis maakte met diens werken, en dat oordeel berustte, evenals zijn kennis van de gebeurtenissen, die hij verhaalde, op de mededeelingen van den heftigsten bestrijder der Hattemisten, den aartsketterjager, hier als ‘vir doctrina et pietate praestans et non paucis scriptis clarum nomen adeptus’ geroemden, Middelburgschen predikant3) Carolus

[p. 360]

Tuinman, alsook op de extrakt-akten van den Zeeuwschen Coetus, die in 1683 het schuldig over Van Hattem uitsprak. Dat men bij het gebruiken dier akten de noodige omzichtigheid noet in acht nemen, zal nader blijken, alsmede in hoever de loor Hasaeus gegeven voorstelling van feiten hier en daar onuist en onvolledig moet heeten. Het vermoeden van Glasius, vaarschijnlijk mede opgewekt door de wijze waarop Borsius over Van Hattem had gesproken, is volkomen juist. Men heeft den vervolgden ‘broeder’ consequenties toegedicht, waarvoor rij niet aansprakelijk wilde zijn, en bij het bestrijden zijner meeningen zich allerminst van overdrijving weten vrij te houden.

Het wordt dan ook meer dan tijd, dat Pontiaan van Hattem beter gekend en alzoo de weg wordt gebaand tot een zuiverder beoordeeling van zijn streven; nu vooral, terwijl onlangs een tweede Hattemist, Marinus Adriaansz. Booms zijn uitnemenden biograaf heeft gevonden in den heer Aem. W. Wybrands,1) gelijk voor een veertigtal jaren zijn geestverwant Mr. Jacob Roggeveen eenzelfde geluk te beurt viel door Dr. J. Borsius.2) De voornaamste werken van Van Hattem zijn behoudens enkele uitzonderingen, gemakkelijk te raadplegen3), althans voor ieder, die niet opziet tegen de lektuur van een viertal kwartijnen van omstreeks 700 bladzijden. Zij zijn verschenen onder den algemeenen titel: ‘Den val van 's Werelts Af-God, ofte het Geloove

[p. 361]

der Heyligen, zegepralende over de Leere van eygen geregtigheid. Klaar vertoont in de nagelatene Schriften van Pontiaan van Hattem. Vervattende Zijne Verklaaring over eenige voornaame Texten uyt de H. Schrift, en andere byzondere stoffen; verstrekkende alles tot volkomen vertroosting, en dus tot Zaligheid van 's Menschen ziel. Uitgegeven door Mr. Jacob Roggeveen.’ Dl. I te 's Gravenhage bij E. Boucquet, 1718; Dl. II en III te Amsterdam in 1719 en, evenals Dl. IV in 1727, zonder plaatsnaam, ‘gedrukt voor den Uytgever.’1)

Hoe belangrijk echter deze verzameling van meer en minder omvangrijke geschriften van Van Hattem ook moge wezen, zij verspreidt weinig licht over diens uitwendige lotgevallen en geeft allerminst een in bijzonderheden afdalend antwoord op de vraag: wie was deze Pontiaan van Hattem, toen hij als predikant van Philipsland werd afgezet; en waarom ontving hij dat ongevraagd ontslag? Zullen wij ons daaromtrent houden aan berichten uit de eerste hand, dan behooren wij als hoofdbronnen te raadplegen: de notulen van den Kerkeraad der Hervormde gemeente te Philipsland; de aktenboeken der voormalige Classis van Tholen en Bergen op Zoom, waartoe de gemeente van Philipsland destijds behoorde; de ‘Verantwoordinge van P. van Hattem, overgelevert den 27ste Mey 1683’; en - voorde jaren 1683-1706, de aanteekeningen van den Kerkeraad van Bergen op Zoom.

[p. 362]

Aan de hand van deze bescheiden, die ik op mijn gemak heb mogen lezen1), wensch ik - zoo al geen levensbeeld te ontwerpen, dan toch - een zaakrijke bijdrage te leveren tot de kennis van Pontiaan van Hattem, zijn leven, lotgevallen en werken.

I. De predicant van Philippilandt.

Het begin en het einde van eens menschen leven veroorzaken in den regel heel wat drukte en houden niet zelden velen ijdelijk bezig. Dat mag ook gezegd worden van het predikantseven van Pontiaan van Hattem in de eenvoudige Hervormde gemeente te Philipsland. Wat aan het geboorteproces voorafging, gedurende den langen tijd van voorbereiding, waarin het kind opwies tot knaap, de knaap tot jongeling en de jongeling tot man, is ons evenwel in de bijzonderheden niet bekend. Wij weten slechts met zekerheid, dat onze Pontiaan, zoon van Diederick van Hattem en Johanna Muijshouts, den 16den Januari 1641 te Bergen op Zoom werd geboren2) en theologie studeerde in de Sleutelstad, waar hij, blijkens het Album Civium Academicorum den 4den Mei 1661 werd ingeschreven als ‘Pontianus van Hattem, Bergopzoma-Brabantus, annorum 20, Theol. Stud.’ Kwam de twintigjarige jongeling van huis, of uit den vreemde? Hasaeus, die niets zegt van zijn studeer en te Leiden, spreekt over zijn verblijf aan de Akademie te Saumur, waar hij aller aandacht zou hebben getrokken, als Spinozist verdacht en voor zijn medestuden-

[p. 363]

ten gevaarlijk zou zijn geweest1). Borsius omschrijft deze mededeeling2) in dier voege, dat Van Hattem te Saumur zijn ‘letteroefeningen’ zal hebben volbracht. Tegen de mogelijkheid van deze opvatting valt niets in te brengen, indien wij denken aan den leeftijd, waarop Pontiaan te Leiden werd ingeschreven, en aan het feit dat destijds ‘vele Nederlandsche jongelingen’ aan de genoemde Fransche hoogeschool ‘vertoefden.’ Doch evenzeer is het mogelijk, dat onze Pontiaan als theoloog Saumur heeft bezocht, hetzij vóór hetzij na zijn proponentsexamen, waartoe hij zich den 11en Januari 1667 te Tholen bij de Classis aanmeldde, en dat hem den 22en Maart 1667 werd afgenomen, waarna zijn naam het eerst weer wordt genoemd den 2en April 1669, toen de Classis, die hem beroepbaar had gesteld, hem mede aanbeval voor de openstaande predikantsplaats te Wouw en Haerle.3) Een ‘theoloog’ had in die dagen minstens evenveel reden als een, die zich nog slechts in de voorportalen van de Sancta Theologia bevond, om, indien hij daartoe in de gelegenheid mocht zijn, eenigen tijd te vertoeven aan de om haar vrijzinnig Kalvinisme, men zegge dan beroemde of beruchte, hoogeschool van Saumur. Het blijft intusschen de vraag, of Van Hattem wel inderdaad aldaar gestudeerd en Hasaeus Saumur misschien niet, door een of ander misverstand, geschreven heeft in plaats van Leiden. Het laat zich zeer wel denken, dat Van Hattem, wiens werkkracht en talenten later door vrienden en tegenstanders gelijkelijk werden geroemd, reeds als student te Leiden de opmerkzaamheid van velen trok en in zekeren zin een licht was in zijn kring. Misschien is aan Hasaeus het een of ander ter oore gekomen van een langer of korter verblijf van Van Hattem

[p. 364]

als proponent, te Saumur en heeft de reuk van onrechtzinnigheid, waarin die akademie stond, hem verder aanleiding gegeven om de beschuldiging, als ware Van Hattem een Spinozist, uit diens laatste levensdagen naar zijn studententijd over te brengen. De wijze toch, waarop zij wordt gestaafd, het beroep op een veelgelezen exemplaar van Spinoza's werken, dat na Van Hattem's dood in diens bibliotheek werd gevonden, is al bijzonder weinig geschikt om vertrouwen op haar juistheid in te boezemen. Zij wordt vrij wel van alle kracht beroofd door de opmerking, dat van de genoemde beschuldiging nauwelijks eenig, en zelfs volstrekt geen spoor wordt gevonden in het felst van den strijd, noch in het vonnis in 1683 over den ketter gewezen, vóór het jaar 1700, terwijl zij na dien tijd, toen Willem Spandaw, ‘Opziender der Gemeente tot Oudelande,’ den ‘bedekten spinosist’ had ‘ontdekt’, aan de orde van den dag kwam en bleef.

Hoe het zij, Saumur werd dan bezocht of niet bezocht door den aanstaanden, of door den reeds aanvankelijk te Leiden gevormden theoloog Van Hattem, toen deze den 11en Jan. 1667 de gewone vergadering der Classis binnenstond ‘met versoek dat hij moghte tot het examen praeparatorium toegelaten en bij de Classis van Tholen en Bergen op Zoom als haren ordinaris proponent aangenomen werden,’ kwam hij het laatst van Leiden. Immers, zijn verzoek werd toegestaan, ‘na vertoogh van zijne behoorlijke Testimonia van kercke en academie binnen Leyden.’ Het examen werd bepaald op 22 Maart 1667 ‘binnen Bergen op Zoom en heeft de praeses hem voorgeschreven om bij predicatie te verhandelen den Text Rom. III: 28 “wy besluiten dan dat den mensche etc.”’1) Alles ging naar wensch. Op den vastgestelden dag heeft zich de examinandus ‘volgens het rapport van de presente E. Broeders predicanten; soo in examine als propositione over den text hem opgelegt en te verclaren, loffelijc gedragen tot volle vergenoeginge, in dier wegen dat de voors. Candidatus seer geern is aengenomen onder de propenenten onder het aspect deser Classis resolverende.’ Noch toen, noch later bij zijn tweede kerkelijk examen, eenig bewijs van wantrouwen in zijn rechtzinnigheid. Alleenlijk bleef hij, gelijk allen, ‘verplicht en verbonden tot de vol-

[p. 365]

doeninge van de bewuste summa in de handen des handen des quaestoris Classis volgens de bekende wet,’ (fo. 288).

Het blijkt niet, dat onze proponent, behalve te Wouw en Haerle, in April 1669 (fo. 355), ergens in aanmerking is gekomen, voordat Ds. Vincent Bolle te Philipsland een beroep naar Serooskerke in Schouwen had aangenomen, dat door de Classis werd goedgekeurd den 3 November 1671 (fo. 451). Met het oog op den naderenden winter1) stemde de Classis er in toe, dat het vertrek van Ds. Bolle niet werd afgewacht en het beroepingswerk te Philipsland reeds in Dec. een aanvang nam. Den 16en dier maand kwam het Collegium Qualificatum, bestaande uit de ouderlingen Aelbrecht Lambrechtsen en Willem Willemsen Meijer, de diakenen Cornelis Pover en Dignus de Bruijn, ‘beneffens Cornelis Lambrechts en Abraham Cornelissen Cruijthof gedeputeerde van de Ed. Vrouw Cornelia van der Nisse, ambachts vrouw in dese plaetse,’ samen onder leiding van den Director (Consulent) Ds. Gillis of Egidius Burs (Bursius), van Oud-Vossemeer. Men besloot Zondags, 20 Dec., den predikant Nathan Vaij, van Haerle, te gaan hooren, hetzij in zijn woonplaats, hetzij te Oud-Vossemeer, en den anderen dag ‘binnen de stadt Bergen’ ‘alle’ proponenten, die tot de Classis behoorden, met name Keetman, Stuart, Fernij en Van Hattem. De heeren werden aangeschreven en lieten zich hooren, de eerste te Oud-Vossemeer, de proponenten te Bergen. De commissie, bestaande uit A. en Corn. Lambrechtsen, Meijer en den Director, verklaarde zich den 27en bij monde van laatstgenoemde zeer voldaan, inzonderheid over Vaij en Van Hattem. Een nieuwe commissie, bestaande uit Alb. Lambrechtsen als ouderling, Cruijthof als gedeputeerde van de ambachts-vrouw en de Bruijn als diaken, zal andermaal Ds. Vaij gaan hooren en tevens Ds. Middelhoven, te Wouw, ‘beneffens d' andere proponenten tot Bergen op Zoom op Oud-Vossemaer,’ om daarmede dan ‘van dat werck te cesseren.’ Intusschen verviel het hooren van Ds. Vaij, omdat hij zelf op Philipsland kwam preeken, het avondmaal bediende en van de gelegenheid gebruik maakte om zelfs alle lidmaten te bezoeken. De pro-

[p. 366]

ponenten, de vier genoemden en op verzoek van de ambachtsvrouw ook N. Culenburge, mochten, zich eerst den 11 Maart 1672 te Oud-Vossemeer laten hooren, hoewel voor deze plechtigheid de 5 Februari was vastgesteld, omdat toen de ‘harde vorst,’ zoowel hun overkomen van Bergen als dat der Philipslanders had belet.

Den 17en Maart kon men eindelijk een keuze doen en werd ‘met eenparigheyt van stemmen’ beroepen ‘den Eerw. Godtsaligen en Wysen Heer’ Pontiaan van Hattem. De schoolmeester, Pieter Roelantse van Suurvelt, moest per missive dit ‘godtlyck beroept’ overbrengen.

De beroepene scheen evenwel te twijfelen, of alle dingen wel eerlijk en met orde waren geschied. Hij maakte bezwaar de, ‘gedaene beroepinge op syn persoon gevallen ... te ... accepteren alvorens hy over de gestipuleerde conditien in de beroepinge geincludeert en geexpresseert het Judicium Classis had gehoort.’ Die voorwaarden hielden o.a. in, dat hij alle beroepingskosten (het gaan hooren van predikanten en proponenten; het vergoeden van reiskosten aan dezen, enz.) voor zijn rekening nemen en bovendien de pastorie, gebouwd door Ds. Bolle en door kerkvisitatoren bij hun jongste bezoek geschat op 2200 Carls. guld., voor die som zou koopen. Het Collegium Qualificatum had zich tot het stellen van die voorwaarden laten bewegen door de Edele Ambachtsvrouwe der ‘plaatse’, die te Middelburg woonachtig wel gaarne haar rechten deed gelden, doch naar 't schijnt zich liever geen offers van eenige beteekenis getroostte in het belang van haar Philippslandt. De Classis toonde zich uitermate verbolgen. Zij improbeerde het beroep, ‘oordeelende van de syde der beroepers de sonde van simonie begaen te sijn’, en ontsloeg Ds. Bursius van zijn directorschap. Op het laatste kwam zij evenwel nog in dezelfde zitting terug, nadat de ontslagene ‘gedoleert’, ‘geprotesteert’, en verklaard had ‘tot soodanige handelinge hier voren vermelt, gedwongen ofte genoodsaeckt geweest te sijn.’ Er moest nu ‘de novo’ beroepen worden. Het Collegium Qualificatum legde zich neer bij deze uitspraak.1) Maar de Edele Ambachtsvrouwe maakte bezwaar. Zij wilde zich niet onderwerpen en zich op een buitengewone Classis beroepen. Het

[p. 367]

kostte vrij wat moeite haar te beduiden, dat het laatste niet ging en het eerste onvermijdelijk was. Eindelijk gaf zij toe en beloofde zij haar onmisbare medewerking tot het doen van een nieuw beroep, doch op voorwaarde dat de Consistorie van Philipslandt alle kosten en schulden voor haar rekening nam. Den 27en Mei werd nu andermaal het beroep uitgebracht op den proponent Van Hattem, doch thans ‘suyver ende sonder eenige conditie met meerderheyt van stemmen.’ Het zal der Classis worden aangeboden ter approbatie ‘nae oude coustuymen ende ordres,’ opdat de gemeente ‘mochte nevens andere kercken voorsien sijn van een ordinaris Herder ende Leeraer in dese luctueuse tyden.’1)

Den 3den Juni vergaderde de Classis, doch vele leden waren afwezig, waarom men de goedkeuring van het beroep uitstelde, doch intusschen kennis nam van de bijzonderheden, waarop men niet aarzelde het nader examen van den beroepene vast te stellen op 12 Juli, waartoe hem ‘om als dan te verclaeren’ Prov. 17 vs. 13 werd opgegeven en voorts opgedragen ‘den predick of kerckendienst in Philippiland tot de aenstaende ordinaire classe te sullen waernemen, 't welck syn E. heeft ingewillicht, om of door hem selven ofte door een ander te sullen praesteren, en de naer gecomen te werden.’2) Toen nu de Classis, den 12den Juli binnen Tholen vergaderd, zich overtuigd had, dat het beroep andermaal op Van Hattem uitgebracht, was ‘onbeswaart en onbesmet’; en dat de beroepene genegen was, het ‘in de vreese des Heeren aan te nemen’, is men aanstonds ‘na gedane propositie toegetreden tot het examen, in welke examen D. Pontianus van Hattem op verscheidene Theologie questien, hem van den E. praeses voorgestelt, soodanige antwoorden heeft gegeven, dat met eenparige stemmen is goet gevonden syn E. te verklaren bequaam om het predikampt en den H. dienst in de gemeente van Philipilant te bedienen, wenschende dese vergaderinge syn en de gemeente van Philipslant Gods segen over desselfs beroepinge, blijvende D. Aegidius Bursius als director gequalificeert en geordonneert om den beroepenen predicant na behoorlijke voorstellinge in synen dienst te bevestigen’ (fo 466). De afkondigingen hadden zonder stoornis

[p. 368]

plaats en de bevestiging volgde zoo spoedig mogelijk, den 31sten Juli 1672 en wel, niet door den Director, maar door Ds. Josephus Le Gouche, van Stavenisse.1) Bij de eerste gelegenheid, den 11den Oct. 1672, werd de nieuwe predikant van Philipsland zonder eenig bezwaar door de Classis ‘voor een lit der selver aengenomen, mits betalende aan den questor Classis ses weken tractement ende teyckenende het formulier van eenigheyt, hetgene Syn E. opgenomen heeft te doen,’ waarna hem werden ter hand gesteld ‘brieven van voorschryven aen haere Ed. mo. Gecommitteerde Raden van Zeelandt tot bekominge van sijn tractement’ (fo 469).

Wie nu meenen mocht, dat eindelijk alles in orde was en de predikant van Philipsland zich voortaan onverdeeld kon wijden aan zijn gemeente, bedriegt zich. De Classis legde hem ets in den weg. Integendeel, zij hield hem de hand boven het hoofd en hielp hem zooveel mogelijk in het oplossen van een paar lastige vraagstukken, die hem niet weinig moeite veroorzaakten. Hij was en bleef, ook in haar schatting, tot 2 Juli 1680, een van haar meest waardige leden, een trouw bezoeker der vergaderingen en op zijn beurt haar praeses of haar scriba, die zijn plicht behoorlijk in acht nam. Niemand die haar Akten van Oct. 1672-2 Juli 1680 doorbladert, zal daardoor op het vermoeden komen, dat Pontiaan van Hattem ooit zijn medeleden van de Classis in eenig opzicht zal ergeren, of aanleiding geven tot rechtmatigen aanstoot. Niet één, die hem in welken zin ook verdenkt. De vraagstukken, waarop ik doelde, hadden trouwens niets te maken met de leer. Zij betroffen het leven en wel dat van den gewezen Director van Philipsland en van Van Hattem's voorganger, Ds. Vincent Bolle.

Ds. Bursius was de rechte broeder niet. Hij weigerde de boeken over te geven en rekening te doen van gelden, die hij nog onder zich had en die behoorden aan de armen te Philipsland. Brieven en persoonlijke bezoeken beantwoordde hij met hoon en spot; en toen hij eindelijk, bevreesd geworden voor den invloed der Classis, de boeken terugzond, hield hij sommige stukken en bladzijden achter, terwijl hij, ‘uit afgunstigheit tot zijnen persoon,’ hier en daar dingen had ingevoegd, die voor

[p. 369]

Van Hattem ‘zoo diffamatoir waren als leugenachtigh,’ dat deze zich wel bij de Classis moest beklagen. Nu werd de gewezen Director, die wellicht een wrok koesterde tegen Van Hattem, omdat deze de voorwaarden bij het eerste beroep gesteld, niet had willen aanvaarden, wel is waar gedwongen eigenhandig zijn leugenachtige en lasterlijke woorden door te halen, de uitgescheurde bladzijden terug te geven en binnen zes weken het geld der armen te verantwoorden. Doch er verliepen nog ongeveer zes maanden, eer de schuld werd vereffend. Toen dit geschiedde, in Mei 1673, was het intusschen reeds gebleken, dat Bursius ook in het Aktenboek der Classis leugenachtige en lasterlijke aantijgingen tegen Van Hattem, in nog niet voorgelezen notulen, had weten in te lasschen en dat hij, ofschoon hij het tegendeel had verklaard, nog niet alle bescheiden van den Kerkeraad te Philipsland had teruggegeven en evenmin al het geld verantwoord, zoodat wederom de Classis in de zaak moest worden gemoeid.1)

Niet minder hoofdbrekens berokkende den predikant van Philipsland de regeling der geldzaken tusschen kerk en armen zijner gemeente eenerzijds en zijn ambtsvoorganger aan den anderen kant. Bolle had geld onder zich van de diakonie, maar beweerde vrij wat meer te hebben voorgeschoten voor den kerkbouw, die tijdens zijn verblijf te Philipsland had plaats gehad. Hij stelde de afrekening telkens uit, zocht uitvluchten zonder tal, en liet zich wachten nu hier dan daar. Van Hattem daarentegen was steeds op zijn post, hetzij in zijn eigen gemeente, hetzij te Zierikzee, te Tholen of elders waar men, nu eens met, dan weder zonder scheidsrechters zou samenkomen. Met behulp der beide Classes, die van Tholen en van Schouwen, werd ten slotte een zevental arbiters benoemd, aan wie het gelukte de zaak tot een door alle partijen goedgekeurd einde te brengen. Maar nauwelijks was dit geschied, den 24sten Mei 1676, of St. Annaland legde te Serooskerke beslag op de gelden, die Bolle aan Philipsland moest uitkeeren, welke zaak evenwel zeer spoedig door tusschenkomst van een nieuwe groep arbiters-predikanten werd geschikt.2)

Bij al deze verwikkelingen leeren wij Van Hattem kennen

[p. 370]

als bedachtzaam en beleidvol, verdraagzaam en bescheiden, steeds ijverig en te goeder trouw de belangen zijner gemeente behartigende. In den aanvang komt hij er rond vooruit, ‘dat zijne onkunde in 't stuk der arme middelen niet dan tot nadeel van den armen konde strecken’, waarom hij, 3 Aug. 1672, wenscht ‘van de broederen diaconen rekeninge af te vorderen’.

Doch spoedig heeft hij zich op de hoogte gesteld en laat hij den Kerkeraad besluiten, een extra-collecte te houden voor de armen, omdat zij door de vacature veel schade hebben geleden. Men zal dan ook gaan bij de Roomschgezinden en hun verzoeken, voortaan geregeld gelden bijeen te brengen voor de kas der diakonie, aangezien ook hun armcn uit dezelfde bron worden geholpen (25 Dec. 1672.) Blijkt het nu, bij het doen der rekening, dat men spaarzaam moet zijn, er wordt dan tevens vastgesteld, dat men voortaan ‘geene kerkelijcke reparatien meer zal betalen.... uit de aalmissen, gelijk voorheen wel is geschiet, doch dat men in geval van nootzakelycke verbeteringe, ofte hernievinge der kerke, hulpe zal trachten te verkrijgen, het zij ran het gemeene lant, het zij uit de inkomsten van d'Ambachtsheerlyckheit van dese plaatse.’ Tevens worden nog andere regelen voor een ordelijk en deugdelijk beheer der armenfondsen en voor een behoorlijke bedeeling aangenomen (29 Jan. 1673). Als een ongelukkig kind moet worden uitbesteed, bemoeit Van Hattem zich persoonlijk daarmede en zien wij hem met den knaap door zijn gemeente loopen. Het bijhouden der boeken en het toezicht over de armenzorg zijn blijkbaar goed aan hem toevertrouwd. Kerkvisitatoren, die naar de gewoonte dier dagen met eigen hand, in het aktenboek der door hen bezochte gemeente, een verslag van hun bevindingen schreven, konden dan ook niet nalaten opzettelijk te vermelden, dat ‘het boek der armenrekening in debita forma wert bevonden, bijsonderlyck sedert den 1 December 1670 (lees: 1672), zijnde den tijt dat den tegenwoordigen pred. D. van Hattem het selve boeck gehouden heeft.’ Is er later, in het begin van 1680, tijdelijk eenig geld te beleggen, het verwondert ons niet, dat men Van Hattem eigenlijk tegen zijn zin opdringt, het onder zich te nemen.

Trokken de armen en hun belangen hem aan, niet minder de openbare eeredienst en de school. Hij zou geen najaar zien komen zonder te zorgen, dat in tijds maatregelen werden genomen om een geschikt lokaal te vinden, waar gedurende den

[p. 371]

winter ondcrwijs aan de jeugd kon worden gegeven. Blijft het ‘stellen van eene schole’ voor 's ‘Lants rekeninge’, hoewel toegezegd, een onvervulde wensch; Van Hattem laat niet na er telkens bij de Heeren op aan te dringen en verhoort men zijn rechtmatige bede niet, hij huurt maar weer de kamer van Siervelt, schoolmeester, in deze plaatse, voor de somma van 9-9-0 ende dat voor vier maanden tijdts; werdende de geseide Mr. Pieter1) verder gelast eene tafel en zoo veel banken gereed te maken als er om gevoegelijck school te konnen houden dienstigh zullen worden bevonden (22 Mei en 15 Oct. 1673). Als het noodig is, wordt ‘Mr. Pieter vermaant, zich in zijn ampt, gelyck bij hem voorhenen was geschiedt, weêr zoo te quiten, dat hij gode rekenschap van zijnen dienst, en de gantsche gemeinte door zijne naarstigheit vergenoegen zoude trachten te geven’ (3 Nov. 1675). Is er kans op, eenige uitbreiding te geven aan het onderwijs, door een gelegenheid daartoe ook gedurende de zomermaanden te openen, Van Hattem leent gaarne de behulpzame hand. Wel acht hij het oirbaar, aan Mr. Pieter ‘optie’ te gunnen, doch als dit achtbaar hoofd der school verklaart ‘dat het zijne gelegenheit niet was langer school te houden als zyne gezette tydt’, stemt hij er niet alleen in toe, dat Matien Adriaans zich gedurende den zomer met het geven van onderwijs belast, maar belooft hij zelfs de gemeente van den predikstoel te zullen opwekken tot een trouw bezoeken van haar school, terwijl hij de aanstaande onderwijzeres vergunt ‘dat de eerste openinge met het luiden der klocke geschiede’ (14 Maart 1677).

Neemt hij, die voor alle belangen een oog en een hart heeft, bereidwillig op zich, namens den Kerkeraad aan ‘de Ed. Ambachtsheeren mondelingh voor te dragen de noodzakelycheit van eenen schout’, mede ‘van haar Ed. voorzichtigheit het weghnemen van zoo veel onordentlyckheit verwachtende, als'er in dese gemeinte door gebreck van eenen schout veroorzaackt waren’; wij vergissen ons, naar het mij voorkomt, toch niet, indien wij vermoeden, dat hij bij dezelfde gelegenheid met meer opgewektheid zal hebben gevraagd om het ‘stellen van eene schole’, om onderstand voor ‘onsen nootdruftigen armen’

[p. 372]

en ‘voor de kerke’, met name om ‘eenige behoeften tot het H. Nachtmaal’, om ‘de reperatien van onze kerke, met versoek, dat ons haar Ed. in het besolliciteren der selver doch geliefden behulpigh te zyn; en dat ons haar mildadigheit doch van een tafelkleet, servet, beeker etc. tot het H. Nachtmaal vereischt, geliefden te versorgen’ (22 Mei 1673). Want de kerk en haar dienst gingen hem boven al ter harte; doch niet ter wille van de kerk en haar luister, maar opdat de leden der gemeente langs dien weg zouden toenemen in geestelijken wasdom.

Zijn werk neemt hij geregeld waar. De bediening van het avondmaal wordt niet verzuimd en evenmin het huisbezoek vóór elke avondmaalsviering, zoowel op het dorp als op het land, en de daarmede verbonden censura morum in één, twee, soms drie vergaderingen van den Kerkeraad. Men vindt de bijzonderheden daaromtrent zorgvuldig opgeteekend in de net geschreven en geregeld bijgehouden notulen. Daar wordt ook nauwkeurig rekenschap gegeven van elke afwijking van de bestaande orde, nu eens omdat het barre seizoen geen omgang op het land gedoogt, een ander maal omdat deze of die voor een keer liever moet worden overgeslagen; slechts tweemaal, in Oct. 1677 en in Nov. 1679 is er sprake van een ernstige ongesteldheid, die stoornis bracht in den geregelden gang van zaken.

In het preeken was Van Hattem overvloediger dan, streng genomen, noodig was. ‘Gemerckt den droevigen staat van landt en kerke in de vereenighde nederlanden’, werd reeds enkele dagen na zijn bevestiging, den 3 Aug. 1672, besloten ‘tweemaals in de week, des avonts een half uur voor sonnen ondergangh een onderling gebet in de kerke te doen, ten einde wy door onse smeekingen Gods toorn van ons lieve vaderlant mochten afwenden ende de ingewanden zyner barmhartigheid tot ontferminge over het zelve mochten bewegen: ende zyn daartoe bestemt de dynsdagh en de donderdagh, zullende het eerste gebet worden gedaan op den 9 Augustus 1672’. Bij het korten der dagen werden deze gebeden nagelaten en, den 23 Nov., vervangen door ‘eene wekelijckse avontpredicatie, zullende dezelve worden gedaan met ofte wat na sonnen ondergangh.’ Voor de noodige ‘kaarssen ende kandelaars’ werd een beroep gedaan op de ‘mildadigheit’ der gegoede gemeentenaren. De ‘opzieners’ gaven een goed voorbeeld, daar zij ‘yder te desen

[p. 373]

einde gewilliglyck zeker getal van kaarssen hebben gecontribueert.’ Het schijnt evenwel, dat men spoedig verzuimde de noodige kaarsen te brengen en eenvoudig den predikant voor licht liet zorgen, hetgeen dezen eindelijk verdroot, waarom hij bij den aanvang van den derden winter zich wel weder bereid verklaarde tot het houden van avondgodsdienstoefeningen, doch alleen op voorwaarde, dat vooraf een voldoend aantal kaarssen zou zijn verzameld. Die van ‘het gemeene lant’ hadden, ondanks herhaalde aanmaningen, niets gegeven, zoodat het ‘menighmaal was gebeurt wanneer men des woensdaaghs op zouw luyden dat dan de kaarssen noch te komen waren’. De vergadering stemde toe, dat het voor den predikant ‘te lastigh was, als hy studeren moest, dan voor kaarssen te moeten sorgen’, weshalve zij besloot hem van alle bemoeiingen in dezen te ontslaan en aan den schout A. Lambrechtsen op te dragen, de kaarssen ‘uit handen van die in de gemeinte daartoe bereidtwilligh zouden gevonden worden te verzamelen’ (14 Oct. 1674).

Een andere poging om ‘de gemeinte te versamelen’ op een vroeger niet gebruikelijk uur werd sedert 19 Mei 1675 beproefd. ‘Nadien voor desen op Hemelvaarts-dagh in dese plaatse noit gepreekt was’ en dit toch ‘by 't Synode van Dort geordonneert was,’ stelde Van Hattem aan den Kerkeraad voor, daarin verandering te brengen. Dankbaar nam men zijn aanbod aan.

De tucht werd gehandhaafd, het blijkt uit enkele voorbeelden, doch steeds met bedachtzaamheid, nooit haastig en altoos met de kennelijke bedoeling om de afgedwaalden zoo mogelijk spoedig weder te leiden in het rechte spoor. Voor de Reformatie en haar eischen stond Van Hattem pal. Het was hem een oorzaak van groote bekommering, hoe te handelen met ‘den doop der Roomsgezinde kinderen, inzonderheit wanneer der acht gegeven werdt op de woorden van het gewoone formulier’ (19 Aug. 1672). De Kerkeraad had geen licht. Men zou de Classis raadplegen. Als werkelijk het geval zich voordoet, dat iemand zijn kind gedoopt wil hebben, doch weigert toestemmend te antwoorden op de laatste twee vragen van het formulier ‘omdat hy de gereformeerde kerke niet hielt voor de rechtzinnige,’ terwijl de Classis nog geen uitspraak deed, besluit hij ‘te rade te gaan’ met eenige der oudste predikanten van de Classis.1) Zoo weinig

[p. 374]

dacht Van Hattem er aan, van de kerkorde af te wijken of in dergelijke twijfelachtige zaken eenvoudig zijn eigen weg te gaan.

Als de Classis, op verzoek der Bergsche kerke, ‘erkennende het veelvuldige gebreck van reformatie in leeraars, in ouderlingen, in diaconen en in particuliere ledematen, in recommandatie had de gegeven aan alle kerken’ van haar ressort, ‘wisten zij eenige werkelijcke uitsporigheden in eenige der bovengenoemde personen aan te wijsen in eenige der kerken van ons district, dat zij die doch zouden inbrengen’; dan stelt Van Hattem niet voor, dit stuk ter zijde te leggen, noch verraadt hij eenige vrees, dat ooit langs dien weg tegenover hem zal worden geprocedeerd; maar verklaart hij zich veeleer bereid, er bij voorkomende gelegenheden gevolg aan te geven, en doet hij al vast een middel aan de hand, dat tot het gewenschte doel zal helpen leiden. Opdat n.1. ieder, die met het bestuur der kerk belast was, mocht weten, ‘waar hij zich na hadde te gedragen,’ moest de Classis zorgen, ‘dat de synodale resolutien en de kerken ordeningen, die niet gedruckt waren, mochten worden gedruckt, en die alreedts gedruckt, edoch niet te bekomen waren, dat die nevens de placaten van Politie alle herdruckt mochten worden.’ Tevens werd overwogen, dat de aanwezige broeders ‘in haar zelfs en in dese gemeinte noch veel dingen te verbeteren vonden, en niettemin dat zij 'er andere sagen, daar de reformatie noch meer, als hier van nooden was: edoch, nadien zij het wegnemen van deze gebreken oordeelde te zijn eer eene stoffe tot haren wensch, als een voorwerp van hare hope,’ wilden zij vooreerst geen andere maatregelen nemen (19 Jan. en 10 April 1675). Die onthouding tegenover den classikalen drang tot kerkzuivering, of wil men: tot kerkherstel, hoe argeloos hier ook gepredikt, is met het oog op Van Hattem's houding in de later tegen hem gevoerde procedure, inderdaad karakteristiek.

Intusschen is hierbij geen sprake van eenig verzst, gelijk dan ook de persoonlijke kerkvisitatie, den 12den en 13den Nov. 1675 gehouden, niet de minste ongeregeldheid in des leeraars veeleer hooggeprezen leer en leven aan het licht bracht.

[p. 375]

Hoe zou dit ook mogelijk zijn, moet men vragen, indien men de Akten heeft gelezen, die hij wel is waar zelf heeft geschreven, maar die toch een niet te versmaden indruk geven van zijn persoonlijkheid1). Van Hattem was een man des vredes, wien het geestelijk welvaren zijner gemeente innig ter harte ging. De dogmatiek stond blijkbaar bij hem, als herder en leeraar, niet op den voorgrond. Het vrome en godzalige leven der hem toebetrouwde kudde gold bij hem meer dan haar rechtzinnigheid in de leer, al treffen wij geen enkel bewijs aan, dat hij met de zuiverheid der leer den spot dreef, of haar opzettelijk bezoedelde.

Verdraagzaam, vredelievend en hulpvaardig. Dat was hij ongetwijfeld. Maar daarom nog niet gezind om, waar gepaste eigenliefde het tegendeel eischte, zichzelf weg te werpen. Wij wezen er reeds op, hoe fier hij stand hield in de worsteling met den oud-Director Bursius en met zijn voorganger Bolle. Nog enkele staaltjes van gelijke strekking treffen wij in de door hem gehouden Akten aan. De schoolmeester b.v. wordt ernstig onderhouden en vermaand ‘zijnen predicant altijdt met behoorlijck respect te bejegenen’, als hij dezen inderdaad heeft beleedigd, omdat hij door hem wegens plichtverzuim was terechtgewezen (1 Jan. 1675).

Het meest sprekende voorval van dien aard en dat onze bijzondere opmerkzaamheid verdient, omdat het in zijn alledaagschheid en eenvoud een eigenaardig licht doet opgaan over Van Hattem's karakter, is het volgende. Huibert Lambrechtsen, eigenaar van een kleine woning, die door een gemeenen muur verbonden was geweest aan een afgebrand huisje, dat den armen toebehoorde, had de gemeenschap van den muur niet willen erkennen en zich ‘den steen’, die ‘tot profijt van den armen’ verkocht moest worden, toegeëigend. Zachte woorden, bedreigingen, het aanbrengen van bewijzen en getuigen, niets had gebaat, en Lambrechtsen had ‘hardtneckigh’ volgehouden, dat

[p. 376]

hem ‘de geheele middelmuur toebehoorde.’ Daarop had de predikant hem onder vier oogen ‘in de kamer genomen’ en ernstig vermaand ‘in den loop dien hij hadde begonnen zoo hartneckelijck niet te willen voortvaren; hem vertoonende dat hij hadde te doen met arme middelen, en dat het hem mogelijck als eene steen op zijn harte in zijn doot bedde zouw mogen leggen’ enz. Daarmede scheen de zaak uit. De predikant en de schout aten weer ‘menighmaal wederzijdts aan malkanderer tafel’ en waren ‘bij naar alle dagen bij malkanderen, zonder dat oit hier van het minste woort tusschen hen was gesproken.’ Ruim een half jaar later kwam het echter uit, dat Lambrechtsen de zaak niet uitgemaakt achtte en daarom reeds tweemaal niet aan het avondmaal had deelgenomen. Hij beschuldigde den predikant, dat deze hem voor een ‘armenberoover’ zou hebben uitgemaakt en eischte herroeping van dien laster. De zaak werd in den Kerkeraad behandeld; de schout voorgeroepen, doch hij verscheen nu eens niet, liep een anderen keer boos weg en wilde dan weer, dat v.H. zou verklaren, dat het hem leed was al wat hij tot zijn nadeel zou hebben gezegd. Bij herhaling betuigde de predikant, dat hij niets had te herroepen, omdat hij niets tot nadeel van den schout had gezegd; dat hij gaarne de verklaring op schrift wilde geven, dat hij hem voor een ‘weldoener der armen’ hield; alleenlijk dat hij niet mocht terugnemen, wat hij als zielzorger binnenskamers den schout onder het oog had gebracht in diens eigen belang. Maanden en jaren gingen voorbij. De schout bleef staan bij zijn eisch en de predikant volhardde bij zijn weigering, totdat het eindelijk aan kerkvisitatoren gelukte, den koppigen Lambrechtsen het hoofd te doen buigen en erkennen, dat v. Hattem hem niet had beleedigd door hem onder vier oogen de waarheid te zeggen1). De vergevensgezindheid en de ootmoed van den predikant, die zich ernstig de vraag stelt, of hij nu wel waardig is het avondmaal te gebruiken, en die vraag buiten hem om door anderen laat beslissen; zijn verstandig geduld oefenen met den hoofdigen Lambrechtsen, dien hij liever voorbijgaat, en niet, naar den eisch dier dagen, censureert, maar ook de gepaste fierheid, waarmede hij zijn waardigheid als herder en zielzorger hand-

[p. 377]

haaft, en die hij geen oogenblik denkt prijs te geven ter wille van den vrede, dien hij liefheeft en gaarne hersteld zou zien, - werpen een gunstig licht over zijn karakter. Hij wil zooveel mogelijk te gemoetkomen aan de eischen zijner tegenpartij, alles toegeven en alles loslaten, behalve den ernst en de waardigheid van het hem toebetrouwde ambt. Zichzelf te verloochenen kost hem geen inspanning, maar zijn plicht te verzaken, of in dit opzicht betoonde trouw te vergoêlijken, als ware hij door te buitensporigen ijver gedreven geweest, is hem onmogelijk.

Bijzonderheden aangaande zijn huiselijk leven vernemen wij niet. Het blijkt niet, dat hij gehuwd was en evenmin, of hij gedurende de jaren van zijn verblijf te Philipsland ernstig elders als predikant in aanmerking is gekomen. Uit de Akten valt daaromtrent niets af te leiden. Wij weten slechts van elders, dat hij in 1676 weigerde te Brouwershaven op nominatie te preeken, gelijk hij het reeds vroeger niet had willen doen te Lillo, te Sas en te Goes. Niet dat hij iets had tegen een verplaatsing, of dat hij de hem bewezen ‘sonderlinge, doch onverdiende eere’ gering schatte. Integendeel, werd hij ergens beroepen, dan zou hij uit ‘gehoorzaamheid’ aan God kunnen gaan; en het treft hem, dat men ‘uit eene zoo merkwaardige plaats hare oogen late vallen op een persoon, die door d' eensaamheit en d' afgesondertheit van zyne plaatse, niet verder dacht dan eene uire in het ronde, ten opsicht zijner gave bekent te wesen.’ Toch kon hij aan het tot hem gerichte verzoek niet voldoen; niet, zegt hij, ‘uit grootsheid van myn hart, maar uit teederheit van myn gewisse.’ Hij vreest zich te bezondigen, als hij lust toont te hebben in een andere kudde, dan waarover God hem stelde; en dat het laatdunkend zou wezen, zich bekwaam te achten voor een grootere gemeente. Bovendien zou de zijne, indien hij niet beroepen werd, al licht denken, dat hij bleef uit nooddwang en niet uit liefde. Dr. Glasius heeft er reeds op gewezen, hoe de brief1), waarin hij voor de uitnoodiging bedankte, hem doet kennen als nederig, gemoedelijk, hoogst ernstig denkend en van het gewicht zijner bediening

[p. 378]

diep doordrongen. De later tegen hem ingebrachte beschuldigingen als ware hij ijdel, eerzuchtig, een liegende en bedriegende vrijgeest, wien de ernst en het besef eener hooge roeping ten eenenmale ontbraken, worden reeds door dezen brief, gelijk trouwens door al wat aangaande zijn persoon en karakter aan het licht treedt uit de door hem geschreven Akten, ten volle wederlegd. Het verwondert ons niet, dat de gemeente, gelijk wij nader zullen zien, aan het einde van den lijdenstijd, die zijn heengaan uit haar midden voorafging, nog een laatste krachtige, ofschoon vruchtelooze poging aanwendde om hem te mogen behouden. Zij had hem lief, gelijk hij haar tot zegen was geweest, als haar vriend en geestelijke leidsman, als haar herder en leeraar, die allerminst door haar werd verdacht van onedele bedoelingen, of van eenig onheilig, niet rechtzinnig streven. Zij kende hem, gelijk hij zich steeds aan haar had vertoond, als eerlijk en oprecht, bevorderende zooveel hij kon den bloei van aller godsdienstig zedelijk leven en daarbij - waarom zou hij het niet zijn? - zuiver in de leer. Niets doet vermoeden, dat hij in iemands achting niet goed gereformeerd zou zijn geweest. Zelfs, hoewel geen vriend van noodelooze kapitalen, schrijft hij in den regel, wat tegenwoordig meer dan één, die jacht maakt op vermeende echt gereformeerde zeden, kan doen watertanden: HEERE.

II. De procedure.

Als een donderslag bij helderen hemel, zoo trof, naar wij meenen ons te moeten voorstellen, den bewoners van Philipsland de mare, dat hun leeraar werd verdacht van onrechtzinnigheid. Wie het eerst het gerucht daaromtrent had verbreid, laat zich niet met zekerheid aanwijzen. Onwaarschijnlijk is de opvatting niet, dat Classisbroeders lont geroken en de zaak ter sprake hadden gebracht in hun vergadering van den 2en Juli 1680. Althans Van Hattem verzocht dien dag, dat men zijn kerke zou visiteeren. Wat de strekking was van zijn verlangen bleek weldra, toen kerkvisitatoren zich den 9en en 0en Juli te Philipsland letterlijk aftobden om eenig bewijs in handen te krijgen van des sprekers onrechtzinnigheid. Doch al hun pogingen waren vruchteloos. Kerkeraadsleden en cate-

[p. 379]

chumenen gaven, zoo min als de verdachte zelf, hoe lang en op hoe verschillende wijzen ook ondervraagd, een deugdelijken grond voor een doeltreffende aanklacht. Toch was het wantrouwen niet weggenomen en scheen het daarom een gelukkige uitkomst, dat Van Hattem in den loop van het onderhoud vertelde, dat hij 14 Lessen had geschreven over het Kort Begrip van den Heidelbergschen Catechismus. Die stukken mocht hij eens vertoonen! De lektuur bevredigde niet, doch gaf evenmin het vereischte licht. Daarom wenschten de heeren de geschreven Lessen mede te nemen. Zij konden dan nauwkeuriger worden onderzocht. Wel maakte Van Hattem eerst eenig bezwaar, maar hij eindigde toch met de belofte, voor een afschrift te zullen zorgen.

Een der visitatoren, Ds. Abr. van Dooreslaer, wachtte de vervulling dier belofte niet af, en haastte zich een naamloos geschrift te bezorgen, waarin hij Van Hattem van zekere ketterijen beschuldigde, waarnaar deze in de eerstvolgende vergadering der Classis een onderzoek wenschte ingesteld te zien. Men had dan, naar hij meende, een goeden grondslag ter beoordeeling van de loopende geruchten. De vergadering wilde echter naar dien redelijken wensch niet hooren en drong aan op overlegging van de toegezegde Lessen. Niet zonder aarzelen besloot Van Hattem, het zelf gesmede wapen zijn tegenstanders in handen te geven. Hij reikte een zevental zijner Lessen over. Deze werden gelezen en het oordeel luidde eenparig: de schrijver is onrechtzinnig en moet in zijn bediening worden geschorst, hij en alle kerkeraadsleden met hem, omdat de mede-afgevaardigde ouderling zijn partij had durven opnemen in de eerwaarde vergadering.

Dit geschiedde den 1en en 2en October. Maar het Collegium Qualificatum van Philipsland nam in die besluiten geen genoegen. Deze vergadering, samengesteld uit kerkelijken en politieken, achtte met reden haar rechten verkort en gelastte Van Hattem, zich niet te onderwerpen aan de opgelegde censuur en zijn dienstwerk geregeld waar te nemen. Natuurlijk behaagde die inmenging den Classisbroeders allerminst, doch hoe hun vermeende rechten tot bescherming van de bedreigd geachte rechtzinnigheid te handhaven? Daartoe werd besloten, den Ambachtsheer van Philipsland en Gecommitteerde Raden van de Staten van Zeeland in den arm te nemen, terwijl men inmiddels, den 22en Oct., het vonnis der schorsing bekrachtigde

[p. 380]

en den beschuldigde zijn tweede zevental Lessen wist afhandigte maken. Daarna was men bereid, hem terecht te wijzen, niet opdat de punten in geschil tot helderheid zouden komen, maar om den ketter van zijn dwalingen te overtuigen.

Het Collegium Qualificatum had echter ook met die herhaalde schorsing geen vrede. De Ambachtsheer bleef partij trekken voor den vervolgden predikant en bevond zich, met dezen, juist te Middelburg bij Gecommitteerde Raden, toen de afgevaardigden der Classis hun hulp inroepende opwachting bij de Edelmogenden kwamen maken. Dezen hoorden partijen, vonden geen schuld in den beklaagde, doch wilden de beoordeeling van 's mans rechtzinnigheid, mits zij inderdaad behoorlijk werd onderzocht, gaarne overlaten aan de Classis, maar de schorsing hieven zij op, als in strijd met de bestaande kerkorde.

De Classis volgde dit voorbeeld, den 2en Nov. gegeven, door den 12en derzelfde maand uit eigen beweging de censuur over den Kerkeraad op te heffen. Tevens besloot zij de zaak niet los te laten. Zij volhardde bij haar oordeel, dat de Lessen waren vol ‘rauwe en aanstootelijke stellingen’ en zond een harer leden, met de noodige afschriften, naar Leiden en Utrecht, opdat de Theologische faculteiten aldaar haar gevoelen over den inhoud mochten kenbaar maken. Reeds den 10en Dec. kon aan de Classis worden bericht, dat Leiden en Utrecht eenparig Van Hattem veroordeelden, weshalve men hem ‘deportabel’ verklaarde en, thans den wettigen weg volgende, het Collegium Qualificatum van Philipsland verzocht, tegen den onrechtzinnig bevonden predikant ‘te willen procederen tot deportement’ en hem voorloopig te ‘suspenderen.’ Na eenige aarzeling bewilligde het Coll. Qual. in het laatste. Een schorsing voor zes weken, later stilzwijgend voor onbepaalden tijd verlengd, werd den 27en Febr. 1681 over Van Hattem uitgesproken in de hoop, dat hij zich bezinnen, zich met zijn Classisbroeders verzoenen, of zich rechtvaardigen zou. Hoe gaarne had hij het laatste beproefd, maar men gaf hem de gelegenheid niet. Men wilde slechts, in herhaalde samenkomsten, dat hij zou herroepen en hij hield staande, dat de broeders zoowel als de genoemde faculteiten hem kwalijk hadden begrepen; dat hij met hart en ziel was gehecht aan de H. Schrift, aan de Confessie, aan den Heidelbergschen Catechismus en aan de Canones van Dordrecht; dat herroeping zijner

[p. 381]

Lessen zou wezen de Gereformeerde religie verloochenen. Tegenover den drang der Classis tot deportement van den ketter, stond maandenlang het kennelijk streven van den Ambachtsheer om de zaak voorshands sleepende te houden. Voorwaar niet zonder bedoeling. De Leidsche hoogleeraar Wittichius had een nader onderzoek toegezegd en zich lang met Van Hattem onderhouden, waarop deze had beloofd eenige uitdrukkingen te wijzigen, en daarna de aldus geredresseerde Lessen rechtzinnig verklaard. Juist hadden de Staten van Zeeland, daartoe bewogen door de van ongeduld brandende Classis, het Coll. Qual. gelast, de zaak binnen 14 dagen ten einde te brengen, toen het samenkwam en besloot, 6 Oct. 1681, den geschorsten predikant in zijn ambt te herstellen.

Groot was nu de verbolgenheid der Classis. Zij weigerde de hand der verzoening aan Van Hattem, die beloofde haar zooveel mogelijk contentement te geven en zich te zullen onthouden van alles wat aanstoot mocht hebben gewekt, of in het vervolg zou kunnen verwekken. Hij moest zijn eerste Lessen herroepen; de geredresseerde waren trouwens niet beter. Zij zond haar ijlboden naar Middelburg en nauwelijks had de vervolgde, den 12en Oct., zijn dienstwerk des Zondag-voormiddags verricht, of een bevel van Gecommitteerde Raden ontzegde hem bij vernieuwing den kansel, totdat zijn zaak nader zou zijn overwogen. Den 9en der volgende maand mocht hij evenwel de schorsing als opgeheven beschouwen, nadat Gecommitteerde Raden hem en andere belanghebbenden gehoord en de brieven van Wittichius hadden gelezen. Op hun last werden nu afschriften van de geredresseerde Lessen naar de godgeleerde faculteiten te Leiden en te Utrecht gezonden, om consideratie en advies. Utrecht volhardde bij het vroeger uitgesproken ongunstige oordeel; Leiden zag thans geen reden meer tot vervolging. Waaraan zouden de Zeeuwsche Raden zich houden? Zij riepen de hulp in van de Classis en lieten, overeenkomstig haar raad, Van Hattem in hun tegenwoordigheid door haar afgevaardigden ondervragen over zekere stellingen en tegenstellingen, die genoemde afgevaardigden hadden getrokken uit Van Hattem's Lessen. De heeren werden overtuigd, dat de geredresseerde Lessen inderdaad niet beter waren dan de oorspronkelijke, en dat beklaagde zijn stellingen niet wilde herroepen. Hij werd, 9 Maart 1682, andermaal geschorst, nu voor den tijd van drie maanden, ter-

[p. 382]

wijl de Classis intusschen moest beproeven, hem te verbeteren en van dwaling te overtuigen. Aan samenkomsten daartoe geen gebrek. Maar van eenige ernstige poging aan de zijde der Classis, om het voorwerp van haar geloofsijver te begrijpen, geen flauw spoor. De toenadering, die zij beoogde, bestond eeniglijk in de erkenning door Van Hattem, dat hij had gedwaald en dat hij bereid was zijn Lessen te herroepen. Men trok 105 stellingen uit deze opstellen, plaatste tegenstellingen daartegenover, en eischte dat de beklaagde de eerste herroepen en de laatste zou aannemen. Maar in een beoordeeling van de juistheid zijner bedenkingen, dat deze stellingen voor een deel zijn gevoelen niet uitdrukten en dat hij bovendien, na zijn onderhoud met de Leidsche godgeleerden in zijn Lessen de noodige wijzigingen had gebracht, wilde men niet treden. Evenmin wilde men toelaten, dat hij zijn afwijkende meeningen verdedigde en haar gereformeerd karakter bewees. Het waren dwalingen, en wat zij als zoodanig had gestempeld, waren Van Hattem's stellingen. Dat stond bij de Classis onwrikbaar vast. Geen wonder, dat toenadering en verzoening, zoowel als ‘verbetering’ van den verdoolde, onmogelijk bleken.

Eindelijk gaf de Classis den moed op en verzocht zij aan Gecommitteerde Raden, een Coetus of Provinciale Synode samen te roepen uit de vier Classen van Zeeland. Maar Van Hattem had ook nog zijn vrienden te Middelburg, en nogmaals en nogmaals werd de Classis vermaand, een verzoening met den beklaagde te beproeven. De Classis gehoorzaamde, evenwel telkens met denzelfden onbevredigenden uitslag. De verdoolde was in haar oog niet te redden, en voorshands was op zijn ‘verbeteringe’ niet te hopen. Immers, hij bleef volharden bij zijn meening, dat hij goed gereformeerd was en ten allen tijde bereid dit te bewijzen, maar even standvastig weigeren, zijn Lessen of de daaruit getrokken stellingen te herroepen.

Van hun goed recht tegenover den beklaagde waren de broeders overtuigd. Doch zij oordeelden het niet ongeschikt, niet daarop uitsluitend te vertrouwen. IJverig waren en bleven hun afgevaardigden in de weer om de machthebbende heeren te Middelburg te ‘begroeten’ en hoofd voor hoofd te overtuigen, dat Van Hattem inderdaad ‘dwaalachtich’ moest heeten. Ten slotte zagen zij hun ijver bekroond met een besluit der Staten, krachtens hetwelk de gewenschte Coetus tegen den 17en Mei

[p. 383]

1683 te Middelburg werd samengeroepen, ‘ter presentie en overstaen’ van twee politieken. Een lange reeks zittingen werd gewijd uitsluitend aan het onderzoek van Van Hattem's rechtzinnigheid. De meergenoemde stellingen en tegenstellingen werden ten grondslag gelegd van den strijd, waarin het den beklaagde niet weinig moeilijk werd gemaakt en waarbij hem allerminst werd vergund, zich te verdedigen op de wijze, die hem de meest doelmatige toescheen.

De uitslag was te voorzien. Den 29en Mei 1683 werd de Sententie geteekend, waarbij Pontiaan van Hattem ‘gesuspendeert predicant van Philippilandt’ werd ontzet uit zijn ambt. Wel namen Gecommitteerde Raden van Zeeland, in hun vergadering van 8 Juli, met dat besluit geen genoegen en verklaarden zij de Sententie eenvoudig te beschouwen als een ‘advys en oordeel’; maar zij deden dat niet om te voldoen aan den wensch van beklaagde, zijn kerkeraads- en gemeenteleden. Hun adressen werden ter zijde gelegd en onmiddellijk daarop Van Hattem bij resolutitie van de Edelmogende Heeren als predikant ontslagen, met bevel om zich ‘met der woon uyt Philippilant elders te begeven.’

Het hoofddoel was intusschen bereikt, de gevaarlijk geachte ketter uit zijn ambt ontzet en bovendien uit zijn woonplaats verbannen, zij het dan ook ten koste van veel oefeningen in geduld, van heel wat moeiten en zorgen, van kniebuiging, vleierij en het bewandelen van nog eenige andere weinig aanbevelenswaardige wegen.

Een meer omstandig verhaal dezer dingen, dat voor de meeste lezers van dit tijdschrift minder gewenscht scheen, kunnen belangstellenden vinden in het Archief voor Ned. Kerkgeschiedenis, Dl. I, bl. 273 vv.

III. De oeffenaar van bergen.

Den 27en Augustus 1683 voldeed Van Hattem aan den ontvangen last van Gecommitteerde Raden en verliet hij Philipsland, om daar, voor zoover ik heb kunnen nagaan, nooit weder te komen. Niet dat het laatste in zijn bedoeling zal hebben gelegen. Het kostte hem veeleer moeite, zich neer te leggen

[p. 384]

bij die strenge opvatting van het gebod, dat hij het eiland ‘met der woon’ zou verlaten, waartoe zijn tegenstanders hem dwongen. Dat bleek al spoedig, toen men hem, een halfjaar na zijn vertrek, verzocht de papieren over te zenden die hij betreffende de kerk van Philipsland nog onder zich had en ‘sig gereet te maaken tegen de Classis ordinaar in April, om alsdan voor gedeputeerde deser vergaderinge de rekeninge van de Armen tot Bergen af te doen;’ en toen hij daartegen zijn bezwaren had ingebracht: dan ten overstaan van den geheelen Kerkeraad die rekening te doen ten huize van R. Anthonissen te Oud-Vossemeer. Hij wilde daarvoor naar Philipsland komen en te vergeefs verzocht men hem nogmaals daarvan af te zien en te ‘berusten.’ Hij zag niet in, welke dringende redenen men had, om hem ‘buyten’ zijn voormalige gemeente te houden en hij bepaalde een dag waarop hij zou overkomen. Doch men haastte zich hem te melden, dat het dien 14en Mei volstrekt ‘ongelegen’ kwam. De ambachtsheer, de Mauregnault,1) werd in den arm genomen; en deze prees des Kerkeraads voorzichtigheid. Indien men anders had gehandeld, zou men ‘daarom selve moeten lyden hebben van den Staat.’ Men moest nog eens uit zijn naam bij Van Hattem aandringen om toch toe te geven. Toen ook dit niet hielp, lokte hij, om de dierbare gemeente in rust te houden, een bevel uit van Gecommitteerde Raden, waarbij den gewezen predikant van Philipsland werd gelast, binnen acht dagen te Oud-Vossemeer rekening te doen van de armenpenningen zijner voormalige gemeente. Maar deze hield den last der heeren, buiten wier rechtsgebied hij zich bevond, ‘voor genotificeert ofte bekend gemaakt’ en wachtte nog ruim een maand voordat hij den 20en Sept. 1684, niet te Oud-Vossemeer, maar te Bergen, ten overstaan van den geheelen Kerkeraad van Philipsland, rekening en verantwoording deed van zijn gehouden beheer. Het geld had hij reeds vroeger gezonden2).

[p. 385]

Of inderdaad de rust der gemeente, gelijk men voorgaf, gevaar liep te worden verstoord door een bezoek van den gedeporteerden predikant? Het laat zich moeilijk denken. Na het uitwerpen van den ontrouw bevonden herder, was de schaapskooi behoorlijk gereinigd en ontsmet. Aanvankelijk mochten de goede Philipslanders van harte een adres voor het behoud van den gesententieerden leeraar geteekend en aan hun verbolgenheid tegenover de Classis lucht hebben gegeven, door den bode der eerwaarde heeren met minachting te bejegenen, in stede van hem zijn loon te betalen en den brief ter bijwoning van een vergadering op 22 Juli 1683 af te teekenen1); spoedig legden zij het hoofd in den schoot, toen zij zagen dat tegenstand niet kon baten en volkomen onderwerping hen te eerder in het bezit van een nieuwen predikant zou stellen. De Classis meende het immers zoo goed met haar, ‘die erbarmelijke en noodtlijdende kerke,’ omtrent welke zij ‘de ingewanden der barmhertigh. in haer voelde rommelen’ (fo. 405). Op haar last preekte Ds. Mevius den 1en Augustus te Philipsland. Hij las aan het einde der godsdienstoefening, van den preekstoel aan de gemeente voor: zoowel de Sententie van den Coetus als de Extractakten van de daarop gevolgde vergadering der Gecommitteerde Raden van de Staten van Zeeland. Een kerkeraadsvergadering kon hij bij die gelegenheid niet houden, omdat zijn medeafgevaardigde, Ds. Regius, niet tegenwoordig was; maar hij sprak toch met eenige kerkeraadsleden (fo. 407). Hetzelfde deed de Classis in haar vergadering van 10 Aug. met den schoolmeester Pieter en den ouderling Geertsen, toen zij achtereenvolgens om verschillende redenen binnen stonden. Mr. Pieter werd in het voorbijgaan ‘geëxamineert en gesundeert wegens sijn gevoelen van de Leere of veeleer heterodoxie van Pont. van Hattem.’ De uitslag was bijzonder gunstig. Hij ‘ontkent onder diere woorden hoe dat hij altoos een aversie van de nieuwe Leere gehadt, ent' noyt met hem (nu gesententieerden ketter) ghehouden hadt.’ De ouderling, die een geregelde waarneming van den predikdienst kwam vragen, werd meteen gesondeerd of hij ook vergiftigd was met de zielverderfelijke leer van Van Hattem, en gevraagd waarom de Kerkeraad diens partij tegenover de Classis voortdurend getrokken, hem ‘niet gecensureert

[p. 386]

neemaer oock begeert en geeyscht’ had? Het antwoord luidde, dat hij, ouderling Geertsen 1o. ‘niet genoeghzaem en is verlight om van Hattem's Leer met een goed gemoedt te kunnen verfoeyen. 2o. dat hij selver niet en weet tegens dese vergaderinge gerebelleert te hebben, immers dat het soo quaet niet gemeynt en heeft. 3o. wij sijn sleghte luyden; wij sijn nogh voor, nogh tegen sijn Leer geweest, wij en verstonden ons op die zaecke niet’ (fo. 408).

De laatste betuiging was bij uitstek geruststellend, ofschoon misschien een weinig beschamend voor de Classis, die het heil der gemeente afhankelijk had geacht van het ontslag des predikers, dien zij zoo ijverig ten einde toe had vervolgd. Doch het blijkt niet, dat zij daarvan eenig besef heeft gehad. Zij nam verder de noodige maatregelen; en dienovereenkomstig bezochten de predikanten Regius en Rodenburgh Philipsland op den 15en en 16en Augustus. Er werd kerkeraadsvergadering gehouden en ‘alle gerequireerde satisfactie gegeven wegens tevooren gepleegde onordentelyckheden.’ Men liet zich ‘een geruimen tijd onderwijsen in de suijvere gereformeerde Leere der waerhyt die nae de godzaelighyt is,’ waarna de ‘Lessen der leugen en dwalinge, die tot de ongebondenhyt leyden, door den Verlyder Pont. van Hattem haer geleert,’ werden afgezworen. Men betuigde zijn leedwezen over de ‘excessive stoutighyt’ om bij requeste aan de Staten te vragen, den man te mogen behouden, die ‘reets bekent stondt voor een Wolff en verleyder.’ Men wist niet beter dan dat hij zich op den rechten weg bevond. Men was eigenlijk nooit deugdelijk onderwezen en in staat om de ketterij van de waarheid te onderscheiden. In één woord, men was zoo meegaand en gewillig als de Classis slechts kon wenschen (fo. 409-11). Allen, - behalve de ouderling Willem Willemsz. Meyer. Hij was niet ter vergadering aanwezig. Dat was de schuld van Mr. Pieter, volgens de broeders. Doch de Classis vertrouwde die verontschuldiging niet en bepaalde, dat Meyer aan het beroepingswerk geen deel zou mogen nemen, tenzij hij mede vooraf de dwalingen van Van Hattem afgezworen en een desbetreffende verklaring zou hebben onderteekend. Bovendien beklaagde zij zich over zijn ‘contumaele,’ toen zij hem vruchteloos voor haar rechterstoel had gedaagd, bij den heer de Mauregnault (fo. 411 en 419). En ook Meyer, die indertijd ten aanhoore der volle Classis de

[p. 387]

partij van zijn herder en leeraar had opgenomen, ofschoon langer dan één der anderen hem getrouw, boog ten slotte het hoofd en teekende wat hem werd voorgelegd, toen het Collegium Qualificatum hem den 25en Oct. 1683 alleen op die voorwaarde wilde toelaten tot deelneming aan het beroepingswerk.1)

De nieuwe predikant, Adr. Reygersman, gekozen den 25 Oct. 1683 en weldra in zijn betrekking bevestigd, had evenwel de vereischte goedkeuring der Classis niet kunnen bekomen, voor dat hij behoorlijk was onderzocht, of hij ‘goede kennisse’ had van Van Hattem's dwalingen en of hij ‘sigh oock vorder gesterct vindt in de cracht Gods, om die soo veel als mogelijck sal sijn uit te roeyen, mids daer tegen openbaerlijck predickende en den volcke waerschouwende’ (fo. 427). De gelukwensch, hem gebracht na het welslagen van zijn examen peremptoir, werd besloten met de bede, ‘dat hij sig selven behouden mochte wachten voor, en wapenen sich tegen de schrickelijcke ketterien van sijn voorsaet Pontiaan van Hattem’ (fo.424). Maar toen hij reeds in het voorjaar van 1686 naar Stavenisse was vertrokken, achtte niemand het noodig zijn opvolger, Nicolaas Woutersen, noch diens naaste opvolgers: Johan Boeye (1688-1694) en Joh. van der Cruyssen (1695 vv.) iets bijzonders met het oog op Van Hattem's dwalingen te laten beloven, of op het hart te binden.2) Zoo weinig diepte van aarde had de ‘ketterie’ in de ‘gemeynte van Philippilant’ gevonden. Van waar ook gedurende de eerste jaren bij de Classis klachten werden ingebracht betreffende schrikinboezemende ingenomenheid met Van Hattem's ‘zielverderffelycke’ beginselen; zij kwamen nooit uit des ketters voormalige gemeente. De geschreven handelingen van haar Kerkeraad, hoewel voor een groot gedeelte bestaande uit opmerkingen naar aanleiding van gehouden huisbezoek en daarop gevolgde censura morum, bieden van 25 Oct. 1683-29 Mei 1709, opzettelijk uit dit oogpunt nagegaan, slechts twee voorbeelden aan van gehechtheid aan de leere ofte heterodoxie van den gedeporteerden predikant. Het eerste komt voor in de beschrijving van een geschil tusschen den twistzieken predikant Joh. van der Cruyssen en Willem Meyer, waarschijnlijk den van vroeger bekenden ouderling. Meyer heet daar, dd. 20 Juli 1696, ‘bij den predikant

[p. 388]

suspect te staan aan de quade gevoelens van do. P.v. Hattem.’ Maar de twist werd weldra bijgelegd en van de verdenking werd niets meer vernomen. Het andere geval betreft Corn. Aalbregtsen en echtgenoote, aan wie in Aug. 1700 de deelneming aan het avondmaal was ontraden, omdat zij volhardden bij het gevoelen, dat Christus daartoe zijn bloed had uitgestort, om ons te verzekeren, dat God nooit is geweest onze vijand, maar altijd onze vriend, waarbij de man zelfs zeide, dat hij dit ‘overal waar hy quam andere sogt wys te maken, ja dat daarin alleen Christi voldoening bestond.’ Doch binnen het jaar verklaarden beide echtelieden, ‘niet meer bij de leere van P. van Hattem te willen blijven,’ waarop zij gelijk voorheen aan het avondmaal werden genoodigd.1)

Inderdaad, indien de gedeporteerde predikant in zijn gemeente geestverwante vrienden heeft achtergelaten, dan hebben dezen meesterlijk de kunst verstaan om zich stil te houden en niemand ergernis te geven.

Hijzelf had zich intusschen, verdreven uit Philipsland, begeven naar Bergen op Zoom, waar hij de laatste jaren meermalen vertoefde, als de suspensie hem verhinderde zijn gewone bezigheden te verrichten, weshalve men hem in spoedvereischende gevallen tegelijkertijd zoowel hier als in zijn gemeente placht te zoeken.2) Te Bergen woonden zijn ouders nog en zij namen hem hoogstwaarschijnlijk liefderijk op in hun huis, waar voor Pontiaan zoo goed als voor ‘sijn broeder’ (Samuel?) en ‘sijn twee susters’ plaats was. Overvloed mocht daar niet heerschen, zoodat de verrassende ‘miltdadigheid’ van dezen of genen ‘Heer en Broeder’ ten opzichte van den gedeporteerden predikant niet onwelkom was3); van gebrek of broodzorgen hooren wij evenmin. Wel meenen wij te mogen aannemen, dat en vader en moeder en broeder en zusters zich bijzonder aan Pontiaan gehecht en geestesgemeenschap met hem gevoelden. Reeds hangende de procedure had het de aandacht getrokken, dat het ‘huyshoude van D. van Hattem seer nalatigh bevonden wordt in het gehoor van Godts Woordt,’ weshalve de Kerkeraad zijn gedeputeerden in mandatis gaf ‘om daer op te letten.’ Het

[p. 389]

eerste onderzoek ‘aengaende de persoon (er stond eerst: het huyshoude, maar deze woorden werden doorgeschrapt en daarboven geschreven: de persoon) van Dirk van Hattem’ was bevredigend1). Desniettegenstaande vernemen wij drie maanden later, 3 Oct. 1682: ‘Ende sal de familie van Dierik (= Dirk) van Hattem door den Coster aangesegt werden, dat sy haar sullen onthouden van de Tafel des Heeren tot nader ordre.’ Redenen worden voor deze censuur niet opgegeven, doch zij laten zich gemakkelijk raden. Evenmin blijkt uit de notulen van den Kerkeraad, wanneer en of deze censuur wel ooit werd opgeheven. Bij gelegenheid van een huisbezoek, gebracht door Ds. Aalstius en waarvan deze goed vond verslag te doen in den Kerkeraad2), trok een der zusters3) partij voor de kortelings vervolgde Anna Maria, een warme voorstandster van haar broeder. Zij en de overige leden der familie luisterden met groote belangstelling, terwijl de E. Aalstius zich in hun ‘presentie’ gedurende een paar uur met Pontiaan onderhield. Hadden zij met den predikant van Bergen en niet veeleer met hun bloedverwant ingestemd, de eerste zou niet hebben verzuimd, dit op te merken, zoowel bij deze als bij vele andere gelegenheden, in kerkeraadsvergaderingen en bij het schrijven van notulen. Nooit wordt eenig lid van zijn familie tegenover Pontiaan verhoord; nooit eenig woord, van die zijde opgevangen, hem openlijk of achter zijn rug voor de voeten geworpen, gelijk met zoo menig gezegde van bekende en niet bekende, zelfs volkomen ‘zoek’ geraakte personen, het geval was. Samuel van Hattem komt met name voor, als bij den Kerkeraad pleitende voor het goed recht van Anna Maria op het haar reeds al te lang onthouden avondmaal4).

Behalve zijn familie had Pontiaan te Bergen goede vrienden en aanvankelijk hem weinig of niet bekende geestverwanten.

[p. 390]

Misschien waren, reeds bij zijn komst aldaar, gedeelten van zijn geruchtmakende Lessen over den Catechismus, hoewel buiten zijn weten en tegen zijn wil, gelijk hij zelf dienaangaande, in 1686 of iets later, een verklaring aflegde1), in het licht gegeven. In ieder geval hadden zijn tegenstanders gezorgd, ofschoon met gansch andere bedoelingen, dat zijn meeningen te Bergen niet onbekend waren gebleven. Reeds den 26en Aug. 1681 had de E. Consistorie, waarschijnlijk voorgegelicht en daartoe in staat gesteld door den volijverigen Aalstius, besloten: ‘sullen oock de Lessen van D. van Hattem alhier gelesen worden, maer sullen oock yder ouderlingh te lesen gegeven worden.’2) Zoo was het paard van Troje binnengehaald, nog voordat het gehate werk de drukpers had gezien en terwijl het nog slechts gekend kon worden uit de afschriften, die op last der Classis waren vervaardigd. Bovendien hielden de predikanten hun broeders, medeleden van den Kerkeraad, trouw op de hoogte van den loop der procedure3). Zeker zijn zij niet in gebreke gebleven, van een en ander meermalen te spreken in de gemeente. Voorts had de herhaalde suspensie den predikant van Philipsland veel in de ouderlijke woning doen vertoeven en alzoo in aanraking gebracht met niet weinigen zijner voormalige stadgenooten. Zijn

[p. 391]

zaak was behandeld als een zaak van algemeen belang. Geen wonder dat velen, deels uit nieuwsgierigheid, deels uit belangstelling, iets meer wilden weten van de gruwelijke geruchten en de daarmede samenhangende zielverderfelijke ketterijen. Zoo was de weg gebaand voor Van Hattem's verwerping door de schare; maar ook voor zijn verhooging door bekende en onbekende ‘vrienden.’

Enkelen van dezen betoonden zich aanstonds bij zijn komst in Bergen, 27 Aug. 1683, ‘leerzugtige zielen’ die gaarne nader onderwezen zouden worden in de beginselen, die de ontslagen predikant was toegedaan. Zij ‘verzochten’ hem derhalve, dat hij ‘haar in deze haare verlegenheid behulpzaam, wezen wilde,’ aan welk verzoek hij met de meeste bereidwilligheid voldeed, door ‘twee ofte driemalen ter Week’ met hen samen te komen. Het waren aanvankelijk slechts eenvoudige lieden, die wel ‘langen tyd zeer naarstig ter Kerke hadden gegaan, die ook lang Ledemaaten van de zoo-genaamde Gereformeerde Kerke hadden geweest’ en die Van Hattem ten zijnen opzichte ‘niet yveriger nochte arbeidzamer en konde wenschen’; maar het waren toch ‘men schen zonder Studie; ook waren 't voor het overige Menschen, gelyk de menschen meest alle zyn te dezer tyd, dat is, menschen ongeoeffend van zinnen en van gedachten; ende over zulks onbequaam om hen zelven, hetgeen zy hoorden, eygen te maken’. Ten einde hun geheugen te gemoet te komen, verzochten zij ‘om by geschrift te mogen zien het geene zy reeds hadden geleert’ en hetgeen zij ‘in het toekomende’ nog zouden moeten leeren. Van Hattem vond dit verzoek billijk en schreef nu geregeld ‘van reys tot reys eenige Stellingen voor’, die hij oordeelde, ‘dat van een iegelyk wierden betuygt, zoo menigmaal als hy zoodanige vragen, als wy dan hadden te behandelen, met derzelver antwoorden beantwoorde’. Dat hielp. Niemand kwam nu meer onvoorbereid ter ‘oeffening’ en de spreker kon dikwerf eenvoudig toehoorder zijn. Toch moesten zijn stellingen telkens worden geschreven, hetgeen nog al bezwaarlijk was voor menschen ‘die niet zeer vlug waren van Pen ende die in de wereld niet meer hadden als 't geene zy met hare handen dagelyks wonnen; ende die over zulks tot het beyveren van hare Oeffening geenen tyd overig hadden als dien zy veeltyds 's morgens vroeg, en 's avonds laat aan hare rust onttrokken’. Toen echter hun voorbeeld ‘in andere plaatsen’ navolging vond, legden deze ‘naarstige

[p. 392]

en arbeidzame Zielen’, die ook beter gedrukt dan geschreven schrift konden lezen, de handen ineen en lieten, voor eigen rekening, buiten Van Hattem om, diens ‘voorgeschreve Stellingen’ drukken. Hijzelf wist er niets van, voordat er hem ‘ettelyke Exemplaren van ter hand wierden gesteld’. (Den Val III: 2-6).

Men meene intusschen niet, dat dit gezelschap van ‘Bergsche vrienden’, al noemde men hen weldra ‘de bende van Van Hattem’, in de eerste jaren, zooal ooit, talrijk was. Van Hattem zelf spreekt van ‘seven of acht menschen’, die aldus ‘bij malkanderen’ plachten te komen (bl. 8). En de Kerkeraad van Bergen noemt, ondanks zijn ijverig pogen om alle schuldigen aan de kaak te stellen, niet eens zoovele namen. Hij spreekt van Anna Maria, eens Anna Mary Abrams geheeten; van haar moeder Maaij Jans; van Lysebet de Kappe-stelster; van den Hoedemaker, Hendrik la Cluys, en diens ega Yken; en van Geertruydt Knijff. Deze namen komen bij herhaling voor1), doch ook met uitsluiting van alle andere, zoodat men om tot Van Hattem's ‘seven of acht’ te komen, wel moet omzien naar één of meer van zijn familieleden. Eerst na 1692 treffen wij nog andere namen aan, als van den ziekentrooster Lamot; van den Heer Mourick; van de wed. Graauw; van Stuyt en zijn zuster; van den Vader in het Weeshuis; en van eenige aanzienlijke leden der gemeente2).

Toch waren die weinigen in den aanvang talrijk genoeg in de schatting der predikanten Aalstius, Turceus en Maten, om hen niet onopgemerkt te laten. De Consistorie, reeds vroeger zoozeer begaan met het heil eener niet aan haar zorgen toevertrouwde kercke, dat zij, den 2den Maart 1682, de Classis had verzocht, het daarop aan te houden ‘dat de suspensie ende censure op D. van Hattem in vigeure magh blyven’; kon toch niet dulden, dat haar eigen kudde werd verstrooid of besmet. Reeds voordat de geduchte ketter zich met der woon te Bergen had gevestigd, besprak zij de noodige maatregelen ‘om alsoo dat fenijn in sijn begin te stuyten’. Hoofdelijk verklaarde men zich bereid ‘naerstighlyck op den ommegangh van Do van

[p. 393]

Hattem te letten en yets hebbende dat by tydts bekent te maken.’ Hoe het gevaar reeds inderdaad van nabij dreigde, bleek nog in dezelfde vergadering. Aalstius had, op reis naar Middelburg gehoord, Ds. Ketelaar was zijn getuige, dat Anna Maria openlijk zeide: de stellingen van Van Hattem zijn conform Gods Heilig Woord1). Natuurlijk werd zij voor de Consistorie ontboden en toen alle pogingen om haar de verfoeielijke stellingen te doen ‘verlaten’, vruchteloos waren bevonden, werd haar den 29en Sept. '83 voor ditmaal het avondmaal ontzegd, waarop zij de onbeschaamdheid had te lasteren ‘dat de Geest van dese vergadering was geweken, als oock dat se hier was veroordeelt, als Jesus van de Joodsche vergaderinge.’ Later had zij zich bereid verklaard, voor de Consistorie haar belijdenis te doen. Het zou dan wel blijken, dat zij goed gereformeerd was en wat men tegen Van Hattem had, kon en moest men dan maar met hemzelf uitmaken2). Doch zij had nu eenmaal gezegd, dat Van Hattem's stellingen waren conform Gods Woord. Daarom bleef men eischen, dat zij die stellingen zou verloochenen; en toen zij bij haar weigering volhardde, ofschoon zij beloofd had zich aan de discipline der kercke te zullen onderwerpen, werd haar andermaal het avondmaal ontzegd (Akten K.B. 30 Nov. en 16 Dec. 1683).

Lysebet de Kappe-stelster maakte het niet veel beter. Zij was nog wel zoo hard in sommige stukken van Van Hattem, en verklaarde uit eigen beweging, dat zij niet aan het avondmaal wilde komen, zoolang Anna Maria daar niet werd toegelaten. Desgelijks de Hoedemaker en zijn huisvrouw, als ook Geertruydt Knyff. Zij waren allen, om de suspensie van Anna Maria, reeds weggebleven bij de najaarsbediening. Doch nu werd hun, behalve Geertruydt, het avondmaal verboden; hetgeen echter zoo weinig indruk op hen maakte, dat Lysebet door den koster liet antwoorden: ‘'t Consistorie houdt de geloovigen af van het avondmaal en laat de ongeloovigen toe’ (16 en 24 Dec. 1683).

Dat waren nu de vruchten der ‘conventiculen’, die Van

[p. 394]

Hattem hield. En als het dan nog maar daarbij bleef! Maar men moest ook hooren, dat Van Hattem ‘sigh aenmatight des sieken trooster te spelen.’ Hij had een ‘stervende dochter’ bezocht, de ‘moeder bestraft over haere droefheyt, en oock geseght datter geen ware predicanten in de stadt zijn’ (7 Dec. 1683). Hij had ‘op het afsterven’ van de dochter van den Heer Capt. Berchevel ‘het laatste gebedt gedaen’1); tot een lidmaat der gemeente gezegd: ‘ik zou u niet durven aannemen’, en aan dien persoon briefjes geschreven, waaruit bleek, hoe hij ook schriftelyck sijn zaadt zaaide onder de gemeynte (4 Febr. 1684).

De voortgang der ketterij, hoe bescheiden ook van omvang, kreeg in de oogen van de Consistorie een zeer bedenkelijk aanzien. Zij liet geen middel onbeproefd, om het kwaad te stuiten. Zij bezocht, al was er geen tijd voor het gewone huisbezoek, de verdachten, inzonderheid hen, die naar men zeide zich van de avondmaalsviering hadden onthouden, omdat deelneming was ontzegd aan Anna Maria. Zij censureerde en verlengde de uitgesproken suspensie. Zij waarschuwde en vermaande de verdoolden. Zij onderzocht en deed navraag, allerwege, om achter de waarheid te komen en fundamenten te vinden voor het werk eener doeltreffende aanklacht tegen den gedeporteerden predikant en zijn aanhang. Het ging haar ter harte te weten, en zij zou zien het zoover te brengen, of Van Hattem nog brieven schreef naar Philipsland, en of Anna Maria inderdaad, gelijk het gerucht zeide, zelf anderen van de H. Communie had afgehouden. Zij riep de hulp in der Classis, hoe te handelen tegenover deze ‘hartneckige’? Zou het niet goed zijn de Sententie van den Middelburgschen Coetus en de eerste adviezen der theologische faculteiten van Leiden en Utrecht eens in hun geheel voor te lezen aan de gemeente? (17 Aug. 1683 - 3 Jan. 1684).

Waarlijk, als men de bijzonderheden nagaat in haar notulen, komt men bijkans in de verzoeking te gelooven, dat zij meende wat zij schreef den 7en Jan. 1684, toen men tijdelijk elders één van de drie predikanten ten gebruike verlangde, dat dit in de tegenwoordige omstandigheden onmogelijk kon worden toege-

[p. 395]

staan, o.a. omdat de gemeente ‘in vyer en vlam staat door de troubles’, veroorzaakt door P. van Hattem en zijn aanhangers.

De Classis scheen echter te begrijpen, dat de Consistorie van Bergen niet weinig overdreef en dat men in ieder geval verkeerd deed, zooveel beweging te maken over dwalingen, die daardoor slechts te meer ruchtbaarheid kregen. Zij ontraadde de veroordeelde stellingen, of iets anders betreffende Van Hattem aan de gemeente voor te lezen1). Men moest zich liever wenden tot den Magistraat, doch wel in het oog houden, dat men met ‘bloote woorden of losse geruchten’ niets kon aanvangen. Een nauwkeurig onderzoek naar Van Hattem en zijn adherenten, hun ‘insolente tale en actien,’ bleef noodig (18 Jan. 1684).

Weldra deed zich de gelegenheid voor, om dat onderzoek ernstig ter hand te nemen.

De predikanten, niet de minst ijverige leden van de Consistorie, hadden sedert geruimen tijd niet alleen de verdachten en afvalligen vermaand, maar de geheele gemeente gewaarschuwd tegen de gevaarlijke ketterij, die als een woekerplant zich in haar midden zocht uit te breiden. Twee preeken maakten vooral indruk: één van Ds. Aalstius op den 2en Januari 1684 over de woorden: ‘strydt voor het gelove’ en één van Ds. Maten op Dinsdag 25 Jan. De krijgsklaroen was niet te vergeefs geblazen. Het ‘graauw’ had den wenk van de priesters der ‘waarheid’ begrepen. Het maakte ‘oproer.’ Er ontstond een driedaagsch ‘tumult,’ dat niet dan door tusschenkomst van de overheid kon worden gestuit. ‘De mossel-jongen’ - waardige verdediger van de suyvere gereformeerde Leere! - riep Anna Maria op de straat na: ‘daar is de bruydt Christi;’ waarschijnlijk omdat, naar men zeide, haar oude moeder, Maay Jans, had verklaard: ‘ik heb 73 jaar den Duivel gediend en nu ben ik de bruid van Christus.’ Misschien ook stond het hiermede in verband, dat men Van Hattem nagaf, dat hij zichzelf Gods Zoon zou hebben genoemd; weshalve de straatjongens hem dikwerf naschreeuwden: ‘daar gaat Jesus! daar gaat Jesus!’ Zal hij in die dagen niet het minst hebben geleden,

[p. 396]

wanneer hij zich in het publiek vertoonde; het volk school inzonderheid samen voor de woning van Maay Jans en haar dochter. Men raasde en tierde, men dreigde en schold......

Dat was toch de rechte manier niet, om ketters terug tebrengen van hun dwalingen, meende nu de Consistorie, terwijl zij de handen waschte in onschuld, een vergadering belegde, weeklaagde over den laster, dien Anna Maria en consorten, naar luid der geruchten, uitbraakten over de hoofden der geloovigen; en zij besloot den Magistraat te verzoeken aan de onruststokers te verbieden hun ‘onkruydt te zaayen’. (26 Jan. 1684). De burgemeester, aan wien dit verzoek werd kenbaar gemaakt, verlangde ‘bewijzen’ van schuld bij Van Hattem en de zijnen, waarop den 4en en 5en Februari in een drietal zittingen een merkwaardig getuigenverhoor door de Consistorie werd gehouden. Het was wel bijzonder koud, zoodat er buitengewone maatregelen moesten worden genomen voor de verwarming der wachtende en verkleumende getuigen. Maar de oogst was dan ook eenige inspanning en kosten wel waard! Wat schandelijke dingen kwamen thans aan het licht! De mosseljongen had gescholden, het kon niet worden ontkend, maar Anna Maria had hem ook vervolgens ‘den hoedt afgenomen’ en gezegd: ‘wij hebben de sake Godts voor etc. segt dat uw predicanten die er de moordenaars van zijn.’ Maay Jans had ‘spottelyck gesproken’ van de bekende predikatie van Aalstius over den strijd voor het geloof. Een ander had haar hooren zeggen: ‘foey, het is u schuldt dat er sulken oproer in stadt is,’ en wederom een ander: ‘het rumoer dat ik hier nu aan mijn deur hebbe komt uyt die schoone predicatie dewelke mijn Hr. Maten gedaen heeft.’ Anna Maria had gezegd, dat men om haar niet bekommerd behoefde te zijn en liever moest gaan naar de predikanten, die van het oproer de moordenaars (= bewerkers?) waren. Zij had haar moeder in huis geroepen, met de verzekering: ‘wij wonen hier tusschen de heydenen in.’ De vervolgden hadden zich vergeleken bij Christus op weg naar Golgotha en gezegd, dat men niet over hen, maar liever over zichzelf moest weenen. ‘Wat een geweld, wat een oproer,’ had Maay Jans uitgeroepen: ‘dat doen uw predicanten, die gasten soecken de stadt in een bloedbadt te setten.’ Men wist nu en kon het bewijzen, dat Van Hattem inderdaad briefjes geschreven, een stervende bezocht, ja zelfs eens een half uur

[p. 397]

bij den Hoedemaker in huis was geweest en bij het heengaan had gezegd: ‘weest standvastigh.’ Nog erger; toen er sprake was van de wijze, waarop Aalstius zijn stellingen den 2en Jan. had besproken en een zijner aanhangers beweerde, dat de redenaar had gelogen, ‘misbruikte’ hij zelfs, zonder overigens iets te zeggen, de woorden van Ps. 2 ‘Waarom woeden de heidenen etc.’ Met het oog op wie hem verdedigden had hij gezegd: ‘'t is mij lief dat er nog eenigen zijn, die de knie voor Baäl niet gebogen hebben.’1)

Men had nu stof in overvloed voor een ‘Remonstrantie en deductie van die van den kerkenrade alhier: over mis-usen van Pont: van Hattem en syne adherenten’ aan den Magistraat. De Consistorie verzekert, dat de ontslagen predikant zich te Bergen had behooren stil te houden en zijn dwalingen niet te verbreiden, ‘noch de gemeynte door deselve te ontrusten’, naar de bedoeling van Zeelands Staten en Gecommitteerde Raden. Hij heeft dit evenwel niet gedaan, zich met grooten ijver een aanhang trachten te verwerven, hetgeen hem gelukt is en waarvan ‘de voornaamste’ zijn Anna Maria, Maetgen Jans, Henri Lacluys en Yken zijn huisvrouw en ‘lange’ Lysbet2). Door dezen, gelijk persoonlijk ‘mondelingh en schriftelik’,3) zocht hij zijn dwaalachtige leer voort te planten. Zij spreken ‘zeer qualik van de Leere dewelke van den Souverain van den Lande alhier wordt gemaintineert,’ van de belijders dier leer en zoeken haar op allerlei wijze afbreuk te doen. Daardoor is een oproer tegen hen ontstaan, dat drie dagen duurde, omdat zij niet ophielden met schelden en kwalijk spreken. De Consistorie komt nu, op raad der Classis, met bewijzen tot de Edelachtbaren. Zij legt hun een bloemlezing voor uit het breed opgezette getuigenverhoor en acht, hoewel bereid meer te geven, het aangebodene voldoende ‘om te bethonen, 1o. Dat de voorschreven personen, de gruwelijke dwalingen en stellingen, dewelke van

[p. 398]

Politie en kerke gecondemneert zijn, noch met alle kracht en geweldt soeken voort te planten. 2do Dat sy de Leere en derselver Leeraars en belijders, lasteren en schelden, voor Heydenen, voor Moordenaars, voor baals-dienaars. 3tio Dat sy de gantsche gemeynte ten hooghste perturberen.’ Redenen waarom, de Consistorie de E. Achtbaren verzoekt ‘hier tegen sodanigen voorzieninge te doen, dat de valsche Leere niet verder voortgeplant, die ware Leere ende Leeraars niet meer tegen gegaen en gelastert, en de gerneynte niet meer geturbeert en werde’.1)

Dit stuk werd den 1sten Maart goedgekeurd, den 3den plechtig overgereikt aan burgemeester Bastingius, die er den Magistraat van in kennis zou stellen, hetgeen hij inderdaad den volgenden dag reeds deed; maar den 28sten had men nog niets vernomen. Plet was duidelijk: de Magistraat had zich niet laten misleiden door de handige wijze, waarop de Consistorie had beproefd, de schuld van het oproer met zijn onhebbelijkheden te schuiven op de rekening van de vervolgden. Hij kende het aandeel, dat de predikanten, in hun overgrooten en hartstochtelijken ijver, daaraan hadden gehad2); en hij vond de uitingen der geplaagden en verontrusten zoo heel ergerlijk niet, te meer daar

[p. 399]

zij blijkbaar grootendeels hun ziel in lijdzaamheid hadden bezeten en niet tot handtastelijkheden waren overgegaan. Ook kende hij het zoet gefluit van den vogelaar met zijn huldebetoon aan den ‘Souverain van den Lande’. Intusschen liet de Consistorie hem niet met rust en begreep hij in het belang der publieke kerke toch iets te moeten doen, waarom hij den 21en April ‘van Hattem met zijn bendeke, of immers eenige van deselve op het stadthuys’ ontbood. Wat daar werd gesproken, bleef aanvankelijk een geheim1). Doch later meende men te mogen verzekeren, dat de Magistraat Van Hattem ‘coram had ontboden en silentium geïnterponeert’2). Dat de Heeren die van de Consistorie hebben aangeraden, zich wat te matigen, wordt er niet bijgevoegd; maar het te vermoeden ligt voor de hand. Ook omdat wij sedert van hun zijde geen nieuwe bewijzen van al te hartstochtelijken geloofsijver ontmoeten, maar wel duidelijke sporen van meer bezadigd en berekenend handelen; hoewel hun gruwen van de ketterij niets minder werd. Het is bijkans, als men de notulen leest, of de Consistorie eensklaps nadat Van Hattem en de zijnen ‘op het stadthuys voor de Heeren’ waren geweest, van alle vervolging had afgezien. Zoo kalm en spaarzaam worden de mededeelingen, die van het tegendeel getuigen. Afzonderlijke vergaderingen, ter uitsluitende behandeling van deze zaak, werden niet meer belegd. Men zocht zijn heil in censureeren en in verzekeringen, dat op

[p. 400]

verdachten zal worden ‘gelet’. Daarbij werd telkens weer besloten, den Magistraat te verzoeken paal en perk te stellen aan de stoutigheden van Van Hattem en de zijnen. Doch het mocht niet baten. Integendeel: de afgedwaalden volhardden en de ketterij breidde zich langzaam en in aanzienlijker kringen uit. Den 27sten Mei 1685 moest worden opgemerkt, dat ‘de Hattemisten weer begonnen te woelen en verscheyden lidtmaten stoutelyck veroordeelen en verdoemen’; weshalve men den 15den Juni nog eens, ter opscherping van het geheugen, alle stukken betreffende deze zaak uit de eerste maanden van 1684 met elkander overlas. Den 30sten Juni was er nog geen vooruitzicht, dat de Hoedemaker zijn gevoelen zou loslaten; en den 30sten September waren bij het huisbezoek Lysebet, Anna Maria, de Hoedemaker en zijn vrouw, alsmede Geertruydt op de haven allen bevonden ‘bij het oude gevoelen’. Even voor den 27sten October had Anna Maria, bij de visitatie, kortaf gezegd: ‘dat in deze kerke de waarheijt niet wierde geleert zoo sy meende’; waaromtrent men het eenparig hoog noodig vond ‘met den burgemeester te abougeren.’

In den zomer van het volgende jaar, 1686, deed zich een schoone gelegenheid voor om den Hoedemaker en zijn huisvrouw tot rede te brengen1). Zij waren benoemd tot vader en moeder in het weeshuis te Steenbergen en verzochten hun attestatie daarheen. Doch nu werd besloten, hun die niet te geven, voordat zij ‘in de Consistorie alhier, sullen reclameren de stellingen van D. van Hattem, en belooven met hand-tastinge, directelyck of indirectelyck te sullen voortsetten’, noch elders, noch ‘in het huys’ te Steenbergen. Maar van den afloop hooren wij niets, behalve dat de Consistorie den 2den Aug. geen genoegen nam met Yken's verklaring: ‘ze houde het met Godts Woordt ende den Christelijken Catechismus, rakende de stellingen van D. van Hattem, die houde ick als gesien, sonder meer.’

Den 29en Dec. 1686 geeft men den moed op. Anna Maria heeft alweer ‘de gedeputeerden van dese tafel in de huyssoekinge onfatsoenlyck bejegent.’ Nu zal men haar in het vervolg ‘voorbijgaen.’ Den 10en Juni van het volgende jaar werd

[p. 401]

‘berigt, dat D. van Hattem vrij uijtspoorigh zijne ketterien soeckt voortesetten, onder schijn selve van het drincken van Tee of iets anders diergelycks;’ doch men vond eenvoudig ‘goet en resolveert daerop te letten en bij alle occasie de voorvallen en nieuwigheden tegen te gaan.’ Men wist blijkbaar geen raad en durfde niet vertrouwen op de hulp van den Magistraat om het gehate theeclubje uiteen te jagen. Men zocht troost bij de Classis. Maar ook zij was machteloos en kon, de ‘klaghten’ gehoord, slechts den Kerkeraad verzoeken en gelasten ‘sigh op dat stuck naeder te informeren’1). Op gelijke wijze had zij reeds in April de Consistorie met een kluitje in het riet gestuurd, toen haar afgevaardigden haar hadden bekend gemaakt, ‘dat het schadelijke en schandelijke zielvergif van den veroordeelden P. van Hattem meer en meer in hare gemeinte begoste voort te kruipen, door het houden van conventiculen en het emaneren van eenige schriften, als andersints. 't Welck niet anders als met een ontroeringe is aengehoort. wordende dieshalve de voors. heren broederen gansch ernstig versogt, dat zij geliefden eerster gelegenheit de E. Classis te dienen van berigt om hier in alsdan vorder te handelen na bevint van zaken.’2) Toen had men hoofdzakelijk het oog op een kortelings ‘uytgegeven boek van D. van Hattem,’3) waarin ook gesproken werd van ‘conventiculen door hem gehouden’2) en waarmede wel geen ander dan de reeds meermalen aangehaalde Brief aan zeker Heer zal zijn bedoeld4). Het was een verweerschrift5), waarin de auteur tegenover de vele lasteringen, waaraan hij bloot stond, zijn beginselen zocht te ontvouwen en te verdedigen, terwijl hij vooraf het een en ander mededeelde over zijn wedervaren en optreden als oefenaar, of leider van zekere ‘bijeenkomsten’ te Bergen. Deze Apologie was bij uitnemendheid geschikt om onbevooroordeelden in te lichten en zoo tevens allicht geestverwanten te winnen, maar

[p. 402]

ook, om beide redenen, de tegenstanders nog meer te verbitteren. De Consistorie had het evenwel gedurende geruimen tijd te druk met het zorgen voor het emeritaat salvo stipendio et honore van den jichtigen Aalstius en daarna met het werk der beroeping van zijn opvolger Quintius, om zich veel te kunnen inlaten met de zaak-Van Hattem, waartegen de Magistraat, hoe vaak ook daartoe aangespoord, toch geen strenge maatregelen scheen te willen nemen.1) Toen Sanuel van Hattem den 15en April 1688 kwam klagen, dat men eigenlijk geen recht had, Anna Maria van het avondmaal af te houden, omdat de predikant Aalstius in zijn tijd haar ‘in leere en belijdenisse rechtsinnigh’ had verklaard, noemde men dit wel een leugen, die de nagedachtenis van Aalstius zaliger geen eer aandeed, maar verklaarde nien zich niettemin bereid om den klager, indien hij ergens mede bezwaard mocht zijn, ‘satisfactie te geven’. In Augustus deed men nog eens pogingen om de Ed. Achtbaren te bewegen, hun ‘voorgaende resolutien tegen Van Hattem op te volgen en dezelve te doen executeren,’ m.a.w. hem, die ‘gestadigh nogh voorgaet om sijn schadelijcke gevoelens met yver voort te setten,’ het zwijgen op te leggen2). Dit baatte echter zoo weinig, dat Turceus zich den 5en April van het volgende jaar, 1689, verplicht achtte in de vergadering der Classis te vertellen, hoe Van Hattem ‘niet op en hout sijn schandelijck en schadelijck zielvergif te strooyen door de geheele stad van Bergen in bijsondere conventiculen, dien hij dagelyckx is houdende, selfs des Zondaghs onder de Predicatiën van Gods Woort, 't welck insonderheyt streckende is, tot veraghtinge van de Heeren Predicanten en haere bedieninghe, alsoo veele daar door werden afgeleyt van Godts Huys en de reghtsinnighe waarheyt.’3) Nu besloot de Classis een deputatie naar den Magistraat van Bergen te zenden. Maar ook dit hielp niet. Zelfs ondanks het verzoek van Zeeland's Gec. Raden, den 26en Juni 1689 ingekomen, om v. H. toch ernstig onder handen te nemen, moest den 4en April 1690 nog even hard worden ge-

[p. 403]

klaagd over de ‘subtiliteyten, welcke P. van Hattem dagelijx. in 't werck stelt om sijne schadelycke ende zielverdervende dwalingen voort te setten.’ Er scheen niet anders op, dan zich, tot wegneming van den verterenden kanker, te wenden tot de Hoogmogende Heeren Staten-Generaal. De predikanten van Dooreslaer en van Berlecom werden met deze zending belast, doch slaagden niet en moesten toch weer eerst met den Magistraat van Bergen spreken. De Consistorie aldaar zou hen steunen, opdat de ‘ketter en desselfs dwalende, verwerpelijcke en verderfelijcke leere mochte worden geweert en uit de stad gebannen, daerentegen de ware gereformeerde christelycke religie gehandhaafd, de getrouwe herders en leeraren daervan in Bergen gemainteneert.’1)

De Magistraat liet de klagers praten en deed niets. De Consistorie volhardde bij haar huisbezoek en bij haar vermaningen, doch zonder verder iets te vermogen en integendeel verplicht te ondervinden, dat het kwaad toenam, in plaats van te verminderen. Zoo bleek den 22en Dec. 1690, dat van Hees zich geheel genegen toonde voor Van Hattem en dat ‘sekere vrouw in het visiteren seer onbeleeft den ouderlingh hadde bejegent.’ Geen wonder, dat men moedeloos werd en nu tot ijver moest, worden vermaand door de Classis,2) bij wie zij daarna wederom niet ojhield ‘aan te dringen’ op bevordering der ‘saecke’.3) Want wel had het besluit der Classis van 2 Oct. 1691 om zich nu ‘voor de laatste maal’ te wenden tot den Magistraat, van Bergen ‘en dat met serieuse expressien, ten eynde wy mogten sien die sake te stuyten’,4) een tot dankbare blijdschap stemmende vrucht gedragen; maar het eigenlijke doel was daarmede nog niet bereikt. Zelfs had de Magistraat van Bergen niets toegegeven. Daarop waren Turceus en van Dooreslaer, namens de Classis, in overleg getreden met den Heer van Odyck, of men stappen zou doen bij de ‘Raden van Staten van zijn conincklijk majesteit of elders.’ Deze besprekingen zullen wel niet zonder invloed zijn geweest op de Resolutie, den 21en Maart 1692 genomen door de Staten van

[p. 404]

Zeeland, naar aanleiding eener Remonstrantie van de Classis van Walcheren, ingediend mede uit naam van de andere Zeeuwsche Classes en waarbij de doleerende zich beklaagde over den voortgang van Van Hattem's dwaalleer, terwijl zijn veel gelezen Brief aan zeker Heer en zijn Uytlegg. over den Catechismus zonder de vereischte goedkeuring werden gedrukt en verspreid en hijzelf gedurig tot scheuring der kerke werkzaam was te Bergen, Zierikzee, Tholen, Middelburg en elders. Geheel overeenkomstig den wensch der rem onstreerende, besloten de Staten, Pontiaan van Hattem te verbieden ‘noch by geschriften het sy onder den naem van Brieven, Uytlegg. over den Catechismus ofte wel op wat wyse het selve soude moghen wesen, syn erroneuse en lasterycke stellingen onder de kerken deser landen te blyven voortsetten, maer sich daer van geheel en al te onthouden, sullende andersins, des selfs inwooning onder haer Ed. Mog. gebiedt niet langer konnen werden geleden eu hier van aen haer Hoogh. mog. kennisse gegeven, op dat alsoo moghen voor gekomen worden, dese lasterlycke gevoelens niet wyders en werde publyck gemaekt en na de maal haer Ed. mog. vernemen, dat niet alleen onder den naem van een brieff, seecker geschrift bereyts was publyck geworden, maar selfs onder de persse alhier tot Middelburgh, een uytlegg. over den Catechismus, beyde geschriften van desen Pontiaan van Hattem voortkomende, is goet gevonden sooveel het uitgegeven belanght, dat selve alomme onder haer Ed. mog. gebiedt sal werden opgehaelt, en alle boekverkoopers verboden op de boeken en poenalen in de placcaten van den lande geexpresseert, hetselve te mogen verkoopen, en het tweede aengaende dat door den Baljouw der stadt Middelb. met de kennis van de Heeren Burgemrs. aldaar het selve van onder de persse sal werden gelight en vervolgens gesupprimeert werdende wyders aen alle Boeckdruckers onder haer Ed. mog. gebiedt wel expr. verboden geene boecken ofte schriften van Pontiaan van Hattem ofte een ander gemaackt ofte overgeset, handelende van de religie te mogen drucken, ofte andersints uytgeven voor dat de selve te vooren sijn doorsien en wettelyck geapprobeert, ....... met verdure interdictie aan alle die het soude mogen aengaen, haer te laeten gebruycken tot het corrigeren van dus danige geschriften van voors. Pontiaan van Hattem, of wel op andere onbekende namen voortkomende, op poene van daer over te incurreren

[p. 405]

haer Ed. mog. indignatie en des noots arbitrailyck te worden gecorrigeert’1).

Deze Resolutie van Zeeland's Staten was uitnemend geschikt om bekommerde zielen in Schouwen en Duiveland, gelijk zich de leden der Classis aldaar deden kennen in een brief2) vol jammerklachten over de uitbreiding van Van Hattem's leer en den verderfelijken invloed van zijn Brief aan zeker Heer, een weinig te troosten. Doch hun medebedroefde vrienden te Bergen hadden daaraan niet veel. De Classis mocht blijde zijn3); de Kerkeraad begreep maar al te goed dat hij geen reden had tot juichen, omdat Bergen niet tot Zeeland behoorde en Van Hattem zich wel niet zou storen aan een resolutie van de Staten dier provincie. Mitsdien werd de Classis den 18 Nov. 1692 verzocht zich, door tusschenkomst van Zeelands Staten of Gecommitteerde Raden, tot de Hoogmogende heeren Staten Generaal te wenden, opdat ook door dezen de Zeeuwsche resolutie tegen Van Hattem ‘werck stelligh moghte worden gemaeckt.’4) De Staten Generaal lieten zich langs dien weg, naar het schijnt, inderdaad bewegen, om in het begin van Maart des volgenden jaars, 1693, een Brief over Van Hattem te schrijven aan den Magistraat te Bergen5) en daarna, in Sept. 1694, zelfs tot het geven van ‘sekere resolutie, waarin verboden wordt dat er geene boecken ofte schriften van Pontiaan van Hattem sullen gedruckt ofte verkoght maer opgehaelt werden, dat oock syn gevoelen op geenderhande wyse sal mogen voortgeset worden, ofte dat eenige Conventiculen bij hem sullen mogen gehouden worden.’6) Doch de overheid van Bergen liet zich noch door het een, noch door het ander tot het nemen van strenge maatregelen verlokken. Zij beschermde veeleer de vervolgden. Het

[p. 406]

was den Kerkeraad bekend, hoe ‘de saecke van van Hattem: bij sommige seer wordt gepatroniceert.’1) De E. Heeren juichten dan ook niet bij het lezen der genoemde ‘sekere resolutie’ en besloten alleen, er later nog eens over te praten en voorshands de zaak levendig te houden bij de Classis. Den 3en Dec. werd laatst genoemd besluit vernieuwd ‘ten eynde de Classis moghte dienen van goeden raedt, ofte op soodanige middelen gelieve te dencken waerdoor die ergerlycke ende schandelycke persoon soude mogen ingebonden worden.’2) Tevens zou men aldaar remonstreeren hoe Van Hattem's Brief aan zeker Heer, spijt, het verbod van Zeeland's Staten, nu niet te Middelburg, maar toch ‘weder gedruckt is tot Amsterdam, ende of die niet op den een ofte andere wyse soude konnen gesupprimeert worden.’ Vijf dagen later deed men ‘rapport van het verkeer met van Hattem en syne conventiculen.’ Die er aan deelnamen, zouden niet worden toegelaten aan het avondmaal; terwijl men aangaande Van Hattem besloot, zich per brief te wenden tot den ‘Raet van den Coninck ten fine van remotie of anders.’3)

De Classis hielp den Kerkeraad in zijn pogingen om den Magistraat van Bergen te bewegen, den voortgang van het kwaad te stuiten en de verdere verspreiding van den herdrukten Brief aan zeker Heer tegen te gaan4). Haar afgevaardigden werden beleefd ontvangen, maar moesten hooren, dat men geen bewijzen had tegen Van Hattem als hield hij conventiculen, hetgeen kennelijk een ‘ydele uytvlugt’ was, daar bij het huisbezoek genoeg bleek hoe ‘veele ende ook van de aansienlykste der ledematen door syne verleydende woorden’ waren ‘afgetrokken,’ weshalve de Classis nu besloot ‘over dit stuk een ernstigen en beweegelijken brief’ te zenden aan den ‘Raad van syn koningl. majesteyt van Groot Brittanje.’5)

Alles te vergeefs. De Magistraat van Bergen was niet te bewegen tot een vervolging van Van Hattem en de zijnen. Zonder steun van die zijde, kon de Consistorie slechts vermanen,

[p. 407]

waarschuwen en ... censureeren. Zoo zond zij aan Anna Maria, die nog al menschen tot zich trok, ‘het welck een sonderlingh middel is om het gevoelen van Van Hattem voort te setten,’ de boodschap ‘zich te wachten van eenige vergaderinge te houden onder wat pretext het oock soude mogen syn,’ waarnaar zij beloofde zich ‘te sullen reguleren.’ Den ziekentrooster Lamot, die ‘onder pretext bij Anna Maria Hebreeuwsch te leeren, hem duckm. bij haar laat vinden, dat geen kleyne aenstoot geeft,’ wist zij te beduiden, dat hij van dit Hebreeuwsch leeren behoorde af te zien1). Daarentegen verklaarde de Heer Mourick ronduit aan Ds. Quintius, ‘dat hij niet konde communiceren met een Consistorie die sijn Broeder van Hattem voor een ketter houdt’; terwijl ‘nogh een aensienlyck lidt deser gemeynte’ zeide, ‘dat hij sou communiceren by de fransche kerke’. Beide heeren zou men ‘aenspreken’, evenals den Vader in het weeshuis, die ‘wat licentieus is ontrent de saecke van Van Hattem’, en de wed. Grauw (10 Dec. 1693). Doch iemand als de heer Mourick liet zich niet gemakkelijk van schuld overtuigen. Hij bleef bij het oude en veroorloofde zich zelfs scherpe uitdrukkingen, waarom hij suspensie van het avondmaal verdiende, doch men vond het geraden, zich daarmede niet te haasten (23 Dec. 1693). Bij een volgende gelegenheid bleek, dat Lamot insgelijks nog volhardde en dat anderen verkeerden ‘in soodanigen staet om geensints de conversatien van Van Hattem ten opsighte van sijn gevoelen te verlaten’. De Consistorie hoorde deze dingen ‘met misnoegen’ aan, doch kon slechts besluiten ‘op te letten’ en b.v. Pontiaen Grauw, bij zijn aanneming tot lidmaat, ernstig te waarschuwen tegen het gevoelen van Van Hattem. Zij was machteloos, vooral tegenover de aanzienlijken, die soms haar afgevaardigden bij het huisbezoek verzochten maar voorbij te gaan (1 Oct. 1694). Aan ijver ontbrak het haar echter niet. Getuige de briefwisseling over zekeren Abram Stuyt, die zich in 1694 metterwoon in Bergen was komen vestigen en verdacht werd van instemming met Van Hattem. De man was indertijd met attestatie van Prinsland in Tholen gekomen, had aldaar een wijle de betrekking van voorzanger en schoolmeester bekleed en deelgenomen aan het avondmaal, gelijk van Dooreslaer aan Quintius schreef dd. 27

[p. 408]

Nov. 16941), ‘alhoewel niet zonder bekommerlijke verdachtheit van deelgenootschap te hebben aan de bekende zielverderffelijke dwalingen van P. van Hattem, soo wegens de gestadige conversatie en gemeinschap (onaangesien alle tegenvermaningen) met eene Ridder, die eenigen tijd voor zijn dood hierover was geconvinceert, ende gecensureert, alsmede noch wegens ander gedrag van den selven.’ De Kerkeraad van Tholen had echter ‘tegens hem noit geprocedeert’, doch hem en zijn zuster bij hun vertrek naar Zierikzee attestaties meegegeven, waaraan de ‘Wesentlycke ingredienten, de gesontheit in de stukken des geloofs, en de stightelyckheit des wandels’ ontbraken, zooals Arnoldus de Rijcke, predikant te Zierikzee, dd. 30 Juny 1694 aan zijn ambtgenoot Quintius te Bergen schreef2). De kerkeraad te Zierikzee, door de omstandigheden behoedzaam geworden3), maakte daarom ‘swarigheit’ Stuyt en zijn zuster ‘tot des Heeren h. avontmaal toe telaten’ doch behoefde verder niets te doen. Want, schrijft de Rijcke in het verhaal, waarvan hij hoopt dat men te Bergen ‘eenig voordeel’ zal hebben: ‘jnmiddels syn de Heeren van de regeringe ernstelyck te rade geworden tegen dese schadelycke menschen te voorsien, en bij solemnelen resoluty seer nadrukkelyck te verbieden aen hare ingesetenen, de voortsettinge van de schadelycke gedagten en crimineuse stellingen van Van Hattem, met expresse en ernstige wille dat gans geen conventiculen hier meer gehouden sullen mogen werden, op poene, dat hij, in wiens huys sulx bevonden wert te geschieden, sal verbeuren £ 25-0-0 en effectivelyck gebannen wesen; en die daer in bevonden wierde te assisteren, sonde verbeuren £ 5-0-0 en gebannen: en sijn uit dien hoofde, by deselve resoluty, Stuyt en syn suster gebannen, en aangeseght niet alleen, maer by aflixy van biljetten, gelast binnen 2 of 3 maal vier en twintigh ueren te vertrekken, op poene etc.’ Het spreekt van zelf

[p. 409]

dat de ballingen, die slechts ‘eenige maanden’ in Zierikzee hadden mogen wonen, te Bergen niet aan het avondmaal werden genoodigd, toen men wist wie zij waren. Tot groot misnoegen van de Consistorie verstoutte zuster Stuyt zich echter toch daaraan deel te nemen, niettegenstaande het haar en haar broeder nadrukkelijk was verboden, hetgeen nieuwe waarschuwingen en bedreigingen noodzakelijk maakte1). Intusschen waren de vluchtelingen veilig. De Magistraat, hoe dikwerf ook door Consistorie of Classis tot ernstig handelen tegen Van Hattem en zijn aanhang opgewekt2), liet allen met rust. Zoo lang Van Hattem leefde, was hij niet te bewegen tot het nemen van strenge maatregelen en allerminst sedert verscheiden aanzienlijken meer of minder bedekt zijn partij hadden gekozen. De Consistorie en de Classis waren dan ook zoozeer overtuigd van het vruchtelooze harer pogingen om langs dien weg de gehate ketterij te keeren, dat zij blijkbaar alleen door zeker plichtbesef gedreven, nog van tijd tot tijd een woordje wisselden over de zaak; de eerste als geen andere werkzaamheden aan de orde waren, de laatste als de broeders uit Bergen goed vonden de oude klachten te herhalen. Dan, meenden die van den Kerkeraad, was het goed de zaak levendig te houden, er nog eens over te praten met elkander en met den Magistraat, doch tegenover de verdachten met zachtmoedigheid te handelen. Zoo werd de schoolmeester Pons, hoewel hij zich bij het huisbezoek had ontdekt als geheel aan het gevoelen van Van Hattem overgegeven, niet aanstonds gecensureerd, maar evenals alle andere Hattemisten, na 29 Juni 1698, aangesproken ‘met alle bescheydentheit ende ernst ten eynde deselve eens soude mogen inkeerkomen.’ Zoo werd den 13en Sept. 1699 besloten om eens ‘wat te schrijven’ aan de Staten Generaal; den 17en Sept. 1700 Vader Mosman te ontbieden, omdat hij ‘de verga- deringe van Van Hattem waarneemt’; en den 28en Maart 1703 de lidmaten die zijn gevoelen aanhangen, ‘noghmael vriendelyck aen te spreken.’3) De Classis luisterde geduldig naar het den 3en April 1696 ‘beklaaglyk’ voorgedragen verhaal van de stoutigheden van Van

[p. 410]

Hattem, hoe hij in het houden van conventiculen en bijeenkomsten binnen de stad van Bergen voortging en daar ook zijn aanhang had, ‘waardoor 't te duchten is dat niet alleen velen binnen Bergen op Zoom met vremde leringen sullen vergiftigt, nemaer ook dat selve schadelijk vergift tot andere plaatsen wyt en breed sal gezaeyt worden’, te meer dewijl Van Hattem zich beroemde, dat hij onlangs in Holland ‘met verscheiden Heeren van aensien soo polityke als ecclesiastike Personen hadde gesproken, syn gevoelen opengelegd en van Haer als was gejustificeert en in 't gelyk gesteld, niet tegenstaende de contrarie waerheid door missiven, soo van de Hr. Prof. van der Waey, als van de Hr. Predikant Troyen genoegsaem en klaerlyk wierd gedemonstreert.’l) Doch zij wist nu al even weinig raad als later, op den 15en Mei en den 2en Oct. van hetzelfde jaar, 1696, toen zij bij vernieuwing mocht hooren over de ‘dagelyks accresserende stoutigheden van den befaamden Van Hattem en 't openbaar houden van syn schadelycke conventiculen.’ Zij deed wat zij kon. Zij droeg aan een Commissie de samenstelling op van een manifest ‘om te toonen, dat met Van Hattem is geprocedeert’; zij liet dit stuk drukken, gaf er den 7en Oct. 1698 ‘yedem membrum classis twee exemplaren’ van; en deed er verder het zwijgen toe2). Bij het houden van kerkvisitatie te Bergen op den 20en Maart 1696 en 11 Juli 1701 werd over Van Hattem en de Hattemisten, indien de notulen juist zijn3), niet gesproken.

Ondanks allen ijver der kerkelijken en de hulp, die zij van de zijde der politieken in Zeeland hadden gevonden, om Van Hattem van stad tot stad te verjagen en hem nergens rust te gunnen, had hij in Bergen ongestoord zijn vast verblijf mogen houden, als ‘oeffenaar’ in den aanvang een weinig bemoeilijkt, daarna geduld en vervolgens veeleer beschermd door den Magistraat4). Het is intusschen reeds gebleken en

[p. 411]

ook van elders genoegzaam bekend, dat hij niet onafgebroken in zijn vaderland vertoefde en meermalen daar buiten, inzonderheid in de Zeeuwsche steden, doch ook ten platten lande van tijd tot tijd conventiculen hield?1) Soms was hij weken aan een van huis2), om dan weer in zijn veilig toevluchtsoord de vrienden uit de verstrooiing bij zich te ontvangen en hen moed in te spreken3), of in den eenvoudigen, waarschijnlijk nooit bijzonder grooten, doch wel langzamerhand aanzienlijker geworden kring van Bergsche geestverwanten te zoeken naar waarheid en anderen daarin behulpzaam te zijn.

Onderwijzen was zijn lust. In het brengen van de ‘Nieuwe Tydinge’, die God hem gebood te verkondigen, ‘zo wel aan de aldergrootste van al de heeren, als de alderveragste van haar gevolg’, zag hij zijn roeping4).

Wat hij mondeling niet duidelijk genoeg had kunnen toelichten, of wat men niet geheel had begrepen, dat behandelde hij gaarne nog eens schriftelijk en dan in den regel vrij breed. Zoo ontstond een menigte brieven en opstellen, oorspronkelijk niet bestemd voor de pers, maar later ten deele uitgegeven door Mr. J. Roggeveen5). Bovendien schreef hij een groot aantal

[p. 412]

overdenkingen, die mede in den regel niet bestemd waren voor het groote publiek, maar óf uitsluitend tot eigen oefening, óf om anderen aangaande sommige punten nader in te lichten; ook wel om beschuldigingen af te weren, of te voldoen aan vereerende uitnoodigingen om zijn oordeel over eenige zaak kenbaar te maken.

Zoo dient een vijftal verhandelingen (Den val. I: 1-358) ter verklaring van de twaalf artikelen des geloofs, van den doop, van het avondmaal, van het gebed des Heeren en van de tien geboden, met een daaraan toegevoegd kort begrip van deze ‘Vijf formulieren,’ om Theophilus, d.i. zijn ongenoemde geestverwanten, te leeren wat hij aangaande de besproken onderwerpen denkt en hoe valsch de beschuldigingen zijn, alsof hij bijv. een vijand zou zijn van het Vader ons, jae van alle gebeden en met name van het bidden om de vergiffenis onzer zonden (I: 200).

Een Verklaring van Hebr. 6:20 en 7:1-10 (I: 512-541) is een antwoord op zekeren brief, waarbij zijn gedachten over deze bijbelplaatsen werden gevraagd. De verklaring is een ‘wyt uyt-gestrekte over dencking en bespiegeling’ geworden, waarvan de schrijver begrijpt, dat zij ook anderen ten dienste kan zijn, weshalve hij haar, na lektuur, terug verzoekt, aangezien hij wel weet, dat de ongenoemde ‘Mijn Heer’ niet zal vergen, dat Van Hattem zijn tijd doorbrengt met het stuk ‘uyt te schrijven.’ De terugzending zij vergeselschapt met de schaef van Mijnheer's Christelyk oordeel, ‘op dat wy dus mal-kanderen tot stigting mogen syn, het sy in het bevestigen; 't sy in het verbeteren van malkanderen.’

Dezelfde of een andere ‘Mijn Heer’ ontving ‘Antwoort op vier voor-gestelde vragen’ (I:556-75), nl. 1o of niet een onherboren mensch kwaad doet met goed te willen doen; 2o of niet een wedergeboren mensch, wanneer hij goed doet, dit doet, niet om daardoor goed te mogen worden, maar om daardoor te betoonen, dat hij reeds goed gemaakt en geworden is; 3o of het ook zeker is, dat een mensch ongeloovig is, in geval dat hij acht, dat hij schuldig is nog iets te doen, ende dat het zijn plicht is, Gods wil te volbrengen, en zijn geboden na te komen; of zoo wie acht, dat eenig werk gehoorzaamheid Gods is; zulks dat hij acht, dat het eene werk is goed en dat het andere werk is kwaad; 4o hoe zich een mensch omtrent zijn

[p. 413]

gebeden en in zijn gebeden gedragen moet; zoo hij er zich Christelijk en godvruchtig in en omtrent wenscht te gedragen? Men bespeurt aanstonds dat deze vragen afkomstig zijn van een volgeling, bij wien nog slechts hier en daar de puntjes op de i's moeten worden gezet. Het antwoord beoogt de bevestiging en afronding der reeds gewonnen overtuiging.

Een ‘Eenvoudig man,’ maar die blijkens zijn werk niet zoo eenvoudig was als hij zich voordeed, had in 33 korte vragen en antwoorden een beschrijving gegeven van ‘de religie.’ Een derde zond deze soort geloofsbelijdenis aan Van Hattem, om daarover zijn oordeel te vernemen. Het werd achtereenvolgens gegeven in een achttal brieven, die van belangstelling in den schrijver, doch ook van veel verschil van gevoelen met hem getuigen. Van Hattem breekt af, waar hij meent ‘stofs genoeg’ te hebben gegegeven ‘om 'er een uur of anderhalf met aendagt over te mediteren,’ of omdat hij voor het oogenblik geen tijd meer heeft. Als hij alles heeft genoemd wat hem in de onderwijzing van den Eenvoudigen Man mishaagde of wansmakelijk was voorgekomen, verzekert hij zijn ‘Mijn Heer’, dat het hem tot een wonder groot vermaak zal zijn, te mogen vernemen ‘van 'tgene ook hem in dit’ zijn ‘Onderwijs mishagen sal, en wan-smakelyk sal mogen wesen: Ten welken eynde ik U wel Ed. mits desen ook ernstelyk versoek, dat gy de goetheyt hebben wilt van my te kennen te geven U wel Edls. openhartig oordeel, so over 't eene, als over 't andere punt, dat behandelt is in dese, ende in de vier naest voorgaende Brieven, opdat ik dus ook door anderen, en met namen door U wel Ed. geholpen worden mag.’ Deze brieven nu zagen, zonder den naam van den schrijver het licht bij E. Bouquet te 's Gravenhage, Ao. 1700, onder den titel ‘Nodig onderzoek omtrent de Religie van een Eenvoudig Man’, herdrukt in Den Val. I: 597-655.

Ten behoeve zijner geestverwante vrienden, hier gelijk meermalen aangeduid met den naam Theophilus, schreef hij een ‘Handgeley tot een Christelyke Pligts-betragting, ofte tot een Heylig gebruik van 't Heylige’, waarin hij een reeds ‘God-vrugtige Ziel’ nader zocht te onderrichten, hoe zij zonder te zondigen zou kunnen strijden tegen haar vleesch, het gebed des Heeren gebruiken tot een richtsnoer harer gebeden en des Heeren Wet tot een regel harer werken. Eerst na des schrij-

[p. 414]

vers dood werd deze Handgeley1) ‘tot Amsterdam gedrukt voor den Uytgever, 1713’; en later opgenomen in Den Val. II, 1-57.

Een welmeenend ‘Vriend’, die er zich over verwonderd had, dat hij Van Hattem ‘met zoo veel dankbaarheid tot God’ had hooren spreken over de ‘gelukkige verandering’ van zijn ‘Geestelijken staat’, omdat hij hem tevens zijn instemming had hooren betuigen met de geloofsbelijdenis der Gereformeerden, ontving een ‘Missive, waar in getoont wort, hoe iemands gedagten veranderen konnen over sijne Belijdenis, zonder in de woorden van de zelve Belijdenis te veranderen,’ opgenomen in Den val. II, 58-62.

Een ‘Broeder en Drukgenoot’ had hem een verklaring gevraagd van Matth. 5: 4. Als hij de ‘de oude schult’ aflost, geeft Van Hattem tevens intrest van het kapitaal, door een ‘Verklaring van Matth. V. vs. 4 tot 11’ (Den Val. II, 63-73) te schrijven, hetgeen hij o.a. doet, ‘omdat het 4de vers zonder de anderen 7 versen niet grondig genoeg verstaan kan worden.’

Een ‘Verhandeling over de wedergeboorte, ofte verklaring over Joannes III. vers 1-21’ (Den Val II, 187-205) dankt haar ontstaan aan des schrijvers wensch om een ‘Zeer geliefde ziel’ te troosten, ‘'t Schijnt,’ zegt hij, dat ik worde getroost van God, opdat ik mogte machtig zijn om u te troosten: Waarom, ik ook kome geven aan u, 'tgeene ik achte voor u te hebben ontfangen. Hij bidt God, aan het slot, dat zij en hij ‘beyde, door ons even dierbaar Geloof, mogen overvloeyen in gestadige dankzeggingen; opdat wy door dit middel zoo overstroomt mogen zijn door de vettigheden van Gods Huys, dat wy niet alleen Kruys- en Drukgenooten mogen zijn; maar dat wij ook gestadelijk Troost- en Roem-genooten mogen wezen.’

Nadat men eens (in de conventikelen?) eenige maanden was ‘doende geweest om den roem des geloofs te verdeedigen tegen de bestryders van deselve’ en men alzoo ‘eenen ruymen tijd had gestaan als met het swaard in de hand’, noemde Van Hattem het oorbaar, ‘dat wij weder het truweel opnemen, om malkanderen in ons allerheyligste geloof op te bouwen.’ Die

[p. 415]

overweging deed hem een ‘Verklaring over Rom. VII vs. 1-6’ (Den Val. II, 500-38) geven.

Een ‘Voornaam godsgeleerde in Vriesland’ had iemand ontmoet, die hem zooveel over Van Hattem wist mede te deelen, dat hij ‘zeer begeerig’ werd, hem eens over eenige theologische vragen te spreken. Daar de reis te groot en te ongemakkelijk was, wendde hij zich per Missive (Den Val. II, 653-665) tot den beroemden godgeleerde te Bergen, ten einde door hem eens tot beter inzicht te worden gebracht, met name in zake de praedestinatie, de genoegdoeninge Christi en de vrije rechtvaardigmaking uyt den Geloove. Zoodra mogelijk volgde het Antwoort (a.w. II, 656-72) aan den persoonlijk onbekenden ‘Eerwaarden Heer’.

Een ongenoemde had hem een ganschen dag, zoo door zijn aangename tegenwoordigheid als door zijn stichtelijke redenen verkwikt. Gaarne voldeed hij aan den daarop hem kenbaar gemaakten wensch, om den inhoud van het gesprek nog eens te mogen lezen; en zoo ontstond een ‘Antwoord op vyf voorgestelde vragen’ (a.w. III, 252-290), waaruit wij kunnen vernemen wat de band der gemeenschap is tusschen Van Hattem's geestverwanten, wat hen scheidt van hun tegenstanders en hoe zij met dezen één zullen kunnen worden.

Een bekommerde ziel heeft een zekeren Heer in den arm genomen en deze beschreef haar toestand aan Van Hattem, waarop hij tot haar terechtwijzing zijn ‘Gevoelen over den strijd, die 'er is tusschen vleesch en geest’ briefsgewijze meedeelde (Den Val. III, 291-302).

Iemand vraagde per brief om een toelichting van den strijd, die schijnt te bestaan tusschen de eeuwigheid van des Heeren priesterdom en 1 Kor. XV: 24-28; en Van Hattem schrijft een Verklaring van die bijbelwoorden (a.w. III, 348-356).

Een Protestant en een Roomsch-Katholiek, de heeren Spon en de la Chaise, hadden in het openbaar hun gevoelen gezegd over eenige geschilpunten, betreffende beeldendienst, oorbiecht, transsubstantiatie enz. Een derde, waarschijnlijk een Franschman, verlangde Van Hattem's oordeel te vernemen over de beide ‘Brieven.’ Hij zond ze hem toe en ontving een Antwoord, ‘uyt het Fransch vertaald’ opgenomen in Den val. IV, 138-180, waaruit wij zien, dat de oefenaar van Bergen, hoewel eerst vol bewondering voor de geleerdheid en de welsprekend-

[p. 416]

heid der schrijvers, hun stukken ‘loutere dwaasheid’ en ‘voorwerpzels van medelijden’ achtte, zoodra hij was getreden ‘in het Heiligdom van den H. Geest.’

Wat eens aangaande Joh. 20: 30-31 ‘in drie voorgaande Oeffeningen’ en in een vierde daaraan toegevoegde nog niet helder genoeg was geworden, werd 's anderen daags schriftelijk nader toe gelicht (IV, 188) en gaf de stof zoowel voor een Missive (IV, 191-201) aan een ongenoemden vriend en broeder, als voor een andere Missive1) ‘tot onderwyzing geschreven aan zeker Prins’, die tot dit schrijven ‘vrijheid gegeven,’ m.a.w. die deze uiteenzetting van Van Hattem's denkbeelden had verzocht te ontvangen.

Zij die de conventikelen bezochten waren dieper dan anderen doorgedrongen in de kennis der goddelijke waarheid. Was daar geen leiddraad te geven, opdat men hetzelfde heil deelachtig mocht worden? De vraag kwam per brief tot Van Hattem en weinige dagen later verzond hij een beschrijving van den ‘Regel, om een begin van de goddelyke waarheid te maaken,’ (Den Val. IV, 701-10).

Ziedaar eenige voorbeelden, die aan de hand van Den val van 's Werelts Af-God gemakkelijk kunnen worden vermeerderd, doch die voldoende zijn om te doen zien, niet slechts hoe uitgebreid Van Hattem's briefwisseling was, maar vooral hoe zijn schriftelijke nalatenschap grootendeels haar ontstaan heeft te danken aan de bijzondere behoeften van geestverwanten, om hun eigenaardige opvattingen en gevoelens uiteengezet en verdedigd te zien.

Van Hattem was vaardig ter pen, al werkte hij slechts zelden voor de pers. Door zijn brieven en briefjes, opstellen, toelichtingen en verklaringen, van zeer uiteenloopenden omvang en die vaak in handschrift rondgingen onder zijn vrienden, soms ook buiten zijn weten werden gedrukt2), oefende hij

[p. 417]

niet minder dan door zijn conventikelen in ruimen kring invloed. Zoo was en bleef hij, de gedeporteerde, meer dan menig dienstdoend predikant, tot aan zijn dood volijverig werkzaam en bemind door zijn volgelingen.

Zijn tegenstanders konden hem niets ten laste leggen1) dan dat hij in hun oog een ketter was en zich verstoutte zijn kettersche gevoelens mondeling en schriftelijk te verbreiden. Van dien smaad zijn karakter te willen zuiveren, zou allerminst zijn: handelen in zijn geest. Hij vervulde in dit opzicht zijn roeping met blijmoedige vreugde en droeg het daaraan verbonden kruis der vaak lastige en pijnlijke vervolging met christelijke onderwerping. Zonder opzettelijk aanstoot te geven, vervolgde hij kalm zijn weg, bezocht zijn ‘vrienden’ te Bergen en elders, ontving hen als bedevaartgangers in zijn woning2), oefende tot zelfs in 's Gravenhage en te Amsterdam, schreef

[p. 418]

veel voor den engen kring zijner geestverwanten en wekte dezen bij elke gelegenheid op tot een stillen, echt vromen wandel. Plet was nu eenmaal niet anders: de wereld begreep hem en de zijnen niet; zij moesten de daaruit voortvloeiende smarten geduldig dragen en nimmer hun toevlucht nemen tot ruw geweld of geruchtmakend verzet.

Zijn ‘Antwoort op vier voor-gestelde vragen’, rakende de bevestiging en den voortgang in zijn eigenaardige gevoelens, leidt hij in met de woorden:

‘'t Is so nootsaeklyk ende so algemeen, dat Sion's mueren niet alleen door arbeyt; maar ook met stryt op worden gebout; dat ik my niet verwonder over de moeyten, die mèn UE. begint aen te doen; maer 't geene waer over ik my verwonder, is, hoe men u midden in so veel yvers, als u de goede God voor syns Naems eere geeft, nog so lang on-gemoeyt heeft gelaten. Edog so den stryt voor Gods Koninkryk nootsaeklyk is; so is de overwinninge van die geene, die voor deselve stryden, niet min seker: maer in tegendeel, so wy weten, dat wy Hem, die ons heeft door syn Zoon verlost, sonder lyden niet gelyk-formig konnen syn; so weten wy ook insgelyks, dat wy verheerlykt staen te worden met Hem, indien wij voor Hem kruys ende smaetheyt lyden. Dese dingen weet ik dat gy weet: 'k weet ook dat gy deselve, in 't geene dat gy onderneemt, hebt voor uwe oogen; waerom ik ook op deselve niet langer sal staen, om tot de vier vragen te mogen komen, die my door UE. voor worden gestelt.’ (Den val. I:556).

De Inleiding van zijn ‘Handgeley tot een Christelyke Pligtsbetragting’ besluit hij met de woorden: ‘Weeg gy, Theophile, ja overweeg zonder vooroordeel 't geene gy zult leezen: stoot u daar niet aan dat men den Schryver een Ketter noemd; men heeft den Heere nog wel erger naam gegeven; ende die Hem uytkreten voor eenen leerling van Beëlsebub waren niet min ter zelver tijd, als onze Veroordeelders, ende als onze lasteraars te dezer tijd, Leeraars, doende belydenisse van de eenige ware Religie; weest gij dan de reyne Dieren gelyk, slikt niet, maar kaaut en herkaaut het geene wy zeggen; onze Conscientie geeft ons getuygenis door den H. Geest, dat wy spreken, 't geene wy van God uyt zyn Goddelyke Woord geleerd hebben. Ook wagten wy van Hem alleen, dat Hy in u, en veele andere het geene wy zeggen, vrugtbaar wil maken. Tot Hem is 't ook

[p. 419]

dat ik myn hert ophef, zelfs terwyl ik dit schryf, Hem biddende dat Hy eens gedenken wild aan den Eed, die Hy aan Vader Abraham ende aan desselfs Zaad heeft gedaan, op dat eens alle Geslagten der Aarde beneffens ons, haar in Abrahams Zaad tot Gods eere zegenen mogen; ende dat zy dus Abrahams God, niet als Paarden ende Muylen, maar als een vrywillig volk dienen mogen, niet in de oudheyd van de letter, maar in nieuiwigheyd des Geestes; op dat eens dus door haaren dienst alle de Koningryken van de Aarde mogen worden onzes Gods en zijnes Gezalfdens onzes Heeren Jesu Christi’ (II:3).

Aan het slot eener breede Verklaring van Rom. VII: 24 roept hij zijn Theophilus toe: ‘Moet gij dan met Gods kleyne kudde smaadheid en laster ondergaan; gedenk dat gy die ondergaat voor den roem van het geloof, voor de Leere der genade Gods, en dus voor dat hoogwichtige point, het geene den mensch maakt tot een Christen: gedenk noch daar benevens, dat gy den zelven benevens God zelve ondergaat, en dat Hy, en zynen Geest niet min als gy, gesmaad en gelastert wort, door dien overstroomenden hoop der klaagzuchtige; maar gedenk doch eyndeling boven al, dat gy hier, of met Gods heyligen gelasterd worden moet, of dat gy u voegen moet by die geene, die te gelyk God zelf, en alle de heyligen die Hem gelykformig zyn, lasteren en smaaden, ende dat over 't aanneemen van dat hoofdpoint, zonder 't geloof van het welke geen mensch heylig wezen kan; gelyk ook geen menschelyk werk goet wezen kan, zonder het geloof van het zelve. Inmiddels zoo laat ons, onze herten tot onzen God opheffen voor onze lasteraars; Hem biddende, dat Hy haar doch eens zoo verlichten wil door zynen Geest, dat zy eens haar verkeertheid mochten merken; op dat zy eens, in plaats van verdrukkers des Evangeliums, tot voort-planters van het zelve mogen zyn, ende dat zy eens langs dien weg, den welken zy nu vlieden, om dat zy hem als een weg der zonden aanzien, tot haren God ende tot haren Schepper worden gebragt; ende dus vervolgens ook tot desselfs onderdanigheid ende tot hare heyligmakinge.’ (II, 579).

Bij een ‘Heer’, voor wien hij per brief Phil. I: 27-30 en II: 1-18 heeft verklaard en dien hij heeft ‘tot rechter verkooren’ tusschen hem en zijn tegenstanders, dringt hij aan: ‘geeft vonnis en zegt wie dat 'er van ons beyde zyn zaligheid met vreesen en met beven werkt: hy die vast stelt, dat hy

[p. 420]

noch niet zalig is, uit oorzaak, dat hy niet erkent, dat hy Gods Kiut, en dat God zyn erfenis, is; of ik, die volgens Gods bevel my onderwerpe aan 't Euangelium zyns Zoons; en die derhalve ook erkenne, en met dankzegginge belyde, dat my mynen God in zyn Zoon tot zaligheid en tot vergenoegen is geworden: 'K beken UE., dat ik my van uwent wege de overwinning reets toeleg: ik weet, dat UE. ook weet, dat het is de hoofdsom van onsen pligt, ons geloove Jac. 2 vers 18 door onze werken te betoonen: want ik ben verzekert, dat gy verzekert zyt, dat myn parthye door zyne werken, niet zyn geloof, maar zyn ongeloovigheid, betoont; ende dus vervolgens ook zyn begeerlykheid, ende niet zijn liefde: daar doch in Christo niets gelt tot gehoorzaamheid of tot deugt, als dat Gal: 5 vers 6 geloove, 't geen eerst den geenen, die gelooft, met liefde vervult; ende 't geen dan naderhant dezelve liefde den zelven tot een beweegmiddel maakt, van alle des zelfs werken. 'k Wil echter wagten, en myn oordeel opschorten tot dat ik u oordeel hoor; inmiddels myn hert tot God opheffende, ende Hem biddende, dat Hij ons doch door zijn Geest, hoe langer hoe meer te zien wilt geven, dat men beneffens Hem, als men Hem heeft, niets in den hemel, noch op der aarden van nooden heeft.’ (III: 567).

Van Hattem mocht zich ernstig beklagen over den smaad, dien men hem aandeed, en de minachting, waaraan hij bloot stond; bitter was hij daarbij niet1). Gelijk hij in de dagen der langdurige procedure niet dan bij uitzondering een enkel oogenblik zichzelf vergat en heftig werd of boos weg liep, als daartoe inderdaad maar al te veel reden werd gegeven; zoo treffen wij in zijn schriftelijke nalatenschap mede niet dan bij

[p. 421]

uitzondering een harden uitval of een scherpe uitdrukking aan. Als men in zijn schatting het heilige te na komt, dan voelt hij, volgens zijn eigen verklaring, terwijl hij schrijft over de transsubstantiatie, dat zich zijn bloed ontroert en bekent hij: ‘te deezer uure ben ik niet zonder drift: de naamen van Geveinsde, van Bedrieger, van Quakzalver en van Uytstryker, schijnen my niet sterk genoeg om myne verontwaardiging te voldoen: 't is my niet mogelyk het vuur, dat my aansteekt, te bedwingen: ik moet uytroepen zo sterk als ik immers kan, O, Lasteraar van uwen God! O, gij doemwaardige Verrader! Want het zijn waarlijk Judas kussen, die men in onze dagen geeft. En Jesus, dezen beminnelyken Jesus, de eenigste vreugde van mynen geest en van myn hert, word nog dagelyks door de mond-kussen, die men Hem geeft, verraden.’ (IV: 148.) Toch noemt hij hen, die hem tot dezen uitval nopen: ‘de braafste Geesten, die ik kenne,’ ‘Helden’ die mochten verfoeien de door hem gevoerde ‘Twistdryvingen en deze soort van Duellen, om met een gemeen Accoord en Toestemming de Hel en desselfs Poorten te beoorlogen’ (bl. 178). Hij wil ook tegenover hen niet vergeten en wenscht, dat zij mede bedenken: ‘dat geen mensch kan verlooren gaan, indien hy God en zynen Naasten liefheeft; en dat geen mensch kan behouden worden, zonder dat hy liefde heeft voor den een en voor den ander,’ bl. 176.

De houding zijner tegenstanders verbittert hem niet, hoezeer zij hem met droefheid vervulde. Hun gevoelen, ofschoon z.i. in strijd met de Gereformeerde religie, is zoo algemeen verbreid, dat hij er zich niet meer over verwondert, als een ‘Heer en Broeder’ hem bij vernieuwing mededeelt, dat hij het wederom heeft aangetroffen bij ‘eenige menschen’ en daar onder ‘die den naam draagen van Gereformeerde Leeraaren’, die het verdedigden en handhaafden, hoewel zij het ‘verdelgen van het selve souden hebben tot haar eenig doelwit, in geval zy waaren Gereformeerde Leeraren in der daad, gelyk zy haar voor zodanige uytgeven.’ Heeft hij hierop niet aanstonds geantwoord, het was niet als wilde hij ‘vermijden, voor een godloos, en voor Verleider gehouden te worden van de opgeloovige en overspelige werelt’. Want hij weet, ‘dat men geen oprecht Dienaar Christi kan zijn, sonder dat men worde gekeurt voor sodanig.’ Hij heeft veeleer tijdelijk gezwegen, omdat hij zich

[p. 422]

voor de te geven verklaring van Gal. 6: 11-16 moest voorbereiden en, zegt hij, ‘omdat ik de bekeering van myne Lasteraars beoog, en niet haare schaamte nog haare schande, en om dat ik voor seker houde en voor gewis, dat men haar niet bekeeren zal met haar te toonen, dat zy dwaas en strydig met haar selven zyn; edog met haar buyten twist en buyten stryd de naakte meining van Gods Woord, en van haare belydenis eenvoudig voor te stellen’ (IV, 533-36).

In die kalme uiteenzetting van zijn beginselen en denkbeelden, opdat zij zichzelf mochten aanbevelen bij hen, die bereid waren hem het oor te leenen, zocht hij zijn kracht. Onder de ‘vrienden’ heerschten een opgewekte geest, een vertrouwelijke toon, een gemeenzaamheid en een innigheid, die goed deden, al wie er van nabij mee in aanraking kwamen. ‘Groet dog alle die ons lief hebben in het Geloof, alle onze Geloofsgenooten die hier zyn, doen ook UEd. en haar alle groeten die by UEd. zyn’, schrijft Van Hattem aan zeker Heer, voordat hij eindigt met een ‘Groet mede bijzonder uyt mynen naam alle die van UE. huishouden zyn, en weest gy benevens haar, en voorts benevens alle die den Heere lief hebben, Gode ende den woorde zyner genade bevolen’ (IV: 342).

Van een anderen brief luidt de aanhef: ‘Gelyk myne Ziele haar verheugt, verstaande de sterkte, die God geeft aan uwen Geest, terwijl gy uw geloove oeffend door de zwakheden van uw vleesch; zo dankt zy den God ende den Vader onzes Heeren; verneemende den Zegen, die Hy door zyne genade uytstort over uwe heilige poogingen tot het uitbreiden van zyn Koninkryk; Hem verder biddende met gansch myn hert, dat Hy ons allen, en onder anderen ook met naamen UE. met zynen Heiligen Geest zo wil vervullen, dat wy door 't erkennen van onze verlossing, van al wat aardsch is, zo los mogen worden gemaakt, dat de ruine van Satans rijk, het eenig doelwit wezen mag van alle onze begeerten en onderneemen’. Aan het slot wederom een ‘groet alle uyt onzen naam, die ons in 't geloof beminnen’ (bl. 359 v., 364).

‘Ik denk als nog met vreugde aan de lust, die gy voor eenige weeken deed blyken tot het onderzoek van Gods Woord’, schrijft hij aan ‘zeker Geneesheer,’ terwijl hij zich zet om het destijds afgebroken gesprek schriftelijk te vervolgen en zijn gedachten te ontwikkelen over het bekeeren van den naasten,

[p. 423]

een werk niet uitsluitend van predikanten, maar van alle geloovigen. Als hij zijn ‘Broeder’ ernstig op het hart heeft gebonden wat hij hem dienaangaande te zeggen heeft, dan roept hij hem, onder heilbede en aanbeveling aan de ‘Genaade onzes Gods,’ nog eens toe: ‘Vergeet dog niet, dat alles in uwen God het uwe geworden is; en dat'er over zulks ook voor uw niets, als dit alleen begeerlyk is, dat uwen Overvloet tot Vervulling strekken mag van uwen Leedigen Even-mensch’ (bl. 374-80).

Men gevoelt: daar is iets van de gemeenschap der heiligen in de kringen, waar de oefenaar van Bergen gaarne wordt ontvangen, of zijn beginselen met ingenomenheid worden besproken. En hijzelf is niet hun wetgever, noch hun profeet, kwalijk zelfs hun voorganger te achten, maar aller vriend en broeder, die hoe ook bereid om anderen te onderwijzen, gaarne van zijn geloofsgenooten leert, en geen gelegenheid verzuimt om zich te noemen begeerig naar hun oordeel over zijn werk en gedachten, ‘edog sonder eenige liefkoosery’ (bl. 536).

Daar ligt een adem des vredes over de ‘oeffeningen’, waar Gods Woord bepeinsd en de zaligmakende genade werd ontleed, verheerlijkt en aan de zielen der bekeerden zoo mogelijk nog nader gebracht. Het kan ons inderdaad niet verwonderen, dat de Overheid te Bergen, die van deze dingen getuige was, en wellicht voor een deel, zij het ook slechts een zeer klein gedeelte, behoorde tot de ‘vrienden’, geen lust had in het nemen van scherpe resolutiën tegen de conventiculen en tegen hen, die daar samenkwamen, al had zij zich ook aanvankelijk ietwat meer als eens anderen geestes doen kennen. Haar verdraagzaamheid, die zoo gunstig afsteekt bij den vervolgingsijver van de Consistorie en van de Classis, kwam, evenals de houding van de ‘Hooge Overigheydt’ tegenover de kerkelijken in het algemeen1), den gedeporteerden predikant ten goede en vergunde hem, tot aan zijn dood een wel vaak vrijwillig afgebroken, maar nooit hem wreed ontzegd verblijf in zijn geboortestad, hoe dikwerf ook velen nadrukkelijk wenschten, dat hij buiten haar muren gebannen en haar poorten voor goed voor hem zouden gesloten worden.

Hij stierf in September 17062). Maar zijn geest bleef nog

[p. 424]

geruimen tijd voortleven in ds kringen der zijnen, zoo te Bergen als elders. De bijzonderheden dienaangaande behooren te huis in een geschiedenis der Hattemisten. Hier zij nog slechts het een en ander aangestipt omtrent hun verblijf en lotgevallen te Bergen, ‘het vaderland van dien grooten Profeet onzer Vrijgeesten,’1) gedurende de eerste jaren na zijn verscheiden.

De Consistorie besloot aldaar den 21 Juni 1707 ‘omme door Gedeputeerde d' aenhangers van D. van Hattem nu naer het overlyden desselfs te ondersoeken over haere gevoelens, tot het bywoonen van den Godsdienst aen te maenen, etc., en naer bevind van saecken tot het H. avondmaal weder toe te laten.’ Hoopte zij blijkbaar, dat de kudde zich gemakkelijk zou verstrooien nu de herder was verslagen; zij vond inderdaad ‘redelycke satisfactie’ en daarin den moed om te verwachten ‘blycken van beloofden ijver om den publieken godsdienst by te wonen.’ Doch weldra scheen het zaak, de afgedwaalden nogmaals aan te spreken en te onderzoeken ‘ofte sy haer selven nu wel moghten bedaght hebben’, waarop ‘ten deele aengenaem ende ten deele niet al te aengenaem’ kon worden gerapporteerd2).

Waarschijnlijk heeft men toen begrepen, liever geen pogingen meer te moeten aanwenden om de afvalligen in den schoot der staande kerk terug te brengen, in de hoop, dat hun zon toch wel langzamerhand geheel zou ondergaan. Alleen het feit, dat burgemeester van Maurik (vroeger heette hij Mourick) zich sedert eenigen tijd van de gemeente had afgescheiden, gaf zooveel ergernis, dat men, in Dec. 1711, besloot hem, zoo mogelijk, met zachtmoedigheid af te brengen van zijn onrechtzinnigheid en contumacie, of anders zich bij hoogere autoriteiten over zijn groote onbeschaamdheid te beklagen. De uitslag van een en ander was zeker niet bijster bevredigend voor de Consistorie, want ruim zes jaar later hooren wij haar op de vraag, namens de Prinses van Auvergne gedaan, of ‘de Hr. A. van Maurik, regerende burgemeester van binnen is lidmaat van de waere Gereformeerde

[p. 425]

kerke of niet’, in gemoede verklaren, dat hij ‘wegens het aanhangen van de gecondemneerde onrechtsinnige lere van Pontiaan van Hattem eenige jaaren geleden is gesuspendeert van het H. avondmaal en van wege syne volherdinge in die gevoelens van die censure tot nogh toe niet en is ontheft’. Aangaande Samuel van Hattem en eenige andere Heeren werd bij dezelfde gelegenheid zonder eenige terughouding verzekerd, dat zij waren van de waere Gereformeerde religie enledematen van onze kerke1).

Overigens liet men de Hattemisten met rust, en wij mogen aannemen, dat men waarschijnlijk daarbij zou hebben volhard, indien niet de schoenmaker Marinus Booms2), uit Middelburg gebannen, om zijn schadelijke en verderfelijke leer, ‘strydigh tegen de leere der waarheyd,’ zich te Bergen had gevestigd. Daartegen meende de Kerkeraad, den 6 Jan. 1715, zich te moeten verzetten, ‘ten eynde dese dwaalgeest hier moghte gestuyt worden.’ De burgemeester Bastingius maakte zich van de zaak af, zeggende, dat zij niet tot zijn departement behoorde. Men moest er den Drossart over spreken. Voordat men dit deed, schreef men naar Middelburg en Ds. Tuinman haastte zich, namens den Kerkeraad der gemeente, den brief uit Bergen te beantwoorden. Hij gaf de noodige inlichtingen omtrent den gebannen ketter en betreurde zijn komst te Bergen ‘wegens de besmettingh van sulk een werktuygh des Satans; te meer,’ vervolgde hij, ‘om dat de overblyfselen van Van Hattem's quaade zaad nog overigh syn in Uw Ed. gemeinte. 't Is noodsakelyk dat alle welmeenende met Land en Kerke de herten en handen t' zamen voegen om dat verwoestende zielverderff te weeren: waarover God schijnsel geve!’ Bovendien zond Tuinman afschriften van Boom's afsnydingh door de Consistorie te Middelburg en van zijn politieke uytseggingh3).

[p. 426]

Met deze stukken gewapend, maakte de geheele Consistorie te Bergen den 5den April 1715 haar opwachting bij den Drossart. Zij werd geprezen om haar waakzaamheid voor de Gereformeerde Christelijke godsdienst en ontving de belofte, dat de overgelegde bescheiden nagezien, de conventiculen tegengehouden en Booms als een ‘onweerdigh Borger’ niet zou worden geduld1). In hoever de Drossart woord hield, blijkt niet duidelijk. Wijbrands2) schijnt te rneenen, dat Booms onmiddellijk na genoemden datum zijn zwerftochten voortzette. Maar den 26sten Sept. woonde hij toch nog, naar het schijnt, in Bergen. Dien dag werd in den Kerkeraad aldaar geklaagd, dat Juffr. Maria Stuyt, nu huysvrouw van Sr. Lambregts ‘alle sondagen sulke plegtige bijeenkomsten (houdt), bestaende in menschen van soo verscheijden rang en ordre, dat se niet gewoon en syn Burgerlyk ommegang met elkanderen te houden’, hetgeen doet denken aan ‘verboden conventiculen, te meer om dat sy met Marinus Booms en Buytendijk seer familiaer is, en niet alleen sy, maer de meeste die des sondags soo tot Harent komen.’ De wijkpredikant zou Jufvrouw Lambregts-Stuyt over haar wangedrag aanspreken, en mocht den 4en October mededeelen, dat zij hem ‘volkomen genoegen in haar antwoort’ had gegeven.

Had zij beloofd zich voortaan te zullen onthouden van het beleggen van conventiculen en van den omgang met Booms en Buytendijk? Was zij bang geworden voor bedreigingen, of was de oude liefde voor de nieuwe beginselen verkoeld? Vonden zij en haar geestverwanten het veiliger, zich stil te houden en zoo min mogelijk door het toelaten van ‘ketters’ aanstoot te geven?

Hoe het zij, Booms verwijderde zich, vrijwillig of gedwongen, na langer of na korter tijdsverloop. Hij ging naar Rosendaal en woonde in het najaar van 1716 te Breda. Te Bergen was en bleef het eenige jaren rustig. Het scheen alsof de Hattemisten hun gevoelen hadden verloochend. Herhaalde malen wordt in den Kerkeraad verzekerd, dat de huisbezoeking niets bijzonders opleverde, soms onder bijvoeging: tot groote vreugde van de vergadering.

Men kan dus nagaan welke bekommering het wekte, toen de Eerwaarde heeren vernamen, dat de ‘berugte godslasteraar’

[p. 427]

Steven Kloet, een vriend van Booms en die om zijn kettersche gevoelens drie jaar op 's Gravensteen te Middelburg had gevangen gezeten en daarna uit Zeeland, Holland en West-Friesland was gebannen, zich met ter woon in hun goede stad had neergezet1). Aanstonds werd de Drossart aangesproken en de belofte ontvangen, dat de onverlaat zou worden geweerd2). Edoch, omstreeks vier maanden later was hiervan nog niets gekomen en zag de Consistorie zich genoopt, te ‘ondersoeken’ wat er aan was van het beweren, dat Steven Kloet ‘syn god-delooze leere hier soekt te verspreyden en eenige Ledematen in te boesemen.’3)

Naar het schijnt heeft dit onderzoek niet tot eenig bewijs van schuld geleid. Kloet bleef ongemoeid en Marinus Booms, omstreeks Nov. 1718 vrijwillig uit Breda vertrokken, omdat hij reden had te vreezen voor verbanning of erger, kwam over Zevenbergen4) ‘wederom’ te Bergen en hield daar, in het begin van 1719, ‘dagelijks conventiculen dan bij den eenen en dan bij den anderen tot ergernisse van de rechtsinnige, niet sonder een schadelyk gevolgh dat daeruyt te vreesen staet, indien daertegen niet tijdelyck gewaeckt wert.’ De Kerkeraad begreep, dat het zaak was den heer Drossart de Groot ‘wederom gelyck in voorige tyden geschiet was ernstelyck te versoecken, dat doch sulke conventiculen mochten werden geweert, dewelcke tot verachteringe van de waerheyt en scheuringe der kercke soude konnen strecken.’ Men zou daarbij herinneren aan de vroeger overgelegde afschriften uit Middelburg5) en tevens er op wijzen, dat Steven Kloet nog altijd te Bergen woonde, hetgeen bekommering wekte, ‘wegens de besmettingh die daeruyt soude konnen ontstaen.’ De Drossart was beleefd en betoonde zich hulpvaardig, doch kon niet alles, met name geen besluiten nemen om de conventiculen te verbieden en de ketters te bannen. Hij verzocht een schriftelijke herhaling der ingediende klachten, die natuurlijk gaarne werd verstrekt,

[p. 428]

onder toevoeging van een afschrift van de Middelburgsche Sententie tegen Kloet en een verwijzing naar de resolutien, waarbij conventiculen werden verboden, ‘van oudts’ door de Hoogmogenden, de Staten Generaal, en ‘onlangs’ door de Edelmogenden, de Staten van Zeeland1). De Drossart zou beproeven, den Magistraat tot het nemen van een gelijke resolutie te bewegen, hetgeen hem inderdaad gelukte. Bovendien had hij weten te bewerken, dat Booms reeds voor den 19en Maart 1719 ‘wederom vertrocken’ was. Den 30en werd hij bedankt ‘voor syne vigilantie in het stuyten van conventiculen en het doen vertrecken van Marinus Booms.’ Enkele dagen later volgde de lang gewenschte resolutie van den Magistraat ‘op het versoeck soo van ongeoorloofde conventiculen als van Steven Cloet.’ De conventiculen werden verboden, maar Kloet mocht voor als nog in de stad blijven wonen, omdat hij niets onbehoorlijks had gedaan. Desniettegenstaande was de Consistorie recht dankbaar; ‘om d' uytdruckingen daarin voorkomende, de beloofde bescherminge van de leere der waerheyt, den suyveren Godsdienst en de dienaren des Woorts.’ Het hoofddoel was bereikt. Al werden de ketters niet verdreven, de samenkomsten, van waar de besmetting zich placht en steeds verder dreigde te verspreiden, zouden niet meer plaats hebben. Daarmede mocht het kwaad in zijn verderfelijken loop gestuit worden geacht. En men schreef, den 4den April 1719, op den kant van het verhaal dezer dingen: ‘'T uijt Eynde der saek van M. Booms en Steven Cloet.’ Voortaan behoefde over de gruwelijke ketterij en haar goddeloozen aanhang niet meerte worden gesproken. Zij zouden van zelf verdwijnen.2)

Wel zou na verloop van eenige jaren blijken, dat men ook nu nog te vroeg had gejuicht, maar dan zouden de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden bereid worden gevonden om gehoor te geven aan den gemeenschappelijken drang van de ‘Predicanten en Ouderlingen uitmaakende de Classis van Bergen en Tholen, als meede der Stad en Baronnye van Breda’

[p. 429]

en, zich aansluitende bij het Placaat der Staten van Holland en Westfriesland, ‘tegen de Hattemisten en Spinosisten’, dd. 26 Febr. 1732, insgelijks bij plechtig Placaat, van den 22sten Mei 1733, te verbieden: ‘het leeren en dissimineeren, soo in Conventiculen en Byeenkomsten, als daar buiten, hoe en waar het anders soude moogen weesen, het sy by monde of schriftelyke, de voorschreeve heilloose gevoelens van Pontiaan van Hattem en van des selfs Aanhangers’.1)

W.C. van Manen.

 

(Slot in het volgend Nummer.)