terug  begin  verderprepost
[p. 115]

Amerikaansche dichters.

I. Francis Bret Harte.

Francis Bret Harte, Poetical works, including the drama of ‘the two men of Sandy Bar.’ Collected and revised by the author. Boston 1882.

In Albany, de hoofdstad van den Staat New-York, leefde in 't begin dezer eeuw een eenvoudige schoolmeester. Hij heette Harte en was evenals vele bewoners uit die stad van Hollandsche afkomst, wat trouwens niet vreemd is in eene plaats, die door de grondleggers Beverwijk genoemd was. Klein was zijn inkomen, klein zijn gezin, maar beide waren groot genoeg voor den tevreden man. De lust en de trots der ouders was hun eenigst kind, een knaapje, dat met de namen Francis Bret gedoopt was. De beide namen werden alleen in 't doopregister der kerk van Albany geboekt, de drager zelf bediende zich later alleen van den tweeden voornaam, en verbande den eersten zelfs van alle titels zijner boeken.

De vader schonk aan zijn' stamhouder wat hij hem geven kon, en zoo genoot de jonge Bret eene betere opvoeding dan menig kind van rijke ouders. Ongelukkig mocht de vader de vruchten van zijn' arbeid bij zijn' liefsten en besten leerling niet aanschouwen. Toen Bret vijftien jaar oud was, stierf de vader en liet vrouw en kind in behoeftige omstandigheden achter. In de groote stad New-York hoopte de weduwe beter zich en haar zoontje te kunnen onderhouden, maar toch ging het ook daar moeilijk genoeg. Zoodra Bret kon, moest hij zelf de handen uit de mouw steken: hij zocht en vond eene plaats in een' winkel.

[p. 116]

Reeds toen droomde de knaap niet alleen van eene betere toekomst, maar haakte er naar die te veroveren. Californië was toen het paradijs der gelukzoekers en Bret hield niet op, voordat zijne moeder aan zijne beden gehoor gaf en hem volgde. En zoo trok de zeventienjarige dichterlijke Jason naar het Colchis aan den Stillen Oceaan, dat hij op nieuw veroveren zou. Van de ‘Bay’ - zooals San Francisco in den mond der goudzoekers heette - waar hij zijne moeder achterliet, trok Bret te voet naar de mijnen van Sonora. Hij werd er goudgraver, maar hij vond niet wat hij zocht, ten minste hij vond het niet in de mijnen en toch lag het gulden vlies, dat hij zocht, voor hem open en bloot. Hij had er nog geen oog voor, verwisselde de spa van den goudzoeker met het spelboek van den schoolmeester, en gaf aan zijne leerlingen tegelijk les in de schrijfkunst en de zedekunde, wanneer hij als toppunt van het bereikbare hun het moeilijke schrijfvoorbeeld: ‘Rijkdom is bedriegelijk,’ liet nateekenen.’1)

Of hij op die wijze door de kinderen op de ouders trachtte te werken, weet ik niet. Luisteren deden ze evenwel graag naar hem: hij kon ‘zoo mooi’ vertellen en voorlezen. Dat had hij reeds als goudgraver onder de goudgravers gedaan. Wanneer 's avonds de duisternis het graven in de mijnen van Sonora deed staken, haalde de jongste der goudzoekers zijn' kostbaarsten schat uit zijn kleine valies: een beduimeld boek, waaruit hij voorlas aan wie er den rusttijd niet met dobbelen, drinken of dommelen doorbrachten. En vaak gebeurde het, dat ook deze ruwe gasten.... Doch laat me beproeven weêr te geven, hoe hij zelf dit later in herinnering bracht, terwijl hij daardoor een blad vlechtte in den graf krans voor den grooten meester, van wien hij zich een geestverwant toonde, al kan men daarom nog in hem geen ‘tweede’ Dickens huldigen2). Ik beloofde u een tafereeltje in het goudgraverskamp van Sonora te laten zien. Hier is het:

[p. 117]
 
Fantastisch dreef de maan langs donkre dennentoppen,
 
De bergstroom zong zijn lied;
 
Als minarets van sneeuw verhieven zich de toppen
 
Der Sierras in 't verschiet.
 
 
 
't Vuur, spotziek colorist, had gloed en blos geschilderd,
 
Sinds lang niet meer aanschouwd,
 
Op wangen, vroeg verbleekt, vermagerd en verwilderd
 
Door koortsdrift naar het goud.
 
 
 
Een haalde uit klein valies een boek, reeds half versleten,
 
Elk luisterde als hij las;
 
Door iedren speler werd de kans der kaart vergeten,
 
Die achtloos glipte in 't gras.
 
 
 
En toen rondom de groep, terwijl de vuurgloed daalde,
 
Steeds dieper schaduw gleed,
 
Las hij op nieuw hun voor, hoe Dickens 't lot verhaalde,
 
Dat ‘Kleine Nelly’ leed.
 
 
 
Den lezer, 't jongst van hen, om 't kampvuur daar vergaderd,
 
Bemerkte - of was 't een droom? -
 
Dat, toen hij las, in eens het stil werd in 't gebladert,
 
Als luisterde elke boom.
 
 
 
Beweegloos was elk takje en stom scheen alle leven,
 
't Hing al aan sprekers mond,
 
Terwijl 't geheele woud met Nell in Englands dreven
 
Verdwaalde en zwierf in 't rond.
 
 
 
Zij voelden allen last en alle leed verdwijnen
 
Als door een tooverstaf -
 
Zoo vallen onverwacht van zwaarbemoste pijnen
 
De zwarte naalden af.
 
 
 
Het kamp brak lang reeds op, het vuur hield op te gloren,
 
En die er 't wonder deed? -
 
Ach, slanke denneboom en ranke Kentsche toren1),
 
Gij treurt om 't zelfde leed.
[p. 118]
 
Verstoven is dat kamp, doch moog' de erinring leven,
 
Wier geur zich dankbaar mengt
 
Met wierookwalmen als der hoppegaarde ontzweven,
 
Die Kent zijn' doode brengt.
 
 
 
Op 't graf, waar England thans laurier en hulst en eiken
 
Eerbiedig samenvlecht,
 
Moge ook het verre West dit dennerijsje reiken,
 
Daar als zijn dank gehecht.

Was het de koortsachtige onrust dier tijden, die den jongen onderwijzer drong zijne school te sluiten, of de hardleerendheid van de goudgraverskinderen? Als theorie en praktijk steeds samengingen, mocht anders niet betwijfeld worden, of hij, die zoo treffend wist te teekenen, hoe de geduldige jonge schoolmeester van Smith's Pocket de booze machten wist te temmen in het hart van Mliss, dat verwaarloosde dronkemansdochtertje, moest de ware leidsman zijn geweest om de aan zoo vele gevaren van verleiding blootgestelde jeugd der mijndistricten op te voeden.

Hoe het zij, Bret Harte wisselde nog eens weer - en het zou nog niet de laatste maal zijn - van beroep. Maar de sprong was niet zoo groot als van goudgraver tot schoolmeester. Hij, de onderwijzer, werd letterzetter en deed daarmede den eersten stap op de baan, die hem zou brengen tot delven en stempelen van edeler goud, dan waarvan men munten slaat.

Zoodra maar ergens in Amerika een honderdtal bewoners in tenten en blokhuizen samenwonen, wordt ook de pers vertegenwoordigd door eene courant. Ook het mijndistrict Sonora had er eene. Eureka was de veelbeteekenende naam van het blad, in welks drukkerij Bret Harte zetter werd. Niet alleen met den zethaak echter, ook met de pen werkte hij er. Hij oefende zich in zijn nieuw beroep door kleine schetsjes en bijdragen van zijne hand te zetten, die vervolgens in 't blad Eureka werden opgenomen. Eureka! Hij had zijn' weg gevonden, al zou die voor hem aanvankelijk ongebaand zijn en langs afgronden voeren niet minder gevaarlijk dan de wilde cañons in de woeste bergdistricten. Wel had hij spoedig in die mate het vertrouwen van den uitgever van Eureka gewonnen, dat deze hem gedurende zijne afwezigheid met de leiding der zaken belastte. Maar

[p. 119]

zijne openhartige, edelmoedige natuur deed hem spoedig dien post en bijna het leven verliezen.

Een verraderlijke, sluw overlegde aanval van de blanke bevolking op de Pima-Indianen, die eindigde in een gruwelijk bloedbad onder de laatsten, werd door Bret Harte in zijne courant openlijk afgekeurd. Daarmede had hij zich in de oogen zijner medeburgers onmogelijk gemaakt; uit zijne betrekking werd hij weggejaagd en reeds was menige revolver op hem gericht, zoodat hij het raadzaam oordeelde de wijk te nemen naar San Francisco of Frisco, zooals het onder de goudzoekers heette.

Hier zette hij het hem lief geworden beroep van zetter en schrijver voort, totdat de redacteur van het letterkundig weekblad The Golden Era - zeker een verlokkende naam voor dien tijd! - door een toeval in den jongen zetter Harte den dichter Harte ontdekte en hem van de letterkast naar de redactiekamer verplaatste. Aanleiding tot die ontdekking had het volgende gedicht gegeven, dat eenigszins den geest aanduidt van de ‘Poems in Dialect’, waarvan het later een deel uitmaakte. De hierin genoemde Jaap Rechtuit (‘Truthful James’) zou tien jaar later door eene andere vertelling een der populairste figuren worden, wiens uitspraken door de gansche Unie als ‘gevleugelde woorden’ verspreid werden. Hier volgt het:

Het oudheidkundig genootschap op stanislaus.
 
'k Woon op den Tafelberg daar ginds; mijn naam is Jaap Rechtuit,
 
Ik hou van leugens noch bedrog, het komt toch alles uit;
 
Naar waarheid is ook mijn relaas van wat er is geschied,
 
Waardoor 't genootschap - onze Club - zoo spoedig ging te niet.
 
 
 
't Is zonde en jammer van de Club, want kijk, een maand of zes
 
Was 't drommels aardig, men oreerde en dronk een fijne flesch.
 
Maar toen kwam Jansen met een vracht fossiele beendren aan,
 
Hij had die uit een kuil op 't erf van Willemse van daan.
 
 
 
Een lezing hield hij bij die vondst, waaruit hij klaar besloot,
 
't Was een antediluviaan, een dier, zeer vreemd en groot:
 
Maar Willemse vroeg na zijn speech een oogenblik het woord
 
En zei, dat 't van een' ezel was, die hem had toebehoord.
[p. 120]
 
Hierop hernam nu Jansen weer - en zuurzoet was zijn lach -
 
Dat hij zich deerlijk had vergist en dat hij 't zelf nu zag.
 
't Was klaar, hij had - hij wist de plek nog duidelijk en goed -
 
Onwetend het familiegraf der Willemse's doorwroet.
 
 
 
Nu, wetenschaplijk mag het zijn, maar vriendlijk niet, dat 's wis,
 
Dat één geleerde aan d' ander zegt, dat hij een ezel is.
 
En treffend zij 't en afdoend, maar bewijzend is het nooit,
 
Dat hem de tegenstander dan met rooden zandsteen gooit.
 
 
 
Toen Jansen zweeg, rees Abner op - die was toen president -
 
En stelde een motie voor - hij dacht, zoo komt de twist ten end.
 
Mèt als hij spreekt, krijgt hij een brok rood zandsteen voor zijn maag
 
Hij tolde neer en zweeg, en nu raakte ieder lid ook slaag.
 
 
 
In minder tijd dan ik 't vertel, vloog nu Silurisch steen,
 
Fossiele beendren, wat niet al door onze clubzaal heen.
 
't Museum en het kabinet, werd heelemaal beroofd;
 
Een oude mammouthschedel boorde een gat in Thomsons hoofd.
 
 
 
Dit is al wat ik er van weet, en, ik kom er rond voor uit,
 
Want ik woon op den Tafelberg, mijn naam is Jaap Rechtuit,
 
Naar waarheid is geheel 't relaas, van wat er is geschied
 
Waardoor 't genootschap - onze Club - zoo spoedig ging te niet.

Kort daarop verscheen zijne reeds genoemde ‘Story of Mliss’ eene der eerste proza-vertellingen uit een goudzoekerskamp. Doch ik heb mijn plan beperken en me alleen moeten bepalen tot den dichter in gebonden stijl.

De ‘Golden Era’ bracht, ondanks haar veel belovenden titel den uitgever geene gouden eieren - het blad ging te niet, maar Bret Harte's bijdragen in proza en poëzie werden voortaan geplaatst in ‘The San Francisco California’, waarvan hij niet alleen de voornaamste schrijver en redacteur, maar ook eigenaar was. Nog eene teleurstelling zou hij evenwel ondergaan. Ook dit blad kon zich niet staande houden. Intusschen was uit den rondzwervenden goudzoeker, den onderwijzer zonder school, den weggejaagden letterzetter een eerzaam huisvader gegroeid, wien eene vaste betrekking hoe langer hoe begeerlijker werd. En hij verkreeg die. Invloedrijke vrienden verschaften hem den post van Secretaris van de Munt te San Francisco.

Nu gleden stroomen van Californisch goud door zijne vin-

[p. 121]

geren, maar nog was het het zijne niet. Toch was deze lotsverandering eene groote verbetering voor hem. Nu kreeg hij kalmte en gelegenheid om de beelden en personen, die in bonte mengeling voor zijn geestesoog zweefden, weer op het papier te doen leven. En welk eene mengeling van figuren en karakters: hier de onder hunne lompen nog statige en ceremonieele Hidalgos, niet hunne luierende, cigaretten rookende vrouwen, hunne alles-beheerschende priesters, een kwijnend leven op de in tropischen zonnegloed geblakerde Missies, Presidios en Ranchos - daar de zondvloed van ‘Americanos’, levendig en bewegelijk als kwikzilver, doortrapt, onverschrokken, - ginds de bannelingen uit alle oorden der wereld, beladen met iedere denkbare schuld, doch allen beheerscht door dien eenen hartstocht: naar goud. Hier het woeste gebergte met zijne diepe ravijnen en cañons, zijne eeuwenheugende wouden, ginds de half legendarische Spaansche missie van den Heiligen Franciscus, met hare vijfhonderd bewoners, die in minder dan dertig jaren tot eene wereldstad met een kwart millioen inwoners zou aangroeien.

En dat alles schilderde hij met een' penseel als van den Helschen Brenghel, met tinten als van een Salvator Rosa.

In 1865 verscheen Bret Harte's eerste dichtbundel, naar een der grootste verzen ‘The lost Galleon’, geheeten. Verschillende onderwerpen daarin ontleende hij aan den burgeroorlog, die toen nog woedde, waarin hij even openhartig als vroeger zijne gevoelens uitte. De meeste zijn in den ernstigen toon, dien de tijdsomstandigheden meebrachten. Daaronder is het door zijn' eenvoud treffende: ‘Miss Blanche says’, waarin de pas van de kostschool uit Parijs teruggekeerde New-Yorksche schoone vertelt, hoe even na het uitbarsten van den oorlog een regiment soldaten uit het Westen voor hun huis halt maakte. 't Waren doodmoede, bijna havelooze krijgers. Daar ontmoet haar blik een oog ‘schitterend als een bajonet’, het meisje bloost en terwijl ze zich schuchter van 't venster terugtrekt, valt eene roode roos van hare borst. De krijger met het flikkerend oog raapt die op en steekt haar op de tromp van zijn geweer. Sedert dien tijd verneemt ze noch van hare roos noch van den soldaat iets, totdat haar toevallig eene photographie in handen komt: ‘Inde loopgraven,’ waar een gesneuvelde krijger op afgebeeld is, die eene verwelkte roos in de hand houdt.

Daden van zelfopoffering, van driesten moed teekent hij in

[p. 122]

die ‘National Poems,’ onder welken titel hij ze rangschikte in de boven aangehaalde uitgave, waarin hij zijne in allerlei bundels verspreide gedichten verzamelde. Maar nevens de verschrikkelijke tooneelen van den strijd laat hij ook enkele vertroostende beelden zien in: ‘How are you, Sanitary?’ Battle Bunny, A Sanitary Message en anderen. Tot deze behoort ook het volgende, geschreven voor een' Bazar ten voordeele van de gewonden:

De godin.
 
‘Werda!’ roept in het nachtlijk uur
 
De wacht, die onraad hoort.
 
Wel nadert een gestalte hem,
 
Doch spreekt geen enkel woord.
 
 
 
Een vrouw is 't naar heur smaakvol kleed,
 
Een krijgsman naar den gang.
 
‘Kom drie pas nader! Halt nu! Spreek,
 
En zeg me uw naam en rang!’
 
 
 
‘Mijn rang? 'k Werd als godin vereerd
 
In overouden tijd.
 
Mijn naam? Elk krijgsman kent dien wel,
 
'k Verschijn in iedren strijd.’
 
 
 
‘'k Herken nu uw metalen stem,
 
Dat oog vol woesten glans,
 
Uw mond, nog rood van 't edelst bloed
 
Der zonen onzes lands.
 
 
 
Zij vielen, jong en goed en fier,
 
Door uwen arm omkneld,
 
Ge ontstaakt in hen het heilloos vuur,
 
Waarvan uw boezem zwelt.
 
 
 
Ginds ligt mijn broeder, 't koud gelaat
 
Drukt hij in 't vochtig gras.
 
Maar, voert zijn arm geen wapen meer,
 
Ik weer u iedren pas.’
 
 
 
Daar knalt een schot, dat door 't gebergt
 
Weerkaatst in de avondlucht,
 
Ginds slaat van verre een wachthond aan,
 
Dan - zwijgt weer elk gerucht.
[p. 123]
 
De schildwacht ligt in 't vochtig gras
 
Dood aan zijn broeders zij.
 
Maar, in den bleeken maneschijn,
 
Wie sluipt daar nader bij?
 
 
 
Geen schild, geen lans, een helm alleen
 
Draagt zij vol water meê.
 
Knielt bij den veegen en vervult
 
Aldus zijn laatste beê.
 
 
 
Is dat Bellona, de godin,
 
Die aanhitst tot den strijd?
 
Ja, nog is 't als de mythe sprak
 
In d' overouden tijd.
 
 
 
Nog blijft ze op 't bloedig oorlogsveld
 
Haar roeping steeds getrouw,
 
Ze is in den strijd alleen Godin,
 
Daarna verschijnt ze als Vrouw.

Maar zelfs dit bloedige tijdperk heeft Bret Harte stof gegeven tot bladzijden vol humor en daarin onderscheidt hij zich van al zijne landgenooten, van John Greenleaf Whittier onder anderen, uit wiens ‘In war time’ en andere bundels ik binnen kort iets hoop mede te deelen. Ook hiervan een voorbeeld in:

De oud gediende.
 
De vreemdling zei: ‘'k Diende onder Grant,’.....
 
‘Stil!’ riep de boer hem toe.
 
‘Kom, oudje, rust wat bij mijn' haard,
 
Gij zijt zoo koud en môe.’
 
 
 
‘'k Diende onder Grant’.... ‘Genoeg, straks meer!
 
Kom, eet en drink eerst wat;
 
Wel is het weinig wat ik heb,
 
Maar 'k geef u gaarne dat.’
 
 
 
Gezegd, gedaan. ‘Kom, nu verteld;
 
Hebt gij mijn zoon' gekend?
 
Hij dient en vecht ook onder Grant
 
In 't achtste regiment.’
[p. 124]
 
‘'k Weet niemand,’ zei de veteraan,
 
‘Die zulk een naam er droeg;
 
'k Diende onder Grant....’ - ‘Och, houd maar op,
 
Nu weet ik al genoeg.’
 
 
 
‘Helaas, ik dacht het wel, hij viel,
 
Waarom 't me niet gezeid?
 
Spreek op: hoe erg 't bericht ook zij,
 
Meer drukt onzekerheid.’
 
 
 
‘Hoe viel hij? Naar den vijand 't oog
 
En 't vaandel in zijn hand?
 
Och, meld me slechts, dat hij zóó viel,
 
Met eer voor 't vaderland.’
 
 
 
‘Ik weet niet’ - zei de veteraan,
 
‘'k Wou, dat ik 't zeggen kon,
 
'k Heb drie jaar onder Grant gediend,
 
Eer de oorlog nog begon.’
 
 
 
De boer rees op, hij sprak geen woord,
 
De deur wierp hij hem uit,
 
Die drie jaar had gediend bij Grant,
 
Eer 't Noorden streed met Zuid.

In wat lateren tijd verplaatst ons zijn:

Reunie.
 
Of ik ook kom? Ja, kolonel, ik weet niet, of ik kan,
 
Mijn land ligt half nog onbezaaid en zelf doen spaart een man.
 
En dan, die stijve linkerpoot wil ook zoo moeilijk meê,
 
De blauwe boon zit nog er in, schoon dokter kerfde en sneê.
 
 
 
En bovendien ronduit gezeid - ik noem 't soldaatjesspel,
 
En voegt dat wel zoo'n ouden man, als ik ben, kolonel?
 
Voor de Unie kwam ik altoos op, al stond ze ook soms kritiek,
 
Maar zoo'n reunie, och, ik vrees, 't is louter politiek.
 
 
 
Niet? Des te beter, 'k dacht maar zoo. Toch zie ik er van af,
 
Ik ben diaken ook. Wie weet, of 't soms geen aanstoot gaf.
 
Een bidstond hebben we in die week. Op d' elfden is 't gesteld?
 
Wel, op dien dag juist sloegen wij den vijand uit het veld.
[p. 125]
 
Wij hadden 't warm. Herinnert ge u, waar 't regiment toen stond?
 
Het ‘Kerkhof’ noemden wij dien pas, de vijand was in 't front.
 
't Zou in den stormpas nu wel niet zoo haastig gaan als toen -
 
't Is jammer, ik heb juist die week zoo vreeslijk veel te doen.
 
 
 
Komt Thompson ook? 't Zou jammer zijn, als ik dan ook niet kwam,
 
'k Heb nooit weer iets van hem gehoord, sinds dat hij afscheid nam.
 
Het was een echte bulderbast, maar toch een goeie vent,
 
Of hij me nog herkennen zou? Wij hadden meest één tent.
 
 
 
En Dick komt ook? En Willem dan? Ja, kolonel, 't is waar!
 
Wij droegen dood hem uit den slag: wat viel de zege ons zwaar!
 
'k Zie nog 't vertreden korenveld, wij dolven er zijn graf,
 
Hij werd met eere er in gelegd in 't bijzijn van den staf.
 
 
 
Ja, neem niet kwalijk, kolonel, maar och, zoo'n oude man
 
Wordt dingsig van die narigheid. Kom, zwijgen we er maar van.
 
Dus de oude jongens zagen graag nog eenmaal hun majoor?
 
't Is de elfde? - Ik kom: 'k moet toch naar stad, 't gaat in één
 
drukte door.

Met uitzondering van het laatste had Bret Harte reeds al deze gedichten en tallooze schetsjes in Californische bladen geplaatst, maar nog altijd was zijn naam alleen in 't ‘Far West’ bekend. Hij zelf verhaalt, hoe het toeval dien door de geheele Unie bekend maakte. Met behulp van eenige vrienden gaf hij een nieuw tijdschrift: ‘the Overland Monthly’ uit. Er ontbrak kopie voor het tweede nummer en hij schreef in enkele dagen tot aanvulling: ‘The Luck of Roaring Camp.’ De corrector. - eene jonge dame - was slechts met moeite door den drukker overgehaald de proef bladen van dit zedelooze en ongodsdienstige stuk geheel te lezen; de drukker waarschuwde den uitgever en deze ontbood den schrijver. Na allerlei besprekingen en adviezen van onbevooroordeelden werd de vertelling toch geplaatst. De Californische bladen bespraken haar weinig of niet, maar de geestelijken waarschuwden ernstig tegen het tijdschrift en den schrijver, mannen van zaken veroordeelden eveneens ten zeerste deze schildering van zeden en toestanden, die de emigratie uit het Oosten zeker niet bevorderen zou. Zoo was, wat trouwens meer gebeurt, - men denke slechts, om geen voorbeelden uit ons land te noemen, aan de verontwaardiging, die Fritz Reuter door zijne ‘Olle Kamelle’ bij de eerzame ‘Spieszbürger’ van Stavenhage

[p. 126]

verwekte - in de streek, waar het tooneel speelde, het stuk onherroepelijk gevallen, maar de toeschouwers van verre juichten. De mail bracht een' brief aan den ‘Editor of the Overland Monthly’ van niemand minder dan de uitgevers van ‘The Atlantic Monthly’ en bestemd voor den - hun onbekenden - schrijver van ‘The Luck of Roaring Camp’, een brief vol lof voor zijne vertelling en met een dringend verzoek om iets dergelijks voor hun tijdschrift. Hij voldeed daaraan. Nu was zijn naam ook in 't oosten gemaakt, en weerklonk spoedig in den mond van 't eigenlijke volk, toen hij in den herfst van hetzelfde jaar 1870 in ‘The Overland Monthly’ op een nieuw humoristisch gedicht plaatste: ‘Plain Language from Truthful James’, later algemeen bekend als ‘The Heathen Chinee.

Geen gedicht - alleen Poe's Raven uitgezonderd - maakte ooit in Amerika sneller en algemeener opgang. Naar Europeesche schatting heeft dit gedichtje zulke groote waarde niet en wij zullen ongetwijfeld den voorrang toekennen aan ‘The Raven.

‘Truthful James’ vertelt, hoe hij en zijn vriend Bill Nye bij een spelletje Euchre - een soort écarté - worden gefopt door een' Chinees Ah Sin, die zich eerst houdt, alsof hij het spel niet kent, maar die beiden bedriegt door vier-en-twintig spellen kaarten, in zijne wijde mouwen verborgen, en door een weinigje was op zijne nagels. Maar om de buitengewone populairiteit van dit vers te verklaren moet men in 't oog houden welke rol John Chinaman toen vooral in San Francisco speelde.

Van de verschijning dezer beide bijdragen: ‘The Luck of Roaring Camp’ en ‘The Heathen Chinee’ dagteekent Bret Hartes groote populariteit.

Uit New-York werden hem de schoonste voorstellen gedaan; lang aarzelde hij, maar in 1872 legde hij de redactie van ‘the Overland Monthly en het hem sedert 1869 opgedragen professoraat in de Nieuwe Letteren aan de Hoogeschool van San Francisco neer. Zoo keerde hij na achttien jaar weer naar New-York terug, dat hij als vijftienjarige knaap had verlaten. Hij had het doel bereikt, dat de jonge gelukzoeker had willen bereiken, zij het ook andere wijze, dan hij had gedroomd. Hij had zich fortuin, maar meer dan dat, een' naam verworven en de dankbaarheid van zijn geheele volk, voor wie hij het Colchis aan den Stillen Oceaan op nieuw had ontdekt. Sedert dien tijd leefde hij eerst ambteloos. Later diende hij zijn vaderland op

[p. 127]

andere wijze. Evenals de novellist Nathaniel Hawthorne met het Consulaat te Liverpool, de dichter-reiziger Bayard Taylor met het gezantschap te Petersburg en Berlijn, de dichter der Biglow-Papers, James R. Lowell, met den gezantsschapspost in Engeland werd bekleed, benoemden de Vereenigde Staten Bret Harte tot hun Consul eerst in Elberfeld, later in Glasgow. Zijne schetsen en verhalen werden in alle denkbare talen, tot in het Chineesch toe vertaald; als dichter werd hij in Duitschland vooral bekend gemaakt door de vertalingen van Ferdinand Freiligrath, die daarmede eene moeilijke, maar dankbare taak vervulde.

Niet minder toch dan zijn proza wemelen zijne gedichten, vooral de ‘Poems in Dialect’ van haast - ik zeg niet alleen onvertaalbare, maar onbegrijpelijke zegswijzen, die me zelfs door Bartletts uitvoerige ‘Dictionary of Americanisms’ niet alle opgehelderd werden. Maar nog afgezien daarvan, is zijn stijl vaak zoo afgebroken, zoo onstuimig, dat menig gedicht - en daaronder van de beste - werkelijk onvertaalbaar zijn, tenzij de vertolker de vrijheid neme te omschrijven en uit te breiden. Doch daarmeê gaat dan tevens het kernachtige en het oorspronkelijke vaak verloren. Dit is o.a. het geval met het gedichtje ‘Jim’, naar wien een ruwe verloopen matroos in eene kroeg vraagt; met ‘In the tunnel’, dat verhaalt hoe Tom Flynn zich bij eene instorting van de mijn opofferde om het leven van zijn' getrouwden kameraad te redden; met Dows Flat, de geschiedenis van een' door ongelukken vervolgden goudgraver, wien het altijd tegenliep en die ook bij ongeluk - want hij zocht water in den uitgedroogden put, - er eene rijke goudader vond.

Een enkel van die ‘Poems in Dialect’ deelde ik reeds mede. Een paar voorbeelden mogen nog volgen:

Lucas1).
(In het Colorado-Park, 1873.)
 
Wat? Leest ge een romannetje?! Kerel, dat had ik van jou niet gedacht!
 
Volwassen, een man met een baard! En die sleept me zulk tuig in
 
de wacht
[p. 128]
 
Van meisjes en vrijers! Niet vreemd, dat ge niets zijt dan vel en
 
wat been!
 
Kijk mij eens, wel tweehonderd netto! En 'k las er mijn leven
 
niet één.
 
 
 
Zoo denk ik dus over die boekjes. Wel liggen er hier, maar dat
 
paar
 
Behoort, aan de dochter des rechters - de rechter, die 't vorige
 
jaar
 
Hier kwam voor zijn longen, 't gebergte en den balsem van lariks
 
en pijn.
 
Zijn dochter las altijd romans, en dit bleek mij haar ziekte te zijn.
 
 
 
Toch zorgde zij goed voor den rechter en kleefde hem aan als een klit,
 
Alleen in het huisje hier boven, totdat ze als een geest werd zoo wit.
 
Zij was niet veel meer dan een schaduw, zoo licht en zoo spoedig
 
weer voort
 
Als rook van een schot in het bosch, maar ik houd niet het minst
 
van dat soort.
 
 
 
Wij praten van meisjes; zeg, kent ge, wanneer ge den heuvel bestijgt,
 
Dat huis een kwartiertje van White af, dat boven den molen ge krijgt?
 
Ge kent het? Nu, daar is een meisje! Ge zaagt haar? Wel, drommels,
 
loop heen!
 
Zij hield je voor 't lapje, want waarlijk geen sikkepit geeft ze om
 
me, neen!
 
 
 
Haar noem ik een meisje! Als een kwartel zoo mooi en zoo dik
 
en zoo rond;
 
Met tanden, die gaan door een spijker en wit zijn als die van een hond;
 
En oogen, die klappen als hoedjes1). Ge zegt, dat zij vroeg ‘waar
 
ik stak?’
 
Zij vroeg het! 't Is juist iets voor haar, want zij springt van de
 
hak op den tak.
 
 
 
Maar 'k sprak van den rechter. Zijn dochter had 't hart op novellen
 
gezet.
 
Zij las die dag uit en dag in en ik denk ook zij las er in bed.
 
Zij las die den rechter soms voor in 't portaaltje, wanneer hij daar zat:
 
Hoe heerschap Augustus zei dit en mejuffrouw Irene zei dat.
[p. 129]
 
Maar 't gekste van al, wat ik hoorde, was 't sprookje van iemands
 
gedoen;
 
Leerkous1) was zijn naam, hij was jager, een vent allerjammerlijkst
 
groen.
 
Zij vroeg mij er ook naar te luistren. Ik zeide: ‘neen, dank u,
 
verplicht.
 
Ik zelf kan wel liegen als 't zijn moet; met Leerkous kwam ruzie
 
wellicht.’
 
 
 
Toch moest zij mij altijd vertellen, dat 'k haar in herinnering bracht
 
De menschen, waarvan ze in een boek had gelezen, of iets van die kracht.
 
Dien zomer hier noemde zij mij - zonder eind was der namen
 
relaas -
 
Leerkous, Robin Hood en zoo voort. O, ik zeg je, het schepsel was
 
dwaas!
 
 
 
En toch, was zij slechts niet bedorven, onschuldig genoeg was haar
 
aard;
 
Zij babbelde Fransch met haar Pa en men zeide, haar spel was iets
 
waard;
 
Zij werkte voor mij daar die weitasch, een ding, waar geen mensch
 
iets aan heeft,
 
En muilen, die waard zijn, dat men ze voor wiegen aan zuig'lingen
 
geeft.
 
 
 
En echter zij druilde en verkwijnde door al haar gelees, dat is klaar.
 
Toen werd zij beschroomd om te praten en 'k hoorde geen woord meer
 
van haar.
 
Steeds schuilde zij achter een boekdeel, wanneer ik toevallig daar kwam,
 
En keurde geen blik mij meer waardig vóór 't afscheid, dat zij van
 
mij nam.
 
 
 
't Gebeurde op deze manier. Het was avond, ik liep bij hen aan
 
Om hun goeden-dag te gaan zeggen, want 'k wilde met schemering gaan
 
Ter jacht op den dag van 't vertrek. Dus ik gaf hun de hand in het rond
 
Behalve aan de dochter, die ziek was, zooals 'k uit het praten verstond.
 
 
 
Maar juist toen ik kwam langs de woning des morgens, den volgenden
 
dag,
 
Was 't, of ik, gelijk met de zon, daar een mistwolkje opkomen zag.
 
Zij was 't; in een mantel gewikkeld van kant stond zij daar in de straat,
 
Alleen en rechtop als een beeld, met een schijntje der zon in 't gelaat.
[p. 130]
 
Hoe keek zij mij vlak in het oog! - 't Was een blik als dien vorigen keer,
 
Toen ik een getroffene ree naar den zoom joeg van 't Heldere Meer;
 
Ik had al mijn knie op haar nek en ik pakte mijn zakmes, toen zij
 
Juist keek op dezelfde manier en de rec - wel, het beestje kwam vrij.
 
 
 
Zij zei: ‘we vertrekken van daag en ik wilde u groeten, ik zelf,
 
In 't bosch hier, uw eigen tehuis, met het schitterend blauwe gewelf.
 
Gij waart voor ons vriendelijk, immer, en Pa zeide dikwijls, hij vond
 
U goed als de lucht, die hij ademt, als 't bergland zoo frisch en gezond.
 
 
 
Wij zullen u altijd gedenken, als iets, dat niet met ons kon gaan,
 
De balsem, die geurt in het bosch, en des regenboogs kleurige baan.
 
En gij zult ook mijner gedenken - gij weet, dat gij 't zeide van mij -
 
Als rook van een schot in het bosch, een seconde en voor immer
 
voorbij.’
 
 
 
Wij gaven de hand aan elkander. Zij keerde, zij waggelde en viel;
 
Ik greep haar nog juist om het midden en hield haar een oogwenk,
 
de ziel!
 
Toen lag ze zoo koud en zoo wit - slechts een oogwenk, zooals
 
ik je zeg -
 
Een sneeuwvlok gelijk, op mijn borst hier en toen.... wel toen
 
dooide zij weg.
 
 
 
Weg was zij... Hier liggen haar boeken, maar 'k wensch er geen
 
enkel voor mij;
 
Voor sommigen mogen zij goed zijn; ik waag er mij niet aan, want zij
 
Bedierven 'n ordentelijk meisje, dat best kon getrouwd zijn misschien.
 
Kijk mij eens, wel tweehonderd netto! Romans kan ik luchten
 
noch zien!

Nu volge uit de ‘Poems in Dialect’ nog:

Het verhaal van den postillon.
 
De postwagen pleisterde om 't wislen en voeren,
 
De postillon stond tegen 't span met zijn rug,
 
En groette als bekenden zoo burgers als boeren,
 
En, wie kende hem niet, zoo vriendlijk als vlug?
 
 
 
Eerst nu haalde hij, om geen tijd te verliezen,
 
De doos uit zijn geelleeren broek voor den dag,
 
Stak 't pruimpje, luid smakkende, tusschen zijn kiezen,
 
En knoopte aan zijn zweepkoord een ander, nieuw slag.
[p. 131]
 
Een oudachtig heer, die reunie moest vieren,
 
Vroeg Tom: ‘Is de weg niet heel steil? 'k Ben wat bang.
 
En zeg, zijn uw paarden wel doodmakke dieren?
 
En stoot niet de wagen? De rit duurt zoo lang.’
 
 
 
‘Wat stooten? Je kunt in mijn wagen wel droomen,
 
Je zit er zoo veilig als 't kind in zijn wieg.
 
Gevaren? Nog nooit is me wat overkomen,
 
Waar dood meê gemoeid was, 'k mag sterven, als 'k lieg.
 
 
 
Mijn paarden? Er zit meer verstand in die knollen
 
Dan menigeen meedraagt, of ik heb abuis.
 
En slaan ze ook een enkelen keer soms aan 't hollen,
 
Wat zou het? Je komt dan wat vroeger nog thuis.
 
 
 
't Is goed, dat zij 't kunnen: soms moet het ons redden -
 
Je kijkt ongeloovig en lachend mij aan?
 
Ik zal 't je bewijzen en durf wat verwedden,
 
Dat straks je me zegt: ‘Slechts met Tom wil ik gaan.’
 
 
 
We kwamen - 't is nu krek drie winters geleden -
 
Den berg af, beladen met menschen en goed.
 
't Was wit van den ijzel en sneeuw hier beneden,
 
Daarboven zoo donker en zwart als uw hoed.
 
 
 
We waren pas halfweg de hoogte afgekomen,
 
En 't ging nu langs d' afgrond, wel duizend voet diep,
 
Daar voelde ik - was 't werklijk, of zat ik te droomen? -
 
Dat somtijds de wagen zoo wonderlijk liep.
 
 
 
Op eens hoorde ik kraken, 't was een van onze assen,
 
De wagen helde over en 'k dacht al: ik ga.
 
't Zag om en daar rolde op geen tweehonderd passen
 
Het achterste rechterwiel deftig ons na.
 
 
 
Één blik was genoeg en ik vierde de teugels,
 
Ik zweepte, of de duivel zelf achter ons zat;
 
Mijn bruintjes ook repten de pooten als vleugels,
 
't Ging dondrend op drie wielen neer bij het pad.
 
 
 
Slechts spoed kon ons redden. Weer kraakte de wagen,
 
Het achterste linkerwiel draaide er ook af,
 
Maar toch - overeind bleef de koets onder 't jagen,
 
Op twee wielen stoof ze bergaf op een draf.
[p. 132]
 
Als hazen en eekhoorns, die vluchtten voor 't rollen
 
En 't dondrend geraas van lawinen van steen,
 
Zoo sloegen mijn bruintjes luid brieschend aan 't hollen,
 
En vlug als de wind vloog de koets naar beneên.
 
 
 
In 't kort - want het heeft daar al negen geslagen -
 
Voordat we nog kwamen op effen terrein,
 
Daar brak ook het derde wiel af van den wagen,
 
Dat is nu wel, dacht ik, het uiterste sein.
 
 
 
Maar neen, op één wiel nog daar rolden we henen,
 
Tot vlak voor 't station ging het toe in galop,
 
Daar stonden de paarden stokstijf op hun beenen,
 
Daar juist gaf het vierde wiel eindlijk het op.
 
 
 
Ik spring van den bok; want nog hoor ik wat rollen,
 
Ik kijk achterom en wat komt daar van veer?
 
Drie wielen, van afstand tot afstand, zij hollen
 
En vallen terzij van den postwagen neer.
 
 
 
Dat's alles, zoowaar ik hier sta. Voor den duiker!
 
'k Vertel u de waarheid, niet minder, niet meer!
 
Een borreltje? 'k Dank u. Nu dan, zonder suiker.
 
't Gaat op je behouden tehuiskomst, meneer!

Toen Bret Harte nog in de ‘San Francisco Californian’ schreef, plaatste hij daarin parodiën op op V. Hugo, Bulwer, Dickens, enz., die hij later verzameld uitgaf onder den titel: ‘Sensation Novels, Condensed’. Ook de dichters parodiëerde hij Tennyson, Spenser, Moore, Byron. Men moge de parodie voor eene onbarmhartige dichtsoort houden, toch zal niemand talent ontzeggen aan Bret Harte's best geslaagde parodie, die op zijn' landgenoot Whittier's bekende gedicht Maud Müller1).

 

Bret Harte's parodie luidt:

Mirs judge jenkins.
(zijnde het eenige ware vervolg van ‘Maud Müller.’)
 
Maud Muller harkte heel den dag,
 
Waar 't geurig hooi te drogen lag.
[p. 133]
 
Maar in de laan keek ze ieder keer,
 
Och - dacht ze - kwam de rechter weer!
 
 
 
Hij kwam en vroeg: ‘Hebt gij me lief?’
 
Zij bloosde en stotterde: ‘Wa-blief?’
 
 
 
Wat of haar vader zeggen zou,
 
Als haar die vreemdling vroeg tot vrouw?
 
 
 
Maar de ouwe huilde en vroeg meteen
 
Den rechter vijftig pop te leen.
 
 
 
Want slap was 't werk en 't loon was laag,
 
Er was naar hooi maar weinig vraag.
 
 
 
De rechter teekende nog aan,
 
Eer 't met den zomer was gedaan.
 
 
 
En op hun bruiloft viel Mauds' broêr
 
Van loutre ontroering op den vloer.
 
 
 
Mauds oom en neven altemaal
 
Vond men als lijken in de zaal.
 
 
 
En toen 't weer zomer werd, lei Maud
 
Twee zuigelingen op zijn schoot.
 
 
 
Blij was de rechter, maar zag gauw,
 
Een bruid is 't zelfd' niet als een vrouw.
 
 
 
Want Maud werd breed en zwaar en rood,
 
De leest, die eerst één arm omsloot,
 
 
 
Omspande hij nu niet met twee,
 
En dikwijls zuchtte hij: ‘Och, hé!’
 
 
 
Want wat in Maud bekoorlijk was,
 
Gaf voor Miss Jenkins heel geen pas.
 
 
 
En 't tweelingpaar leek - dacht hem dan -
 
Veel op baas Mullers opperman.
 
 
 
Hij dacht met spijt vaak aan den dag,
 
Toen hij voor 't eerst Maud Muller zag.
[p. 134]
 
En half berouwde 't hem dan, dat
 
Hij toen terugkeerde op zijn pad.
 
 
 
Had hij gewacht, gewis had hij
 
Nu schooner, passender partij -
 
 
 
Een vrouw, wie geest noch schoon ontbrak,
 
Die niet van ‘eigen zelvers’ sprak.
 
 
 
Zij zuchtte en hij sprak vaak: ‘Helaas!
 
Wat was ik een verliefde dwaas!’
 
 
 
En ondanks zijn geleerd gesprek
 
Vond Maud haar man een sul, een gek.
 
 
 
En hij verruilde graag Maud's schoon
 
Voor smaak en meer beschaafden toon.
 
 
 
En, doen dees woorden smart en pijn:
 
‘Helaas, het had zoo kunnen zijn!’ -
 
 
 
Nóg droeviger zijn deez gewis:
 
‘Hoe jammer toch, dat het zoo is!’

Eigenaardig is de toon, dien Bret Harte aanslaat, waar hij geene Yankees, maar de vroegere Spaansche kolonisten schildert. 't Is, of iets van hunne deftigheid en afgemeten manieren dan op hem overgaat. Dan wordt werkelijk zijne taal fijner, zijne voorstelling minder grillig, maar dieper. Uit al de Don's, Doña's en Padree's in zijne: ‘Spanish Idyls and Legends’ kies ik den Spaanschen Kommandant en diens dochter in:

Concepcion de arguello.
(Presidio de San Francisco, 1800.)
I.
 
Vlak aan zee op 't steil gebergte
 
staat een fort uit d' ouden tijd,
 
't Was aanvankelijk een klooster,
 
Sint Franciscus toegewijd,
 
 
 
Hem, den schutspatroon en heilge
 
der naar hem genoemde stad,
[p. 135]
 
Op wier muur hij was verschenen,
 
doch die later hem vergat.
 
 
 
't Klooster ook werd ras ontheiligd
 
en voor psalmen en gebed
 
Galmden toen soldatenliedren,
 
klonk de schrille krijgstrompet.
 
 
 
't Klooster werd een sterke vesting,
 
bouwval werd de sterkte weer,
 
En geen spoor van heilgen luister
 
of van krijgsroem rest er meer.
 
 
 
Uitgestorven en vergeten
 
is heel 't onherbergzaam oord,
 
't Leeft alleen nog in de erinring.
 
aan oen trouwe liefde voort.
 
 
 
En is eens dat puin verbrokkeld
 
en verstoven door den wind,
 
Dan nog zal men haar herdenken,
 
die zoo trouw daar heeft bemind.
 
 
 
Luistert dan met stillen eerbied
 
naar 't eenvoudige verhaal,
 
Uit den mond eens ezeldrijvers
 
hoorde ik zelf het daar eenmaal.
II.
 
Resanoff, door Ruslands Keizer
 
afgevaardigd als gezant,
 
Nam ter valreep hartlijk afscheid
 
van den Spaanschen Kommandant.
 
 
 
Lang ook hadden ze onderhandeld
 
en met echte staatsmanslist
 
Zocht elk zoo 't verdrag te sluiten
 
als hij 't meest zijn voordeel wist.
 
 
 
't Was een strijd als die op 't schaakbord,
 
vol bereekning ieder zet,
 
Scherp werd door de Diplomaten
 
haast op ieder woord gelet.
[p. 136]
 
Was na 't eind van iedre zitting
 
Resanoff verstompt van brein,
 
Toch vervolgde hij den strijd steeds,
 
maar op lieflijker terrein.
 
 
 
Door den graaf werd dan welsprekend
 
en met ridderlijk beleid
 
Bij de schoone Concha teeder
 
eigen hartsbelang bepleit.
 
 
 
En, scheen 't vaak dat noch bij vader
 
noch bij dochter hij iets won,
 
Door de liefde werd voleindigd,
 
wat diplomatie begon.
 
 
 
En dus had hij zegevierend
 
't pleit gewonnen voor zijn land,
 
Voor zich zelf de schoone dochter
 
van den Spaanschen Kommandant.
 
 
 
Nu ging hij 't verdrag vertoonen
 
ter bezeegling aan den Czaar,
 
En aan hem vergunning vragen
 
tot zijn echtverbond met haar.
III.
 
Lang keek sedert van de wallen
 
vader reeds en dochter uit;
 
Hij wachtte op des Keizers antwoord,
 
op haar bruidegom de bruid.
 
 
 
Dag aan dag bestreek de zeewind,
 
vestingswal en bastion,
 
Dag aan dag danste op de golven
 
't gloeiend licht der zomerzon.
 
 
 
Week op week toen 't stofkleed witter
 
op de naaste heuvlen werd,
 
Week op week ook bruinden de eiken
 
op de heuvlen in de vert',
 
 
 
Tot de regenbuien kwamen
 
door zuidwesterstorm gezweept,
[p. 137]
 
En de kust met nieuwe tinten
 
weer veelvervig werd gestreept.
 
 
 
Zoo steeds volgden de seizoenen,