In Albany, de hoofdstad van den Staat New-York, leefde in 't begin dezer eeuw een eenvoudige schoolmeester. Hij heette Harte en was evenals vele bewoners uit die stad van Hollandsche afkomst, wat trouwens niet vreemd is in eene plaats, die door de grondleggers Beverwijk genoemd was. Klein was zijn inkomen, klein zijn gezin, maar beide waren groot genoeg voor den tevreden man. De lust en de trots der ouders was hun eenigst kind, een knaapje, dat met de namen Francis Bret gedoopt was. De beide namen werden alleen in 't doopregister der kerk van Albany geboekt, de drager zelf bediende zich later alleen van den tweeden voornaam, en verbande den eersten zelfs van alle titels zijner boeken.
De vader schonk aan zijn' stamhouder wat hij hem geven kon, en zoo genoot de jonge Bret eene betere opvoeding dan menig kind van rijke ouders. Ongelukkig mocht de vader de vruchten van zijn' arbeid bij zijn' liefsten en besten leerling niet aanschouwen. Toen Bret vijftien jaar oud was, stierf de vader en liet vrouw en kind in behoeftige omstandigheden achter. In de groote stad New-York hoopte de weduwe beter zich en haar zoontje te kunnen onderhouden, maar toch ging het ook daar moeilijk genoeg. Zoodra Bret kon, moest hij zelf de handen uit de mouw steken: hij zocht en vond eene plaats in een' winkel.
Reeds toen droomde de knaap niet alleen van eene betere toekomst, maar haakte er naar die te veroveren. Californië was toen het paradijs der gelukzoekers en Bret hield niet op, voordat zijne moeder aan zijne beden gehoor gaf en hem volgde. En zoo trok de zeventienjarige dichterlijke Jason naar het Colchis aan den Stillen Oceaan, dat hij op nieuw veroveren zou. Van de ‘Bay’ - zooals San Francisco in den mond der goudzoekers heette - waar hij zijne moeder achterliet, trok Bret te voet naar de mijnen van Sonora. Hij werd er goudgraver, maar hij vond niet wat hij zocht, ten minste hij vond het niet in de mijnen en toch lag het gulden vlies, dat hij zocht, voor hem open en bloot. Hij had er nog geen oog voor, verwisselde de spa van den goudzoeker met het spelboek van den schoolmeester, en gaf aan zijne leerlingen tegelijk les in de schrijfkunst en de zedekunde, wanneer hij als toppunt van het bereikbare hun het moeilijke schrijfvoorbeeld: ‘Rijkdom is bedriegelijk,’ liet nateekenen.’1)
Of hij op die wijze door de kinderen op de ouders trachtte te werken, weet ik niet. Luisteren deden ze evenwel graag naar hem: hij kon ‘zoo mooi’ vertellen en voorlezen. Dat had hij reeds als goudgraver onder de goudgravers gedaan. Wanneer 's avonds de duisternis het graven in de mijnen van Sonora deed staken, haalde de jongste der goudzoekers zijn' kostbaarsten schat uit zijn kleine valies: een beduimeld boek, waaruit hij voorlas aan wie er den rusttijd niet met dobbelen, drinken of dommelen doorbrachten. En vaak gebeurde het, dat ook deze ruwe gasten.... Doch laat me beproeven weêr te geven, hoe hij zelf dit later in herinnering bracht, terwijl hij daardoor een blad vlechtte in den graf krans voor den grooten meester, van wien hij zich een geestverwant toonde, al kan men daarom nog in hem geen ‘tweede’ Dickens huldigen2). Ik beloofde u een tafereeltje in het goudgraverskamp van Sonora te laten zien. Hier is het:
Was het de koortsachtige onrust dier tijden, die den jongen onderwijzer drong zijne school te sluiten, of de hardleerendheid van de goudgraverskinderen? Als theorie en praktijk steeds samengingen, mocht anders niet betwijfeld worden, of hij, die zoo treffend wist te teekenen, hoe de geduldige jonge schoolmeester van Smith's Pocket de booze machten wist te temmen in het hart van Mliss, dat verwaarloosde dronkemansdochtertje, moest de ware leidsman zijn geweest om de aan zoo vele gevaren van verleiding blootgestelde jeugd der mijndistricten op te voeden.
Hoe het zij, Bret Harte wisselde nog eens weer - en het zou nog niet de laatste maal zijn - van beroep. Maar de sprong was niet zoo groot als van goudgraver tot schoolmeester. Hij, de onderwijzer, werd letterzetter en deed daarmede den eersten stap op de baan, die hem zou brengen tot delven en stempelen van edeler goud, dan waarvan men munten slaat.
Zoodra maar ergens in Amerika een honderdtal bewoners in tenten en blokhuizen samenwonen, wordt ook de pers vertegenwoordigd door eene courant. Ook het mijndistrict Sonora had er eene. Eureka was de veelbeteekenende naam van het blad, in welks drukkerij Bret Harte zetter werd. Niet alleen met den zethaak echter, ook met de pen werkte hij er. Hij oefende zich in zijn nieuw beroep door kleine schetsjes en bijdragen van zijne hand te zetten, die vervolgens in 't blad Eureka werden opgenomen. Eureka! Hij had zijn' weg gevonden, al zou die voor hem aanvankelijk ongebaand zijn en langs afgronden voeren niet minder gevaarlijk dan de wilde cañons in de woeste bergdistricten. Wel had hij spoedig in die mate het vertrouwen van den uitgever van Eureka gewonnen, dat deze hem gedurende zijne afwezigheid met de leiding der zaken belastte. Maar
zijne openhartige, edelmoedige natuur deed hem spoedig dien post en bijna het leven verliezen.
Een verraderlijke, sluw overlegde aanval van de blanke bevolking op de Pima-Indianen, die eindigde in een gruwelijk bloedbad onder de laatsten, werd door Bret Harte in zijne courant openlijk afgekeurd. Daarmede had hij zich in de oogen zijner medeburgers onmogelijk gemaakt; uit zijne betrekking werd hij weggejaagd en reeds was menige revolver op hem gericht, zoodat hij het raadzaam oordeelde de wijk te nemen naar San Francisco of Frisco, zooals het onder de goudzoekers heette.
Hier zette hij het hem lief geworden beroep van zetter en schrijver voort, totdat de redacteur van het letterkundig weekblad The Golden Era - zeker een verlokkende naam voor dien tijd! - door een toeval in den jongen zetter Harte den dichter Harte ontdekte en hem van de letterkast naar de redactiekamer verplaatste. Aanleiding tot die ontdekking had het volgende gedicht gegeven, dat eenigszins den geest aanduidt van de ‘Poems in Dialect’, waarvan het later een deel uitmaakte. De hierin genoemde Jaap Rechtuit (‘Truthful James’) zou tien jaar later door eene andere vertelling een der populairste figuren worden, wiens uitspraken door de gansche Unie als ‘gevleugelde woorden’ verspreid werden. Hier volgt het:
Kort daarop verscheen zijne reeds genoemde ‘Story of Mliss’ eene der eerste proza-vertellingen uit een goudzoekerskamp. Doch ik heb mijn plan beperken en me alleen moeten bepalen tot den dichter in gebonden stijl.
De ‘Golden Era’ bracht, ondanks haar veel belovenden titel den uitgever geene gouden eieren - het blad ging te niet, maar Bret Harte's bijdragen in proza en poëzie werden voortaan geplaatst in ‘The San Francisco California’, waarvan hij niet alleen de voornaamste schrijver en redacteur, maar ook eigenaar was. Nog eene teleurstelling zou hij evenwel ondergaan. Ook dit blad kon zich niet staande houden. Intusschen was uit den rondzwervenden goudzoeker, den onderwijzer zonder school, den weggejaagden letterzetter een eerzaam huisvader gegroeid, wien eene vaste betrekking hoe langer hoe begeerlijker werd. En hij verkreeg die. Invloedrijke vrienden verschaften hem den post van Secretaris van de Munt te San Francisco.
Nu gleden stroomen van Californisch goud door zijne vin-
geren, maar nog was het het zijne niet. Toch was deze lotsverandering eene groote verbetering voor hem. Nu kreeg hij kalmte en gelegenheid om de beelden en personen, die in bonte mengeling voor zijn geestesoog zweefden, weer op het papier te doen leven. En welk eene mengeling van figuren en karakters: hier de onder hunne lompen nog statige en ceremonieele Hidalgos, niet hunne luierende, cigaretten rookende vrouwen, hunne alles-beheerschende priesters, een kwijnend leven op de in tropischen zonnegloed geblakerde Missies, Presidios en Ranchos - daar de zondvloed van ‘Americanos’, levendig en bewegelijk als kwikzilver, doortrapt, onverschrokken, - ginds de bannelingen uit alle oorden der wereld, beladen met iedere denkbare schuld, doch allen beheerscht door dien eenen hartstocht: naar goud. Hier het woeste gebergte met zijne diepe ravijnen en cañons, zijne eeuwenheugende wouden, ginds de half legendarische Spaansche missie van den Heiligen Franciscus, met hare vijfhonderd bewoners, die in minder dan dertig jaren tot eene wereldstad met een kwart millioen inwoners zou aangroeien.
En dat alles schilderde hij met een' penseel als van den Helschen Brenghel, met tinten als van een Salvator Rosa.
In 1865 verscheen Bret Harte's eerste dichtbundel, naar een der grootste verzen ‘The lost Galleon’, geheeten. Verschillende onderwerpen daarin ontleende hij aan den burgeroorlog, die toen nog woedde, waarin hij even openhartig als vroeger zijne gevoelens uitte. De meeste zijn in den ernstigen toon, dien de tijdsomstandigheden meebrachten. Daaronder is het door zijn' eenvoud treffende: ‘Miss Blanche says’, waarin de pas van de kostschool uit Parijs teruggekeerde New-Yorksche schoone vertelt, hoe even na het uitbarsten van den oorlog een regiment soldaten uit het Westen voor hun huis halt maakte. 't Waren doodmoede, bijna havelooze krijgers. Daar ontmoet haar blik een oog ‘schitterend als een bajonet’, het meisje bloost en terwijl ze zich schuchter van 't venster terugtrekt, valt eene roode roos van hare borst. De krijger met het flikkerend oog raapt die op en steekt haar op de tromp van zijn geweer. Sedert dien tijd verneemt ze noch van hare roos noch van den soldaat iets, totdat haar toevallig eene photographie in handen komt: ‘Inde loopgraven,’ waar een gesneuvelde krijger op afgebeeld is, die eene verwelkte roos in de hand houdt.
Daden van zelfopoffering, van driesten moed teekent hij in
die ‘National Poems,’ onder welken titel hij ze rangschikte in de boven aangehaalde uitgave, waarin hij zijne in allerlei bundels verspreide gedichten verzamelde. Maar nevens de verschrikkelijke tooneelen van den strijd laat hij ook enkele vertroostende beelden zien in: ‘How are you, Sanitary?’ Battle Bunny, A Sanitary Message en anderen. Tot deze behoort ook het volgende, geschreven voor een' Bazar ten voordeele van de gewonden:
Maar zelfs dit bloedige tijdperk heeft Bret Harte stof gegeven tot bladzijden vol humor en daarin onderscheidt hij zich van al zijne landgenooten, van John Greenleaf Whittier onder anderen, uit wiens ‘In war time’ en andere bundels ik binnen kort iets hoop mede te deelen. Ook hiervan een voorbeeld in:
In wat lateren tijd verplaatst ons zijn:
Met uitzondering van het laatste had Bret Harte reeds al deze gedichten en tallooze schetsjes in Californische bladen geplaatst, maar nog altijd was zijn naam alleen in 't ‘Far West’ bekend. Hij zelf verhaalt, hoe het toeval dien door de geheele Unie bekend maakte. Met behulp van eenige vrienden gaf hij een nieuw tijdschrift: ‘the Overland Monthly’ uit. Er ontbrak kopie voor het tweede nummer en hij schreef in enkele dagen tot aanvulling: ‘The Luck of Roaring Camp.’ De corrector. - eene jonge dame - was slechts met moeite door den drukker overgehaald de proef bladen van dit zedelooze en ongodsdienstige stuk geheel te lezen; de drukker waarschuwde den uitgever en deze ontbood den schrijver. Na allerlei besprekingen en adviezen van onbevooroordeelden werd de vertelling toch geplaatst. De Californische bladen bespraken haar weinig of niet, maar de geestelijken waarschuwden ernstig tegen het tijdschrift en den schrijver, mannen van zaken veroordeelden eveneens ten zeerste deze schildering van zeden en toestanden, die de emigratie uit het Oosten zeker niet bevorderen zou. Zoo was, wat trouwens meer gebeurt, - men denke slechts, om geen voorbeelden uit ons land te noemen, aan de verontwaardiging, die Fritz Reuter door zijne ‘Olle Kamelle’ bij de eerzame ‘Spieszbürger’ van Stavenhage
verwekte - in de streek, waar het tooneel speelde, het stuk onherroepelijk gevallen, maar de toeschouwers van verre juichten. De mail bracht een' brief aan den ‘Editor of the Overland Monthly’ van niemand minder dan de uitgevers van ‘The Atlantic Monthly’ en bestemd voor den - hun onbekenden - schrijver van ‘The Luck of Roaring Camp’, een brief vol lof voor zijne vertelling en met een dringend verzoek om iets dergelijks voor hun tijdschrift. Hij voldeed daaraan. Nu was zijn naam ook in 't oosten gemaakt, en weerklonk spoedig in den mond van 't eigenlijke volk, toen hij in den herfst van hetzelfde jaar 1870 in ‘The Overland Monthly’ op een nieuw humoristisch gedicht plaatste: ‘Plain Language from Truthful James’, later algemeen bekend als ‘The Heathen Chinee.’
Geen gedicht - alleen Poe's Raven uitgezonderd - maakte ooit in Amerika sneller en algemeener opgang. Naar Europeesche schatting heeft dit gedichtje zulke groote waarde niet en wij zullen ongetwijfeld den voorrang toekennen aan ‘The Raven.’
‘Truthful James’ vertelt, hoe hij en zijn vriend Bill Nye bij een spelletje Euchre - een soort écarté - worden gefopt door een' Chinees Ah Sin, die zich eerst houdt, alsof hij het spel niet kent, maar die beiden bedriegt door vier-en-twintig spellen kaarten, in zijne wijde mouwen verborgen, en door een weinigje was op zijne nagels. Maar om de buitengewone populairiteit van dit vers te verklaren moet men in 't oog houden welke rol John Chinaman toen vooral in San Francisco speelde.
Van de verschijning dezer beide bijdragen: ‘The Luck of Roaring Camp’ en ‘The Heathen Chinee’ dagteekent Bret Hartes groote populariteit.
Uit New-York werden hem de schoonste voorstellen gedaan; lang aarzelde hij, maar in 1872 legde hij de redactie van ‘the Overland Monthly en het hem sedert 1869 opgedragen professoraat in de Nieuwe Letteren aan de Hoogeschool van San Francisco neer. Zoo keerde hij na achttien jaar weer naar New-York terug, dat hij als vijftienjarige knaap had verlaten. Hij had het doel bereikt, dat de jonge gelukzoeker had willen bereiken, zij het ook andere wijze, dan hij had gedroomd. Hij had zich fortuin, maar meer dan dat, een' naam verworven en de dankbaarheid van zijn geheele volk, voor wie hij het Colchis aan den Stillen Oceaan op nieuw had ontdekt. Sedert dien tijd leefde hij eerst ambteloos. Later diende hij zijn vaderland op
andere wijze. Evenals de novellist Nathaniel Hawthorne met het Consulaat te Liverpool, de dichter-reiziger Bayard Taylor met het gezantschap te Petersburg en Berlijn, de dichter der Biglow-Papers, James R. Lowell, met den gezantsschapspost in Engeland werd bekleed, benoemden de Vereenigde Staten Bret Harte tot hun Consul eerst in Elberfeld, later in Glasgow. Zijne schetsen en verhalen werden in alle denkbare talen, tot in het Chineesch toe vertaald; als dichter werd hij in Duitschland vooral bekend gemaakt door de vertalingen van Ferdinand Freiligrath, die daarmede eene moeilijke, maar dankbare taak vervulde.
Niet minder toch dan zijn proza wemelen zijne gedichten, vooral de ‘Poems in Dialect’ van haast - ik zeg niet alleen onvertaalbare, maar onbegrijpelijke zegswijzen, die me zelfs door Bartletts uitvoerige ‘Dictionary of Americanisms’ niet alle opgehelderd werden. Maar nog afgezien daarvan, is zijn stijl vaak zoo afgebroken, zoo onstuimig, dat menig gedicht - en daaronder van de beste - werkelijk onvertaalbaar zijn, tenzij de vertolker de vrijheid neme te omschrijven en uit te breiden. Doch daarmeê gaat dan tevens het kernachtige en het oorspronkelijke vaak verloren. Dit is o.a. het geval met het gedichtje ‘Jim’, naar wien een ruwe verloopen matroos in eene kroeg vraagt; met ‘In the tunnel’, dat verhaalt hoe Tom Flynn zich bij eene instorting van de mijn opofferde om het leven van zijn' getrouwden kameraad te redden; met Dows Flat, de geschiedenis van een' door ongelukken vervolgden goudgraver, wien het altijd tegenliep en die ook bij ongeluk - want hij zocht water in den uitgedroogden put, - er eene rijke goudader vond.
Een enkel van die ‘Poems in Dialect’ deelde ik reeds mede. Een paar voorbeelden mogen nog volgen:
Nu volge uit de ‘Poems in Dialect’ nog:
Toen Bret Harte nog in de ‘San Francisco Californian’ schreef, plaatste hij daarin parodiën op op V. Hugo, Bulwer, Dickens, enz., die hij later verzameld uitgaf onder den titel: ‘Sensation Novels, Condensed’. Ook de dichters parodiëerde hij Tennyson, Spenser, Moore, Byron. Men moge de parodie voor eene onbarmhartige dichtsoort houden, toch zal niemand talent ontzeggen aan Bret Harte's best geslaagde parodie, die op zijn' landgenoot Whittier's bekende gedicht Maud Müller1).
Bret Harte's parodie luidt:
Eigenaardig is de toon, dien Bret Harte aanslaat, waar hij geene Yankees, maar de vroegere Spaansche kolonisten schildert. 't Is, of iets van hunne deftigheid en afgemeten manieren dan op hem overgaat. Dan wordt werkelijk zijne taal fijner, zijne voorstelling minder grillig, maar dieper. Uit al de Don's, Doña's en Padree's in zijne: ‘Spanish Idyls and Legends’ kies ik den Spaanschen Kommandant en diens dochter in: