‘Tennyson wordt oud; Tennyson heeft zijn besten tijd gehad, hij moest nu rust nemen op de rechtmatig gewonnen lauweren’, zeiden velen, die, den Poete-laureate als den schepper van Mand, van Enoch Arden en The idyls of the King bewonderend niet konden dulden dat de roem van hun dichter aan het tanen was. Na de mislukte proefnemingen op dramatisch gebied, welke Queen Mary en King Harold heeten, had nog niet lang geleden ook het drama The promise of May een jammerlijk fiasco gemaakt. Nu scheen het gedaan. En toch zoo waar is het gezegde van Goethe dat de beste gedichten gelegenheidsgedichten zijn, door de werkelijkheid uitgelokt en in de werkelijkheid hun grond vindend, dat er slechts een aanleiding noodig was om den zes-en-zeventig-jarigen grijsaard weer naar de lier te doen grijpen, en hem het genot te schenken, dat ‘een ader verstikt en vergeten’ weêr, even rijkelijk als voorheen, begon te vloeien,
Die aanleiding was het aanstaand vijftig-jarig Jubilé van koningin Victoria's troonsbestijging.
Het was vijf en veertig jaar geleden, in de eerste jaren van Victoria's regeering dus, dat Tennyson een gedicht had geschreven, Locksley Hall getiteld, dat door het hartstochtelijke van den inhoud somtijds aan de Musset herinnerend, door de rijke verscheidenheid van beelden en gedachten, door den krachtigen, schoon steeds zangrijken toon, welke er in werd aangeslagen, een der populairste van zijn zangen werd.
De held van dit gedicht aad er in gezongen van Locksley Hall, van de herinneringen die dit slot in hem wakker riep. ‘Makkers’ - zoo luidt de zangerige aanhef van dezen ‘dramatic monologue’, waarvan mijne fragmentarische vertaling slechts een flanwen weergalm geven kan -
Op die plek had hij gedroomd en zich herinnerd hoe hij er ‘cousin Amy’ had liefgehad, cousin Amy, de valsche, die hem bedriegen zou:
En hij vervloekt de maatschappelijke leugens, de ziekelijke vormen, het goud dat het bekrompen hoofd van den dwaas doet schitteren. Wat daar nog in zijn boezem voor haar klopt hij zal het uitrukken, al rukt hij zijn hart meê uit. Troost? - waar zal hij troost vinden?
Wanneer zij snikkend op haar ‘widow'd marriage pillows’ ligt, zal een stem haar het ‘Never, never’ toeroepen, en een zang uit de verte zal haar oor treffen. Dan zal zij zich wenden en keeren op haar peluw, zonder rust te vinden; - totdat eindelijk de Natuur haar troosten zal door haar moedervreugd te schenken. Het kind zal hem voor goed uit hare herinnering verdrijven.
Maar dan slaat hij den blik verder; er is nog iets te doen in de wereld. Er is - zoo droomt hij - een toekomst, waarvoor het de moeite waard is te leven.
Zoo droomt hij en schept zich idealen. Maar waar hij den blik slaat op het heden, op de werkelijkheid, daar ziet hij:
‘Zwak is 't toornen tegen zwakheid’ meent hij; maar toch 't is hem te machtig, hij moet nog eens de zwakheid van de vrouw met een enkel heftig woord teekenen:
Hij zal zich ver weg begeven naar het Oosten, waar zijn wieg heeft gestaan; daar zal hij een wilde tot vrouw nemen, bij wie hij een nieuw, krachtig geslacht zal verwekken:
Dwaze droomen! Verbeelding! Het verraad van haar die hij liefhad heeft den dichter in hem nog niet gedood.
Zoo eindigt Tennyson's eerste Locksley Hall. Maar de held van het gedicht had aan de dierbare plek wel een lang, geen eeuwig vaarwel toegeroepen.
Zestig jaar - zoo wordt ons thans in het nieuw gedicht voorgesteld - zijn verloopen sedert hij zoo hartstochtelijk toornde tegen haar die hem verstiet, tegen den ‘hansworst’ aan wien zij hem opofferde, en tegelijk zich trachtte te troosten met dien dichterlijken blik op de toekomst.
Hij keert terug naar Locksley Hall om een droeven plicht te vervullen: de begrafenis van den man van de reeds voor lange jaren overleden ‘cousin Amy’. Hij zelf is sedert gehuwd, maar ook zijn Edith is reeds niet meer; zijn zoon, een zeeman, is bij een schipbreuk als man van eer op zijn post gestorven, en de vrouw van zijn zoon is dezen spoedig gevolgd, zoodat hij thans alleen is achtergebleven met zijn kleinzoon, die, sedert Amy kinderloos overleed - zij stierf bij de geboorte van haar knaapje, en ook dit stierf spoedig - de erfgenaam is van Locksley Hall.
Tot hem richt de grijsaard zich thans. Deze jonge man heeft hem verhaald van een ongelukkige liefde, en - ‘boyish babble!’ - die jongensliefde bij de zijne vergeleken! En nu komt de herinnering aan zijn eigen liefde voor Amy weer bij den grijsaard op. Maar hoe anders dan voor zestig jaar! ‘Op de plek, waar ik zoo vaak met haar stond,’ zegt hij,
Met al wat is heengegaan is ook verdwenen de hoop die hem voor zestig jaar vervulde: ‘de wonderen van den nieuwen dag’ hebben niet gehouden wat zij beloofden.
Wat werd ons niet al voorgespiegeld - en welk een tijd beleven wij thans! Het kwaad heerscht op elk gebied. Waar is de vooruitgang?
Maar dan breekt hij op eens de rij zijner overdenkingen af, om zich weer te herinneren: Op dezen dag en op dit uur
En telkens weêr dringen zich de herinneringen, tusschen de bespiegelingen:
Aan het slot richt hij zich nogmaals tot zijn kleinzoon, wien hij vermaant het voorbeeld te volgen van den man, die hier ter laatste rustplaats wordt gebracht, die de zestig jaren van zijn weduwnaarschap heeft besteed met weldoen, de armen steunende, woningen bouwend, scholen stichtend, den moerassigen bodem droogmakend. En dan:
De tachtigjarige heeft uitgesproken. Het waren sombere, zwartgallige gedachten, welke Tennyson hem in den mond legde, en niemand minder dan de zeven en zeventigjarige Gladstone heeft zich aangegord om den dichter te bestrijden door hem de lange lijst van hervormingen voor te houden, de werken van liefdadigheid, de maatregelen op het gebied van het sociaal leven, welke onder de regeering van Koningin Victoria tot stand zijn gekomen, en waarvan de onvermoeide Staatsman zeggen kan: pars magna fui.
Alsof dat de vraag was! De hartstochtelijke optimist van voor zestig jaren werd ontgoocheld, wreed ontgoocheld. Maar kon het wel anders? Was er niet in zijn hoop op de toekomst, alles verwachtende van den materieelen vooruitgang, van ‘de wonderen van den nieuwen dag’, in weerwil van het dichterlijke en wegsleepende der inkleeding, iets te ‘boyish’, waarop ontgoocheling volgen moest? En is het van den grijzen dichter, die in het tweede Locksley Hall
getoond heeft zijn meesterschap over den vorm, het lenige en zangerige vers, te hebben behouden, te verwonderen, wanneer hij met schrik den tijd ziet naderen, waarin aan den Dichter zijn plaats in de maatschappij meer en meer zal worden betwist?
Toch blijft hij hopen. Wellicht is het toch het morgenrood, dat de kimmen kleurt:
En dan, wat hem ook grieve, hoe bitter zijne teleurstellingen ook geweest zijn, daar welt hem, ondanks alles, ten slotte toch een toon van blijmoedig vertrouwen naar de keel, een toon, waarin zich alle wanklanken oplossen: Liefde triumfeert in 't end!
Tennyson kon niet beter eindigen; en met die vertroostende, bemoedigende woorden in het hart, nemen ook wij afscheid van den dichter van Locksley Hall.
J.N. van Hall.