Het is een goede gewoonte van onze dichters dat zij ons met hun bundels poëzie in den winter komen verrassen, ons van bloemen en nachtegalen, van lentegeur en zonneschijn spreken, wanneer de grauwe luchten en de sneeuwjachten zouden doen vragen of er nog iets als zon en warmte in de wereld is, en we aan de bloemen op het veld alleen door de bloemen op de vensterglazen herinnerd worden. Wij verwachten in dat seizoen meer dan ooit van onze poëten dat zij ons door hunne poëzie zullen verwarmen, dat zij ons niet enkel schoone vormen te bewonderen geven, maar tot ons gemoed spreken en onze verbeelding in gloed weten te zetten. En deze verwachting is zeker allermeest gerechtvaardigd, waar het de jongeren onder onze dichters zijn, die onze aandacht vragen voor hun zangen.
De heeren Louis Couperus en Mr. H. Cosman hebben zich reeds door vroegere dichtbundels bekend gemaakt. Couperus is bovendien een goede bekende van de Gids; de voornaamste gedichten van zijn nieuwen bundel hebben hier het eerst het licht gezien. Men kent dus zijn manier.
De jonge dichter - wij spreken hier alleen van de poëzie uit dezen bundel - is als de Moorsche koopman van wien hij ons in ‘een Venetiaansch tafereel’ verhaalt. Men kan zich hem voorstellen,
naderende in een gondel met stralend gouden steven en purperen wimpel,
en als hij zijn dichterlijke schatten uitspreidt, dan fonkelt en flikkert het:
Schoone vormen en schitterende kleuren zijn zijn lust en zijn leven. Zijn kunst, hij verklaart het zelf in het gedicht Maar 't allerzoetst...
De smaak van den wijn is hem niet onverschillig, maar zoeter nog is hem de aroom, die aan het glas ontwelt, en het allerzoetst de beker zelf, wanneer
Verwacht van zulk een dichter niet dat hij u diep zal treffen of veel te denken zal geven; maar zijt ge in een stemming om een zinnenbekorend zuidelijk landschap, vol kleuren en zangen en geuren,
te genieten, wilt ge in een Italiaanschen gondel glijden over het blauwe meer, terwijl welluidende stemmen u doen droomen en dwepen, ziet ge niet op tegen de bedwelming van een sterk oostersch parfum, neem dan den bundel Orchideeën ter hand.
Laura is de algemeene titel van het vijftal gedichten, achtereenvolgens in de Gids verschenen, waarin de dichter de liefde van Petrarea en Laura bezingt. De zangerige, smaakvolle tafereelen winnen nog, nu zij als één geheel genoten kunnen worden, en men bewondert den kunstenaar, die, hoe weinig verschillend van stemming de vijf episoden ook zijn mogen, - door vinding, verdichting munt Couperus niet uit - toch door rijkdom van kleurschakeering en melodie den lezer weet te boeien en te bekoren.
Couperus' manier - wij hebben er bij een vorige gelegenheid reeds op gewezen - heeft iets zoetelijks, iets gekunstelds; hij maakt soms jacht op het ongewone. Wij vinden in dezen bundel gezochte alliteraties als:
bedenkelijke woordverbindingen als ‘gesluyerkroond’. Van den wrekenden adelaar uit de ‘Babylonische legende’, die, na vorst Simitres oog en hart en tong ‘uitgepikt’ te hebben, den Mediër ‘de blanke paerelkrone’ brengt, heet het:
Maar daar staat tegenover, dat de dichter zelden prozaïsch en nooit banaal is. Tusschen de klanken en- kleuren, waarmee hij u overstelpt, verrast u menig dichterlijk beeld, menige lyrische gedachte.
luidt het in Op de tinne. In het bekoorlijk gedicht Faraoos dochter wordt de drukkende, verzengende hitte aan den oever van den Nijl onder anderen geschilderd met de woorden:
en als de koningsdochter het knaapje in den biezenkorf, dat weenend ontwaakt, genaderd is, heet het:
Aan één gedicht uit den bundel geven wij de voorkeur boven alle andere: aan De Gravinne van Salisbury. Daarin reikt Couperus, kunst het verst. De dichter toont hier, dat hij de bekoring van een welluidend rijm, van een zangerig rythmus niet noodig heeft om indruk te maken: ook de rijmlooze jambe weet hij te beheerschen. De teekening is hier minder week, scherper van lijnen, dan in de overige gedichten; de uitdrukking, ofschoon steeds dichterlijk, is eenvoudiger, minder gekunsteld.
Men herinnert zich dien aanhef van het gedicht uit de Gids van, Juni 1884, wanneer de Gravin en haar gevolg, door den Koning van Schotland in het kasteel van Salisbury belegerd, hulp zien opdagen in den persoon van Eduard III; men kent het hartstochtelijk liefdedrama tusschen den Koning van Engeland en zijn bekoorlijke gastvrouw, door den dichter met fijne, soms met krachtige trekken geteekend. Den kunstenaar herkent men aan de greep aan het slot: het afscheid, waar hij ons weder bij het tafereeltje van den aanvang verplaatst:
De heer Couperus draagt zijn bundel op aan zijn ‘Hoogvereerden Meester Prof. Dr. J. ten Brink’. Dat erkennen van, dat erkentelijk zijn aan een Meester is in onze dagen in de letterkun-
dige wereld te zeldzaam, dan dat wij er niet met ingenomenheid op zouden wijzen. Prof. ten Brink heeft eer van zijn leerling.
Wat te zeggen van den heer Cosman?
De Critiek - ge weet wel, de ‘onuitsprekelijk compleet bevoegde’, die ‘zich bewust is te vertegenwoordigen een onverbiddelijk noodzakelijke revolutie, waarvoor de menschen die na haar komen dankbaar zullen zijn’ - heeft niet lang geleden den heer Cosman met Louis Couperus en Lovendaal als ‘kleingoed onder onze nieuwste poëten’ gesignaleerd. Sedert werd zijn naam telkens met zekere geringschatting genoemd. En nu wil het geval dat Cosman's nieuwe dichtbundel op vele bladzijden een sterken familietrek vertoont met de gedichten van hen, die hem zoo uit de hoogte behandelen. Heeft de heer Cosman zich bekeerd, of is er iets anders in het spel?
Zijn zang is als een donkere onweêrswolk, zegt de dichter:
en het mag dus wel een bitter verwijt heeten, dat hij in zijn Dinadichten haar, ‘wie zijn ziele tegenvloog’, in het aangezicht slingert:
Gaat het ons ten opzichte van die gedachten, helder als regendroppels, beter dan Dina? Laat ons even luisteren:
Twee bladzijden verder vangt een gedicht zóó aan:
Is het u duidelijk?
De dichterlijke omschrijving en het dichterlijke beeld, twee struikelblokken voor onervaren dichters, zijn het ook voor den heer Cosman. Wanneer hij u wil vertellen, dat iemand een jarigen vriend is gaan bezoeken, dan lezen wij, dat hij was
Over het dichterlijke beeld struikelt de heer Cosman in de volgende regels, waar de ziel, waarin de liefde daalt, vergeleken wordt met het bosch, waarin het licht nederzijgt, terwijl dan uit dat bosch (de ziel) een stem dringt, die blijkens den laatsten regel weêr de ziel zelf schijnt te zijn.
Wat zegt ge van dit rijm op Dina:
of van dezen regel:
of van dit beeld, in Zingende vaerzen, waarin de dichter, nadat hij van de stemmen gesproken heeft, die hem om geluk en om kennis smeekten, vervolgt:
Maar reeds citaten genoeg, om den aard van dezen bundel te doen kennen.
Wanneer de schrijver van het overzicht der Hollandsche letterkunde in ‘The Athenaeum’ aan de jongere dichters genaderd is, dan weet hij van hen niet veel meer te zeggen dan ‘Some of our younger poets show a great talent for mystification.’ Heeft de heer Cosman, die door de heeren Verwey en Kloos zoo hard gevallen is, omdat hij eenige welwillende woorden over had voor de beruchte Julia, willen toonen, dat ook hem dat ‘talent for mystification’ niet ontbreekt en dat hij wel alléén vermag wat die heeren slechts met hun drieën of vieren konden verrichten?
Wij gelooven het vast, en kunnen voor al de zonderlingheden, waarvan wij er eenige aanhaalden, geen andere verklaring vinden dan deze: In Nosca heeft de heer Cosman revanche willen nemen over Julia.
Ook dit spel is niet onaardig gespeeld, maar men moet zoo iets toch niet te vaak herhalen. Men doet op die wijze den argeloozen lezer, wanneer men hem althans niet vooraf waarschuwt, het spoor bijster raken. Hij weet niet meer hoe hij het heeft, en hij zou eindigen met geen enkel gedicht meer te lezen, uit angst van te worden beetgenomen.
De heer Cosman weet hoe het wezen moet:
Met vertrouwen verwachten wij dan ook van den dichter der Wilde halmen, na deze parodie, het ernstig, bezield gedicht, dat zijn naam zal vestigen: de gouden halmen met de rijke vrucht.
Het schijnt dat er, ondanks zekere waarschuwingen, in ons land nog altijd veel en gaarne Fransch gelezen wordt. Het is nauwelijks een jaar geleden sedert de bloemlezing met den eenigzins ‘precieusen’ titel Pierres précieuses et pierres fines te Sneek bij Pijttersen
verscheen, en reeds ziet een, wel niet talrijker, maar toch vollediger verzameling stukken van ruim zeventig Fransche prozaschrijvers der 19de eeuw het licht, een verzameling waarin wij tot onze vreugd, bij velen die in de vorige ontbraken, ook die schrijvers (Weiss, Montégut en Bourget) vertegenwoordigd vinden, voor wie wij destijds een goed woord deden.
Busken Huet heeft den bundel nog met een voorrede, gedagteekend December 1885, verrijkt, waarin hij de Franschen roemt als goed sprekende en goed schrijvende, ‘parcequ'ils sont passionnés pour la logique.’ ‘Le mot - aldus vervolgt hij - ne saurait courir trop rapidement après la chose qu'il doit rejoindre. Plus c'est vîte fait, et mieux cela vaut pour tout le monde. Il n'y a pas de langue qui donne le vertige, mais il y en a dont les lenteurs donnent des nauseés.’ Het spijt Huet dat van het Fransche tooneelproza hier geen proeven worden aangetroffen, waarin de vlugheid van wendingen, de snelheid van den aanval, de volmaakte juistheid van het woord meer dan ergens te roemen, vallen.
In afwachting dat de verzamelaarster ons ook die bloemlezing schenke, genieten wij van het thans gebodene.
De bundel opent met verschillende stukken van Mme de Staël en Chateaubriand, die gezegd kunnen worden den grondslag van het hedendaagsche Fransche proza te hebben gelegd, al heeft de hervorming niet van zelf en niet in eens plaats gehad. En dan volgen in chronologische volgorde de beste Fransche prozaschrijvers van onze eeuw, onder hen die voortreffelijke journalisten als Armand Carrel, de Sacy, Prévost-Paradol, Weiss, John Lemoinne, terwijl van de jongste publicisten zelfs Arnold Mortier en Jules Lemaître niet vergeten zijn. Toch missen wij er weder een, die onzes inziens niet overgeslagen had moeten worden, n.l. Ferdinand Brunetière, den geleerden en talentvollen medewerker der Revue des deux Mondes, meer gevreesd dan bemind misschien, maar zeker een der fijnste koppen van de jongere Fransche generatie.
De helderheid, het logische van den Franschen zinbouw, waarop Huet doelde, werd met een enkel woord treffend in het licht gesteld door Cobet, toen hij aan het diner bij het 3e eeuwfeest der Leidsche Hoogeschool den eersten toast uitbracht op de Fransche geleerden. Op de vooze geleerdheid wijzende, die er een pedant jargon op nahoudt, dat, onder den schijn van diepzinnigheid, eigen-
lijk niets als beuzeltaal (du verbiage) is, riep hij uit: ‘En weet ge wel, mijne heeren, hoe men het gemakkelijkst die wetenschappelijke beuzelpraat kan beschamen en ontmaskeren? Men heeft ze dood eenvoudig in het Grieksch of in het Fransch te vertalen, en aanstonds verdwijnt de valsche diepzinnigheid, le verbiage reste tout nu devant nos yeux’.
Aan diezelfde Leidsche Universiteit bezitten wij in Robert Fruin, wiens schrijfwijze Huet om hare evenredigheden, hare ongedwongen standen, hare bewegelijkheid in de rust bewonderde, en die hem aan Mérimée deed denken, een bewonderaar van de Franschen.
Wij zullen daarom - welke ook overigens onze sympathiën zijn mogen - wel doen met het degelijk Fransche proza, waarvan ons in dezen bundel de voortreffelijkste proeven gegeven worden, te bestudeeren. Onze Nederlandsche stijl zal er slechts bij kunnen winnen.