In den bonten stoet der vrome en milddadige mannen en vrouwen, die de Roomsche kerk als heiligen vereert, zijn maar weinige gestaltens zoo aantrekkelijk in haren eenvoud, als die van Elizabeth, de landgravin van Thüringen. De volksoverlevering, als gewoonlijk minder aan geschiedkundige waarheid, dan aan den plicht der dankbaarheid getrouw, en steeds geneigd de edele lijnen harer helden en heldinnen door scherpe tegenstellingen te versterken, beeldt ons de heilige Elizabeth gaarne af, zooals zij, de slotpoort van de ‘Wartburg’ uittredend, om den zieken en behoeftigen daarbeneden hulp en lafenis te brengen, door eenen barschen echtgenoot wordt teruggewezen.
Alle vergelijking gaat mank; en de schrijver dezer regelen wenscht waarlijk niet van dat euvel de vergelijking vrij te pleiten tusschen dat echtpaar der middeleeuwsche legende en de twee partijen in dien grooten strijd onzer dagen, waarvoor het schrijven van het hierboven genoemd werkje de beteekenis van een heldhaftig wapenfeit bezit. Toch zal het waarschijnlijk slechts enkelen verwonderen, dat deze daad van den veelgenoemden Britschen denker de herinnering verlevendigde aan dat eenvoudig tooneel bij de poort der landgrafelijke burcht. De regeerende klasse in meer dan één onder de zoogenaamd beschaafde staten van West- en middel-Europa, heeft sinds eenigen tijd door daden getoond te willen afdalen van de hoogte, waarop zij tot hiertoe had gezeteld, om zich te bege-
ven tot de misdeelden in de diepte. Te lang reeds had zij dien tocht uitgesteld. Maar eindelijk is zij ertoe gekomen. Daar plaatst zich plotseling in de slotpoort eene gedaante, die ontzag gebiedt, en op den toon van hoog ernstig vermaan klinkt de dringende waarschuwing: ‘blijft waar Gij zijt. Wat Gij daarbeneden ook beproeven zult, het kwaad zal slechts verergerd, de ellende vermeerderd worden’.
Het gewicht van het kleine boekje, welks titel aan het hoofd van dit opstel geschreven staat, is in het voorafgaande niet overschat. De hulde van eenen ridderlijken tegenstander levert daarvoor het schoonste bewijs. Geen mindere dan Emile de Laveleye achtte zich, toen hij gereed stond zijnen puntigen degen met dien van Spencer te kruisen, vooraf verplicht tot dit vereerend saluut: ‘dit werkje verdient het aandachtigst onderzoek, omdat daarin de groote maatschappelijke vraag onzes tijds is beantwoord op eene wijze, zooals alleen een meester dat kan. De leer, die alle staatsinmenging verwerpt, werd mijns inziens nooit beter ontvouwd, noch krachtiger op vaste grondbeginselen gevestigd, noch ondersteund door zoovele helder ontlede en bewonderenswaardig gerangschikte feiten. Ook zijn deze bladzijden vol van gewichtige waarheden en van lessen, waarmede volkeren en regeerders beiden wel hun voordeel kunnen doen. De afleidende redeneeringen des schrijvers zijn zoo kort en krachtig, dat men, zijns ondanks, zich meegesleept gevoelt om met zijne slotsommen in te stemmen’1). Heeft het pogen om de waarde van zulke redeneeringen te bepalen tot zijne rechtvaardiging nog wel iets meer noodig, dan die warme lofspraak van eenen bestrijder?
‘Krachtig op vaste grondbeginselen gevestigd’. dat is mede een van de hoofdverdiensten, waarom Spencer's betoog wordt geprezen. Volkomen terecht. Niet vele denkers hebben een gebouw van grondstellingen en gevolgtrekkingen opgericht, zoo indrukwekkend van omvang en tevens zoo geheel uit één stuk. Zoo vormt ook het pleidooi voor den mensch tegenover den staat, naar des schrijvers bedoeling, een geheel met zijnen overigen arbeid. Meer dan eens wijst hij daarheen terug. Overal bouwt hij daarop voort. Tot een volledig begrip, tot eene billijke waardeering van zijne redenen is dus een overzicht althans over het stelsel, waarin zij gegrond zijn, onmisbaar. Daartoe ga hier eene in-
leidende samenvatting vooraf, die te beknopter wezen mag, daar Spencer den getrouwen lezers van dit tijdschrift sinds lang geen vreemdeling is.
Drie vragen zijn het, die van oudsher den menschelijken geest hebben ontrust en geprikkeld tot wijsgeerig peinzen. Wat is waar? Wat is goed? Wat is schoon? Waaraan onderscheid ik weten van dwalen? Waaraan plicht van zonde? Waaraan zuiver welgevallen in verheven of liefelijke vormen van onedel behagen, van wansmaak? Niet altijd en niet door ieder werd aan elke dier vragen, met betrekking tot de beide andere, dezelfde waarde gehecht. In het bijzonder wisselde de voorrang tusschen de beide eerste; en de ‘stelsels van wereldbeschouwing’, waarin tot op dezen dag hare verbandhoudende beantwoording is beproefd, verschillen in bouw en betoogtrant wel voornamelijk, naar gelang aan de erkende voorwaarden voor de mogelijkheid van een onbegrensd weten, dan wel aan de vermeende eischen eener houdbare onderscheiding tusschen goed en kwaad het recht of onrecht van aanschouwingen en gevolgtrekkingen ten slotte wordt getoetst. De partijkeuze van Herbert Spencer is in dezen zoo beslist mogelijk geweest. Dezelfde vraag van practische staatkunde, waaraan dit werk zijner grijsheid is gewijd, gaf jaren geleden den eersten stoot tot dat omvangrijk onderzoek, waaruit ten slotte zijne wijsbegeerte is opgegroeid. Maar de leidende gedachte was daarbij van den aanvang af deze: indien op dit vraagstuk aangaande goed of kwaad, indien op de vragen van practische levenswijsheid in haren ruimsten omvang ooit een antwoord kan worden gevonden, dat verdient algemeen te worden aanvaard, dan moet dat geschieden door de wetenschap, die de regelmaat in het samengaan en opéénvolgen van de gebeurtenissen der menschenwereld naspoort en beschrijft. In één woord: een richtig oordeel over hetgeen behoort te worden gedaan is, zoo ergens, dan in volledige kennis van wat is en gebeurt te zoeken.
In het beeld nu, dat zich Spencer van die volledige beschrijvende kennis heeft gevormd, openbaart zich, ondubbelzinnig, de invloed van het gewichtigste verschijnsel in het geestesleven dezes tijds: den zegetocht der nieuwere natuurwetenschap. Wat deze bovenal kenmerkt en van hare voorgangster, de Aristotelische natuurbeschouwing der middeleeuwen onderscheidt, het is de
besliste afwijzing van elke gedachte aan een persoonlijk bestuur, dat den loop der dingen regelt en beschikt. Den ouderen waren alle veranderingen in de wereld zonder onderscheid middelen, tot het bereiken van onderstelde doeleinden, en zoo, ten slotte, tot het verwezenlijken van een hoogste werelddoel door goddelijke wijsheid aangewend. Den nieuweren zijn zij bloot noodzakelijke gevolgen uit aanwijsbare oorzaken voortgevloeid. Nauwelijks een vierde van eene eeuw is het geleden, dat die twee partijen nog tegenover elkander stonden in stellingen, die op een aanstaand beslissend voordeel, hetzij ter ééne, hetzij ter andere zijde, al zeer weinig uitzicht openden. Op het gebied der zoogenaamd levenlooze natuur hadden de nieuweren den éénen strook na den anderen veroverd. Maar de epigonen der scholastiek waanden zich ten laatste onaantastbaar verschanst in het rijk der doeleinden bij uitnemendheid, dat der levende wezens. Waar ook de overmoedige tegenstander zijne wapperende vaan reeds mocht hebben geplant, op die borstwering zou het hem niet gelukken. Zoo scheen het toen, zoo sprak men vol vertrouwen; maar zoo spreekt men thans niet meer. De man, wiens wonderbare oorspronkelijkheid, denkkracht en nauwgezetheid dien ommekeer heeft teweeggebracht, het behoeft nauwelijks te worden gezegd, heet Charles Darwin. Het betoog in zijn hoofdwerk mag eene aangrijpende poging heeten ter uitwerking, toelichting, bevestiging van dat woord vol diepen zin, dat reeds de oude Empedocles gesproken had: ‘het doelmatige is hierom in de meerderheid der dingen voorhanden, wijl zijn wezen meêbrengt, dat het blijft, terwijl het ondoelmatige vergaat’. Voortaan was, naar het oordeel van een aantal deskundigen en denkende leeken, dat stellig toenemende is, ook in het rijk des levens de zaak der op doeleinden gerichte krachten onherroepelijk verloren.
Herbert Spencer had, gelijk enkele anderen, die aanstaande zegepraal van de wetenschap der oorzaken over de leer der doeleinden voorzien en voorspeld1). Geen wonder, dat hij onder de eersten behoorde, die van de wijdte harer strekking, de beteekenis harer gevolgen zich helder rekenschap gaven, in het bijzonder van wat voortaan moest worden gewijzigd aan dat beeld eener alomvattende wetenschap, waardoor het denkend
onderzoek, bewust of niet, als door zijne leidstar wordt voorgelicht. Zoolang in het rijk der hooger ontwikkelde bestaansvormen, de levende natuur, de bewijzen voor de aanwezigheid van een scheppingsplan nog als onweerlegbaar hadden gegolden, was die gedachte van zelf over de zoogenaamd levenlooze dingen uitgestrekt geworden. Deze, zoo heette het, waren er om de levende wezens; planten en dieren op hunne beurt om den mensch; de mensch eindelijk om de kennis en de verheerlijking Gods. Kortom: alle verklaring van worden en gebeuren, in die onderstelling beproefd, nam steeds, als vaststaand uitgangspunt, het hoogste wezen, ‘tot Wien alle dingen zijn’, om dan de schepselen, afdalend van de hoogere naar de lagere, door de aanwijzing van doeleinden en middelen en van middelen om te komen tot deze daarmede in verband te brengen. Met die gedragslijn moest thans, Spencer erkende dat, door de beoefenaars van alle wetenschappen, ook van die, welke zich met het leven, met den mensch, met zijn zielsbestaan bezighielden, geheel worden gebroken. De mensch was uit het dier, het levende, of wat men zoo noemde, uit het levenlooze. En derhalve: begrijpen kon het weten de dingen en hunne veranderingen alleen dan, indien het hen al te gader oploste in een eeuwig worden, dat, beginnend met het eenvoudigst denkbaar gebeuren aan den eenvoudigst denkbaren bestaansvorm, bij onveranderlijke gebondenheid aan vaste wetten, allengs toeneemt in veelheid en rijkdom van gestalten, niet gewild, bedoeld, maar slechts teweeggebracht, veroorzaakt. Vaststaand uitgangspunt van verkregen kennis moest dus voortaan zijn niet het hoogste, maar het laagste. Het wetenschappelijk onderzoek zou aan elk verschijnsel slechts zijne geschiedenis in het verleden, niet eene beweerde bestemming voor de toekomst vragen. En als einddoel van zijn streven mocht het zich eene zoodanige bijéénvatting aller wetenschappen denken, waar, op de breede basis onzer duizendvoudige waarnemingen, zich pyramidevormig een samenstel van wetten verheft, dat, langs steeds kleiner wordende groepen van omvangrijker wetten opklimmend, aan de spits uitloopt in een enkel axioma van alles omspannende waarheid.
De taak van hen, die met deze opvatting der wetenschap instemden, was door het voorbeeld der natuurvorschers aangewezen. Een ieder had zich een bepaald gebied te kiezen, en daar door het waarnemen van gebeurtenissen, door proefne-
ming, zoover het kon, door vernuftige onderstellingen ook, mits met zorg aan herhaalde waarnemingen getoetst, den band van oorzaken en gevolgen na te sporen. Die arbeiders dan, één voor één, voedden zich met de hoop, of zij wellicht, al werkend, zoover mochten doordringen, dat het mogelijk werd eenen werkman in eene aangrenzende afdeeling de hand te reiken en zoo een nieuw licht te doen schijnen voor hem en voor zich zelven. Inderdaad werd naar dien trant het werk verdeeld en verricht. Maar Spencer verlangde iets meer te doen. Hij waagde zich aan eene omvangrijke proeve om zich zelven en anderen rekenschap te geven van de machtige vorderingen, die het weten in de richting van zijn einddoel reeds had gemaakt. Daartoe keerde hij de gedragslijn, door het geduldig onderzoek gevolgd, om. Hij begon niet met de verschijnselen, om van daar ten slotte op te klimmen tot hunne enkelvoudige bestanddeelen. Hij begon met het einde, met deze, om daaruit af te dalen tot de feiten der waarneming. Dat hij, zoodoende, een werk verrichtte, wel wat minder stevig gegrond, dan dat der behoedzaam voortschrijdende onderzoekers, kan niet worden betwist. Maar daarmede wordt niets tekort gedaan aan de geheel eigenaardige verdienste zijner grootsche onderneming. Zoo ook handelt, op eene ontdekkingsreis in vreemde landen, de leidsman, die de vondsten zijner tochtgenooten in kaart brengt, en na eenigen tijd het nog onbekende met op de gis, maar niet zonder reden getrokken stippellijnen aanvult. Zijn gissen zal hem wel vaak doen missen. Maar het werk is daarom niet verloren. Want de zichtbare voorstelling van hetgeen reeds gevonden, naast hetgeen nog te zoeken is, de schets van wat de voltooide kennis vermoedelijk brengen moet, vuurt niet enkel de reisgezellen aan tot verhoogde inspanning, maar kan hun ook menig uitzicht openen op nog onbegane wegen, vele wenken geven voor tot hier verwaarloosd onderzoek. De roem van zulk eene opwekkende, bezielende kracht in het wetenschappelijk streven onzes tijds te zijn geweest mag aan Spencer's werk zeker niet worden onthouden.
Als de einduitkomst, die de ontleding der waarneembare verschijnselen eenmaal zal moeten opleveren, neemt Spencer een in zijn wezen onbekend en ook eeuwig onkenbaar iets aan, dat
aan de ervaring onzer zinnen zich voordoet in tweeërlei gedaante: stof en beweging. Wie nu het doorgronden van dat ondoorgrondelijke aan de bespiegeling overlaat, en zelf tot het weetbare zich bepaalt, ziet zich onverbiddelijk genoopt uit te gaan van één allereerste onderstelling: de eens bestaande hoeveelheid van dat onkenbare blijft standvastig; ontstaan en vergaan zijn slechts nieuwe groepeeringen van hetgeen zelf eeuwig was en zijn zal. Alle gebeuren toch is verandering in de wijze, waarop stof en beweging door de ruimte zijn verdeeld. Nu is echter die verandering telkens slechts mogelijk in tweeërlei richting. De stof kan zich verdichten, terwijl de beweging zich verspreidt, of het omgekeerde kan geschieden. Inderdaad wisselen, in het grootste gelijk in het kleinste, die twee: ontwikkeling en ontbinding, regelmatig elkander af. Wat wij intusschen kunnen waarnemen, of met redenen van wetenschap gissen met betrekking tot dat deel des heelals, dat door onze gewapende oogen wordt overzien, geeft ons grond tot de overtuiging, dat het zich bevindt in een tijdperk van samentrekking der stof, gepaard aan innerlijk bewegingsverlies; in één woord: van ontwikkeling. En als altijd, beduidt die ontwikkeling tevens den overgang van stof en beweging beide uit onbepaalde, onsamenhangende eenvormigheid tot altijd meer bepaalde, altijd meer samenhangende ‘verbijzondering’.
De onwijsgeerige lezer zal, niet onmogelijk, iets gevoelen voor de ondeugende opmerking van Mr. Goldwin Smith, ‘dat het heelal een zucht van verlichting moet hebben geslaakt, toen het door de hersenwerking van eenen zijner uitstekendste denkers van dit kort begrip zijner eigene wordingsgeschiedenis voorspoedig was verlost’. Het is dan ook niet raadzaam Spencer verder te volgen op den voet, als hij in hetgeen wij weten van het uitspansel, van ons zonnestelsel, van de wordingsgeschiedenis der aarde, alom de voorbeelden zoekt, die zijne ontwikkelingsleer schijnen te bevestigen. Tot stelselmatige volledigheid uitgewerkt, en tevens voor het onderwerp dezer studie van onmiddellijk belang, wordt zijn betoog eerst daar, waar hij zijne eerste beginselen poogt toe te passen, om de verschijnselen te verklaren van het leven.
‘De natuur’, zoo schreef reeds Leibnitz, ‘maakt nergens eenen sprong’, en Spencer spreekt den grooten Duitscher die woorden na. Ook het leven, of wat wij met dien naam aandui-
den, moet dus uit het zoogenaamd levenlooze zijn voortgekomen. Toch behoeft de erkentenis dier eenheid zich niet te verzetten tegen de poging, om het kenmerk op te zoeken, dat ons zekere verschijnselen doet samenvatten in het begrip: leven, en zoo onderscheiden van alle overige. Spencer dan omschrijft dat kenmerk als ‘eene onophoudelijke aanpassing van innerlijke verhoudingen aan uitwendige’. Een voorbeeld kan de bedoeling dier woorden verduidelijken. Eene mug vliegt in eene kaarsvlam en vindt daar den dood. Waarom? Omdat in haar geen verband van gewaarwordingen is, dat past op den samenhang buiten haar, tusschen het heldere licht en den noodlottigen warmtegraad der vlam. Gingen in de mug de gebeurtenissen, die voor haar zich vertolken in lichtwaarneming, gepaard met andere, die voor het diertje zelf iets als afschrik van brandwonden beduidden, zij zou niet sterven, maar leven. In dat zich voegen van den samenhang der inwendige gebeurtenissen naar dien der voorvallen in de buitenwereld ligt de eigenaardige trek van al, wat wij leven noemen. En naarmate in eenig lichaam die aanpassing, die samenstemming vollediger is, zal ook de volheid zijns levens grooter zijn.
Onverpoosde vermeerdering van die levensvolheid door het zich vermenigvuldigen en verfijnen van de aanpassing tusschen in- en uitwendige gebeurtenissen, ziedaar het kort begrip van de geschiedenis der levende natuur. Voor een groot deel is die voortgang te verklaren uit de oorzaken, waaraan reeds Darwin het ontstaan der soorten toeschreef: toevallige wijzigingen van allerlei aard, strijd om de voorwaarden tot levensonderhoud, dood der minder-, zegepraal der meer levensvatbare individuen, overdracht, door vererving, van begunstigende eigenschappen. Maar naast die middellijke aanpassing, die, om zoo te zeggen, den omweg neemt langs den kamp om het bestaan, plaatst Spencer de onmiddellijke, die b.v. in versterking van bij herhaling gebruikte organen, en, kortweg, in alle oefening plaats grijpt, en wier beteekenis voor het juist begrip der levensontwikkeling stijgt, naar gelang deze verder voortschrijdt. Toch, middellijk of niet, steeds wordt de aanpassing, dat is, met een ander woord, de doelmatigheid in bouw en verrichtingen bevorderd, verrijkt, zonder dat daarbij van opzet, plan, of overleg immer sprake behoeft te zijn.
Van dien voortgang nu uit gebrekkiger tot steeds rijker le-
ven is het ontstaan en de groei van wat wij als onze zielsverrichtingen plegen samen te vatten eenvoudig een onderdeel. Al die aandoeningen der ziel immers zijn enkel stofbewegingen in een deel des lichaams, het zenuwstelsel, maar gezien, als het ware, van hare binnenzijde. Aangaande de eenvoudigste, de bloote reflex-voorstelling, kan dat niet twijfelachtig zijn. Welnu, wat men voor hoogere geestesgaven uitgeeft, het zijn zonder uitzondering slechts ingewikkelder vormen van reflexvoorstelling, en dus ten slotte van reflex-beweging. En zoo wordt het in 't eind den edelen dieren en ook den mensch mogelijk hun doen en laten aan te passen aan allerlei omstandigheden, heilzame en schadelijke, ook aan de verst afgelegene in ruimte of tijd, ja zelfs aan die, welke slechts door eene reeks van middelen, en van middelen om te geraken tot deze kunnen worden benuttigd of bezworen.
Met de verrichtingen, welke het eigen leven in stand houden en verrijken, gaan nu echter, alleen bij de volkomener dieren, nog andere, hoogst belangrijke in den regel gepaard. Zij laten zich bijéénvoegen in het begrip van zorg voor de instandhouding der soort. Eene vergelijking b.v. tusschen visschen en vogels leert, hoeveel zorgvuldiger dan gene deze hun broedsel plegen op te kweeken en te beschermen. En trekt men die lijn door, eerst tot de zoogdieren, dan tot den wilde, eindelijk tot den beschaafden mensch, dan ziet men haar tot het einde de opgaande richting vervolgen. Ook door die onderlinge aanpassing van wat de leden in één gezin plegen te doen en te laten, door hunne wederzijdsche aanvulling in hulp en dienstbetoon wordt de som van leven in de dieren- en menschenwereld ontzaglijk verhoogd. Toch, zoolang de verbindingen van aldus samenwerkende wezens klein blijven, en hare onderlinge éénheid te wenschen overlaat, is die som ver van haar hoogstmogelijk bedrag. Ter wille van iederen groep, die behouden blijft, moeten, andere zijn verdrongen of vernietigd. Veel wordt gewonnen, wanneer allengs sommige van die oorspronkelijke groepen inéénsmelten tot grootere verbindingen, en wederom ettelijke van deze tot nog grootere. Niettemin blijft ook dan de bereikte maat van levensvolheid ver beneden haar denkbaar toppunt. Al het strijden, dat nog aanhoudt, is levensverspilling, en remt alzoo den voortgang in de richting der hoogst mogelijke levensvolkomenheid. Deze kan eerst verkregen heeten, wan-
neer iedere mensch, in het onderhouden en verrijken van eigen bestaan zoowel als in het zorgen voor de zijnen, zijn doen en laten op de ruimste schaal en tot de kleinste bijzonderheden weet aan te passen aan de hulpmiddelen en de gevaren zijner omgeving, zonder dat daardoor anderen in het verrichten derzelfde taak worden gehinderd, ja zoo, dat ieder de natuurlijke beperktheid aller overigen aanvult en verhelpt. Eigen hulp, opgevoerd tot de uiterste grens van veelzijdigheid en voorzorg, en gepaard aan wederzijdsch ontzag altijd, aan onderlinge samenwerking waar het moet, zietdaar wel den staat der menschenwereld, waarbij de som van leven zou zijn opgevoerd tot den hoogst denkbaren trap.
Haast ongemerkt voert zoo de ontvouwing van Spencer's gedachtengang aan de grenzen van dat deel der menschelijke kennis, waar zijne pleitrede voor den enkele tegen de gemeenschap tehuis behoort: de wetenschap der samenleving met al hare levensuitingen: haren kunstsmaak, hare zeden, hare zedelijkheid, haar recht. De hoofdgedachte in dit deel der ontwikkelingsleer is door haren ontwerper onmiddellijk aan Auguste Comte, middellijk, althans ten deele, aan den socialist de Saint Simon ontleend. Zij komt kortelijk hierop neer: Wij hebben in de menschenmaatschappij, zooals wij haar kennen, twee hoofdtypen te onderscheiden, niet ongelukkig betiteld als ‘het strijdbare type’ en ‘het arbeidzame’. Ter kenschetsing van elk dier twee mogen enkele trekken voldoende wezen.
Het strijdbare type is de aanvankelijke gedaante van alle menschelijk gemeenschapsleven. Reeds werd erop gewezen, hoe, vóór de morgenschemering der geschiedenis, de onafgebroken strijd om het bestaan tusschen de eene wildenhorde en de andere, of zij het begeerden of niet, haar door de beperktheid der bestaansmiddelen moet zijn opgedrongen. In zulk eenen toestand is het voor iedere dier horden eene levensvraag, dat op den duur zekere voorwaarden vervuld blijven, ook voor den eenvoudigste begrijpelijk. Van wat strekken kan om de gezamenlijke weerkracht tot het bereikbaar toppunt op te voeren mag niets worden verzuimd. Iedere man, die de wapenen dragen kan, moet ze dragen, elk oogenblik, hetzij ter verdediging, hetzij ten aanval. De werken des vredes worden dan maar den weerloozen stamgenooten, ouden en gebrekkigen, vrouwen en kinderen, overgelaten. Aldus scherp gesplitst in een krijgs-
haftig en een onkrijgshaftig bestanddeel, voegt zich nu de maatschappij, alweder buigend voor de eischen van den voortdurenden oorlogstoestand, onder eene sterke, éénhoofdige leiding. Een aanvoerder, erfelijk of gekozen, en zijne onderbevelhebbers, in eene vaste rangordening met het uitoefenen van zijn gezag en het voltrekken zijner geboden belast, heerschen in naam van het allesoverschaduwend belang, het gezamenlijk zelf behoud, vrijmachtig over ieders lijf en goed. De vrees voor hunne macht wordt eerlang nog versterkt door godsdienstige bijmengselen, opgegroeid uit het geloof, dat de gestorvenen, als ronddolende en veelvermogende spoken, de levenden omringen, en traagheid of gebrek aan moed met ziekte en onspoed bestraffen. Zoo verwerft zich de koning ten slotte een gezag, dat hem vergunt om verbiedend niet alleen, maar ook bevelend, in alles den druk te doen gevoelen van zijnen looden staf. Maar zoo ook schrijdt deze samenleving voort in de richting van toenemende strakheid en versteening. Één voor één zien zich de onderdanen hunne plaats, hunne bezigheid, reeds bij hunne geboorte, van hooger hand aangewezen. Een ieder blijft tot zijnen dood gevangen in den ‘status’, den onverbreekbaren levenskring, waarbinnen eenmaal het toeval zijner afstamming hem heeft geplaatst. Alle vatbaarheid voor hervorming gaat verloren. En die versteening van de bedding, waarin het openbaar en bijzonder leven zich beweegt, openbaart zich in de banvloeken, waarmede de priesters, de vonnissen, waardoor de overheden tegen alle zoekers van nieuwigheden te keer gaan.
Een aantal staten van den ouderen en den nieuweren tijd vertoonen ons, bij sommige volkseigenaardigheden, in zijne hoofdtrekken datzelfde beeld. Het Egypte van Rhamses, het Lacedaemon van Lycurgus, het Peru der Inca's, het Dahomey en het Rusland onzer dagen, in al die staten, om maar enkele te noemen, is het volksleven geprest in hetzelfde stelsel van éénvormigen dwang. Maar er is nog meer. Ook in onze zeden, in onze karakters zijn sporen genoeg, die erop wijzen, dat de vaderen lang hebben geleefd in eene maatschappij, geordend naar dat strijdbare model. In meer dan één kring geldt nog geluk in strijd als de hoogste roem, dapperheid, kracht als de schoonste deugd, wraak als een heilige plicht. Daar wordt de vaderlandsliefde bij voorkeur geprezen in haren hatelijken vorm van afkeer jegens wat vreemd is, of in hare slaafsche
uitingen van kruipende onderworpenheid jegens dezen of genen landsvader. Zelf oordeelen wordt als eigenwijsheid, zelf willen als eigenzinnigheid, zelf handelen als eigengerechtigheid gewantrouwd en gevonnist. En gelijk men al zijne wegen den wetgever aanbeveelt, zoo verwacht men ook alles van zijne wijze bemoeiing. Dat eenige dringende behoefte, of redelijke wensch door onopzettelijke aanpassing van der menschen doen en laten aan den gewijzigden loop der dingen van zelf zich bevrediging zal verschaffen, men kan het niet gelooven. De staat en nog eens de staat moet het voorzien. Zouden dat niet altegader nawerkingen zijn van den geest, dien de strijdbare maatschappij der vóórgeslachten in hare leden aankweekte?
Tegenover dat onverkwikkelijk beeld plaatst Spencer nu de bekorende schilderij van eene samenleving naar het arbeidzame type. Hij vindt dat terug in elke maatschappij, die niet hoofdzakelijk is ingericht tot aanval of verdediging, maar enkel om de mogelijkheid te openen tot zulk eene aanwending aller krachten, waardoor de som van leven in haar midden kan worden opgevoerd tot het bereikbaar toppunt. Dat ééne hoofdkenmerk der ‘arbeidzame’ maatschappij brengt van zelf eene ontwikkeling van al hare overige karaktertrekken met zich, in richting geheel tegenovergesteld aan die der ‘strijdbare’ ordening. Sinds de noodzakelijkheid van voortdurende oorlogstoerustingen geacht mag worden te zijn verdwenen, wordt het samenvatten van aller krachten tot één bundel, de achterstelling van het zelf willen en zelf doen bij de eischen der weerbare éénvormigheid natuurlijkerwijs onnoodig. Gezamenlijk optreden van allen, voor zoover nog vereischt, heeft, hoogstens, ten doel het vrij ontplooien van ieders eigene krachten te beschermen tegen elken inbreuk, behalve die, welke gevorderd mochten zijn door de onvermijdelijke maat der algemeene wederzijdsche eerbiediging. De onbeperkte regeermacht is overbodig, en daardoor tevens onmogelijk geworden. Waar nog de gemeenschap handelend heeft op te treden, is het daartoe aangewezen orgaan geen mensch, maar eene vergadering, samengesteld uit vertegenwoordigers van den algemeenen wil. De taak van dat orgaan zal echter, uit den aard der zaak, bepaald blijven tot handhaving der gerechtigheid, of, duidelijker, tot het toezicht, dat iedere burger noch meer noch minder winst behale, dan zijn arbeid naar eenen redelijken maatstaf geacht moet worden af te wer-
pen. Maatregelen van overheidswege, waardoor, kunstmatig, eene andere verdeeling van de vruchten der nijverheid zou worde beoogd, zijn daarentegen onvoorwaardelijk uitgesloten. In het algemeen kan men zeggen: hier overheerscht niet meer het denkbeeld van den aangeboren ‘status’, maar van het aangegaan ‘contract’. Er zijn, over het geheel, geene rechtsverhoudingen, geene verplichtingen meer, dan waarin telkens de betrokken partijen, uit het inzicht in hare noodzakelijkheid, hebben toegestemd. En naarmate zoo de sfeer van het handelend optreden der gemeenschap zich vernauwt, wordt ruimer die voor de bijzondere bedrijvigheid. Waar één mensch, aan zich zelven overgelaten, te kort schiet, en dat is de regel, zoekt hij aanvulling van wat hem ontbreekt, door, in vrijheid, samen te werken met anderen. Vrijwillige verbinding wordt het levensbeginsel der maatschappij, en roept, in toenemend aantal, ongedwongen genootschappen te voorschijn, die, één voor één, het beeld van het geheel op kleinere schaal weerkaatsen. De vrijheid, alom gehuldigd, verhoogt de vatbaarheid voor hervorming. En zoo maakt deze maatschappij, vergeleken met de straks geschilderde, den indruk van een levend lichaam, veelzijdig bewerktuigd en openstaande voor al wat zijne hoogere ontwikkeling zou kunnen bevorderen, naast eenen éénvormigen, onaandoenlijken, onveranderbaren steenklomp.
De geschiedenis kent dat ‘arbeidzame type’ der samenleving nog niet. Het heden kent het nauwelijks. Toch, hier en daar is het in wording. Het komt, om dat optemerken, niet het eerst aan op den groei van openbare instellingen en gebruiken, al toont die in vele landen, onloochenbaar, eene toenadering tot het ideaal, zooeven geteekend. Belangrijker is het, dat in het karakter van meer dan één natie zekere trekken zich verscherpen, die een voortgaan in dezelfde richting schijnen te voorspellen. Overal, waar de vaderlandsliefde, en vooral de voorkeur voor eene oorlogszuchtige woordenkeus bij hare uitingen zich met eene bescheidener plaats in de lijst der deugden begint te vergenoegen, waar de verplichte trouw jegens het gezag allengs naar redenen vraagt en voorwaarden stelt, waar het geloof in staatsalvermogen en regeeringsalwetendheid gaat kwijnen, maar waar, integendeel, het fiere zelfgevoel, dat allen dwang verfoeit, het hoofd omhoog heft, en tevens zijne zuiverheid toont door zich te huwen aan achting
jegens zijn evenbeeld in anderen, aan eerlijkheid, waarheidsliefde, ontstentenis van allen wrok, en eenen vriendelijken zin, daar is het volk op weg naar het land van belofte: eene samenleving volgens het ‘arbeidzame type’.
Welk volk zal het gegeven zijn dat land, overvloeiende van melk en honig, te betreden? Spencer waagt zich niet aan bijzondere voorspellingen. Dit ééne slechts weet hij met zekerheid: bereikt zal het worden. De grondwet zelve van alle levensontwikkeling strekt hem daarvoor tot waarborg. Het leven der volkeren, evengoed als dat der menschen en der dieren, moet altijd toenemen in rijkdom en veelzijdigheid. Valt het nu niet te loochenen, dat deze het grootste zijn, waar louter vrije overeenstemming alle banden vlecht, dan ligt de onontwijkbare slotsom niet verre, dat de menschenwereld eenmaal zeker zal breken met den levenverstikkenden dwang harer kinderjaren, om het beginsel der ongedwongen aanéénsluiting in zijnen ruimsten omvang te stellen tot eenen hoeksteen voor de gansche inrichting van haar gemeenschapsleven.
Wij, burgers van het zoogenaamd beschaafde West- en middel-Europa, bevinden ons, tusschen de ‘strijdbare’ maatschappij van voorheen en de ‘arbeidzame’ der toekomst, in een tijdperk van overgang. Onze geestestoestand ondervindt al de schade, die onafscheidelijk is van het leven in eenen tijd en eene omgeving, hinkende op twee gedachten, ontgroeid, maar nog niet geheel, aan het oude, trachtende, maar nog zonder te grijpen, naar het nieuwe. ‘“Haat en vernietig Uwen naaste”, dat is nu eens het gebod; en dan weêr: “heb hem lief en kom hem te hulp”. “Gebruik alle middelen om te bedriegen”, zegt het ééne wetboek voor ons gedrag; maar “wees waarachtig in woorden en daden”, zegt het andere. “Grijp weg wat Gij kunt en verbrand wat niet tilbaar is”, leert de godsdienst der vijandschap; terwijl door den godsdienst der vriendschap roof en brandstichting worden veroordeeld als misdaden’1). Aan dien overgangstoestand is ook de pijnlijke vorm te wijten, waarmede de waarheden aangaande ons beste gedrag voor ons nog ten deele zijn omkleed. Het schoorvoetend inzicht in eene noodzakelijkheid, die ons heet genoegens prijs te geven, of zelfs bepaalde smarten ons te getroosten, geeft aan zijnen weerzin lucht door
te spreken van ‘geboden’, die te vervullen, van ‘plichten’, die te betrachten zijn. Zoo teekent het den druk, dien vaak eene verkieslijke gedragslijn ons oplegt, met dezelfde woorden, die het bevel van een gevreesd opperhoofd beduidden in de taal onzer vaderen, toen nog hunne strijdbare horden den dagelijkschen kamp hadden te voeren op leven en dood. De klank van 's aanvoerders stem dreunt voort in ons gehoororgaan, immers met geheel den bouw onzes lichaams van de voorgeslachten geërfd, en paart zich daar nog steeds aan elk besef van eene harde, ongevallige taak. De zucht om zich en anderen het leven onvriendelijk af te schilderen, zoo moeilijk weerstaanbaar voor velen, is door dergelijke ervaringen verleid geworden om het dusgenaamd zedelijk goede slechts daar te willen erkennen, waar het met eenig leed, althans met eenige moeite was verbonden. Alle genoegen werd dan, zooal niet onvoorwaardelijk veroordeeld, voor het minst ‘zedelijk onverschillig’ verklaard. Als regel is, ongetwijfeld, veeleer het tegendeel waar. Alleen die rassen kunnen den strijd om het bestaan hebben overleefd, waar, over het geheel, de goede, dat wil zeggen, de som des levens verhoogende daden werden bevorderd, uitgelokt door de genoeglijke aandoeningen, die haar vergezelden, gelijk er, omgekeerd, bittere gewaarwordingen, als het ware, tot waarschuwing strekten tegen dingen, die het beter was te ontvlieden. Maar evenmin kan het worden geloochend: die regel kent uitzonderingen, en met name in eenen overgangstoestand, als geheel ons werelddeel sinds geruimen tijd doorleeft. De gedragingen, die onze tweeslachtige maatschappij van ons vergt, passen niet slechts in geen gestreng doordacht stelsel; zij onderstellen bovendien neigingen, gevoelens, die op den duur niet vredig bij elkander kunnen wonen in eene zelfde menschenborst. Wij zijn nog te veel van den aard onzer krijgshaftige vaderen, om ons steeds te schikken naar de eischen onzer, betrekkelijk, vredelievende maatschappij. Wij zijn reeds te veel gekneed naar het ‘arbeidzame type’, om niet vaak te gruwen van wat de samen leving toch ook weêr in hare strijdbare oogenblikken ons afvergt.
Die tweespalt, verklaarbaar in een tijdperk van overgang moet met dat tijdperk overgaan. Daar zal een tijd komen, waar genoegzaam in de gansche menschenwereld, dan ten volle naar het ‘arbeidzame type’ vervormd, alle goede han-
delingen van zelf zullen spreken en van zelf worden verricht. Het zal de begeerte naar lust zijn, die ertoe dringt; het zal de vrees voor leed zijn, die van alle andere terughoudt. Ook die belofte wordt ons alweder door eene natuurwet gegeven. Het is de wet. die in elke regelrechte aanpassing aan veranderde levenseischen, met één woord: in alle oefening aan het licht komt; streng genomen, eene eenvoudige bewegingswet, maar wier aanwending op dezen groep van gevallen zich aldus laat omschrijven: allerlei verrichtingen, aanvankelijk begeleid door eene pijnlijke inspanning, die men slechts ter wille van een verwijderd goed zich getroost, worden, na eenige malen te zijn herhaald, ten slotte een genot, om zijns zelfs wil gezocht. Zoo gaat het in den ‘strijdbaren’ tijd. De eerste oefeningen in het wapenhandwerk trekken den speelschen knaap weinig aan. Door loon en straf moet zijn ijver worden gewekt en geprikkeld. Maar, ‘al doende’, leert hij, en, al leerende, begint hij in het geleerde behagen te scheppen. Het leeren wordt spelen. En ten slotte werpt hij vaak zijne lans naar een doel, onbegeerlijk op zich zelf, enkel om die spierbeweging die inspanning te genieten, die hem vroeger misschien verbeten tranen heeft gekost. Zoo zal het ook gaan in de leerjaren der ‘arbeidzame’ maatschappij. Lang nog zal zelfs het geleidelijk afleggen der ‘strijdbare’ hebbelijkheden veel moeite vergen en veel zelfbedwang. Menige vriendendienst behoudt nog vooreerst het karakter van eene bezwarende offerande. Maar vroeg of laat, éénmaal zeker, daagt de dag, dat weldoen en kwaad mijden voor heel de menschheid het hoogste genot, en ‘Vrede op aarde’ het slotaccoord in het lied van den natuurlijken groei onzer samenleving zal blijken.
Met de uitvoerigheid, die het bestek van dit opstel gedoogde, is in het voorafgaande de wereldbeschouwing van Herbert Spencer geschetst. Wat ook, uit den aard der zaak, aan die schets ontbreke, zij moge in elk geval voldoende zijn, om te leiden tot de erkenning, dat de gedachtengang in Spencer's jongste pleidooi zich aan de hoofdlijnen van zijn stelsel zichtbaar aansluit. Door een overzicht van dien gedachtengang worde het oordeel, hier uitgesproken, gestaafd.
De meerderheid van hen, die zich thans ‘vrijzinnigen’ noe-
men, met deze paradox heft Spencer aan, zijn, inderdaad, onvrijzinnigen van eene nieuwe soort. Slechts het gebrekkig oordeel des onderscheids, dat, bij het vormen van begrippen, blijft hangen aan uitwendigheden, vermocht tot heden die waarheid te miskennen. Van oudsher schreef wie vrijzinnig dacht en wenschte te handelen, ‘bevordering van volkswelzijn’ in zijne vaan. Maar met die leus alleen was zijn weg niet afgebakend. Hij trachtte naar dat doel uitsluitend met middelen van eenen bepaalden aard. Tegenover allen, die den druk hielpen bestendigen van de oude geharnaste ordening der maatschappij, getuigde, kampte hij, gedragen door een verlangend voorgevoel van een ‘arbeidzaam’ gemeenschapsleven. ‘Zorg voor het heil des volks, maar, middellijk, door het slaken van banden’, eerst met die aanvulling geeft de leuze, straks genoemd, zijne aloude gedragslijn volledig weêr. Ongelukkig hebben de erfgenamen dier wakkere vaderen alleen de leuze onthouden; de aanvulling is in het vergeetboek geraakt. Zij hebben 's volks welvaren gezocht niet langs den omweg der vrijheid, maar langs den rechten weg van dwang. Een enkele blik op de wetgeving, door de ‘vrijzinnige’ regeeringen in Engeland gedurende het laatste vierde eener eeuw uitgelokt, vindt voor die beschuldiging overvloedig bewijs. De oprichting en het bestuur van nijverheidsondernemingen, de huur van arbeiders, de verkoop van voedingsmiddelen, de zorg voor eigene gezondheid, de verspreiding van kennis, het gebruik van voertuigen, het overbrengen van min of meer spoedeischende berichten, het bedrijf der reeders en der visschers, wie telt de vormen van menschelijke bezigheid, in die jaren achtereenvolgens gebonden aan steeds knellender regelingen? Maar vooral: wie meet den omvang van het arbeidsveld, waarover de hoofdlieden der ‘vrijzinnigen’ dat dwangstelsel nog verlangen uittebreiden? En nu spare men de tegenwerping, dat die maatregelen van ‘vrijzinnigen’ toch altijd vrijzinnig blijven, wijl zij niet van eene onverantwoordelijke macht, maar van de gekozenen des volks zijn uitgegaan. Slavernij blijft slavernij; de vrijheid, die de burgers genieten, wordt gekend aan het betrekkelijk geringe aantal der belemmeringen, die haar worden in den weg gelegd. Of die burgers zelven vrijelijk tot het inbinden hunner vrijheid hebben meegewerkt, neemt van het kwaad, daardoor gesticht, niets weg. Het recht van een lichaam, door volkskeuze samengesteld, is evenmin als dat van
eenen alleenheerscher onbeperkt; de vrijzinnigheid, die den vorsten hunne grenzenlooze aanmatiging heeft afgeleerd, moest zich schamen de parlementen in dat zelfde euvel te stijven. Aan elke van die drie stellingen wordt nu verder een kernachtig betoog gewijd.
De verwantschap tusschen liefde en deernis treedt onder meer hierin aan het licht, dat beide haar voorwerp zich schooner afbeelden, dan het is. ‘Stap op eene Londensche straat in een huurrijtuig. Ge zult er verbaasd van staan, hoe menigmaal het portier met geheel overbodige gedienstigheid wordt geopend door eenen man, die op eenig loon daarvoor rekent. Uwe verbazing zal wel bedaren, als gij de vele slenteraars bij de kroegdeuren hebt geteld, en opgemerkt, hoe snel eene straatvertooning, of een optocht, uit de nabijgelegen stegen en binnenpleintjes eenen stoet van luiaards bij elkander sleept.’ ‘Zij hebben geen werk’, zoo vergoelijkt Gij hen. Zeg liever, dat zij geen werk zoeken, of, telkens weêr er uit loopen. Laat uw medelijden u geene parten spelen. Het zijn eenvoudig deugnieten, die in honderd vormen teren op wie er wel deugen. Zou dan het geluk, dat Uwe barmhartigheid hun toewenscht, natuurlijk of onnatuurlijk zijn? Het mag zeker worden ondersteld, dat eene uitspraak, waaromtrent de gangbare geloofsovertuiging en de slotsommen der wetenschap zich met elkander verstaan, wel het sterkste gezag vóór zich heeft, dat zich denken laat. Welnu, het vonnis: ‘wie niet werkt, zal ook niet eten’, is eenvoudig de christelijke vertolking dier algemeene natuurwet, volgens welke een schepsel, dat de kracht mist om zich te onderhouden, moet sterven. Toch is er geen christelijk leerstuk, waaraan Christenen zich minder laten gelegen zijn, dan dit ééne, dat door de wetenschap zoo blijkbaar wordt bevestigd. Men spreekt van onze aansprakelijkheid voor het lijden des naasten. Verplicht zij ons om den stoeren arbeider een deel van zijne verdienste uit de handen te breken, ten einde het leven te verlengen, de ellenden te vermeerderen van die misgeboorten der maatschappij, die de natuur sinds hunnen eersten levensdag heeft opgeschreven ten doode? En welk beeld rijst daar aan het einde van den weg, dien zulke overgevoeligheid ons heet in te slaan? Zijn naam is Slavernij. Let toch eens op de veelheid van samenwerkende oorzaken,
die gedurig dreigen den voortgang op dien weg te verhaasten tot eene bedenkelijke vaart. Daar is de besmettelijkheid van die regelingszucht, te sneller zich verspreidend, naarmate zij verder gegrepen heeft om zich heen. Daar is eene stijgende behoefte aan meer dwangmaatregelen, meer beperkingen, uit de onvoorziene euvelen en tekortkomingen der voorafgaande geboren. Daar is het veldwinnen van de stilzwijgende onderstelling, door elke nieuwe inmenging gesterkt, als ware de staat verplicht alle kwalen te genezen, alle zegeningen te waarborgen. De aangroeiende macht der regeeringslichamen verzwakt bovendien in dezelfde mate het vermogen van de overige bestanddeelen der maatschappij om nog verdere uitbreiding te weerstaan. Erger nog: de vermenigvuldiging van posten in de staatsbureaux verlokt de leden der gemaatregelde klassen, om aan te dringen op nog meer bemoeiing van hooger hand, waardoor de kansen op een veilig en geëerd ambt voor zoons of neven stijgen. Het volk in zijn geheel, gewend om van het openbaar gezag kostelooze weldaden te verwachten, verliest zijnen werklust even snel als zijne begeerigheid klimt. De snippers van heele en halve kennis, alom uitgestrooid, versterken, verbreiden die stemming, door streelende leugens meer dan ongevallige waarheden te verspreiden. De dagbladpers vooral, dienares der algemeene vooroordeelen, geeft hun, met eenen bepaalden vorm, grooter kracht, terwijl de vrienden, die het volk zijne feilen toonen, dagelijks meer ontmoedigd, ten slotte verstommen. Doch ook daarbij blijft het niet. Alle overdreven verwachtingen worden bovendien met regelmatige tusschenpoozen gevleid door eerzuchtigen, die de stemmen der kiezers pogen te koopen met beloften; ja, leidende staatslieden ontzien zich niet op die wijze om de gunst der menigte te bedelen in het belang hunner partij. En aldus zijn eindelijk de staatkundige droomers en de onverstandige menschenvrienden zoo dikwijls door wetgevenden arbeid naar hunnen geest in het gelijk gesteld, dat zij hun werk van zweepen en stoken doorzetten met toenemend vertrouwen en altijd meer gevolg. Laat nu den staat, door die gezamenlijke drangredenen tot alregelaar en albediller verheven, krachtens eene reeks van ‘waarborgen’ aan het toezicht des volks onderworpen zijn; ieder lid van dat volk is daarom niets minder onvrij. En vooral: men vleie zich niet met rooskleurige verwachtingen aangaande de standvastig-
heid der menschen tegenover zoo machtige aanlokselen, als den eersten den besten regeeringsbeambte, maar vooral de hoogsten in zulk eenen staat van zaken zouden omringen. Elk alvermogend gemeenebest wordt, als door zijne schaduw, door hetzelfde spooksel op de hielen gevolgd. Het is de alleenheerschappij van den uitverkorene des volks, die, door het vertrouwen zijner meesters aan het hoofd van het beambtenleger geplaatst, de macht, hem opgedragen, misbruikt, om, openlijk of verbloemd, zijne lastgevers te knevelen. Daartegen baten geene voorzorgen, geene geschrevene bepalingen. Hoe verbreid ook, de waan, dat men een gouden staatsleven uit looden instincten zou kunnen tooveren, is, eenvoudig, het geloof aan eene staatkundige alchemie. Het welzijn der maatschappij en de rechtvaardigheid harer inzettingen zijn ten slotte afhankelijk van de karakters harer burgers. Wie het geheel verbeteren wil, moet met de leden beginnen; waarlijk niet door de achterblijvers kunstmatig te steunen ten koste van de vooruitstrevenden; maar eenvoudig door de beste leerschool open te stellen voor de ontwikkeling van hoofd en hart: de gelegenheid tot vreedzamen arbeid, slechts gebonden aan de voorwaarden voor een geordend samenleven.
De vergoding van den staat, de noodlottige nagalm van wat er omging in onze voorouders ten tijde hunner gepantserde gemeenschapsordening, wordt het meest afdoende bestreden door eene opsomming der zonden, waaraan wetgevers al hebben schuldig gestaan. Daartoe is het niet eens noodig de aandacht te vestigen op die ernstige vergrijpen, die uit heerschzucht of éénzijdig najagen van klassenbelangen geboren zijn. Reeds de tekortkomingen van onverschoonbare onwetendheid leveren stof te over voor eene verpletterende akte van beschuldiging. De helper van eenen drogist, die de beschrijving van eene ziekte misduidt, en den boodschapper een doodelijk geneesmiddel meegeeft, wordt schuldig bevonden aan manslag. Zijne goede bedoelingen baten hem niet. Hij behoorde zich te hebben onthouden in eene zaak, waar zijne kennis zoo onvoldoende was. Wat, indien de aansprakelijkheid van onwetende wetgevers voor de rampen, door hen gesticht, eens met denzelfden maatstaf werd gemeten! En toch, die rampen zijn ‘le-
gio’. Denkt aan de woekerwetgeving, aan de maatregelen tegen opkoopers, aan de staatstarieven van levensbehoeften en van loonen, en duizend andere voorbeelden. Overweegt vooral de tallooze wetten, die gedurig worden afgeschaft, deels, zeker, omdat zij zijn verouderd, maar toch ook voor een goed deel, omdat zij nooit hebben gedeugd. Men pleegt over die dingen luchtig heen te stappen. Ten onrehte: iedere slechte, zelfs iedere hinderlijke wet beduidt, zoo men ook op hare middellijke gevolgen acht geeft, vermeerdering, meest niet onbeteekenend, van noodeloos lijden. Maar het schijnt, of men dat alles niet tellen wil. De staat is eenmaal de ‘fetish’ van het levende geslacht. Wie hem logenstraft, door, op zijne machtspreuken niet te genezen, wie zelfs maar zijne wonderkracht in twijfel trekt, verdient nauwelijks beter dan den dood. De traagheid, de omslag, de sleurzucht, de onachtzaamheid, die al zijne verrichtingen belemmeren of althans haar oogmerk doen missen, dienen als voorwendsels om nog meer van hem te vragen. In zijnen dienst te treden maakt den stumpert tot eenen man van gewicht. Zij, die, in de hitte vanden verkiezingsstrijd, door alle partijen, behalve hunne eigene, éénstemmig zijn uitgefloten, hebben nauwelijks zich neergezet op hunne banken in het parlementsgebouw, of alle goede gaven en volmaakte giften worden van hen verwacht. Wat is er dan van dat kort begrip aller nationale wijsheid, dat men hun blijkbaar toedicht? Van de wetenschap, die hunne taak eischt, heeft de opvoeding dezes tijds in den regel hun niets geleerd. Zij kennen het verband van oorzaken en gevolgen niet, dat ook in de menschenwereld nooit ontbreekt. Zij hebben er geen oog voor, hoe, krachtens dat verband, hier meer dan elders ingewikkeld, aan iedere verandering zich een geheel stelsel vastknoopt van regelrechte, meer verwijderde, en eindelijk zeer verwijderde werkingen, veel gewichtiger vaak dan de betrekkelijke kleinigheid, die men bedoelde weg te ruimen, of te verkrijgen. Zij miskennen vooral den invloed, dien iedere wet, gebiedend of verbiedend, niet missen kan te oefenen op de vorming van des volks karakter, ten goede wellicht, maar ten kwade veeltijds ook. In één woord: zij zijn blind voor de waarheid, dat iedere maatschappij, wel verre van een kunstwerk te zijn, door menschen gemaakt, integendeel een levend lichaam is, natuurlijk geworden en gegroeid, een lichaam zoo samengesteld, dat wie het onderneemt zijne gedragingen
in eenig opzicht te leiden, wel waarlijk beginnen mag met de studie van zijnen bouw en zijn leven. Merkwaardig inderdaad! In den omgang met zijne dienstboden moet de wetgever het dagelijks ervaren, dat hij die menschen niet kent, op hen ‘geen vat kan krijgen’. Maar, of hij met een paar wetsbepalingen vele millioenen menschen, grootendeels van dezelfde soort als zijne weerspannige huisgenooten, zal kunnen zetten naar zijne hand, die twijfel verontrust hem geen oogenblik. Er is, in waarheid, geen monsterachtiger vooroordeel mogelijk, dan dat de voorbereiding, die zelfs een schoenmaker tot het uitoefenen van zijn bedrijf behoeft, voor den wetgever overbodig zou wezen.
Wat degelijke vóórstudie den aanstaanden staatsman zou leeren, het is, onder meer, het groote onderscheid tusschen de wijze, waarop Natuur hare schepselen behandelt, zoolang zij behooren tot het ouderlijk gezin, en nadat zij daaruit zijn getreden. Binnen den kring der familie: verzorging van het nog ongevederd, of nog blinde jong, geheel om niet, zonder eenige gedachte aan eene tegengift. Daarbuiten, integendeel, gestrenge handhaving van den regel: geene weldaden, maar loon, geëvenredigd aan verdienste. Het volwassen dier tiert of kwijnt naar gelang het wel, of kwalijk is begaafd. Een andere regel, trouwens, zou noodlottig zijn voor de soort, waarop zijne aanwending werd beproefd. Hulp aan ongeschikten, toenemend naar de mate van hunne hulpeloosheid, doet, noodwendig, het ras ontaarden, totdat het bezwijkt in den kamp om het bestaan. Dat geldt van het dierenrijk, maar ook van de menschenwereld. En daarom is het een onverstandig bedrijf het beginsel, dat alleen binnen den kring des gezins recht heeft van bestaan, overtebrengen naar het leven in de maatschappij. Maar dat onverstand wordt misdadig, voor wie bedenkt, dat wat de staat den stervendgeborenen, tot verlenging van hun lijden, maar tot verkorting van het volksbestaan, toereikt, eerst den krachtigen, levensvatbaren burgers moet zijn ontnomen. Van twee kanten dus: door de krachtigen te benadeelen, in dezelfde mate, waarin zij de zwakken beschermt, voert deze menschlievende staatkunde het volk ten verderve. De natuurwet, die slechts den sterkste het leven gunt, is hard, maar onverbiddelijk. En wie tegenover haar zich beroepen op de stem des gewetens en der menschelijkheid, moeten maar eens weêrkomen,
wanneer zij, elk in zijnen kring, hebben gedaan, wat daar die stemmen hun heeten te doen.
Neen, niet op kwalijk voorgelichte menschelijkheid drukt de zwaarste schuld, maar op een hardnekkig vooroordeel, dat in de hoofden van het levend geslacht heeft postgevat, Het groote staatkundige bijgeloof in het verleden was het Goddelijk recht der koningen. Het groote staatkundige bijgeloof thans is het Goddelijkrecht der parlementen. Het oude is voorbijgegaan; maar het nieuwe verdiende veel meer dat voorbeeld te volgen. Want, terwijl het eerste nog door eene algemeen gehuldigde onderstelling werd gerugsteund, mist het vooroordeel dezes tijds elken grond. Men schermt met het begrip der ‘souvereiniteit.’ En waarlijk, indien de aanwezigheid van zulk een onbeperkt overheidsrecht in de handen van welke macht dan ook eenmaal is toegegeven, dan is de rechtvaardiging zelfs van den willekeurigsten maatregel niet moeilijk meer. Doch het punt in geschil is daarmede niet bewezen, maar, veeleer, als reeds bewezen aangenomen. De vraag blijft: heeft eenig mensch, of eenig lichaam dat onbegrensd gezag over anderen, welks bestaan door de bloote denkbaarheid van zijn begrip waarlijk nog niet is buiten kijf gesteld. ‘Zeker’, zoo roept een oorverdoovend koor, ‘daar is het onbetwistbaar recht der meerderheid, dat zij overdraagt op de vertegenwoordiging harer keuze’. Binnen bepaalde perken is dat beweren stellig waar; maar op die perken komt het hier juist aan. De leden van iedere tot een zelfstandig lichaam verdichte vereeniging zijn inderdaad gehouden, één voor één, zich te buigen voor den uitgesproken wil der meerderheid, doch enkel in al die onderwerpen, die in verband staan met het doel, waartoe de verbinding is aangegaan; verder niet. Een beginsel, van toepassing op den staat, zoo goed als elders. ‘Dat voorbehoud is hier van geen nut’, dus luidt het antwoord: ‘het éénigheidsformulier van geenen enkelen staat is te vinden, en, bij ontstentenis daarvan, kan de macht der meerderheid door niets worden ingetoomd. Het gaat toch niet aan, dat de weinigen de wet stellen aan de velen!’ Intusschen: ook die tegenwerping schijnt krachtiger dan zij is. De macht der meerderheid kan, weliswaar, onweerstaanbaar zijn, evenals, onder andere omstandigheden, de macht van eenen alleenheerscher. Maar wien
het niet om de machtsvraag, wien het veeleer om den rechtsgrond voor de onderwerping der minderheid te doen is, dient, wel verre van haar afteleiden uit het ontbreken van ieder éénigheidsformulier, integendeel te bedenken, dat zij alleen op zulk eene akte steunen kan. Want bij gebreke van dien heeft de grootere helft over de kleinere, zoomin als deze over gene te gebieden. En indien al geen bepaald stuk kan worden getoond, welnu, dan worde de vraag gedaan: op welke voorwaarden, in dit oogenblik, de burgers altegader bereid zouden zijn om zich te verbinden tot eene staatsgemeenschap. Slechts de bevoegdheden, welke, in die onderstelling, zoo goed als eenstemmig den staat zouden worden opgedragen: de zorg voor de verdediging des lands, de bescherming van lijf en goed, en de handhaving der vrijheid om eigen goed te gebruiken en te verwerven, geene andere mag de staat zich toeëigenen. Al wat daarbuiten ligt, is het gebied van het natuurlijk recht des menschen tegenover de gemeenschap.
Of moeten wij de vele tijdgenooten gelooven, die, in navolging van Bentham, dat ‘natuurlijk recht’ naar de musea van afgedragen oudheden hebben verwezen? Dan zouden eerst hunne redenen wat steviger moeten worden. Het betoog, immers, dat hun scherpzinnige voorganger aan dit punt heeft gewijd, beweegt zich blijkbaar in eenen cirkel. Ieder burger, zoo heet het daar, ontleent zijne rechten aan eene opdracht van den staat. En de staat op zijne beurt ontleent wat hem aan rechten toekomt aan eene opdracht van de gezamenlijke burgers. Begrijpe die redeneering wie het kan. Of liever: wende zich, wie de zaak wil verstaan, tot de natuurlijke geschiedenis van ons geslacht, die in elk voortschrijdend staatsleven ons getuige maakt van de gelijkmatig voortschrijdende erkentenis, dat de gemeenschap, in stede van hare leden met rechten te begiftigen, integendeel slechts de rechten, die hun van nature toekomen, heeft te beschermen. En de inhoud dier rechten wordt eenvoudig bepaald door de natuurlijke voorwaarden tot het onderhoud en de verrijking des levens. Laat het menschelijk leven, gelijk het is, nog meer leed opleveren dan zegen, in elk geval is het op weg om ten slotte meer zegen te brengen dan leed. Die zekerheid rechtvaardigt iedere daad tot zijne handhaving, of tot zijne vermeerdering, maar dan ook iederen maatregel, om belemmering van zulke daden tegen te gaan. Zoolang echter
bij dat alles nog ieder levend wezen als alleenstaand wordt gedacht, missen die oordeelen een zedelijk karakter. De tegenstelling tusschen mogen en niet mogen ontstaat eerst, waar de enkele zich bevindt in de tegenwoordigheid zijner medeschepselen. Daar toch begint de mogelijkheid, dat de één, arbeidend om zijn leven te onderhouden, den ander in den weg treedt en bemoeilijkt. En, daar het bewijs ontbreekt, dat sommigen wel, maar anderen niet onbelemmerd mogen handelen naar verkiezing, is wederkeerige beperking noodzakelijk. Het zedelijk recht om hunne levensdoeleinden natestreven neemt dus eenen aanvang, wanneer het onderscheid is erkend tusschen daden, welke kunnen en welke niet kunnen plaats grijpen met inachtneming van die noodzakelijke perken.
De leer, die den staat tot schepper en uitdeeler aller rechten verheft, keert de waarheid zoo geheel om, dat juist integendeel den staat de beschuldiging treft, bij zijn eerste optreden in den vorm der ‘strijdbare’ gemeenschapsordening, zijne leden ten deele te hebben beroofd van de natuurlijke rechten op lijf en goed, die zij tevoren hadden bezeten. Eerst naarmate de ‘strijdbare’ staat plaats maakt voor eene meer ‘arbeidzame’ ordening der maatschappij, worden die ingekorte rechten hersteld in hun geheel, en tevens, bij de toenemende deeling van den maatschappelijken arbeid, aangevuld, bekroond door het nieuwste, maar niet het minst gewichtige: het recht der verdragen: de bevoegdheid om vrijelijk beloften te geven en te ontvangen, maar tevens om, des noods door dwang, de ontvangen belofte intevorderen. Daarmede is het stelsel der natuurlijke rechtsvoorwaarden voor de gemeenschappelijke levensvermeerdering der menschheid voltooid, maar dan ook onaantastbaar. Elke uitbreiding van de dwangrechten der overheid buiten zijne grenzen, al wordt zij door de teederste zorg voor lijdende medemenschen aanbevolen, is even onverantwoordelijk als andererzijds een tekortschieten in zijne handhaving. Want zij poogt een enkel leven te behouden, door de mogelijkheid van alle leven in beginsel te ondergraven. Kortom, zij volgt de alledaagsche nuttigheidszoekers, die op den tast voortgaan, geleid door wat binnen het bereik hunner handen ligt, in stede van de wetenschappelijke nutsbeschouwing, die vooruitziet, wat nog niet te grijpen is. Die kortzichtigheid moge onvermijdelijk zijn in ons overgangstijdperk, dat slechts door eene reeks
van dadingen met het verleden de betere toekomst kan doen aanlichten. Noodig blijft het, het beeld dier toekomst den tijdgenooten voor te houden, opdat zij weten, waarop zij hebben aantesturen.
Het overzicht over den gedachtenbouw van eenen man als Spencer verschaft altijd een soortgelijk genot, als bij de waardeering van ieder grootsch kunstwerk wordt gesmaakt. Toch zullen de meeste lezers allicht dit voorbehoud onderschrijven: onvermengd is dat genot niet; de eindindruk, zooals die door de jongste pennevrucht des meesters wordt bepaald, mengt in de bewondering voor zijn stout bestaan eene niet geringe mate van weerzin, ja van verontwaardiging. De gedachte, die Spencer bij zijn onderzoek naar de grenzen der staatsbevoegdheid heeft geleid, is geene nieuwe vondst. Meer dan één voorganger heeft, als hij, gemeend vragen van recht en onrecht ten slotte te moeten voorleggeu aan de natuur, immers een juist inzicht in hetgeen al dan niet betaamt, te mogen verwachten van eene zoo volledig mogelijke kennis der dingen, die zijn en gebeuren. De begripskoppeling ‘natuurrecht’, waarin zich ook voor Spencer die verwachting kort en krachtig uitspreekt, dagteekent reeds uit de dagen, toen de wijsbegeerte van Zeno en Chrysippus zich woning maakte in de hoofden van Rome's classieke rechtsgeleerden. Maar wat in Spencer's redeneerwijze treft en, ronduit gezegd, ergert, het is de niets ontziende oprechtheid, die hem eene zijde van zijn vraagbaak, de natuur, heeft doen naar voren keeren, en aanbevelen ter navolging, waarop eerst in de negentiende eeuw een helder licht is geworpen en dus de aandacht van oudere natuurrechtszoekers niet had gerust. Wanneer een bespiegelend Romein, als Cicero, bij herhaling het woord ‘natuur’ in den mond nam, dan duidde hij daarmede iets anders aan, dan het begrip van allerlei bloot noodwendige gebeurtenissen; iets, dat de gelegenheid openliet om aan de wijsgeerige beschouwing der wereld de godenleer van het voorgeslacht voor een goed deel aan te passen. Het was het denkbeeld, dat de wijze, waarop ‘Natuur’ hare verschijnselen teweegbrengt, de heerschappij eener redelijkheid openbaart,
die in het ordelijk denken en handelen der menschen hare voltooiing vindt. Veel duidelijker nog treedt een gelijksoortig bestanddeel op den voorgrond in dat begrip eener ‘natuurlijke wet’, waaraan, tijdens de latere middeleeuwen, de school van den heiligen Thomas zich het stellige recht ondergeschikt placht te denken. De voorstelling toch, welke die school van de natuur huldigde, werd geheel overheerscht door de gedachte aan het doel, het plan, dat de Hoogste Rede ten aanzien van den koning der schepping, den mensch zou hebben gekoesterd. Het rijk der natuur heette de voorbereiding, de inleiding tot het rijk der genade, dat daarin, als het ware, was aangelegd, voorgeteekend, beoogd. De scherpste denker onder de baanbrekers voor de nieuwere ‘natuurrechtsleer’: Thomas Hobbes, schijnt, wel is waar, in zijne kenschetsing van den ‘natuurstaat’ als eenen algemeenen oorlogstoestand, een vóórgevoel aan den dag te leggen van de gewichtige plaats, die de kamp om het bestaan in de hedendaagsche natuurbeschouwing moest innemen; maar recht en staat, wel verre van uit den strijd te worden geboren, ontstaan, integendeel, naar zijne voorstelling, uit den natuurlijken hartstocht der vrees, waardoor de aanvankelijke strijd in zijnen voortgang wordt gekeerd. En met den voleinder van het nieuwere ‘natuurrecht’: Jean Jacques Rousseau, keert ten slotte het leerstuk van de redelijkheid der natuur terug, opgeschroefd zelfs tot eene teerhartige dweeperij. Alles is goed, zooals het uit de handen van den Maker der dingen te voorschijn komt, slechts de kunstbewerking, die het van menschenhanden ontvangt, doet het ontaarden. In het kort: zoo al de vroegere predikers van een ‘natuurrecht’ voor de algemeenheid van strijd en wedijver in en buiten de menschenwereld niet blind zijn geweest, het recht was hun nooit voortbrengsel, maar altijd tempering, beteugeling van dien strijd, hetzij dan verklaard uit eenen natuurtrek naar vrede en rust, hetzij teruggebracht tot eenen redelijken natuurschepper, die allen tweespalt veroordeelde, of althans bestemde tot oplossing in een harmonisch slotaccoord. De nieuwere natuurbeschouwing, het werd reeds gezegd, verwierp die gedachte aan eene bestemming, een plan. In de worsteling van al het bestaande om zijn voortbestaan erkende zij, bovendien, het groote middel tot het verklaren van elke schijnbare doelmatigheid. Eerst eenen harer aanhangers kon het invallen eene leer van ‘natuurrecht’ te ontwerpen, als
door Spencer wordt voorgedragen. Eene, die, zoo zij al in een ver verschiet het uitzicht opent op vrede en verzoening, voor het oogenblik haren belijder dringt, om in den naam des rechts, niet noode en weerstrevend het aan te zien, maar boudweg er voor op te komen, wanneer, te midden van het moorddadig gedrang om de behoeften des levens, dag aan dag vele zwakkeren door weinige sterken worden vertrapt.
Doch juist datzelfde kenmerk der nieuwere natuuropvatting, dat het stuitende in Spencer's rechtsleer verklaart, dient den nadenkenden lezer als een sleutel, ter ontsluiting van de diepliggende fout, waaraan die gansche leer mank gaat. Beknopt uitgedrukt: zoo, als de nieuweren, en vooraan: Herbert Spencer, het woord ‘natuur’ verstaan, spellen de letters ‘natuurrecht’ wel een woord, maar geen begrip, waaraan een redelijke zin te hechten ware. Dat vonnis vinde thans in de eerste plaats eene korte toelichting.
Wat Spencer in het gezochte ‘natuurrecht’ hoopt te vinden, is duidelijk genoeg. Niet: de verklarende beschrijving van den natuurlijken wasdom dezer en gener inzettingen onder deze en gene omstandigheden. Niet: de ophelderende wordingsgeschiedenis van wat aan de eerste verschijnselen in het rechtsleven aller volkeren mag gemeen zijn. Maar: zekere grondbeginselen, die voor het handelen even onvoorwaardelijk de voorkeur verdienen boven afwijkende meeningen of practijken, als, voor het beschrijvend weten, de waarheid boven haar schijnbeeld; hoogste richtende regelen voor het doen en laten der overheid, die, tenzij de steller in dwaling verkeere, behooren te worden aanvaard door alle redelijke menschen, zal hun oordeel in dezen juist mogen heeten. Al bleek dat streven uit geene enkele nadrukkelijke verklaring in Spencer's betoog, het zou blijken uit het karakter van dat betoog in zijn geheel. Het ware een onrecht jegens zulk eenen denker zijne stelling op te vatten als eene zaak van bloot persoonlijke voorkeur, zijne verdediging als een pleidooi in den min gunstigen zin eener poging om door kunstgrepen en gewelddadigheden de gedachtenverbinding der argelooze lezers met zielkundigen tact te leiden, te dwingen naar des pleiters wensch. Neen, wat hij betoogen wil, is, naar zijne bedoeling, juist; dat wil zeggen alléén juist; een oordeel dus, dat, onafhankelijk van de feitelijke schaarschte zijner aanhangers, verdient te worden erkend
door elk en eenen iegelijk. En zijn betoog wil dan ook geen pleidooi zijn van de zooeven gebrandmerkte soort, maar eene bewijsvoering, eene aaneenschakeling van gronden, uitgegaan, stilzwijgend of openlijk, van één of meer voor zichzelf sprekende axioma's, voortschrijdend langs de richtsnoeren der redeneerkunde. Welnu, van al de vragen, die zulk een ondernemen den toeschouwer op de lippen kan leggen, worde thans slechts deze ééne gedaan. In welken vorm moet de uitkomst, ééns verkregen, voor alle gevallen worden gekleed? Die vorm zal, onvermijdelijk, eene keuze, eene schifting wezen, welke, uit eenen groep van denkbare gedragingen, alle werkelijk voorkomende, één of meer aanneemt, als goed, als recht, de overige, daarentegen, verwerpt, als kwaad, als onrecht. Hoe het kiezen zal dienen uit te vallen, blijve voorloopig onaangeroerd. Vaststaat, dat er gekozen zal worden tusschen wijzen van doen en laten, alle aan de werkelijkheid welbekend.
En zulke schiftende oordeelen waant nu Spencer te kunnen verkrijgen uit de kennis der menschelijke, der levende, ja eigenlijk der gansche ‘natuur’. Wat echter verstaan de nieuweren, wat verstaat vóór allen Spencer zelf onder dat woord? Geen hunner zal ernstig bezwaar kunnen opperen tegen eene omschrijving die ‘de natuur’ het geheel noemt aller gebeurtenissen, inzoover deze, zonder één afwijking, onderworpen worden gedacht aan den regel, dat niets geschiedt, dan met gelijkmatige noodzakelijkheid teweeggebracht door den toereikenden samenloop van voorafgaande oorzaken. Natuurkennis, natuurbeschrijving spoort eenvoudig de gelijkmatigheid dier opéénvolging van oorzaken en gevolgen na, in de onderstelling, dat zij alomtegenwoordig moet wezen. En de meerderheid der hedendaagsche natuuronderzoekers, Spencer in het voorste gelid, verricht die taak met eenen uitgesproken afkeer jegens elke proeve van verklaring, die, onder de aan te wijzen oorzaken, ook iets als planmatig overleg zou durven opnemen.
Het duidelijk inzicht in den aard der gezochte vrucht en tevens in de gesteldheid van den boom, waar Spencer haar hoopt te plukken, leidt van zelf tot de beslissing, of die hoop ijdel mag heeten, dan wel gegrond. Zij is stellig ijdel. En dat oordeel berust op deze eenvoudige overweging, dat niemand eenen maatstaf, waarnaar eenige groep van gebeurtenissen zal kunnen worden gesplitst, onderscheiden, vermag te
ontleenen aan de nasporing en toelichting eener wet, die, - het is de uitdrukkelijke onderstelling harer navorschers zelven, - alle gebeurtenissen zonder uitzondering gelijkelijk overheerscht. Uit hoevele gezichtspunten men ook scheiding moge maken tusschen geschieden en geschieden, dit ééne achten Spencer en zijne geestverwanten aan al wat geschiedt gemeen, dat het steeds heeft moeten zijn wat het was, dat het niet anders heeft kunnen wezen. En het ‘waarom?’ van elk zoodanig moeten, dat alléén, wordt door hunne natuurwetenschap gezocht. Maar dan ook kan deze, zoolang het algemeene verschillen zal van ieder kenmerk, dat het ééne onderscheidt van het andere, nimmer tevens de vraag oplossen, waarom, te midden van al die noodwendigheid, sommige dingen, en welke? behooren te worden gedaan, waarom dat niet anders wezen mag?. De natuur: het samenvattend begrip aller verandering, gezien enkel van de zijde harer oorzakelijke verbondenheid, oordeelt over goed en kwaad, over recht en onrecht zoomin als over schoon en leelijk, over verheven en belachelijk. Van haar, met Spencer, te willen leeren, wat rechtmatig is, wat niet, is even ongerijmd als, omgekeerd, met Ernest Renan en Emile de Laveleye, haar te verwijten, dat zij ‘de ongerechtigheid zelve’ zou wezen. Zij is noch de gerechtigheid noch haar tegendeel, enkel omdat zij de algemeene noodzakelijkheid is en niets meer. De oude natuurbeschouwing, die van eene rede in de natuur, van een doelmatig wereldplan gewaagde, kon nog in hetgeen de verwezenlijking van dat plan bevorderde, of ophield, in hetgeen die hoogste rede oogenschijnlijk wilde, of enkel duldde, eenen grondslag meenen te vinden voor tegenstellingen, als tusschen recht en onrecht. De hedendaagsche natuurwetenschap echter heeft, met begrippen gelijk doel en rede als verouderd weg te werpen, de mogelijkheid van eene onderwijzing in het recht door de natuur tezelfdertijd onherroepelijk prijsgegeven. Het voorwerp harer studie blijft op iedere vraag naar hetgeen deze noodzakelijkheid in eenig opzicht boven gene mag onderscheiden het antwoord schuldig.
‘Eene onderhoudende, verstandige vrouw; zij was bij alle onderwerpen, die ik aanroerde geheel van mijne meening:’ in die woorden gaf eens een eigenwijs en praatziek man verslag van zijne eerste ontmoeting met eene vermogende dame. Ongelukkig had zijne eigene spraakzaamheid hem belet op te merken, dat zijne nieuwe kennis doofstom was. ‘Wat lacht Gij?’, zou
men tot Spencer mogen zeggen; ‘behoudens het verschil tusschen eenen verwaanden snapper en eenen vastovertuigden denker, is dat het verhaal van het rechtsonderricht, dat Natuur U zal hebben gegeven.’
Het is inderdaad, alsof Spencer somtijds, het verlies inziende, dat de nieuwe natuurstudie der rechtsgeleerdheid heeft berokkend, het ongedaan heeft willen maken. Hij kan zich niet losmaken van eene in zijn land algemeene spelling, die toch voor hem en de zijnen haren zin moest hebben verloren: het gebruik der hoofdletter aan het begin van het woord ‘Natuur’. Men noeme het eene kleinigheid; ook de kleinigheden van groote mannen hebben hare beteekenis. En is het dan vreemd in deze behoudzucht het teeken te zien van eene, allicht voor het eigen geweten niet éénmaal uitgesproken, behoefte, om nog eene rest, eene schaduw voor het minst vast te houden van dat persoonlijke in de voorstelling der natuur, dat alleen het denkbeeld vermag te rechtvaardigen eener voorkeur, door haar, onder al wat zij werkt, voor het ééne boven het andere gekoesterd?
Een snuffelaar in de teksten der oud-Grieksche of Romeinsche letterkunde, die, tot herstel van eene bedorven plaats, een drietal gissingen ter keuze aan zijne vakgenooten voorstelde, zou juist door de veelheid der voorgestelde verbeteringen argwaan wekken jegens de aannemelijkheid van alle drie. Zoo is het aanvankelijk reeds eene niet te versmaden bevestiging van het veroordeelend vonnis, zooeven over Spencer's leidende gedachte gestreken en beknopt toegelicht, dat hij, om zijne hoofdstelling: de beperktheid der staatsbevoegdheden, met de lessen der natuur te kunnen staven, tot drie geheel uiteenloopende bewijsvoeringen zijne toevlucht neemt. Zulke weelde verraadt eerder armoede dan rijkdom. En dat voorloopig vermoeden wordt door een onderzoek naar het gehalte althans van twee dier redeneeringen alles behalve gelogenstraft. Het geldt de beide vertoogen, waarmede ten slotte het ‘staatkundig bijgeloof’ onzer dagen zal worden te niet gedaan. Wel mocht de scherpzinnige rechtsgeleerde, die ‘the Man versus the State’ in het Nederlandsch vertaalde, bij het schrijven van zijn voorbericht de bedachtzame opmerking zich veroorloven, ‘(dat) dit (laatste) gedeelte misschien het minst geslaagde (is)’. Alle hulde aan het doel, dat Spencer in zijnen strijd tegen meerderheids-alvermogen voor den geest stond. Er zijn niet vele waarheden, waaraan deze tijd
meer noodig heeft te worden herinnerd, dan het beginsel, dat de moderne staat, boven andere machten bij voorkeur, ja, haast bij uitsluiting tot het vaststellen en handhaven des rechts, dat is: der maatbepaling van afdwingbaar vrijheidsontzag, geroepen, allereerst zelf heeft te toonen, hoe ook hij zich tot eerbiediging der vrijheid gehouden weet, en waarlijk niet door de aanspraak op een grenzenloos ‘souverein’ bewind zich mag trachten te ontheffen van den plicht tot zelfbeperking, welks volstrekte algemeenheid juist den grondslag van alle overheidsrecht uitmaakt. Maar eene goede zaak gebrekkig dienen brengt haar allicht meer schade dan gewin; en dat, men moet het vreezen, is hier geschied. De beide bewijsvoeringen, die hier dienst moeten doen, zijn zeker van eenen eerbiedwaardigen ouderdom. Doch, opmerkelijk getuigenis tegen Spencer's inkleeding van een hoofdbegrip der ontwikkelingsleer! de langdurigheid van haren ‘survival’ staat in omgekeerde rede tot hare ‘fitness’. En voor het crediet der redeneerwijze, door Spencer in onderzoekingen aangaande recht en onrecht gevolgd, zijn zij hierom vooral bedenkelijk, wijl zij een in het oog vallend bewijs leveren, hoe het streven om practische voorschriften af te leiden uit ‘natuurwetten’ slechts met behulp van dialectische sluikerij kan schijnen te gelukken. Men beginne met de laatste, onder de verschillende richtingen in de zedekunde, het naast bij de geluksleer zich aansluitend. Op de voorzichtige onderstelling, die het menschelijk leven voor het minst onderweg denkt naar eenen toestand, waarin het ten slotte meer zegen zal brengen dan leed, wordt zonder alle plichtplegingen jegens een der hoofdbezwaren, tot dusver tegen de geluksleer ingebracht, de stoute gevolgtrekking gebouwd, dat, in afwachting van dat schoon verschiet, thans reeds iedere daad verdient te worden goedgekeurd, waardoor het leven, al is het nog betrekkelijk arm aan geluk, wordt gehandhaafd, of verrijkt. En aan die goedkeuring wordt nu een zedelijk karakter, tegelijk met een voorbehoud ten behoeve van anderer gelijksoortig streven verbonden, doordien aan een beroep op het nevens elkander bestaan en het onvermijdelijk wederzijdsch ingrijpen veler menschen, de overweging wordt vastgeknoopt, dat het recht van sommigen om te doen wat anderen niet vrijstaat onbewezen is. Neen zeker, dat laatstgenoemde recht laat zich, zoomin als één ander, uit het vooropgestelde afleiden. Maar juist daarom de
rechtmatigheid van aller gelijke intooming even weinig. Hetzij dan eene bewezen waarheid: ‘ieder heeft gelijk, niemand handelt dwaas met, zooveel mogelijk, vermeerdering natejagen van het eigen leven’. De aanwijzing van het herhaaldelijk binnentreden in elkanders bestaanskring voert, in verband met dat eerste oordeel, slechts tot deze gevolgtrekking, dat, derhalve, elk voor zich wijs doet met, zoo vaak de kans schoon staat, zijne medemenschen tot verrijking zijns levens in het gareel te spannen. Om tot ‘den zedelijken vorm van het recht’ te komen, heeft men nog iets meer noodig, dan de praemissen, van waar Spencer meent erop te kunnen afgaan. Ongeacht het bezwaar, aan het slot van deze redeneering oprijzende, dat de geheel onbepaalde eisch eener ‘wederkeerige afperking van handelingssferen’ de ruimste verscheidenheid van uitvoering toelaat, en dus nog geenszins die allersoberste opvatting der staatsbevoegdheden rechtvaardigt, veelmin voorschrijft, die door Spencer als de ‘natuurlijke’ wordt opgevijzeld. En wat te zeggen van het andere vertoog, waarmede, eenige bladzijden vroeger, die ‘natuurlijke’ rechtsbekrimping van den parlementairen staat nog meer regelrecht heet gestaafd te zijn: eene nieuwe herhaling van het oud, maar, naar het schijnt, nimmer verouderend pogen, om het recht der overheid, met name der meerderheid, en zijne grenzen tevens na te sporen in eenen vermoedelijk éénstemmigen wensch aller burgers? Deze bladzijden zijn de plaats niet, om nog eens de zwaarwichtige twijfelingen op te rakelen, al zoo menigmaal tegen dergelijke proeven overgesteld en samen te vatten in de onvindbaarheid van het verbindend karakter, den wensch, als zoodanig, daarbij toegeschreven. Ook worde niet lang stilgestaan bij de zonderling luchthartige redeneerwijze, die den eisch der unanimiteit, waarmede de grondslagen voor het meerderheidsbewind moeten aanvaard zijn, reeds acht voldaan, zoodra maar ‘a practical unanimity’, d.w.z. eene bloote meerderheid, slechts met een betrekkelijk zeer groot stemmencijfer, is verkregen geworden. Het zou overigens te bezien wezen, of het aantal der tegenstanders van persoonlijken eigendom niet in meer dan één land eene minderheid vormde, groot genoeg om het woord ‘unanimiteit’, zelfs door het genoemde uitrekkend bijvoeglijk naamwoord ter zij gestaan, in Spencer's pen terug te houden. Hier zij het genoeg, even den kunstgreep aan te roeren, die, afgezien van dat alles, in dit betoog verscholen ligt. De som van aller persoonlijke wenschen
is nog volstrekt niet de gemeenschappelijke wensch van allen. Het betoog echter, hier bedoeld, wart, natuurlijk zonder opzet, die twee door elkander. Wanneer een gastheer zijne genoodigden één voor één verzoekt hem het gerecht te noemen, waarop ieder het meest is gesteld, en dan al die spijzen achtereenvolgens voor hen opdischt, dan mag hij toch waarlijk niet zeggen, dat zijne gasten, als uit één mond, het ‘menu’ hebben goedgekeurd. Het zou zelfs kunnen zijn, dat elk gerecht afzonderlijk werd verafschuwd door het gansche gezelschap, behalve door hem, die het had gekozen. Zoo ook hier. Laat het eens zoo wezen, dat Spencer niets dan toestemming zou inoogsten, indien hij, rondgaande bij zijne landgenooten, aan ieder de vragen voorlegde: wilt Gij ‘gehandhaafd worden in Uw leven, in Uwen eigendom, en in Uwe vrijheid om dezen te genieten en te verwerven, juist zoo’ - dit moet hij bedoelen - ‘als tot vóór korten tijd?’. Zulk eene uitkomst echter mocht dan nog stellig niet worden omschreven in dezer voege, als ware nu áller handhaving in die drie begeerlijke goederen éénstemmig goedgekeurd. Van éénstemmigheid kon reeds hierom niet worden gesproken, omdat aan geen twee personen dezelfde vraag zou zijn gedaan. Het gelijkluidend ‘Gij’ had eenen geheel anderen zin bezeten, naarmate het tot den één of tot den ander ware gericht. Om waarlijk uit te maken, of geheel het volk zijn zegel hechtte aan het denkbeeld, dat allen zouden worden beschermd in hun leven, hunnen eigendom en hunne vrijheid, gelijk die tot onlangs was verstaan, zou men moeten beginnen met die vraag aan elken burger te stellen in hare algemeenheid. Maar daarmede ware slechts eene beknopte omschrijving gegeven van het eigene probleem, waarin Spencer met dit boekje eene lans breekt, hij alleen, gelijk Frederic Harrison1) zonder veel overdrijving het mocht neêrschrijven, tegenover geheel Engeland. En op eene éénparige beslissing in zijnen geest zou hij zelf, blijkens zijn naschrift, wel allerminst durven rekenen.
Doch het is waar: de redeneeringen, waarbij zooeven, trouwens slechts een oogenblik, de aandacht der lezers werd bepaald, zijn het eigenst eigendom van Spencer niet. Hij heeft ze geleerd van voorgangers, niet zelf gevonden, of ook maar op eene oorspronkelijke wijze verwerkt. Anders is het, waar hij,
de getrouwe zoon, of neen, een van de geestelijke vaders onzes tijds, der ‘ontaarde vrijzinnigheid’ het wachtwoord van de nieuwere leer der levensontwikkeling: ‘het overblijven der geschiktsten’ voorhoudt. Op die plaatsen had zeker ook de Laveleye het oog, toen hij erkende zich zijns ondanks somtijds bewogen te hebben gevoeld, om voor een oogenblik met den schrijver in te stemmen. Is het het nog betrekkelijk ongewone, is het misschien het stuitend vermetele in deze oogenschijnlijk zoo logische gevolgtrekking uit eene bekende praemis, wat haar die medesleepende kracht verleent? Wat daarvan zij, er is reden tot behoedzaamheid.
Inderdaad ligt ook in dit machtigste gedeelte van Spencer's pleidooi een valstrik, die zonder veel moeite kan worden ontdekt. Het is het woord ‘de geschiktsten’, dat den onergdenkenden dien strik spant. Op het vernemen van zijnen klank, op het zien van zijne letterteekens rijzen in den geest van hoorder of lezer allerlei onderling verwante voorstellingen van lofwaardige, algemeen nuttige, of, voor het minst, aantrekkelijke eigenschappen. De ‘geschiktste’, dat is voor de meerderheid: de beste, de bruikbaarste, althans de redzaamste; voor Spencer in allen gevalle: de veelzijdigste. Onwillekeurig verbindt zich met dat alles de gedachte aan één, of hoogstens eenige weinige vaste schalen, waarop telkens de graadsgewijze opklimming in eene bepaalde soort van voortreffelijkheid staat aangegeven, maar waar steeds de verhouding van eenen hoogeren graad tot eenen lageren in het ééne woord ‘geschikter’ zijne vertolking vindt. En zoo verkrijgen ten slotte Spencer's vermaningen dezen indrukmakenden zin: ‘Uwe teerhartige staatszorg, die storend ingrijpt in den loop der natuur, en het overblijven der geschiktsten bemoeilijkt, stijft den deugniet, helpt den luiaard, schraagt den onbeholpene, door den bekwame te hinderen, den werkzame te ontmoedigen, den brave te plagen’. Geen wonder, dat met zulk eenen bewijsgrond het pleit der staatsonthouding gewonnen schijnt.
Al die bekorende toevoegselen echter zijn vreemd aan het begrip, gelijk het behoort te worden verstaan in eene leer der levensontwikkeling, naar Darwin's aanwijzingen uitgedacht. Zal het beginsel van ‘the survival of the fittest’ waarlijk aanspraak mogen maken op volstrekt algemeene heerschappij, zoo kan het slechts eene toepassing zijn van de wet der oorzakelijkheid op
eenen bepaalden groep van gebeurtenissen: dien der levensverschijnselen. Zijne beteekenis is dan eenvoudig dus te omschrijven: waar een wezen, of een geslacht van wezens een ander overleeft, moet dat verschijnsel eene oorzaak hebben. Men zou dus Spencer's ‘Schlagwort’ wezenlijk verduidelijken, indien men, het aanvullend, sprak van ‘the survival of the fittest.. for surviving’. Dan echter omvat het begrip, waarom het hier te doen was, niets minder, maar ook niets meer, dan elke bijzonderheid in bouw en inrichting, die haren bezitter voordeel doet trekken uit de omstandigheden, waarin zijn leven afloopt. Daaruit volgt gereedelijk, dat aan iets als eene zich gelijkblijvende schaal, op welke de maat der geschiktheid in gedachten kon worden afgelezen, allerminst te denken valt. Het is te betreuren, dat hier de Engelsche taal den denker geen bijvoeglijk woord ten dienste stelde, dat, gelijk het zelfstandig naamwoord ‘adjustment’, terstond de gedachte bij zich voerde aan samenhang met de omgeving. Om over de betrekkelijke levensvatbaarheid van eenigen plant- of diervorm te kunnen oordeelen, moet men steeds het geheel der omringende verhoudingen in zijn onderzoek mede opnemen. Het voorwerp van dat onderzoek los te snijden van de luchtgesteldheid, het land, het gezelschap der overige planten en dieren, waarin het te leven heeft, gaat evenmin aan, als over het passende eener bepaalde soort van sleutels te willen uitspraak doen, afgezien van de gesteldheid der sloten, waarop zij behooren. Is het levensvermogen van dezen of genen marentak groot, of gering? Zoo algemeen gesteld, laat zich die vraag niet oplossen. Een stevig zaadrijk gewas van die soort, maar omringd door vreemde planten, die meer de vogels aanlokken om hare zaden op te pikken en rond te strooien, blijft, misschien, ‘kinderloos’, terwijl op eenigen afstand een ander, minder krachtig, aan zijne éénzaamheid eene talrijke nakomelingschap dankt1). En die waarheid geldt op de hoogste sporten van de ladder des levens evengoed als op de lagere. Zijn in de menschen-maatschappij een vlug verstand, werklust en eergevoel voorwaarden, al dan niet, van krachtige levensvolheid? Met onderscheid alweêr. In de ten volle ‘arbeidzame’ gemeenschapsordening, waarop Spencer ons het uitzicht heeft geopend, zal,
men mag erop rekenen, het antwoord zonder voorbehoud toestemmend kunnen zijn. Maar in de hedendaagsche samenleving der ‘beschaafde’ volkeren? Men oordeele. Zietdaar een vermogend bankier. Zijn hoofd is uitsluitend gestoffeerd met voorstellingen van paarden, honden, hazen en hoenders. Wie eenen brief over zaken tot hem richt, ontvangt regelmatig het antwoord, dat, ‘aangezien onze geachte patroon bij toeval heden afwezig is,’ een procuratiehouder zoo vrij zal zijn de begeerde inlichtingen te verstrekken. Het ‘credo’ van zijn ‘point d'honneur’ bevat slechts één artikel: ‘encanailleer U niet.’ Maar zijn vader heeft, met een groot vermogen en eene welgevestigde zaak, hem een geslacht van klerken en kantoorloopers nagelaten, die in stiptheid, tevredenheid en trouw jegens ‘den jongen Mijnheer’ voor den besten jachthond niet onderdoen. Zoo ‘marcheert’ alles van zelf, en op zijn zilveren huwelijksfeest, - het gouden beleeft hij niet, - vindt zich de alwat jichtige, volbloedige Nimrod van een bloeiend kroost omringd. Zijn naaste buurman, gepensionneerd en vrijgezel, heeft eenen huisknecht, die de toewijding aan 's meesters belangen op eigenaardige wijze verstaat. Zonder groote talenten, zonder allen ijver voor welken arbeid ook, bezit hij alleen eene zekere geslepenheid, die, door gewetensknaging nooit gestoord, hem ten slotte onmisbaar heeft gemaakt, niet om de diensten, die hij doet, maar om het kwaad, dat hij doen kan, zoo hij wil. Van zijne stelling als de oude vertrouweling, die veel zou kunnen verklappen, maakt hij gebruik om veel zich te veroorloven, totdat een vrij onbelangrijk postje en een niet onbelangrijk legaat den vijftiger vergunnen zich nog eenen bescheiden huiselijken kring te scheppen, waarin hij, opgeruimd en onbezorgd, zijnen levensavond slijten mag. Meer dan ééns, eindelijk, is ten huize van den gepensionneerde, een dier onverpoosde dilettant-bouwmeesters, die, jaar in jaar uit, hun huis omverhalen, omdat het hun nooit rustig en aangenaam genoeg is, een oppassend metselaar aan het werk geweest, bekwaam in zijn vak, arbeidzaam, nauwgezet, alleen in de stroefheid van woorden en bewegingen den plattelander verradend, die zich in de stad nog niet ten volle te huis gevoelt. Aangelokt door de hooge loonen eener maatschappij van bouwspeculanten, die, gedurende eene reeks van algemeen voorspoedige jaren, het leeuwendeel heeft genoten in de winsten van de snelle uitbreiding der weelderige stad, heeft hij indertijd
aan het licht en de lucht van zijn dorp vaarwel gezegd voor een overbevolkt arbeiderskwartier in eene stedelijke buitenwijk. Inmiddels is na den vloedgolf eener ongekende welvaart eene ebbe ingetreden van overal zich verbreidende lusteloosheid. Van de nieuwe bewoners, die zoo kort geleden met al het opzichtig vertoon van pas verworven rijkdom hunnen intocht hebben gedaan, verlaten thans geheele scharen de stad met stille trom. Een tal van huizen staat weêr ledig en blijft onverhuurd. Er komt eene stremming in het bouwvak. De aankomelingen van buiten worden het eerst afgedankt. Daar staat de knappe werkman op de straat, zonder hoop op arbeid, noch in zijne nieuwe woonplaats, waar honderden rondloopen als hij, noch in de oude, waar de plek, dien hij leeg liet, sinds lang door een ander is ingenomen, overgeleverd aan de genade van zijnen huisheer, of erger, van het individu, dat voor dezen de huurpenningen pleegt in te vorderen, maar nog te fier om ander brood te willen eten dan in het zweet zijns aanschijns verdiend. Heeft nu dien man zijne onloochenbare geschiktheid soms als eenen krachtigen steun in den levensstrijd zich betoond?
Zeker, dergelijke geschiedenissen zijn alledaagsch en versleten. Maar wie kon ook verwachten, dat een man als Spencer, alleen doof en blind zich houdend voor hetgeen elke nieuwe dag der wereld te zien en te hooren geeft, den moed zou bezeten hebben om de dusgenaamde ‘natuurlijkheid’ van het stelsel der zoo min mogelijk belemmerde mededinging onder meer met het stout beweren op te hemelen, als zou slechts onder die voorwaarde het schriftwoord vervuld worden, waarnaar, wie niet werkt, ook niet eten zal? Hoe maakt hij zijn hardvochtig vonnis goed, dat die tientallen van slenteraars, die op ieder kruispunt van bevolkte straten door het eerste het beste maar ietwat ongewone schouwspel worden bijééngesleept, állen kortweg arbeidschuwe deugnieten zijn? Hij heeft die lieden niet, één voor één, in de biecht genomen, noch, in het voorbijgaan, gepeild al wat er omging in hunne ziel. Hij kan zich dus tot die zware beschuldiging alleen gerechtigd achten op grond van de vooropgezette overtuiging, dat, wáár slechts het ‘natuurlijk’ recht van ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’, van ongehinderde verdragsluiting, en van de ruimst mogelijke ongebondenheid des eigendoms in wezen wordt gehouden, geene ellende meer mogelijk is, tenzij door eigen schuld verdiend.
Maar zoo is hij, geheel buiten den koers der nieuwere natuurbeschouwing, met volle zeilen het vaarwater binnengestevend der gemoedelijke natuuraanbidders in den trant van Jean Jacques Rousseau of Frédéric Bastiat. De natuur is hem nu niet langer het bloote oorzakelijk verband, dat alle geschieden, zonder eenig oordeel des onderscheids, eenvoudig knoopt aanéén; niets afzonderend, niets uitkiezend, den luiaard hier helpend, daar verdervend, den nijvere nu eens zegenend, dan teleurstellend, gisteren de regeerders doemend tot de werkeloosheid, door de oude staathuishoudkunde hun opgelegd, morgen met dezelfde noodwendigheid hen opwekkend tot de lang verzuimde taak, die eene nieuwere school hun voor oogen houdt; de nimmer stilstaande stroom, in één woord, van het gelijkmatig niet anders kunnen. Verre van dien; zij heeft hare voorliefde en haren afkeer, zij wijst de wegen, die te kiezen, zij waarschuwt tegen de paden, die te mijden zijn. Kortom: zij, die, als de alnoodwendigheid, geen ander tegendeel moest kennen dan het onmogelijke, ziet thans van de wereld der werkelijke dingen een deel, als ‘onnatuur’, tegenover zich gesteld. In dit machtwoord wordt alles bijééngevat, wat teugels of banden schijnt te willen aanleggen aan dat onbelemmerd spel der maatschappelijke krachten, waarop alleen de ‘rerum magna parens’ het zegel harer goedkeuring drukt. De slachtoffers van dat spel, die om zulke teugels en banden vragen, stellen daarmede zich zelven, als het leven onwaard, immers als door de eigen hand der rechtvaardige natuur te licht bevonden, aan de kaak. En om den gang van het betoog tot eenen cirkel af te ronden, wordt nu ten slotte de gestadige verwijdering dier ongeschikten, dier deugnieten en doodeters der ‘natuurlijke’ rechtsorde weêr toegerekend, als hare beslissende aanbeveling. Zoo, eene leerstelling weêr oprichtend, die hij zelf eertijds, hij vooraan, heeft helpen uitluiden, daaruit gevolgen trekkend, die slechts het harteloos, of onnadenkend kind der weelde hem voetstoots toegeeft, en die gevolgtrekkingen weêr aanwendend tot staving zijner praemis, maakt Spencer zich zijne taak niet moeilijk. Maar der tegenpartij de taak der weerlegging evenmin. Neen, de natuur, éénmaal van alle planmatigheid, gelijk van alle persoonlijkheid ontkleed, heeft daarmede elk richtend attribuut verloren. Zij teekent al het werkelijke als noodzakelijk, maar zij schift uit al dat noodzakelijke geen goed en geen kwaad. Het stelsel der ongebreidelde mededinging is haar werk, zoo-
lang het standhoudt; wankelt het, brokkelt het af, ook dat is haar werk, zoolang het duurt. De zwakken, de misdeelden, die dat stelsel doet ondergaan, worden door haar gevonnist, al dien langen tijd; maar komt éénmaal de dag, dat regeerders en rijker bedeelden zich hun lot aantrekken, zij is het weêr, die hen beschermt van dat oogenblik aan. Zij keurt niemand, ‘geschikt’, zij keurt ook niemand af, dan alleen, zoo men wil, voor zoover de ordening in wezen blijft, waarin de één zich handhaaft, de ander moet wegsterven. Wijzigt zich die, haar oordeel over de geschiktheid der personen slaat aanstonds mede om. Is het dan niet ongerijmd van haar te willen weten, welke ordening aan de verbreiding en versterking van ware geschiktheid het meest bevorderlijk zal wezen?
Een denker, die deze dingen uit het oog verliest, komt, bij zijne pogingen ter opsporing van het ‘natuurrecht’, tot zonderlinge hulpmiddelen. Daar is dat beroep op de onderscheiding, die ‘Natuur’ heet te maken in de wijze, waarop zij hare schepselen behandelt binnen en buiten het ouderlijk gezin. Zoo worden dus wij, de gewrochten van verder voortgeschreden ontwikkeling, naar de min ontwikkelde soorten, naar viervoeters en vogels verwezen, om daar te zoeken, wat ons te doen staat. De leeraar der ‘evolutie’ predikt hier, ter afwisseling, ‘réactie’. Met het ontstaan van hoogere levensvormen ging, zoo toonde hij vroeger ons aan, klimmende zorg voor de hulpeloozen gepaard. Ettelijke lagere dieren, die in het water leven, laten hunne eieren maar eenvoudig neêrvallen; van de duizend bevruchte kiemen komt misschien één tot ontwikkeling. Sommige visschen zoeken ten minste eene geschikte plaats, waar zij de eieren kunnen neêrleggen. Andere gaan verder en beschermen het broedsel; daar begint het doelmatig zorgen. Veel hooger staan alweder de vogels; eerst wordt het nest gereed gemaakt; dan, gedurende den broeitijd, de moeder door den vader verzorgd, de uitgekropen jongen, eindelijk, ontvangen van de moeder niet slechts hun eerste voedsel, maar ook het geduldig onderricht in de onmisbare kunst van vliegen1). Zoo gaat de ontwikkeling voort tot eindelijk, onder beschaafde menschen, diezelfde zorg voor hulpeloozen, niet langer binnen den kring van het gezin beperkt, ook tot volwassenen wordt uitgestrekt. Met welk recht wordt nu daartegen ‘Natuur’ een ‘veto’ in de mond gelegd? Waarom niet reeds
bij iederen vroegeren stap voorwaarts, die toch ook telkens dat zorgen uitbreidde tot vormen en wijzen, te voren niet bekend? Waarom verbood zij niet den vogels het hunnen jongen verstrekte lager onderwijs, met een beroep op de visschen, den hoogeren visschen de bescherming van hun broedsel, met een beroep op de lagere, dezen het zoeken naar eene geschikte legplaats, met een beroep alwêer op de dieren, die het daarbuiten stellen? De keuze des oogenbliks, waarin zij verbiedend heet op te treden, is louter willekeur. En niet minder de keuze der dingen, die zij dan zal verbieden. De natuurdienaar, die deze bewijsvoering aanvaardt, durve eens hare lijnen doortrekken. ‘Geene gemeenschappelijke hulp aan gebrekkige volwassenen! Zij verbastert het ras; daarom ook is zij bij de dieren onbekend!’ Maar men verhaalt daarenboven van vogels, die hun wanschapen of zwakkelijk jong uitwerpen uit het nest; en er zijn menschengroepen, een hoog begaafd volk als dat der Spartanen heeft er toe behoord, die dat voorbeeld volgen. Men weet alweder, dat in troepen levende dieren den zieken of gewonden metgezel uitstooten, zoo zij hem met steken of havenen, tot hij nêervalt; en wederom zijn er de Indianen van Noord-Amerika, die hunne weerlooze kameraden laten sterven op de grasvlakte. Men kent, eindelijk, de gewoonte der oojevaars, de zwakke ouderen nêer te snavelen vóór het aanvaarden van den trek; en nog eens zijn er menschen, de inboorlingen der Fiji-eilanden, die hunne afgeleefde en zieke ouders levend begraven1). Waarom niet ook dat alles aanbevolen als ‘natuurrecht’? Waarom, vooral, dien zoo verderfelijken bijstand aan de ‘onbegaafden’ alleen den staat tot zonde aangerekend, maar der vrije milddadigheid vergund? Is deze dan onder onze voorbeelden, de dieren, zoo bekend? Ja toch; Charles Darwin2) heeft ons het verhaal bewaard, hoe Stansbury, op een zoutmeer in Utah, eenen ouden en geheel blinden pelicaan vond, die zeer vet was, en dus geruimen tijd door andere van den troep moest zijn gevoederd. Mr. Blyth, daarenboven, heeft Indische kraaien dien liefdedienst aan twee of drie blinde metgezellen zien bewijzen. En ten slotte is den beroemden schrijver nog een soortgelijk verhaal aangaande eenen huishaan ter ooren gekomen.
De zusters van barmhartigheid, de weldoeners der armen mogen dus gerust zijn. Totdat die drie zegslieden, en anderen, die soortgelijke berichten meêdeelen, van onwaarheid worden overtuigd, geeft ‘Natuur’ der christelijke liefde verlof om met haren zegenenden arbeid voort te gaan.
Het terugzien op den weg der levensontwikkeling verschaft de leering niet, die Spencer meent eruit te mogen trekken. Is het met het vooruitzien anders? Voor velen zeker bezitten zijne bespiegelingen over eene toekomst, die hij zoo rooskleurig schildert, en met zulk een aanstekelijk vertrouwen profeteert, eene machtige bekoring. En het moet erkend worden: tot het vinden van een richtsnoer voor toekomstige gedragingen schijnt de aanwijzing van wat het menschelijk geslacht te wachten staat wel zoo gepast, als de herinnering aan hetgeen zijne dierlijke voorouders en hunne nog dierlijk gebleven nakomelingen plachten en plegen te doen. Komt daar dan bij, dat het geschilderd toekomstbeeld den lezer als aanlacht met de vriendelijkste tinten, dan geeft hij zich aan zulk voorspellend vermaan nog eerder gewonnen. Des te meer echter is het geboden tegenover die bedwelmende voorspiegelingen het hoofd koel te houden en zich af te vragen: is het de wetenschappelijk bewezen stelligheid van dat vooruitzicht, het betoog voor zijne onvermijdelijkheid als eindpaal der levensontwikkeling, waardoor ik gedrongen word de verhaasting van zijn naderkomen te aanvaarden als de beste taak zoo voor anderen als voor mij zelven? Of is het misschien omgekeerd de ingenomenheid met den gezichtseinder, die mij daar wordt beschreven, de hoop, dat de kinderen der menschen het éénmaal zoover mogen brengen, die mij over de spleten en barsten in het betoog heendragen en zijne voorzeggingen doen aannemen als waarachtig? De beslissing behoeft niet lang onzeker te wezen. Het laatste is de waarheid, omdat het eerste niet zijn kan. En wel om deze redenen.
Afdoende is al aanstonds dit ééne. De wetenschap van wat ‘Natuur’ in den vervolge brengen zal, gesteld zij ware mogelijk, bood nog evenmin eenen toetssteen aan, waarop het recht kon worden onderkend van zijn tegendeel, als het inzicht in den natuurlijken samenhang van hetgeen reeds geschied is. Het onafwendbare, als zoodanig, heeft niets, waardoor het wordt gerechtvaardigd, of aanbevolen, noch in het verleden,
noch in het toekomende. Maar daarenboven: wat zooeven, onderstellenderwijs, werd toegestemd, dient, nader onderzocht, te worden teruggenomen. Zijn, reeds in het algemeen, profetieën, op welk gebied van mogelijk geschieden ook beproefd, slechts aannemelijk onder het voorbehoud, dat de gebrekkigheid der menschelijke kennis vordert, dat voorbehoud weegt zwaarder, naarmate de verschijnselen, waarover de profetie beslist, zich door elkander strengelen tot ingewikkelder knoopen. De voorspellingen van den staathuishoudkundige zijn daarom veel minder veilig, dan die van den waarnemer der hemellichamen. En zoo wordt ook Spencer's opgewekte en opwekkende verzekerdheid van de onvermijdelijke komst der ‘arbeidzame’ gemeenschapsordening op zijne wijze alles behalve proef houdend gestaafd. Al het vernuft zijner bewijsvoering verbergt hare leemten niet.
Voortbouwend op eene gelukkige gedachte van den grooten dierkundige Karl Ernst von Baer, heeft Spencer de natuurlijke ontwikkeling der levende wezens uit lagere vormen tot hoogere gekenschetst als toenemende veelzijdigheid van bouw en verrichtingen bij steeds vollediger verbinding aller organen met een enkel middelpunt, verklaard, bovendien, in zijnen trant met behulp van de stelling, dat, onder overigens gelijke omstandigheden, iedere zoodanige levensverrijking, de vormen van aanpassing aan de buitenwereld vermeerderen en daarmede de levensvatbaarheid verhoogen moet. Die leidende gedachte is nu verder in de studie des maatschappelijken levens toegepast door middel van de vergelijking zijner beide hoofdvormen. De ‘arbeidzame’ ordening blijkt daarbij de rijkst bewerktuigde. En derhalve moet haar de toekomst behooren. Hoe aannemelijk nu die gedachtengang bij eene eerste kennismaking schijne, wie zich eene oppervlakkige vergelijking niet als eenen volwichtigen bewijsgrond laat opdringen, zal zich slechts gewonnen geven, indien hem blijkt, dat in de wereld der planten en dieren en in de menschelijke samenleving eene zelfde reden toereikend is om de opklimming tot steeds rijker gestalten te verklaren. Ongelukkig echter wordt de reden, waarmede Charles Darwin gepoogd heeft dat verschijnsel, althans met inbegrip van het ontstaan der eerste menschen, op te helderen, niet alleen door sommigen reeds voor het gansche gebied, dat haar ontdekker in het oog vatte, onvoldoende gekeurd; maar bovendien heeft Spencer-zelf dat bezwaar toegegeven, waar het onderzoek naar het ontstaan
der soorten voortschrijdt tot de hoogere dieren en dus den mensch begint te bereiken. De grondgedachte van Darwin, gelijk zij ook door Spencer voor de wordingsgeschiedenis der lagere levensvormen was omhelsd, luidde: toenemende veelzijdigheid, dank zij het voordeel, dat deze aanbiedt in den strijd om het bestaan. Maar daartegenover mocht Eduard von Hartmann wel met eenig recht de vraag stellen, of dan het verband tusschen veelvormigheid van bewerktuiging en weerstandsvermogen in den levenskamp van zelf zoo innig moest worden geacht, dat de gedurige toeneming der eerste met eene bloote herinnering aan het noodwendig overleven der weerbaarste verscheidenheden reeds geheel begrijpelijk was gemaakt1). Het blijve hier onbeslist, of die bedenking den vrager recht heeft gegeven om de door Darwin en zijne aanhangers voorgedragen onderstelling van haar begin af aan te vullen, zooals hij dat heeft beproefd. Voor Spencer's toekomstfantazieën zijn de meer beperkte bezwaren, door hem zelven tegen Darwin's leer der ‘middellijke aanpassing’ ingebracht, van veel ernstiger beteekenis. Het eerste sluit zich aan bij de ook vroeger geopperde vraag: hoe, in Darwin's trant, het ontstaan te begrijpen van zulke afwijkingen, die, voluit gegroeid, haren bezitter ongetwijfeld van nut moeten zijn, maar in het eerste tijdperk harer wording, zooal niet schadelijk, in geen enkel opzicht dienstig kunnen zijn geweest. Die moeilijkheid toch keert, volgens Spencer, genoegzaam bij iederen stap terug, waar het er op aankomt de ontwikkeling aanneembaar te maken van reeds niet onbeduidenden vormenrijkdom tot nog grooteren. Daar immers geschiedt de toeneming van levensvermogen niet, in den regel, door het ontstaan, of de versterking van een enkel orgaan, maar door een aantal samenwerkende wijzigingen, die, elk voor zich, geen uut hoegenaamd zouden hebben bezeten. Zoo kan, bijvoorbeeld, verzwaring zijner horens het hert, waaraan zij te beurt valt, slechts dan voordeel brengen, indien zij gepaard gaat met eene algemeene versterking van het gansche samenstel, dat den kop draagt en beweegt. Doch welk eene menigte evenredige verbindingen van onbedoelde afwijkingen moest het toeval hier achtereenvolgens hebben te voorschijn, getooverd,
zou ook op dit geval Darwin's verklaringswijze onveranderd toepasselijk kunnen zijn1). En dan rijst, naar Spencer's oordeel, nog deze tweede bedenking. In dezelfde mate, waarin het aantal der vermogens van lichaam en geest toeneemt, wordt de handhaving in het bestaan gedurig minder afhankelijk van de volkomenheid eener enkele kracht of gave, meer, daarentegen, van de doelmatigheid in aller samenwerking. Een hert, alweêr, dat alleen wat sneller loopt dan andere, heeft daarom nog geene grootere kans op levensbehoud dan die duizenden van natuurgenooten, die weêr, deels in scherpte van één of ander zintuig, deels in kracht, deels in schuwheid, deels in moed, zijne meerderen kunnen zijn. Zoodat, bij elke vermeerdering van de veelzijdigheid der levensverrichtingen, de natuurkeus-alleen steeds onmachtiger moet worden tot het voortbrengen en versterken van nieuwe, bijzondere eigenschappen. Die beide overwegingen zijn het, die tot de slotsom voeren, dat op de hoogere sporten des levens de regelrechte aanpassing meer en meer de middellijke verdringt2).
Bij het stuksgewijs verschijnen van de laatste bijdragen tot vollediger ontvouwing zijner wijsbegeerte, heeft Spencer in zijne schets der maatschappelijke ontwikkeling zich vrijwel er toe bepaald hare beide polen naast elkander te plaatsen, het aan zijne lezers overlatende, met behulp van zijne spaarzame wenken, haren eigenlijken gang af te beelden. Eenen overijlden geestverwant schijnt zeker de leidende gedachte dier aanvulling wel voor de hand te liggen. ‘Weelderigheid van bouw en inrichting’, zoo zal hij redeneeren, ‘moet veelheid van mogelijke aanpassingen, dat is: verhoogd levensvermogen beduiden voor groepen, zoowel als voor enkele wezens. De natuurkeus, die in het groote, zoomin als in het kleine uitblijft, verschaft dus ten slotte de zege aan een volk, dat met het verdragsbeginsel zonder eenig voorbehoud de proef heeft gewaagd.’ Tegenover zulk goedkoop pleisterwerk zou het, in het belang van Spencer's stelsel zelf, geraden wezen hem stipt te houden aan zijn woord, daareven aangehaald. Want inderdaad, deze plompe overdracht van het denkbeeld der ‘middellijke aanpassing’ naar de wetenschap van het samenleven staat weerloos bloot aan al de aanvallen, zooeven vermeld, als, terecht of ten
onrechte, tegen Darwin's leer ondernomen. Laat den uitvinder van dat betoog zijne taak zoo licht worden gemaakt als hij maar wenschen kan. Het worde niet gevraagd, op welke wijze met 's meesters aanpassingsleer de mogelijkheid zich laat rijmen, dat in de gemoederen eens volks, van geslacht tot geslacht aan onderworpenheid gewend, gedrild, geregeerd, een begin van beweging, hoe gering ook, ontstaat naar eenen anderen, eenen vrijeren vorm van samenleven? Evenmin, hoe iedere nieuwe stap op dien weg in termen van stofbeweging zich mag laten inkleeden? Alles, wat de zoogenaamd ‘beschaafde’ volkeren van ons werelddeel op dit oogenblik achter zich hebben, worde aanvaard als een gegeven toestand, welks werkelijkheid van het bewijs zijner mogelijkheid ontheft. Daar zijn dan een aantal staten, te zamen zich bevindend in het tijdperk van overgang tusschen de geharnaste inrichting van weleer en de vreedzame van Spencer's droomen, maar, de eene al meer, de andere nog minder aan het oude ontgroeid, in het nieuwe gevorderd. Voorop sta nu dit: in de schilderij, die Spencer zelf heeft gegeven van het beloofde land aan den eindpaal aller maatschappelijke ontwikling, wordt niets minder gemist dan één der beide hoofdtrekken, die, volgens zijne levensleer, elke toeneming van het vermogen tot volharding in eigen bestaan kenmerken. Bij eene vergelijking met de ‘strijdbare’ maatschappij, valt de grootere ‘verbijzondering’ van bouw en leven der ‘arbeidzame’ aanstonds in het oog. Dat, echter, in deze de talrijker organen ook vollediger met het middelpunt verbonden zijn, zal wel niemand beweren. Veeleer is het zwaartepunt der levensbepaling van daar naar den omtrek verplaatst. Maar ook afgezien daarvan: wie kan meenen, dat aan de grootere veelzijdigheid harer gestaltenis eene evenredig vermeerderde kracht tot zelfverweer zich paart? Stelle men zich maar eens twee volkeren voor, het ééne geheel gevormd naar het beeld der strijdende, het andere naar dat der arbeidende maatschappij, en dan die beide botsend tegen elkander; zijn de kansen voor het hoogstontwikkelde wel zeer gunstig? Ten aanzien van de opklimming der nog min samengestelde vormen mag het gewicht van von Hartmann's bedenking twijfelachtig wezen; voor het vraagstuk, hier aan de orde, schijnt zij onafwijsbaar. Verscheidenheid van organen, verrichtingen: en, weerbaarheid in de worsteling om het bestaan, levensrijkdom en levensvermogen, in de volkerenwereld zijn zij twee. Doch zelfs
al ware het dat Spencer's toekomstmaatschappij boven zoovele andere benijdbare gaven ook die der onoverwinnelijkheid zou bezitten, is dan nog iedere schrede in die richting tevens eene winst in kracht tot zelfverweer? Het is ver van bewezen. Reeds Walter Bagehot, een van Spencer's voorgangers op dit gebied, erkende de hachelijkheid van dat tusschentijdvak, waarin de saamgebonden macht der ‘age of nation making’ ten deele prijsgegeven, de zegen van ‘the principle of discussion’ nog nauwelijks ervaren is1). Wederom wordt dus hier eene twijfeling, tegen Darwin wellicht ten onrechte aangevoerd, uiterst gevaarlijk voor hen, die het begrip der natuurkeus pogen toetepassen in de volkerengeschiedenis. En nu ten slotte: laat ook het voorgaande punt der denkbeeldige wederpartij zijn toegegeven, dan blijft nog, volwaardig, de tegenwerping, dat de natuurkeus, van hoeveel gewicht ook voor de wordingsgeschiedenis der enkelvoudiger levensvormen, in elk geval ophoudt eene verklaring te zijn, waar de groei van zoo onvergelijkelijk meer samengestelde lichamen ter sprake komt, als de hedendaagsche volksgenootschappen. Hoevele omstandigheden moeten op eene bepaalde wijze zich vereenigen, hoevele toevallen samenloopen, zal in den bouw, het leven van zulk een lichaam eene wijziging plaats hebben, die geacht kan worden zelfs het geringste bij te dragen, hetzij tot verhooging zijner kansen op behoud, hetzij tot het verrijken zijner bewerktuiging. En zelfs al ware die verbinding veler toevalligheden somtijds mogelijk, wat baatte dan nog het kleine voordeel, daardoor wellicht verkregen, in den wedijver met naburen, die, hunnerzijds, zoo gemakkelijk iets voor kunnen hebben in een of meer van die honderd andere eigenaardigheden, waardoor alweder het eene volk boven het andere zich verheft? Zoo ergens, dan zijn hier Spencer's eigene bezwaren tegen de leer der middellijke aanpassing hoogst moeilijk te weêrleggen. En daarom, er kan geen sprake van zijn, door middel van die leer de noodzakelijkheid aan te toonen, dat de ontwikkeling van het menschelijk samenleven altijd zal uitloopen op eene gemeenschapsordening naar het ‘arbeidzame’ model. De strijd der staten om hun leven werkt, met name in zijnen handtastelijksten vorm: den oorlog, elken voortgang naar dien eindpaal veeleer gedurig tegen.
Regelrechte aanpassing dus. Daarop legt, trouwens, ook Spencer zelf gemeenlijk den nadruk. Reeds ter verklaring van het ontstaan der hoogere diersoorten neemt hij tot die begripsvorming zijne toevlucht. Of hij waarlijk erin is geslaagd haren inhoud: de vermeerderde vaardigheid niet alleen, maar ook de winst aan kracht en lenigheid, die oefening meestal verschaft, begrijpelijk te maken op zijne manier; zelfs van bevriende zijde is ernstig daaraan getwijfeld1); hier echter kan het niet worden onderzocht. Hoe dat zij, ook in het gunstigste geval is niet veel ermede gewonnen voor een juist begrip van den loop, dien het gelijknamig proces noodwendigerwijze heet te volgen in het leven der maatschappij. Vooreerst toch ontbreekt het bewijs dat het gelijknamige in dit geval ook waarlijk gelijksoortig te achten zij. Oefening van een lichaamsdeel in het voortbrengen van bewegingen, die omstandigheden het afvergen, en hervorming van 's lands zeden en instellingen onder den druk van gewijzigde toestanden, men kan die beide zonder veel moeite met hetzelfde woord benoemen; maar dat spraakgebruik mag niet de vlag worden, die eene oppervlakkige vergelijking, als ware zij eene wetenschappelijk vaststaande éénheid, helpt binnensluiken. Eerst moet het betoog zijn geleverd, dat, wat men ‘onmiddellijke aanpassing’ gelieft te noemen in het volksleven, niets anders is dan een ingewikkelder vorm van hetgeen met dienzelfden naam werd betiteld in het bestaan van plant of dier. Maar dat betoog, waar is het volledig te vinden? En zelfs indien het gevonden ware, dan zou nog de bepaalde richting niet zijn vastgesteld, waarin Spencer die ‘aanpassing’ zich laat bewegen. Stilzwijgend schijnt door hem te worden vooropgegezet, dat eene volksgemeenschap, die achtereen naar alle uitwendige omstandigheden zich te schikken en te plooien heeft, in elk geval ten slotte de lenige veelvormigheid moet verkrijgen, waarmede alleen de ‘arbeidzame’ ordening zich verdraagt. Die onderstelling echter spreekt niet van zelf. Want onder de bestanddeelen, die de omgevingsvormen van ieder volk, is er nog altijd geen, dat allen voortgezette aanpassing aan wat van daar komen kan met grooteren klem ten taak stelt, dan het oorlogsgevaar, waarmede, jaar in en jaar uit, de naburen
elkander bedreigen. Laat nu geheel de verdere werking en wederwerking van uit- en inwendige toestanden het volk, waaraan zij plaats grijpt, op den duur althans, onveranderlijk voortstuwen naar dien verlokkenden gezichtseinder, dien Spencer der menschheid voorspiegelt; wie kan zelfs dan bepa