terug  begin  verderprepost
[p. 193]

Via Doloris.

Post nebula lus.

Aan ***
 
Mijn vriend! toen 't moede hoofd van onrust gloeide,
 
En 't oog zich blind op 's levens raadslen zag,
 
Toen 't jonge hart van wreeden twijfel schroeide
 
En smartlijk hijgde naar den heldren dag,
 
Toen heeft mijn ziel u op haar weg gevonden,
 
En u om heul gesmeekt voor haar verborgen wonden.
 
 
 
't Is niet de kreet van ingebeelde pijnen,
 
Die door den klank van deze zangen snijdt,
 
't Zijn eigen hartewonden, die hier schrijnen,
 
't Is de eigen ziel, die hier in doodsangst krijt;
 
Van bloed en tranen spreken deze tonen,
 
Maar gij, mijn vriend, gij zult hun schrillen klank verschoonen.
 
 
 
't Is u niet vreemd, dit lied. Gij weet, wat nachten
 
Mijn geest in bangen tweestrijd heeft doorwaakt,
 
Gij kent zijn zuchten, kent zijn biddend smachten,
 
Gij kent den voetstap, die hier kraakt;
 
Mijn ziel hebt ge in den nood niet afgewezen,
 
Zij komt tot u terug, behouden en genezen.
 
 
 
En aan uw vriendenborst, waar zij een korten
 
Maar vreugdevollen tijd in vrede sleet,
 
Waar zij zich onbevangen uit mocht storten
 
En deernis vond en liefde in 't leed,
 
Daar komt zij nu, als toen, vertrouwlijk lenen,
 
Met stille dankbaarheid haar vreugdetranen weenen.

Antw. 2 Jan. 1887.

P.P.

[p. 194]
I.
 
Meine Ruh ist hin,
 
Mein Herz ist schwer....
 
De meizon was haar eersten tocht ten einde.
 
Bijwijlen glipte nog een speelsche vonk
 
Door 't blonde acaciegroen en maalde vluchtig
 
Een gulden lichtvlok op het blanke kiezel
 
Van 't stille Kloosterhof, en in het venster
 
Bleef nog een straal vertoeven, die versparklend
 
In donkre bloedrobijnen nederstoof
 
En over 't bruin der muren gleed als vuurschijn.
 
Daar hield het eensklaps op, als blies een luchtgeest
 
Uit plaagzucht op 't phantastisch vonkenspel;
 
Toen smolten lijn en tint in 't fulpig mat
 
Der blauwe scheemring om den grauwen tempel.
 
Het was een uur van stille liefdeweelde,
 
Wanneer het zwevend, lijn- en kleurloos droombeeld
 
In 't dwepen ronding, vorm en gloed erlangt.
 
En aarde en hemel zonken borst aan borst
 
En droomden van den zesden scheppingsdag.
 
 
 
In 't dommlend donker zat een jongling
 
In star gepeins gebogen over 't boek,
 
Waaruit zijn warm, naar kennis dorstend hart
 
In steê van laafnis 't vuur der onrust dronk.
 
Verslonden had hij 't wonderboek der schepping;
 
Hij had gegloeid, geduizeld en gehuiverd,
 
Toen, schuchter eerst, maar langzaam onomwonden
 
En twijfelziek het bevend hart hem vraagde:
 
- ‘Wat deed dan God dat milliardental
 
Van milliarden jaren vóór den dag....?’
 
En 't kinderlijk gemoed had van die taal
 
Geijsd, 't verrast geloof had angstig
 
Die stoute stem in 't muitend hart gesmoord;
 
Bezweren wou hij 't listig fluistrend broed:
 
- ‘Miljarden zijn voor hem een enkle polsslag,
 
Een oogwenk, korter, eindloos korter dan
 
De duur, waarin de snelle geest het denkt....’ -
[p. 195]
 
Vergeefs! de paradijsvrucht heeft gespiegeld,
 
In 't jonge knopje ontwaakte 't larfjen ‘erg’.
 
Dra breekt de drang van 't zwellend bloemenhart,
 
Begeerig naar het licht, de zwakke kluister,
 
En 't fladdrend vlinderke der weetlust zal
 
Zijn eitjes wikklen in de weeke plooien,
 
Waaruit de teelt van smartelijk verlangen
 
En martelenden twijfel worden zal.
 
Men wordt ten tweeden maal niet weer een kind.
 
De strijd ving aan van 't wankelend geloof
 
En 't stouter voorwaarts schrijdend onderzoek:
 
- ‘Maar dan... die God had geen begin, was eeuwig...!
 
Zijn milliarden eeuwen maar één polsslag,
 
Het eindloos tal van milliarden slagen
 
Dat is een eeuwigheid....! God schiep het licht
 
Den eersten dag des tijds.... vóór zon en sterren....!
 
Zat Elohim in 't duister van den baaierd,
 
Verbeidende 't begin, dat hij zou denken
 
En spreken: “daar zij licht” ...? 't Ondenkbaar niet
 
Of 't onbezield en vormloos iet vernam
 
Het scheppingswoord, gehoorzaamde en vergat...’ -
 
En de onrust bleef op 't brandend vraagpunt wanken
 
En sloeg van daar den angstig starren blik
 
Langs alle wegen heen om vasten steun.
 
Helaas! ze ontsnapten allen aan het oog,
 
Als stralen uit een vlottend lichte kern,
 
Wier einden 't oog vergeefs te vatten tracht.
 
In diep gepeins gebogen over 't boek,
 
Zoo zat hij daar, aan wankelmoed ten prooi,
 
Die eens dat woord den volke zou verkonden;
 
En om hem daalde stil de donkre nacht.
 
 
 
Daar blonk van 't hoogaltaar het warme licht
 
Der kaarsen, als een zoete glimlach, in
 
De duisternis op blad en bloem en bloesem.
 
't Was avonddienst, der Moedermaagd ter eer.
 
De meimaand bracht haar eersten schat van bloem
 
En groen der hemeljonkvrouw blij ten offer.
 
Het edel hoofd gekroond met zilvren starren,
[p. 196]
 
Wier tinteling 't omgaf met stillen glans,
 
Stond daar in 't priesterkoor haar minlijk beeld
 
Hoog op een troon van schittrende anjelieren
 
En blauwe veldviooltjes. Frissche rozen
 
En lelies, blank als versch gevallen sneeuw,
 
Omwolkten haar met maagdelijke geuren.
 
In 't donker loover fonkelden drummondi's;
 
Geraniums en primula's omstuwden
 
Als vuurguirlanden haren voet, en statig
 
Verhief op ranken stengel de aronskelk
 
Zijn porseleinen vaas met gouden stamper.
 
Met welgevallen rustte 't vriendlijk oog
 
Der schoone Jonkvrouw op die zee van bloemen
 
En op de schaar van meisjes, neergeknield
 
In ootmoed - lelies ook in onschuld, rozen
 
Der liefde kweekende in godvrucht'ge harten.
 
De godsstem deed zich zacht en statig hooren.
 
Als suizend wiekgeruisch van hemelgeesten
 
Doorzweefden de eerste tonen 't schemergrauw
 
Der tempelbogen. In mystiek gekweel,
 
Kristal zoo klaar en vol, en edelrein
 
Als zilver, wiegde op 't golven van 't pedaal
 
Een teedre vrouwenziel door 't ruim der koren:
 
 
 
- ‘Gegroet, o leliebloeme, rein van krone,
 
Bepereld met den klaren morgendauw,
 
Gij schoonste en edelste onder Juda's schoonen,
 
Uit wie het heil der menschen worden wou;
 
Sta, uitverkoren Jonkvrouw, sta ons bij,
 
Uw moederhart vol liefde klagen wij.’
 
 
 
- ‘Gij zijt de star der zee, die op de baren
 
Uw zoeten glans vertroostend nederschiet,
 
En wie uw lichtstraal volgen in gevaren,
 
Die zijn gered, want zij vertwijflen niet;
 
o Hulp der zielsbedrukten, sta ons bij,
 
Ons hart is bang, uw liefde klagen wij.’ -
 
 
 
Het koor besloot die smeekbeê met een amen.
 
 
 
En buiten stond de jonge martelaar
 
Met tranen in de wimpers. Diep geroerd,
[p. 197]
 
Verteederd had dat lied zijn weeke ziel;
 
Doch 't amen van berusting in 't geloof,
 
Dat weiflend welde in 't halfveroverd harte,
 
Het kwam niet weder tot de koele lippen.
 
- ‘Zoo 't waar was,’ zuchtte hij, ‘indien bij haar
 
De twijfel week voor helderstralend licht
 
En 't zoekend menschenhart daar vasten grond
 
En vrede vinden mocht aan 't hart der moeder...
 
O! 't worstlen valt mijn kracht te zwaar, het duister
 
Verdikt zich meer en meer, waardoor mijn geest,
 
Die waarheid zoekt en waarheid wil, zich voelt
 
Omzwachtlen - Javeh! Javeh! draagt dan eeuwig
 
De boom der kennis wrang en doodend fruit?
 
Ach, waartoe hem den zwakken mensch geplant
 
En hem gevloekt, zoo ijslijk wreed gevloekt?
 
Gij, Vader, wist toch, dat uw kind moest struklen,
 
Gij overzaagt den jammer en de ellende,
 
Die daaruit kiemen zouden - eeuw aan eeuw,
 
Want Gij verdeeldet over de uren d'arbeid
 
Aan 't reuzenwerk der gruwlijke alhistorie
 
En hebt den jaren d'alsem toegemeten
 
Die 't hart zou wringen in de matte borst;
 
Gij hebt der arme schepslen lot bepaald,
 
God! - vóór gij schiept dat menschverdervend lokaas...?
 
o Was dan 't kennen, 't weten menschonteerend?
 
Gij, Javeh, zijt toch zelf de alwetendheid
 
En schiept het schepsel naar uw eigen beeld,
 
Ver boven 't dier verheven, dat den kop
 
Ter aarde buigt en u niet zoeken kan....
 
Waarom het werk van uw volmaakte handen,
 
Dat - als uw werk én als uw evenbeeld
 
Volmaakt moest zijn, zoo wreed ontadeld....?
 
Waart gij naijvrig... neen! dat kondt gij niet,
 
Want God is liefde en liefde kent geen afgunst;
 
Slechts kleine zielen kennen de ijverzucht!
 
Gij zijt...? dan moet gij groot zijn en volmaakt!
 
Wie leert ons u, uw zuiver wezen kennen?
 
Zie, 't boek, waarin ge u zelf geopenbaard heet,
 
Is een verzegeld boek voor ons, die arm
[p. 198]
 
Van geest zijn; - “duister,” zeggen de ingewijden,
 
Op vele plaatsen is uw heilig woord....
 
o God, mij schijnt het vaak zoo ijslijk wreed....
 
Het wordt mij bang! ontsluier u, mijn God!
 
'k Verlang naar u en wil u kennen! Vader,
 
Waarom verbergt gij u, en hoort gij niet
 
De duizend duizenden, die dorstend smeeken,
 
En tastend wanklen op den donkren weg?
 
Reikt dan tot u hun jammerklagen niet,
 
Of hebt ge uw hart gepantserd voor hun leed?
 
Uw “'t zij,” o God, waardoor ge een wereld schiept
 
En 't wee wordt vreugd, en 't leven ééne hymne!’ -
 
 
 
Aan 't luchtruim blonk de sikkel van de maan
 
En, huivrig, trilden daar de bleeke bloemen,
 
Gezaaid in 't onafzienbre veld des hemels.
 
Hij zag ze en bleef een wijl nadenkend staan:
 
- ‘De ontelbren!’ sprak hij, ‘o, wat zij niet zagen!
 
En wat geheimen zijn hun al vertrouwd,
 
Sinds zij hun tocht begonnen door 't onmeetbre!...
 
Maar zij ontslui'ren niets van wat zij weten;
 
Met stomheid zijn ook zij door hem geslagen,
 
Die ze uit den woesten baaierd riep; eenzelvig,
 
En zwijgend gaan ze steeds hun eenzaam pad
 
En trekken zich ons lot niet aan, de hoogen!
 
Zij zagen op 't vernielingswerk des zondvloeds
 
Met d' eigen glimlach als op Edens weelde.
 
Hun blik is nog als toen 'k ze lampjes noemde
 
En de armpjes naar hen uitstak, vol verlangen
 
Er een te grijpen met de kleine handjes....
 
Ze zijn zich zelf genoeg in hunne grootheid,
 
Of - zagen niets en weten niets - als wij.....
 
En toch, de ziel gevoelt zich bij hun licht
 
Niet klein meer; waar 't phantastisch speelt door 't puin
 
En gruis der neergestorte godenbeelden
 
Van hoop, geloof en liefde in 's menschen borst,
 
Daar voelt de matte geest zich hun verwant
 
En richt zich weder op. o Heerlijk licht,
 
Gij zijt het hemelsch brood, dat zielen spijst....’ -
[p. 199]
 
Weer zonk zijn blik ter aarde. Vriendlijk lei
 
Een hand zich op zijn schouder; huivrend zag
 
Hij om, en - naast hem stond in 't grof habijt
 
De grijze prior. 't Heldre maanlicht blonk
 
Op 't welvend voorhoofd; als een aureool
 
Omsloot de zilvren haarkrans d'achtbren schedel.
 
De donkere oogen straalden uit de schaduw
 
Der ruige brauwen, warm en helder vuur,
 
En om de fijn gesneden lippen zweemde
 
Een o, zoo pijnlijk, diep weemoedig lachje,
 
Verzoeningsteeken tusschen hoofd en hart.
 
Hij zag d'ontstelden jongling aan met dien
 
Zielroerend zachten blik, waarmee een vader
 
De kiem van 't kwaad in 't kinderhart ontdekt.
 
- ‘Wat deert u, jonge vriend? Wat schept ge u kommer
 
En zoekt, waar 's menschen oog verduistren moet?
 
Wat vorscht gij 't hoogste wonder na, daar ge om u
 
De duizenden verstomd aanschouwt en duizelt?
 
Begrijpt gij 't licht, het stof, begrijpt ge u zelven?
 
Uit raadslen kiemt het raadsel leven: 'k word,
 
Ik ben, ik was - 't is een proces van raadslen.
 
Wie noemt hun aantal in één oogenblik?
 
Ken eerst u zelf, vorsch dan naar 't raadsel God....’ -
 
- ‘Ik ken me zelven niet, maar God te kennen,
 
Dat is des menschen adem, dat zijn streven.
 
Hoe kan 'k hem minnen, als ik hem niet ken?
 
Hem volgen, zoo 'k hem niet begrijp? hem dienen,
 
Die zijn bestaan mij nooit geopenbaard heeft....?’ -
 
- ‘Zoo heeft voor u de Christus niet geleefd?’ ....
 
- ‘De Christus.... ja, hij heeft voor mij geleefd....
 
Of 'k hem kon volgen! maar 'k vermag het niet;
 
'k Kan Gód mij denken, hém begrijpen nimmer,
 
Mij schijnt hij onnavolgbaar, wijl hij God is.
 
Och, waar' hij mensch van vleesch en bloed als wij,
 
En of mijn hart voor zich hem denken mocht
 
En jubelen: “zoo dacht zich God den mensch!” -
 
En 't hart joeg sneller in zijn borst en rees,
 
Als voelde 't bij dien wensch dien God zich nader.
 
Maar duister stond het oog des grijzen priesters:
[p. 200]
 
- Vermetel kind! wat dwaalweg slaat gij in?
 
Een demon blies dien laster u in 't oor
 
En voert u heen, waar weening wezen zal
 
En tandgekners. Leg af verstand en rede;
 
Onfeilbaar is de leer der Moederkerk;
 
Gij zult gelooven, wat haar mond u leeraart!’
 
- ‘Verstand en rede, ik onderwierp ze gaarne,
 
Maar hier, hier, vader, hier in de enge borst,
 
In 't brandend, rustloos tobbend hart, daar klinkt
 
Een stem die toch niet zwijgen zou, al wilde ik;
 
Zij zegt me: “Hij bestaat voor wie hem zoeken,
 
Dien wein'gen, die hosanna roepen, kennen.”
 
Niet hem verloochnen, maar hem vinden wil ik,
 
Hem voelen, hem geheel en gansch omvatten!’ -
 
Als beet een adder hem, zoo schreed, ontzet
 
Door 't stoute woord, terug de zachte grijsaard.
 
Daar zwommen heldre parels in zijn oogen
 
Van 't innigst meegevoel, en met een stem,
 
Die van ontroering trilde, sprak hij smeekend:
 
‘Mijn zoon, mijn zoon! gij weet niet, wat gij zegt.
 
Zie daar omhoog het menschverlossend kruis,
 
Hoe trilt het op de tinne! Zilverlicht
 
Omgeeft zoo stil 't symbool der reinste liefde.
 
't Valt van den hemel op zijn kruispunt neer
 
En straalt van daar weer uit, de diepten in
 
Der sferen - liefde in eindloosheid! o Buig
 
Het starre hoofd in deemoed en geloof.
 
Bedenk wat volgen moet, zoo gij volhardt:
 
Voor u is hier in Christus' huis geen plaats meer,
 
Geen twijfel woekere in dees heilige aarde,
 
Geen ketter draag' de Godgewijde bodem;
 
En dáár, mijn zoon, dáár aan de kloosterpoort
 
Begint voor u de lange lijdensweg;
 
Dáár wacht geen vrede u op als trouwe leidsman,
 
Daar stuift de bloem der hoop van uwen staf;
 
Vermaledijen zal u God en Kerk,
 
En al wat Christen heet zal van u gruwen.
 
En waar in 't kantig spoor uw voet zal wanklen,
 
Daar wacht verguizing u en spot voor deernis....’
[p. 201]
 
- ‘Niet verder! Welk een vonnis! Neen, herroep het;
 
Zeg niet: Samaria had meer gevoel,
 
Meer broederliefde als wij! Gij wilt mij redden
 
En rukt de laatste stroospier uit mijn handen....
 
Ja, Christus, ja! - zoo is 't...! niet Jericho
 
Heeft u gekruisigd, maar Jerusalem!’ -
 
 
 
Ontroerd en zwijgend scheidden grijs en jongling.
 
Hij zag hem na met neergebogen hoofd
 
En 't lispte in 't smetloos groene lenteloover
 
Zoo diep meelijdend: ‘God, wees hem genadig.’
II.
 
Nimmer ruht der Wünsche Streit,
 
Nimmer, wie das Haupt der Hyder
 
Ewig fällt und sich erneut.
 
Schiller.
 
Weer droeg de lente rozen in het haar,
 
Weer speelde 't vonkend zonnevuur in waas
 
Van sappig kruid en malsch geblaarde heesters,
 
- Smaragdfestoenen, los en zwierig slingrend
 
Door 't heuvelland - en 't emerauden kleed
 
Der beemden tintelde in d' ethergloed.
 
Een breede stroom doorkronkelde 't verschiet,
 
Gelijk een reuzenslang, en wiegde een vlucht
 
Van blonde zeilen op lazuren golven.
 
Aan de overzijde gleed door 't vet der klei
 
De ploegschaar, vlammen flikkrende in den dag,
 
Wanneer de dampende ossen 't kouter keerden.
 
Te linker lei de stad. Een hol gemommel,
 
Bleef dommlend in de drukke straten hangen.
 
't Was de ademtocht der nijverheid, gedempt
 
Als 't soemend gonzen van miljoenen bijen,
 
Die rustloos door den zwoelen dampkring zwoegen.
 
Daartusschen dreunde dof en zwaar de polsslag
[p. 202]
 
Der logge stoomeylinders. Duizend tonen,
 
Wild wassende en verbreedend nadergolvend
 
Of grommend deinend tot een schorren donder,
 
Die worstlend zich verheffen uit de strooming
 
Of dof en grollend schommlen in de diepte,
 
Tot ze eensklaps zwellen in een breed akkoord:
 
Het is de stoute reuzensymphonie
 
Van 't stof, den mensch gebracht, door wien 't bezield werd!
 
 
 
Hoe werd de geest verkwikt van hem, die van
 
Den heuveltop het stralend oog liet weiden
 
Door 't levend landschap, die met gragen wellust
 
Bleef luistren naar 't gewoel van 't werkzaam zijn,
 
Dat krachtvol zich in al die klanken uitte.
 
't Ontvanklijk hart begreep de roepstem: arbeid!
 
Zien werken spant tot werken reeds de spieren:
 
Of danst den knaap het hart niet in de borst,
 
Op 't maatgeluid der mokers in de smidse?
 
‘Wat noemt gij d' arbeid straf voor overtreden?
 
Het lichaam en den geest heeft hij geadeld,
 
Met zijn ontstaan werd waarlijk mensch de mensch,
 
Want rust is dood en arbeid slechts is leven....’
 
En in zijn hart liet zich een stemme hooren:
 
Wat vorscht gij langer naar der raadslen zin?
 
Of koestert meer de zon, wijl gij haar ziet,
 
En geurt de lelie minder in den nacht?
 
Ook de aard is schoon voor wie de kracht niet kent,
 
Den levensstroom, die elke lente weer
 
Verjongend dringt in haar miljoenen aadren!
 
Waartoe 't vandaag vergald door vrees voor 't morgen?
 
In Mei bekommring om den verren winter?
 
Gij hebt de prilte van uw jeugd gebracht
 
Aan God, gij hebt hem trouw gezocht, geroepen,
 
Met vuur in 't hart en vuur in de oogen; hem
 
Gesmeekt om licht in 't labyrinth der schrift,
 
Gebeden 's nachts, als wein'gen aan hem dachten;
 
Gezucht des daags, als velen hem vergaten,
 
Maar - hebt zijn stemme niet vernomen. Neen!
 
Niet in den stormwind, niet in d'aardstoot, neen
[p. 203]
 
Ook niet in 't lieflijk koeltje was de Heer......!
 
Zoo goed en kwaad, zoo wel en wee berusten
 
In zijne hand, wat boeit zijn almacht dan?
 
Als hij toch 't goede wil en 's menschen heil,
 
o Wat weerhoudt hem van een weldaad! de aarde
 
Verkeerde met zijn woord!
 
Maar 't menschdom suft
 
Den geest op raadslen bot en - breekt, of - huivert
 
En smoort des twijfels wee met: ‘ik geloof......’
 
Waartoe vergeefs u langer afgepeinsd!
 
Zie, ééne wil met u den pelgrimstocht
 
Door 't leven deelen. Bid om licht, en 't stroomt
 
Met diamanten klaarheid uit haar oogen;
 
Gij, bid om troost, en 't drupt als versche dauw
 
Van 't bloeiend rood der teere bloesemlippen;
 
Gij, bid om steun, en 't blank albast der schouders
 
Het zal u schoren, liefdevol en trouw,
 
En aan heur warmen boezem zult ge ervaren,
 
Dat ieder wezen in het wijd heelal
 
Hangt vastgesnoerd met duizend teere draden,
 
Een tooverband, die 't al tezaamhoudt - liefde....
 
o Zelf bedrog! dacht hij den kamp gestreden?
 
De hydra door de min in 't hart gesmoord?
 
Had hij in lauwheid vrede en rust gezocht
 
En aan 't verstand de harde wet gesteld:
 
‘Niet langer zult ge denken?’ Wees op strijd,
 
Op wreede worstling voorbereid, want - bloed
 
En vleesch zal 't kosten, eer uw onrust zwijgt,
 
En 't hart, wanhopend of bekeerd, u loslaat!.....
 
 
 
't Bruinoogig kind had hij niet opgemerkt,
 
Dat, bloemen lezend, stil genaderd was
 
En schalks hem van ter zijde gadesloeg.
 
‘Wat ziet uw oog in 't schoone landschap daar,
 
't Welk u zoo boeit, dat gij de liefste niet
 
Ontwaart, die naar uw aanblik stil blijft smachten?
 
Wat kwelt u, vriend? 't Gelaat vol stroeve lijnen
 
En doodsbleek staat ge daar als een versteening.’
 
En hij tot haar: - ‘kom hier, vriendinne, zie
[p. 204]
 
En hoor, wat mij de ziel vervult met weemoed.
 
Zie, hoe daar 't landschap ligt in zonnegloed,
 
Een fonklend groen gesteente in goud gevat;
 
Hoe spelen tint en toon een lieflijk spel
 
In 't wazige verschiet; hoe geestig valt
 
Het schalksche licht in 't droomig bruin van 't woud;
 
Daar glijdt het lucht den beemd door naar den stroom,
 
Waar 't in den dans der gulden golven stoeit.
 
De lente, zie! heeft over gindsche gaarden
 
Heur blanken bloesemsluier uitgespreid,
 
Een reuzig weefsel, hier en daar door frisch
 
En teeder rood gedrenkt, waar 't lustig luwtje
 
Op 't gaas heur 't bloedkoraal der lippen kuste.
 
Hoe blikt op al die heerlijkheid de hemel
 
Met zoeten lach, den stillen lach der weelde,
 
Waarmede een moeder neerziet op den blos
 
Der blozende onschuld, rustend aan haar borst....
 
Gij ziet het, prijst het schoon en zoudt dat schoon
 
Vereeuwgen, kondt gij 't, om zich zelf. Gewis
 
Misgunt gij d'armen, strammen zwoeger ginds,
 
Die mijmrend op den ploegstaart ligt gebogen,
 
De zoete rust, de geestverkwikking niet;
 
Zij doet u goed, de vreugde van zijn oog,
 
Dat lachend door de groene beemden weidt
 
En tintelt van genot bij 't heilgeneugt;
 
Gij zoudt zijn droomen van geluk niet storen,
 
Gij niet de hoop, de blijde hoop beschamen,
 
Die met het zaad straks dalen zal in de aarde.
 
Gij zoudt, - want gij zijt mensch - beloonen zorg
 
En zweet met dubblen oogst, doch - gij zijt mensch!....
 
O hoor, wat mij als waarheid werd bezworen:
 
Er leefde in 't welig Morgenland een koning,
 
Die werd geroemd als machtig, wijs en goed.
 
Zijn beide kindren had hij innig lief,
 
Ja, lief als nooit een vader zijne kindren.
 
Hij legde uit liefde een lusthof voor hen aan,
 
Met al die weelde, als slechts een Oostersch vorst
 
In 't stoutste tooversprookje zich kan droomen.
 
In 't diamant der waatren lonkte 't rein
[p. 205]
 
Safier des hemels; trotsche palmen wuifden
 
Hun koele waaiers op de zwoele winden
 
En overschaduwden het glanzend groen
 
Van 't peerlenwiegend kruid der donzen zoomen.
 
Als flonkrende edelsteenen glipten door
 
't Fluweelig lommer bontgepluimde vogels,
 
En vlinders kruisten in hun bloemenvaart
 
Op gouden vleugeltjes elkaar, als straaltjes
 
Der zon, die vroolijk spelemeien. Bloemenkransen
 
Omslingerden de breedgekroonde stammen
 
En snoerden lucht en sierlijk twijg aan twijg.
 
Verleidlijk lachte sappig, blozend ooft
 
In 't stille, warme licht, tot waas getemperd
 
Door 't overhuivend blad. Wat overvloed
 
Van wat het oog bekoort, en 't hart bedwelmt!
 
Daar blonk der applen karmozijn en goud;
 
Daar gloeide in purperdons de muskadel;
 
Granaten spiegelden haar gulden gloed
 
En versche bloesems hijgden tusschen 't lommer
 
Hun zielverkwikkende ambergeuren uit.
 
Eén hymne was de hemel, de aarde één hooglied
 
Hoe zalig sloeg het schuldloos hart der kindren!
 
Zij doolden hand in hand door 't zonnig loover;
 
't Begeerig oog belonkte 't zwellend fruit,
 
En 't rood der lippen glansde van den wijn,
 
Die als een gloedstroom drong in 't jeugdig bloed.
 
De vader zag hun heilgenot, hun vreugde.
 
Toen sprak hij in zijn goedheid, in zijn wijsheid:
 
Ik wil een boom hun planten onder deze,
 
Wiens vrucht, een lust der oogen, 't hart verleidt,
 
Doch bij wier beet hun gift in de aadren sluipt.
 
Hun hand zal tasten naar 't betoovrend fruit,
 
De lippen zwelgen van 't bedwelmend sap;
 
Dan zal de frischheid hunner jeugd verwelken,
 
Verschromplen zal 't satijn der blanke huid,
 
De gloed der oogen zal van wee verflauwen,
 
Zij zullen tot wanschapenheên verdorren
 
En ook hun nageslacht.... En zoo geschiedde 't.’ -
 
- ‘“'t Is ongelooflijk!”’ - ‘Toch, toch moet het waar zijn.
[p. 206]
 
De goede vader plantte hun den boom
 
En in zijn wijsheid liet hij toe, dat een
 
Doortrapt verleider hunnen snoeplust tergde.
 
Zij aten, ach, zij aten van het lokaas,
 
En hij, de goede vader, heeft ze beî vervloekt
 
En uitgebannen naar een woestenij! -
 
- “o Dat was gruwzaam en onmenschlijk! - Toen? -”’
 
- ‘In hen was ook hun later kroost vervloekt;
 
Een broeder sloeg zijn broeder dood uit afgunst.
 
Toen bond geen liefde 't hart meer aan den koning;
 
't Werd koud en gansch van hem vervreemd;
 
Niet langer wilden zij hem meer beminnen,
 
En eerlang dienden zij hem lauw uit nooddwang.
 
Grammoedig liet hij ze allen toen verdrinken,
 
Slechts één, die met de zijnen, hem bleef eeren,
 
Dien spaarde hij tot laat're bitt're ellende.’ -
 
- ‘“o Zwijg, 't is gruwzaam last'ren van het vaderhart.
 
Zoo wreed was nooit een mensch op aarde....”’
 
- ‘een mensch!’...
 
‘Nu, noem hem zoo gij wilt. Hun val heeft hij
 
Begeerd. Een vader brengt zijn kindren niet
 
In doodsgevaar noch straft voor zulk vergrijp
 
Zoo onbarmhartig wreed. Wat wezen doet
 
Zijn kindren tusschen 't speelgoed dolk en zwaard
 
En zegt: “gij, kindren, zult daaraan niet raken,
 
Wie mijn gebod nu overtreedt, zal sterven.”?’ -
 
- ‘Zij wisten niet, wat sterven was, de onnoozlen!’....
 
‘En toch, ook gij gelooft het en vereert
 
Dien koning, noemt hem groot en goedertieren,
 
En, weet, men eischt, dat gij hem meer bemint
 
Dan mij, of - eenmaal zal men 't dringend eischen;
 
Ik weet niet, wien gij kiezen zult, maar.... 'k vrees!....’
 
- ‘“Gij vreest?”’ - ‘Neen, zwijg, totdat gij weet, wien gij
 
Om mij verzaakt; 't was God, die alzoo deed,
 
En 't offer zijner wraak, het eerste paar....
 
'k Zie u verbleeken.... Waarom zwijgt gij thans,
 
Nu ik, van wat ge onmenschlijk, gruwzaam noemdet,
 
Een andren dader noem, dan gij vermoed hadt?
 
“Dat kan geen God!”’ zoo spreekt uw warm gemoed,
[p. 207]
 
‘“Men heeft zijn smetloos heilig beeld onteerd;
 
Den God der liefde ontwijd tot God der wrake;
 
Men heeft met vuige hand hem neergehaald
 
Van zijn verheven troon en hem bezoedeld
 
Met slijk, hem laagheên toegedicht, waarvan
 
't Koudbloedigst mensch - het tijgerhart zou gruwen.”’
 
‘Vijf duizend jaren had die God getoornd,
 
Toen wilde hij verzoend zijn. - En de prijs?
 
Hij bracht zijn eenig kind - zich zelf ten offer!
 
Die zoon was God als hij! - gekweld, gemarteld,
 
Gegeeseld en gekroond werd de eedle Jezus;
 
Geklonken aan den schandpaal, heeft hij de aard
 
Met bloed, onschuldig bloed gedrenkt. - Zoo zoende
 
Een God zich zelven - door zich zelf!’ - Hij zweeg.
 
- ‘“Gelooft gij niet, wat Christus' bruid u leeraart?”’ -
 
- ‘Gelooft gij dan uw God zoo nietig klein?’ -
 
- ‘“Geen twijfel, lieve vriend, is ons geoorloofd;
 
Wie dringt ook door in Gods geheimen raad,
 
Gewis 't moet goed zijn, wat hij deed, al lijkt
 
Het ons bekrompen inzicht vreemd.... soms wreed!”’ -
 
- ‘o Waarom moet, wat goddlijk is, ook vreemd zijn?
 
Moest hij zich niet verklaren, wijl hij wil
 
En eischt, dat wij naar 't bovenaardsche streven?’ -
 
- ‘“'k Had nooit een beeld van hem, dan dicht omneveld.”’ -
 
- ‘Omneveld, ja, omneveld werd de reine,
 
Gehuld in 't kakelbont van aardschen wansmaak:
 
God schiep den mensch, de mensch herschiep zijn God.
 
Doch 'k wil voor 't onbevredigd, bloedend hart
 
Die lompen scheuren van zijn zuivre beeltnis,
 
En smachtend dringen door den aardschen walm,
 
Tot 'k hem aanschouw, zoo rein, zoo groot, zoo heerlijk,
 
Als zich een menschenhart zijn God moet denken.
 
o Volg en steun mij op dien donkren weg.
 
Wij zullen eenmaal vinden. Zalig zal
 
Het morgenrood ons juichend hart doorgloren,
 
Als we, in aanbidding neergezonken, staamlen:
 
God! onze God!’ -
 
Zij stak de hand hem toe,
 
Die van vervoering trilde en sprak: ‘ik volg u.’
[p. 208]
III.
 
Zur Wahrheit führen rauhe, dunkle Bahnen.
 
Mirza Schaffy.
 
‘Ik volg u!’................................
 
Liefde had dit woord gesproken;
 
Doch - liefde niet alleen bestuurt den mensch;
 
Van d'opgang zijner dagen slaat de wereld
 
In 't kneedbaar was van 't reine kinderhart
 
De stramme, groesle bakervingren, duimt het
 
Naar 't oud eerwaard patroon en wringt en perst
 
De ziel in d' engen prentvorm der conventie.
 
In zede en godsdienst zij 't eenvormigheid;
 
't Begrijpen was 't verleden toebedeeld,
 
Ons voegt het niet zijn wijsheid na te reeknen:
 
Of Rome of Dord! nu kies, gij, sterveling,
 
Hun beiden is het licht geopenbaard,
 
Elkaar verkettrend zijn ze beide onfeilbaar!
 
 
 
‘Ik volg u!’ - Nu ze alleen is met haar moed,
 
Nu komt haar die gelofte ontzettend voor.
 
Stil schijnt de maan in 't eenzaam slaapvertrek,
 
En 't heimlijk licht, waarin ze graag verwijlde,
 
Doet thans haar huivren. Licht en schaduw
 
Verwekken somber dreigende gestalten;
 
Verdachte blikken richten zij op haar.
 
En scholen saam en fluistren van verdoeming...
 
Wie slingert haar den banvloek daar naar 't hoofd?
 
Woest giert de spot, de laster der vervolgers
 
Door 't jamm'ren heen van vriend en bloedverwant.
 
Een afgesneden lid, een doodverklaarde,
 
Vervolgt ze alleen het doornenpad des levens,
 
Tot ze eens het moede hoofd ter ruste neigt
 
En in de groeve.... neen, ook daar geen rust!
 
Verguizing spaart heur dor gebeente niet;
 
Geen kruis verrijst op 't graf der uitgestootne,
 
Die onder duizend kruisen nederzeeg.
 
De voet des grijzen gravers zal met wellust
[p. 209]
 
Haar bekkeneel verschoppen, als een ander
 
Haar plaats komt vragen op den doodenakker.
 
Baldadigheid zal 't slingren her- en derwaarts,
 
Tot angst, óf afschuw, óf het blinde toeval
 
't Een afhoek laat, waar 't bleekt ten jongsten dage.
 
En dan.... ‘o God! was dat bazuingeschal?
 
't Heelal ontroert, de schoot der aarde siddert:
 
Daar zaâmt zich de oogst der eeuwen - bloem en onkruid!
 
De dooden richten zich in hunne graven op
 
En staren vreemd elkander aan; daar wenden
 
Zich wild en vragend hunne vorschende oogen
 
Op mij.... 'k herken ze.... God, vervloeking ligt
 
Hun nog versteend op 't koude lood der lippen!
 
o Daar, gelijk in 't leven, hulp noch deernis;
 
Hier zonder vaderhuis, dáár zonder hemel.... -
 
Dat is mijn kracht te zwaar, o God, ik kan
 
Den man niet volgen op dien gruwbren weg,
 
Den goeden vriend niet steunen... ach, mijn hart,
 
Gij meent niet, wat gij zegt.... ik heb hem lief,
 
Hem volgen kan ik niet en - hem verlaten....?’
 
Zij koos niet; beide was een smartlijk sterven;
 
De bloeme moet verkwijnen zonder dauw,
 
En 't vrouwenhart, dat liefde uit dwang verloochent;
 
Zij beide bloeien slechts in 't koestrend zonlicht,
 
En, als haar gloed ze schrompelt en verzengt,
 
Dan ademt nog het bloemenhart geluk,
 
En om den zacht gesloten vrouwenmond
 
Speelt, in den dood nog, de englenlach der liefde.
 
 
 
't Werd haar benauwd in 't heimlijk stil vertrek;
 
Zij stiet het venster open, of de nachtwind
 
Den gloed der slapen mocht verkoelen, 't jagen
 
Van 't wankelmoedig harte kon bedaren.
 
Daar buiten vierde vrede 't sabbatuur;
 
De stilte wiegde op dunne vlinderwieken
 
Onhoorbaar door den heldren sterrennacht;
 
In perelgrijzen toon verhief van verre
 
De silhouettengroep der huizen zich,
 
Hier zilvermat getoetst, daar lucht getint
[p. 210]
 
Door licht- en schaduwlijnen, grillig hier
 
En ginds verspreid; 't geheel zóó rustig stil,
 
Als sliepen ze in bij 't luchtspel als sylphiden.
 
In droomerige rust gleed nu de stroom
 
Langs schemerblauwe zoomen zonder leven,
 
En 't slaapziek murmlen klonk zoo roerend wee,
 
Als kweelde een geestenkoor een requiem.
 
 
 
Zij aâmde 't nachtlijk koeltje hijgende in
 
En liet de ontsnoerde tressen op zijn adem
 
Langs 't marmer van de schoone slapen trillen.
 
Daar stond ze aan diepe smart ten prooi, als eens
 
De schoone zondaresse uit Magdala!
 
Een stoet van bonte erinneringen trok
 
Haar turend oog voorbij. Haar lief en leed,
 
Haar zoete en bange droomen lichtten op
 
En weken zacht terug en vloeiden uit
 
Tot warmen achtergrond, die hém omgaf,
 
Op wien de volle, rijke stroom van 't schittrend,
 
Geheimvol licht zich uitgoot, waarmee liefde
 
En liefde alleen haar ideaal verheerlijkt,
 
Daar zij 't penseel in zonneverven doopt.
 
Nog stond het hart in twijfel voor de keuze:
 
‘Waarom zou 'k hem verlaten? hem niet volgen?
 
Wie haat als hij, wat laag, wat onrecht is?
 
Wie eert als hij het schoone, 't ware, 't goede?
 
Van heilige verrukking straalt zijn oog,
 
Dan hij voor de onschuld pleit, het recht verdedigt,
 
Het goede prijst, het schoone hoog verheerlijkt.
 
Wat priester sprak met warmer vuur van God
 
En beeldde reiner, heilger d'Ongeschapen,
 
Dan hij, wanneer hij sleur en vormen geeselt
 
En oogendienst den mom van 't aanschijn rukt?
 
Ben 'k slechter dan, sinds 'k hem bemin en eer?
 
Mijn hart zegt neen; 'k gevoel me een beter mensch.