De Gids. Jaargang 51


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1887


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 146]

Uit de taalstudie.

Dr. E. Verwijs en Dr. J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, II 1-7. Dr. H. Paul, Principien der Sprachgeschichte, 2e aufl. Dr. O. Behaghel. Die Deutsche Sprache.

De tijden, dat men de studie eener taal alleen nuttig en noodig oordeelde om de in die taal geschreven letterkundige werken te kunnen verstaan, zijn voorbij. Meer en meer is men gaan inzien dat, om tot eene nauwkeurige kennis van den mensch te komen, kennis van zijne taal, van de uiting van zijn denkvermogen, een eerste vereischte is. Daardoor is de taalkunde zelve doel geworden; daarom tracht men de taalverschijnselen te doorgronden en zich rekenschap te geven van al de verschillende veranderingen, die men op dit gebied in zoo rijke mate waarnemen kan.

Hoe de mensch denkt en hoe hij gedacht heeft, welk verband er bestaat tusschen de oudere en jongere vormen van de uiting zijner gedachte, tusschen die van den eenen mensch en die van den ander, en op welke wijze de jongere taalvormen zich uit de oudere ontwikkeld hebben, ziedaar wat de beide laatstgenoemde Duitsche schrijvers ons uiteen trachten te zetten, een werk waarvoor een boek als het eerstgenoemde een onontbeerlijk hulpmiddel is. Terwijl Paul in systematisch verband de werking van verschillende invloeden op de taal van den mensch behandelt en in klare trekken de methode aangeeft, volgens welke naar zijne meening de indogermaansche talen moeten onderzocht worden, beschrijft Behaghel in de eerste afdeeling van zijn werk de verwantschapsbetrekkingen en de ontwikkeling der Duitsche taal. De tweede afdeeling omvat meer de geschiedenis van het materiaal en de veranderingen, welke dit in

[p. 147]

vorm en beteekenis ondergaan heeft, benevens de oorzaken die deze veranderingen hebben teweeg gebracht en die tot vermeerdering van den woordenschat geleid hebben, terwijl het laatste gedeelte gewijd is aan de spelling, de klankleer, de grammatische en syntactische vormen, om ten slotte met een afzonderlijk hoofdstuk over de eigennamen te besluiten.

Het is niet doenlijk in korte trekken een nauwkeurig overzicht van den rijken inhoud dezer werken te geven. Vooral dat van Paul - eene 2e uitgave die in zoo menig opzicht uitgebreid en verbeterd is - zou te veel eischen van de, uit den aard der zaak, beperkte ruimte. Beperking, is dus noodig en daarom zal ik liever, mij aansluitende aan eenige door genoemden schrijver behandelde punten, trachten te doen zien welke waarde zijne beschouwingen voor de studie onzer eigene taal kunnen hebben.

Mogen zij in verloop van tijd gewijzigd worden, nieuwe ontdekkingen en uitgebreider waarneming hier beperking daar aanvulling noodig maken, moge men op enkele punten van meening verschillen, toch zal zeker elk deskundige erkennen moeten dat deze beschouwingen hoogst leerrijk zijn en dat dit werk ook door anderen dan door taalvorschers verdient gekend te worden.

Bacon heeft ergens gezegd dat men om de samenstelling van het heelal te leeren kennen beginnen moet met de natuur te ontleden, dewijl men toch alleen door eene nauwgezette studie van de bizondere feiten en van de onderdeelen kan komen tot de kennis van het geheel.

Dit is ook de richting, welke het taalkundig onderzoek in de laatste jaren heeft ingeslagen en waaraan men tal van zorgvuldig geregistreerde grammatica's omtrent de werken van verschillende schrijvers te danken heeft; volkomen hiermede in overeenstemming is de groote aandacht die Paul e.a. wijden aan de taal van elk individu en die dezen in zijne Principien de vraag doet stellen: in welke verhouding staat het spraakgebruik van eene grootere of kleinere menschenmassa tot de taal van elk individu op zich zelf; hoe wordt deze door gene beperkt en hoe doet zij wederom daarop haren invloed gelden?

Voor de beantwoording dezer vraag nu is het een eerste vereischte de verschillende veranderingen in het spraakgebruik, zooals zij zich vertoonen in de ontwikkeling eener taal, onder algemeene kategorieën te brengen en deze in hare wording en

[p. 148]

en verdere ontwikkeling na te gaan. Elke dezer veranderingen in de algemeene taal is een gecompliceerd proces, dat men niet begrijpen kan zonder het oog te vestigen op de individueele wijzigingen in het spraakgebruik.

Van de gewone grammatica onderscheidt zich deze methode in dit opzicht, dat, terwijl de eerste pleegt te scheiden en te verdeelen, geen feiten maar abstracties uit feiten behandelt, bij deze methode als voorwerp van de waarneming des onderzoekers in de eerste plaats genomen wordt de uiting der gedachte van elken mensch op zich zelf, benevens de wederkeerige werking van de taal van den eenen mensch op die van den ander, terwijl men bovendien alle verbindingen en overgangen tusschen de verschillende kategorieën, die men heeft waargenomen, moet trachten op te sporen.

‘Op alle gebied van het taalleven is eene langzame, trapsgewijze ontwikkeling mogelijk. Deze langzame overgang vertoont zich aan den eenen kant in de wijzigingen, die de taal van elk individu ondergaat en aan den anderen kant evenzeer in de verhouding, waarin de taal van het eene individu tot die van het andere staat.’ Het individu toch heeft op de taal der massa, waarvan hij deel uitmaakt, eensdeels een actieven invloed, voor een ander gedeelte is zijn rol slechts passief; niet alles toch wat hij hoort en verstaat gebruikt hij in de taal, die hij zelf spreekt. Van den voorraad woorden en uitdrukkingen, die het materiaal eener taal vormen, gebruikt de een dit, een ander dat; haast nooit zal men iemand vinden, die zich van den ganschen woordenschat zijner taal bedient. Niemand zal het ontgaan dat er zelfs tusschen den woordenschat, dien iemand in zijne spreektaal gebruikt, en dien, waarvan hij zich in zijne geschriften bedient, een verschil bestaat, dat bij den een grooter, bij den ander kleiner mag zijn, maar bij de meeste menschen aanwezig is. Van daar dat b.v. een woordenboek, zooals dat van het Middelnederlandsch, dat zich tot de schrijftaal beperken moet, aanmerkelijk kleiner is dan een, zooals het woordenboek der Nederlandsche taal, waarin behalve de woorden der schrijftaal ook de woorden en uitdrukkingen der beschaafde spreektaal te vinden zijn.

Al de individueele verschillen geven, aanvankelijk binnen zeer enge grenzen, aanleiding tot eene voortdurende, bijna onmerkbare verandering van het algemeen spraakgebruik. Deze ver-

[p. 149]

anderingen in de taal van het individu ontstaan voor een groot deel door zijne eigene spontane werkzaamheid, door zijn denken en spreken in de verschillende vormen der taal, maar ook voor een groot deel door den invloed, dien de taal van andere individuen op de zijne oefent. Voornamelijk door samenwerking van deze beide komt er allengs verandering in het algemeen spraakgebruik. Zelfs hij, die reeds meester is over het gebruik der taalvormen en over een voldoende deel van den woordenschat bij zijn spreken beschikken kan, zelfs deze kan zich toch niet onttrekken aan den invloed van de taal door andere nevens hem wonende menschen gesproken.

De periode echter, waarin men het meest onder den invloed van anderen staat, is die waarin men de taal leert, wanneer men haar begint te spreken.

Men kan eigenlijk moeilijk zeggen dat er in het leven van den mensch één oogenblik is, waarin het leeren op dit gebied ophoudt, maar toch is er een groot onderscheid tusschen den eersten tijd en de latere jaren. Men is ontvankelijker en neemt gemakkelijker van anderen aan, naar mate men er zelf minder tegenover te stellen heeft.

Het ligt voor de hand dat in de periode van het leeren spreken eener taal de kiemen gelegd worden voor die wijzigingen in het taaleigen van het individu, welke later veranderingen in het algemeen spraakgebruik kunnen te weeg brengen. Voor de verklaring van veranderingen die men in de taal opmerkt, is derhalve eene zorgvuldige waarneming van hetgeen in deze periode geschiedt wel van belang te achten. Door de talrijke kleine wijzigingen, die dan geboren worden, krijgt de taal van een jonger geslacht een ander aanzien, hoewel daarnaast de invloed van de taal der oudere generatie dit verschil voortdurend binnen kleine perken terugdringt.

Wanneer wij dezelfde taal op twee min of meer verwijderde tijdstippen beschouwen en de oudere taal met de jongere vergelijken, dan zijn wij geneigd om te zeggen: ‘de taal heeft zich op die en die punten veranderd of gewijzigd’, terwijl wij eigenlijk moesten zeggen: de taal heeft zich telkens vernieuwd en elke jongere formatie is niet volkomen gelijk geworden aan de oudere, die wel door haren invloed verhinderd heeft dat er een groot verschil ontstond, maar die met het oudere geslacht dat haar sprak is ondergegaan en allengs door de nieuwere

[p. 150]

formatie is vervangen. Allengs, want naast het oude is het nieuwe zeer langzaam, eerst slechts hier en daar, later meer en meer, komen te staan; eerst hebben de oudere vormen de overhand gehouden boven de nieuwere, doch met elk nieuw geslacht drongen de jongere taalvormen meer door, veroverden meer het terrein, en zoo is het oude langzamerhand zeldzaam geworden, totdat het eindelijk niet meer gehoord werd.

Het levende geslacht bemerkt de veranderingen in de taal niet, daar het een werkdadig aandeel hierin heeft en onder den invloed der omgeving bij deze actieve ook zijne passieve rol speelt. Vergelijkt men echter de taal van het levende geslacht met die van geslachten, welke geheel zijn heengegaan, dan valt het onderscheid terstond in het oog.

De veranderingen, die men dan ontdekken zal, kunnen van verschillenden aard zijn. Men zal b.v. sommige woorden en vormen uit de oudere taal in de jongere niet terugvinden, maar daarvoor in de plaats nieuwe woorden, nieuwe vormen; dan eens zal men de beteekenis van een woord veranderd of gewijzigd vinden, dan weder den vorm van een woord; soms weder is het nieuwe in de plaats getreden van het oude, dat uit de taal verdwenen is, soms ook is het oude allengs in het nieuwe overgegaan, gelijk bij den overgang van klanken het geval is, waar alleen een zeer geleidelijke verandering plaats heeft. Een ander middel om der taal steeds nieuw leven te geven is de schepping van nieuwe woorden.

De noodzakelijkheid dwingt den mensch er toe om nieuwe woorden te vormen ten einde nieuwe begrippen uit te drukken. De nieuwe woorden, die wij voortbrengen, vormen wij voor een groot deel door gebruik te maken van andere reeds bestaande woorden, hetzij doordat wij deze met andere woorden samenstellen en zoo tot de uitdrukking van een nieuw begrip geschikt maken, of door woorden te combineeren of te vervormen door aanhechting van voor- of achtervoegsels, in overeenstemming met hetgeen wij bij andere woorden waarnemen, ten einde op deze wijze een eenigszins overeenstemmend begrip aan te duiden. Er is echter nog een andere weg, waarlangs nieuwe woorden in de taal kunnen komen. Waar de mensch een nieuw denkbeeld wil uitdrukken en hem op dat oogenblik geen woord of bestaande klankverbinding met eene bepaalde beteekenis voor den geest staat, daar zal hij naar

[p. 151]

een klank grijpen, dien hij hoort of meent te hooren in hetgeen hij wil uitdrukken. Hij zal dus eene nieuwe combinatie van klanken voortbrengen om zijne gedachte uit te drukken. Is nu bij zulk een woord eene verwantschap van klank en beteekenis ook door anderen gemakkelijk waar te nemen, m.a.w. wordt het begrip door dit woord naar de meening der menigte juist gekenschetst, dan zal het nieuw gevormde woord in de taal opgenomen worden.

Wij behoeven heden ten dage minder tot dergelijke schepping van woorden onze toevlucht te nemen, daar het materiaal, waarover wij voor onze woordvorming kunnen beschikken, zeer groot is, en wij, waar dit naar onze meening ontoereikende is, maar al te veel gewoon zijn om naar woorden of samenstellingen uit andere levende of doode talen te grijpen en hieraan het passende woord te ontleenen. Wat thans echter in mindere mate geschiedt, daar voor de omstandigheden de noodzakelijkheid minder gebiedend is, heeft in vroeger dagen, toen het zoo even genoemde materiaal niet zoo groot was, zeer waarschijnlijk op grooter schaal plaats gevonden.

Veel pleit er voor dat ook in de talen der Europeesche volken, zelfs toen zij reeds op hoogen trap van beschaving stonden, zulke schepping van nieuwe woorden nooit geheel heeft opgehouden. In alle nieuwere talen vinden wij woorden, die het zorgvuldigst onderzoek niet met andere woorden of vormen uit den woordenschat derzelfde taal in vroeger tijd in verband kan brengen, in alle talen zijn woorden, die noch op de zoogenaamde wortels, die men in alle indogermaansche of in eenige er van aantreft, kunnen teruggebracht worden, noch ontleend kunnen zijn uit andere talen of dialecten. Wel is het waar dat wij de oorzaak van ons onvermogen om deze woorden te verklaren voor een groot deel moeten zoeken in de onvolledige overlevering van den vroegeren woordenschat, in de onbekendheid met het groot aantal woorden uit vroegere perioden, die ondergegaan zijn vóór de litteraire of geschreven taal zich ontwikkelde, terwijl ook voor een groot deel de onvolkomenheid onzer kennis van de ontwikkeling en van het wezen der talen hieraan nog schuld is, maar toch zijn er een aantal gevallen, waarbij men, voor zoo ver onze kennis strekt, noch van de geschiedenis van de ontwikkeling der klanken, noch van die van de vorming en vervorming der oudere woorden eenige op-

[p. 152]

heldering meent te mogen verwachten. Vele van deze woorden, waarvan men in andere talen of taalgroepen geene verwanten kan aanwijzen, moeten gevormd zijn door het volk, dat de taal sprak, waarin zij voorkomen; zij zijn derhalve nieuwe scheppingen van den menschelijken geest, die ook in dit opzicht nooit tot rust komt.

Men heeft vroeger wel eens de hypothese gesteld, dat er in de ontwikkeling der menschelijke taal twee groote perioden zouden zijn: eene, waarin de oorspronkelijke taalstof, nl. de zoogenaamde wortels, ontstond; eene andere, waarin de menschelijke geest zijn scheppingsvermogen, ten opzichte van het scheppen van klankverbindingen voor nieuwe begrippen verloren had en er zich toe bepaalde om van de voorhanden zijnde wortels nieuwe combinaties te maken, het bestaande dus alleen vervormde. Bij eene dergelijke hypothese zou men tevens moeten aannemen, dat tusschen de eerste en de tweede periode de menschelijke geest in aard en aanleg plotseling veranderd was, dewijl anders een dergelijk verschil in zijn vermogen een onverklaarbaar raadsel zou zijn, waarvan geen reden zou kunnen gegeven worden.

Met het oog op het gansche wezen van den mensch en op zijne geheele verdere ontwikkeling mag men wel met goede gronden aannemen dat een dergelijk verschil niet bestaan heeft, maar dat de mensch zich langzaam en geleidelijk meer en meer ontwikkeld heeft en dat ook de taal, in overeenstemming met die ontwikkeling, zich allengs heeft uitgebreid, doordat naast de nieuw voortgebrachte woorden zich uit de vroegere uitingen der gedachte steeds nieuwe woorden en vormen ontwikkelden, zooals ook in later tijden geschiedde.

Tusschen de vroegere en de latere perioden bestaat geen verschil wat den aard en aanleg van den menschelijken geest betreft, maar alleen hierin dat er voor den mensch in latere perioden veel minder aanleiding is om de voortbrengingskracht van zijn geest in dit opzicht te doen werken.

Allengs komt er eene andere verhouding tusschen de schepping van nieuwe woorden en de overlevering van reeds vroeger voortgebrachte woorden; naarmate het aantal der laatste grooter wordt, vermindert de behoefte aan het eerste. Uit den overgeleverden woordenschat toch worden voortdurend nieuwe woorden en uitdrukkingen gevormd, òf door combinatie van elementen

[p. 153]

dezer woorden, òf door vervorming naar analogie van andere; door deze en dergelijke invloeden worden zoo uit bestaande woorden nieuwe gesmeed en wordt de taal verder voortdurend verrijkt. Doch daarnaast kan de schepping van oorspronkelijke woorden ongestoord zijn gang gaan, zoo dikwijls zich de noodzakelijkheid hiertoe doet gevoelen.

De schepping van een woord is het werk van een oogenblik en het kan gebeuren, dat zij geen spoor van haar bestaan in de taal achterlaat. Zal een nieuw woord eene blijvende plaats in de taal innemen, dan moet het een indruk in den geest achterlaten, waardoor de klank later tot aanduiding van hetzelfde begrip uit het geheugen wordt gereproduceerd, door anderen wordt verstaan en in hun geest opgenomen, zoodat zij het wederom ter aanduiding derzelfde voorstelling zullen bezigen.

Van grooten invloed is hierop het verband bij zulk een woord tusschen den klank en hetgeen men voor den geest wil roepen. Bij een groot aantal woorden, die wij alleen uit later tijd kennen, is een zekere samenhang van klank en beteekenis niet te ontkennen. Vele woorden toch, die wij niet uit oudere perioden kennen, z.a. lallen, sissen, klipklap, bombam, plompen, knarsen, knorren, knetteren e.a. hebben in hun klank iets dat aan het voorgestelde ontleend is - dat het echter niet absoluut noodig is om een nieuw woord ingang te verschaffen, blijkt uit het woord gas, door den vervaardiger der stof wellicht gevormd onder den invloed van het Grieksche χάος. Wel is waar is bij sommige, die thans onder die kategorie zouden vallen, de overeenkomst slechts schijnbaar, daar de klank eerst door de geheele ontwikkeling der oudere klanken die overeenkomst gekregen heeft (zoo als bij donder e.a.), maar bij een groot aantal is deze ontwikkeling van den klank niet aan te wijzen en mag men met eenigen grond aan verband tusschen het waargenomene en het voortgebrachte denken. Een tal van interjecties zijn verbasteringen van oudere woorden en zelfs van geheele zinnen, z.a. ‘goddank’ uit ‘god zij dank’, ‘jemine’ uit ‘Jesu domine’, ‘ajakkes’ uit ‘ah Jezus,’ maar talrijker zijn die welke buiten dergelijk verband voorkomen, die ten nauwste verbonden zijn met geluiden, die gehoord worden, en welke interjecties zelve weder het aanzijn hebben gegeven aan daarvan gevormde werkwoorden en naamwoorden, z.a. ‘paf, pats, bom, klets, klap’ e.a., benevens de werkwoorden en naamwoorden als ‘kletsen,

[p. 154]

klappen, verpatsen, kletser, klap, plassen’ enz. Zoodra deze woorden ophouden enkel interjecties te zijn, worden zij door achtervoegsels of voorvoegsels, aan andere woorden ontleend, verrijkt en in het systeem van woordvormen der taal ingelijfd. Bij woorden waar nu niet meer de interjectie er naast bestaat, daar deze verloren is gegaan, wordt het dikwijls moeilijk om te zeggen of het woord inderdaad op deze wijze gevormd is, dan wel of op de vorming van het woord bestanddeelen van andere woorden invloed gehad hebben. Hoe dit nu ook geschieden moge en op hoe verschillende wijze, er blijkt uit dat de vrije scheppende kracht op het gebied der taal bij den mensch niet verloren is.

Verleidelijk wordt het - dit is niet te loochenen - om waar zich groote moeielijkheden bij de verklaring van een woord voordoen, naar dezen uitweg te snellen en zoo zich te redden. Er zijn toch woorden die in andere talen volstrekt niet worden aangetroffen of wier consonanten of vocalen als 't ware met alle klankwetten schijnen te spotten, en van wier verklaring men zich dus gemakkelijk kan afmaken door de woorden ‘jongere formatie, die zijn ontstaan aan de vrije scheppende kracht in de taal te danken heeft’.

Bij vele van deze woorden blijft het echter een moeielijk te beantwoorden vraag, of het waar is dat er tusschen het eene woord in de eene taal en het in zoovele opzichten overeenkomende doch in een opzicht afwijkende woord in eene andere taal geen samenhang bestaat, maar dat beide in elke taal op zich zelf door deze scheppende kracht ontstaan zouden zijn en in beide talen denzelfden vorm zouden gekregen hebben. Om één voorbeeld te nemen: Kluge en Franck beweren dat er geene verwantschap kan bestaan tusschen germ. klank, klinken en klingen en Latijn clangere Gr. ϰλαγγη. Van deze germaansche woorden komt er geen in de oudste germaansche taal voor en tegen de verwantschap met de latijnsche woorden bestaat het bezwaar dat aan de Latijnsche en Grieksche k in het Germaansch eene h moest beantwoorden. In beteekenis echter en wat de verdere letters betreft bestaat een niet te loochenen overeenkomst. Bepaalde het verschijnsel zich tot dit enkele geval, dan zou men kunnen zeggen: het schijnt zoo te zijn, hoewel het ontbreken van het woord in het Gotisch niet bewijst dat het na den tijd der Goten in het Germaansch moet ontstaan zijn; de Noorsche, Neder- en Hoogduitsche talen kennen deze woorden en

[p. 155]

hetgeen wij van Gotisch over hebben is zoo weinig, dat men onmogelijk daarop afgaande zeggen kan dat het niet in deze taal bestaan heeft. Bovendien levert de geschreven taal altijd een onvolkomen overzicht over den woordenschat der taal, want hoe menig woord, dat in den volksmond gehoord wordt en, blijkens vorm en beteekenis, zeer oude verwanten heeft, werd nooit in schrift aangetroffen. Er is echter nog iets anders: dit woord is niet het eenige der met k en volgende liquida of nasaal aanvangende woorden, hetwelk dergelijke moeilijkheid oplevert. Bij klad, kladden, klagen, klap, klauw, kleed, klein, kleven, klif en klip, kloek, kluwen, kloot, knaap, knagen en nagen, knap, knecht, knijpen, en nijpen, kreek enz. ontbreken de overeenkomstige vormen in andere indogerm. talen, of wel de woorden, die er mede overeenkomen, schijnen in strijd te zijn met bepaalde klankwetten.

Niets is gemakkelijker dan te zeggen: ‘dit zijn woorden in lateren tijd ontstaan door de scheppende kracht van den menschelijken geest, want in oudere talen komen geene hiermede samenhangende woorden of vormen voor.’ Men moet er dan verder bijvoegen: ‘de verwantschap van klagen met Grieksch ϰλαγεϱὸς, klinken, klank met Lat. clangor, kring Grieksch ϰϱιϰος en, Lat. clingere (welks l zeer waarschijnlijk uit r is ontstaan) is, al komen de beteekenissen overeen, slechts schijnbaar en niet wezenlijk, want in haast alle andere woorden beantwoordt aan eene Grieksche of Latijnsche k in de Germaansche talen een h.’ Dit is volkomen waar, maar dat in dit opzicht de algemeene regel niet opgaat, stempelt deze woorden nog niet tot latere formaties of scheppingen, die in de verschillende talen onafhankelijk van elkander zijn tot stand gekomen.

Merkwaardig is het ook dat juist vele van deze woorden, die ten opzichte van de vergelijking met oudere vormen de bovengenoemde moeilijkheden opleveren, naast zich woordenvormen hebben, waarin de klankwet wel tot zijn recht komt. Zoo heeft klink (sluitijzer) naast zich link uit klink ontstaan, zoo staat naast kring het woord ring uit kring; naast, klein, dat èn in Hoogduitsch èn in Engelsch vroeger de beteekenis van zuiver, schitterend had en ten onzent in kleinood een hieraan naderende beteekenis bewaard heeft, staat zoo het zoo dikwijls er mede samen genoemde woord rein uit hrein, Gotisch hrains; naast knijpen wordt nijpen gehoord, naast knagen nagen, in welke

[p. 156]

beide woorden de n aanvangsletter werd, daar in onze taal de h voor vloeiende letters staande wegviel. Deze voorbeelden zouden nog met andere woorden vermeerderd kunnen worden, doch deze mogen hier voldoende zijn.

Ik weet dat men mij zal toevoegen, dat klankwetten zonder uitzonderingen zijn en niet dan eens op deze wijze dan weder op een andere wijze kunnen werken. De vraag is echter: welke waarde hebben wij aan deze woorden te hechten en hoe hebben wij de uitdrukking ‘klankwetten werken zonder uitzondering’ op te vatten.

Tegen die woorden, zoo zonder eenige nadere bepaling of beperking is veel in te brengen en vooral wanneer men aan het woord uitzondering niet geheel hetzelfde begrip verbindt, dat degene, die deze zinsnede het eerst uitsprak, er aan hechtte. Onder uitzondering heeft men te verstaan eene willekeurige terzijdestelling van het eene, daar aan iets anders de voorkeur gegeven wordt. Men wil dus met deze woorden zeggen: dat de klankwetten niet aan willekeurige veranderingen onderhevig zijn, dat derhalve de afwijkingen die wij ontwaren aan bepaalde oorzaken moeten toegeschreven worden.

Stelt men echter het woord uitzondering gelijk met storing en vraagt men of er bij de klankwetten niet een aantal storingen te ontdekken zijn, m.a.w. of men overal de verschijnselen vindt, die men na de werking der klankwetten meent te moeten aantreffen, dan kan het antwoord niet bevestigend luiden.

Om van deze storingen de verklaring te vinden is het in de eerste plaats noodig na te gaan wat men eigenlijk onder eene klankwet te verstaan heeft.

Welk onderscheid er tusschen empirische en causale wetten bestaat en in hoeverre de taalwetten verschillen van de natuurwetten, waarmede sommige taalvorschers ze wel eens gelijk hebben willen stellen, is door Beckering Vinckers1) in zijne inleiding voor Whitneys werk in het

[p. 157]

breede uiteengezet. Ik behoef dit alles hier niet te herhalen. Eene taalwet nu zegt niet dat een bepaald verschijnsel zich onder zekere omstandigheden weder zoo zal vertoonen als het eenmaal waargenomen is, maar zij constateert alleen de gelijkheid van verschijnselen, welke onder bepaalde omstandigheden en binnen zekere grenzen worden waargenomen.

Spreekt men dus van constante werking der klankwetten, dan wil men hiermede zeggen: dat er eene gelijkmatige overgang der klanken, die aan gelijke voorwaarden voldoen, binnen de grenzen van een bepaalde groep van menschen plaats heeft. Is er nu verschil tusschen woorden, die oogenschijnlijk aan dezelfde voorwaarden voldoen, zooals b.v. tusschen die woorden, die in de indogerm. talen eene t vertoonden en die der germaansche talen, waar zij gedeeltelijk met th, gedeeltelijk met d voorkomen, dan is dit een bewijs dat er eene oorzaak is waarom in het eene woord aan de t eene th, in het andere aan de t eene d beantwoordt. De oorzaak is te zoeken in een verschil van de omstandigheden, waaronder de klanken in die woorden verkeerden, een verschil dat aanvankelijk aan het waarnemingsvermogen ontsnapt was - in dit geval een verschil in het accent der voorafgaande syllabe, zooals door den Deen Verner ontdekt is. Niet alleen het accent, maar ook de met den consonant of met de vocaal verbonden klanken (b.v. st, sk e.a.), de plaats die de syllabe in het woord inneemt, enz. kunnen hierop invloed hebben.

Deze overgangen der klanken zijn van mechanischen aard. De beweging der spraakorganen, die de klanken voortbrengen, is allengs verplaatst geworden en dientengevolge is de klank veranderd. Die verplaatsing gaat zoo langzaam, dat, zooals ik boven reeds opmerkte, het levende geslacht en soms zelfs eenige geslachten lang de verandering in den klank niet bemerkt wordt en alleen dan in het oog valt als de schriftelijke uitdrukking der klanken verandering noodig heeft - men zie b.v. in de engelsche taal. Die verplaatsing van het voortbrengingspunt van bepaalde klanken heeft natuurlijk niet slechts

[p. 158]

bij enkele woorden plaats, maar geschiedt mechanisch bij alle woorden, waarin die klanken onder dezelfde omstandigheden voorkomen. Zij beperkt zich natuurlijk tot den kring van hen, die deze woorden hooren en op hunne beurt weder voortbrengen. Waar menschen, die verschillende talen of dialecten spreken, met elkander in aanraking komen, daar zullen uit de eene taal in de andere zich woorden indringen, die allengs dezelfde veranderingen zullen mede maken als de woorden, die oorspronkelijk in de taal zelve behoorden; ten opzichte echter van veranderingen in de klanken, die geheel voltooid zijn, zullen zij, tenzij het streven van den mensch om gelijkheid tot stand te brengen ook op hen zijn invloed doe gevoelen, van deze gescheiden blijven.

Die wederkeerige invloed van den eenen mensch op den anderen, van het eene dialect op het andere moet echter reeds van zeer vroegen tijd dagteekenen, zoodat ongestoorde werking der klankwetten binnen zeer enge grenzen beperkt wordt. Veel is er dan ook op dit gebied dat nog niet voldoende opgehelderd is. Omtrent vele grammatische verschijnselen, die ons nog ongeregeld, haast willekeurig toeschijnen, z.a. de uitstooting van vocalen, de invoeging en toevoeging van klanken, de assimileering van vocalen en consonanten, moeten nog onderzoekingen van specialen aard ingesteld worden; nauwkeurig zal er nog moeten geregistreerd worden hoe deze verschijnselen zich bij de individuen en in de talen vertoonen, eer wij met zekerheid kunnen zeggen hoe en welke taalwetten bij deze verschijnselen gewerkt hebben, welke de storende invloeden waren, die hierbij geheerscht hebben.

De regelmaat in de mechanische veranderingen of overgangen der klanken, die klankwetten, om den algemeen aangenomen naam te gebruiken1), staan namelijk bloot aan allerlei storingen van psychischen oorsprong. Juist die storingen van psychischen oorsprong geven dikwijls groote moeilijkheden bij de verklaring der woorden, want de redenen er voor zijn niet altijd te ontdekken. Dientengevolge meende men vroeger dat dergelijke afwijkingen van de mechanische klankwetten aan menschelijke willekeur moesten toegeschreven worden2).

[p. 159]

De menschelijke geest is echter ook in zijne uitingen niet geheel vrij te noemen, want hij wordt beheerscht door de omstandigheden, waaronder de mensch leeft en denkt. Gissingen en vergissingen heerschen in het gebied der taal, evenals elders, en de rol, die zij hier spelen, is niet gering; maar ook aan gissingen en vergissingen ligt eene oorzaak ten grondslag. De oorsprong eener gissing, de oorzaak eener vergissing is, wanneer dezelfde gissing of vergissing zich bij een beperkt aantal individuen voordoet, meestal nog wel na te gaan. Wanneer men iemand die gewoonlijk een dialect spreekt, doch in de noodzakelijkheid is om de Nederlandsche taal te spreken, hoort zeggen: ik miek my boos, dan werd door dien persoon de gissing gemaakt dat maken, om de a in den stam, op dezelfde wijze in het Nederlandsch moest vervoegd worden als laten e.a.; de man maakte uit het eene punt van overeenkomst eene conclusie, welke echter onjuist was, daar hij de andere punten van verschil verwaarloosde. Men zou zoo nog verscheiden voorbeelden kunnen noemen, ook vormen op zulke vergissingen gebaseerd, die reeds burgerrecht in de spreektaal verkregen. Dergelijke redeneeringen toch op grond van werkelijke of vermeende overeenkomst gebruikt de mensch gedurig, haast zonder het zelf te weten. Zoo hebben wij ten gevolge van dergelijke redeneering bij analogie den meervoudsvorm op en, die oorspronkelijk alleen aan zwak verbogen substantiva toekwam, ook op een aantal sterk verbogen naamwoorden overgebracht, daar wij in dit suffix niet meer een deel van het zwak verbogen substantief maar een plural-suffix zagen. Geschieden, dat in het Middelnederlandsch geschien luidde en evenals geven vervoegd werd, hebben wij eerst tot de zwakke werkwoorden gerekend en dewijl men in den verleden tijd een d hoorde, heeft men deze d ook in het praesens gebracht, evenals in spieden, onder spien, dat een verl. tijd spiede had. De mensch combineert zoo wat hij meent dat gelijk is en tracht dan de zoo gecombineerde woorden en vormen met elkander in overeenstemming te brengen. Niet in alle talen richt zich echter dit streven van den geest op dezelfde vormen en woorden. Ter-

[p. 160]

wijl de Nederlander den verleden tijd enkel- en meervoud van werkwoorden als binden, die in het mul. nog band, bonden luidde, gelijkgesteld en wat de vocaal betreft in overeenstemming gebracht heeft in bond en bonden, zijn deze vormen in het Duitsch onveranderd gebleven.

Terwijl de mensch aan den eenen kant overeenstemming tot stand brengt, waar hij gelijkheid van beteekenis meent te zien, scheidt hij vormen die oorspronkelijk samen hoorden, daar de beteekenissen der woorden allengs ver uiteengeloopen zijn. Zoo zijn beleefd en leven, bekwaam en komen, schoor in schoorsteen, schoorvoetend en in schoren (stutten), slecht (boos) en slechten (gelijk maken), mnl. dorp, dorpman en dorper, dorperlike (gemeen) in het volksbewustzijn van elkander gescheiden.

Is het grondbegrip eenmaal geheel verloren gegaan, en is er, ten gevolge van de werking der klankwetten, tusschen woorden van verschillende afkomst overeenstemming in klank ontstaan, dan zal de mensch, wanneer hij slechts eenige overeenkomst in de begrippen meent te zien, verder gaan en de uiterlijke overeenstemming zoo volledig mogelijk maken. Zoo hebben etymologen der vorige eeuw verklaringen gegeven van aalmoes (werk van barmhartigheid uit ἐλεημοσύνη verbasterd), en dit woord met het woordje moes in verband gebracht, dat er volstrekt niet mede verwant is; zoo is door invloed van het woordje zonde uit het oude sinvluot d.i. groote vloed, het hedendaagsche zondvloed ontstaan; terwijl men in huwelijk niet meer de oude samenstelling zag van huwe en leik (feest, spel) maar het in verband bracht met het achtervoegsel lijk, scheidde men hylikmaker (den koek van het huwelijksfeest) van huwelijk en maakte er van heiligmaker. Tal van voorbeelden zouden nog op te noemen zijn, waarbij door den menschelijken geest zoo veranderingen gebracht zijn in de klanken door de werking der klankwetten ontstaan. Is nu eenmaal een vorm zoo gewijzigd en in verband gebracht met een ander begrip, dan deelt hij ook, wanneer de klank nieuwe verandering ondergaat, hierin - een duidelijk voorbeeld hiervan is b.v. de naam van de streek uit Westfalen die oudtijds Sûderlant heette. Toen de d uitviel en het woord als Sûrlant werd uitgesproken onderging het, daar het in verband gebracht was met het adj. sür (zuur), dezelfde verandering als de oorspronkelijke û, en werd, toen dergelijke û tot au werd, als Sauerlant niet meer begrepen.

[p. 161]

Dan eens zal de beteekenis van een woord uitgebreid worden zooals b.v. een rijder voor een berijder van een dier en voor een muntstuk; een bok is het dier en eene domheid. Dan weder wordt het begrip beperkt, zooals bij eigennamen enz.; soms worden geheele uitdrukkingen uit het eigenlijke zinsverband losgemaakt en wordt de beteekenis gewijzigd; dikwijls gaat dan de betrekking tot het oorspronkelijke woord uit het volksgeheugen verloren. In hij is drommels bij de hand wekt hand een ander denkbeeld dan in hij is vroeg bij de hand of hij is reeds bij de hand en in alle drie is het begrip hand op den achtergrond getreden, evenzoo in ter hand stellen; hetzelfde is het geval met uitdrukkingen als man en muis, kind noch kraai (vgl, de Vries Taalk B. II, 35); door deze scheiding, door het formeel worden van het woord of de uitdrukking neemt zij een vasten geijkten vorm aan en blijft soms langer in de taal bestaan dan het woord zelf. B.v. kind in de beteekenis van bloedverwant ging verloren behalve in kind of kraai, weer voor man, is lang in onbruik geraakt, doch in weerwolf, d.i. manwolf, bewaard.

Bij allerlei woorden kan zich zoo isoleering voordoen. Bij nomina en verba kan het op de hier opgegeven wijze geschieden of wel doordat het woord in een bepaalden buigingsvorm als 't ware verstijft.

Wanneer b.v. eene uitdrukking, eene syntactische verbinding van een of meer woorden dikwijls gebruikt wordt in een bepaalden vorm, dan wordt zij soms in hare onderdeelen niet meer begrepen; het bewustzijn van het verband met andere vormen gaat verloren en de uitdrukking staat als één geheel en op zich zelf in het geheugen. Zulke uitdrukkingen nemen dan den vorm van een woord op zichzelf aan en worden allengs als afzonderlijke woordsoort in het zinsverband gebezigd. Zoo kunnen samenstellingen van naamvallen van nomina tot adverbia, praeposities en conjuncties worden; op dergelijke wijze zijn ontstaan de adverbia, 's morgens, trouwens, telkens, praeposities als wegens, krachtens e.a. conjuncties als dewijl, terwijl, indien, maar, e.a. Alle op deze wijze uit syntactische samenstellingen ontstane woorden worden als nieuwe zelfstandige woorden opgevat en hebben verder hunne eigene ontwikkelingsgeschiedenis onafhankelijk van het grondwoord.

Waar ten gevolge van de werking der klankwetten en van de analogie nieuwe woordvormen naast oudere gehoord worden,

[p. 162]

waardoor het ontleenen van woorden uit andere talen of dialecten voor begrippen, die reeds in de eigen taal uitgedrukt werden, sommige begrippen door meer dan een woord aangeduid kunnen worden, daar zal de mensch zich meestal van het eene meer bedienen dan van het andere; dit zal al minder en minder gehoord worden en eindelijk geheel wegsterven, tenzij er zich andere invloeden doen gelden die zulks verhinderen. Zoo zijn b.v. koen, boud en onversaagd uit de spreektaal nagenoeg verdwenen, daar dapper, stoutmoedig en onbevreesd voor dezelfde begrippen gebruikt kunnen worden; zoo heeft pulver zich niet staande kunnen houden naast kruit, krank niet naast ziek, bederve niet naast behoefte; zoo bestaat er zelfs neiging om, daar het verschil tusschen dan en als niet meer ingezien wordt, het woordje dan na een adjectief in den comparatief voor als, dat eigenlijk eene gelijkstelling te kennen geeft, te doen wijken. Slaat men het Middelnederl. Woordenboek op dan zal men ontwaren dat tal van woorden zoo uit de taal verdwenen zijn.

Waar schrijftaal gemeen goed is, daar zal natuurlijk vooral bij hen, die fijn weten te onderscheiden tusschen de woorden, en die bekend zijn met de etymologische waarde der woorden of die eene voorliefde hebben om wegstervende woorden en vormen te bewaren, het aanzijn van menig woord nog gerekt worden, doch zulke woorden en vormen zullen zich tot de schrijftaal, tot de taal van een enkelen bepalen en maar hoogst zelden weer in de spreektaal terugkeeren.

Soms blijven woorden in de taal van eene bepaalde klasse, van een zekeren kring van menschen bewaard of ontwikkelen zich binnen enkele kringen woorden en uitdrukkingen, die in andere kringen en ook nu en dan in de algemeene taal binnensluipen. Ik bedoel hier kringen als van de liefhebbers van sport - een woord dat uit dien kring langzamerhand in de taal der massa is gekomen -, die hunne technische uitdrukkingen hebben, als b.v. voor de renbaan, doch daarnaast in het gewone verkeer voor dezelfde zaken ook andere woorden zouden kunnen bezigen, of van de jagers, die b.v. van de lepels en het zweet van den haas voor zijne ooren en bloed spreken; van de studenten- en van de dieventaal. Uit deze ideomen zullen maar betrekkelijk weinig woorden in de algemeene taal dringen, daar de personen, die deze woorden gebruiken, in verhouding tot de

[p. 163]

massa menschen weinig in getal zijn en voor de begrippen, die zij in hunne woorden uitdrukken, meestal wel woorden in de algemeene spreektaal aanwezig zijn; blijkt in de algemeene taal de behoefte aan zulk een woord, dan verwerft het er burgerrecht.

Een eenigermate hiermede overeenkomend standpunt tegenover de algemeene spreektaal neemt de taal van het recht in. Deze is over het algemeen ouderwetsch en bij uitnemendheid formeel; de bewoordingen toch waarin het recht wordt uitgedrukt moeten vast en nauwkeurig zijn, de nieuwere uitdrukking moet in overeenstemming zijn met de uitdrukking van oudere wetten en bepalingen, en zulke uitdrukkingen gelden meestal niet voor een korten tijd. Daardoor is de taal niet zoo aan voortdurende verandering onderhevig en wordt ouderwetsch, bewaart vele oude woorden en uitdrukkingen en heeft hierdoor iets statigs en stijfs.

Terwijl de rechtstaal alleen het oude bewaart, onderscheidt zich de taal van den dichter en van den redenaar door het bezit van een grooten rijkdom van woorden en vormen, zoo uit vroegeren als lateren tijd en uit verschillende kringen. Zij moet dien grooten rijkdom van woorden en vormen bezitten, ten einde het mogelijk te maken dat dezelfde begrippen door verschillende woorden worden weergegeven, waar zulks om der wille van rijm, maat, oratorische of dichterlijke wendingen vereischt wordt.

De volkstaal kent die overmaat niet; wat verouderd is raakt bij haar uit het geheugen en komt in onbruik. De litteraire taal neemt de woorden en uitdrukkingen, die haar dienen kunnen, uit den uitgelezen woordenschat van het geheele taalgebied; de spreektaal bepaalt zich tot den meer beperkten kring van werken en van handelen van het individu.

Terwijl er aan den eenen kant een streven bestaat om het overtollige uit de taal te verwijderen, openbaart zich aan den anderen kant eene neiging om zich van die vormen en woorden van gelijke waarde te bedienen ter verrijking van de taal, nl. door de beteekenis der woorden te wijzigen.

Bestaan er in de spreektaal naast elkander twee woorden of twee vormen van hetzelfde woord met gelijke beteekenis, dan zal zich onwillekeurig aan het eene soms eene kleinere of grootere nuanceering van het begrip hechten dan aan het andere. De Franschen noemen zulke woorden doublets, en de Duitschers Zwillingwörter; ten onzent is er geen afzonderlijke

[p. 164]

naam voor, evenmin als er eenig werk hier te lande bestaat, dat over de geschiedenis dezer woorden handelt. Zulke doublets zijn b.v. in het Fransch: fleurir en florir, champ en camp, laisser en lâcher; in het Nederlansch: mnl. pulver en poeder, juffrouw en jonkvrouw, stad en stede, uitgekozen en uitverkoren, werkwoorden als stijven stijfde en stijven steef, krijgen krijgde en krijgen kreeg, of meervoudsvormen als hemels en hemelen, wortels en wortelen, beenen en beenderen, letters en letteren, e.a. Bij andere woorden gaat de differencieering van beteekenis gepaard met eene verplaatsing van den klemtoon, zoo als bij dóórzoeken (voortgaan met zoeken) en doorzóeken (door en door zoeken), ómslingeren (omverslingeren) en omslíngeren (omgeven door slingeren), óverleggen (besparen) en overléggen, enz. Op dergelijke wijze blijven oudere vormen naast de jongere in de taal leven.

Door de afscheiding van de verwante vormen, door specializeering der beteekenis, of door het formeel worden eener uitdrukking zijn dikwijls oude woorden en vormen in die bizondere formule of in een enkelen vorm bewaard gebleven: verdwenen nu de er mede samenhangende woorden geheel uit de taal, dan ging de herinnering aan de beteekenis van dit op zich zelf staande woord allengs geheel verloren en men verstond zulk een woord of vorm niet meer. Vooral was dit het geval, wanneer het alleen in samenstelling met een ander woord gebruikt werd. Het geheugen was alleen in staat het woord te bewaren en over te leveren. Zoo zijn als het ware versteeningen uit ouderen tijd uitdrukkingen als in arren moede, de eenige zinsnede waarin het oude adjectief ar nog gebruikt wordt, zoo is het oude gomo (homo) alleen in bruidegom over, laie (vlam) alleen in de uitdrukking in lichterlaaie, zoo worden woorden als veete, veem, lik in likdoorn en lichaam alleen door het geheugen bewaard, maar hunne verwantschap wordt door de massa niet meer begrepen.

Wordt zoo op velerlei wijze de ongestoorde werking der klankwetten beperkt, of worden de resultaten ervan door den invloed van psychischen aard gewijzigd en dikwijls zelfs te niet gedaan, nog een andere oorzaak is er, waardoor er zich in eene taal soms woorden en vormen bevinden wier uiterlijk in strijd is met de gewone vormen der taal.

De eene mensch oefent invloed op den ander en staat dus

[p. 165]

op zijne beurt ook weder onder den invloed van anderen - dit is op het gebied der taal zooals van het geheele leven en werken het geval. Waar nu menschen, die verschillende talen spreken, met elkaar in aanraking komen, daar kan het niet uitblijven dat zij in hunne taal van elkanders woorden en uitdrukkingen overnemen; zoowel is dit het geval waar het verschillende dialecten als waar het verschillende talen geldt. Soms is deze overneming het gevolg van noodzakelijkheid om zich voor elkander verstaanbaar te maken, soms ook geschiedt zij ten gevolge van de overneming van zaken of begrippen, welke, evenals het woord er voor, bij het andere volk niet in gebruik waren; soms ook zijn hierbij andere maatschappelijke invloeden werkzaam, en is de overneming van het woord niet door eenige noodzakelijkheid geboden, maar de invoering enkel eene verrijking van den woordenschat - eene verrijking die echter wel eens ten gevolge heeft dat het inheemsche woord in de spreektaal voor het uitheemsche moet wijken - ik wijs slechts op kleur voor oudndl. verwe, douarie voor wedeme e.a.

Dan eens geschiedt dit insluipen van vreemde woorden door het persoonlijk verkeer van elkander vreemde volken, dan weder door den indirecten invloed der geschreven taal; in beide gevallen zal het verschil zich openbaren in den aard der woorden, welke overgenomen worden. Er is b.v. eene andere soort van woorden uit het latijn overgenomen, toen tijdens de eerste vestiging der Christenkerk de geestelijkheid met de gebruiken en regels der kerk ook de woorden hiervoor invoerde; dan toen de werken der latijn schrijvende humanisten hunne stellingen wijd en zijd door Frankrijk, Duitschland en Nederland verbreidden. Een andere soort van woorden werd uit Frankrijk in onze taal overgebracht toen de politieke betrekkingen tusschen dit land en onze streken in de middeleeuwen van grooter omvang waren dan thans, nu de mode en een deel der letteren haren invloed doen gevoelen. Nog anders is weder de invloed van onze Duitsche naburen; was in vroeger tijden de invloed van het Duitsch zeer gering, sedert het reizen naar Duitschland is toegenomen is er eene vermeerdering van het aantal germanismen waar te nemen, terwijl sedert de ‘Duitsche wetenschap’ eene hooge vlucht genomen heeft en de invoer en het gebruik van Duitsche boeken zeer is uitgebreid, ook in de wetenschappelijke werken in onze taal de groote invloed van het Duitsch onmiskenbaar is.

[p. 166]

Wat wij heden zien gebeuren heeft waarschijnlijk ook in den voortijd plaats gehad. Het is wel niet aan te nemen dat de Germanen zich in hunne taal en gebruiken vrij zullen gehouden hebben van de taal en gewoonten der volken, die zij veroverden en waaronder of waarnaast zij zich neerzetten. In nog sterker mate dan de Germanen van de Kelten, wier woonplaatsen zij voor een deel hebben ingenomen, woorden enz. overnamen, moet zulks het geval geweest zijn, waar de verschillende Germaansche volken onderling in contact kwamen of zich in een volk oplosten. Uit den aard der zaak was hier de samensmelting van de talen sterker dan daar, waar volken van verschillenden stam naast elkander woonden of met elkander verkeerden.

Er zijn zelfs enkele woorden, die voor de klankverschuiving uit andere, ons onbekende talen, moeten overgenomen zijn, b.v. hd. hanf, ndl. hennep naast Gr. ϰανναβις, dat ook in het Grieksch waarschijnlijk niet oorspronkelijk is, of het woord zilver, dat in alle andere indogerm. talen ontbreekt. Weder andere woorden als: rijk, duin, valk, perk e.a. moeten wij naast eigennamen als Rhijn, Waal, Main, Donau aan de Kelten ontleend hebben. Later wederom namen wij uit Latijn en middeleeuwsch Latijn woorden als plant, paard, dat het germaansche woord hros nagenoeg verdrong; pijn, koken, spijs (d.i. spêse uit expensa) e.a. over.

De woorden, die zoo eenmaal uit den vreemde, hetzij onveranderd, hetzij door het onjuist opnemen in klank ietwat gewijzigd, in de taal burgerrecht verkregen hebben, nemen dan verder aan alle klankveranderingen deel, die de woordenschat der taal ondergaat. Omtrent den tijd waarin vele latijnsche woorden in den germaanschen taalschat zijn opgenomen, kan het Hoogduitsch door de tweede klankverschuiving, die het ondergaan heeft in de 7e en 8e eeuw, licht verspreiden. De overgenomen woorden zooals: pfeil, pflanze, strasse, schüssel moeten vroeger ontleend zijn dan pein, priester, schreiben, siegel e.a., daar de eerste onder den invloed der klankverschuiving de p in pf, de t in ss hebben doen overgaan, terwijl de laatste, overgenomen toen de klankverschuiving als klankwet gewerkt had, niet meer de consonanten verschoven hebben.

De overgenomen woorden verliezen doorgaans hun eigen klemtoon en worden geaccentueerd naar de regelen der taal, waarin zij het burgerrecht verkregen. Zoowel bij eigennamen als bij

[p. 167]

andere woorden is zulks het geval: Adam, David, Samaria - waarvoor door invloed van geleerden thans ook weer Samaría gehoord wordt - vénster uit fenéstra, voogd uit vocatus - doch advocaat - kunnen hiervan getuigen. Allengs kan een overgenomen woord zóó van uiterlijk veranderen, dat, vooral wanneer er bovendien in de moedertaal van dit woord veranderingen in den klank van het grondwoord ontstaan, het bewustzijn, dat het woord uit deze taal ontleend is, verloren gaat; het kan zelfs gebeuren dat zulk een woord nog eens voor de tweede maal wordt overgenomen, z.a. met Fransch cause en chose het geval is. Ten onzent is zoo iets het geval met dichten en dicteeren, proeven en probeeren, tafel en tabel e.a. De beide eerste woorden zijn aan het latijn ontleend - de vraag is echter of wel beide van dictare komen zooals Franck Etym. Wdb. i.v. wil; dichten toch heeft geheel het uiterlijk van een germaansch ww. dat van een woord dicht gevormd is; dit woord dicht ontstaan uit dictum, bestond in het mnl. in de beteekenis van letterkundig opstel in versmaat of proza en in die van rechterlijk vonnis; uit dicht in de eerste beteekenis ontwikkelde zich een ww. dichten: het samenstellen van een dicht; uit dicht in de tweede beteekenis dichten: iets uitdenken, bepeinzen; de dichter is de vervaardiger van een dicht. Ook dicteeren komt voor in de beteekenis van een dicht of letterkundig opstel vervaardigen. Dit woord schijnt echter verloren gegaan te zijn en eerst later weder op nieuw door het Fransche dicter in onze taal gekomen te zijn met de beteekenis van iets, dat men voorzegt, laten opschrijven. De oudere woorden hebben de k (c) voor t in ch doen overgaan, de jongere zijn op dit punt onveranderd gebleven.

Hoe overgenomen vreemde woorden hunne achtervoegsels langzamerhand zoo vasten voet in het taaleigen kunnen verschaffen, dat deze achtervoegsels en ook soms buigingsuitgangen zelfs achter de inheemsche woorden gevoegd worden, of hoe zelfs syntactische wendingen uit eene vreemde taal dergelijke wendingen, doch met inheemsche woorden, in eene andere taal kunnen doen ontstaan, zal ik niet verder uiteenzetten.

Het hier medegedeelde moge voldoende zijn om te zien dat de klankwetten onderhevig zijn aan storingen van allerlei aard; dan eens zijn de afwijkingen van den regel toe te schrijven aan psychische oorzaken, dan weder aan de werking van eene

[p. 168]

andere klankwet, die hier werkt doordat er omstandigheden zijn bij het woord, welke men eerst niet ontdekt had en die de werking der eene wet beperken of tegenhouden. Tal van feiten, die vroeger als willekeurige afwijkingen of uitzonderingen beschouwd werden, hebben zoo hunne verklaring gevonden. Ik behoef slechts te wijzen op de wetten over de eindklanken bij i- en ja-stammen e.a. door Sievers, over de nasalis sonans door Brugmann, over de verschillende werking der klankwetten tengevolge van verschillend accent der syllabe door Verner, en over de beperking van de wet der klankverschuiving door Ascoli, over het vocalisme van Saussure, Paul, Osthoff en anderen.

Van allerlei kleine en grootere storingen, die men waarnam, zijn de oorzaken en de omstandigheden, waaronder zij zich voordeden, ontdekt, maar er is ook nog zeer veel waarvan nog geen goede verklaring gegeven is, waarbij de oorzaak der storing nog niet gevonden is.

Houdt men dit alles in het oog en beschouwt men woordvormen als klein naast rein (ouder hrain), klinge naast Engl. link (ags. hlink), knol naast nol (ouder hnol), plat naast oud-Engl. flat, plint naast Engl. flint, kring naast ring (hring), knijpen naast nijpen, plek naast vlek e.a. of plat en Gr. πλατυς, Ind. prthus, hoepel en Ind. çâpa, plint en πλινϑος, klank en ϰλαγγη, Lat. clangor enz.1), dan zal men zien dat eene hoogere verwantschap dezer woorden, waarbij op enkele punten afwijkingen in de consonanten gevonden worden, niet onmogelijk is. Kortweg de afwijkende woorden voor jongere formaties te verklaren door de scheppende kracht van den menschelijken geest, ontstaan in de germaansche taal na de scheiding van de andere talen, is een uitweg zoeken om de moeilijkheid te ontwijken. Hiertegen is bovendien nog al het een en ander te zeggen: waarom o.a. zal men een tweede woord scheppen als er geen noodzakelijkheid voor bestaat, daar er voor dit begrip reeds een woord is overgeleverd? is het louter toeval dat de vocaal van dit later gevormde woord juist de vocalen van het

[p. 169]

oudere of van dat der andere taal bezit, en staat de differencieering in de beteekenis bij sommige dezer dubbelvormen, die reeds van vrij ouden datum is, terwijl bij andere weer in vroeger tijd eene vrij groote nadering in de beteekenissen te bespeuren is, niet met de verwantschap in eenig verband? Deze en andere vragen rijzen op bij het lezen van een dergelijke oplossing der kwestie als de bovengenoemde.

Welke nu de reden is waarom in het eene geval een vorm als kring, in het andere een vorm als ring zich in het germaansch vertoont, is m.i. nog volstrekt niet met zekerheid te zeggen. Wellicht hebben wij hier te doen met geregelde ontwikkeling van vroegere dialectische verschillen; te meer mag men iets dergelijks vermoeden daar ook o.a. in het Grieksch naast elkaar staande vormen met harde en zachte explosiva voor liquida of nasaal niet zeldzaam zijn: γϱομφάς, (zeug) lat. scrofa, γνάττω (rollen) naast ϰνάπτω, γνόφας, en ϰνέφας, γλαζω en ϰλαζω1). Uit Nederlandsche dialecten is mij slechts een enkel voorbeeld bekend dat voor eene r eene t tot d verzacht is; b.v. de ter A kerk te Groningen heet onder het volk nooit anders dan dra kerk; hierbij kan echter het lidwoord der een overwegenden invloed uitgeoefend hebben. In Friesche dialecten vindt men verscherping von dr tot Tr. zoo in Nal. trits naast drie, enz.

Wat thans niet meer geschiedt kan echter vroeger wel hebben plaats gegrepen. Om te beslissen of de volgende of voorafgaande liquida of nasaal in vroegeren tijd eene verandering in den klank bewerkt heeft, zal er nog meer over dit punt in oudere talen moeten onderzocht worden. Eene andere mogelijkheid is: dat het woordvormen zijn die uit andere talen of dialecten van indogermaanschen stam, waar eene dergelijke wijziging had plaats gehad, ontleend zijn, of wel dat het geïsoleerde vormen zijn geweest, bij wie de omstandigheden, waarin zij zich bevonden, eene storing in de geregelde werking der klankwetten hebben teweeg gebracht. Welke echter de oorzaak is kan m.i. nog niet met zekerheid worden opgegeven en zoolang deze niet duidelijk en deugdelijk is aangetoond, schijnt het mij verkeerd

[p. 170]

er eene op te geven, welke niet volkomen bewijsbaar is. Behartigenswaard toch dunkt in mij dezen de raad door J. Grimm eenmaal aan Schulze gegeven: für schwierige und dunkle Ausdrücke wird blosses Stillschweigen als Zeugniss einer noch obwaltenden redlichen Anwissenheit statthaft sein. Zulk Stillschweigen sluit echter nader onderzoek niet uit, gaat echter wel tegen om in korte bewoordingen zonder gegronde bewijzen de kwestie als opgelost voor te stellen. Volkomen juist is het woord van Brugman: unser aller Streben geht heute dahin den Ausnahmen und Unregelmässigkeiten gegenüber nicht nur gelegentlich, sondern jedesmal und systematisch nach dem die Ausnahmestellung bedingenden Grunde zu suchen, und wir halten die Aufgabe der Wissenschaft fo lange für unerledigt, bis die Antwort auf das warum gefunden ist.

 

Menigmaal heb ik mij in de voorgaande regelen moeten bedienen van vergelijkingen tusschen de oudere en jongere Nederlandsche taal en goede diensten heeft mij, waar ik voorbeelden van woorden of van verschillende vormen noodig had, het Middelnederlandsch Woordenboek bewezen. Mogen de enkele voorbeelden door mij hierboven aangehaald hebben doen zien welk een schat in dit werk gelegen is voor de juiste kennis van ons taaleigen en eene opwekking voor anderen zijn, om hetgeen ik met slechts enkele trekken aangaf verder na te sporen. Degene toch die ondernemen wil om over de geschiedenis van de beteekenis der woorden, over den strijd om het bestaan op taalgebied of over de dubbelvormen in het Nederlandsch een onderzoek in te stellen, zal hier voor het Middelnederlandsch bijna alles vinden wat hij noodig heeft. Verdam heeft toch niet alleen de verschillende woorden en woordvormen opgeteekend, de verschillende beteekenissen opgegeven, die aan een woord gehecht worden, maar ook alle formeele uitdrukkingen, waarin een woord voorkomt, afzonderlijk vermeld. Uit de zeven afleveringen, sedert mijne aankondiging in den vorigen zomer verschenen, neem ik hier alleen het woord dag; hierbij vinden wij: vijftien dage voor wat wij heden veertien dagen doch de Franschman quinze jours noemt, naestdagen d.i. eerstdaags, anders daechs, den vorigen of den volgenden dag, een verschijnsel, dat men ook in het Gotisch aantreft, waar gistradagis in de beteekenis van morgen voorkomt, den dach blasen, luden of roepen voor het

[p. 171]

aanbreken van den dag door een sein aankondigen, dach noch ure d.i. volstrekt niets, scone dach voor mooi weer, een hoge dach een hooge feestdag, open dach en er tegenover besloten dach voor een dag, waarop het geoorloofd, en een dag waarop het verboden is gerechtelijke handelingen te doen plaats hebben, Nieuwe dach en nieuwe avont voor Nieuwjaarsdag en oudejaarsavond, vooral het laatste woord verdient de aandacht om den overgang van beteekenis van het woord nieuw, ook vindt men er de nog bestaande uitdrukkingen goede dach, blide dach en droeve dach, waarvan de eerste in de syntactische verbinding goeden dag wenschen formeel geworden is. Veel minder formeele uitdrukkingen ontmoet men bij dag in de beteekenis van licht: met claren dage waar wij bij helder daglicht zouden zeggen en onder den dach d.i. onder de zon, nl. op aarde. Voor leeftijd, voor jaar of in het algemeen een minder bepaalde tijdsruimte, werd dach gebruikt, b.v. in cort dach, nog heden in gebruik, ook in uitdrukkingen, zooals wij thans gebruiken: de oude dag en bedaagd zijn of oud van dagen; in het mnl. was b.v. te sinen dagen comen meerderjarig worden, sine dage hebben mondig zijn, en van den minderjarige werd gezegd dat hi was onder sine dage. Groot is ook de rol die het woord dag in formeele uitdrukkingen van de rechtstaal speelt: voor ‘iemand dagen’ zeide men enen dach leggen of enen dach van rechte leggen; elders weder enen dach maken of setten; was het een crimineel proces waarvoor iemand aangeklaagd werd, dan werd hem een dach van hoechsten rechte ghekent (Matth. 204); ook in den zin van eene vergadering beleggen werd een dach leggen of setten gebruikt - vgl. voor setten in deze beteekenis onze hedendaagsche uitdrukking gelag zetten.

In de beteekenis van termijn komt het in verscheiden uitdrukkingen voor: een dach van berade geven, corte dach, dach verdragen d.i. een termijn toestaan, goet te dage setten, nl. op crediet verkoopen, jaer ende dach, een jaar, zes weken en drie dagen, een zeer oude en lang bewaarde termijn; zoo is het annus gratiae der predikantsweduwe een jaar en zes weken en vervalt het recht tot inlossing van panden in de bank van leening na dezen tijd; overigens echter is jaar en dag bij ons eene niet zeer nauwkeurige bepaalde groote tijdsruimte. In dach geven heeft het wederom de beteekenis van een termijn van uitstel, evenzoo in dag vercrigen, dat eigenlijk beteekende een dag ver-

[p. 172]

krijgen voor de terechtstelling; voor dien dag mocht men zich echter vrij bewegen, men kreeg dus een termijn waarop men zich weer gevangen moest geven en in de opvatting van het volk werd dit langzamerhand uitstel van executie verkrijgen tot dien tijd; vandaar dat dag ook de beteekenis van uitstel kreeg en zelfs gebezigd werd voor uitstel der vijandelijkheden, voor wapenstilstand. Deze beteekenis, uitstel, ontmoet men ook bij het ww. dagen, dat behalve dag worden en verwijlen, vertoeven ook rusten, uitstel geven, doen rusten, en een dag aanzeggen beteekende. Het werd b.v. gebruikt van een paard op stal doen vertoeven, rust geven, van daar een ghedaghet ors d.i. een frisch, vurig paard. Iemand dagen kon zijn hem laten wachten of wel hem op een bepaalden dag oproepen. Voor het aanbreken van den dag hebben wij thans van samenstellingen met dag alleen het woord dageraad over; het middelnederl. woordenboek kent er meer dan een; het vermeldt dageraet, dachlime, dagerake en dachgrake. De beide laatste woorden komen alleen in den Ferguut voor en ik meen te moeten betwijfelen of het bestaan van dach grake in het mnl. wel volkomen bewezen kan worden. Fergunt 252 heeft dachgrake, 2607 dagrake, terwijl vss. 2070, 3331 en 4539 dagerake voorkomt. Zooals Verdam toegeeft op blz. 40 kan dagrake in vs. 2607 evengoed als dagerake als dachgrake worden verklaard; ik zou nog verder gaan en het er voor houden dat dachgrake, door wanspelling of door invloed van het ww. graken op de samenstelling dagerake (waarin de e in de syllabe ge toonloos was), ontstaan is uit dagrake of dagerake. Het laatste lid dezer samenstelling hangt waarschijnlijk samen, zooals Verdam ook mededeelt, met Got. riqiz, oudnoorsch rökr (schemering), het is dus de dagschemering. In den vorm is echter verschil. De noorsche vorm rökr heeft ö, uit e ontstaan door invloed der u (v) van de volgende syllabe, die later weggevallen is; het Gotische woord heeft eene i uit e ontstaan. Was het woord volkomen hetzelfde, dan zou het bij ons reke moeten luiden; de vorm rake staat tot deze vormen in dezelfde verhouding van vocaal als stal tot stelen, als gave tot Gotisch giba en Oudnoorsch giöf.

Uit de vele woorden, die mij in verschillend opzicht belangrijk voorkomen, kan ik hier slechts enkele opsommen. Veel van hetgeen om klank of vorm de aandacht verdient stilzwijgend voorbijgaande, zal ik mij tot enkele bepalen, die wellicht den

[p. 173]

lezer van dit tijdschrift opmerkenswaardig voorkomen. Zoo was dame in het Middelnederlandsch niet alleen de naam voor eene gehuwde vrouw, maar ook van het damhert, doch terwijl het eerste uit het Fransche dame en dit weder uit domina zijn oorsprong had, was het tweede direct aan het latijnsche dama ontleend, waaruit ook het Fransche woord daim voortkwam; bij ons leeft dit woord nog in damhert en damwild. Naast de damosele (fr. demoiselle) kende men ook damoseel en dans, in Vlaanderen vooral in gebruik. De beide eerste woorden ontstonden uit dominicellus en dominicella, het laatste uit dominus; dit was vooral een titel van heiligen of geestelijken, gene waren titels van adellijke personen.

Wordt dempich thans meer bij uitstek van aamborstige paarden gebruikt, de Limburgsche sermoenen gebruiken het ook van menschen: Welc mensce sin evenkersten benijt, di es dempech in der borst. Als substanzen had men hiernaast dempicheit en dampte.

Zeer belangrijk voor de kennis van ons dijkwezen zijn de bladzijden, welke de met dijk samengestelde woorden bevatten, terwijl om overgang van de eene beteekenis in de andere en voor de kennis van de oude rechtsgebruiken het artikel dinc en die over de woorden met ding samengesteld of er van afgeleid zeer veel merkwaardigs bevatten.

In hoevele verschillende beteekenisen een woord in de taal kan voorkomen toont het werkw. doen wel zoo sterk als bijna geen ander. In zeventien kolommen komt het voor ten eerste als hulpwerkwoord, dan als transitief ww. met de beteekenissen: verrichten, met een subst. in den 4de nv. ter omschrijving van een ww. dat in het subst. ligt opgesloten, b.v. gebede doen = bidden, die hoede doen, sware doot doen, e.a., verder veroorzaken, maken dat iets geschiedt, bevelen, gelasten, in een toestand brengen, plaatsen, volbrengen, in orde brengen en geven - in deze beteekenis komt het heden ten dage in dialecten nog voor - bedragen of uitmaken; als intransitief werd het gebezigd voor handelen, het veroorzaken eener aandoening, voldoening geven: het maken of hebben, waarvoor thans varen in gebruik is, b.v. Lancelot: Hoe gevoeldi u nu? ie doe wel, - verder voor baten, afdoen, voor waard zijn of gelden en voor bezig zijn met iets, in allerlei beteekenis komt het bovendien wederkeerig voor.

Uit een ander woord wordt weder een aardrijkskundige naam

[p. 174]

ons helder. Een dogge of volgens Kiliaen een doggher was een schip, waarmede op de bot- of haringvangst werd gegaan en zeer waarschijnlijk heeft om het aantal dergelijke schepen, dat daar pleegt te visschen, de zoo bekende Doggersbank dien naam gekregen.

In hoeverre volksetymologie den vorm van een woord kan veranderen en hoe de beteekenis zich gelijktijdig hiermede geheel kan wijzigen, kan men zien wanneer men het middel-nederlandsche woord docsael met het hedendaagsche hoogzaal vergelijkt. Het woord is uit het Fransche kerklatijn tot ons gekomen; oorspronkelijk luidde het dorsale, d.w.z. volgens Durandus een tapijt in het koor achter den rug der geestelijken opgehangen (dorsalia sunt panni in choro pendentia a dorso clericorum). In den tijd toen dorsum tot mlat. dossum, ital. dosso (naast dorso) - vgl. ook het Fransche dos en endosser iets op de rug of achterzijde b.v. van een wissel schrijven - werd ook dorsale tot dossale. In het Fransch werd ss tot x, zooals deux uit duos, roux uit russus, toux uit tussis kunnen bewijzen, dossale werd hier tot doxale. In de 13e eeuw had er in de beteekenis van het woord eene wijziging plaats, vooral ten gevolge van eene verandering in de inrichting van het inwendige der kerk; de doxalen waren hooge geheel afgesloten zetels geworden, en vervolgens werd eene galerij voor de zangers en ook de afsluiting met dien naam bestempeld, terwijl hieruit later eene min of meer verheven galerij ontstond, welke in sommige kerken zich in de nabijheid van het presbyterium bevond, in andere boven het kerkportaal. Toen het vreemde woord docsael hier in gebruik kwam, begreep men het niet en zag in de d, dewijl het woord het manlijk geslacht gekregen had, de verkorting van het lidwoord de. Toen deze d nu weggelaten werd en de ocsael een hooge galerij aanduidde, heeft in een dialect waar de aanvangs-h werd weggelaten, de volksetymologie zich van het woord meester gemaakt en het in verband met hoog gebracht waardoor het tot hoogzaal werd; zoo gebruikte Moll het in zijne kerkgeschiedenis II3, 146: in plaats van hekwerken... waardoor men de koren der kerken naar de zijde van het langhuis oudtijds afsloot, kwamen de zoogenaamde hoogzalen of oxalen op, verhoogde tribunen, enz.

Een aantal namen had het sedummajus, thans alleen onder dien van huislook, dialectisch ook knoflook, ouder cluflook be-

[p. 175]

kend. Behalve huslok werd het vroeger donderbaert, donderbone, donrelooc en donreblat genoemd. De medicijnboeken der middeleeuwen reppen meermalen van de genezende kracht van dit kruid, b.v. voor een blauw oog, of na eene lating. Het vermocht echter nog meer: op het dak geplant, beschermde het de woning tegen het inslaan van den bliksem. Dit geloof schijnt wijd verbreid geweest, want ook in Frankrijk heet de plant Joubarbe d.i. Jovis barba. Nog heden ziet men het op de boerenwoningen in Overijsel, Gelderland en Westfalen, maar het geloof aan de wonderkracht is verdwenen en de naam, die hierop doelde, is verloren gegaan.

Hoe twee woorden in afkomst en beteekenis verschillende tengevolge van werking der klankwetten en van psychische invloeden eene gelijken vorm kunnen verkrijgen blijkt uit de beide werkwoorden driegen.

Het eene is hetzelfde als ons woord bedriegen en kwam in het Middelnederlandsch, evenals nog thans, zeer dikwijls verbonden met liegen voor. Het behoort tot die ww. wier ie beantwoordt aan eene oud-hoogduitsche eo en gotische in; kwam het in het Gotisch voor, dan zoude het driugan moeten luiden. Toevallig komt in deze taal wel een gelijkluidend woord voor, maar toch is dit naar alle waarschijnlijkheid niet verwant. Het gotische driugan beteekent krijgsdienst doen en is verwant met de middelnederl. woorden drucht (drocht) aanval, aandrang en waarschijnlijk met drossate of drossaard. De oudduitsche vormen truhtsazzo en de noorsche vorm drottsät (uit drohtsät) pleiten voor eene samenstelling uit hd. truht, (noorsch drott), dat schaar, troep beteekent, en sezzen ndl. setten; derhalve zou de drossaet de persoon zijn, die de hoorigen, de troep de plaats aanwijst; dit ambt van bevelhebber der hoorigen heeft zich verder uitgebreid tot legerbevelhebber en tot stadhouder. Daar hij de persoon was aan wien de schikking ter tafel des heeren was opgedragen, had hij in latijnsche stukken den naam van dapifer of discophorus, een titel, die, schoteldrager beteekenend, hoogstwaarschijnlijk in beteekenis gelijk te stellen is met die van maarschalk, welk woord evenmin in de letterlijke beteekenis van paardeknecht moet opgevat worden. Naast drossate stond in het mnl. nog een ander woord van denzelfden stam, nl. drochtin, eigenlijk legerhoofd beteekenende, doch allengs meer in de speciale beteekenis van den heer der heerscharen gebruikt

[p. 176]

en met eene bijvoeging als de helsche drochten voor den duivel.

Met deze woorden kan driegen, oudsaksisch bidriogan, moeilijk samenhangen, wel met het Sanskrit ww. druh, welks h uit gh ontstaan is en waarbij de eerste dh, daar de volgende consonant ook een geaspireerde was, tot d werd. Uit een indogermaanschen vorm drugh moeten voortgekomen zijn het Sanskrit nw. druh, iemand schade doen, het Perzische drauga, leugen, en met overgang van dh tot d en gh tot g de germaansche vormen dreogan, driogan, driegen en draug, ndl. droog en bedroog, plur. drugum, drogen, ndl. bedrogen.

Het andere werkw. driegen daarentegen luidt in het oudgermaansch drîhen, ouder nog thrîhen, en beteekent vasthechten en verder aan elkaar naaien. Eigenlijk moest het in het Nederlandsch dus drîën of dryen luiden. De g is in den praesensvorm gekomen door andere vormen, waarin eene g voorkwam, zooals ook met tîhan, verl. tijd meerv. tigum, in het Nederl. tygen, tegen (aantygen) het geval is. Voor de ie zou men eene ij verwachten, doch de oude uitspraak der lange i heeft zich in dit woord staande gehouden, wellicht doordat het alleen in één dialect bewaard bleef en andere dialecten, die î in ij deden overgaan, het niet kenden.

Een merkwaardig voorbeeld van vervorming, waarschijnlijk voor een deel het gevolg van volksetymologie, biedt het woord druutsman, uit het Arabische tardjomân (tolk) voortgekomen. Het Arabische woord gaf het aanzijn aan het Spaansche trujaman en dit waarschijnlijk aan het Fransche trucheman, waaruit weder het mhd. trützelman en ons nederlandsche woord. Later of langs anderen weg namen middeleeuwsch Latijn, Fransch en Duitsch het woord nog eens weêr over, doch meer direct van de Arabieren, respectievelijk als dragumanus, dragoman en tragemunt, het laatste tengevolge van volksetymologie in verband gebracht met munt (mond). Ten onzent is de overgang van t in d, van trucheman tot druutsman zeker een gevolg geweest van het zoeken naar eene verklaring voor dit onverstaanbare woord en, daar er nu het woord druut (vriend, makker) het meeste in klank mede overeen kwam en in beteekenis eenigszins was overeen te brengen, wijzigden zich de klanken naar dit woord.

Veel, zeer veel is er uit de thans verschenen afleveringen nog te leeren; ik mag echter niet meer van de plaatsruimte

[p. 177]

van dit tijdschrift hiervoor vergen. Slechts een enkel woord nog over eenige woorden, waaraan ik iets toe te voegen of waarbij ik iets opgemerkt heb.

Op blz. 19 staat: ‘het is niet waarschijnlijk dat elandsvleesch hier in de middeleeuwen bekend zou geweest zijn;’ in overeenstemming hiermede is het ontbreken van den naam elo op deze bladzijde. Wil men zeggen dat het elandsvleesch in de 13e en 14de eeuw hier niet meer bekend was, dan is m.i. hiertegen niet veel te zeggen; vroeger moet dit echter wel het geval geweest zijn, want in een giftbrief van 944 (Heda Hist. p. 84) vindt men bepalingen over de jacht op de Veluwe, waarbij onder andere diernamen ook de namen elo en schelo voorkomen.

Het adjectief deelloos, d.i. van de deeling uitgesloten, komt in dialect voor in eene andere beteekenis, nl. in eene, die het gevolg kan zijn van de hier vermelde. In de Graafschap Zutfen en Twenthe komt een woord deilloos voor, oneenig, twistende, beteekenend.

Bij dreen (blz. 393) plaatst Verdam een vraagteeken met de woorden ‘misschien = drien, datief van drie.’ De vorm komt voor in een charter uit Drenthe en is inderdaad niet anders dan de datief van dre = drie. De klanken ie en e stonden in de oostelijke dialecten niet ver van elkander. Soms vinden wij schrijvers die alle ie als e spellen, soms andere die aan ie de voorkeur geven, soms ook wisselen beide af; zoo leest men in de Griseldis: drewerff naast drie, iersten en iedel voor eersten en edel, in de Warfoordeelen van Groningen vindt men bi dren marken to broken. Trouwens men vindt bij Verdam in het artikel drie ook den vorm dre genoemd. Het vraagteeken bij dreen kan dus vervallen en het geheele artikel behoorde onder dre, of drie.

Bij dune, duin had m.i. nog gevoegd kunnen worden dat het woord èn ten onzent èn in het Engelsch hoogstwaarschijnlijk aan het Keltisch ontleend is, dat dûn in den zin van heuvel kende, zooals blijkt uit het Oud-iersch. Aan dit keltische woord kunnen ook de plaatsnamen Lugdunum, Augustodunum e.a. hun laatste lid ontleend hebben.

De tweede beteekenis van het woord dwelm is dwaas, persoon die verbijsterd van zinnen is. In het oosten van ons land is het nog bekend voor soes, droomer.

Het voorvoegsel ed (et) hd. ita, onrd. iet komt, even als de

[p. 178]

daarnaast loopende vorm eder, hd. itar, itur, onrd. idur in de meeste germaansche talen voor; de beteekenis is die van weder, soms heeft het bloot intensieve kracht. In het oudsaksich vindt men hiervoor idug in iduglonon, vergelden; met Behaghel wil Verdam hiervoor lezen idurlónon, daar er geen dergelijk woord elders in het Germaansch voorkomt. Het is waar: noch in Duitsch noch in Engelsch komt een woord voor dat hiermede overeenkomt en men zou dus geneigd zijn het voor eene verschrijving uit idugilonon te houden, dat dezelfde beteekenis vergelden, moest gehad hebben; er bestaat in het Skandinavisch echter een woord idugliga naast idurliga en dewijl dit op drie plaatsen voorkomt is zijn bestaan wel verzekerd. Men kan dus constateeren dat id of ndl. et, idur ndl. eder en idug voorkomen als voorvoegsels met dezelfde kracht. De verdere oplossing der kwestie zal tot later bewaard moeten blijven.

In het Middelnederlandsch zijn bij eemke twee woorden en beteekenissen door elkaar geloopen (z. Verdam i.v.), het beteekende krekel en mier. In de eerste beteekenis luidde het woord eigenlijk heemke. Deze ee is in het Oosten van ons land, zooals boven gezegd is, zeer dikwijls door ie weergegeven, daar de ee en de ie elkander zeer naderden, van daar dat hiemke daar de huiskrekel beteekent en ook, als verkleinwoord van heem of heim, de naam van een klein huis is. Op Hollandschen bodem komt het woord heim reeds zeer vroeg voor, hoewel Franck Etym. Wdb. meent dat het woord eerst in laat Middelnederlandsch onder duitschen of frieschen invloed hier herleefd is. Sassenheim en dergelijke namen pleiten echter voor het bestaan van dit woord hier te lande in vrij ouden tijd. Werd van dit woord een naam gevormd voor de krekel of huiskrekel evenals hiemke van hiem, dan moest dit heimpje luiden, evenals van bloem bloempje het verkleinwoord is En als heimpje èn als hiemke komt het in de dialecten voor en het heeft dus allen schijn van een echt Nederlandsch woord te zijn en niet zooals Franck Et. Wab. 356 schrijft ‘eerst in het Ndl. naar het duitsche heimke, heimchen gevormd.’ De neiging om bij elk woord dat niet in het Ndl. voorkomt te denken aan ontleening uit eene andere taal is bij Frank wel wat heel sterk; nog heden leeft er in de dialecten zoo menig woord dat niet in de spreektaal voorkomt en wel in het Mnl. woordenboek; ook vroeger zal zulks wel het geval geweest zijn en zullen de Middelnederlandsche dialecten

[p. 179]

menig woord gekend hebben, dat niet in de geschreven taal gebezigd is.

Ten slotte nog een woord bij het artikel donc, blz. 284. Verdam zegt en naar ik geloof terecht: ‘Onderaardsche kelder, kamer onder den grond dienende om te weven of om graan te bewaren,... in plaatsnamen heeft het de algemeene beteekenis van huis aangenomen.’

De verklaring van dit woord is moeielijker dan men uit die enkele regels zou zeggen. Het woordenboek behoeft echter niet verder te gaan, dan het resultaat mede te deelen, waartoe de onderzoekers naar de beteekenis van het woord gekomen zijn. Er zijn er onder deze die verwantschap zien met dong mest, terwijl er wederom anderen zijn die het voor eene afleiding van het keltische woord dun, kasteel, houden. Sommigen brengen het met Fr. donjon in verband, anderen weder meenen dat dit er van gescheiden moet worden als ontstaan uit domnion, en dit uit dominionem, zoodat het de heerschende toren, de hoofdtoren zou beteekenen. Dat het woord domnion toren beteekende blijkt uit eene plaats bij Ducange opgegeven, waar bij een aanval op zulk een toren de uitdrukking gebezigd wordt: conscenso domnione.

De namen op Donk zijn tot een betrekkelijk klein gebied beperkt. Zij worden binnen onze grenzen voornamelijk ten zuiden van de Lek gevonden, derhalve in de provinciën Noord-Brabant, Limburg en in de Betuwe - minstens 27 dezer namen, voor zoover mij bekend in Noord-Brabant, zeven in Limburg en vijf in de Betuwe, benoorden de Lek drie plaatsen -, in Duitschland komen zij buiten de Rijnprovincie slechts op enkele plaatsen voor; des te meer in België en Luxemburg. De plaatsnamen op Donk zijn nog niet onderzocht ten opzichte der vroegere spelling, de enkele, die dit wel zijn, zooals Keldunck (Sloet ao 756), Averdunk in Westfalen (9e eeuw Aberesdung), Daesdonck bij Gent (967 Thesledung) en Mendonck bij Gent (967 Metmedung) bewijzen dat de oudere vorm van het woord dung luidde. Uit de woorden, waarmede donk in deze eigennamen is samengesteld, valt voor de beteekenis niets af te leiden - voor een groot deel zijn zij onverstaanbaar en dit doet vermoeden dat dit woord in deze samenstelling al in zeer vroegen tijd van de verwante vormen moet zijn afgescheiden. Op zich zelf bestaat het woord ook nog, doch niet hier maar in Duitschland: in Augsburg nl. wordt een

[p. 180]

kelderverblijf, waarin geweven wordt, een dunk genoemd (Schmeller, 1. 385). Reeds in zeer ouden tijd schijnen zulke verblijven de plaatsen geweest te zijn waar geweven werd, Plinius althans in zijne Historia Naturalis 19. 1 zegt van de Germanen dat zij dit handwerk uitoefenen in den grond, onder de aarde. De oudduitsche Glossen hebben dit woord dan ook geregeld ter vertaling van het latijnsche textrina. Tacitus verhaalt dat de Germanen winterwoningen en bewaarplaatsen van voedsel onder den grond hadden, die zij voor de warmte met mest bedekten. Dung of Donk moet dus in 't algemeen een kelderverblijf aangeduid hebben - zoo als men weet hebben wij het woord kelder eerst later van het latijn overgenomen - en wel zoowel om in te wonen als om de veldvruchten te bewaren. Nog komen dergelijke kelders voor bij de Spanjaarden, die ze Silo's noemen, een naam thans ook hier te lande gebruikelijk bij de ‘ensilage’, d.i. het in kuilen of in steenen kuipen bewaren van groen veevoeder. Verder werd het in het middelhoogduitsch voor een onderaardsche gang gebruikt (Ottocar 427) en eindelijk beteekende het ook nog het vrouwenverblijf, eene beteekenis, die oud moet geweest zijn, want ook in Skandinavië was eene dyngja de benaming voor dat gedeelte van het huis, dat men in Duitschland later de Kemenade noemde.

Bij de Angelsaksen beteekende ding (uit dung + i) ontstaan eene gevangenis, terwijl dynige eene beteekenis had, die men ook soms aan hd. tunc eigen vindt, nl. die van afgrond, woeste bergstreek. dh. unzuvarili gitungi, glosse bij inaccessus recessu. Het engelsche dungeon wordt door sommigen verklaard als eene verbastering van donjon; niet onmogelijk is het dat dit woord eenigen invloed op den vorm gehad heeft, doch daar de vormen dongio en dungeo met de beteekenis van hoofdtoren bij Ducange voorkomen, is het waarschijnlijker dat dungeon hiermede overeenkomt, terwijl deze de vormen hebben, die men ook bij dung of donk aantreft.

De beteekenis is dus allengs veranderd en in velerlei richting gewijzigd. Welke het woord oorspronkelijk in de plaatsnamen op donk had, is nog niet nauwkeurig te zeggen; het schijnt echter in de meeste gevallen een huis of kasteel te beteekenen. In de Nomina Geographica hoop ik nader dit woord te bespreken na de verschillende samenstellingen meer in bijzonderheden te hebben nagegaan; hier moge dit voldoende

[p. 181]

zijn om te doen zien hoe men tot de door Verdam medegedeelde verklaring van Donk gekomen is. Om deze reden zal ik ook hier de vraag of Donge, Dongen, Donk en Dong, hd. dünger met elkander in eenig verband staan onbesproken laten. Wellicht zou ik hiervoor te veel vergen van het geduld der lezers van dit tijdschrift, wien ik trachtte te doen zien hoeveel er uit de woorden door Verdam opgeteekend te leeren valt en op welke wijze men dien woordenschat kan gebruiken om tot meer nauwkeurige kennis onzer taal te geraken. Moge menigeen er een spoorslag in vinden om het boek zelf ter hand te nemen en zich opgewekt gevoelen om het rijke materiaal te verwerken.

 

J.H. Gallée.