De Gids. Jaargang 51


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1887


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 189]

Vondel's verhouding tot de kerkelijke en staatkundige twisten van den aanvang der XVIIe eeuw.

Voor een volk, met een geschiedenis zoo roemrijk, met een voorgeslacht zoo rijk aan groote mannen op elk gebied, als het Nederlandsche, is het vieren van geschiedkundige gedenkdagen niet moeielijk. Elk jaar brengt zijne herinneringen van een of meer eeuwen, en juist de steeds aangroeiende overvloed doet wellicht van lieverlede de feestvieringen zeldzaam worden. Ook het jaar 1887 brengt ons een eeuwgetij van beteekenis: op den 13en November sluit de derde eeuw na de geboorte van onzen Joost van den Vondel. Als bewijs van belangstelling in dien feestdag, veroorloof ik mij den lezer van dit tijdschrift, bij deze gelegenheid, één tijdvak uit het leven van den dichter, het belangrijkste en aantrekkelijkste wellicht, in herinnering te brengen, en het aandeel te schetsen dat Vondel in de kerkelijke en staatkundige twisten van den aanvang der zeventiende eeuw genomen heeft.

 

Om Vondel's verhouding tot den strijd zijner dagen te begrijpen, is het noodzakelijk een blik te slaan op de ontwikkeling van den strijd in de hervormde kerk te Amsterdam. Die strijd heeft in de gansche republiek, gedurende de laatste jaren der XVIe en de eerste der XVIIe eeuw, hetzelfde verloop gehad, in dien zin dat hij met de volkomen zegepraal van het Calvinisme eindigde. Overal vertoont hij dezelfde trekken, maar in elke stad der Vereenigde gewesten had hij een eigenaardig karakter. Hier was het Calvinisme dadelijk meester en kon het bijna zonder krachtsinspanning alle tegenstanders tot zwijgen

[p. 190]

brengen, daar behaalde het de overwinning niet dan nadat het zelf eerst een tijd lang onderliggende partij was geweest.

Van alle Hollandsche steden was Amsterdam het langst Spaansch en dus katholiek gebleven. Eerst den 26en Mei 1578, met de volksbeweging die de stedelijke regeering op dien gedenkwaardigen dag uit haar stadhuis verjaagde, deed de hervorming voor goed haren intocht in de stad. De katholieke geestelijkheid werd uit de stad verdreven, de kerken werden van beelden en altaren beroofd en door de hervormden in bezit genomen. Gedurende de eerste jaren die op dezen omkeer van zaken volgden was de verhouding tusschen de verschillende hervormde sekten goed. Zij hadden gemeenschappelijk geleden en gestreden, de zegepraal was door aller toedoen behaald. De nieuw aangestelde Vroedschap, door de schutterij gekozen, was in hare begrippen van godsdienstige vrijheid ruim. Zij schijnt zelfs niet uitsluitend uit Calvinisten te hebben bestaan. De meeste der nieuwe regenten hadden gedurende de dagen van geloofsvervolging, in Hamburg en Embden, of in de steden van Holland, die de Spaansche zijde reeds verlaten hadden, het oogenblik afgewacht dat ook in hunne geboortestad het belijden van het nieuwe geloof geen gevaar meer zou opleveren. Zij waren, toen de geloofsvervolgingen ophielden, in hunne verlaten huizen teruggekeerd, met de herinnering aan hartelijke vriendschapsbetooning en trouwe diensten, hun in den tijd hunner ballingschap bewezen door menschen van allerlei geloof; zij hadden de gewetensvrijheid leeren beschouwen, niet als een voorrecht voor zichzelven alleen, maar als een beginsel, en waren er sterk van doordrongen dat het alleen de miskenning van dit beginsel was geweest, die Filips de heerschappij over hun vaderland had doen verliezen. Bij hen vonden dan ook de gereformeerde predikanten, zoo dikwijls zij pogingen aanwendden om Doopsgezinden of leden van andere gezindheden het recht van vrije godsdienstoefening te doen verbieden, weinig gehoor, en nog gedurende de jaren van Leycester's bewind konden de gereformeerde predikanten, die allen vurige aanhangers van den Engelschen graaf waren, er niet in slagen om de anti-Engelsche staatkunde van de Amsterdamsche regeering te dwarsboomen.

Intusschen groeide de bevolking van Amsterdam sterk aan, en deed de groote uitbreiding van den handel er de welvaart en den rijkdom verbazend snel toenemen. De middeleeuwsche

[p. 191]

houten gevels in de oude stad verdwenen de een vóór de ander na, om voor hooger, ruimer huizen plaats te maken. Buiten de poorten ging het bouwen gestadig zijnen gang, zoodat binnen twintig jaren de stadswallen en grachten tweemalen verlegd en vergraven moesten worden om ook de nieuw aangebouwde voorsteden binnen den kring van bolwerken op te nemen. Ofschoon destijds het Koningsplein en de Muntsluis de uiterste punten der stad waren en het vee nog rustig graasde, waar nu de deftigste huizen zich in de bochten van Heeren- en Keizersgracht spiegelen, was toch de bevolking reeds tot 100.000 bewoners gestegen. Dien bloei en voortdurenden aanwas der bevolking deden de vrijzinnige regenten gelden, zoo dikwijls dit noodig was, als beweegreden voor kerkelijke en godsdienstige verdraagzaamheid. Tegen de Calvinisten, die geen schooner ideaal kenden dan om van Amsterdam het Genève van het Noorden te maken, en er de staatsinstellingen van Calvijn's stad als onverbeterlijk model in te voeren, merkte de burgemeester Hooft aan, dat, naar hetgeen hij vernomen had, de stad Genève klein was, en hare inwoners menschen waren van geen groot vermogen, dat de regeering van een dergelijke stad vrij wat gemakkelijker en eenvoudiger was dan die van een zoo volkrijke als Amsterdam, en met den rechtmatigen trots van regent eener stad, die alle steden van Europa in aanzien scheen te zullen gaan overtreffen, voegde hij er bij: ‘By een schipper van een groot schip wordt veel meer ervarenheid en bescheidenheid vereischt dan bij den schipper van een mosselschuit’.

 

Maar onder de duizenden die jaarlijks de poorterlijsten op het stadhuis te Amsterdam deden aangroeien, waren er velen die naar de groote koopstad kwamen, wel met het doel om er gewetensvrijheid te zoeken, maar niet met het voornemen om haar te helpen handhaven. De Brabantsche en Vlaamsche Hervormden die, nu de Zuidelijke gewesten onder Spanje's heerschappij schenen te blijven, hunne huisgoden naar de boorden van den Amstel hadden overgebracht, behoorden voor een groot deel tot de felle Calvinisten, tot het slag van mannen die onder Hembyze en Datheen de wijze staatkunde van Willem I te Gent hadden helpen verijdelen. Hunne vestiging versterkte het Calvinistische element te Amsterdam aanzienlijk. De predikanten en de kerkeraad waren spoedig allen streng Calvinist.

[p. 192]

Toen Arminius in 1603 Amsterdam als predikant verliet om den hoogleeraarsstoel te Leiden in bezit te gaan nemen, verloor de kerkelijke wereld te Amsterdam haar laatste vrijzinnige bestanddeel. Welhaast wisten kerkeraad en predikanten ook hunnen invloed op de verkiezing voor de stedelijke regeering te doen gelden. Na 1611 kwam er niemand meer op het kussen, die niet openlijk bekend stond als aanhanger der Calvinistische leerbegrippen. Het oudere geslacht der meer gematigden moest, voor zoover het nog leefde, plaats maken voor de jonge Calvinisten, die eerlang op het raadhuis te Amsterdam oppermachtig gezag voerden.

Inmiddels was de godsdienstige strijd in een staatkundigen ontaard, die welhaast tot een burgeroorlog dreigde aan te wakkeren. Amsterdam bleef gedurende dien strijd het bolwerk van de partij van Prins Maurits en der Contra-Remonstranten. De Calvinisten, die in de Hollandsche steden, waar staatsgezinde overheden de Remonstrantsche predikanten handhaafden, zich tot - zooals zij dat ook toenmaals noemden - doleerende kerken hadden vereenigd, hielden binnen Amsterdam onder voorzitterschap van den predikant Plancius hunne samenkomsten.

De Remonstranten daarentegen waren te Amsterdam nauwelijks veilig. De straatjeugd, voor wie de nieuwe naam ‘Arminianen’ te vreemd klonk, riep hen met het haar meer gemeenzame woord van ‘bavianen’ na; bekende aanhangers van het Remonstrantsch geloof werden op straat beleedigd en beschimpt, en eindelijk zelfs het huis van een hunner door het gepeupel ten aanschouwe van duizenden opengebroken en geplunderd. Toen de partij der Remonstranten door Prins Maurits' staatsgreep ten onder was gebracht, zag men in Amsterdam dan ook weinig verandering. Bij de omzetting der vroedschap, door den Prins in alle steden bewerkstelligd, werden in Amsterdam slechts zeven leden van hunne waardigheid ontzet. Voor het oog juichte iedereen er den val van Oldenbarneveld en zijnen aanhang toe.

 

Toch waren er niet weinigen in Amsterdam, die met diepe smart en groote bezorgdheid den loop der zaken aanzagen. Zij bleven aan dien 13en Mei van het jaar 1619, toen de een-en-zeventigjarige staatsman het schavot op het Binnenhof met zijn bloed had gekleurd, denken als aan den rampzaligsten dag,

[p. 193]

dien het vaderland bij hun heugen had zien aanbreken. Het was onder zulke mannen, dat de jonge Vondel, die in de eerste jaren der zeventiende eeuw met zijnen vader in Amsterdam was komen wonen, dagelijks verkeerde. Met de Calvinisten had hij geen enkel punt van aanraking. Als zijn vader behoorde hij tot de Doopsgezinde gemeente en al stonden de Doopsgezinden in zekeren zin buiten den strijd in het hervormde kerkgenootschap, toch waren zij evenzeer als de Katholieken en Lutheranen op de hand van de Remonstranten. Zij wisten te goed, dat het Calvinisme, dat in de kerk geen andere leer duldde, zoo het in den staat de vrije hand had, met alle andersdenkenden korte metten zou maken.

Maar ook de letterkundige vrienden, met wie Vondel in de vergadering der rederijkers reeds vroeg kennis had gemaakt, behoorden geen van allen tot de Contra-Remonstrantsche partij. Zij waren schier allen bij de Calvinisten bekend als ‘libertynen’, wij zouden met een uitdrukking van onzen tijd zeggen: zij beleden een Christendom boven geloofsverdeeldheid. De oude Roemer Visscher, in wiens gastvrije woning in de toenmaals niet alleen fatsoenlijke maar voorname Zeedijk, zich de jeugdige letterkundigen van Amsterdam vereenigden om er naar de wijze raadgevingen van den heer des huizes te luisteren en de schoone oogen zijner beroemde dochters Anna en Tesselschade te bewonderen, was met zijn gezin aan de katholieke kerk getrouw gebleven. Zoo er aan zijnen gezelligen haard over de Calvinisten gesproken werd, dan was het zeker niet tot hunnen lof. De jonge Drossaart van Muiden, de zoon van den Burgemeester Hooft, evenals zijn vader geen lidmaat van eenig kerkgenootschap, die veel in dien kring verkeerde, hield zich met een voor zijne jaren zeldzame onbevangenheid, buiten de godgeleerde en kerkelijke twisten, die het gansche land beroerden, wat echter niet belette, dat hij aan den Calvinistischen predikant Plancius, die hem met een Amsterdamsch ambtgenoot over de beroeping van een predikant te Huizen in het Gooi, waartoe hij krachtens zijn ambt als Drossaart moest medewerken, kwamen onderhouden, ten antwoord gaf: dat hij voor die eenvoudige huislieden geen leeraar begeerde, die hun gemoed zou verontrusten met hoogloopende kwesties, die zonder gevaar voor hunne zaligheid geïgnoreerd, maar niet zonder gevaar gescruteerd konden worden. Een ander huisvriend van Visscher,

[p. 194]

de geneesheer van het Amsterdamsche gasthuis, Dr. Samuel Coster, van een inborst geheel tegenovergesteld aan die van den kalmen Drossaart, bracht in den vriendenkring al het vuur van den strijdlustigen partijman, en, wanneer hij er zijn treurspel Ifigenia voorlas, dat eerlang opgevoerd aan de predikanten zoo groote ergernis gaf, zullen de bedaardsten van het gezelschap zich wel eens hebben afgevraagd, of deze aanval op de kerkelijke partij niet te ver ging. Maar voorspraak of verdediging vonden de Calvinisten er zeker niet. In Amsterdam was er geen hunner die in de letterkundige wereld verkeerde, en Vondel heeft dan ook in zijne jonge jaren waarschijnlijk met geen enkelen Contra-Remonstrant vertrouwelijken omhang gehad. Met besliste Remonstranten des te meer. Vondel's eerste proeve op dramatisch gebied, het Pascha of de uittocht der kinderen Israels uit Egypte, in 1612 verschenen, werd door hem met een fransch gedicht opgedragen: à mon singulier ami Jean Michiels Vaerlaer. Deze Vaerlaer, vermoedelijk uit Duitschland naar Holland geweken zooals Vondel's familie, had in Amsterdam met den handel in laken zooveel gewonnen, dat hij de stad en de beurs had kunnen vaarwel zeggen om in een Stichtsche heerlijkheid, uit de nalatenschap van Filips Willem van Nassau aangekocht, het landleven te gaan genieten, zoodat Vondel van hem zong:

 
Qui pour les bords du Lek et son bord verdisant
 
Quitta le bleu Triton de l'Amstel ondoyant
 
Et étant petit roi de Jaersvelt ne désire
 
Changer son libre état pour un plus grand empire.

Als ‘petit roi’ van Jaarsveld was het dan ook deze Michiel Vaerlaer, die zich te vergeefs weerde om de gemeente Jaarsveld buiten alle classicale besturen en synodale bemoeiingen te houden, ten einde den bekenden remonstrantschgezinden predikant Paschier de Fyne, die bij hem op het kasteel woonde, voor afzetting en verbanning te behoeden. Een pogen evenwel dat niet met den gewenschten uitslag bekroond werd, want niettegenstaande hij door zijnen bij Maurits en de Contra-Remonstranten invloedrijken bloedverwant, Adriaan Paauw, werd gesteund, moest hij toch ten slotte zijnen predikant aan den kerkelijken ijver van de Zuid-Hollandsche Synode ten offer laten.

[p. 195]

Maar al mocht men ook in de libertijnsche vriendenkringen van Amsterdam aan zijne verbittering tegen de Calvinisten den vrijen teugel laten, in het openbaar hield men zich stil. Men had den moed niet zich openlijk als tegenstander der Calvinisten en voorstander van de staatkunde van den gevallen lands-advokaat uit te spreken, zoolang de vorst leefde aan wien de Contra-Remonstranten hunne overwinning dankten, en wien de Remonstranten, in het vertrouwelijk gesprek, thans den scheldnaam gaven van de Mof, de, in hun oog afkeurenswaardige eigenschappen van zijn karakter liever op rekening zijner beruchte Duitsche moeder, dan van zijnen hoogvereerden vader schrijvend. Vooruitzicht op spoedige verandering bestond er niet Prins Maurits was een krachtig man tusschen de vijftig en zestig, wien niemand een vroegen dood voorspelde. Toch kwam in het najaar van 1624 het bericht dat hij van het leger bij Breda in den Haag was teruggekomen, minder gezond dan men dat van hem gewoon was, en dat zijne ongesteldheid meer was dan gemelijkheid over zijnen mislukten veldtocht van dat jaar. In het voorjaar van 1625 luidden de berichten ongunstiger, en welhaast vernam men te Amsterdam dat de toestand van den Prins hoogst bedenkelijk was. De tijding had - naar men kan begrijpen - zeer verschillende uitwerking. Nog op zeer hoogen leeftijd, wist Vondel te verhalen, hoe zijne huisvrouw hem 's morgens uit het voorhuis naar het bovenkamertje, waar hij zat te studeeren, toeriep: dat er een bericht uit den Haag was gekomen dat de Prins op het uiterste lag, en hoe hij haar had geantwoord: ‘Laat hem maar sterven, ik ben al bezig hem te overluiden.’ -

Inderdaad was Vondel toen met een letterkundigen arbeid bezig, die hem den Prins geen oogenblik uit de gedachten deed gaan. Het denkbeeld om den val van den landsadvokaat in een treurspel te vereeuwigen, had hem lang beziggehouden. Hij zal er wel niet ernstig aan gedacht hebben om Oldenbarnevelt en Maurits in eigen persoon tot treurspelhelden te maken. In Engeland mocht men dat doen, in Nederland kon aan zoo iets niet gedacht worden, en toen Vondel aan iemand die er hem den raad toe gaf antwoordde: ‘Het is daar de tijd nog niet voor,’ zal hij wel geringe hoop hebben gekoesterd, dat die tijd bij zijn leven ooit zou aanbreken. - Maar er was een andere vorm waaronder de gebeurtenis, die op het gemoed van

[p. 196]

den dichter een zoo diepen indruk had gemaakt, in een dichterlijk kleed kon verschijnen. Dr. Coster had in de door hem zelven gebouwden schouwburg het anticalvinistisch publiek van Amsterdam in verrukking gebracht door de opvoering van zijn treurspel Ifigenia, waarin de strijd tusschen den Griekschen vorst Agamemnon en den priester van Diana, die hem tot het offeren zijner dochter aan die beleedigde godin wilde dwingen, aanleiding gaf tot allerlei beschouwingen omtrent de staatkundige heerschzucht der geestelijken, hunne onverdraagzaamheid en dweepzucht. Het Amsterdamsche gehoor wist de toepassing op zijne omgeving, van wat het in den schouwburg hoorde, gemakkelijk te vinden, en de kerkeraad had dan ook reeds geklaagd over het opvoeren van stukken, die ‘noch profijtelijk, noch stichtelijk’ waren.

In een dergelijke allegorie, maar nog doorschijnender, dan die van Coster, wenschte Vondel de staatkundige omwenteling van 1619 ten tooneele te voeren. Niet alleen wat door de handelende personen gezegd werd moest kunnen worden overgebracht op het gebeurde; ook de handeling zelve moest eenigermate teruggeven wat de tijdgenooten hadden beleefd. Er moest dus gezocht worden in de oudheid, want daar alleen kwam het bij Vondel op te zoeken, naar een onschuldig slachtoffer van heerschzucht en dweperij, en in een van de personen uit Coster's treurspel was deze reeds te vinden. Palamedes, de koning van Eubea, een der helden van den Trojaanschen oorlog, werd volgens de overlevering, tengevolge eener listige aanklacht van Ulysses, onschuldig door de Grieken ter dood veroordeeld. De Grieksche treurspeldichter Euripides had deze fabel reeds op het tooneel gebracht, naar men meent om den Atheners het onbillijke en wreedaardige van het doodvonnis over Socrates onder het oog te brengen. Beter stof was er dus voor Vondel niet te vinden; met lust en opgewektheid toog hij aan het werk, en toen hij, na den dood van Prins Maurits in de uitgave van het stuk minder gevaar begon te zien, werkte hij met dubbelen ijver door en liet zijnen Palamedes in de herfst van het jaar 1625 met zijnen naam verschijnen.

 

Een uitvoerige beschouwing van de kunstwaarde van dit treurspel ligt buiten mijn bestek; wat in ons oog aan zijne verdiensten als letterkundig kunststuk afbreuk doet, was voor de tijd-

[p. 197]

genooten de grootste aantrekkelijkheid. Zij zochten gretig naar de zinspelingen en woordspelingen die wij liever zouden missen. Op ons maakt het een zonderlinge gewaarwording wanneer wij Ulysses op de ontvluchting van Hugo de Groot uit Loevestein en Nestor op de lossing der aan Engeland verpande steden den Briel en Vlissingen zien zinspelen. Wij zouden liever een drama hebben gehad, waarin geen enkele trek voorkwam die aan de personen en gebeurtenissen van dien tijd was ontleend, maar dat toch door zijn geheel, door den indruk dien het gaf van innig medelijden met den onschuldigen held, door listige vijanden ter dood verwezen, de herinnering aan het onrecht Oldenbarnevelt aangedaan, bij elken regel opwekte. Intusschen, zoowel Vondel als het publiek van zijnen tijd hadden eene andere opvatting. Wat hen, geplaatst als zij waren te midden van den fellen partijstrijd, boven alles bezielde, was de verbittering tegen hen, die den leider hunner partij op het schavot hadden gebracht, hare uitstekendste mannen, een Hugo de Groot en een Hoogerbeets, in de gevangenis hadden geworpen of in ballingschap gezonden. Als uiting van dien wrok maakte de Palamedes een ongeloofelijken opgang, en de persoonlijke aanvallen, die er op elke bladzijde in te vinden waren zullen niet het minst in den smaak der lezers zijn gevallen.

Het dunne boekje met zijne titelprent, tal van wilde beesten voorstellend, die op een oud man aanvallen, in wiens gelaatstrekken iedereen die van Oldenbarnevelt meende te herkennen, vond spoedig zijnen weg in alle steden der republiek, zelfs naar het kabinet van den Stadhouder, waar Frederik Hendrik het zich liet voorlezen; ook naar Parijs, waar het voor de Groot en de uitgewekene Remonstranten die daar vertoefden, een welkom bewijs was van den opflikkerenden moed hunner partijgenooten. Er zijn zeker weinig gedichten in Nederland geschreven, die zoo algemeen gelezen en zoo vaak herdrukt zijn als de Palamedes.

Maar de partij die sinds 1619 het roer in handen had, begreep dat zij een zoo hevigen aanval niet straffeloos kon laten voorbijgaan. Er werd tegen den dichter een vervolging ingesteld en de advokaat-fiskaal van het Hof van Holland eischte dat hij naar 's Gravenhage zou worden overgebracht. Vondel was doodelijk beangst, dat, zoo aan dezen eisch werd voldaan, hij eerlang zelf als de Palamedes van zijn treurspel zou eindigen.

[p. 198]

Terwijl men dus in Amsterdam over het toestaan van dezen eisch beraadslaagde, vluchtte hij uit de stad naar zijnen vriend Baak, die een buitenverblijf te Beverwijk had. Daar vernam hij, na drie of vier dagen, dat de Amsterdamsche Vroedschap niet van zin was hem aan het Hof over te geven. Met een gerustgesteld gemoed keerde hij hierop naar Amsterdam terug. Onder de Amsterdamsche regenten telde hij zoovelen die hem goed gezind waren, dat hij zich voor hunne uitspraak niet bevreesd maakte. De zaak kwam welhaast op de rol. De advokaat die voor Vondel optrad beweerde dat men den inhoud van het treurspel niet mocht beoordeelen naar wat sommigen er in zochten, en ook een der rechters gaf te kennen dat men wel een anderen zin aan het stuk kon geven dan de meesten deden. Tot vrijspraak waren de schepenen echter niet te bewegen; de schout die het openbaar ministerie waarnam, was van oordeel, dat in elk geval door den dichter dingen waren gesproken die hij had behooren te zwijgen. Enkele heftige Contra-Remonstranten in de vroedschap wilden het vergrijp zeer zwaar gestraft zien, maar bij meerderheid van stemmen werd Vondel ten slotte veroordeeld tot het betalen van een boete van drie honderd gulden. Het schijnt dat dit vonnis den dichter en zijnen vrienden medeviel, en dat in Amsterdam het algemeen gevoelen de straf licht vond.

Hoe dit zij, zij werkte noch afschrikkend noch verbeterend. Het was Vondel nu eenmaal onmogelijk om, als zijn vriend Hooft, met kalme belangstelling op de geschillen neer te zien; hij moest er zich in mengen. Wat hem destijds in den partijstrijd aanvuurde en medesleepte was niet de staatkunde. Voor zoover het staatkundige vraagstuk zich oploste in den strijd tusschen de aanhangers van Prins Maurits en van Oldenbarnevelt om het gezag in den staat, mocht, waar persoonlijke eerzucht geheel buiten spel bleef, de vereering voor enkele vrienden hem prikkelen, voor zoover het zich tot een rechtsvraag bepaalde, tot de vraag of de souvereiniteit bij de Algemeene staten of de staten der gewesten berustte, zal het hem wel geheel koel hebben gelaten. Vijf en twintig jaren later, toen de godsdienstige en kerkelijke twistpunten in vergetelheid waren geraakt, en hij zelf tot de katholieke kerk was overgegaan, trok hij in den staatkundigen strijd vurig partij tegen den stadhouder Willem II, echter meer als Amsterdammer dan als voorstander der

[p. 199]

staatsgezinde begrippen; maar in de dagen toen de Palamedes verscheen, was het voor alles de godsdienstige vraag die zijn gemoed in beweging bracht.

En die godsdienstige vraag was het rampzalige geschilpunt dat destijds de gemoederen van alle Nederlanders verontrustte, de leer aangaande de voorbeschikking. Men moge het betreuren dat juist deze vraag tot zoo diepgaande verdeeldheid leidde, er zich over verwonderen behoeft men niet. Het was een twistpunt dat uit den aard der zaak diep in het volksleven drong. Voor het begrijpen der verschillende opvattingen was geen aangeleerde kennis noodig; zelfs de eenvoudigste handwerksman of landbouwer in Holland had wel eens nagedacht over de vraag, in hoever de vrijheid van zijnen wil door de almacht van God was begrensd. Het was een leerstuk dat het minst ontwikkelde verstand kon begrijpen, maar dat het hoogst ontwikkelde niet kon oplossen. Juist daardoor werd het, toen het eenmaal de twistappel was geworden, zoo bij uitstek gevaarlijk voor den vrede. Iedereen koos met volle overtuiging partij; maar niemand kon een weg van toenadering openen. Zij voor wie de strijd een strijd voor de eer van God was, wilden niet hooren van een eerbiedig zwijgen. Het gezag der Schrift kon niet door een der partijen worden ingeroepen, zonder tot een tegenovergesteld beroep van de tegenpartij aanleiding te geven. Ook op dien grondslag konden de vredelievenden onder de godgeleerden der zeventiende eeuw evenmin een vergelijk vinden, als de proponent de Lange daarin slaagde bij de eerzame leden van het Leesgezelschap van Diepenbeek.

 

Vondel had met al den gloed eener innige overtuiging partij gekozen tegen het Calvinistisch gevoelen; dat hij er ook tegen wilde getuigen sprak van zelf. In al zijne gevolgen doorgetrokken voerde het tot ongerijmdheden, die voor vinnige bespotting gemakkelijk stof gaven. Zij ontgingen natuurlijk aan de oogen der bestrijders niet, die de dichtkunst, voorzoover zij die beoefenden, te baat namen om krachtiger en zekerder tot het groote publiek door te dringen. Laurens Reael, Vondels vriend, als diplomaat en gouverneur-generaal van Oost-Indië in onze geschiedenis bekend, vervaardigde een schimpdicht tegen de predestinatieleer, in Vlaamschen tongval, eigenlijk niet veel meer dan een parodie, dat door zijn eigenaardigen vorm

[p. 200]

grooten opgang maakte. Een ander dichter, minder bekend dan Reael, Telle, onlangs door Dr. Knuttel in dit tijdschrift aan de vergetelheid ontrukt, schreef een gedicht: der Contra-Remonstranten kerfstok, waarin de leer der voorbeschikking en der uitverkiezing werd voorgesteld als de kerfstok, waarop de Calvinist, zonder gevaar, al zijne zonden kon laten staan. Het was een beeld dat voor de hand lag, een wijze van bestrijding waarvoor geen eigenaardige vinding of buitengewone scherpzinnigheid werden vereischt, maar die - het kon niet anders - toch populariteit inoogstte.

Vondel zocht bij zijnen strijd tegen de predestinatieleer naar een ander punt van aanval. Het gold hier een geloofsvraag, die hare oplossing moest vinden niet in de beredeneeringen van het verstand, maar daar waar het geloof zijn zetel heeft, in het hart. Om het Calvinistisch geloof afbreuk te doen moest men in het menschelijk gemoed snaren doen klinken, wier toon onweerstaanbaar is, en dat het kerkelijk leerstuk daartoe de gelegenheid schonk, had de dichter spoedig doorzien. Hij had een bewijsvoering waartegen niemand bestand was.

De remonstrantsche predikant Paschier de Fijne, die na zijne afzetting, onder verdichte namen en vaak vermomd, Holland en Utrecht doorreisde om zijne verdrukte geloofsgenooten op te zoeken en te troosten, verhaalt ons, onder meer merkwaardige lotgevallen uit dit avontuurlijk leven, de volgende ontmoeting. In gezelschap van een ander afgezet Remonstrantsch predikant, Wouter Cornelissen, wandelde hij, op een schoonen lentedag in April, van Medemblik naar Hoorn. Beide wandelaars hadden in de laatste weken de zon bijna niet buiten zien schijnen, want zoolang zij in steden verbleven, gebood hun de voorzichtigheid zich des daags schuil te houden. Zij genoten dus van hunnen tocht en geraakten langzamerhand in een opgeruimde stemming. Cornelissen kwam onderweg op den vroolijken inval om met de predikanten in de dorpen, welke zij moesten doortrekken, te gaan redetwisten. Te Benningbroek, waar zij juist waren aangekomen, klopten zij dan ook aan de pastorie aan. De predikant verscheen aan de deur zijner woning, waar Paschier hem verhaalde, dat hij met zijnen reisgezel over de Dordrechtsche canons had gesproken, maar de bezwaren daartegen door dezen geopperd onmogelijk kon weerleggen, waarom hij zich dan ook tot den eersten,

[p. 201]

besten predikant wendde om hem om bijstand te verzoeken. Weldra ontstond er nu op de dorpstraat in tegenwoordigheid van enkele dorpelingen een woordenstrijd over de leerstellige uitspraak der Dordrechtsche Synode aangaande de voorbeschikking. De predikant beriep zich op de geschiedenis van Jacob en Ezau; maar nu wendde zich de Remonstrantsche predikant plotseling tot een der vrouwen, die op een bank zat voor haar huis met tweelingen aan de borst, en vroeg haar botweg, of zij gelooven kon dat God een van die kinderen reeds vóór de geboorte zoozeer had gehaat, dat Hij besloten had het eeuwig te straffen.

Die vraag verwekte algemeene opschudding, de predikant kwam met vuur tegen het stellen er van op. De strijd werd spoedig niet meer alleen met de tong, maar ook met de handen gevoerd; de vrouw van den predikant schoot uit de pastorie haren man te hulp en weerde zich zoo dapper, dat de twee Remonstranten met gescheurde kleederen het hazenpad moesten kiezen.

 

Vondel zal wellicht van deze ontmoeting niets geweten hebben toen hij zijn gedicht: Decretum Horribile of Gruwel der Verwoesting vervaardigde; maar zonder er ooit de ervaring van te hebben opgedaan, voelde zijn dichterlijk gemoed, dat tegen een bewijsvoering als die van den remonstrantschen predikant, geen hart, althans geen vrouwenhart bestand was. Kon een moeder, wanneer het jonge kind, dat zij eerst met zulk een onbeschrijfelijk gevoel van vreugde welkom had geheeten in het leven, haar van het hart werd gescheurd, kon zij gelooven dat het onschuldige wicht, dat de oogjes zoo vroeg reeds voor goed had gesloten, een eeuwigheid tegemoet was gegaan van de schrikkelijkste foltering, en als slachtoffer van Gods toorn thans de gruwelijkste straffen onderging?

Ik laat de waarde of onwaarde van het Calvinistische leerstuk natuurlijk geheel onbesproken, en evenzeer de vraag in hoeverre wat daaromtrent destijds door de Contra-Remonstranten geleerd werd, overeenkwam met Vondels voorstelling. Maar zich eenmaal in den strijd indenkend, zal wel ieder moeten toegeven, dat hij moeielijk op meer aangrijpende wijze kon worden gevoerd, dan door de wanhopige moeder bij het lijkje van haar kind als getuige te laten optreden. Ik zeg daarmede niet dat ik het gedicht in alle opzichten fraai vind; de toespelingen op personen en de uitweidingen over bijzaken verstoren

[p. 202]

den indruk dien het geheel moest te weeg brengen; daarbij zijn de kleuren hier en daar wat al te schel, maar de hoofdgedachte: het beroep op het moederlijk gevoel, toont den dichterlijken blik en niet het minst het aandoenlijk slot waar de dichter zelf optreedt om de wanhopige moeder te troosten en hij haar in verbeelding de gestorven lievelingen laat zien als engeltjes in den hemel, zwevende om den troon des Allerhoogsten met een glimlach op het gelaat over het zonderlinge en afschuwelijke lot dat Beza en Calvijn op aarde hun hadden toegezegd.

 

Geeft de hoogere dichterlijke opvatting bij Vondel een zekere wijding aan den godgeleerden strijd, zij veredelt bij hem ook tot op zekere hoogte den strijd tegen de personen. In de gedichten naar aanleiding van den dood van Oldenbarnevelt, uit zich natuurlijkerwijze een diepgevoelde wrok tegen hen die de bewerkers waren geweest van den dood van den grooten staatsman. De indruk dien deze gebeurtenis in de gansche republiek had gemaakt, was ontzaglijk geweest. Het beeld van den grijsaard, die, op dezelfde plaats waar hij zoo lange jaren ten bate van het land als zijn eerste staatsdienaar had gearbeid, steunende op zijn stokje en aan den arm van een trouwen dienaar het schavot had betreden, was blijven leven in het hart van vrienden zoowel als van vijanden. Terwijl elk jaar de hitte van den partijstrijd afkoelde, begonnen ook zij, die de staatkunde van Oldenbarnevelt afkeurden, zich van lieverlede af te vragen of het aan hem uitgevoerde doodvonnis eigenlijk niet een onnoodig en doelloos bloedvergieten was geweest?

Dat bij hen, die tot de terechtstelling middellijk of onmiddellijk hadden medegewerkt, die beschouwing den vorm van zelfverwijt moest aannemen, was natuurlijk, en de overtuiging was algemeen, dat dit zelfverwijt menigen boezem deed kloppen. Men wist fluisterend te verhalen, dat Prins Maurits, wanneer hij in de laatste maanden van zijn leven in koortsige sluimering aan zijnen eenzamen haard zat, bij het ontwaken den dienstdoenden page herhaaldelijk had toegeroepen: ‘Otez moi cette tête grise.’ Soortgelijke geruchten liepen van hen die als rechters in het strafgeding hadden gezeten. Een man als Vondel, voor wien de nagedachtenis van den ter dood gebrachten staatsman boven alles heilig was, hechtte natuurlijk aan dergelijke verhalen - waarvan wij de waarheid of onwaarheid

[p. 203]

moeielijk kunnen bevestigen - onvoorwaardelijk geloof. Dat folterend berouw in den boezem van allen, die zich van eenige schuld aan de terechtstelling bewust waren, is de grondtoon van zijne beste gedichten over den dood van Oldenbarnevelt. Hij beschimpt de rechters niet, hij doet hun geen verwijten; maar hij laat hen, om zoo te zeggen, alleen met hunne gewetenswroeging. Hij stelt hen ten toon, geknaagd door te laat berouw, als voorwerpen van afschrik en medelijden.

Zoo in het sonnet voor den Palamedes gedrukt, en waarin Palamedes zijn Griekschen oorsprong verloochende om geheel als Oldenbarnevelt op te treden:

 
Het leed geen zeven jaar of Palamedes' schaauw
 
Bij nacht de tenten ging der rechteren doorvaren
 
Die rezen op verbaasd met opgerezen haren
 
En zagen daar een schim mishandeld bont en blaauw.
 
 
 
Zijn baard hing dik van 't bloed, zijn keel was schor en flaauw.
 
Wie komt ons - riepen zij - in 't duister dus vervaren,
 
Bij toortslicht, sprak hij, ik uw straf lees uit dees blaren,
 
Die mijne onnoozelheid ten roove gaaft aan 't graauw.
 
 
 
Zij sidderden van schrik, zij vloden niet maar vlogen
 
Dan ginder dan weer hier, voor 't branden zijner oogen.
 
Hij stapt hen na en liet een bloedvlek waar hij trad.
 
 
 
Totdat de schemering des dageraads ontloken
 
D'angstvalligheid verdreef van 't naar en aklig spoken,
 
En vond de vaderbeuls van 't knagen afgemat.

Nog sterker, nog minder bewimpeld werkte Vondel deze gedachte uit in zijn Geuze Vesper of Ziekentroost voor de vier en twintig rechters, waar hij van Oldenbarnevelt zegt:

 
Had hij Holland dan gedragen
 
Onder 't hart,
 
Tot zijn afgeleefde dagen
 
Met veel smart,
 
Om 't meineedig zwaard te laven
 
Met zijn bloed,
 
En te mesten kraai en raven
 
Op zijn goed?
[p. 204]

De goederen van den advokaat waren namelijk - wat in de toenmalige rechtspleging niets buitengemeens was - verbeurd verklaard, terwijl de buitengewone toelagen aan de rechters uit dat bedrag waren gekweten. Alleen op dezen grond kon hun dus verweten worden, dat zij rechtstreeks iets genoten hadden door het vonnis, maar men vergete niet dat bijna alle aanhangers en bloedverwanten van Oldenbarnevelt uit staatsbetrekkingen ontslagen waren en de staatkundige erfenis, door zijnen dood opengevallen, zoodoende in handen zijner vijanden was geraakt. In dien zin kon Vondel dan ook den rechters verwijten, dat stoffelijke drijfveeren hen hadden bewogen.

 
Gierigheid en wreedheid beide,
 
Die het zwaard
 
Moedig rukten uit de schede
 
Nu bedaard,
 
Zeggen: wat kan ons vernoegen
 
Goed en bloed,
 
Ach, hoe knaagt een eeuwig wroegen
 
Ons gemoed.

Ook het bewustzijn, dat zij de rechtzinnigheid van de kerk hadden gered, kon den rechters, naar Vondel's voorstelling, in hunne gewetenswroeging niet tot troost verstrekken.

 
Weest tevreên, haalt predikanten,
 
West en Oost,
 
Gaat en zoekt bij Dordtsche santen
 
Heil en troost.
 
't Is vergeefs, de Heer komt kloppen
 
Met zijn Woord.
 
Niemand kan de wellen stoppen
 
Van dien moord.
 
 
 
Spiegelt, spiegelt u dan echter,
 
Wie gij zijt,
 
Vreest den worm, die dezen rechter
 
't Hart afbijt,
 
Schendt uw handen aan geen vaders
 
Dol van haat.
 
Scheldt geen vromen voor verraders
 
Van den staat.
[p. 205]

De tijd oefent overal en altijd denzelfden invloed uit. Hij verflauwt den indruk der levendigste herinneringen, hij brengt het vuur der meest hartstochtelijke partijwoede tot smeulen, hij verzacht den felsten haat. Tien jaren na Oldenbarnevelt's terechtstelling was die invloed reeds merkbaar. De staatkundige en godsdienstige strijd was niet gesust, maar het was niet langer een strijd op leven en dood, hij had veel van zijn tragisch karakter verloren. Vondel's muze liet dan ook niet langer den treurspeltoon hooren, wanneer zij zich door de gebeurtenissen van den dag liet bezielen. Op het ernstige drama volgde het hekeldicht, dat scherp en geestig de mannen, die thans bij de tegenpartij aan de spits stonden, in hunnen onverdraagzamen ijver aan de kaak stelde. Op den Palamedes volgde de Rommelpot. Doch alvorens dit laatste gedicht te bespreken, moeten wij eerst een blik slaan op de nieuwe toestanden, die het stadhouderschap van Frederik Hendrik had in het leven geroepen.

Een kerkelijke partij, die een staatkundige overwinning behaalt, berokkent zich zelve in den regel groote teleurstellingen. Ook de Calvinisten van 1619 deden die ondervinding op. Hunne geestverwanten hadden door Maurits' staatsgreep alle regeerinsgszetels in bezit genomen; maar het bleek welhaast dat daarmede het Calvinisme nog niet dezelfde onbegrensde macht in den staat had verkregen, die het zich, door de beslissingen van de Dordrechtsche Synode, in de kerk verworven had.

De predikanten mochten des Zondags de nieuwe regenten trouwer dan hunne voorgangers de regeeringsbanken in de kerken zien vullen, op het raadhuis konden zij al even weinig uitwerken als voorheen. Hun drijven had zelfs een geheel tegenovergestelde uitwerking, het stemde de regeeringskringen tot voorzichtigheid en matiging. Het sterkst kwam deze wijziging van begrippen in de bij uitstek Contra-Remonstrantsche regeering te Amsterdam aan het licht. Slechts enkele nieuwe regenten waren daar door Maurits aangesteld, maar, merkwaardig verschijnsel, het was juist een van die nieuwe regenten geweest, die Vondel tot het schrijven van den Palamedes had aangezet.

Terwijl de terugslag der gebeurtenissen van 1619 reeds verzoenend werkte op de gemoederen, trad de nieuwe stadhouder op. Frederik Hendrik was in allen deele de man om zich in

[p. 206]

den staatkundigen toestand, dien hij bij zijn optreden vond, te voegen. Bij de aanvaarding zijner hooge waardigheid had hij gezworen den godsdienst te zullen handhaven zooals die te Dordrecht was vastgesteld, maar het was niemand onbekend dat hij in denkwijze meer naar de Remonstranten dan naar de Calvinisten overhelde en dat hij, ook na den dood van Oldenbarnevelt, den familieleden en aanhangers van den gevallen staatsman zijne vriendschap niet had onthouden.

Een vreedzame hereeniging der partijen was zijn verlangen, maar met den fijnen staatsmansblik dien hij van zijnen vader geërfd had, begreep hij dat elke dadelijke poging zijnerzijds om hiertoe te geraken, aan beide zijden het partijvuur zou aanblazen. Hij nam derhalve de stelling van een constitutioneel vorst van onzen tijd in, vermeed zorgvuldig elke handeling waardoor een der partijen hem als haar hoofd zou kunnen beschouwen, maar was tevreden zoo zijne stilzwijgende onthouding slechts dit uitwerkte, dat ieder regent, die naar toenadering streefde, de zekere overtuiging had, dat hij in zijnen geest handelde.

 

Werden hierdoor de stedelijke regeeringen, waar zij, zooals te Amsterdam, reeds uit zich zelven tot matiging geneigd waren, in hunne denkwijze bevestigd, bij de Calvinistische predikanten nam de hevigheid toe, naarmate zij die in hunne omgeving zagen verflauwen. Onder de Amsterdamsche predikanten, allen in merg en been Calvinist, waren er destijds twee die boven hunne ambtgenooten bij den strijd, die welhaast over het verleenen van vrijheid van godsdienstoefening aan de Remonstranten ontbrandde, op den voorgrond traden. Schoon het geen van beiden aan talent ontbrak, zijn hunne namen toch het meest blijven voortleven door de aanvallen hunner vijanden. Aan Vondel's hekeldichten danken zij voor een groot deel hunne onsterfelijkheid.

 

De eene was Jacobus Trigland, een van de bekwaamste godgeleerden van zijnen tijd, die als hoogleeraar aan de Leidsche hoogeschool zijne loopbaan eindigde. Reeds sinds het jaar 1610 was hij predikant te Amsterdam, en door zijnen ijver en zijne kennis had hij er onder de Calvinisten een welgevestigden naam. Bij de tegenpartij was hij bij uitstek gehaat, in zijne

[p. 207]

handelingen en geschriften had hij zich als een onverbiddelijk tegenstander van de leer der Remonstranten doen kennen; reeds in 1615 had hij verklaard dat tusschen de voor- en tegenstanders der predestinatieleer geen vrede mocht bestaan, zelfs geen tijdelijke verzoening met het doel om tot een wegneming der geschillen te geraken. Na de overwinning van 1619, werd Trigland, die op de Dordrechtsche Synode een groote rol had gespeeld, een van de invloedrijkste mannen. In Amsterdam behoorde hij tot de meest bekende personen. Ook zijn uiterlijk droeg hiertoe bij. Er was niemand in geheel Amsterdam, die zulk een hoogroode tronie en purperen neus bezat als Trigland. Het volk had hem daarom den bijnaam gegeven van den kalkoenschen haan, en de booze wereld schreef de hooge kleur van Trigland's neus aan die verkeerde eigenschap toe, die te recht of te onrecht door de volksmeening als aanleiding tot de kleurverandering van dit lichaamsdeel wordt beschouwd. Er waren daarenboven menschen in Amsterdam, die beweerden en openlijk verhaalden, dat zij Trigland des avond wel eens, met een uitdrukking, die in het Amsterdamsch van dien tijd gebruikt werd om een onzekeren gang aan te duiden, ‘op stroobeenen’ hadden zien gaan, en Vondel, natuurlijk niet geneigd om van een zoo bitteren tegenstander het beste te gelooven, trok van dit alles partij door, met een zeer ondeugende zinspeling op 's mans geliefden catechismus, van Trigland te zingen:

 
Kalkoentje is wat rood van vel,
 
Omdat de Rhijnsche muskadel
 
En al het zuiver nat
 
Van 't Heidelbergsche vat
 
Trekt in zijn neus.

Op meer plompe wijze maakte de bitterste tegenstander der Calvinisten, Dr. Samuel Coster, van Trigland's sprekende gelaatstrekken gebruik. In zijn treurspel Ifigenia, dat van toespelingen op de kerkelijke twisten vol was en dat voor een elken avond aangroeiend gehoor werd opgevoerd, was de priester Eurypylus de verpersoonlijking van kerkelijke onverdraagzaamheid en heerschzucht, zoodat hij den toeschouwers het beeld van hunnen stadgenoot Trigland als van zelve in herinnering bracht.

[p. 208]

Bij een der voorstellingen had echter de tooneelspeler, die de rol van Eurypylus vervulde, door kleeding, baard en gelaatskleur Trigland zoo volmaakt weten na te bootsen, dat het voor iedereen kenbaar was, en de geheele schouwburg in een uitbundig gelach uitbarstte. Men kan zich voorstellen hoe fel Triglands woede ontstak toen dit feit hem ter oore kwam. Hij kon echter met zijne klachten niets anders uitwerken dan dat Dr. Coster op het raadhuis werd ontboden en van burgemeesters een vermaning ontving, die niet belette dat de Ifigenia op de planken bleef.

 

Een geheel ander man dan Trigland was zijn ambtgenoot Adriaan Joris Smout. Even rechtzinnig als Trigland, was hij niet als deze altijd in een omgeving geweest waar hij de machthebbenden aan zijne zijde had. Vóór de omwenteling van 1619 was Smout predikant van Delftshaven, en had zich daar, door het schrijven van een twistschrift, zoozeer de ongunst der toen nog Remonstrantsgezinde Hollandsche Staten op den hals gehaald, dat deze hem naar 's Gravesande hadden verplaatst en hem verboden hadden dat dorp te verlaten. Deze verdrukking had in zijn hartstochtelijk gemoed den partijhaat nog feller doen ontbranden.

In het streng calvinistisch Amsterdam, waar toen ieder Contra-Remonstrant veilig was, trad hij, niettegenstaande het verbod der regeering van tijd tot tijd als predikant op. Hij voldeed er steeds zeer, en werd er dan ook na 1619 als predikant beroepen.

Smout was geen wetenschappelijk man zooals Trigland, geen godgeleerde in den eigenlijken zin van het woord. Hij schijnt niet geheel zonder letterkundige eerzucht te zijn geweest; want hij waagde zich aan een berijming van het Hooglied van Salomo, die hij onder anderen aan de dochter van Roemer Visscher ten geschenke zond, maar Tesselschade vond deze verzen, wij zouden zeggen, te realistisch, om die in gezelschap te durven zingen. Het was dan ook niet als dichter, maar als redenaar dat Smout zijn grootsten opgang maakte. Geen predikant had voller kerken dan hij. Het was evenwel hoofdzakelijk de smalle gemeente, de grauwe Geuzen zooals de tegenpartij haar noemde, die bij hem ter kerke kwam. Smout was een geboren volksredenaar. Wanneer hij op den kansel met donderende stem en levendige gebaren voor de vuist sprak, zich van allerlei beelden uit het volksleven bedie-

[p. 209]

nend, steeds gemeenzame, dikwijls platte uitdrukkingen bezigend, wist hij zijn onontwikkeld gehoor letterlijk te betooveren. Vooral was hij de gezochte predikant op bededagen, dan bracht zijne stof er hem van zelven toe om, wat hij altijd gaarne deed, over de gebeurtenissen van den dag uit te weiden.

De buitenlandsche regeeringen, allereerst natuurlijk de koning van Spanje, vooral ook Lodewijk XIII van Frankrijk, die toen in eenen strijd met de Protestanten van La Rochelle was gewikkeld, werden dan geweldig gehavend; maar sedert de regeering te Amsterdam meer gematigd was geworden, werd ook zij niet gespaard, en vooral wanneer het tegen Februari liep, in welke maand de jaarlijksche verandering van de vroedschap moest plaats hebben, gebruikte Smout al zijne welsprekendheid om te verhinderen dat er regenten op het kussen kwamen, die den Remonstranten goedgezind waren.

 

Gedurende de eerste jaren van Frederik Hendrik's stadhouderschap, heerschte er in Amsterdam, vooral door het ophitsen dezer beide predikanten, een spanning onder de lagere standen, die van tijd tot tijd tot uitbarstingen kwam. De regeering was ongezind om de plakkaten, waarbij aan de Remonstranten elke uitoefening van hunnen godsdienst verboden was, in hunne volle gestrengheid uit te voeren, en de predikanten gebruikten thans hunnen invloed op de bevolking, om den onwil der regeering door eene krachtig uitgesproken volksovertuiging te breken.

 

Op Paaschmaandag van het jaar 1626 hadden een paar Remonstrantsche jufvrouwen, die een huis bewoonden op de Oude Schans bij de Montalbaanstoren, eenige geloofsgenooten, meest vrouwen, bij zich vereenigd tot het houden eener godsdienstige bijeenkomst. De straatjongens, die dit hadden opgemerkt, schoolden voor het huis samen en begonnen er de glazen in te werpen. De vrouwen die in het huis waren begrepen dat het geraden was het te verlaten; maar de balddadige troep liet hen niet ongemoeid en trok haar de mutsen van het hoofd. Het was kerktijd en dus zeer stil in de stad, zoodat in dezen afgelegen hoek niemand van dit tooneel getuige was. Een der vrouwen wist zich eindelijk door den troep heen te slaan en de Nieuwmarkt te bereiken, waar het haar gelukte eenige vrienden van het gebeurde te verwittigen. Er verschenen welhaast eenige

[p. 210]

dienaars van den schout, terwijl men ook den Majoor Hasselaar, die in de kerk was, wist te waarschuwen. De officier en zijn substituut waren inmiddels ook verschenen en verzekerden de menigte, die nog voor het huis bijeengeschoold stond, dat er niets onbehoorlijks of verbodens daar binnen plaats grijpen kon, want dat er niemand meer in was.

De morgendienst was intusschen in de verschillende kerken geëindigd en het werd weder druk op straat. Het gerucht van het opstootje van dien morgen lokte vele kerkgangers naar de Oude Schans. Smout had juist dien morgen tegen het toestaan van godsdienstige bijeenkomsten aan de Remonstranten uitgevaren. ‘Indien de heeren op het stadhuis’, had hij gezegd, ‘hierin niet beter hun plicht doen, dan zullen de kinderen, ja de steenen van de straat den Heere daarin dienen’. Spoedig werd de les in praktijk gebracht en vlogen de straatsteenen tegen de pui van het huis, dat opengebroken en geheel uitgeplunderd werd. De Majoor Hasselaar trok intusschen met zijne soldaten naar de plaats van het oproer. Ongelukkigerwijze was hij niet de man om door zijn persoonlijk optreden de Calvinisten tot rust te brengen, want de meeste leden van zijn in Amsterdam zeer bekend geslacht stonden als Arminianen te boek. Men schold hem dus uit voor een Arminiaan en een landverrader, en riep zijnen soldaten toe, dat zij hem niet moesten gehoorzamen.

Hasselaar beproefde met groot geduld zachte middelen; toen echter niets baatte, liet hij, in overleg met de burgemeesters, vuur geven, waarop de menigte met achterlating van twee dooden uiteenstoof. Des avonds moest er nog eens van de vuurwapenen worden gebruik gemaakt, waarna de oproermakers het lijk van een der gevallenen bij de burgemeesters in huis wilden dragen, wat niet dan met moeite verhinderd werd.

Den volgenden dag nam het oproer een nog ernstiger karakter aan; het den vorigen dag geplunderd huis werd door het grauw tot den grond toe afgebroken. De schutterij werd onder de wapenen geroepen, en niet dan met groote inspanning gelukte het eindelijk de menigte te stillen. Een drietal belhamels werd gevat en streng gestraft.

Intusschen trokken de predikanten partij voor de oproermakers. Men gaf den Remonstranten van alles de schuld. De kerkeraad liet aan de stedelijke regeering weten dat, zoo een

[p. 211]

der belhamels ter dood werd veroordeeld, geen predikant hem op het schavot zou vergezellen of voor hem bidden, daar hij voor een goede zaak zou sterven. Smout verklaarde op den preekstoel, dat zoo de overheid de ketterij niet weerde, het volk het zelf moest doen, en dat zij, die hiertoe de hand leenden, instrumenten in de hand des Heeren waren die niet gestraft mochten worden.

Alle predikanten toonden door hunne woorden of door hun stilzwijgen het met deze beschouwing eens te zijn, met één uitzondering. De jongste predikant, zekere Hanekop, die na de verovering van Breda door de Spanjaarden in het vorige jaar die stad had moeten ontvluchten en toen te Amsterdam was beroepen, verklaarde ronduit dat hij met zijne ambtsbroeders niet instemde. Hij verkondigde, dat naar zijne opvatting een Christen onderdanig moest zijn aan de overheid en geen oproer mocht maken. Men kan zich voorstellen, welke verontwaardiging deze handelwijze bij Trigland en de zijnen opwekte. De kerkeraad, ten hoogste gebelgd, sprak onverwijld het vonnis van schorsing over Hanekop uit, en niettegenstaande de Vroedschap het voor hem opnam, en zorgde dat hij zijne jaarwedde behield, bleef hem de predikstoel ontzegd.

 

Ziedaar in korte trekken de gebeurtenis die Vondel in zijn Rommelpot van het Hanekot heeft vereeuwigd. Misschien weet niet iedereen meer wat een rommelpot is. In onze steden is hij, geloof ik, verdwenen; alleen in afgelegen plattelandsstreken doet hij zich tegen Vastenavond nog wel eens hooren. Het is een soort van muziekinstrument, of laat ik liever zeggen, een geluid voortbrengend instrument, bestaande uit een pot waarover een blaas is gespannen. Het strekte gewoonlijk tot begeleiding aan de schorre stem van den straatzanger, die aan de deuren zijn liedjes ten beste gaf, en Vondel stelde het nu voor, dat het gebeurde met den predikant Hanekop, door hem berijmd, op deze wijze, door Amsterdam bekend werd gemaakt. Er woonde destijds vlak tegen de Nieuwe Kerk, naast de kamer waar de kerkeraad gewoonlijk vergaderde, een boekverkooper, wiens winkel tot uithangbord had: de gereformeerde catechismus, en die de werken van Trigland en van alle Calvinistische predikanten uitgaf. Die man, natuurlijk zelf ook goed Contra-Remonstrant, werd door Vondel voorgesteld als met den Rommelpot rondgaande. Als tolk der rechtzinnige predikanten kon hij geacht worden

[p. 212]

het best op de hoogte te zijn van alles wat er in hunnen kring omging.

 

De voorzichtige Drossaard van Muiden maakte, naar aanleiding van Vondel's hekeldichten, de opmerking, dat er wel eenig gevaar in stak om de mannen, bij wie het volk leering en stichting moest vinden, ‘leelijk en afschuwelijk in het oog der gemeente te maken’. In het algemeen zal zeker niemand dit ontkennen, maar tot Vondel's verontschuldiging mogen wij de omstandigheid laten gelden, dat destijds de kerkelijke geschillen een zoo scherpe scheuring hadden veroorzaakt, dat zij, die den Rommelpot met instemming lazen, ook zonder die lezing bij Smout en Trigland zeker geen stichting en leering zouden gezocht hebben, en dat aan de andere zijde de aanhangers der predikanten zeker niet door Vondel's gedicht hunne achting en liefde voor die mannen verloren. Hoe dit zij, van Vondel's standpunt was het denkbeeld om de Amsterdamsche predikanten als hanen voor te stellen, zeker niet misplaatst, want hun optreden in de laatste jaren deed in allen opzicht aan dit strijdlustige dier denken. Hij verhaalde dan eerst, hoe Hanekop, door hem Koppen genoemd, in het Amsterdamsche hanenhok was opgenomen.

 
Alle hanen die ontvingen
 
Broeder Koppen in het veen
 
Broederlijk, en naar het scheen
 
Waren 't wonder zoete dingen.

Maar er kwam spoedig verandering. Het eerste kerkeraadslid, die de onrechtzinnigheid van den nieuwen predikant geroken had, was zekere oogendokter, Karel Leenerts, bekend als een der hevigste Contra-Remonstranten.

 
Oogentroost had geen behagen
 
In Broer Koppens morgenzang.
 
Broeders, riep hij, ik word krank,
 
Ach gij zult het U beklagen
 
Zoo Broer Koppen met zijn klok
 
Luien blijft op onzen stok.

Deze klacht had in het strijdlustige gemoed van Smout het

[p. 213]

vuur aangeblazen. Hij, die nog onlangs den Koning van Frankrijk op den preekstoel zoo vinnig had doorgestreken, zou den moed niet laten zakken waar het een ambtsbroeder gold. Vondel voert hem op deze wijze sprekend in.

 
Durf ik kraaien op een Koning,
 
Op de haan die zit in top
 
Met een kroontje op zijn kop,
 
In zijn groote hanenwoning;
 
Ba! wat meent je, goede lien,
 
Dat ik Koppen zal ontzien.
 
 
 
Ik zal Koppen moeite brouwen
 
En zijn ongenaaide rok
 
Scheuren in het hoenderhok,
 
'k Zal hem voor een ketter schouwen.

Nu kreeg ook Trigland moed.

 
‘Fiat’ riep 't kalkoensche haantje.

Maar middelerwijl had de volksbeweging plaats die wij zoo straks vermeldden. De Contra-Remonstrantsche leiders in Amsterdam worden nu ten tooneele gevoerd in de verschillende rollen die zij bij gelegenheid der beweging gespeeld hadden.

Na meer dan twee en een halve eeuw zal die schildering den lezer nog aangename oogenblikken verschaffen; men kan zich dus voorstellen hoe de tijdgenooten zich verkneukeld zullen hebben, die deze personen dagelijks in al hunne eigenaardigheden hadden kunnen gadeslaan. De Amsterdammer uit de zeventiende eeuw was niet zoo gevoelig voor een ruw woord of gewaagd beeld als wij het zijn; hij ergerde zich niet aan het Moortje van Bredero, dat wij slechts schoorvoetend en met groote wijzigingen hebben durven vertoonen. Hij zal geschud hebben van het lachen over uitdrukkingen, die onze verontwaardiging zouden opwekken, zoo een dichter van onzen tijd die tegen zijne tijdgenooten bezigde. Men veroordeele enkele coupletten van den Rommelpot niet, alvorens dit wel bedacht te hebben.

Na het oproer begon Hanekop zijne rol van vredestichter te spelen die hem zijne betrekking kostte. Een groot deel der gemeente scheen volgens Vondel's voorstelling in den aanvang naar hem te luisteren; dit wekte in dubbele mate de ver-

[p. 214]

ontwaardiging der Contra-Remonstrantsche predikanten en kerkeraadsleden. Trigland was de eerste die nu zijn toorn uitte.

 
Haan kalkoen die kreet vol toorn:
 
'k Zou je met mijn pennen slaan
 
Dat ge dezen vreemden haan,
 
Dezen nieuweling gaat hooren
 
En je ouwe kraaiers vliedt,
 
Liet ik 't om je zwakheid niet.

Die echter het meest had aangedrongen op de schorsing van Hanekop, was zekere Ernst van Bassen, die bekend was wegens het in den handel brengen van een soort van kannen met slechts één oor, waarom hij door de bijbelvaste Amsterdammers van die dagen met den bijnaam van Malchus beschonken was.

 
Malchus kwam ook aangeloopen,
 
Lombertsch hanen, kreet hij, waakt,
 
Ziet wie 't spul te grabbel maakt,
 
Koppen wint zoo groote hoopen.
 
't Is gedaan zoo je bij Gut
 
Koppens toeloop niet en schut.
 
 
 
Stoot die basiliscus buiten,
 
Smoort hem in zijn eigen gift,
 
Maakt hem zwart bij mond en schrift.
 
't Past het hok wel dicht te sluiten,
 
Want hij maakt de vechters flauw
 
En het moedig Geuzengrauw.

Op dezen levendigen en vurigen ijveraar volgde het advies van een ander lid van den kerkeraad, Jan Bogaert, onder den naam van ‘het malle ventje’ in Amsterdam bekend. Tegenover het driftige woord van van Bassen komt het bedaarde, wij zouden haast zeggen meer kwezelachtige, van zijne woorden aardig uit.

 
't Malle ventje dat zei: Amen,
 
Broeders dat geschie; 't is tijd,
 
Dat men Koppens kam afbijt.
 
Rot en spant met kracht te zamen,
 
Elke haan op Koppen pik
 
Dat hij 't kraaien laat van schrik.
[p. 215]

Nu werd een algemeene strijd tegen den prediker des vredes aangebonden.

 
't Was: ga weg geveinsde ketter,
 
Pak je voort jou toovenaar,
 
Altijd taai en zelden gaar,
 
Kristen zonder geest en letter,
 
Wijde deur en ruime poort,
 
Zielverleider pak je voort.

Tegen dien algemeenen aanval was de arme man niet bestand.

 
Koppen kon niet langer duren
 
In de bietebaauwe kouw,
 
Hier een steek en daar een douw;
 
Koppen moest het duur bezuren.
 
Arme Koppen die moest gaan
 
Uitgepikt van elken haan.
 
 
 
Nu zit Koppen uitgesloten
 
En geschoffeld uit het kot
 
Veertien hanen tot een spot;
 
Hanen die met sporen stooten,
 
Hanen scherp van klauw en bek,
 
Werveldraaiers binnen 't hek.

En nu volgt na nog eenige uitvallen tegen enkele bekende mannen van de Contra-Remonstrantsche partij, het slot-couplet met een pointe, die zeker een van de geestigste zetten van het geheele gedicht is.

Er stond destijds te Amsterdam, op den Grimburgwal, waar toen, en ook nog thans, het stedelijk gasthuis zich bevindt, een beeldje van den apostel Petrus, zooals men gewoon was dien apostel af te beelden met een paar sleutels in de hand en een haan naast zich. Door aan dezen haan, allen Amsterdammers van jongsaf bekend, als het ware de beslissing in dit hanengevecht over te laten, deed de dichter geen buitengewoon verre sprong, maar er lag in deze wending een dieper zin. Het beeldje van den apostel was het eenige heiligenbeeld op straat, dat aan den ijver der beeldstormers ontsnapt was het was; het laatste voor ieder zichtbare zinnebeeld, dat aan de vorige toestanden deed denken, eenigermate de verpersoonlijking van het oude

[p. 216]

katholieke Amsterdam. Als zoodanig spreekt Vondel het aan in zijn slot.

 
Voor een slot dan, gasthuis Peter!
 
Zoo ik vraag jou, oude haan,
 
Als je ziet dit gekspul aan,
 
Maken 't jonge hanen beter
 
Dan het oude hok voorheen? -
 
'k Wed je 't hoofd schudt en zegt: Neen.

Bij het schrijven dezer regels was Vondel nog niet tot de Roomsch-katholieke kerk overgegaan, hij behoorde nog altijd tot de Waterlandsche Doopsgezinden, maar hij gaf hier lucht aan een gevoel, dat in die dagen in het gemoed van tal van aanhangers der hervorming sprak, dat wij ook bij de Groot gedurig terugvinden, een gevoel van vrees namelijk of niet de oneindige verdeeldheid tusschen hen die van de Katholieke kerk waren afgevallen, het onbestaanbare eener maatschappij zonder geloofseenheid leerde. Vondel zegt in een zijner gedichten, bij gelegenheid van zijnen overgang, dat beschouwingen van het wereldlijke en het kerkelijke hem hadden doen vinden het ware geloof; dat de godsdienstige twisten om hem heen voor een deel hem hebben gedreven op den weg naar Rome, ligt voor de hand. Men ziet hieruit hoe, terwijl de lach der satire zijne lippen krulde, er ernstige snaren in zijn gemoed klonken. Overtuigend blijkt dit ook uit enkele grootere hekeldichten uit dit tijdperk, hekeldichten waarin hij de personen en gebeurtenissen uit zijne omgeving eenigermate uit het oog verloor, om in het algemeen de verkeerdheden van zijnen tijd tentoon te stellen. Voornamelijk uit de Roskam, opgedragen aan den Drossaard van Muiden, Pieter Corneliszoon Hooft, omdat in dit gedicht de deugden van zijnen overleden vader worden gesteld tegenover de tekortkomingen van de regenten die na hem op het kussen waren gekomen. De oude Hooft was een man naar Vondel's hart geweest. Gemoedelijk, verdraagzaam, onvermoeid tegenstander van de kerkelijke partij. Zijn krachtige houding tegenover Leycester was in de herinnering blijven voortleven, en nog meer zijn kalme moed bij gelegenheid van Maurits' staatsgreep. Toen de Prins, in November 1618, te Amsterdam de vroedschap had ontslagen om die in zijnen geest te veranderen, stond Hooft op en vroeg aan

[p. 217]

de burgemeesters of zij niets tegen den Prins te zeggen hadden. Niemand durfde een woord te spreken, en daarop nam de oude man zelf het woord, en bracht den Prins op gematigden maar ernstigen toon onder het oog, dat de minderheid van den raad uit eerlijke vrome lieden en goede vaderlanders bestond, tegen wie het niet aanging op deze buitengewone wijze te procedeeren.

Maar niet alleen in staatkundige zienswijze was er groot verschil tusschen Hooft en de nieuwe regenten. Er was nog een ander verschil dat meer uit de maatschappelijke toestanden voortkwam. Hooft was geboren toen Amsterdam nog een betrekkelijk kleine stad was; hij was in zeden en gewoontengebleven een burger van het oude Amsterdam. Eenvoudig in zijn levenswijze, met iedereen op gemeenzamen voet verkeerend, daarbij als koopman tuk op eerlijke winst, maar als regent volmaakt belangeloos. De tijden hadden, gedurende de laatste veertig jaar van zijn leven, in de Amsterdamsche maatschappij een ongekende verandering gebracht. Onvermogenden waren rijk, bemiddelden schatrijk geworden. De maatschappelijke afscheiding tusschen de verschillende standen had zich van lieverlede meer afgeteekend. Er had zich gaandeweg een hoogere stand gevormd, die niet meer, zooals de vaders, in eenvoudige kleeding te voet door Amsterdam's straten ging, maar die paard en koets hield, zich kleedde met een ongekenden zwier en feesten gaf waarover de ouderen van dagen het hoofd schudden. De fouten en gebreken onzer regenten-aristocratie van de achttiende eeuw begonnen reeds in deze kringen zich te doen voelen. Het streven naar ambten uit winstbejag, het uitsluiten van allen die niet tot de door de fortuin bevoorrechten behoorden, het minachtend nederzien op de lagere standen, alles zaken die vooral een man als Vondel, opgevoed in den gegoeden burgerstand en in dien stand gebleven, geweldig tegen de borst stuitten. Daarbij kwam dat die nieuwe regenten, die in alles zoo zeer afstaken bij de oude, toch voor godsdienstiger wenschten gehouden te worden dan hunne voorgangers. Waren zij dat inderdaad, dan mocht ook, meende Vondel van oneerlijkheid en kwade praktijken nimmer sprake zijn en hij vroeg met verontwaardiging:

 
Of zou 't geen godsdienst zijn, rechtvaardigheid te plegen,
 
Maar links en rechts te slaan naar allerhande goed,
 
God voeren in den mond, de valschheid in 't gemoed?
[p. 218]

Wat toch zag men gebeuren? Ongeoorloofde handelingen kwamen gedurig voor, niet het minst verboden handel met de vijanden des lands, die naar men zegt Frederik Hendrik eens in toorn deed uitroepen: ‘dat de Amsterdamsche kooplieden zelfs naar de hel zouden varen om er handel te drijven, zoo zij slechts de zekerheid hadden er de zeilen hunner schepen niet te branden.’

Overdaad - klaagde Vondel - was oorzaak van dat alles.

 
.... kromt des vromen recht, deelt ambten uit om loon,
 
En stuurt den vijand 't geen op halsstraf is verboon.
 
Luikt 't oog voor sluikerij en onderkruipt de pachten.
 
Besteelt het land aan waar, aan scheepstuig en aan vrachten.
 
Neemt giften voor oktrooi en maakt de geldzak zoek
 
En eischt men rekening, men mist den zak en 't boek.

De Romeinsche hekeldichter Juvenalis zegt, na een hevigen uitval tegen de Romeinsche landvoogden, die de wingewesten uitmergelden en een waarschuwing tegen de rampen, die zij zoodoende over hun vaderland brachten: ‘wat ik u hier verkondig is niet het woord eens dichters, het is een blad uit de Sibillynsche godspraak1).’ Zoo klinkt ook in Vondel's hekeldicht een profetische snaar en laat hij ons de fouten en gebreken van de regentenoligarchie der eeuw, die op de zijne volgde, als het ware reeds bij voorbaat zien.

Van lieverlede echter, naarmate de Amsterdamsche regeering meer tegen de Calvinisten partij trok, begon ook Vondel ter harer eere de loftrompet te steken in plaats van den geesel der satire tegen haar te zwaaien. Had hij den bekenden Reinier Paauw als Reintje de Vos ten toon gesteld, voor de burgemeesters die op dezen volgden sloeg hij andere tonen op zijn speeltuig aan. De botsing tusschen de Amsterdamsche regeering en de schutterij, die den eed weigerde omdat er onder de kapiteins Arminianen waren, bracht eerlang alle Calvinistische predikanten, met de godgeleerde hoogleeraren van Leiden aan het hoofd, tegen de Amsterdamsche Vroedschap in de wapenen. En, wat tien jaren vroeger niemand gedroomd

[p. 219]

zou hebben, de lievelingspredikant der Calvinisten te Amsterdam, Adriaan Smout, werd door de stedelijke regeering uit de stad verbannen.

Van dat oogenblik was de strijd beslist. Het bedehuis, door de Remonstranten in Amsterdam ten aanschouwe der gansche bevolking gebouwd, bewees voldoende dat de vrijheid om hunnen godsdienst uit te oefenen hun binnen die stad niet meer betwist zou worden. Maar in den lof dien Vondel aan de regeering zijner woonplaats over hare vrijzinnigheid toezwaaide vergat hij niet, hetzij uit voorzichtigheid, hetzij uit ondeugendheid, haar er aan te herinneren hoe de rechten van het geweten en de belangen van den handel in dezen nauw verbonden waren:

 
God, God, zegt de Amstelheer zal elks geweten peilen,
 
De vrijheid ga haar gang en vlieg met volle zeilen
 
Den Ystroom uit en in, zoo wordt onz' vest gebouwd,
 
Zoo tast de koopman tot den elleboog in 't goud.
 
 
 
W.H. de Beaufort.