De Gids. Jaargang 56


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1892


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 31]

De Nederlandsche zending op Formosa. 1624-1661.

Archief voor de Geschiedenis der oude Hollandsche Zending. III en IV. Formosa. Utrecht C. van Bentum, 1886, 1887.

Het vruchtbare eiland, gelegen tegenover de Westkust van China en bij de Chineezen Thay-wan, bij de inwoners Pacande geheeten, verdiende ten volle den naam, door de Portugeezen er aan gegeven: Ihla Formosa. Begeerlijk was het voor de Oost-Indische Compagnie buitendien omdat er ‘geen bekwamer was tot den chineeschen handel, kunnende tot allen tijde van 't jaar bezocht en uit China bevaren worden.’1) Om deze reden had de Compagnie in 1624 ‘bij formeel contract met de Regenten van China hare vesting van de Piscadores derwaarts overgebracht, met conditie dat de Chineezen den handel met de Hollanders hier onbekommerd zouden kunnen drijven’.2) Bij deze overeenkomst was mede bepaald dat de Chineezen onverhinderd op Formosa zouden mogen overkomen en er zich vestigen, ‘zulks dat velen, door den oorlog uit China verdreven, aldaar eene kolonie oprichtten, wel van omtrent 25000 weerbare manschappen’. Dit mag ook groote voordeelen aan de Nederlanders hebben toegebracht, wegens de scheepsladingen rijst en suiker, die deze kolonisten naar andere Indische gewesten vervoerden, waarvan de Compagnie tolgelden hief, en

[p. 32]

wegens het hoofdgeld, dat zij hen lieten betalen, maar de ‘oprichting’ van die kolonie was ten hoogste verderfelijk voor het Nederlandsch gezag. Het gaf niet zelden aanleiding tot moeielijkheden en muiterij, en toen de Nederlanders nog geen veertig jaren op Formosa gevestigd waren, als een ondernemend Chinees, de bekende Coxinja, uit zijn land door de Tartaren verdreven, zich het eiland wilde toeëigenen, vond hij tot het volvoeren van zijn plan bij dit deel der bevolking een natuurlijken bondgenoot.

Het mag waar zijn dat het verlies van Formosa aan verwaarloozing, bepaaldelijk aan nalatigheid in de bescherming en verdediging, is toe te schrijven, het zou onbillijk wezen niet te erkennen dat de Compagnie, zoolang zij haar machtbetoon er kon doen gelden, de hoogere belangen van de inboorlingen niet veronachtzaamd heeft. Hare bewindhebbers stelden zich inderdaad steeds vóór met de handelsbelangen de bekeering der heidenen te verbinden. Het kon geen tegenspraak of berisping lijden wanneer Seyger van Rechteren in het voorbericht van zijn journaal schreef: ‘In den jare 1628 hebben mij de Bewindhebbers van Oost-Indische Compagnie binnen Amsterdam aangenomen om als krankbezoeker naar Oost-Indiën te varen, om aldaar de verblinde heidenen van hun afgodischen dienst tot de ware Christelijke Gereformeerde Religie te brengen’. Men mag dan ook aannemen dat de Compagnie - al gebruikte men in haren tijd den officieelen naam Zendeling nog niet - een degelijk en uitgebreid zendingwerk heeft bedoeld.

Zoodra - en het ging zóó in den regel - de Nederlanders zich op Formosa vestigden, werd er de hand aan dit werk geslagen. Valentijn bericht dat reeds in 1624 door den eersten Bevelhebber en Landvoogd, Maarten Sonk, een krankbezoeker werd medegebracht, die het volgend jaar ‘alzoo hij 't wat bont aanstelde’ naar Batavia moest teruggezonden worden1). De

[p. 33]

man die hem opvolgde voldeed beter en bleef tot 1627. De tweede Landvoogd, Gerard de With, bracht wederom een krankbezoeker mede, en in het laatstgenoemde jaar werd de zaak met meer ernst aangevat. Toen werd de Predikant Georgius Candidius, vergezeld met den krankbezoeker Jan Jansz. van Tekkeren, van Batavia naar Tayouan afgezonden.

Groote verwachting had men van de vruchten, die stonden geoogst te worden. Immers waren de berichten, die al aanstonds aangaande den maatschappelijken en verstandelijken toestand der bewoners overkwamen, veel goeds belovende. Een bewijs van die verwachting was dat mannen als Candidius in 1626 en straks, in 1629, Robertus Junius bestemd werden voor den Evangeliedienst op den nieuwen post, en dat voortdurend zulken naar Formosa gezonden zijn en zich lieten zenden, die als ‘karakters van bekwame Indische Predikanten’, zooals Petrus Hofstede zich uitdrukt1), mogen worden geroemd. Men liet niet af van op een waar Formosa in de geschiedenis van het Godsrijk te hopen.

De twee genoemde mannen waren treffelijke Missionarissen. Candidius was uit de Paltz verdreven bij den aanvang van den dertigjarigen oorlog, en bij zijn komst in Nederland had de zwerveling zich bereid getoond naar de Moluksche eilanden te

[p. 34]

vertrekken om er het Evangelie te brengen. Hij werd opgeleid in het Staten-Collegie onder Festus Hommius en kwam in Indië in 1625. Op Ternate geplaatst, vond hij hier tegenwerking van den Gouverneur Jacques le Fèbre, die hem reeds in 1626 naar Batavia zond, omdat hij zijn plicht deed door dien Landvoogd te bestraffen wegens zijn ontuchtigen wandel. ‘De eerwaardige Candidius,’ schrijft Hofstede1), ‘wiens daden zoo zuiver als zijn naam waren, werd te Batavia niet alleen door den Kerkeraad, maar ook door de Politie gerechtvaardigd. Men besloot hem in zijn dienst te herstellen en weder naar Ternate te zenden, 't welk ook geschied zoude zijn, was zijn beroeping’ - door den kerkeraad van Batavia? hij was gelast, volgens Valentijn - ‘naar Tayouan niet tusschen beide ingevallen, vanwaar hij naderhand, ter vergoeding van de kwelling, in de Molukken uitgestaan, naar Batavia ontboden werd, om aldaar de gemeente met leer en leven te stichten, gelijk hij ook tot zijn dood toe gedaan heeft.’ Hij kon dus als een goed krijgsknecht van Christus naar Formosa gaan. Van Junius weten wij dat hij een zeer kundig man was, die zijne eigene, wel miskende, doch daardoor niet weerlegde zendingmethode had. Hij diende na zijn terugkeer in het vaderland, eerst te Delft en daarna te Amsterdam, de gemeente nog met eere en zegen. Dat hij van het echte deeg voor den zendingsdienst was bleek hieruit, dat hij tijdens zijn korten dienst te Amsterdam (1653-55) nog eenigen tijd op 's Lands oorlogsvloot ging, ‘ten einde de officieren, matrozen en soldaten tot hun plicht jegens God en tot hun beroep te vermanen,’ en dat hij jonge lieden bij zich aan huis nam om die voor den dienst in Oost-Indië op te leiden. Hij stierf op 49-jarigen leeftijd, den 28sten Augustus 1655, aan de pest met twee kinderen en twee dienstmaagden2).

Er is van de hand van Candidius een klassiek ‘Discours ende cort Verhael van 't Eylant Formosa’, d.d. 27 December 1628, bewaard in het bekende werk: Begin ende Voortgangh der O.I. Compagnie, en door Mr. Grothe in zijn Archief voor

[p. 35]

de Geschiedenis der oude Hollandsche Zending overgenomen, waarin de ‘Costumen, manieren ende religie der inwoonderen’ zakelijk en nauwkeurig beschreven worden1). Een opstel van lateren tijd - ter beantwoording van de vraag van den Gouverneur Pieter Nuyts (1624-1629) omtrent de uitzichten en de beste wijze van evangelisatie - mede in het Archief van Mr. Grothe te vinden, is blijkbaar van dezelfde hand. Beide stukken geven rekenschap van de groote verwachting, die men voor Formosa koesterde. Niet alleen hadden de eerste pogingen in het onderrichten van de Formosanen getoond dat zij ‘een goed en scherp verstand en memorie hadden’, zoodat hun leeraar hun binnen acht dagen tijds had kunnen leeren en doen verstaan ‘'t welk hij aan andere Indianen of ook van onze natie binnen veertien dagen niet had kunnen doen,’ maar zelfs, toen Candidius zestien maanden bij hen geweest was, waren er tegen Kerstdag van het jaar 1628 honderd en twintig, die goed konden antwoorden op de voornaamste punten van het christelijk geloof. Er waren nog andere gronden voor eene goede verwachting. Het eigenaardige van den maatschappelijken toestand dier eilanders maakte hen ‘williger en bereider dan eenige natie van gansch Indiën’, waarmede de Nederlanders verkeering hadden. Zij hadden ‘geen Koningen, Hoofden of Regeerders, zooals de Mooren, Gentilen of Chineezen, zonder welker wil dezen geen andere religie durven aannemen’. Ook hadden zij ‘geen gestudeerde en wel geleerde priesters, die hunne leer voortplantten en voorstonden,’ en ook ‘geen schriften of boeken van religie. Zij hadden alleen eenige vrouwen tot priesteressen, dom en van geen beteekenis, waarom hun religie, toen de Nederlanders er begonnen te arbeiden, maar eene opinie of gewoonte was om zus of zoo te doen. 't Was te voorzien dat die zoogenaamde godsdienst ook buiten den invloed der zending in eene halve eeuw weder vervallen en verloopen zou; immers oude lieden onder hen dachten geheel anders dan toen algemeen onder hen geloofd werd. Geheel anders dan op de kust van Coromandel, in de Molukken en zelfs te Batavia. Wie was onder de Gentilen en Mooren christen geworden?’ Wanneer wij Candidius dus hooren vragen, dan moeten wij niet vergeten

[p. 36]

dat hij schreef in de eerste jaren van de Compagnie, toen men van de zijde der Kerk nog niet durfde denken aan een krachtig en zelfstandig doortasten. Omtrent de ‘Gentilen op de kust van Coromandel’ had de commandeur Marten IJsbrandtsz hem in 1624 bericht dat men daar, ‘naar den inhout van zeker verbond in 't stuk der religie, niets zoude durven attenteeren’, en aangaande de Mooren in de Molukken had de Gouverneur le Fèbre hem in 1626 het bestaan van dergelijk verbond aangewezen. Men had ach! zoo weinig moed voor Indië, voor zoover men het kende en voor zoover men de agenten der Compagnie leerde kennen. Vandaar dat men een terrein, waar het anders konde zijn, als het beloofde land aanmerkte. ‘Op de Ila Formosa,’ schreef de voortreffelijke man, ‘zoude de principaalste Indiaansche gemeente kunnen vergaderd worden.’ Ja, er was voor hem reden om te denken, dat die gemeente heerlijker of alzoo heerlijk als eene gemeente in 't vaderland zou kunnen worden. In het vaderland was dikwijls zoo menig huis, zoo menig gevoelen in de religie, ja altemet zoo menig mensch in één huis, zoo menig verschillend geloof. Hier, op Formosa, zou alles één en hetzelfde geloof hebben, wanneer deze natie van ‘een of eenige getrouwe en orthodoxe leeraars onderwezen’ werd. Wie zou in het vaderland de dwalingen kunnen uitroeien? Hadden zij geen schriften, in welke zij ‘geprint’ waren? Maar deze natie! Zij had geene schriften om hare dwalingen en afgoderijen aan het nageslacht te kunnen overleveren. Nu eerst zou men haar kunnen leeren lezen en schrijven en alzoo het kort begrip onzer religie haar leeren en nalaten, ‘waaruit zij eenstemmiglijk van één en hetzelfde zoude kunnen onderricht worden en alzoo uit éénen mond God aanroepen, met één hart, zin en ceremonie Hem dienen en eeren.’ Zoo hoopte de liefde van dezen Candidius alle en de allerbeste dingen!

Belangwekkend inzonderheid is het te vernemen door wat middelen zulks naar zijne meening het best zou kunnen tot stand komen. Vooreerst moest men het land niet verlaten of aan de Japanneezen overgeven, want werd het verlaten, dan stonden de Spanjaarden op de kust om het ‘aan te snoeren’, en kwam het aan Japan, dan zou de christelijke religie daar geen herberg vinden. Verder werd vereischt dat er behoorlijk gezorgd werd voor Predikanten, zonder dat de plaatsen ooit

[p. 37]

ontbloot werden. De Predikant moest zijn leven lang blijven, of ten minste tien of twaalf jaren: eerst in zooveel tijd zou hij in staat kunnen worden voor zijn werk. In een paar jaren kan men niet anders leeren dan ‘kromtongen, onaangenaam voor de menschen te hooren, doch binnen tien of twaalf jaren zouden zij wel hunne gevoelens recht kunnen uitspreken, 't welk dan zeker met een gratie en aangenaamheid van hen zou aangehoord worden; en zoo verre gekomen zijnde zouden zij eerst het volk naar hunnen wil buigen kunnen.’ In tijds moest gezorgd worden voor opvolgers om de spraak te leeren, opdat men altijd het werk zonder onderlaten mocht kunnen voortzetten. Een Predikant moest in den regel eene vrouw medebrengen, ‘om de strikken des satans te vermijden, en ook om zich met zijn huisgezin aan zijne toehoorders voor te stellen als een spiegel en levendig patroon van een eerbaar, behoorlijk en deugdzaam leven.’ Nog veel beter zoude het wezen indien hij eene van de inlandsche vrouwen trouwde: Candidius achtte dit in alle manier raadzaam om vele redenen.1) Maar boven alles stelde hij dat een Predikant deze gaven had: ‘godzaligheid, nuchterheid, kuischheid; hij behoorde minnelijk en vriendelijk, niet korsel of stuursch van hoofd te wezen. Geen moeite en arbeid moest hij vreezen; groot geduld en verdraagzaamheid moest hij hebben; van goede memorie wezen om metterhaast de spraak te leeren.’

Candidius heeft al het werk van de Zending goed doordacht. Ook aan kolonisatie is hij niet vreemd gebleven. Tot al het vorenstaande, achtte hij, ‘zouden nog wel dienen tien of twaalf personen van onze natie, van een goed en zedig leven, ook

[p. 38]

tamelijk van middelen, om aan de inlandsche vrouwen op dezelfde plaats (waar de zendeling-predikant zich vestigde) te trouwen: dezen zouden wezen de magneet, die 't gansche land zoude aantrekken. Op deze manier zoude het lukken en God door deze middelen zijnen zegen geven.’ Zelfs heeft hij zijne gedachten laten gaan over de verplichtingen van de Overheid met betrekking tot de Zending. In de eerste plaats moesten de Magistraten ‘alle schandalen en ergernissen, die onder deze natie van ons volk zouden mogen gegeven worden, weeren en ten hoogste straffen en alzoo den Predikant de hand bieden, en tevens aan de voornaamsten van het eiland alle goedwilligheid toonen en hen met geschenken vereeren’. Maar hierbij gaf hij nog schoorvoetende - als een die zich op een hem vreemd gebied waagt - den raad dat de Magistraten aan de zeven dorpen, die langs den zeekant lagen en van het Fort af binnen twee dagen doorreisd konden worden, hulp en bescherming moesten aanbieden, ‘bij zoo verre zij zich aan hunne ordonnantiën, wetten en manieren wilden onderwerpen, want zonder wetten en gehoorzaamheid zou het veel tijd vereischen eer dat alles zou kunnen uitgevoerd worden. Mochten zij niet willen, dan moest men dreigen, en desnoods de dreigementen in 't werk stellen. Alles met overleg en na verkregen medewerking van eenige “principaalsten”, die 't volk lichtelijk naar hunnen wil zouden kunnen trekken.’ De voorsteller rekende op de uitwerking van de vrees, die zij voor de Hollanders hadden, wier moed en goed geluk zij hadden leeren kennen. Ten slotte protesteerde de wakkere en beleidvolle man tegen eene opvatting van zijne meening als wilde hij de heidenen tot ons geloof dwingen. Hij wilde alleen ‘dat er behoorlijke wetten gesteld werden, als van doodslag, diefstal, overspel, etc. en dat de inwoners hun recht en vonnissen van onze Overheid moesten halen, dezelve kennen voor hunne hoofden en heeren en zich aan hen onderwerpen.’

Het was geen wonder dat de Gouverneur Nuyts en zijn opvolger Putmans (1629-1636) dezen Predikant-zendeling op hoogen prijs stelden en hun best deden het voornemen te verijdelen dat een jaar na zijne vestiging te Sinkan, waar de Hollanders land gekocht hadden, bleek bij hem te bestaan, om naar zijn vaderland (de Paltz) weder te keeren wegens ‘groote redenen’. Hij had er nog familiebetrekking, waarover hij zeer

[p. 39]

bekommerd was, en hij kon ook aanvoeren dat ‘zijn tijd geëxpireerd was.’ Hij had zich slechts verbonden om de proef te nemen; maar er was nog eene groote reden, waarom hij vertrekken wilde, in den staat van oorlog, waarin de Compagnie in 1628 verkeerde met de Japanneezen en waaraan geen einde te voorzien was, zoo min als eene gunstige gelegenheid voor geregeld zendingswerk.

De tollen en lasten, die te Tayouan1) van de Japanneezen en hunne schepen door de Nederlanders werden geheven, gaven aanleiding tot fellen twist, waarin sommigen van de inwoners van Sinkan aan de zijde der Japanners stonden. Weldra ‘was gansch Sinkan,’ schreef Candidius aan den Gouverneur Generaal Jan Pietersz Coen, ‘anders niet aan te zien dan als een leeuw, wien zijne jongen ontstolen zijn.’ Niet slechts de zendeling had het daar hard te verantwoorden, maar zelfs de Gouverneur Nuyts werd te Tayouan in zijn eigen huis gevangen genomen,2) zoodat hij met de vijanden een vernederend verdrag moest sluiten. Zij hadden ‘der inwoneren harten en gemoederen van ons afgewend, ontstolen en verbitterd.’ Eene groote teleurstelling kwam daar nog bij. Candidius had gehoopt eenigen van zijn dorp, die hij begonnen had te onderwijzen met goeden uitslag, te kunnen doopen en alzoo met het schip, dat op de reede lag ‘hunne namen, als de eerstelingen der geestelijke vruchten te Sinkan aan den Gouverneur Generaal over te zenden’, maar zijne kweekelingen werden door den invloed van oude vrouwen, die als profetessen vereerd werden, vastgehouden aan de bijgeloovigheden en afgoderijen, die onder de Formosanen in zwang waren, en hij wilde niemand doopen bij wie ‘de werken met de confessie niet overeenkwamen’. Ook viel hem nu tegen, wat hij eerst als een voordeel had aangemerkt, dat er geen hoofden waren, die de leeraar kon zien te winnen om door hem op het volk te werken, en van den Gouverneur ondervond hij ook niet de hulp, waarop zijn plan van werken hem had doen rekenen. Hij was overtuigd dat indien er geen verandering kwam en dit beletsel: ‘disordre en gebrek aan recommandatie,’3) niet werd opgeheven, het best was ‘met

[p. 40]

den eersten nog uit te scheiden, eer meer tijd verdorven zoude worden.’ Blijkbaar verwachtte Candidius van den Gouverneur Generaal Coen redres; het schijnt zelfs dat hij met ‘zijne Edelheid en zijne lieve Gemalinue’ vóór zijn vertrek van Batavia hartelijk kennis gemaakt had en reden meende te hebben om van die zijde veel ondersteuning te mogen hopen.

Het duurde evenwel geruimen tijd voordat er verandering kwam. Wegens het samenspannen van de inlanders met de Japanneezen bleef de plaats van Candidius' werkzaamheid onvruchtbaar. Vandaar dat hij een half jaar later nog weêr aan den Gouverneur Generaal zijn ontslag vroeg uit ‘het heerlijk en wèl begonnen werk.’ Dat er heimwee naar zijn ongelukkig vaderland bijkwam, waartegen slechts een onbelemmerd werken hem zou hebben kunnen wapenen, laat zich denken. Hij was een mensch van gelijke bewegingen als de Zendelingen van onzen en van iederen tijd. Bij zijn aandringen op ontslag bleef hij tevens opwekken tot voortzetting van het werk, terwijl hij ook volhardde in het aanbevelen van alles wat hem daarvoor nuttig scheen. Hij bood ook al zijne ‘Sinkansche schriften, een dictionarium met de gebeden en de principale hoofdstukken onzer christelijke religie, door hem samengesteld en overgezet,’ voor zijne opvolgers aan, voor wie hij goede hope had, ‘indien het op Formosa maar deugen wilde,’ en van wie hij meer verwachtte dan van zich zelven. Hij vroeg zich ook af, of hij tot deze dingen wel bekwaam was: zóó diep ging zijn strijd. Hij was een voortreffelijk man.

‘Desespereer niet.’ Mij dunkt, dit heeft Coen ook met betrekking tot den arbeid van Candidius, dien hij kende, gezegd. Althans eenige maanden later (17 November 1629) vinden wij den jeugdigen Robertus Junius hem ter zijde staande. Reeds in de maand Maart was deze van Batavia afgezonden. Coen hield van afdoende maatregelen en zond dus dezen wakkeren en bekwamen man, ten einde Candidius te doen stand houden. Zij gingen gezamenlijk op hunne manier aan het werk. Beiden waren van gevoelen dat de aanrichters en medehelpers bij de gepleegde gewelddadigheden voorbeeldig moesten gestraft worden. ‘Devotie en gehoorzaamheid’ jegens het nederlandsche gezag was naar hunne meening onmisbaar om ‘aan de voortplanting der christelijke religie een gladder voortgang te doen nemen.’ Hieraan werd gevolg gegeven, en toen dit gunstig

[p. 41]

werkte, vond de Gouverneur van Formosa Putmans in het begin van het volgend jaar (1630) Candidius bereid zijnen arbeid voort te zetten. Wij vinden hem nu weldra weder te Sinkan ‘met goede hope’ aan het werk. Een huis wordt voor hem gebouwd en een slaaf der Compagnie, dien hij tot zijn dienst bij zich had, wordt vrijgelaten en in vrijen dienst der Compagnie genomen tegen eene bezoldiging van acht gulden per maand. De Gouverneur had nu de beste verwachtingen en juichte het plan, dat Candidius eene inlandsche vrouw zou huwen toe. Maar de Gouverneur Generaal Jacques Specx was minder dan Coen tot het aanwenden van groote middelen voor het zendingwerk gestemd. Hij beval ‘mate en proportie’ aan en meende, dat 4000 gulden ‘aan tractementen en onderhoud van ecclesiastieke personen in Tayouan vooreerst genoeg waren.’ Ook vond Candidius zich beknibbeld op het punt van zijne geldelijke vorderingen en het mag hem wel sterk gehinderd hebben, dat zijne Edelheid te Batavia hem door den Gouverneur Putmans de opmerking deed maken, dat ‘Zijn Eerw. de geestelijke winsten en schatten behoorde te considereeren (!)’, met de belofte dat zijn christelijke ijver en bewezen diensten voortaan - dus met terzijdestelling van hetgeen hij te vorderen had - wel zouden erkend worden. Het blijkt dat door Candidius o.a. ook was aangedrongen op restitutie van hetgeen hij tot schadevergoeding aan zijne leer- en kweekelingen te Sinkan had verstrekt wegens het verwoesten van hunne rijstvelden in den gevoerden krijg, waartoe hem een veelbelovend briefje van den Gouverneur Nuyts aanleiding gegeven had. Men moest bedenken, schreef Specx, dat de Compagnie ook ‘als behoeftige weduwen en weezen moest beschouwd worden, die jaarlijks zoowel naar de vruchten hunner lang uitgelegde kapitalen uitzagen als de Sinkanders naar hunne gewassen pady (rijst)’. Het bericht van den Gouverneur te Tayouan, dat het goed begonnen werk te Sinkan nu geheel heerlijk stond, dat Candidius vijftig personen kon doopen, enz. deed aan den Gouverneur Generaal en Raden van Indië veel genoegen, maar ‘de Compagnie moest bij dat alles niet worden bezwaard.’ Putmans wist dus waaraan hij zich had te houden, en daar men nu toch Junius had, die in de taal spoedig vorderingen had gemaakt, en er nog een proponent (Bonnius) aanwezig was, dien Specx niet zonder reden had gezonden, zoo werd ‘in

[p. 42]

't comptoir te Tayouan den 10en October 1631 besloten, ten einde de Compagnie van verdere lasten te bevrijden, Candidius te largeeren en hem door Dom. Junius, met nog een ander stil bekwaam persoon,’ t.w. den genoemden Proponent, ‘om intusschen in de taal wat ervaren te worden, te doen vervangen.’ Karakteristiek is wat aan het einde van den brief aan den Gouverneur Generaal wordt gelezen: ‘UEd. noemen dit werk van Sinkan een grooten omslag en zeggen, dat wij onzen ontijdigen ijver matigen zouden. UEd. is immers kennelijk hoedanig hetzelve ons bij d'Ed. Heere Generaal Coen Zal. en UEd. 't verleden jaar gerecommandeerd is te bevorderen. De verdere redenen, die ons bewogen hebben hetzelve naar behooren te bevorderen, hebben wij hierboven ten deele aangeroerd en 't is zulks, Ed. Heere, dat al ware 't schoon dat de bevordering van de christenheid aan de eene zijde werd gesteld, ons de politieke redenen en inzichten hetgene daar gedaan is (willen wij vrede en ontzag onder de inwoners hebben en t' avond of morgen ons profijt daarvan trekken) bijna gemandeerd hebben te doen.’

‘Den 16en December,’ zoo bericht ons Valentijn in zijne kerkelijke aanteekeningen van Batavia, ‘is Ds. Candidius hier te Batavia uit Tayouan verschenen.’ Het was het slot van het eerste bedrijf der Formosaansche Zending, merkwaardig genoeg om er wat uitvoerig bij stil te staan, omdat het ons al het eigenaardige, al de schaduw- en lichtzijden van den arbeid in verband met de Compagnie leert kennen. De twee uitstekende mannen, die wij aan het werk zagen gaan, waren van gevoelen dat het om de kerstening te doen was van de landen, die onder het gebied der Compagnie kwamen - zoo beschouwde deze al de eilanden en gewesten, waar zij zich kon vestigen - en zij waren in dezen eenstemmig met hunne betaalsheeren. Als zoodanig achtten zij zich verplicht Heeren Bewindhebbers te secondeeren in hunne maatregelen tot onderwerping van die gewesten, omdat zij haar als middel beschouwden tot uitbreiding van het christendom, terwijl zij de kerstening en beschaving aanmerkten als de wettiging insluitende en met zich brengende voor de toeëigening der heerschappij. Vandaar dan ook dat zij na de gewelddaden, waaraan de inwoners van sommige dorpen medeplichtig waren en die aan drie en zestig van de onzen het leven hadden gekost, eenparig oordeelden dat

[p. 43]

aan hen een bloedig voorbeeld moest worden gesteld, ‘hopende hierdoor den overigen inwoners zoodanige vreeze en schrik zoude aankomen, dat zij eerlang zouden komen om het hoofd in den schoot te leggen en onze vriendschap op het vurigste te verzoeken.’ Zij hebben ook later nog evenzoo geadviseerd in dergelijke omstandigheden, nadat Candidius, na een tweejarig verblijf te Batavia, naar Formosa teruggekeerd was.

Het was in 1629 dat Junius er aankwam. Hij bleef er met korte tusschenpoozen tot 1643, zoodat hij eerst bijna drie jaren met Candidius gewerkt heeft en na de afwezigheid van dezen (1631-1633) nog weder vier jaren lang (tot 1637). Gedurende al dien tijd vinden wij hen in volkomen overeenstemming samenwerkende. Zij hadden dezelfde voorstelling van het zendingwerk en van de taak der Compagnie, namelijk de kerstening van het land. Den steun van het nederlandsch gezag achtten zij tot vervulling van hunne taak onmisbaar. Wij hebben dit wèl in het oog te houden bij de beoordeeling van hun Zendingswerk en bij de waardeering van het ongunstig oordeel, dat hunne opvolgers daarover later hebben geveld.

Wat hen nog meer bijzonder in deze opvatting met betrekking tot hun arbeidsveld versterkte was, gelijk wij zagen, dat op Formosa geen zweem gevonden werd van een eenhoofdig of centraal bestuur. De bevolking van de om Tayouan liggende dorpen neigde zich al spoedig ‘om onze religie aan te nemen,’ zoodra maar de macht van de Compagnie zich eenigszins krachtig deed gelden, hetzij tegen haar om haar te onderwerpen, of ten hare behoeve om haar te beschermen. Dit was bijvoorbeeld het geval te Sinkan, waar Candidius zich gevestigd had, Aangaande deze plaats schreef de Gouverneur Hans Putmans aan den Gouverneur Generaal Specx in Januari van het jaar 1633, toen Junius het werk in de afwezigheid van Candidius voortzette: ‘De voortplanting van de christelijke religie in Sinkan heeft, God lof, zoodanig toegenomen, dat allen die daar wonen hunne afgoderijen weggeworpen hebben en nu altesamen den eenigen almogenden, waren God willen aanroepen en dienen.’ Dat was geen leugen of grootspraak zelfs, maar enkel wat de feiten aan den dienaar der Compagnie te aanschouwen gaven, een tafereel, alleen maar zonnig getint door hetgeen zijn hart in overeenstemming met zijne Bewindhebbers wenschte. De

[p. 44]

Kerk en de Compagnie-staat werden geacht op het zelfde standpunt te staan en in dezelfde sporen te kunnen voorttreden. De dienaars der Kerk en de dienaars der Compagnie hadden, zóó meenden zij, en velen met hen, één belang. Eigenaardig is tot kenschetsing van deze verhouding een brief van Putmans aan den Commandeur van de vloot, komende van Batavia, gedateerd een half jaar na den laatstgenoemden datum: ‘Volgens het aanschrijven van den Predikant Robertus Junius staan de zaken in Sinkan zeer heerlijk, maar Taccaran, de overste in Mattau kan zijn grootsch gemoed - - nog niet nalaten. Hij wil naar Japan vertrekken’, t.w. om van daar hulp te verkrijgen tegen de Hollanders, ‘en hierin te voorzien - - is om verscheidene inzichten tot de komst van de schepen van Batavia na te laten goed gevonden.’ In een anderen brief, van de bevelhebbers der vloot, beroepen deze zich op Ds. Candidius, die toen te Batavia was, om inlichting te verschaffen tot aanwijzing van hetgeen noodig was ten einde het voornemen van den vijand te verijdelen. De Mattauers belemmerden de Compagnie in haar bewind en bedrijf, zij deden het derhalve ook aan ‘het progres der christelijke voortplanting, zulks dat men eenen heerlijken oogst te gemoet zoude mogen zien, ten ware de mattauwsche kevers de vruchten in vele deelen niet bedorven,’ want, zoo schreef de Opperkoopman Traudenius nog in het laatst van het zelfde jaar 1633 aan den Gouverneur Generaal, Hendrik Brouwer: ‘onwilligen, die door de Mattauwers en anderen zich laten opruien, zijn er nog velen’, terwijl hij ook naar de adviezen van de Predikanten Candidius en Junius verwees voor hetgeen hierin te doen was. ‘Tot dit werk zouden hun Eerw. zooveel de helpende hand aanbieden als eenigszins de constitutie van de Compagnie zou willen toelaten.’

Maar de eerste zendelingen op Formosa verloren in hunne betrekking tot de Compagnie de constitutie van het Koninkrijk Gods niet uit het oog, en zij hadden het voorrecht dat de Gouverneur Putmans daar ook oog en hart voor had. Deze schreef niet alleen aan den Gouverneur Generaal en Raden, maar ook aan de Kamer van Amsterdam, tot ondersteuning van den wensch der Predikanten, dat eenige jonge lieden uit de inboorlingen in het vaderland zouden worden opgeleid voor het heilig dienstwerk, waartoe Junius zou willen repatrieeren om hun leidsman en

[p. 45]

opvoeder te wezen. De wakkere man had reeds aangevangen een viertal ‘jonge hollandsche kwanten’ in bijzonder onderwijs te nemen, om later dienst van hen te trekken. Naïef was zijne verzekering aan den Gouverneur dat het hem in het vaderland niet aan het noodige geld zou ontbreken: de onderneming behoefde alzoo aan de Compagnie niets te kosten. Hij rekende er op dat men in Holland voor het zendingwerk in het land van overzee liever ‘door aanschouwen’ zou willen wandelen dan ‘door geloof.’ Heeft hij misschien gehoopt dat het derdehalve eeuw later anders zou zijn, dan heeft hij zich bedrogen! Het plan was hierop vooral gegrond, dat Junius zich in de Sinkansche taal buitengemeen goed geoefend had, en voorts werd op de uitvoering bij den Gouverneur vooral aangedrongen door te wijzen op de ervaring, die men had opgedaan in drie nabij Sinkan gelegen dorpen, ‘die maar verlangden om iemand te hebben die hen onderwees.’ Naar onderscheidene kanten werden dergelijke ervaringen gemaakt en het gevolg daarvan was, dat er dringende stemmen opgingen om vermeerdering van het getal der arbeiders in dezen veel belovenden wijngaard. De taktiek was, wanneer er plaatsen ‘onder den vrede’ der Compagnie werden aangenomen, dat de inwoners de opdracht deden van hun land en dan tevens onder de leiding van een Predikant gesteld, die bij deze aanneming als tuchtmeester fungeerde en ‘de artikelen’ voorlas en uitlegde. Ook deden de Predikanten dienst als auditeurs bij rechterlijk onderzoek. Bij de vermelding van dergelijke zaken in het Gouvernements-dagregister vinden wij telkens den wensch uitgedrukt: ‘De Almogende moge willen geven dat deze onze geringe arbeid tot verbreiding van zijns Naams eere, bekeering dezer heidenen en als dienst en profijt van de Compagnie moge komen te strekken.’

Deze ons nu zoo vreemd schijnende samenwerking had inderdaad merkwaardige vruchten. Zoo werd onder haren invloed de pacificatie tot stand gebracht van een aantal, eenmaal zelfs van 28 dorpen, die meest allen tegen elkander krijg gevoerd hadden: ‘'t Was een lust om te zien’, schrijft Junius in een zijner rapporten aan de bewindhebbers ter kamer Amsterdam, ‘hoe deze luiden in de eerste aankomst elkander omvatteden, hoe dat zij malkander zoenden, en met wat verwondering zij malkander aanzagen, - en ten ware wij hen met malkander vereenigd hadden, zij zouden nooit vereenigd zijn geweest, want

[p. 46]

zij dorsten met malkander in geen gesprek komen, malkander niet vertrouwende, zeer bedriegelijk met malkander handelende.’ De Gouverneur Putmans gaf bij zijne komst ter bevestiging van dezen vrede aan de inwoners te kennen hoe lief en aangenaam hem de vrede was, en hoe (de Hollanders) niet oorloogden of zij waren daartoe genoodzaakt, niet gelijk zijnde aan deze inhabitanten, die streden om hoofden (koppen) te hebben. Den volgenden dag werd met de oudsten van de dorpen het werk des vredes plechtig bevestigd. Zij werden op een rij gezet en er werd uitvoerig met hen gesproken - Junius kon er zijn hart bij ophalen - over dezen vrede en niet over dezen alleen. Dan kregen zij ieder een rok, een stok en eene prinsenvlag, waarvan de beteekenis hun verklaard werd en er werd een strootje met hen gebroken1), dat hun eed was. Nog eens zegt de rapporteur aan het einde van zijn verhaal: ‘'t Was een lust om te zien hoe dat zij met hunne zwarte rokken pronkten; van verre hen ziende, zoude men gemeend hebben of het al papen (priesters) geweest waren, die in processie zouden gaan.’ Het was zeker een vroolijk einde van het feest, maar wat voor de aanschouwers nog veel meer een lust zal geweest zijn was dit, dat zij de lieden wijzen konden op Sinkan, waar de inwoners al bij de vijf jaren hunne afgoderijen hadden verworpen en waar alles uit- en inwendig was verbeterd en verrijkt. Voorwaar, de oude nederlandsche Zending op Formosa heeft schoone bladzijden in hare geschiedenis.

De uitlegging van het ‘beduitsel van den stok, van den rok en de vlag werd door den Gouverneur noodig geacht dat die ook van ons, Predikanten, geschieden zoude.’ Deze aanteekening in het merkwaardig rapport doet ons vermoeden dat de steller wel gevoelde hoe hij bij dergelijke handelingen moeielijk over het Woord des Heeren had kunnen prediken, dat zijn Koninkrijk niet van deze wereld is. Inderdaad werd op den duur het vereenigen van de ‘geestelijke bouwerie, het bekeeren van de heidenen’ met politieke zaken voor de leeraars ondragelijk, daar het vervullen van hunne roeping er schade bij leed. Reeds in het merkwaardig rapport, waaraan wij iets omtrent de vruchten van het werk ontleenden, klaagde Junius zijn nood, en verklaarde hij dat hij en zijne medestanders -

[p. 47]

er waren toen, in 1636, nog twee met hen: de Predikanten Assurëus Hogenstein en de krankbezoeker Carolus Agricola - reeds meermalen vruchteloos verzocht hadden van de politieke zaken ontlast te worden. Intusschen werd dit voor hem eene levensvoorwaarde voor zijn verder werken en verblijven op Ila Formosa. In October reeds van hetzelfde jaar schreef de nieuwe Gouverneur Van der Burch aan den Gouverneur Generaal - het was een wel verdiend eerbewijs voor hem, wien het gold -: ‘In den persoon van Ds. Junius hebben wij sedert onze aankomst in Tayouan niet anders bespeurd dan een rechten ijveraar van de liefde Christi, die tot de voortplanting van Godes Kerk alles naar vermogen contribueert. Zijn persoon schijnt nog wel genegen, na expiratie van zijn tienjarig verband, in Indiën eenigen tijd te continueeren, zoo men hem maar ontlast van de politieke zaken, waarover hij ten hoogste doleert, als wezende buiten zijne vocatie en strijdig tegen zijn gemoed, 't welk wij ook niet alleen geconsidereerd maar ook ingezien en ter harte genomen hebbende, recommandeeren UEd. dienaangaande dat men gemelden Junius daarvan behoort te ontledigen.’ Ook te Batavia kon men de billijkheid van het verzoek niet betwisten en van daar kwam zelfs de ‘serieuse recommandatie’ om er aan te voldoen. Maar het ontbrak, naar het oordeel van Van der Burch, aan de rechte personen om een Junius te vervangen. Men had ten minste iemand noodig die, zooals hij, ‘een nuchter, stil, godzalig leven leidde, en de blinde heidenen met alle goede manieren in gerechtigheid, nederigheid, en de waarheid voorging, zich vriendelijk, goedwillig en niet baatzuchtig aanstelde, maar een ieder in zijn goed recht met een vereischt oordeel handhaafde. Zulk een persoon moest ook gezind wezen voor zeven of acht jaren zich te verbinden, - want er waren drie jaren noodig aleer iemand prompt in de sprake wezen kon.’ Dit alles vond men in Junius vereenigd: was het wonder dat men hem niet wilde loslaten?

Robertus Junius heeft inderdaad eene geheel eenige plaats in de geschiedenis der oude nederlandsche Zending bekleed. Van daar dat hij, toen hij Formosa na veertien jaren dienst in 1643 verliet, aan schuinsche beoordeeling bloot stond. Hij was de rechterhand van de Gouverneurs, die te Tayouan in het fort Zeelandia zetelden, en oefende een soort van patriarchaal gezag over de dorpen, naarmate die onder het bestuur van de

[p. 48]

Compagnie genomen werden. Het was en bleef zijne wél beproefde overtuiging, dat men de heidensche bevolking - zooals dat op Ila Formosa uit den aard der omstandigheden beter dan elders geschieden kon - te gelijk onder burgerlijk en kerkelijk opzicht brengen en alzoo de bevolking kerstenen moest. Wat hem in deze baan van werkzaamheid krachtig voorthielp was, dat hij onder Gouverneurs op het eiland dienst deed, die de bevordering van de planting van het christendom zeer ter harte namen. Zulke mannen waren Putmans, van der Burch en Traudenius. Dit alles behoort men wél in het oog te houden, indien men dien voortreffelijken man tegenover de hem aanklagende latere leeraars-zendelingen recht zal doen. Wanneer wij hem eerst na eenige jaren met zooveel ernst en aandrang zien verlangen om van alle politieke werkzaamheden - die trouwens even veelsoortig als veelvuldig waren - ontslagen te worden, dan was dit niet omdat hij berouw had over de gedragslijn, waarin hij werkte, alsof die in haar zelve berispelijk was, maar omdat, zooals de Gouverneur Putmans het zinrijk en kort uitdrukte in de Memorie, door hem in handen van zijn opvolger gelaten, ‘de zaak allengs grooter en dienvolgende des te zwaarder en moeilijker werd, en God de voorste was.’ In weerwil van deze lasten en bezwaren is Junius tot 1643 gebleven: de Compagnie deed al het mogelijke om hem te behouden.

Een treffend blijk hoe zij 's mans werk wist te waardeeren was, dat voldaan werd aan zijn verlangen om tot voortzetting en onderhouding van het begonnen werk der kerstening van het eiland de noodige werkkrachten te zenden. Wij vinden in 1638, toen Antonie van Diemen Gouverneur Generaal was, die volgens getuigenis van den kerkeraad te Batavia aan de Kerk steeds trouwelijk de hand bood, de Predikanten van Leeuwen (Leeuwius, Levius, Livius) en Schot (Schotanus) benevens onderscheiden krankbezoekers aan het werk, zoodat de Gouverneur Van der Burch schrijven kon: ‘Wij houden ons nu met dezen gecontenteerd.’ Toen van Leeuwen welhaast stierf en Schot van zijn ambt ontzet en teruggezonden moest worden, kwamen aan Junius ter zijde staan de Predikanten Bavius en Van Breen, terwijl een der krankbezoekers, Merkinius, wegens zijne bekwaamheid eerst tot proponent en weldra tot Predikant bevorderd werd. Deze mannen hebben met eere

[p. 49]

en met vrucht gediend. Maar Junius had onder hen zijn gelijke niet. Het was mede eene schaduwzijde aan het zendingswerk onder het patronaat der Compagnie dat zij niet zelden met rijp en groen aan de markt kwam. Junius was voor de Heeren wel eens overrijp. Althans hij werd eens van den zoo even genoemden Opperlandvoogd bestraft, terwijl met de mededeeling van die bestraffing door den Gouverneur Van der Burch in éénen adem zijne groote verdienste vermeld werd en de hoop uitgesproken, ‘dat hij zich na het expireeren van de tien jaren zijner verbindtenis tot continuatie zou laten bewegen.’ Wij kunnen ons gemakkelijk denken waarin zijne ‘faulte’ bestond.

Niet in hetgeen hij leerde en predikte. In het Archief der Classis van Amsterdam zijn van zijne hand bewaard gebleven het korte Onderwijs in vragen en antwoorden, waarop de Formosanen gedoopt werden en die in gebruik bleven tot in het jaar 1647, een kleiner en nog een uitgebreider vraagboek dat gebruikt werd in eene kweekschool voor inlandsche onderwijzers in het dorp Soelang. Ook vinden wij in hetzelfde Archief nog een gebed vóór den godsdienst, benevens eene predikatie over Psalm 50 : 15, alles uit het Formosaansch vertaald, meest door den bijzonder geoefenden en als zoodanig geroemden krankbezoeker Daniel Hendriksz1). Wij kunnen uit deze overblijfselen zien in welken gezonden geest Junius onderwijs gaf en predikte en hoe praktisch, naar de behoeften van degenen die hem hoorden. Het was zijne overtuiging dat ook in een praktisch onderwijs niet mocht ontbreken de substantie van de christelijke leer naar de belijdenis der Kerk, waartoe de Dienaar des Woords behoorde, maar voor hem - och, waren allen van zijnen geest geweest! - was zulk een onderwijs iets anders dan eene dogmen-reeks buiten hun samenhang met het middelpunt van het Evangelie. Een paar vragen uit het groote vraagboek, ‘bij hem in het laatste jaar gebruik tot onderwijzing van de vijftig mannen, uit alle dorpen uitverkoren’, mogen ons zijne meening en zijn onderwijs doen kennen:

[p. 50]

‘(178) Als wij Gods Woord hooren, wil het geloove alsdan ook in ons komen?

Ja, want het Woord Gods is krachtig. Als de dienaar Gods tot ons spreekt, zoo plant de H. Geest dit geloove in onze zielen.

(179) Wie heeft de Predikanten gezonden? Komen zij ook van hen zelven?

Neen, want de Zoon Gods, Jezus Christus, is hun Hoofd, die heeft hen gezonden. Hij heeft tot de Predikanten gezegd: “Gaat in de gansche wereld, doet de menschen hooren mijn Woord, doet hen mij kennen, spreekt tegen hen van God alle Sabbathen. Diegenen, die zich bekeeren en in mij gelooven zullen, die zult gij doopen in den Naam Gods des Vaders, Gods des Zoons, Gods des H. Geestes.”

(180) Wat voor woorden zullen zij ons doen hooren?

Gods Woord alleen, gelijk Hij ons in zijn boek, den Bijbel, geopenbaard heeft, maar zoo zij ons eenige andere woorden leeren, zal God op hen vertoornd wezen.

(181) Wat zijn het dan voor woorden, die zij ons met alle naarstigheid moeten leeren en openbaren?

Zij moeten ons dagelijks leeren kennen Jezus Christus, den Zoon Gods, den Zoon van Maria, die aan 't kruis gestorven is.’

Het was niet te verwonderen dat toen Junius, na nog vier jaren tot zijn diensttijd, die in 1639 om was, te hebben toegedaan, eindelijk in 1643 naar het vaderland terugkeerde - blijkbaar met verder uitziende bedoelingen voor de Zending - er met hem een groote roep herwaarts overkwam van ‘het heerlijk werk’ op Ila Formosa. Het was niet op zijn zeggen alleen, dat men het heidendom daar overwonnen, althans alles rijp achtte voor de planting van de christelijke Gereformeerde Kerk zooals men zich deze als het ideaal voorstelde. Wij vinden in het Archief eene reeks van rapporten van de Gouverneurs Van der Burch en Traudenius aan den Gouverneur Generaal en Raden van Indië, die tot bevestiging strekken van hetgeen door den kerkeraad van Tayouan aan de Classis Amsterdam werd gemeld.

Die rapporten, van onderscheidene jaren, getuigen van gestadigen voortgang. Gebouwen voor kerk en school opgericht; inlandsche leeraars, in 1643 vijftig in getal, ‘treffelijk in de fondamenten der christelijke religie onderwezen en meesten-

[p. 51]

deels in staat om in lezen en schrijven onderwijs te geven;’ meer dan 4000 gedoopten; meer dan 1000 paren in den echt verbonden; Avondmaalsviering op de dorpen, hier en daar met 60 communicanten, wier leven en omgang volgens kerkeraads getuigenis blijk gaf dat zij ook de beteekende zaak deelachtig geworden waren; - ziedaar, waarvan die berichten getuigenis afleggen. Het getuigschift, door den kerkeraad1) den 7den October 1643 met onderteekening van de Predikanten van Breen en Bavius en twee Ouderlingen aan den vertrekkenden Leeraar gegeven, luidt te schoon om hier niet vermeld te worden: ‘Wij kunnen God niet genoeg danken, die den arbeid van zijnen ijverigen en getrouwen dienaar zoo overvloedig heeft gezegend, niettegenstaande het uit onze natie zoo weinige trouwe medehelpers gehad heeft. ZijnEd. is ons om zijnen onverdrietelijken arbeid, vurigen ijver en grooten dienst, die hij alhier heeft gedaan, zeer lief en waard geweest. Wij, als ook mede alle deze Formosanen, van de minsten tot de meesten, hadden gaarne gezien dat zijnEd. alhier langer had willen continueëren, doch het schijnt dat de zwakheid en de ziekte, die hij hier subject is, het verlangen naar 't lieve vaderland en ZijnEd. moeder, alsook de begeerte om UEd. van alles opening te doen, ZijnEd. zoo aangeprikkeld hebben, dat hij daartoe niet heeft kunnen resolveeren. God Almachtig zij zijn leidsman, ZijnEd. convoyeerende met zijne H. Engelen, en vergelde hem het goede, dat zijnEd. aan deze arme inhabitanten heeft gedaan.’ In het Verslag aan de Classis van Amsterdam, waarin dit voorkomt, staat nog aan het slot: ‘Het zoude voorwaar eene zeer kostelijke zaak zijn, zoo eenige vrome en ijverige zielen den E. Ds. Rob. Junius in 't Patria werden ter hand gesteld, om van zijn E. in de talen en manieren dezer inhabitanten geoefend te worden; gewisselijk Gods Kerk zoude dan alhier beteren en spoediger dienst van hen kunnen trekken, om welke te leeren wij vastelijk gelooven, dat zijn E. wel zal willen vaceeren.’ Wij we-

[p. 52]

ten hoe dit den apostolischen man aan het hart lag: zou het vooruitzicht daarop hem niet hebben doen oordeelen, dat het der kerstening van Formosa nuttig was dat hij heenging?1)

II.

Met het vertrek van Junius ving een nieuw tijdvak aan. Een tijdvak indien niet van stilstand, althans van stagnatie in den gang van het werk. Of de scheidende herder er op gerekend heeft, dat voortdurend zijne en Candidius' gedragslijn zou worden gevolgd, en dat de achterblijvenden daarvoor berekend waren, blijkt niet bepaaldelijk, maar het tegendeel bleek hem al zeer spoedig na zijne terugkomst in het vaderland. Op Formosa vinden wij een sprekend voorbeeld hoe het zendingwerk benadeeld wordt bij gemis van een eigen onafhankelijk bestuur, waardoor de voortzetting in hetzelfde spoor van het eens begonnene gewaarborgd wordt Dit is althans een voordeel van het zelfstandig bestaan der in den schoot der gemeente werkzame vereenigingen voor de Zending van de laatste eeuw. Nog iets anders leert ons de geschiedenis der oude Formosaansche Zending. De eigenaardigheid van het terrein harer werkzaamheid maakte, zooals wij zagen, dat het plan eener christaniseering van het volk voor de hand lag, en daardoor werd de

[p. 53]

methode, de wijze van het werk op- en aan te vatten, aangewezen. Niet overal zal dit de gebaande en dus gewezen weg zijn. Men beoordeele daarom het zendingwerk niet naar ééne bepaalde theorie. Het groote werk van de christianiseering van een volk heeft zulke eigenaardige en uitgebreide behoeften, dat het noodzakelijk of ten minste wenschelijk moet geacht worden, dat zulk eene groote Zending haar eigen afzonderlijk bestuur had kunnen hebben. De Compagnie nu had geen eigen plan of methode, en zij kon die ook niet hebben. Hare Bewindhebbers meenden te kunnen volstaan met het betalen en beschikken van mannen, die voor ‘den geestelijken bouw’ konden dienen. Zij misten ook het orgaan om behoorlijk toe te zien op de geschiktheid en den geestelijken zin van het personeel, dat uitging tot dezen arbeid. Zij riepen de Kerk wèl te hulp, maar hielden de oppermacht aan zich, en het handelsbelang moest voorgaan; op hetgeen daarbuiten lag zagen zij zoo nauw niet.

Er waren op Formosa in 1644 slechts drie predikanten werkzaam, Joannes Bavius, Joannes Happart en Simon van Breen, benevens twee proponenten en eenige ziekentroosters, zooals men ze noemde. Een dezer proponenten, Hans Olhoff, heeft zich in het zuidelijk bergachtig deel van het eiland gedurende vele jaren loffelijk gekweten; de andere, Andreas Mirkinius, verzocht alras liever in politieken dienst te worden gebruikt. Bij deze mannen ontbrak een vast plan en een verstandig besturend beleid. De Gouverneur en Raden te Batavia zagen, evenals de Bewindhebbers in het vaderland, in het eerst wel gaarne dat men de grenzen der ingenomen posten uitzette, omdat daardoor het gebied der Compagnie werd uitgebreid, maar daarvoor was nog heel wat meer noodig dan men bevroedde. Twee der Predikanten, Bavius en Happart, klaagden. ‘Belangende den staat der kerken in Formosa zoude veel te schrijven zijn’, zoo liet laatstgenoemde zich hooren in 1645 aan een ouderling te Batavia, ‘mij dunkt, dat D. Junius vrij gemist wordt, en ik vreeze dat de goede beginselen meer vervallen zullen als toenemen, als men meer bezig is om wat nieuws te winnen als om het begonnene te bewaren.’ Terwijl hij in denzelfden brief op het zenden van grooter aantal Predikanten drong, schreef hij met zekere plechtigheid als regel, vooral voor het zendingwerk geldende - een gulden regel inderdaad - ‘Non minor

[p. 54]

est virtus quam quaerere, parta tueri.’1) En Bavius schreef eenige maanden vroeger naar aanleiding van het overlaten van de plaatsen van Junius' eersten dienst aan Mirkinius, den politieken dienstdoener, en het ‘abandonneeren van den kerkeraad te Soelang’ door toedoen van het burgerlijk gezag, omdat hij was ingesteld zonder approbatie, dat er ‘een groote eclipsis in den loop des Evangeliums’ gekomen was. Niet dat het werk gestaakt werd: integendeel, er werd veel geregeld door den kerkeraad van Tayouan onder goedkeuring en medewerking van het kasteel (Zeelandia); van hieruit werd wederkeerig naar het verlangen van den kerkeraad tucht geoefend; Ds. van Breen kreeg soldaten en een paar jachthonden mede om voor hun nooddruft te gebruiken; er werd handig geadministreerd, o.a. door de 54 inlandsche schoolmeesters, die niet bezoldigd werden om er van te kunnen bestaan (t.w. met ƒ 2.40 = 1 Reaal van 8 schellingen per maand), op 17 te verminderen om hun 9 Realen te kunnen geven, een maatregel, waardoor de Compagnie meer gebaat werd dan het onderwijs; voor dit laatste werden anders ook weder verstandige maatregelen getroffen, b.v. om de schoolmeesters niet meer dan noodig was voor politieke diensten te laten gebruiken. Alles wèl gemeend, maar als werk van de handelmaatschappij, met eene bij haar tehuis behoorende begrooting, ingericht naar den regel: weinig kosten en veel tastbare winst.

De Gouverneur Generaal Antonie van Diemen was een zeer begaafd man. Hij was - zoo rijmde Valentijn van hem - ‘van ouds bekend door zijne gadelooze veder’, en der bevordering van het Christendom toegedaan; hij legateerde 40,000 Rijksdaalders voor het stichten van een nieuwe kerk te Batavia; maar tevens was hij een zeer getrouw dienaar van de Compagnie. De Raad van Formosa vernam onder zijn opperbestuur, naar aanleiding van het vermeerderen van de kerkelijke personen, waardoor de onkosten op dit eiland ‘dagelijks’ (N.B.) grooter werden, dat men te Batavia, en zeker ook te Amsterdam, gaarne zien zou, dat die uit de opbrengst van het eiland zelf gevonden werden, t.w. uit de lasten en tollen, die men er hief. De Raad gaf het geruststellend bericht (October 1644),

[p. 55]

en steunde het met eene opzettelijke memorie van toelichting, dat al die onkosten, op 't ruimste genomen en over een jaar berekend, ‘tot soulaes alleen uit vier kapitale posten van inkomen’ ruim konden worden gevonden. Maar de Opperkoopman - zoo luidde 's mans titel - Johan Verpoorten betoonde zich in een Rapport aan den Gouverneur Generaal en Raden omtrent de Formosaansche zaken na het ontvangen van dit bericht lang niet gerustgesteld, want hij had nu het bewijs in handen ‘dat er jaarlijks tot de kerkelijke zaken 20 m. Gulden besteed werden.’ Geen kleinigheid! (NB. die kosten werden goed gemaakt zonder dat de tonnen schats in den handel met China, die over Formosa liep, voor een enkelen Reaal behoefden te worden aangesproken.) Dezelfde opperkoopman wist nu ook, natuurlijk, de waarde van hetgeen voor al dat geld verkregen was te taxeeren. ‘Er was maar eene geringe voortplanting des christendoms, daar nochtans voortijds zoo hoog van geroemd was, hebbende die menschen, inzonderheid van de zuidzijde van het eiland’ (waar men slechts met gebrekkige schoolmeesters had kunnen arbeiden, die in het daar voor vreemden ongezonde klimaat spoedig kwamen te sterven) ‘zonder eenige kennis’ - dat wist hij te Batavia - ‘alleen den naam van christenen.’ Maar hij moest er toch bijvoegen dat in het Noorden van het eiland in vijf dorpen, die hij noemde, ‘deze zaken heugelijk gingen.’

Het had der Compagnie zeker aan de middelen niet ontbroken om op het ruime en veelszins gunstige arbeidsveld de noodige krachten aan het werk te zetten, indien zij een anderen maatstaf bij de berekening der kosten en der vruchten van ‘den geestelijken bouw’ had willen gebruiken. Het is eene andere vraag, of uit het vaderland de rechte arbeiders in genoegzaam aantal zouden zijn ‘uitgekomen.’ Maar de Compagnie verzuimde aan de bediening van het Evangelie in de Oost-Indiën het noodige relief te geven. Zij mocht niet rekenen en wachten op de bijzondere toewijding van zulke apostolische mannen, die alles schade achtten om de waarde van het werk: met andere woorden, zij had de Kerk hier te lande door ruime fondsen moeten in staat stellen om van hare dienaren door opleiding, en ook naar aanleiding van bijzondere uitwendige omstandigheden, geregeld een bekwaam aantal voor de Indiën af te zonderen. Wat deed zij? Wèl deed zij, in

[p. 56]

den regel op aanbeveling van kerkelijke zijde, wanneer zij gedrongen werd hier of daar ééne of meer plaatsen te bezetten, het noodige, maar al te veel werd er gespeculeerd op zulken die ‘naar de Oost’ wilden, omdat zij het vaderland om deze of die reden - en dus zonder veel uitbeding - moesten of althans wilden verlaten.

Op Formosa werd in 1645 bij den Gouverneur en Raad begrepen, dat naardien de grenzen van het gebied der Compagnie hoe langer hoe verder uitgezet werden, ‘er ook wel één à twee Predikanten en eenige krankbezoekers zouden noodig zijn, want de omslag was wijd verdeeld en daar viel veel waar te nemen.’ Dit blijk van belangstelling stond in nauw verband met hetgeen men onder den ‘wijden omslag’ geliefde te rekenen. Eene maand later werd aan Ds. van Breen eene aanzienlijke bate toegelegd ‘uit de boeten, in zijn distrikt wegens de Chineezen vallende, omdat hij met zooveel ijver benevens den H. Dienst de politieke zaken had waargenomen.’ Hij werd beschouwd als ‘een man van subtile hersenen’ en als zoodanig bij het Gouvernement te Batavia geprezen. Had hij niet aan de overheid te Tayouan de oogen geopend en er toe geleid ‘dat men het chineesche gespuis, 't welk de inboorlingen opruide, had verjaagd of bedwongen, zoodat de geheele Westkust van het eiland veilig geworden was?’ Het zoude onbillijk zijn op grond van zulke verrichtingen te oordeelen dat van Breen zijn eigenlijk ambtswerk verwaarloosd had. Het tegendeel blijkt uit andere berichten: slechts vinden wij hier opnieuw het bewijs hoe men van weerszijden meende den dienst der Compagnie met den ‘geestelijken bouw’ te kunnen verbinden. Intusschen was men toch niet blind voor de eigenaardige bezwaren, aan die samenkoppeling verbonden. Zelfs werd door het Gouvernement te Batavia, wegens gedurige klachten naar aanleiding van gerezen oneenigheden scheiding aanbevolen. De Gouverneur van Formosa, François Caron, die zich door waardeering van den Evangeliedienst onderscheidde, was daaraan bevorderlijk, inzonderheid toen, wegens het overlijden van Bavius in 1646 en van Joh. Happart in het volgend jaar, daarvoor zooveel reden was.

In 1647 kwamen gelukkig Daniël Gravius en Jacobus Vertrecht. Gravius werd te Soelang, Vertrecht in Favorlang geplaatst, terwijl van Breen aan het kasteel werkzaam bleef.

[p. 57]

Hoe bekwaam deze mannen waren,1) Caron mocht van hun getal wel zeggen: ‘Daar is (God betere het!) weinig stof en weinig arbeiders.’ Er was eerst weinig gang in het werk en men begon in het vaderland Junius, die nu te Delft Predikant was, er op aan te zien. Het schijnt wel dat gecommitteerden van de Compagnie, ter kamere van Delft of Amsterdam, van hem rapport begeerd hebben aangaande den staat van zaken, althans hij ‘vertoonde hun onder anderen dat op het stuk van de verdere aanplanting (uitbreiding) niet naar behooren werd gelet en dat ook zeer kwam te vervallen hetgeen met veel moeite en arbeid zoo verre gebracht was.’ Jammer, dat Junius niet trachtte de broeders op Formosa voor zijne denkbeelden te winnen. Doch hij achtte waarschijnlijk alles wat hij gedacht en gedaan had zóó voor de hand liggende, dat hij niet vermoedde welk verschil in dit opzicht tusschen hem en zijne opvolgers bestaan kon. Er was intusschen aanmerkelijk verschil. Junius en zijn voorganger hadden in dit land, zonder priesters en buiten invloed van den Islam, tegelijk met het nederlandsch gezag het kerkelijk opzicht willen vestigen van de Kerk, waartoe zij behoorden en die hen in samenwerking met dat gezag uitzond, ‘het volk onderwijzende en leerende hen onderhouden alles wat de Heer aan zijne gemeente geboden heeft’ (Matth. 28 : 19), den wasdom overlatende aan Hem, ‘aan wien alle macht gegeven is in hemel en op aarde.’ Zij, die na hen gekomen waren, hadden al aanstonds met oogsten willen beginnen en als het ware rekenschap gevraagd van het werk hunner voorgangers. Den dag der kleine dingen achtten zij niet, en wat Junius daarvan had waargenomen zagen zij niet. Zij meenden het anders en beter te moeten doen, en zouden eens

[p. 58]

aantoonen - zoo schreven zij aan de Classis van Amsterdam - ‘dat er nooit naar behooren op de aanplanting van de christelijke religie was gelet, dan sedert het vertrek van Ds. Robertus Junius van Formosa.’ Meer voor het verstand der Formosanen wilden zij arbeiden; de kleine vraagstukken, die hij had achtergelaten en die ieder kan leeren kennen uit het Archief van Mr. Grothe (aan het einde van het 3e deel), waren naar hunne meening (NB) veel te eenvoudig; zij moesten door tusschengevoegde uitleggingen worden uitgebreid; ook moest bepaaldelijk het derde deel van den catechismus, de leer der dankbaarheid, in afzonderlijke vraagstukken worden behandeld. Het kon zeker mettertijd zijn nut hebben dat men voor wat breeder onderwijs, b.v. voor de schoolmeesters, zorgde. Evenmin is het klein te achten wat door van Breen, Joh. Happart, en Gravius verricht werd voor de vertaling van school- en kerkgebeden, en vooral moet hoog aangeschreven staan wat Happart en Gravius deden aan de vertaling van sommige Evangeliën, maar dit mag ons niet verleiden om met deze mannen mede te stemmen in de minachting en veroordeeling van het werk van Candidius en Junius. Eene onverkwikkelijke lectuur verschaft de briefwisseling tusschen den kerkeraad van Tayouan en de Classis van Amsterdam, over dit onderwerp gedurende de jaren 1648-'51 gevoerd, en een afschrikwekkend voorbeeld geeft zij van miskenning van anderer arbeid, geboren uit een overmoedig vertrouwen op eigen inzicht.

Gelukkig heeft de onderhandeling over de waarde van het op Formosa vroeger verrichte deze vrucht gehad, dat men er hetgeen te verrichten stond met ernst behartigde. Voor schoolonderwijs en tucht onder de bevolking werd niet weinig verricht. Van veel dat ondernomen werd vernemen wij slechts kort bericht, maar zeker is dat er op Formosa bij vernieuwing veel en veelzijdig gearbeid werd. Zoo hield b.v. Gravius er ploegbeesten op na om de inlanders te gewennen aan betere bewerking van den grond. Men begon ook te begrijpen dat vooral ‘de jeugd tot overzetting in den hof des Heeren de beste, indien niet de eenige plantsoenen zijn.’ Van de taalstudie zijn de vruchten, gelijk wij zagen, nog over. Daaraan was vooral de komst van Hambroek bevorderlijk, die zeer bedreven was. Gilbertus Happart vervaardigde een Favorlangsch Woordboek, in 1842 door Dr. van Hoëvell uitgegeven, en zijn arbeid was niet de eenige van dezen aard.

[p. 59]

Er kwamen weêr donkere dagen. In 1651 zag het er, wegens het vertrek van de Predikanten Vertrecht en Gravius en het overlijden van den wakkeren Olhoff, met het dienstdoend personeel droevig uit. ‘Om de Zuid’, het zuid-oostelijk deel van het groote eiland, kon men slechts enkele schoolmeesters plaatsen, en vier Predikanten moesten in onmatig groote districten al het werk doen: het waren Joh. Kruijff, die den hollandschen dienst waarnam in het kasteel, en Rog. Tessemaker, Ant. Hambroek en Gilb. Happart, die bestemd waren voor de bekeering der heidenen. Deze staat van zaken gaf aanleiding dat de Predikanten van allen politieken dienst ontheven werden, tot groot genoegen van den Gouverneur Nikolaas Verburch, die zeer vroom opmerkte dat ‘deze dienst met hun waardig ambt geenszins kwam te quadreeren’, vooral omdat ‘de omgang met die luyden (de Predikanten) in 't stuk van politie’ voor hem ondragelijk was.

Dien Formosaanschen Landvoogd leeren wij kennen uit zijn gedrag jegens Gravius. Deze had zich verstout schriftelijk bij hem zijn beklag te doen over den Opperkoopman, tevens Fiskaal, Snouck, waarbij diens gedrag door hem zeer ten ongunste werd beoordeeld. Het geval werd natuurlijk te Tayouan onder geheel de nederlandsche bevolking bekend, die vóór of tegen den klager partij koos en daardoor in bedenkelijken tweespalt geraakte. Zelfs in den kolonialen Raad was er scheuring. Verburg, die al de Predikanten als ellendige loondienaars en erger behandelde1), zocht een einde aan de zaak te maken door

[p. 60]

Gravius op eigen gezag in het ongelijk te stellen, hem van zijne bediening te ontzetten en met eene boete van duizend Gulden bezwaard naar Batavia op te zenden. Hier werd de toestand ernstig genoeg geacht om door de zending van een buitengewonen Commissaris een opzettelijk onderzoek te doen plaats hebben. De Gouverneur Generaal en Raden waren voorwaar niet voor de Predikanten ingenomen: dit bleek uit de zoo even aangehaalde missive. Zij meenden eerst werkelijk dat Vertrecht en Gravius uit gebrek aan ijver hun ontslag begeerden, maar na een ernstig onderzoek, door den Raad van Justitie, werd Gravius volkomen gerechtvaardigd en Verburg ernstig berispt wegens zijne handelwijze. De mishandelde man werd zelf aangezocht zijn verzoek om ontslag terug te nemen, en bleef nog drie en een half jaar te Batavia in dienst. Het bestuur van Nicolaas Verburg was voor de Zending rijk in moeite en verdriet. Een opstand van de Chineezen in 1652, die er in 1651 zóó talrijk waren dat zij volgens Valentijns opgave 200,000 Gulden aan hoofdgeld opbrachten, maakte noodig dat van de gedoopten tweeduizend man de wapenen moesten opnemen tot handhaving van het nederlandsch gezag. Hoeveel schats zijn bestuur aan de Compagnie heeft opgeleverd is mij onbekend, maar in het bevorderen van de verbreiding van het christendom, waarvan haar opperbestuur altijd verklaarde en ook wel toonde dat het mede tot haar streven behoorde - al stond het in haar Octrooi niet uitgedrukt - was hij haar, en nog veel meer aan zijne eigene belijdenis, niet getrouw.

III.

Een andere toon heerscht in de officiëele stukken, die van den Gouverneur en Raad van Formosa uitgingen sedert het optreden in 1653 van Cornelis Caesar, die reeds jaren lang als Raad had zitting gehad, en dien wij als een gemoedelijk man leeren kennen. Hij was met de Predikanten steeds op goeden voet en zijne aanstelling als Gouverneur bleek al aanstonds een maatregel te zijn van verstandig beleid, daar hij in het geschil tusschen den Kerkeraad en zijn voorganger niet betrokken was geweest. In het jaar van zijn optreden heerschten hevige ziekten, waardoor - zooals hij aan het Gouvernement te Batavia berichten moest - ‘het geestelijk werk der kerken en

[p. 61]

scholen zeer veel verachterde.’ Hambroek moest met een goed getal schoolmeesters en andere ambtenaren der Compagnie naar Tayouan de wijk nemen ‘zoo om de plagen te schuwen als omdat zij zelve krank waren.’ In Mei overleed de Predikant Tessemaker en in Augustus Ds. Happart, zoodat de kerken zeer ontbloot werden van ‘trouwe leeraars.’ Niet voor het eerst werd het werk door de gevolgen van een ongezond klimaat belemmerd: het zuid-oostelijk deel van het eiland vooral was voor vreemden schier onbewoonbaar. Geen enkel bezwaar, waarmede de Zending te kampen heeft in de tropische gewesten, werd aan de zendelingen op Formosa gespaard.

Met ernst drong het Bestuur in 1654 aan op het zenden van nieuwe arbeiders, en bepaaldelijk verlangde het dat ten minste het getal van zeven Predikanten voor het onder vast bestuur gebrachte deel van het eiland mocht worden vol gemaakt. Van Hambroek werd onder deze omstandigheden getuigd, dat hij grooten ijver toonde en de handen vol had om het werk gaande te houden. Hij arbeidde te Mattau, en overigens waren nog maar in dienst Ds. Joh. Kruijff, die Gravius was opgevolgd en Ds. Joh. Backer.1) Niet te vergeefs had men nu een ernstigen noodkreet doen hooren. Althans in 1655 werden vijf Predikanten van Batavia naar Formosa gezonden, zoodat daar in het laatst van dat jaar acht Predikanten en één proponent (Holthuyzen), werkzaam waren, behalve de krankbezoekers, van welke er ook drie nu aankwamen. Het is der moeite waard de nieuwe dienstinrichting van dit jaar voor oogen te hebben; ook verdienen de namen der Evangeliedienaars te worden gekend. Ik neem ze over uit een brief van Gouverneur en Raad van het eiland aan Gouverneur Generaal en Raden:

‘De Eerw. Predikant Kruijff, tot den godsdienst in Tayouan’ (daar was de kerkdienst voor stad en kasteel het best geregeld);

‘Ds. Hambroek in 't district van Mattau en Dorcko;

[p. 62]

Ds. Backer in 't district van Favorlangh;

Ds. Masius (Maas) in Tamsuy en Quelang;

Ds. Bushof in Soulang, Backloan en Tevorangh;

Ds. Winshemius in Sinkan en Tavocan;

Ds. Musch in Tilaocen en omliggende dorpen;

Ds. Kamp in Taokais en onderhoorige dorpen.’

De zuidelijke dorpen zouden waargenomen worden door de Predikanten van Soulang en Sinkan, jaar om jaar, terwijl de proponent Holthuyzen om hen te dienen te Backloan geplaatst werd. Maandelijks zou er een bezoek ‘om de Zuid’ gedaan worden. Een krankbezoeker, Joris Daensz, werd ‘met eigen wil’ in het dorp Swatelau gelegd, om bij afwezigheid van de Predikanten en den proponent het opzicht te hebben over kerken en scholen. De andere krankbezoekers werden in de genoemde districten verdeeld.

Bij den aanvang van het laatste vijftal jaren van Formosa's oude zendinggeschiedenis was dus het werk op het eiland goed ingericht. De bezwaren bleven niet uit, want nog vóór het begin van 1656 werd Kamp door den dood weggenomen, terwijl zijne vrouw mede doodelijk krank lag, en ook voor het leven van Hambroek was groote vrees. ‘Hij was zeer zwak en uiterst ziekelijk,’ zoodat de Bestuurders naar Batavia berichtten dat ‘het niet vreemd wezen zou wanneer hem God de Heere in zijn rijk haalde,’ terwijl zij er bijvoegden: ‘daaraan zoude de gemeente Christi veel komen te verliezen.’ Het bleek intusschen dat de Compagnie zich Formosa nu meer dan vroeger aantrok. Er was reden voor, want niet alleen was het bezit van dat eiland ten alle tijde hachelijk geweest, maar ‘er vlogen nu (reeds in 1655) allerlei geruchten en er waren allerlei teekenen dat de Chineesche gelukzoeker Coxinja1), die tegen de Tartaren in dat land oorloogde, van meening was, als hij 't in China niet langer houden kon, Formosa aan te doen en zich daar vast te maken.’ Merkwaardig is, dat wij de Compagnie evenredig en evenwijdig met het dreigend gevaar zich bereid zien toonen om den ‘geestelijken bouw’ te behartigen en te bekostigen. Het zou niet voor het eerst geweest zijn indien Bewindhebbers van de ‘bedienaren van den godsdienst’ steun verwacht

[p. 63]

en gezocht hadden tegen binnen- of ook buitenlandsche belagers van hun gezag. In het bekostigen was evenwel de Compagnie niet sterk, daar van Batavia, 30 Nov. 1656, gelast werd de predikantswoningen, die vernieuwd of nieuw gebouwd moesten worden, te doen optrekken met leemen muren. Gelukkig, voor de bewoners, waren er reeds twee voor een deel van steen gebouwd, zoodat slechts één der in aanbouw zijnde huizen en de achterhuizen van de twee overige van leem konden worden gemaakt. Het bestuur te Tayouan hoopte maar dat de Gouverneur Generaal en Raden het ‘niet kwalijk mochten nemen.’ Er werden twee nieuwe Predikanten, Leonardus en Hamsingh, gezonden1) en er werd uitdrukkelijk verordend, dat jaarlijks de kerken en scholen ‘om de Zuid’ zouden worden gevisiteerd. Hambroek deed zich nu weder in al zijn moed en ijver kennen; hij bood aan de moeielijke visitatie in dat bergland met zijn afwisselend klimaat de drie eerste jaren alleen te doen, omdat hij de taal van die streken machtig was, en zelfs toonde hij zich bereid de zorg voor de dorpen, dáár gelegen, geheel op zich te nemen, indien hem maar werd toegelaten de noodige inlandsche leeraars en helpers op te leiden. Aan den nieuw ontwaakten ijver was het mede toe te schrijven dat de vraag met ernst overwogen werd ‘of men de Formosaansche ingezetenen de leer van Christus behoorde in te planten in de nederlandsche, dan wel in hunne eigen taal.’ Naïef was een misverstand, dat daarbij plaats had. Het Gouvernement te Batavia toonde zich verbaasd en verstoord, omdat het bemerkte dat het onderwijs in die streken niet gegeven werd in de eigen taal der inwoners van de verschillende dorpen, zooals uit den voorslag van Hambroek, in verband met het opgeworpen vraagstuk, bleek. De Kerkeraad van Tayouan kon met de stukken aantoonen dat meermalen was bericht geworden hoe het met deze moeielijkheid gelegen was. Bepaaldelijk was reeds in 1645 aangewezen dat ‘de zuidelijke taal veel verschilde van de Sinkansche, in welke de leerboeken waren gesteld,’ en dat men den verdienstelijken proponent Oloff in die streken had geplaatst en gelaten omdat hij met hetgeen daar gesproken werd goed

[p. 64]

te recht kon. Men kan begrijpen hoe het den kerkeraad smaakte dat men te Batavia het er voor hield als hadden de Predikanten op Formosa nu eerst gemerkt hoe het hiermede geschapen stond. Het geval was dat men daar ginds op de zaak geen acht had gegeven en nu eerst, naar aanleiding van de gestelde vraag, daarover was gaan denken. Het voorstel van Hambroek werd beantwoord met de verklaring dat de Heeren niet konden zien ‘hoe hij in dat stuk machtig wezen zoude een genoegzaam herstel aan te brengen.’ Alles of niets! was ook nu als zoo vaak de leus, waarmede men zich van de zaak afmaakte.

De Kerkeraad hernam dat ‘dit voorwaar zijn Eerwaardigheid niet tot encouragement, maar indien niet tot blussching van zijnen geest en goeden ijver - immers ten minste niet dan tot discouragie kan strekken; opdat wij nu niet zeggen van de groote kleinachting, die zich in dezen vertoont over het gevoelen en gegeven oordeel des kerkeraads wegens zijn Eerw. persoon in het stuk zijner bekwaamheid tot dat werk, naar hetwelk nochtans niemand nader als dezen kerkeraad was te vragen, noch iemands advijs of oordeel zekerder in dien deele was aan te nemen, te gelooven of te volgen.’ Die vergadering deed meer en leverde een uitmuntend project in van eene te Mattau, de standplaats van Hambroek, te vestigen kweekschool1); voorts regelde zij bij reglement het schoolonderwijs voor al de plaatsen, en eindelijk verzocht zij ‘dat de Evangeliën van Johannes en Mattheüs, in 't Formosaansch overgezet, door Ds. Hambroek gerevideerd zijnde, tot stichting in de kerk gebracht en voorgelezen en mettertijd tot den druk gemeen gemaakt werden’2). De Gouverneur en Raad handhaafden met kracht wat de kerkeraad der hoofdplaats in overleg met de overige Dienaars oorbaar vond. Het voorstel om alleen in de nederlandsche taal het onderwijs te doen plaats hebben werd, overeenkomstig het verlangen van het Opperbestuur te Batavia, niet aangenomen; slechts zouden de kleine, eerst aankomende schoolkinderen het Hollandsch leeren. Maar overigens werd het voorloopig vastgestelde met klem ter goedkeuring aanbevolen. Had men te Batavia gewild, de dorpen ‘om de Zuid’ maar

[p. 65]

uit te sluiten van den Evangeliedienst en er niets aan te doen dan door schoolmeesters ‘onder politiek opzicht’ zoo goed of kwaad als het ging eenig onderwijs te doen geven, ‘geheel en alleen tot een burgerlijk einde van civilisatie,’ - daartegen kwam de kerkeraad met zoo waardige verontwaardiging op, dat er eenvoudig geen gevolg aan gegeven werd.

Het is inderdaad een lust te zien hoe men op Formosa in dezen tijd harten en handen aan het werk had, maar dubbel tragisch was juist daarom het einde dat hierop zoo spoedig is gevolgd. Treffend is het hoe op het eiland tot het laatste oogenblik toe in ieder opzicht moed, beleid en trouw werden betoond, terwijl te Batavia schraapzucht de oogen verblindde voor waarachtig belang en wezenlijk gevaar. Ik zal het geschrift, waarin de bijzonderheden hieromtrent met zoo sterke kleuren geteekend zijn1), niet naschrijven, wat ik zou moeten doen, wilde ik het bloedig einde van ons gezag en van de oude nederlandsche zending op Formosa verhalen. Ook behoef ik het heldhaftig gedrag van Antonius Hambroek niet opzettelijk in het licht te stellen, nadat de Hoogleeraar Brill dat zoo eenvoudig en helder gedaan heeft, naar aanleiding van stukken voorkomende in het Archief van Mr. Grothe, in een geschrift dat in ieders handen is2).

Aan dit tragisch slot behoort nog een en ander te worden toegevoegd, hetwelk minder bekend is en voorkomt in de Acta der Provinciale Synoden (behandeld in de twee eerste deelen van het Archief) onder de berichten uit de Indische kerken. Na de overgave van het gedurende tien maanden met moed verdedigde fort Zeelandia gaf men hier te lande den moed nog niet op en stelde men zich vóór, den arbeid als van ouds te hervatten. Lang had men gehoopt dat het belegerd kasteel zoude ontzet worden door eene vloot, uit Batavia af te zenden. Althans den 2en Januari 1662, dus slechts ééne maand voor de overgave (1 Febr. van dat jaar), teekende Gravius te Veere de voorrede voor zijn Formulier des Christendoms, met de verklaringen van dien, in de Sideis-Formosaansche Tale, zonder daarin een woord van het einde van het zendingwerk te reppen. De

[p. 66]

Compagnie wendde ook nog bij herhaling pogingen aan om weder vasten voet op Formosa te verkrijgen. In 1666 was dat in zóóverre gelukt, dat het kleine naburige eiland Quelang was ingenomen, en toen werd daar dadelijk weder een Predikant, Ds. Keizerskind, geplaatst. In het volgend jaar reeds vernam de Synode te Edam dat de aanslag op Formosa mislukt was en dat die Predikant veel had uitgestaan en zijn werk deed ‘onder veel lijden en zuchten.’ Een jaar later werd bericht dat Ds. de Leonardis (Leendertsz) nog gevangen gehouden werd met zijn gezin. Het schijnt, dat hij in de gevangenschap overleden is; althans wordt hij niet vermeld onder de gevangenen, die in 1684 naar Valentijn's bericht door de Tartaarsche tegenpartij van Coxinja, na eene overwinning op hem of de zijnen, werden geslaakt. Valentijn verwijt met recht te dezen aanzien aan de Compagnie, dat zij in 1663 niet met Coxinja's zoon heeft willen onderhandelen, waartoe haar de gelegenheid werd aangeboden.

Aan verwijten stond de Compagnie van verschillende zijden bloot, reeds toen er vrees ontstond dat Formosa verloren zou zijn, en met dergelijke beschuldigingen ging ook deze gepaard dat voor de zaak des Heeren niet genoeg gedaan was. Zoo kwam het, dunkt mij, dat Gravius de zoo even genoemde Voorrede dus besloot: het was, gelijk wij zagen, toen men hier te lande nog alleen maar wist van bange worsteling, van in den krijg gestort bloed en van moorddaden, aan de Predikanten en onderwijzers gepleegd: ‘Ik zal eindigen met een woord van lof over de ongemeene goedwilligheid en overgroote milddadigheid, van de E. Ed. Heeren Bewindhebbers en Hoog Achtbare Regenten van Indiën, welke Hare E.E. wel geheel de Indiën door, maar inzonderheid op Formosa, tot uitbreiding van Gods eere en uitwerking van zoo veler Heidenen zaligheid, tot haren onsterfelijken roem, tot overtuiging van alle kwaadwilligen, zoovele jaren hebben betoond en nog betoonen. Gezegend moeten Hare E. Ed. dierwegen zijn van den Heere, die hunne godvruchtige harten nooit late verflauwen in dezen goddelijken ijver, maar veeleer dezelve nog meer doe ontbranden, opdat Hare E. Ed. zich eens gekroond mogen zien met de glorie, welke oprechte en getrouwe voedsterheeren van Gods Kerk is beloofd geworden.’ Het staat te vreezen dat, daar hiermede en met andere dergelijke voorbarige verontschuldigingen wel

[p. 67]

wat te veel bewezen werd, de meening veld moest winnen, welke dertien jaren later, toen de Gouverneur Coyett uit eene niet verdiende ballingschap was teruggekeerd, in het met zijne medewerking uitgegeven geschrift maar al te klemmend bevestigd werd, dat het bezit van Formosa door de Compagnie verwaarloosd is1).

Het laatste authentieke schrijven van den Gouverneur Generaal en Raden van Indië aan Gouverneur en Raad van Formosa, d.d. 21 Juni 1661 legt er treurig bewijs van af. Daarin werd het verwijt gedaan dat ‘er te veel werks in het stuk van de bekeering der heidenen overhoop gehaald werd’, terwijl Ds. Leendertsz eigenmachtig verplaatst werd, tot beperking van den kring van het zendingwerk, zonder dat voor zijne vervanging zorg werd gedragen. Te nauwernood werd uitzicht geopend op een anderen leeraar in de plaats van Ds. Wilh. Vinderus, die het laatst uitgezonden (in 1657) en in 1659 gestorven was. Aan Hambroek, wien men in zijn werk op allerlei wijs de vleugels gekort had, werd te kennen gegeven dat, indien hij mocht blijven aandringen op ontslag, hij niet meenen moest elders in Indië eene plaats te zullen bekomen. Mij dunkt, dit alles getuigde meer van koopmanschap dan van ijver in het bezorgen van de niet materieele belangen. Hoe weinig men bedacht was op het dreigend gevaar van alles te verliezen, is te zien aan de gerustheid, waarmede ondersteld werd dat de kloeke onderwijzer Daniel Hendriksz., die vroeger reeds 23 jaren op het eiland werkzaam geweest was en nu terugkeerde, bereid zou worden bevonden ‘zijn gansche leven voort aldaar in den school- en kerkedienst te verslijten’. Met geen enkel woord werd van de mogelijkheid gerept dat dit bezwaar zou vinden. Drie maanden later was de man vermoord. Nog sprekender is het slot van dienzelfden brief, en niet uitsluitend betrekkelijk de belangen van de nederlandsche zending: ‘Tot het

[p. 68]

maken van nog een nieuw versterkingspunt aan de noordzijde des kasteels kunnen wij geenszins verstaan, zijnde Tayouan en Formosa niet dan al te veel met fortificatiën bezwaard. Het is nu een andere tijd als 't voor dezen aldaar geweest is, en de E. Compagnie's beurs mocht het alstoen wat beter lijden, daar zij nu meer als genoeg te doen heeft om ginder simpelijk hare onkosten goed te maken, en daar behoorde immers bij UEd. wat reguard op genomen te zijn geweest, zonder zich van eene ideëele vrees te laten aanraden, dat er zoovele fortificatiën op Formosa noodig zouden wezen’. Toen die brief geschreven werd was het beneden-kasteel Provincia reeds in handen van Coxinja. Het was in ieder geval roekeloos, van eene ingebeelde vrees te spreken.

De stellers van Het Verwaarloost Formosa hebben in den frivolen schrijftrant, die dat boekje kenmerkte, gewaarschuwd tegen de voorstelling als waren de vermoorde Predikanten, onderwijzers en krankbezoekers gevallen als martelaren voor het christelijk geloof. Het was eenvoudig omdat zij tot de Nederlanders behoorden, die aan den aanrander weêrstand boden en omdat zij aan hun verzet deel namen. Zeer zeker, maar er mag bijgevoegd worden, dat zij tot zelfbehoud met den verwoester van hun arbeid geen gemeene zaak hebben gemaakt, ook toen zij in zijne macht waren, wat zij zonder hun geloof te verzaken hadden kunnen doen. Er was iets van den geest van Hambroek in al deze mannen, en het ging hun zooals het den talrijken christen-gemeenten in het Neo-persische Rijk ging, die verdelgd werden omdat zij door Konstantijn en diens zoon Konstantius in bescherming genomen werden, toen Schapur II met de Romeinen oorlog voerde. In alle eeuwen is het gebleken, dat het den christenen en hun arbeid ten goede komt, wanneer zij in omstandigheden verkeeren, waarin hieromtrent geen twijfel kan bestaan, dat zij een Koninkrijk hebben en een rijkdom zoeken, niet van deze wereld.

 

J.J. van Toorenenbergen.