De Gids. Jaargang 60


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1896


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 239]

Vondels leven.1)

VI.

De kunst was voor Vondel een der openbaringen van het goddelijke in den mensch. Niet zeldzaam zijn de plaatsen, waaruit ons blijkt dat het genot van een kunstwerk de ziel des dichters opvoerde tot God; dat hij zich de kunst in verband met den godsdienst voorstelde.

In de harmonische samensmelting der verschillende accoorden, een ‘stryt van ongelyke klanken’, welke Joan Albert Ban hem te genieten geeft, hoort hij ‘den lieven pais.’ Der Engelen in Godts pallais.2) Dankbaar herdenkt hij bij den dood van Dirk Zweling, hoeveel deze hem te genieten gaf, wanneer hij des avonds het orgel der Oude Kerk bespeelde en gestoelten en banken opgepropt waren met menschen; weeklagend roept hij uit:

 
Ghy die mijn ziel hebt opgeheven
 
Uyt dit moerasch in 't eeuwigh leven,
 
Wat zweep heeft u naer 't graf gedreven?3)

In 't Lof van Jubal noemt hij de muziek van snaren-instrumenten eene nabootsing van den zang der engelen.4) Van eene Maria Magdalena door Titiaan zegt de dichter:

[p. 240]
 
't Godvruchtigh wezen en gelaet,
 
Die mont en borsten, waert gekust,
 
Bekooren niemant dan met lust
 
Tot Godt en Jesus, nu verhooght.

Het gedicht eindigt in een gebed tot Maria Magdalena om hare bescherming.1) Eenige verzen ‘op de Afbeeldinge van Isabelle Benzi’ worden besloten met dezen regel: ‘Daer Godt het schoonste blijft en zonder wederga’ en eenige andere op datzelfde portret vangen aan:

 
Dees Schoonheit wort met recht van kenners aengebeden,
 
Of liever Godt in haer die op de Godtheit wijst,
 
De bron van al het schoon.2)

Wat zijn Segers' bloemstukken en Snijders' landschappen, wat de verscheidenheid van Rubens' ‘troniën’ bij Hem die ‘plant en kruit en bloem en lover’ zoo rijk weet te schakeeren,

 
Die zulk een regenboogh en krans van bloemen maelt,
 
In paeu en papegaey en fenixveeren praelt,
 
En levende festoen, gewasschen aen de boomen,

die zulk eene ‘verscheidenheid van onnavolghbren aert’ ten toon spreidt op Zijne heerlijke aarde.3)

De poëzie moest deugd en godsvrucht bevorderen. Reeds vroeg was Vondel van die gedachte doordrongen. In de Voorreden van den Gulden Winckel, noemt hij als het oogmerk en doelwit van alle schrijvers: ‘het schoon bekranste’ Beeld van d'oprechte Deughd, de Bruyt daer 't al om danste en veel later, in den Brief aen Bertholdus Niehusius spreekt hij de verwachting uit dat ‘nu Duitschland adem schept na veel geleden smarten,’ het zaad der letteren, in de akkers der harten geworpen, zal ‘spreien eenen geur van billijckheid en tucht // Godtvruchtigheit en trou.’ Onder de deugden van De Groots Sofompaneas noemt Vondel, dat ‘de toehoorder word aengemaent tot vrede en vromigheid, de vorst tot rechtvaerdigheid en Godvruchtigheid, de gemeente tot gehoorzaemheid aen God

[p. 241]

en den koning en haere wettige overheid.’ In het ‘Berecht’ vóór Jeptha wordt afgekeurd dat ‘de schouburgh, ten nadeele van het staetgezagh, eene school van gebreken en niet van deughden streckt.’

Dat Vondel de onderlinge verwantschap der kunsten besefte, blijkt ons eveneens op meer dan eene plaats in zijne werken. In den aanvang zijner vertaling van Horatius' Lierzangen, opgedragen aan het Sint Lucas-gild, lezen wij: ‘Hoewel elcke Kunst haer eige bepalinge heeft, nochtans worden zommighe Kunsten door eenerhanden bant van onderlinge gem eenschap verknocht en gelijck vermaegschapt; hoedanige zijn Poëzy, Schilderkunst, Beelthouwery, en andere kunsten, die, tegelijck op maet en getal gegront, de Wiskunst niet ontbeeren mogen’; verder vinden wij hier vermeld, dat de Poëzy ‘doorgaens een Gezang genoemt wort’ en dat zij zich van oudsher bediend heeft van muziek en ‘zingende en danssende reien.’ In de Opdracht van Gebroeders vinden wij eene overeenkomst aangewezen in de wijzen waarop de schilder en de musicus te werk gaan; in de klacht aan Joachim Sandrart bij diens vertrek naar Beieren, worden ‘de blyde Poëzye // En schoone Schilder-kunst twee zusters soet van aert’ genoemd; in de Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste vergelijkt Vondel den ‘aenkomenden Poeet’ bij ‘den Schilders leerling.’

Het waren vooral schilderkunst en poëzie, van welker onderlingen samenhang de dichter doordrongen was; die beide kunsten stonden trouwens dicht bij elkander en er is menige parallel tusschen beide te trekken; het was dan ook niet vreemd, dat Vondels verdiensten juist door de Broederschap van Sint Lucas openlijk erkend en met een lauwerkrans gehuldigd werden.

 

De poëzie was Vondels dierbaarste schat, haar had hij lief met zijn gansche hart; voor haar was hem geene opoffering te groot; bij dag en bij nacht ging zij ‘waeren door (z)ijn sinnen’; hij zeide niets te veel toen hij in den aanvang van de Geboortklock met het oog op de Muzen schreef:

 
Om wie ick 't leven lieve en sonder welcke ick niet
 
De majesteyt der sonne aenschou als met verdriet
 
En droef en eensaem wensch in duysternis te stronckelen,
 
Al sit zy hoogh in 't goud betulband met karbonckelen.
[p. 242]

Hij stelde de poëzie ook veel hooger dan het proza; dicht en ondicht, zegt hij in de Opdracht zijner proza-vertaling van Virgilius aan Huygens, verschillen onderling, ‘gelijck trompetklanck en bloote stem’ en het vers is gelijk eene stem ‘krachtigh uitgewrongen door een drieboghtige trompet.’

Tot de deugden van goede poëzie rekende Vondel niet alleen vroomheid maar ook wetenschap; met blijkbare instemming vermeldt hij eene uitspraak van zijn gids op het gebied der wetenschap, Vossius, waarin Ovidius' Metamorphoses geprezen worden vooral om hare geleerdheid.1) De verdichting stond niet hoog bij hem aangeschreven; in de Opdracht van de Helden Godes schrijft hij zelf: ‘zoo het ons als den Griecken geoorlooft waer de waerheyd met verzierde sproocxkeus te bewimpelen en onder de schorsse van gedichte fabulen te verbergen.....’; bij die beschouwing is het derhalve wel begrijpelijk dat hij over wat wij nu plagiaat noemen anders dacht dan velen in den tegenwoordigen tijd;2) die afkeer van verdichting spreekt ook uit zijn heerlijk loflied op de psalmen Davids, waar hij den Hebreeuwschen dichter verheft o.a. in deze verzen:

 
Zijn rijck gedicht, geen droom, geen ydle vond,
 
Begrijpt den schat van 't Oud en Nieuw Verbond,
 
Vertelt en leert en bid en heelt en wond,
 
Met kunst doorweven.

De kunst wordt niet vergeten, want Vondel was behalve een groot dichter, ook een groot kunstenaar. Welk eene inspanning getroost hij zich om de taal, zijn grondstof en zijn werktuig tevens, volkomen te leeren kennen en beheerschen; met welk een hartelijke liefde en teedere zorg heeft hij zijne taal allengs gezuiverd en verrijkt en gekweekt; met welk eene volharding en onuitputtelijk geduld streeft hij naar steeds meerdere volkomenheid in rijkdom van afwisseling, volheid van geluid, overeenstemming tusschen inhoud en klank der verzen.

[p. 243]

Dat Vondel veel van schilderkunst hield, blijkt uit zijne werken duidelijk genoeg. Dat zijne talrijke bijschriften op schilderijen alle uit eigen aandrift zijn ontstaan, geloof ik niet; vele daarvan zullen wel gevraagd of besteld werk zijn geweest; doch uit vele andere blijkt ontegenzeggelijk dat hij onder den indruk dier stukken was en menige mededeeling uit de voorberichten of opdrachten zijner werken toont ons dat hij gaarne schilderijen zag en er niet zelden vervuld van was. Kunstkenner was hij, naar het schijnt, echter niet. Men moet dat reeds opmaken uit het door Brandt medegedeelde verhaal over een schilderij dat den dichter ten geschenke was gezonden door den aartsbisschop van Mechelen, Jacob Boonen. ‘Eerst was hij met de gift, door onkunde, meenende dat het een kunstig stuk werks was, vermaakt...... maar toen het de kunstkenners zaagen en zeiden dat het een slechte kopy was, stondt hem 't geschenk zoo teegen, dat hy het zyne zuster Katharina van den Vondel, die te Hooren woonde, vereerde en toezondt; niet willende die haatelyke gedachtenis der armelyke vergeldinge langer onder zyn oogen zien.’1) Maar ook hetgeen hij schrijft over schilders en schilderijen doet ons vermoeden dat hij geen kenner was. Gelijk zoovele hedendaagsche leeken, let ook Vondel vooral op de voorstelling. Vele zijner bijschriften, die soms bovendien vrij laag bij den grond blijven, geven slechts verklaringen of toelichtingen; de dichter deelt mede wat men al zoo te zien krijgt en tracht zijne beschrijving zoo volledig mogelijk te maken. Vandaar dat hij er toe komt naar aanleiding van een stuk van Veronese te schrijven:

 
Wie op dit stuck zijn aandacht hecht
 
En inneemt wat dees Pauwels leert
 
Wort door penseel en verf bekeert.2)

Een schilder is iemand die iets leert en door zijn schilderij (het stelde den doop van Christus voor) anderen kan bekeeren. Juist doordat hij niet als kenner, de kunst waardeerend, tegenover een stuk stond, liet hij zich niet zelden door de voorstelling meesleepen en was de indruk der voorstelling vooral van schoone naakte vrouwen of van amoureuze tafereelen

[p. 244]

voor zijn lichtbewogen gemoed te sterk. In zulke gevallen zien wij gewoonlijk ook dat zijne verzen, door de sterke aandoening gedragen, hooger vlucht nemen. In een fraai stuk ‘op een Italiaensche schilderij van Susanne’ lezen wij o.a.: ‘Kan doove verf ons borst, vol sneeuw en ysgangk, blaecken?’ ... ‘Hier voelt Sint Pauwels zelf den zelfstryt door zijn leden’ en

 
Had Jozef deze vrouw haer schoonheit zien ontkleên
 
Zy hoefde hem met kracht den mantel niet t'ontrucken,
 
Hy hadze zelf gesmeeckt en onder 't nederbucken
 
Aenminnig aengezocht, 't en waer een Engel zelf,
 
Zijn hoeder, afgedaelt van 't starrelicht gewelf,
 
Zijn hart in steen verkeerde en uitdoofde al de vieren
 
Die door 't ontvonckbre bloet en zeên en aders zwieren.1)

Bij het portret der schoone Isabelle Benzi bedwingt hij zich ter nauwernood: ‘Het voeght geen gryze pen door minne te verwilderen’; naar aanleiding van eene Venus en Cupido door Flinck lezen wij: ‘Wie schept uit verf dit vleesch en vel // En geeft hier stof tot minnespel?’2) De dichter laat eene ‘triomfeerende Venus’ voor Frederik Hendrik geschilderd, tot des prinsen gemalin zeggen

 
Indien myn naecktheit met haer levendige stralen
 
Zyn Hoogheits hart doorstrael', dat maecke uw hart geen pijn;
 
Want die geen vatten vint aen verf en levensschijn,
 
Zal, aengeterght van gloet, zijn wraeck op u verhalen.3)

Echter weet hij ook dikwijls de techniek der schilders te waardeeren en toont zich vol bewondering voor hun talent; hij prijst de Italiaansche schilders om ‘het wel schicken, de kroon van hunne werken’4) en geniet van het perspectief in een van Lastmans stukken.5)

Breeroo had gezegd: ‘het zijn de beste schilders die het leven naast komen’6) en Vondel is het daarin met hem eens, als hij in zijne Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunst schrijft:

[p. 245]

‘Wie de natuur allernaest volgt, die is de rechte Apelles. Men zou zich echter vergissen indien men meende dat hij hier het oog had op hen die men soms realisten of naturalisten noemt; noch Jan Steen, noch Ostade, noch Brouwer, noch Teniers, noch anderen die het dagelijksch leven afbeeldden als Douw, Metsu, De Hoogh worden ook maar een enkelen keer door hem genoemd. Nu is het waar dat verscheidene dezer schilders buiten Amsterdam hebben geleefd, doch dat feit alleen verklaart het zwijgen van Vondel niet. Daarentegen stelde hij de Italiaansche schilders hoog: hij spreekt van Rafels “Engelsche” (d.i. dat aan de engelen doet denken) penseel’1) hij roemt Giulio Romano als ‘des grooten Rafels grootsten leerling’2); hij prijst Veronese, Titiaan, Bassano; hij springt in de bres voor Uylenburghs verzameling van Italiaansche schilderijen die voor onecht waren uitgemaakt.3) Het is begrijpelijk dat hij derhalve eveneens aangetrokken werd door het werk dier Nederlandsche schilders welke zich onder den invloed der Italianen gevormd hadden of hen navolgden: Rubens, Pieter Lastman, Jan Pinas, Sandrart; dat hij verrukt was over de ‘Fenixstukken’ van den ‘oppertekenaer’ Goltzius, die ‘d'Italjaensche geesten volgen’, al waardeerde hij daarbij vooral den heilzamen invloed van die ‘printen.’4)

En Rembrandt eindelijk?

Dat Vondel hem bedoeld zou hebben met den ‘nachtuil’, die zich verbergt voor den dag ‘in zijne schaduwen van spinneweb en rag’ - daarvoor bestaat al zeer weinig grond. Op de bedoelde plaats in de Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst (I, 783 vlgg.) wordt blijkbaar gesproken van een krankzinnigen schilder die in het dolhuis op den Kloveniersburgwal was opgenomen.5) Aan den anderen kant bestaat er even

[p. 246]

weinig reden om aan te nemen dat Vondel Rembrandts grootheid heeft gevoeld of beseft. Hij noemt Rembrandts naam slechts éénmaal en vermeldt slechts twee zijner stukken; noch de zoogenaamde Nachtwacht noch de Staalmeesters schijnen hem bekend te zijn geweest of indruk op hem gemaakt te hebben; van het portret van Cornelis Anslo zegt hij: ‘het zichtbre deel is 't minst van hem’ en ‘wie Anslo zien wil moet hem hooren’; misschien was hij meer getroffen door het heerlijk portret van Anna Wymers, ofschoon de aanvangsregel van het vierregelig bijschrift ‘Aldus schijnt Anna hier te leven’, waaruit men dat zou kunnen opmaken, in dien tijd in allerlei variaties terugkeert in dozijnen bijschriften en op mij den indruk maakt van een gemeenplaats. Govert Flinck en Philips de Koninck waren beiden leerlingen van Rembrandt en vrienden van Vondel, doch van eenige betrekking tusschen onzen grootsten schilder en onzen grootsten dichter is ons nooit iets gebleken. Zeker, Vondel en Rembrandt waren geen ‘menschen van gelijke bewegingen’, maar ook de kunst van Rembrandt kan Vondel, indien hij haar al genoegzaam gekend heeft, bezwaarlijk hebben aangetrokken: die kunst moet hem, den bewonderaar van het klassieke in alles, te weinig hebben geleken op de Italiaansche kunst die hij zoo hoog stelde; hij zal daarin zoowel regelmaat en geacheveerdheid van het bijwerk hebben gemist als het teere gevoel en de edele gratie die hem aantrokken in het werk der Italiaansche schilders als in dat van een Virgilius en een Tasso; Rembrandts oorspronkelijkheid moet hem te ongewoon en te wild zijn voorgekomen, zijne tegenstellingen te scherp. Rubens was Vondels man, Rubens dien hij in 1639 in de opdracht zijner Gebroeders ‘de glori der penseelen onzer eeuwe’ noemt, dien hij op de bovenvermelde plaats der Bespiegelingen tegenover den dollen schilder plaatst als zenith tegenover nadir; voor Vondel was het de vraag ‘of Lastman Fenix was of Rubens, zyn genan’1) (naamgenoot) - van Rembrandt was toen en is ook later bij hem geene sprake. De plooibaarheid van geest en het accomodatievermogen, die menschen van den tegenwoordigen tijd in staat stellen genieën van zoo verschillenden aanleg gelijkelijk te

[p. 247]

waardeeren, ontbraken Vondel evenals verreweg den meesten zijner tijdgenooten.

 

Van de overige beeldende kunsten vinden wij veel minder melding gemaakt dan van de schilderkunst; de indrukken die hij van bouwkunst en beeldhouwkunst mag ontvangen hebben, schijnen echter in hoofdzaak dezelfde te zijn geweest als degene die wij in zijne uitingen over schilderkunst hebben leeren kennen. Zijne bijschriften op marmerbeelden bv. gelden alleen de personen die zij voorstellen, over de beelden spreekt hij weinig of niet. Soms hebben kunststukken als het wassen beeld dat Baertje Hooft voorstelde, de prachtige tafelkrans van Dirk van Rijswijck en de drijfkunst van Paulus van Vianen en der beide Lutma's hem bezield en mooie verzen doen ontstaan; in zoover heeft goede kunst hare uitwerking niet gemist: dat zij andere kunst heeft voortgebracht. Een enkele maal slaat de zinnelijkheid haar scherpen prikkel in des dichters kuisch gemoed en kwetst zijne eerbaarheid; bij de beschouwing van eene Leda met de Zwaan, roept hij uit: ‘Ay, schuif van schaamte de gordijn // Voor d'onbeschaamtheit van Jupijn’ en besluit met: ‘De kunst geeft stof aan overspel.’1)

De eenige kunst die hij naar het schijnt zelf beoefend heeft, was de muziek; dat hij de luit bespeelde, blijkt ons uit het schoone ‘Gebedt, uytgestort tot Godt’ in zijne ‘geduerige quynende sieckte’ (ao. 1621) waar wij lezen:

 
Als ick om tijt-verdrijf, met mijne stem ga paren
 
Den weerklanck van myn Luyt en zangerige snaren.

Muziek en zang hadden een onweerstaanbaren invloed op Vondel. Wat hij in het Berecht vóór Jeptha van ‘de goddelijcke Zangkunste’ zegt, ‘datze de zielen buiten zich zelve, als uit den lichame, verruckt en ten volle met eenen voorsmaeck van de geluckzaligheit der engelen vergenoegt,’ is eene gedachte die wij meer dan eens in zijne werken aantreffen.2) Vondel is zeker niet ongevoelig geweest voor den

[p. 248]

‘kittelenden galm van luiten en fluiten’1) voor de Fransche en Italiaansche liedjes, die hij op het Muiderslot uit Tesselschade's mond en elders kan hebben gehoord, voor zangeressen als Apollonia van Veen, Garbrecht Hooft en Maria Koeck, voor de composities van Padbrué, den ‘genoeghelicken Tymen’ en het ‘klokmusyk’ te Amsterdam - doch de diepste indrukken moet hij, Christen vóór alles, ontvangen hebben, wanneer Ban's ‘Zangkunst’ hem ‘dien lieven pais der Engelen’ deed hooren of Davids psalmen op Zwelings melodieën langs zijn oor ruischend zijne ziel ‘uyt dit moerasch in 't eeuwigh leven’ omhoog hieven.

VII.

De verhouding van den mensch tot de natuur is afhankelijk van de mate en den aard zijner beschaving. Er zijn tijdperken waarin de mensch zelf natuur, d.i. natuurlijk, is. Dan heeft hij de overige natuur lief zonder het te beseffen, want hij denkt nog niet of slechts weinig na. Naarmate de cultuur zich van hem meester maakt en hij de natuur in zich verliest, gevoelt hij behoefte haar buiten zich te hervinden om het evenwicht tusschen natuur en cultuur in zich te bewaren. Die ingeschapen liefde tot onze moeder de Natuur, gepaard met het vermogen om hare schoonheid te onderscheiden en bewust te genieten, plegen wij aan te duiden met den naam: natuurgevoel.

In de middeleeuwen was het natuurgevoel ook in ons volk wel aanwezig, doch het was nog niet sterk, doordat bij de meesten de natuur de cultuur overheerschte en doordat zij de schoonheid der natuur nog niet beseften. In de 16de en 17de eeuw werd door de Renaissance en den omgang met andere volken, vooral Franschen, Italianen en Spanjaarden, de cultuur zeer bevorderd, doch tevens werden vooral door de Renaissance de oogen van ons volk langzamerhand geopend voor de schoonheid der natuur. In de 16de eeuw zien wij het natuurgevoel toenemen in kracht; Karel van Mander en Spieghel zijn de eersten onder ons volk, wier blik op de natuur blijkbaar verschilt van dien der middeleeuwsche menschen, wier beschouwing der natuur

[p. 249]

verwantschap toont met het hedendaagsch natuurgevoel.1) Vondels natuurgevoel was, voor dien tijd, levendig en sterk, al was het niet fijn. Daar het zich op vele plaatsen van zijn werk openbaart, leent het zich wel tot een onderzoek.

Gelijk zoovelen zijner tijdgenooten heeft ook hij de schoonheid der natuur eerst recht leeren beseffen en genieten, nadat zij hem in de literaire werken van anderen was geopenbaard. De natuurbeschouwing van Fransche, Italiaansche en Romeinsche dichters is van invloed geweest op de ontwikkeling van zijne natuurbeschouwing. Ook later kan men soms nog bemerken onder welken invloed zij zich gevormd heeft; de natuur gelijk zij zich hier en daar in Vondels werk vertoont, herinnert dan aan het werk van Hollandsche landschapsschilders als Berchem, Pynacker en den Duitschen Hollander Lingelbach, waar Hollandsche werkelijkheid en Italiaansche fantazie tot een geheel zijn vereenigd.

In de eerste plaats moeten wij hier letten op den invloed van Du Bartas, den dichter dien Vondel zich gedurende zijne eerste ontwikkeling, meer dan eenig ander, ten voorbeeld heeft gesteld. Du Bartas had een voor dien tijd zeer ontwikkeld natuurgevoel zooals op vele plaatsen van zijn groot werk blijkt, niet het minst uit de fraaie beschrijving van den tropischen wondertuin, door Vondel met veel talent vertaald in De Heerlyckheyd van Salomon.2) In den Epistre Dedicatoire waarmede Vondel het Pascha opdroeg aan zijn vriend Van Vaerlaer, een brief die geheel in den trant van Du Bartas gedicht is, ziet men duidelijk hoe Vondel de natuur beschouwt met de oogen van den ‘onsterflycken Gascon’; Horatius' Beatus ille qui, gelijk het door Du Bartas was verwerkt, heeft Vondel op zijne beurt vertolkt in eene verheerlijking van het landleven; wij hooren daar reeds ‘les doux tirelirants Rossignols en ramage’, zien ‘Aurore distiller les agreables pleurs’, ‘le bleu Triton de l' Amstel ondoyant.’ Ook in andere stukken uit des dichters eerste ontwikkelingsperiode vinden wij die leege mythologische namen in plaats van zelf waargenomen natuurverschijnsels: Zephyrus en Flora, Phoebus en Tithons bruyt, Aura en Hesperus.3) Katharina Baeck die terwijl zij bloemen plukt, ‘Faunus,

[p. 250]

Pan en menich Sater brant’, die met boog en pijlen het wilde zwijn achtervolgt of hazen en herten jaagt, is eene Ovidiaansche nimf verdwaald in de Beverwijk;1) later zullen wij die nimf onder den naam Hageroos in Leeuwendael terugvinden.

Seneca kwam Du Bartas de eerste plaats in Vondels gemoed betwisten. Dat de kennismaking met de treurspelen van dezen Romeinschen dichter invloed moest hebben op de ontwikkeling van Vondels natuurgevoel, is verklaarbaar: de leer der Stoïcijnen waarvan Seneca's werk doortrokken is, bracht met zich o.a. het geloof aan de meerdere voortreffelijkheid van het leven in de natuur, het landleven, boven het stadsleven; vandaar dat wij meer dan eens dat landleven geschilderd en verheerlijkt vinden. Hoe zeer zulke schilderingen in Vondels smaak vielen, blijkt duidelijk in den ‘Rey van Eubeërs’ uit Palamedes die eene zelfstandige bewerking bevat van een koor uit Hercules Furens; die ‘rey’ is grootendeels gewijd aan de teekening van een liefelijk Hollandsch landschap, doch in den aanvang, vooral in verzen als: ‘De gouden Titan rijst alree // Met blaeuwe paerden ut der zee’, zien wij de hand van Seneca. In een veel later tijd kunnen wij in het Lantgezangh, door Vondel gedicht op de bruiloft van zijn nichtje Bruining en Reinier van Estvelt (1659), iets van dien Senecaanschen zuurdeesem bemerken; ook zijn de daar voorkomende Bacchus en Ceres, Pan en Saters al even weinig Hollandsch als de herder met zijn rieten fluit die de kudden weidt.

In Vondels beschouwing en voorstelling der dieren is eveneens veel dat niet van hem zelf is, dat hij met min of meer wijziging overnam gelijk hij het in boeken had gevonden. De dieren in de Warande der Dieren zijn dezelfde die men in de meeste fabelen terugvindt: dieren met menschelijke gewoonten, neigingen en hartstochten, door een dichter ten tooneele gevoerd, om zijne lezers te vermaken in meer dan een zin van dat woord; dat Vondel de daar voorkomende dieren zelf had beschouwd of bestudeerd, blijkt niet; het mag zelfs de vraag heeten of hij vele van die dieren ooit had gezien.2) Zoo is het ook in andere gedichten. In Het Lof der Zeevaert lezen wij (vs. 223): ‘En als een duyf, ter vaert sich gevend, drymael klept’.... Heeft Vondel zelf dien vogel waargenomen?

[p. 251]

Het is mogelijk, doch ik word eenigszins wantrouwig, als ik mij herinner diezelfde waarneming ook bij de klassieke dichters te hebben aangetroffen en haar terugvind eveneens in een door Vondel vroeger vertaald stuk van Du Bartas, waar van een paar gevleugelde cupidootjes gezegd wordt:

 
Zij doen een keer twee dry, om zoo de vlucht t'erlangen,
 
't Gepluymde vlerexken elck klep klep beweeght.1)

Een beeld dat Vondel gaarne gebruikt, is dat van een kleinen of weerloozen vogel die door een roofvogel wordt gegrepen en gedood. Zoo b.v. in deze fraaie verzen uit Maegdeburghs Lyckoffer (vs. 38-40):

 
En d' Arend kluyft soo d' opgegreepe tortel;
 
Haer pluym verstuyft, haer teer gebeente kraeckt
 
En 't sieltje steent eer 't aen syn dood geraeckt.2)

Heeft Vondel dat zelf gezien? Het is mogelijk, doch ik twijfel er aan met deze plaats uit Virgilius voor oogen: ‘zoo gegemackelyck als een havick, een vervloeckte vogel, uit een hooge steenrotse boven in de lucht met zijne pennen een duif vervolght, achterhaelt en oppackt, en met zijn kromme klaeuwen ontweit dat bloet en uitgepluckte pluimen uit de lucht komen neervallen.’3)

De poëzie hield hier trouwens gelijken tred met de werkelijkheid: het is niet vreemd dat een dichter dier dagen zulke beelden van een klassiek dichter overnam, indien men de toenmalige Hollandsche meisjes hare Romeinsche voorgangsters ziet navolgen in het liefkoozen van eene tamme musch. Leest men de gedichten van Barlaeus en Vondel op de lievelingsmusch van Hoofts voordochter Suzanne Bartelot, dan valt het bezwaarlijk te ontkennen dat een nakomeling van de door Catullus verheerlijkte ‘Passer, deliciae (s)uae puellae’ in de zeventiende eeuw naar Holland is komen vliegen.

Niet minder geliefd dan de vergelijking van arend en tortel was bij Vondel die van de klokhen welke hare kuikens onder

[p. 252]

hare vle ugels beschermt. Wij vinden haar bv. in het Decretum Horribile (vs. 130-132):

 
Hy saemeltse in den schoot van 't nieu Jerusalem,
 
Veel liefelicker als een klockhen met haer wiecken,
 
Beschaduwt en beschermt het ongepluymde kiecken.1)

Hier verwijst de dichter zelf in den eersten regel naar zijne bron, den bijbel.2)

Er zou nog wel meer van dezen aard kunnen worden medegedeeld, doch de gegeven voorbeelden volstaan om aan te toonen wat hierboven beweerd werd omtrent de ontwikkeling van Vondels natuurgevoel. Ook mag de lezer niet den indruk krijgen alsof Vondel de natuur slechts met de oogen van anderen zag. Heeft zijn natuurgevoel zich ook al ontwikkeld onder den invloed der natuurschilderingen van anderen - uit zijn werk blijkt duidelijk, hoezeer hij zelf de natuur genoot, hare schoonheid uit eigen oogen zag en in fraaie of heerlijke verzen zijne waarnemingen en indrukken wist weer te geven.

 

In zijn lange leven heeft Vondel slechts weinig van zijn land en van de wereld gezien; de tijd en de omstandigheden waarin hij leefde, brachten met zich dat hij slechts zelden de stad zijner inwoning verliet. Driemaal deed hij eene reis naar het buitenland: tweemaal ging hij voor zaken naar Denemarken en kort voor zijn dood bezocht hij, volgens het verhaal van Brandt, zijne geboortestad Keulen. Het is niet waarschijnlijk dat de natuur, op die reizen door hem gezien, veel indruk op hem heeft gemaakt; het reizen ging toen met te veel ongemak en soms met gevaar gepaard, dan dat anderen dan schilders veel op de hen omringende natuur konden letten. Wanneer men reist als Vondel, ‘uit vreese van gevaer gesterreckt met geley,’ is men niet in de meest geschikte stemming om natuurschoon te genieten en waar te nemen.3) Slechts een enkelen keer laat Vondel zich uit over de natuur door hem op reis gezien en dan nog heeft de beschrijving van die morgensche-

[p. 253]

mering in de ‘bosschen droef van loof’ in Nedersaksen vrij wat conventioneels.1)

Ook zijn eigen land kende hij slechts voor een klein deel. Misschien heeft hij in zijne jeugd Overijsel en Friesland bezocht2); eens is hij, naar het schijnt, te Brugge en te Hasselt in Limburg geweest3); voor het overige bepaalden zich zijne uitstapjes tot Muiden, Hoorn (waar zijne zuster Katharina woonde) de Beverwijk en het Gooi.

Over de onmiddellijke omgeving van Amsterdam spreekt hij zeer weinig; nergens vernemen wij uitingen over eene wandeling langs den Amstel en Spieghels Meerhuizen, over de talrijke fraaie buitentuinen in de Diemermeer en elders, over de vele hofsteden bij Sloten en andere dorpen in de buurt. Echter moet men alleen daaruit niet opmaken dat hij geen oog had voor hetgeen daar aan natuurschoon te genieten viel; op meer dan eene plaats in zijn werk zien wij dat de natuur hem wel voor den geest stond, al was hij niet buiten. Het ‘ruischen der boomen langs de cingelgracht’4) ontging zijn oor niet, zoo min als zijn oog de verwoestingen door den scherpen noordenwind aangericht in bloesems en bloemen.5) In zijne treurspelen en kleinere gedichten vinden wij telkens vergelijkingen aan het leven der natuur ontleend; zoo b.v. in den Kersnacht:

 
Soo velt de zeys de korenaren,
 
Soo schud een buy de groene blaren,
 
Wanneer het stormt in 't wilde woud,

of in Gebroeders (vs. 1606 vlgg.):

 
De hoofden werden strax met stilte als overstreecken,
 
De monden zwegen kort. 't Gerucht had uitgeraest:
 
Gelijck, wanneer de wind met stijve kaecken blaest
 
Na 'et ruisschen eene poos geraecken te bedaeren.
[p. 254]

Uit het hart van den bewoner der nauwe sombere Warmoesstraat kwam deze verzuchting: ‘Waer groeien eicken t'Amsterdam!’ (Wiltzangh) en hoe innig is de toon van verlangen naar buiten in dat gedicht aan de meisjes Hinlopen waarin hij meldt dat hij niet op hunne hofstede Eickhof kan komen.1)

Het was vooral in het Gooi, ‘daer eick by eick zoo vrolijck groeit // Het velt vol zoete boeckweit bloeit’ en op Schey-beeck, de hofstede der familie Baeck in de Beverwijk, dat Vondel van het samenzijn met de natuur genoot. Dat genot was niet onvermengd; hoe zou het dat ook geweest zijn in een dichter, Christen vóór alles, in een kunstenaar wien de den Hollander aangeboren zucht voor het nuttige en leerzame soms als lood aan de vleugels hing? Voor Vondel, als voor de meeste zijner tijdgenooten, gold in volle kracht het woord van den Psalmdichter: ‘de aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid, de wereld, en die daarin wonen’; en evenzeer dit andere: ‘de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt zijner handen werk’; een groot deel zijner Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst moet dienen om die waarheid in bijzonderheden aan te toonen. Ook voor hetgeen den mensch nuttig is in de natuur, heeft Vondel een open oog. Hij ziet den wind wel door het ‘wufte’ koren gaan, wel personifieert hij den Noordenwind als ‘wintervogel, guur en schrael,’ doch elders weidt hij breed uit over den wind als beweegkracht voor schepen, houtzaagmolens, watermolens, korenmolens, den wind die

 
vaeght de lucht en stroomen en gewesten
 
Van vuile nevelen en doodelijcke pesten.2)

In de natuur ziet Vondel gaarne den mensch bezig: het fraaie landschap in Palamedes is gestoffeerd met buitenlui die planten en poten, visschen, jagen, melken, zaaien en ploegen; Reinier van Estvelt geeft eene dergelijke schildering als hij Rebecka Bruining wil overhalen met hem op het land te gaan leven; aan het IJ ziet Vondel het laden en lossen ‘van afgehouwen hout en heele Noordsche bosschen’; de Rijn wordt in de prachtige ode die Vondel zijn ‘treckende geboortestroom’ wijdde, verheerlijkt ook in dezer voege:

[p. 255]
 
O onvermoeide molenaer
 
O stedebouwer, schepedraeger,
 
O rijxgrens, schermheer in gevaer
 
Wijnschencker, veerman - - -

Doch niet altijd was Vondels natuurgenot vermengd met dergelijke gevoelens; in vele gevallen is het zuiver en sterk. Het liefste jaargetijde is hem die de jeugd van zijn hart tot in zijne grijsheid bewaarde, de lente; haar vinden wij telkens vermeld en verheerlijkt; zoo lezen wij in de Geboortklock (vs. 535).:

 
Al 't aerdrijck sweld tot kruyd. Men siet door veld en bosch
 
Utpuylen 't nieuwe groen en knoppen bot en blos,
 
De bloemgodin ging prat op haer kleinoodjen treden,
 
Violen loken op bestipt met lieflijckheden
 
enz.

Als het ‘laeuw en lieflijck westewindje’ weer begint te waaien, als de maand nadert ‘die de drooge paden baent,’ als leeuwerik en koekkoek ‘de jeughd van 't jaer, de bloem der tyen’ verkondigen, dan gaat Vondels hart open, dan geniet hij volop van gouden zonneschijn en stralende boterbloemen en ruischende koelte in 't eikenhout.1) In overeenstemming met zijne sympathie voor de jeugd van het jaar is die voor de jeugd van den dag, de ‘wellekoome morgenstond’ door den Rey van Eubeërs in Palamedes bezongen:

 
Als d'uchtentdou langworpigh leyd
 
By druppels hier en daer gespreyd,
 
Op roosebladen versch ontloocken;
 
Wanneer sich opdoen duysend roken
 
En duysend kleuren voor het oogh
 
Van bloemen, als een regenboogh
 
 

Aristoteles' voorschrift omtrent den duur van eene tragedie verschafte hem eene welkome gelegenheid telkens te spreken van den dageraad: van de zon ‘die schittert in den douw en

[p. 256]

bloemen, nat van droppen,’ van de ‘morgenlucht die in 't boomloof ruischt en speelt.’1)

Wat Vondel in de natuur liefhad, was kleur en beweging: de gloor der zon ‘die op het water beefde // Met stralend spiegelgoud,’ water ‘waerin sich bevend loof en maenlicht spieglen ging,’ de wind in het wuivend koren, bloemen en vogels. Gedurig treffen wij in zijne poëzie vergelijkingen en beelden aan, ontleend aan bloemen: de onschuldige kinderen vermoord te Bethlehem - vroeg verwelkte bloemen; de doode nonnen ter aarde gevallen en in het rond liggend, ‘gelyk een krans van roozen, wit en rood’; de heilige maagden - leliën onder doornen groeiend, rozen op scherpe doornehagen; Maria Stuart - ‘Roomsche roos, versch gesneeden van (haren) steel’; Maria Blaeu en Isabelle le Blon - de schoonste bloemen duren kort. Vondels oog wordt getrokken evenzeer door kuische palm, wit ligustrum en viooltjes, gestrooid voor de voeten eener bruid, als door het droefdonkere roosmarijn in de lijkkransen van zijn dochtertje, zijn dartel Saartje en van zijne kleindochter Maria. Hoe gaat zijn oog te gast op pracht van kleuren, waar hij in de Geboortklock de kleinooden der bloemgodin te pronk zet:

 
Violen loken op bestipt met lieflijckheden
 
De roosen trocken aen een roodigheyd als bloed,
 
De tulpen blinckend goud, jenoffels eenen gloed
 
Van purper onder 't sneeu .........
 
 
 
Besiet eens dat yvoir, die vlammende robijnen,
 
Dat goud en dien turkois.

Geen wonder, dat de dichter ‘die 't licht eerst zag in een viool,’ die zich een lijkkleed wenschte van bloemen, geschakeerd van ‘violet, wit, purper, blaeu en rood, incarnaet en paers en geel,’ dat hij hoog liep met den schilder Daniël Zegers, evenals hij overgegaan van het Protestantisme tot het Katholicisme.

De wilde vogel die zingt: ‘al d'ope lucht is mijn,’ was voor Vondel het symbool der vrijheid die hem zoo na aan 't hart lag. Reeds in een zijner vroegste stukken vinden wij die warme sympathie met den vogel wien zijne vrijheid ontnomen is; in het Pascha lezen wij (vs. 1415):

[p. 257]
 
Oft schoon 't wildt voghelken met lust
 
Int korfken tiereliert en fluytert
 
En inde traly, twijl het tjuytert,
 
Verdient 't ghekochte zaedt gherust -
 
'T zou liever inde tacxkens schieten
 
En klieven met zijn vlercxkens locht
 
Den blauwen Hemel, zoo het mocht
 
Slechts magher synen kost ghenieten.

Toen reeds werd zijn oor gestreeld door ‘den blijden Echo van de zorgheloose voghels’ en zijn gausche leven door is dat zoo gebleven. Reeds vóór Shelley en Coleridge had Vondel den leeuwerik gehoord wiens ‘keeltje steiltjes steigert,’ was hij getroffen door dien overvloed van zilveren klanken stroomend uit de keel van den nachtegaal met zulk eene volheid en kracht dat het schijnt alsof het onaanzienlijk bruingrijs vogeltje er onder zal bezwijken.1) De ziel die God zoekt en verlangt naar het eeuwig leven, doet hem denken aan den nachtegaal

 
die in de kou(w) besloten,
 
Zoo menigh jaer geen lucht noch vrijdom heeft genoten
 
En haeckende vergeefs naer zon en ademtoght,
 
Nu eerst een open ziet en vint hetgeen hy zocht.2)

Warm meegevoel voor het zorgelooze leven van den wilden vogel in Gods vrije natuur, getemperd door zekeren weemoed, spreekt uit den eenvoudig schoonen Wiltzangk; de zuivere hooge tonen van welbehagen in dat vogelleven worden harmonisch begeleid door zachtruischende ondertonen van weemoed, iets als eene herinnering aan een verloren paradijs, nevelachtig verlangen van een opgesloten stedeling naar een ver verleden waarin de mensch zich één gevoelde met de natuur.

Voor de vertrouwelijke innige schoonheid van een bosch, voor de ontzagwekkende grootschheid van zwijgende heide of ruischende zee, schijnt Vondel weinig oog te hebben gehad.

[p. 258]

Het ‘wilde wout’ is eene vaste, telkens terugkeerende uitdrukking in zijne poëzie;1) de bosschen in Nedersaksen worden slechts ‘droef van loof’ genoemd; een schoon boschtafreel als Hooft ons te genieten geeft in het tweede bedrijf van zijn Baeto, zoekt men bij Vondel te vergeefs. Dat de heide zijne aandacht heeft getrokken, bleek mij nergens. De zee had althans eenigen indruk op den Hollander gemaakt, al was het niet die van schoonheid of grootschheid: in de Warande der Dieren vinden wij de uitdrukking van het Fransche origineel ‘en la mer’ uitgebreid eens tot: ‘Aent ongheruste strandt des Zees, der duynen voester’ en eens tot: ‘Aen 't dorre en vochte strangh daer steeds de baren bruyzen.’2) Blijkbaar is de zee voor Vondel, den bewonderaar van rustige schoonheid, vooral onrustig; den Hollander die graag iets ziet groeien, treft vooral de dorheid van het strand; ééne goede eigenschap heeft de zee: zij vormt duinen die het lage land beschermen tegen haar zelve.3) Tegenover deze indrukken uit Vondels tijd van ontwikkeling moet een andere gesteld worden uit zijn ouderdom: het derde boek der Bespiegelingen van Godt en Godtdienst vangt aan met een zonsondergang in zee, die getuigt dat den dichter dat schouwspel moet hebben getroffen, al schijnt de aandoening niet sterk te zijn geweest.4)

Vergelijkt men Vondels natuurgevoel met dat van verscheidene Engelsche, Duitsche en Nederlandsche dichters der 18de en 19de eeuw, van sommige Fransche dichters dezer eeuw, stelt men zijne landschapsschetsen tegenover hunne schilderingen,

[p. 259]

dan blijkt zijn natuurgevoel in fijnheid en intensiteit achter te staan bij het hunne. Dat lag voor een groot deel aan den tijd en de door mij reeds genoemde oorzaken; voor een ander deel is de oorzaak te zoeken hierin, dat Vondel te los, te afkeerig was van deze aarde om zich aan hare schoonheid over te geven, zich van haar te doordringen, haar in te drinken met volle teugen; de pantheïstische natuurbeschouwing van latere dichters als Shelley, die zich des ganschen heelals gevoelden en langs dien weg weer een deel van het oorspronkelijk natuurgevoel der oer-menschen heroverden op de cultuur, moest een man als Vondel vreemd blijven. Niet dezer aarde schoonheid maakte op hem den diepsten indruk, maar die van het Paradijs, wonderland zijner verbeelding, waar de eerste menschen met God en de engelen verkeerd hadden, en die van den Hemel waar God troont ‘zoo diep in 't grondelooze licht.’

VIII.

‘... dat door het overdencken van dese Trage-comedie ofte dit Blij-eyndich spel, de droeve Tragedie oft het droevich Treur-spel van ons ellendich leven, mach nemen een vrolijc eynde ende ghewenschten utghang. Amen.’

Zoo luiden de woorden, waarmede Vondel, jong man van 25 jaar, twee jaar geleden gehuwd, in het bezit van eene goede zaak, terwijl het reeds drie jaar lang voorloopig rust en vrede in den lande was, zijn Pascha besloot.

Het leven: een ‘droevich Treurspel’ - dat is de grondtoon van Vondels ziel; sterven als Christen is ‘een vrolijc eynde ende ghewenschten utghang’ van dit leven; de mensch is een balling op aarde, doch niet indien hij een heerlijke toekomst verwacht. In zijn eerste voorname werk het Pascha vinden wij deze en dergelijke gedachten op meer dan eene plaats: ‘Gheen ballingh is hy die een borgherschap verhoopt//Hiernamaels..’ heet het in vs. 402; kort daarvoor lezen wij:

 
Veel weerder onse ziel alst sterflijc lichaam is:
 
De ziele keert tot Godt, maer na dit tijdlijck slaven
 
Wort 't lichaem weder in syn zelfde stof begraven.1)
[p. 260]

Liefst wendt hij den blik af van deze vergankelijkheid, om opwaarts te zien; het is des dichters eigen zielsverlangen dat hij aan het slot van Hierusalem Verwoest door den aartsengel Gabriel doet vertolken:

 
Laet dan de dwazen gaen brageren en hoogh roemen
 
In dingen die slechts zijn verwelckelijcke bloemen:
 
Vliegt ghy uyt d'ydelheyd nae boven van bene'en,
 
Klimt op daer Jesus word van d'Eng'len aengebe'en.
 
 
 
Daer alle tortzen, daer de Sterren, Zon en Maen,
 
Zijn enckel duysternis ten opzien van den genen
 
Die 't endloos Rond vervuld en niets laet onbeschenen,
 
Daer 't nieuw Jerusalem heeft gants een ander schijn,
 
Daer al de straten goud, de poorten peerlen zijn,1)
 
 

Het hoogst klimt zijn toon, wanneer hij zich verdiept in de ‘schouwinge’ van Jezus en de hemelsche heerlijkheid, wanneer hij ‘zoete Cherubijns en Seraphijnen’ ziet neerdalen en staren op ‘'t schoon aenschyn van 's Hemels Bruidegom.’2) De beschouwing der Christelijcke Sinnebeelden van Zacharias Heyns voert zijn geest ‘veer boven alle Starren // Totdat hij 't Hemels smaect: gelyc hy Hemelsch is’; de schellen dunken hem van de oogen te vallen; hij ziet 't waarachtich Heyl en beseft het verschil tusschen aarde en hemel: ‘Beneden ist gewoel, hier boven isset stil.’3)

Maar Vondel, al schoot zijn geest vaak wieken aan om zich boven dat gewoel te verheffen, moest toch steeds weer tot de aarde en de aardsche werkelijkheid terugkeeren; hij kon zich niet aan de werkelijkheid onttrekken, want telkens en telkens greep het leven hem aan, het volle rijke krachtige leven dier dagen maakte zich van hem meester, drong in hem, vervulde hem, deed de snaren zijner ziel trillen tot zij geluid gaven. Ook voelde hij zich dikwijls verplicht ‘om der conscientie wille’ partij te kiezen en mede te strijden: voor Oldenbarnevelt in wien hij de geloofsvrijheid ziet aangetast, tegen

[p. 261]

Tilly en Pappenheim die het Protestantisme bedreigen, tegen Cromwell die zich aan Gods gezalfde vergrepen heeft.

Zoo zien wij des dichters ziel op haar Jacobsladder steeds stijgen en dalen tusschen hemel en aarde.

Een duidelijk voorbeeld daarvan geeft ons de Hymnus over de Scheepsvaert, een zijner vroegste groote gedichten: dat stuk bevat eene doorloopende verheerlijking van onzen tot dusver zegerijken strijd voor de onafhankelijkheid; het is één jubeltoon over de ontwikkeling van den handel, over de steeds toenemende welvaart, vol trots somt de dichter de Hollandsche en Zeeuwsche steden op, verheerlijkt den slag bij Nieuwpoort, de pooltochten, de tochten naar Indië, hij tart Oud-Grieckenland met zijne ‘zeylagiën’ die slechts ‘kinderspel’ zijn bij de onze, als een heraut gaat hij voor Maurits uit: ‘O onver-wonnen Prince! O bloeme van Orangiën!’ klinkt het uit zijn' mond - daar slaat hij plotseling een anderen toon aan; de heraut wordt boetprofeet: gij Bataviers, wat baten u zoovele weldaden Gods ‘wanneer ghy die misbruyckt, wellustigh, prat en trots?’ Denkt aan Capernaüm, aan Tyrus en Sidon, bekeert u als de Ninivieten, treurt om uwe zonden, opent uw ooren voor het geschrei der armen, treedt uw schatten met voeten, verzekert u eene plaats in ‘'t nieu Jeruzalem, der vromen Vaderland

 
Al waer te vinden is naer al dit pijnlyck slaven
 
Naar al dit aerdsch gewoel een soete en stille haven.’

Hoe is al die glorie nu verstoven! Slechts een ‘pijnlyck slaven’ heet nu het leven! en dien wij in den aanvang zagen opkomen met fiergeheven hoofd en trotschen stap, blazend op zilveren trompet den triomf van zijn volk, vinden wij ten slotte knielend neergebogen, deemoedig fluisterend:

 
Gedurende o mijn God! dat ick in 's weerelds krijt
 
Naar uwen heylgen Wil mijn broossche leven slijt,
 
Vergunt my dat ick mach, o Vader aller dingen!
 
Den uitgebreyden lof van uwe daden singen.

Toen Vondel tien jaar later dezelfde stof verwerkte tot een dergelijk gedicht Het Lof der Zeevaert (1623) was die verdeeldheid nog niet uit zijn gemoed geweken; meer dan eens

[p. 262]

wanneer wij den dichter vervuld zien van de werkelijkheid. wanneer hij zich heeft laten gaan, hooren wij als eene waarschuwende stem die vermaant en berispt. Des dichters oog gaat te gast op de kleurenpracht van vlaggen en wimpels, op het beeldwerk dat de stevens versiert - daar verheft de stem zich: ‘Hoe Christen reeders hoe!’ maakt gij misbruik van uwe schatten? Denkt aan Tyrus!... hier wordt het den dichter zelf te kras en hij valt zijn ander-ik in de rede: ‘Maer swijgt Poeet, dit zy den predickstoel bevolen.’ Sprekend over den scheepskost, zegt de dichter: ‘Een Bootsman wel ghehart en voelt geen quade maegh’; de stem voegt er bij:

 
Ghelijck ons pronckers doen, die brassen en vergasten
 
En voor een gastgaen vaeck drye dagen moeten vasten.1)

Wie als Vondel beurtelings zoozeer aangetrokken en afgestooten werd door de wereld, moest behoefte hebben vóór alles aan eene vaste overtuiging, vasten grond voor zijne voeten van waar hij zijn oog in het rond kon laten gaan2); doch voor iemand met zijn karakter, zijne neigingen en behoeften, was het niet gemakkelijk zich dien vasten grond te veroveren. Dat die grond moest liggen in de nabijheid van de eene of andere kerk - daarvan was hij, hoewel misschien onbewust, overtuigd; zich een levensbeschouwing te vormen, een zedelijk standpunt te kiezen, onafhankelijk van eenig kerkgenootschap - daarvoor was de tijd niet rijp en Vondel niet de man. Een kerkgenootschap dus, doch welk? Hij behoorde, evenals zijne ouders, tot de Doopsgezinden en was zelfs eenigen tijd een hunner diakenen. Sommige hunner voorgangers stelde hij blijkbaar hoog, zoo bv. Hans de Ries ‘dien God ons als een kleynood heeft gegeven’ en Cornelis Anslo wiens welsprekendheid indruk op hem heeft gemaakt3); op andere Doopsgezinde predikanten als Lubbert Gerritsz en Anthonie Roscius maakte hij bijschriften. Doch ook in dit kleine kerkgenootschap heerschte veel verdeeldheid; niet alleen was het gesplitst in meer dan eene secte, maar ook de leeraren derzelfde secte lagen soms met elkander overhoop. In de jaren

[p. 263]

1624-1627 werden de Waterlandsche Doopsgezinden te Amsterdam, waartoe Vondel behoorde, in opschudding gebracht en gehouden door een strijd tusschen hunne leeraren Hans de Ries en Nittert Obbesz. Duidelijk blijkt in Vondels gedicht Antidotum hoe zeer zijn gemoed door twisten als deze geschokt werd, hoezeer hij behoefte heeft aan vastheid; in den aanvang klaagt hij:

 
Gods woord ghegoten word in allerhande vormen
 
Van 't wispelturigh breyn; een Christen door veel stormen
 
Beproeft en afgemat; na 't een volght 't ander wee;
 
De waerheyd als een rots in 's weerelds wilde zee
 
De woeste baren stuyt der sinnen die oneven
 
Steeds worden van den wind der leeringen gedreven.

Wie het eens is met dwepers als Schwenckfeldt, ‘syn vastigheijd verliest en tuymelt gants onseker’; de psalmen geven reeds nu steun en troost aan zijn ‘bangh gemoed’, daar vindt hij den staf waarmede hij zich weer op weg begeeft ‘na 't altijd-durend leven,’ vastbesloten ‘Swinckvelds geest’ te schuwen.1)

Het was niet de eerste maal dat Vondels gemoed zoo in beroering gebracht werd door godsdienstvraagstukken; den strijd tusschen Gomarus en Arminius en dien hunner volgelingen van weerszijden had hij met belangstelling gevolgd; immers die twistvragen waren geene theologische haarklooverijen, doch raakten volgens Gomarus den grond der zaligheid.

Er was in die twisten tusschen Contra-Remonstranten en Remonstranten weinig of niets wat Vondel zou kunnen aanlokken zich bij de Hervormden aan te sluiten; er was vooral in de sterke Contra-remonstrantsche partij veel wat hem moest afstooten. In de eerste plaats hunne leer: reeds in 1622 kan hij geene woorden vinden sterk genoeg om lucht te geven aan zijn afschuw van Calvijn:

 
Dien grouwel, die 't vergift schenct uit een goude kroes
 
En 't lieflijck aenschyn Gods afschildert als de Droes.2)

en later stort hij al zijne opgekropte verontwaardiging, ergernis

[p. 264]

en afschuw uit in de onstuimige verzen van zijn Decretum Horribile. Doch niet alleen de leer hield Vondel van de Contra-remonstranten verwijderd: hun gewetensdwang ergerde hem die de vrijheid zulk een kostbaren schat achtte; Bogerman en Geldorp zeiden: er mag maar ééne religie in den staat zijn, alle ketters moeten uitgedreven worden, beter eene verlaten stad dan eene handeldrijvende vol secretarissen en ßaudartius was het geheel met hen eens.1) Smout schreef een ‘seyndtbrief’ niet alleen tegen de Katholieken - dat was begrijpelijk - maar ook tegen de Doopsgezinden; dat een andere geloofsovertuiging recht van bestaan kon hebben nevens die van zijne partij, ontkende hij. De heerschzucht van voorname Contra-remonstrantsche predikanten als Smout, Trigland, Cloppenburg, grootendeels krachtige mannen, geleerden en geoefende redetwisters, wekte zijn wrevel en ergernis. In 1619 na Oldenbarnevelts terechtstelling spreekt hij reeds schimpend van de ‘Dortsche Santen’ en den ‘krachteloosen Paepenblixem’2); in 1623 vaart hij uit tegen de predikanten die misbruik maken van den kerkelijken ban:

 
Wat meet gy u dan toe, o sotte logen-preeker!
 
O overdwaalsch tyran! schyn-heylig stof en slijk!
 
Die dwingelandery pleegt in eens anders wijk;
 
Gewetens Beudel, vrees den Goddelyken wreker!3)

In zijn Palamedes schetste hij in fraaie verzen de heerschzuchtige priesters ‘wier wenckbraeu en gebaer niet loochent, hoe hun past // Een wetteloose maght’; in Rommelpot en Harpoen trok hij opnieuw tegen hen te velde. Vondel hield den blik gericht op de Oudheid en hare meesterwerken die hij zich als voorbeelden had gesteld; de predikanten waren afkeerig van de heidensche Grieken en Romeinen. Vondel leefde in tooneelpoëzie en stelde het tooneel hoog als leerschool des volks; de predikanten beschouwden beide met achterdochtig oog.

Niet in alle opzichten stond Vondel tegenover de predikanten; wij vinden in preeken der zeventiende eeuw meer dan eens gewag gemaakt van het verkeerde der weelde in kleeding en

[p. 265]

levenswijze; waar Vondel in zijn Roskam zoo uitvaart tegen weelde en overdaad, trekt hij eene lijn met Trigland en later met Wittewrongel1); doch de sympathie op dat eene punt vermocht weinig tegenover de sterke antipathie op zoovele andere punten. Die antipathie tegen de personen en de leer der Contra-remonstrantsche leeraars heeft Vondel zijn gansche leven lang behouden. Anders stond het met de Remonstrantsche partij: wij zagen reeds dat hij van den aanvang hare zijde koos; later werd hij bevriend met Brandt die een der voorname woordvoerders van de Remonstranten zou worden; wel werd de vriendschap tusschen beide mannen voor eenigen tijd afgebroken, waarschijnlijk tengevolge van eene weinig edele daad van den jongen Remonstrantschen predikant tegenover den Katholieken dichter, doch in het laatste deel van Vondels leven vinden wij Brandt, die waarschijnlijk berouw had over zijne handelwijs weer in vriendschappelijke betrekking tot Vondel2); ook Brandts vriend, de predikant-dichter Vollenhove, werd door Vondel gewaardeerd.

Men zou kunnen vragen, waardoor het gekomen is dat Vondel zich niet bij de Remonstranten heeft aangesloten. De verklaring van dat feit moet, naar ik meen, hierin gezocht worden dat ook de predikanten dier richting te weinig konden geven wat Vondel in een voorganger eener gemeente verlangde en zocht; te weinig geleken zij op dien Godefried wiens beeld de dichter in zijn Harpoen met zooveel liefde had geteekend; ook zij waardeerden hem 't geloof te zeer ‘naar spitsvondigheden die luttel stichten’, zij waren hem te zeer theologant, te weinig herders der gemeente. Ware Vondel in nauwe aanraking gekomen met Paschier de Fyne of Utenbogaert, wie weet welken invloed die kennismaking op de ontwikkeling van zijn innerlijk leven zou hebben geoefend, doch hij heeft beide mannen, naar het schijnt, niet persoonlijk gekend.3)

[p. 266]

De vastheid die Vondel zocht, vond hij noch bij de Doopsgezinden tot wier Kerkgenootschap hij behoorde, noch bij de twee voorname partijen in de toenmalige Hervormde kerk; geen wonder dat zijn zoekende blik van tijd tot tijd bleef rusten op het oude geloof, verdreven uit de kerken en het openbare leven, doch heimelijk voortlevend in de harten van velen, ter sluik beleden en geoefend in stille samenkomsten, bedreigd door hebzuchtige schouten maar meer nog door het felle antipapisme der Calvinistische ijveraars.1) Het Katholicisme, door velen reeds dood gewaand, had gedurende de laatste helft der 16de eeuw zichzelf herzien, zich gezuiverd en versterkt en begon in den aanvang der zeventiende eeuw hier te lande weer op te leven. Velen die in den aanvang waren medegesleept door de forsche vaart van het opstijgend Protestantisme, werden later afvallig van het nieuwe geloof; vooral kinderen van ouders die de Katholieke kerk hadden verlaten, sloten zich, mondig geworden, weer bij haar aan. Duidelijk bleek, dat Protestantisme en Katholicisme elk beantwoorden aan onderscheiden behoeften van den menschelijken geest, dat het verschil tusschen beider levensbeschouwing overeenkomt en samenhangt met menigerlei verschil van temperament en geestelijken aanleg. In de 16de eeuw hadden velen de Katholieke kerk verlaten, wier eigenaardige neigingen en behoeften toch niet door het Protestantisme bevredigd konden worden; allerlei misbruiken hadden hen afkeerig gemaakt van het Katholicisme en, daar zij niet buiten een Kerkgenootschap konden, gebracht tot het nieuwe geloof dat hun niet paste. Hunne kinderen die, bij min of meer gelijken aanleg en temperament, kennis maakten met een gelouterd Katholicisme, verkondigd door eerbiedwaardiger geestelijken dan hunne ouders hadden gekend, verlieten het nieuwe geloof voor het oude. Zóó zal het, naar ik mij voorstel, gegaan zijn in de familie Vondel, misschien ook in de met haar verwante familie De Wolff.

Dat het oude geloof voor een dichter als Vondel veel aantrekkelijks moest hebben en dat hij ten slotte tot het Katholicisme overging, laat zich wel verklaren. Het Katholicisme, rekbaarder dan het nieuwe geloof, drong hem niet steeds en

[p. 267]

overal partij te kiezen tusschen hemel en aarde, liet hem vrij in zijne vereering der Oudheid, zijne liefde voor poëzie; de ondoorgrondelijke mysteriën des geloofs gaven hem gelegenheid tot bevrediging zijner behoefte aan het oneindige, zijner neiging tot contemplatie; de zinnenstreelende eeredienst met haar dramatisch karakter moest den kunstenaar liever zijn dan de eenvoud, verheven doch naakt, van het Protestantisme; op den man die in wereldlijke zaken gezag en traditie zoo hoog stelde, moesten het eenhoofdig gezag van den Paus en de eerbiedwaardige ouderdom der Katholieke kerk indruk maken. De Katholieke geestelijken met wie hij in aanraking moge zijn gekomen, zullen hem zeker niet door hunne persoonlijkheid afkeerig hebben gemaakt van het door hen beleden en verkondigd geloof; voorzoover wij weten, waren zij meerendeels mannen, niet alleen vlekkeloos van leven en vol toewijding aan hunne taak, doch ook - vooral de Jezuïeten onder hen - ontwikkeld en beschaafd. In den kring zijner bloedverwanten en vrienden waren Katholieken ook vóór 1641 niet zeldzaam: zijn zwager Abraham de Wolf dien hij hoog stelde, was waarschijnlijk Katholiek; zijn beminde broeder Willem ‘roemde’ in een gedicht, ‘'t heerlick Hooft van Rome, Paus Urbaen’, gelijk Vondels katholieke vriend Plemp, lid van den Muiderkring, ons mededeelt;1) ook Anna Roemers en Tesselschade waren en bleven oprechte Katholieken. Voegt men nu hierbij dat Vondel tot tweemaal toe (omstreeks 1620 en 1625) aanvallen had van diepe zwaarmoedigheid, dat hij achtereenvolgens beproefd werd door het verlies van zijn nimmer vergeten broeder Willem (1628), van zijne kinderen Constantijn en Saartje (omstr. 1632) en van zijne vrouw Maria de Wolf (1635), dat zijne geliefde dochter Anna vóór hem overging tot het Katholicisme - dan zijn daarmee de voornaamste zaken en omstandigheden genoemd die van invloed zijn geweest op zijn overgang tot de Katholieke kerk.2)

[p. 268]

De voorstelling van Vondels overgang die wij langs dezen weg verkregen hebben, kan uit zijne poëzie worden aangevuld en toegelicht. Indien wij de vóór 1641 geschreven verzen nagaan, vinden wij telkens uitdrukkingen, voorstellingen en begrippen waarin zich het Katholicisme meer of minder duidelijk vertoont; naarmate wij dichter bij 1641 komen, wordt het Katholicisme duidelijker voor onzen blik: allengs wordt volle dag wat uit de verte schemering en flanwe lichtglans geleek. In de Voorreden van den Gulden Winkel (1613) reeds treft ons deze uitdrukking omtrent Abraham de Wolf

 
den zegen
 
Die hy te Roomen heeft zoo goedertieren kregen
 
Van Zyne Heyligheyd

Aan het slot van Hierusalem Verwoest (1620) zegt de engel Gabriël van zichzelven dat hij

 
d' heylge Moedermaeghd boodschapte van te voren
 
Hoe zy van God was tot een moeder Gods verkoren1)

In het gedicht Tot Lof van Sint Agnes (1622), waarvan m.i. niemand dan Vondel de maker kan zijn, vraagt hij zelfs om de voorbidding dezer heilige.2) Echt Katholiek is de voorstelling van Christus als bruidegom in het Christelyck Vryagielied, door den dichter vóór 1625 met het oog op Katharina Baeck geschreven; dat lied is als een nagalm der bekende middeleeuwsche geestelijke romance des Soudaens Dochterkijn. In 1625 vertaalt Vondel een Latijnsch lofdicht van zijn broeder Willem op Paus Urbaan den Achtsten, dat in zijne vertaling aanvangt met: ‘Wat Godheit vol ontsaghs is dit // Die daar op zeven bergen zit’ en besloten wordt door deze regels: ‘.... Buigh uw kniên // En kus zijn voeten wijd ontzien’. In 1627 vraagt hij aan het eind van den Rommelpot van 't Hanekot of de jonge Hanen (de predikanten van het nieuwe geloof) het beter maken

[p. 269]

dan die van het ‘ouwe hock’ (de Katholieke kerk) en laat Petrus' haan het hoofd schudden en neen! kraaien. In de beschrijving der katholieke kerkplechtigheden binnen Den Bosch tijdens het beleg, door Frederik Hendrik voor de stad geslagen, is eene volkomen onthouding van alles wat zweemt naar af keer van, spot of triomf over den Roomschen vijand die in de minderheid is.1) ln de gedichten op de Inwijding van het Athenaeum (1632), wordt opnieuw met eerbied gesproken over de ‘heylige Angeneet’; in het Danckoffer aen David de Willem in denzelfden geest over paus Urbaan VIII omstr. 1633?).

De voorbereiding tot het dichten van zijn voorgenomen heldendicht over Konstantijn den Grooten bestond voor een goed deel in het bestudeeren van de geschiedenis der Christelijke kerk gedurende de eerste eeuwen onzer jaartelling. Ongetwijfeld heeft die studie hem meer vertrouwd gemaakt met en geneigd tot het Katholicisme Zijne Constantinade zou een tegenhanger geworden zijn van Tasso's Gerusalemme Liberata door Vondel geheel in proza vertaald, blijkbaar om volgens de gewoonte dier eeuw langs dien weg ‘den zwier van zulk werk in 't hooft te krygen’. Tasso's Gerusalemme was niet louter beeld van het verleden; het was geboren uit, werd gedragen door een sterk geloof; zoo zou ook de Constantinade, ware zij voltooid geworden, des dichters christenzin getuigd hebben. Hoe zeer hij in deze dagen de Christenheid beschouwde als een groot geheel, hoe zeer hij zich Katholiek Christen gevoelde in den ruimen zin van dat woord, blijkt duidelijk uit zijn gedicht ‘Op de Tweedraght der Christe Princen’ (1634), jammerklacht en alarmkreet tevens, dat aan Maerlants Van den Lande van Oversee doet denken.

In het lijkdicht op den dood zijner vrouw (1635) treffen ons deze regels op de Moeder Gods:

 
.... 't Koor der segenrijcke Maeghd,
 
Daar sulck een schaar den naam af draagt,
 
En die mijn naam oock gaf zijn waarde.

Ook in den Zegesang ter eere van Gillis van Vinckenroy (1637?) is een Katholiek element op te merken in de wijze

[p. 270]

waarop de dichter spreekt over de orde van Sint Franciscus en aan het slot eene bede richt tot Sint Quintijn.

In het jaar 1637 had Vondel zijn treurspel Gysbreght van Aemstel voltooid. Reeds de tijdgenooten hadden bemerkt dat hij, ‘toen alreeds aan 't waggelen was’.1) Het was dan ook waarlijk niet zonder reden dat de Kerkeraad Burgemeesteren trachtte te bewegen de vertooning van dat stuk te verbieden, en Burgemeester De Graeff die de afgezanten van den Kerkeraad antwoordde: dat het stuk door den tijd waarin het speelt vanzelf het Katholiiscme met zich bracht, stuurde hen met een kluitje in het riet. Neen, niet de middeleeuwsche stof reeds maakte het stuk katholiek, maar de liefde, waarmede zooveel wat eigenaardig katholiek is, hier wordt uitgebeeld: het zachtgouden licht dat aureolen vormt om het hoofd van priesters en kloosterlingen, abdis en bisschop; dat een glans werpt op kloosters en Katholieke kerken, op altaar en mis, op kostelijk kerksieraad en heilig kruisbeeld; de verheerlijking van Jezus' geboorte, door den ‘Rey van Edelingen’ geheel in den geest der middeleeuwsche kerstliederen, doch deze overtreffend in kunstwaarde; de teedere schoonheid van den zoogenaamden Kerstnacht die eigenlijk den kindermoord te Bethlehem schildert. Is Gysbreght van Aemstel, geboren uit des dichters toenemende neiging tot het Katholicisme, een mijlpaal op den weg die hem naar de Katholieke kerk leidde, aan den anderen kant heeft het dichten van dat stuk des dichters stap op dien weg vaster en sneller gemaakt; hier was actie en reactie. Hetzelfde kan getuigd worden van het treurspel Maeghden dat in 1639 het licht zag. Hoofdzaak in dit stuk is de verheerlijking van het Christendom in het algemeen en van het Katholicisme in het bijzonder; vandaar die uitvoerige schildering van de heilige Ursula te Rome, ‘'s weerelds hoofd’, die debatten over het Christendom tusschen Attila en Ursule, Beremond en Ursule; die voorstelling van Christus als bruidegom (vs. 655-661), die verheerlijking van ‘Jezus bruiden’ (vs. 1351) en van martelaren voor het geloof.

In de jaren tusschen 1635-1641 verkeerde Vondels gemoedsleven, naar het mij voorkomt, in een toestand van steeds wassende ontroering en beweging; sterker wordt de aandrang naar

[p. 271]

de rijke bronnen van zijn zieleleven, hooger schieten de ruischende kletterstralen opwaarts. Hij smacht naar reiner lucht, naar beter leven; het is eigen zielszucht die hij uit in zijn Joseph in Egypten waar hij van de ziel schrijft, dat zij

 
in 't slijck gespat van 's levens oirsprongk af
 
Vast woelt en hijght naer hem die 't al zijn wezen gaf.1)

Gelijk zijn beminde vriend Jakob Baeck die in 1639 overleden was, tracht hij door koortsachtige werkzaamheid zijn heftig verlangen te stillen: Gysbreght, Elektra, Maeghden, Gebroeders, Joseph in Dothan, Joseph in Egypten volgen elkander snel op. Het baat hem niet; nog houdt het grove lichaam hem gevangen; te vergeefs klapwiekt de geest in ‘het huis van been.’2) Voortdurend hooren wij in zijne poëzie uit deze jaren het vleugelruischen van zaligen en engelen: in Gysbreght wordt ons de schim van Machtelt van Velzen voor oogen gebracht en verschijnt Gabriël; in Maeghden de geesten der heilige maagden; in Joseph in Dothan bestaat de ‘Rey’ uit wachtengelen, een engel ontmoet Jozef en wijst hem den weg naar Dothan; Vondel schroomt niet den geest van Jakob Baeck op de bruiloft zijner zuster Katharina te doen verschijnen.

Endelijk is de volheid des tijds verschenen; zijne dochter Anna gaat hem voor, pater Marius grijpt zijne hand, Marius of pater Laurentius neemt hem op in de gemeenschap der Katholieke kerk.3)

[p. 272]

Zoo vormt zich aan een vochtigen tak langzamerhand een heldere droppel, hij zwelt en zwelt, het licht schijnt er in en doet hem schitteren als zilver, wij zien hem langwerpig worden, daar zal hij vallen! neen, nog blijft hij gehecht aan de plek waar hij zich vormde, onmerkbaar voor ons zwak oog vloeien er nog eenige waterdeeltjes bij - daar rekt hij zich en valt en wordt opgenomen in den stroom waarboven hij straks nog hing.

Wanneer wij Vondels godsdienstig gemoedsleven na zijn overgang tot het Katholicisme beschouwen, dan treft ons ten eerste een vurige geloofsijver waardoor hij als verteerd wordt. Ware hij eene halve eeuw vroeger geboren, hij zou zijn leven gelaten hebben om der wille des geloofs; te vergeefs tracht hij zijne offervaardigheid te uiten door poëzie. Het viertal groote werken die binnen betrekkelijk korten tijd op elkander volgen: Peter en Pauwels (1641), Brieven der heilige Maeghden (1642), Altaergeheimenissen (1645), Maria Stuart (1646) zijn alle ontstaan uit de behoefte zich te verdiepen in, zich te doordringen van het Katholicisme, zijne geschiedenis, zijne leer; de slotregel van Maria Stuart: ‘Zoo groeie en bloei de Kerck: zoo ga men recht naer Godt’ geeft de stemming weer waarin de dichter toentertijd verkeerde; telkens vinden wij, vooral in de twee eerstgenoemde werken, plaatsen waar het kruis en het martelaarschap verheerlijkt worden.

Tot nadenken gekomen, een blik terugwerpend op den afgelegden weg, gevoelt hij innige dankbaarheid voor den zegen die hem te beurt is gevallen: aan het slot der Altaergeheimenissen schetst hij zich zelven als ‘vermoeit van ydel dolen’, nu gerust in ‘den schoot der Kercke’; in een later gedicht Toets-steen (1650) prijst hij zich gelukkig omdat hij de verborgen parel des geloofs gevonden heeft; en nog twintig jaar na den beslissenden stap is hij vol dankbaarheid omdat hij den weg heeft mogen vinden uit wat hem nu een doolhof van dwalingen toeschijnt:

 
Wat bypaên vlecht men niet in meesterlooze schoolen,
 
Om achterwaerts te gaen en dieper te verdoolen!
 
Geluckigh is de ziel die noch een wijzer vint,
 
Een draet die haer geleit uit zulck een Labyrint.1)
[p. 273]

Telkens blijkt ons uit bijschriften van zijne hand, hoe dankdankbaar hij gestemd is jegens Katholieke geestelijken met wie hij in aanraking is geweest en die hem door hunne leer en hun voorbeeld hebben gesticht. Ook in zijne treurspelen eert hij de priesterschap. Het beeld van den Aertspriester dat ons in Jeptha geschetst wordt, vertoont veel overeenkomst met dat van den Paus1); in David in Ballingschap wordt de priesterschap openlijk door Absalon geëerd en haar de verzekering gegeven: ‘Wij willen tienden noch uw hantvest niet verminderen’; ‘Gaet heene, en onderstut mijn stoel met uw gebeden’ - aldus besluit de koning. Dat klinkt anders dan in Palamedes! In Zungchin heeft Vondel een eerezuil opgericht voor de Sociëteit van Jezus; niet het lot van den onbeteekenenden Keizer vervult des dichters gemoed, doch de lotgevallen der Sociëteit in het Oosten en haar zendingswerk; Adam Schal en zijne priesters openen het stuk dat besloten wordt met eene voorspelling van Xaverius' Geest tot de priesters; telkens zien wij de Jezuïeten op het tooneel.

Vondels overgang tot het Katholicisme bracht noodwendig met zich dat hij verder van het Protestantisme kwam te staan; zijn geloofsijver voor het Katholicisme openbaart zich ook wel eens in eene vijandige stemming tegenover het Protestantisme. In Kenteken des Afvals dat achter Altaergeheimenissen volgde, zegt hij o.a.:

 
o heilooze opperschennis,
 
Die Godt zijn wettigh Recht ontzeit
 
En blint noch roemt van Kristus kennis!

Toch zijn zulke uitingen zeldzaam. Talrijker zijn die over zijne oude vijanden, de orthodoxe predikanten; trouwens zij zelven zorgden er wel voor, dat de dichter hen niet vergat. Van zijn kant toonde Vondel dat hij nog altijd de man was die indertijd den rommelpot had doen weergalmen en den harpoen had geslingerd. In Maria Stuart gloeit het oude vuur nog eens op in deze regels van Melvin:

 
d' Oploopende gemeent wordt lichtlijck neergezet,
 
Indien de predickstoel zich wacht dien haet te voeden.2)
[p. 274]

Toen Ds. Wittewrongel het hem te lastig maakte naar aanleiding van Lucifer, sloegen de speelsche vlammetjes uit de asch die ze bedekt hield en begonnen lustig te knetteren. Wat losse zwier en bevallige ongedwongen vroolijkheid in die Uitvaert van Orfeus waarmede hij den ‘Trompetter van de Zeeuwen’ te lijf ging!

Wittewrongel gaf den kamp niet op, doch antwoordde met grof geschut en maakte zijn tegenstander uit voor ‘een leeraer der leugenen, een voortplanter van alle ydelheyt, lichtveerdigheyt ende Heydensche goddeloosheyt.’1) Vondel verdedigde zich in het ‘Berecht’ voor zijn Salmoneus en zijn Tooneelschilt.2) Ook later vinden wij nog een enkelen keer gewag gemaakt van de predikanten. In Joannes de Boetgezant (1662) zegt Herodes tot zijne gemalin:

 
Joannes is een streng, een heiligh man,
 
Rechtvaerdigh naer de wet, een yvraer naer zijn zede.
 
Is 't buiten 't spoor? gedenck het leerampt brengt dit mede.3)

Dat laatste vers klinkt als eene herinnering aan dezen regel uit Decretum Horribile (vs. 18): ‘Mijn yver dwaelt van 't spoor: hy slacht den predickstoel.’ Doch hoeveel milder is des dichters stemming, hoeveel zachter zijn toon geworden in de dertig jaren die tusschen beide gedichten liggen. Hetzelfde verschijnsel merken wij op, waar hij in de Heerlyckheit der Kercke (1663) over Joden en Protestanten spreekt. Hij bidt God:

 
Vergeef toch 't overschot van Abrahams geslacht
 
Dat schendigh lasterstuck

Hij smeekt, dat ook de Joden nog eens tot de Katholieke kerk mogen gebracht worden;4) met een ‘gebedt voor d' afgedwaelden’, zooals hij de Protestanten noemt, besluit hij zijn werk.5)

Over het algemeen ziet men in de laatste helft van Vondels

[p. 275]

leven des dichters geest ruimer worden en hooger stijgen; zijne belangstelling voor het algemeene neemt toe, die voor het bijzondere neemt af; hij stelt niet meer zooveel belang in menschen en wat menschelijk is, de hemelsche belangen verdringen de aardsche. Stroomingen in zijn gemoedsleven die wij vroeger reeds opmerkten, worden sterker. Zijn solidariteitsgevoel als Christen b.v. wordt krachtiger onder den invloed van Katholicisme en vrees voor de steeds dreigende Turken. Hij draagt zijn Lucifer op aan Ferdinand III, die voor hem het wereldlijk hoofd der Christenheid is: ‘Christenryck, doorgaends gelyck een schip in de wilde zee aen alle kanten en tegenwoordigh van Turck en Tarter bestormt en in noot van schipbreucke, vereischt ten hooghste deze eendraghtige eerbiedigheit tot het Keizerdom’, schrijft hij in zijne Opdracht. Vondel voelt zich een lid dier groote Christenmaatschappij, welke de door hem in zijn jeugd bezongen Hendrik IV tot één groot Christenrijk had willen vereenigen; doch wat de werkelijkheid niet tot stand heeft kunnen brengen, is in den geest des dichters voltooid. In Nootweer tegens den Inbreuck van Turkyen (1661) en Kandia op haer Uiterste (1669) zien wij hem als een schildwacht op post, zijne waarschuwende stem klinkt: ‘De Turck treckt aen’ de zon van het kruis gaat onder, ‘wij staen als met gevleugelde armen’, ‘nu is 't noch tijt’. Die verzen lezend, is het ons alsof wij uit verre eeuwen de stem van den ouden Maerlant hooren:

 
Kersten man, wats di gesciet?
 
Slaepstu? hoe, ne dienstu niet
 
Jhesum Christum dinen here?
 
 
 
Tlant daer hi sijn bloed in scient,
 
Gaet al te quiste als men siet,
 
Lacy! daer en is gene were!

Wel blijft Vondel tot aan zijn dood belangstellen in de dingen van dit leven, maar steeds zwaarder en voller van klank wordt de stem die de vergankelijkheid en verachtelijkheid van al dit aardsche predikt, die uitdrukking geeft aan het verlangen der ziel naar vereeniging met God. In de Opdraght aen Eusebia van het treurspel Peter en Pauwels klinkt het:

[p. 276]
 
Wat is ons vleesch, dat doch in 't graf moet rotten?
 
Wat is het lijf, vermast van snoode pracht?
 
Der wormen spijze en voetsel voor de motten,
 
Een hindernis van 't geen Godt dierbaerst acht,
 
Dat 's 't wezen uit zijn aengezicht gesneden:
 
De hemelsche en in klay gevange ziel,
 
Die haeckt te spoên met wyde en wisse schreden
 
Naer 't zaligh hock waer op haer liefde viel.

In een ‘Rey’ uit Samson vinden wij dezelfde beschouwing: ‘Het lichaam is slechts asch en aerde // De ziel al geest en niet dan geest’. De voorstelling der ziel, gescheiden van God, doch steeds zoekend naar haren oorsprong, keert telkens terug, evenals de verwante voorstelling dat het goede in de menschen bij sprankjes verspreid is doch in God zijn bronader vindt.1) In het ‘vaderlant daer boven’ te stijgen, dáár God te schouwen, is wat Vondel steeds vuriger wenscht. In zijne bewerking van Davids Psalmen kan men duidelijk zien, hoe zeer hij genoten heeft van eene plaats waarin over het ‘aanschouwen van de liefelijkheid des Heeren’ gesproken wordt, met hoeveel welbehagen hij dit denkbeeld heeft omhangen met het kostbare tooisel zijner taal.2)

De voorstelling die Vondel zich van den hemel vormde, was aanvankelijk vrij wel dezelfde die wij in de middeleeuwen zoo vaak aantreffen; het is het ‘nieuw Jeruzalem’, de stad met gouden straten en muren, paarlmoeren poorten en kostelijke torens; zoo zien wij het b.v. in de hiervoor aangehaalde plaats uit Hierusalem Verwoest. Mettertijd werd zijne voorstelling ook in dit opzicht minder kinderlijk en grootscher. Geen schilder heeft zoo den indruk van het onmetelijke en het oneindige weten weer te geven als het genie van Vondel het in Lucifer heeft gedaan. Op zijne arendswieken voert de dichter ons hoog hoog boven de aarde binnen de wijde ruimten des hemels, die stralen van licht; daar zweven de geesten die in hunne vaart een spoor van licht achter zich laten, die verschietende sterren

[p. 277]

gelijken. Hoog hoog boven hen, boven Lucifer en de zijnen, boven de getrouwe engelen, ‘diep in 't grondelooze licht’ troont God. God wordt hier voorgesteld als een vuur, een glans, een heilig licht; er wordt slechts van verpersoonlijkte eigenschappen der Godheid gesproken: de hoogste Goedheid, d' Almogentheit, Gods blijdschap, de zuivere wijsheid.1)

Slechts eene enkele maal heeft Vondel zich gewaagd aan de voorstelling van een persoonlijken God. Het is daar waar hij in Joannes de Boetgezant (III, vs. 175 vlgg.) eene beschrijving geeft van eene samenkomst des Hemelraads. Ovidius was hier blijkbaar Vondels voorbeeld2); echter is het opmerkelijk te zien hoe hij de soliede plastiek van den Romein heeft vervluchtigd en diens realiteit veredeld; hoe hij haar vleugels heeft aangehecht waarop zij omhoog zweeft, welk een schitterend licht hij over zijne voorstelling heeft uitgegoten.

In het licht te stijgen ‘tot waar al zielen schitt'ren’3) - dat was Vondels verlangen gedurende zijn leven op deze aarde! Onvoldaanheid met deze wereld, zielszucht naar hooger reiner bestaan, kenmerken der besten van ons geslacht, hebben ook hem zoolang hij onder dit volk geleefd heeft, vervuld, beheerscht, vaak gekweld. Het rijke leven van zijn tijd heeft hij medegeleefd als weinigen. Beter dan de meeste andere groote Nederlanders dier dagen vertegenwoordigt Vondel zijne eeuw; in zijn leven en zijne verzen weerspiegelen zich de geschiedenis der wereld, van Nederland, van Amsterdam, de godsdienstige stroomingen onder zijn volk, kunst en natuur, zooals men die toen beschouwde. Op zijn naam ligt geen vlek; reinheid adel eenvoud kracht en schoonheid kenmerken zoowel zijn leven als zijne poëzie.

 

G. Kalff.