De schrijver van Die Weber en van Einsame Menschen, die op weg was zich een eerste plaats te veroveren onder de Duitsche kunstenaars van het woord van den nieuweren tijd - profeteerde L. Simons niet: de toekomst der echte Duitsche kunst, dat is hij!1) - moest ruim een jaar geleden zijn drama Florian Geyer een jammerlijk fiasco zien maken. Het werk, waaraan hij gearbeid had met grooten scheppingsdrang, waarvan hij verwachtte dat het luide klinken zon overal waar echte kunst in eere is, viel en dreigde in zijn val zijn maker mee te sleepen.
Wat er moet omgaan in een kunstenaar, die zoo de vrucht van langen, ernstigen arbeid met één slag vernietigd ziet, Meister Heinrich, de klokkengieter uit het ‘Deutsche Märchendrama’ Die versunkene Glocke, zal het u zeggen.
De gissing ligt voor de hand, dat de ervaring door Hauptmann met Florian Geyer opgedaan, hem de stof heeft geleverd, waarvan hij zijn dramatisch sprookje geweven heeft:
maar men behoeft niet te denken aan den strijd en het leed juist van den kunstenaar Gerhart Hauptmann, om den diepen zin van dit werk te voelen.
Hier volge een beknopt overzicht ervan.
Heinrich de klokkengieter, door zijn vrouw geroemd als
de man, wiens faam door honderd klokken van honderd torens gezongen wordt, heeft de laatstgeboren vrucht van zijn kunst, de beste klok, die hij ooit gemaakt heeft en maken kon, toen zij bergopwaarts gesleept werd om in den kerktoren, daar boven op den top, te worden gehangen, in den ‘Bergsee’ zien vallen en hij zelf is met zijn kunstwerk mede in den afgrond gestort. Met moeite heeft hij, om hulp roepend, zich voortgesleept tot op een open plek in het dicht begroeide woud, hoog op de bergen, waar de conventioneele tooverkol uit de Duitsche sprookjes, ‘die alte Wittichen’, huist met haar kleindochter Rautendelein.
Op die plek hebben wij, kort te voren, Rautendelein, ‘ein elbisches Wesen’, zooals de dichter haar aanduidt, half kind, half maagd, op den rand van de waterput gezeten, zich het dik roodgouden haar zien kammen, onder het zingen van haar lied:
Wij hebben haar daarna in druk gesprek gehoord met haar eigen beeld, de ‘liebe Brunnenmaid,’ die haar in het water tegenlacht; dan, om den tijd te korten, Nickelmann, den watergeest, hooren oproepen, en een oogenblik later, Waldschrat, ‘ein bocksbeiniger, ziegenbärtiger, gehörnter Waldgeist’, te voorschijn zien springen en zich in het gesprek mengen. Waldschrat, die aan niets zulk een hekel heeft
heeft een goeden dag gehad: hij heeft den acht kleppers, die snuivend en met bevende knieën bezig waren een klok den berg op te sleepen, de verdere moeite van het klimmmen bespaard:
Wanneer Heinrich strompelend nadert, verdwijnen Waldschrat in het bosch en Nickelmann in de put. Hij blijft met Rautendelein alleen en het is hem, die reeds niet meer van de wereld scheen te zijn, of hij in haren ‘Rätselblick’ een nieuwe wereld ziet die hem opnieuw tot zich lokt. En als hij de oogen rondom zich slaat en de dennen hun donkere bladen geheimzinnig ziet bewegen en hun kruinen statig ziet buigen, dan voelt hij het:
In deze sprookjeswereld op de bergen dringen zich weer de menschen van de benedenwereld. De ‘Pfarrer’, de schoolmeester en de barbier hebben meester Heinrich om hulp hooren roepen, en al verzekert de schoolmeester ook, dat men wel van een berg in een dal kan vallen maar niet omgekeerd, de anderen hebben duidelijk Heinrich's stem gehoord. Eindelijk vinden zij hem, in
onmacht liggende voor het huis van ‘die alte Wittichen.’ De barbier en de schoolmeester nemen hem op en brengen hem weg.
Maar Rautendelein kan zich over Heinrich's heengaan niet troosten. Sedert haar samentreffen met dit wezen uit het menschenland gaat er iets in haar om, waarvan zij zich geen rekenschap weet te geven. Wat is die kleine, heldere, warme druppel, dien zij uit haar oog heeft opgevangen? Nickelmann - die zijn schrijvers schijnt te kennen! - antwoordt:
Zoo weet Rautendelein dan van nu af aan wat tranen zijn. En de oogen vol tranen turend in de verte, wordt het haar in haar wereld te eng. Zij wil weg naar het land van de menschen. Te vergeefs waarschuwt haar Nickelmann:
Maar Rautendelein laat zich niet afschrikken, en den watergeest een beeld uit zijn element voorhoudend:
En zij zal doen als de beekjes en de stroomen en gaan waar het haar lust, hierheen en daarheen, en ten slotte - in 't menschenland.
Daar zal zij Heinrich den klokkengieter terug vinden.
Magda, Heinrichs vrouw, die hem na het, zoo zij hoopte, goed volbrachte werk met bloemen opwachtte, heeft den ongelukkige
halfdood de woning zien binnendragen. Tot zichzelven gekomen, tracht Heinrich haar te verklaren, waarom de klok moest vallen in de diepte en waarom ook hij thans sterven moet. Die klok was niet gemaakt voor de hoogte, niet om de echo van de bergtoppen te wekken: zij klonk wel in het dal, maar niet op de bergen. Hem trekt het dal niet langer aan; sedert hij de hoogte gezien heeft, wil alles wat in hem is ‘bergwärts steigen, und Werke wirken aus der Kraft der Höhen.’ En daar hij dat niet kan, wil hij liever sterven.
Om te leven, zou hij weer jong moeten worden, na een nieuwen bloeitijd nieuwe vruchten moeten voortbrengen; zou hij, met merg in de beenderen en staal in de zenuwen, moeten voelen
Daar staat Rautendelein voor hem, maar gekleed als een kind van het land, dat, schuchter en verlegen, bessen te koop biedt. Zoodra zij echter alleen is met den man, die daar weder onmachtig met gesloten oogen nederligt, verandert zij van wezen, maakt zich druk, mengt in de soep die op het vuur hangt versterkende kruiden:
En als hij weer tot bezinnig is gekomen, spreekt zij hem van hare bergen, waar hij haar moge volgen en waar zij hem zal dienen op zijn wenken. Met ‘ceremoniën’ maakt zij hem in slaap, maar om hem straks te wekken tot een nieuw leven. Heinrich voelt, bij zijn ontwaken, een nieuwe kracht, een nieuwen scheppingsdrang door zijn leden woelen, en hij wil
Wanneer Magda hem zoo vindt, jubelt zij van vreugde over haar tot het leven weergekeerden man, - maar zij weet niet dat dit leven voortaan aan een andere dan zij gewijd zal zijn.
Nu vangt (met het 3e bedrijf) Heinrich's werk aan op de bergen, zeer tegen den zin van Waldschrat, Nickelmann en consorten, die het niet kunnen dulden dat een van dat verwenschte menschengeslacht zich in hun rijk heeft ingedrongen, daar graaft, metaal
smelt, smeedt en bovendien de gunsten geniet van Rautendelein, de mooie elf, die hèn versmaadt, en voor hèm bergkristal, barnsteen, goudstof en diamant verzamelt. Zeer tegen den zin ook van den Pfarrer, die niet opziet tegen den zwaren klim om Heinrich op te zoeken en als een goede herder te trachten het verloren lam terug te brengen bij de kudde. Want niet alleen dat Heinrich aan zijn vrouw en zijn kinderen ontrukt is, - ‘Du freches Ding!’ zoo verwijt de Pfarrer Rautendelein, ‘du nahmst der ganzen Menschheit diesen Mann!’
Daar nadert Heinrich zelf, lenig en sterk, stralend van geluk, trotsch op het werk dat thans onder zijn handen zijn voltooiing nadert:
De Pfarrer, die het vreemd vindt dat iemand zichzelf een ‘meester’ noemt, vraagt voor welke kerk de klok moet dienen en wie het werk hem opdroeg. Voor welke kerk? Voor geene. Wie hem de opdracht gaf?
Het kerkje, dat zij daar ginds gebouwd hebben, is half vervallen, half verbrand, hij zal hier in de hoogte een nieuwen grondslag leggen van een nieuwen tempel. ‘Wie hem dan dat werk betalen zal,’ luidt wederom de vraag.
Dan, in steeds klimmende geestdrift, roept hij de ‘Urmutter Sonne’ aan, op wier feest zijn klok zal luiden om een lied te zingen,
Te vergeefs tracht de Pfarrer, die beweert, ‘von überstiegnen Dingen’ niets te weten, hem uit zijn grootheidsdroom te doen ontwaken en hem af te brengen van het ‘heidensch’ werk dat hij heeft ondernomen, dezen tempel van Beelzebub, Baal en Moloch, dien hij zich voorneemt te bouwen. Te vergeefs spreekt hij hem van zijn vrouw, die reikhalzend naar hem uitziet, van zijn kinderen die ‘nur immer ihrer Mutter Tränen trinken.’
Hij kan die tranen niet drogen, hoe gaarne hij het zou willen; hij kan hun ledigen beker niet vullen met zijn wijn, die hun als alsem zou smaken. Haar behoort hij thans, die, toen hij zijn dood nabij was, hem opuam en genas, en geen bedreigingen of schrikbeelden, hem door den Pfarrer voorgehouden, kunnen hem het nieuwe leven, dat hij aan haar dankt, vaarwel doen zeggen.
Waarop de Pfarrer antwoordt: ‘Sie klingt cuch wieder, Meister! Denkt an mich!’.
Heinrich zet (4e bedrijf) zijn werk in de smidse en de glassmelterij voort; zes dwergen zijn hem daarbij behulpzaam. Maar de opgewektheid van vroeger, de ontembare scheppingsdrang zijn verdwenen, en als hij, na zwaren arbeid, zich te slapen heeft gelegd, kwellen hem bange droomen; de booze geesten van water en woud vervolgen hem en in doodsangst schrikt hij wakker. Aan Rautendelein, die op zijn roepen komt om hem te troosten en te sterken, hem, haar Balder, haar zonneheld, klaagt hij hoe moeilijk het hem valt om, te midden van al het kleine, van den ‘Tagelöhners Werkelkram’, die van zijn werk onafscheidelijk schijnt, het heldere beeld vast te houden, dat in zijn ziel leefde: het is of er iets knaagt aan het fundament van zijn werk.
Daar hooren zij dreigende menschenstemmen uit de diepte. Rautendelein roept Nickelmann te hulp; hij moge dat menschenvolk met zijn waterstroomen in den afgrond jagen. Maar Nickelmann heeft geen lust Heinrich te verdedigen, zegt hij:
Heinrich echter heeft met reuzenkracht den aanval afgeweerd. En als hij terugkeert, gestaald door de overwinning, reikt Rautendelein hem een dronk, die hem opnieuw aan haar verbinden moge. Uit alle spleten en holen roept zij nu haar klein volkje van aarden luchtgeesten bij elkaar, om met hunne muziek het overwinningsfeest te vieren. Zij zelf zal, met haar roodgouden lokken als een Spang gekroond, er den elfen-rondedans bij dansen . . .
Maar wat is het, dat te midden van de feestmuziek Heinrich in de ooren klinkt? Het schijnt een klaaggeluid, een lang begraven toon. Hij wil er niet naar luisteren. Rautendelein dicht aan zich vastklemmend, treedt hij naar den uitgang van de smelterij en, op de streek wijzend, die zich daar aan hunne voeten uitstrekt:
In het stille maanlicht, waarin het landschap ligt, ziet Heinrich
twee kleine, witte gestalten, met moeite, langzaam naar boven klimmen. Het zijn twee kinderen in hun hemdjes en op bloote voeten, die een zwaren kruik dragen; zijn kinderen zijn het, en de kruik is gevuld met de tranen van Magda, hun moeder, Heinrich's vrouw, die bij de waterrozen rust....
Daar klinkt een zware klokkenklank uit de diepte. Op het hooren van dat geluid keert Heinrich, buiten zichzelven, zich tot Rautendelein, scheldt haar, weert haar van zich af en haar, zichzelven en zijn werk vervloekend, tuimelt hij, onder een ‘Gott, erbarm' dich meiner!’, naar buiten.
In het menschenland, waarheen hij gevlucht is, wil men echter den heidenschen tempelbouwer niet dulden. Weggejaagd wordt hij, weer naar de hoogte, naar zijn bergwoud, waar hij als een gebroken man bij de ‘alte Wittichen’ aankomt om zijn werk, half kerk, half koningsslot (zooals de oude Wittichen het beschrijft), ìn vlammen te zien opgaan. Een vondeling noemt Heinrich zich:
Hij smacht er naar Rautendelein weer te zien, en de oude belooft hem dat zijn wensch vervuld zal worden. Maar daartoe moet hij drie glazen, die zij voor hem plaatst, leeg drinken. Drinkt hij het eerste glas, dan zal de oude kracht in hem wederkeeren; bij het tweede zal hij, voor het laatst, háar terugzien die eens alles voor hem was. Wie echter de beide glazen uitgedronken heeft, moet ook het laatste ledigen.
En het geschiedt zooals de oude gezegd heeft. Nadat Heinrich het tweede glas geledigd heeft, stijgt Rautendelein, thans de gezellin van den watergeest Nickelmann, uit de waterput te voorschijn. Zij kent Heinrich niet meer. Eerst als hij, Magda aanroepend, vraagt dat deze hem den laatsten beker moge reiken, treedt Rautendelein dicht aan zijn zijde: ‘Zij zal doen wat hij vraagt; de dooden mogen blijven rusten.’ En dan een korte herinnering aan hun vroeger geluk, een afscheidsgroet.
Heinrich, de klokkengieter, wien het eenvoudige werk van zijn handen, dat voor de menschen hier beneden dienen moet (‘im Tale klingt’), niet bevredigt - zijn leven herinnert in meer dan éen opzicht aan dat van Ibsen's Baumeister Solness - is er dus niet in geslaagd zijn hoog ideaal te verwezenlijken: het ‘unerhörte’ meesterstuk te scheppen, dat hoog op de bergen, in de vrije lucht, nabij de zon, zijn spits zou verheffen. Naar dat onbereikbare strevende, heeft hij vrouw en kinderen verlaten en een in zijn oog hooger wezen aangehangen, dat hij ‘die Schwinge seiner Seele’ noemt, maar dat hem toch niet brengen kan waar hij wenscht. Terwijl h ij het menschelijke van zich af tracht te stooten, den Pfarrer ergert door zijn zonaanbidding, haakt zij naar het menschenland, wordt zij allengs meer menschelijk, leert tranen kennen, en naarmate zij het menschelijke nadert, wordt haar macht om Heinrich tot hulp te zijn geringer. Zoo is geen van beiden een heele, maar voelen zij zich ‘fremd und daheim dort unten, so hier oben fremd und daheim.’
Heinrich moge nog zoo innig zich aan Rautendelein hechten, op het hoogst van zijn geluk klinkt, als de stem van zijn geweten,
de klaagtoon der gezonken klok van beneden, en komen zijn kinderen aandragen met het kruikje, van Magda's tranen vol.
Zonder bereikt te hebben, noch in zijn kunst, noch in zijn liefdeleven, dat bovenmenschelijke waarnaar hij streefde, het ‘über Gott und Menschen Herrscher sein,’ dat Nickelmann hem verwijt, sterft de klokkengieter. En hij sterft in de armen van Rautendelein. ‘Die Wirklichkeit stirbt am Märchen und im Märchen.’1)
Het is te verwachten dat dit lot den dichter van Die versunkene Glocke niet treffen zal. Hem is de vereeniging van het menschelijke en het bovenmenschelijke, van werkelijkheid en phantasie goed gelukt, en zijn van poëzie doortrokken Märchen bevestigt zijn naam als fijnvoelend scheppend kunstenaar.