terug  begin  verderprepost
[p. 581]

Buitenlandsch overzicht.

Cretische Krijgsdans.

25 Februari.

 

.... Mijn vriend de diplomaat zette groote oogen op; hij nam zijn gewichtigste houding aan, en demonstreerde met zijn beide handen.

- Gij beseft in de verste verte niet den ernst der omstandigheden, zeide hij. Heeft Griekenland ook maar eenig succes bij zijn onbesuisde tusschenbeidekomen op Creta, dan raken de andere kleine volken van het Balkanschiereiland los, en willen, ieder wat hem het best lijkt, naar zich toe halen. Zoo raken de poppen aan den dans.

Hij keek bedenkelijk alsof hij zelf geroepen was, om Serviërs, Boelgaren, Montenegrijnen, Albaneezen uit elkander, en in hun hokjes te houden.

- Maar wat bedoelt Griekenland? vroeg ik bij het hooren van zijn krantenphrases.

- Griekenland!... Griekenland wil leven, zeide hij plotseling op den natuurlijken toon van iemand die een ontdekking maakt. En het is een dekselsche zaak dat die kleine dingen ook al de pretentie hebben om hun eigen leven te leven. Eigenlijk is Griekenland van al de mogendheden die daar op 't oogenblik door hun bezittingen, hun schepen of hun manschappen in de Aegeïsche zee vertegenwoordigd zijn, verweg het interessantste. Weet ge wel dat er voor Griekenland aardig wat te zeggen valt!

Het betaalt zijn schulden niet, en dat's heel leelijk en heel onfatsoenlijk. Maar het land verkeert ook nog pas in zijn studentenjaren. Hoe kort is het nog maar geleden dat het zijn onafhankelijkheid verkregen heeft! 'n Zestig, zeventig jaar. En in wat 'n kinderpakje heeft het in 't eerst moeten rondloopen. Dat gansche zelfstandige

[p. 582]

Grieksche leven hadden de groote mogendheden willen beperken tot het uiterste uithoekje van het schiereiland met wat eilanden daaromheen. Toen heeft het volk jongenskleeren aangekregen: in 1863 droeg Engeland de Ionische eilanden aan het Grieksche rijk over; zeventien of achttien jaar later werd het tegenwoordige gebied in Epirus en Thessalië er aan toegevoegd.

Is dat voldoende?

Europa meende zeker dat het land nu ruim genoeg was om allen te bevatten. Wie van de Grieken in Klein Azië of in Macedonië of elders niet tevreden was onder de Turksche heerschappij kon zich in het Helleensche Koninkrijk neerzetten. Maar zoo laat een volk zich niet reglementeeren. De Grieken zijn van ouds een volk dat zich uitbreidt en zich indringt, zij gevoelen zich de dragers van een oude beschaving tegenover barbaren, en al is het eenige restje van die beschaving, dikwijls, maar een verbasterd geloof en een verbasterde taal, zoo schuilt er in die elementen toch echte kracht en groeikracht. Zij willen verder, en zijn zij thans nog studenten, zij studeeren toch ook heusch, zij verzamelen de gegevens voor hnn toekomst, zij laten niet los van hun droomen en springen in de bres waar hun een uitzicht openstaat op verwezenlijking van hun plannen.

Hun schulden zullen ze dan wel betalen wanneer Constantinopel eenmaal weer de hoofdstad is geworden van een nieuw Grieksch Rijk dat alle kusten van de Aegeïsche zee beheerscht.

Waarom zou Griekenland zijn wedergeboorte moeten missen, terwijl Italië toch herleefd is uit zijn verdeeldheid en zijn verdrukking?

Zegt men dat in Italië een veel solieder grondslag bestond voor een eenheidsstaat, dan moet men toch ook ten voordeele van de Grieken het een en ander bijbrengen, juist waar zij te kampen hebben met de herinneringen aan eeuwenlang gedragen ellende en vernedering. Zij zijn hun middeneeuwen nog niet te boven, 't is waar, maar welke vorderingen hebben zij in de laatste tien jaren niet gemaakt, welke volharding hebben zij niet getoond in het verbreiden van een letterkundige taal die de band zal wezen tusschen alle Grieken, en hoe flink hebben zij zich gehouden in die enkele dagen dat zij nu op Creta zijn. Zij hebben een vloot; en al liet Europa hen eens alleen tegenover de Turken, met die schepen zouden zij een revanche kunnen nemen wanneer het Turksche leger, zooals ongetwijfeld het geval zou wezen, hun te land de nederlaag deed lijden. De oude tijden van de Perzische oorlogen zouden weder nieuw worden. Wat kan Griekenland meer verlangen? En kon het Grieksche volk, wanneer het de behoefte voelde als volk heusch te leven, wel anders handelen dan het op Creta gedaan heeft

[p. 583]

toen het de mogendheden hun wijze hoofden bij elkaar zag steken, om Turkije te hervormen, te hervormen, te hervormen? ‘Wij zijn er ook nog, en wij, in de eerste plaats, hebben met het Griekenland buiten de grenzen van het kleine Griekenland te maken.’

Griekenland kon niet anders zeggen en doen, wanneer het zijn aanspraken op een toekomst - en een volk moet om te leven iets vóor zich hebben - niet op wilde geven.

Ik kan dus met de daad van het Grieksche volk meegaan, uit een artistiek meegevoel, om 't zoo te noemen, zonder een oogenblik te vergeten welke ernstige gevolgen die handelwijze kan hebben...

En hier kwam weer het bedenkelijke gezicht van den diplomaat te voorschijn.

- Niet dat ik zoo bang ben voor een beweging onder de Balkanvolken. Zoolang Rusland en Oostenrijk eensgezind zijn zullen de Serviërs en de Boelgaren niet veel van zich laten hooren, of ze moesten een wenk krijgen uit St. Petersburg of Weenen. Maar er is een ander gevaar. Houdt Griekenland vol en moet het gedwongen worden, dan komen de regeeringen van het Westen van Europa, ik bedoel van Frankrijk en Engeland, in conflict met de publieke opinie van hun landen.

Die strijd kan voorbijgaand wezen, maar hij kan ook aanhouden, hij kan de regeering verzwakken en ondermijnen of een ministerie doen vallen. Vergeet daarbij niet dat het de groote financiers zijn die de Turksche macht in Europa willen ophouden en dat de sympathie voor Griekenland versterkt kan worden door den steun van al wat zich tegen de groote kapitalisten kant. Wel houdt Duitschland zich nog stil en heeft de keizer zelfs de geheele onderwerping van Griekenland aan den wensch der groote mogendheden als een eisch gesteld. Maar dit voortdurend persoonlijk optreden van den keizer, die als een sergeant de onfatsoenlijke bewegelijke Grieken wil drillen, heeft zijn gevaarlijken kant. Een keizerwoord is te luid in de diplomatieke wereld. Er zijn posities die men moet kunnen opgeven, des noods, en waaruit een vorst niet terug kan. Dan zal er een plotselinge omkeer in de publieke opinie plaats grijpen, en de tijden keeren terug van den eersten Griekschen vrijheidsoorlog, toen de regeeringen reactionair en de onderdanen liberaal gezind waren en er telkens revoluties dreigden en uitbraken.

Want ten wiens behoeve wordt de toestand in het Oosten voortdurend slepend gehouden?

Natuurlijk ten voordeele van Rusland dat alleen thans nog niet zijn macht geheel kan doen gelden over de Osmaansche monarchie omdat het nog te veel beziggehouden wordt in het Oosten van Azië. Met ieder jaar dat Rusland wacht groeit de portie aan die

[p. 584]

het van Turksch gebied kan vermeesteren. Nu zou het 't overige Europa nog niet aankunnen; over vijf en twintig jaar stelt het aan Europa de wet.

En 't is een uiterst curieuse zaak dat het nerveuse volkje van de Grieken, het eenige onder de volken van Europa is met politiek instinct begaafd, om dien gang der dingen te bespeuren en te gevoelen: nù of onze kans is verkeken.

Zal hun krijgsdans op Creta maar een vertooning blijven of een voorspel zijn?

Ik spreek nu eenvoudig als een nieuwsgierige, zei de diplomaat, vertel het niet verder.

 

B*.

prepostterug  begin  verder