terug  begin  verderprepost
[p. 1]

Metamorfoze.

Eerste Boek: Het boek van Torquato Tasso.
Tweede Boek: Het boek van Mathilde.
Derde Boek: Het boek van Nirwana.
Vierde Boek: Het boek van Anarchisme.
Vijfde Boek: Het boek van Metamorfoze.
METAMORFOZE.

-... Je verbergt je achter je woorden: je wikkelt je in je stijl als in een mantel.
- Neen. Ik leef een metamorfoze. Meer niet. Ik geef mezelf zóo weinig, als ik waarlijk ben, in mijn boeken, dat mijn lezers er nooit Hugo Aylva in zullen zien. Ze zien nooit meer dan een zielgenoot. En al zoû ik nu eens schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was: al zoû ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zoû niet ik zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zoû een roman blijven, niets dan een roman, en zich nooit realizeeren tot autobiografie...
V. Het Boek van Metamorfoze I.

I.
Het boek van Torquato Tasso.

I.

Het leven, zooals Hugo Aylva het zag, en de wereld, zoo ver hij ze zien kon, ze bloeiden jong in hem op, in zijn eigen jeugd, in al het jonge Aprilgeblader van het vroege voorjaar in de wemelgroene Boschjes. Terwijl hij wandelde, was dat als een wijde droom om zijne jeugd heen: de beko-

[p. 2]

ring van alle de heele kleine frissche groene loovertjes, die als zichtbaar ontloken tegen een ongewone ijlheid aan van doorzichtige lentelucht. Ze wemelden weg in de kleine kronkelverschietjes der paden, en de vogels begonnen, nog zomerschuw, te tjilpen met zachte geluidjes...

Hij zocht de eenzame wegen en, in het geheimenis van het nieuwe voorjaar, voelde hij, zoo vreemd, in plaats van twintig, zich zestien, een jongen nog. Zijn doellooze pas werd vlugger en hij zette zijn hoed achterover en de gewone somberheid in zijne oogen verglom in den jongen zonneschijn, en hij glimlachte zonder te weten. Het was of de jeugd van de lente zich spiegelde in zijne ziel weêr, in zijne jongensziel, die hij zóo licht in zich voelde, als was het hare vrije wil, dat ze was in hèm, als een glans, dien hij meêdroeg en die niet woog.

De dag was mooi; zoo frisch en wemelgroen waren de Boschjes - en, náuwlijks zag hij de enkele menschen, die gingen: een wandelaar... een dame met hellen parasol... een Scheveninger; nauwlijks zag hij ze, - en zóo licht was zijn ziel, en hij dacht... hij dacht nog op het rythme van zijn pas geschreven verzen en voelde ze zingen tusschen de blâren, met het vogelgetjilp er tusschen.

In zijn wandelpas kwam als de cadens der terzinen; hij voelde de rijke monotonie der jamben; en terwijl hij zijn laatste terzet in gedachte herhaalde, voegden van zelve de volgende, nieuw nu geboren wordende, regels er zich aan toe, als een flonkerende beek, die van zelve verder vloeit, in de lente.

In zijne gedachte sloeg het rijmwoord klankvol weêr op het slot van den voorlaatsten regel, en het vers deinde op en neêr, op en neêr, zachtjes aan hooger, of het zwol op een adem, die het uitblies naar de kleine verre wolkjes toe... Toen was het in eens of het stilhield, daar, in het ijle van blauw; en of het nooit verder zoû gaan; want het vers, dat komen moest, kwam niet; het derde rijmwoord bleef uit, en het verschiet der verzen, hun toekomst, was zóo geheel donker als een nacht, éen stipje pikdonkere nacht in het lichte en luchte van hemzelven...

Aylva zag om zich heen; het was alles zoo mooi en zoo jong; hij zoû nu niet langer denken aan de toekomst van zijn vers, aan zijn derde rijmwoord. En zonder te weten

[p. 3]

weêr lachte zijn mond; hij verhaastte zijn pas, expres om kwijt te raken den zang der terzinen, die, als een obsessie, dreunde door geheel zijn jonge lichaam, door zijn gebaren van slingerende armen en het zwaaien van zijn stok. Hij trad uit zijn droom en nu was het hem zoo lief en natuurlijk, dat het weêr zoo mooi was, zoo lief mooi, en dat hij daar liep en dat daar de duinen waren en dáar de zee...

Een teêr gevoel van liefde voor zijn land, van liefde voor zijn taal, werd als een sluimerend kind glimlachend in hem wakker: zijn land, dat hij niet verder zien kon dan die duinen en die zee; zijn taal die hij maar hoorde in het verre aangeruisch van golven, in het daverend zingen in hemzelven.

Zijn jeugd was voor hem als een lang en blond verschiet, waar ver-in hoog-groote voornemens zichtbaar stonden als torens, die hij moest bereiken; kasteelen, die hij in zoû trekken; tooverpaleizen in fabeltuinen, dat alles lichttrillend vizioen in taal, aanklinkend en opschemerend in het perspectief van zijn jonge jaren, die nog komen zouden, langzaam aan...

Aylva had geen verre wandeling in zin gehad, alleen een even wegrennen in buitenlucht na twee uur zitten aan zijn tafel. En zoo, in eens, òp die duinen, voor zich de zee, verlangde hij ze terug te zien, zijn verzen pas geschreven, te zien zichtbaar met de violette inkt op de ontvankelijke blankheid van papier. Hij ging naar huis. Een tien minuten loopen, vlug loopen, buiten adem rennen, door de jonge lente heen, waarin de loovers wemelden, de vogels tjilpten, in het kristalleklare zonnelicht. Om hem werden de Boschjes meer werkelijkheid, stonden nu reëel de villa's op; de villa's van het Stolkpark... De wandelaars gingen er als menschen, en zagen hem aan, misschien omdat hij lachte zonder te weten; bij de Waterpartij ontmoette hij twee dames, die hij groette: mevrouw Van Neerbrugge, vriendin van zijn moeder - en haar dochtertje Emilie...

Daar, eindelijk, was de kleine villa, waar hij woonde met zijn moeder: een heel klein huisje aan den weg, met ijzeren hek, waarom een klimroos, ijl van blaadjes nog, begon te ranken; in de open voor-verandah rieten stoelen, en langs de trappen enkele Japansche blauwig-groene porceleinen potten, staande op hun voetstukken à jour, met al bloeiende azalea's, roze, witte, roode... En tusschen de nieuwe bloemen, onaan-

[p. 4]

raakbaar teêr, pas een paar dagen geleden om de vreugde van het voorjaar daar gezet, zat mevrouw Aylva, die tot hem knikte, toen hij opengooide het hek, knarsende van roest der hengsels....

- Waar ben je zoo in eens naar toe geweest....?

- Gewandeld!

Hij riep het haar toe en zwaaide met de hand een groet, lief en familiaar, en achter het huisje om, liep hij naar zijn kamer, waarvan de deuren openstonden. In een warme verwachting sloeg hij zijn portefeuille open, nam de bladen er uit, las staande.... Een paar regels vloeiden, rijk met donkere woorden, als een opglinsterend water - in een nacht, - dat luide kabbelt. Daarna werd het lichter, niet zoo fluweelzwart en kristallig zilver meer, maar groen als vlak geslepene smaragden.... Maar zoo, zoo was het toch niet goed?! Die laatste regel daar klonk om de pracht van dat smaragd alleen, klonk om de rijkheid van het slot-accent van vreemde rijmwoord, met somptueuze zekerheid sluitend als juweelen slot. Maar 't mocht zoo niet. De teedere gedachte was er onder weggezonken, weggevlucht, gefladderd. Geïncrusteerd met gemmen, lag het vers nu dood, versteend tot dood juweel. Hij voelde het. Het zette zich en nam een pen. Hij dacht aan Leonore, aan Leonore d'Este, aan hare ziele van prinses uit rijk Italië van Renaissance. Hij wilde hare ziel alleen, zonder de gemmen. Maar, als fatale steenen, waren niet de gemmen weg te werken, juweelen doodsbeklemming om het vers... Het vers bleef dood. O, waarom had hij dat dan niet dadelijk zoo gezien! Zoo zalig was hij eerst geweest; zich moêgewerkt, weggeloopen in de lente, dolblij en jong. En nu, nu lag zijn vers daar dood, als in een wade van brokaat, dat stil nog flonkerde; gebalsemd in een geur van taal, die het verstikt had als met te sterke aromaten. Dood lag het, dood! En Leonore, Leonore d'Este, de teêre schijnziel, transparante vrouw, schim van prinses... verder, verder van hem ging ze staan, niet meer te bereiken met zijn woorden, waarmeê hij haar alleen omvatten kon, alleen toch maar met woorden...

Droeve treurigheid kwam in zijne oogen; bittere trek om zijn mond. Hij legde neêr de witte bladen met violette woorden, hij sloot zijn portefeuille, en heel stil, angstig, ging hij zitten op een stoel, bij de open deur... Búiten, was het de

[p. 5]

lente, jong en transparant, zooals ze enkele dagen zijn kan, in Holland. De kastanjes hadden al groene vlaggetjes, maar nog niet uitgespreid; de latere nog maar groote gouden knoppen.... Kristallen zonneschijn vloot zoel aan uit de blauwe, wolkjeswitte lucht. Uit d' anderen tuin, om de andere villa klonken stemmen, gelach. Op den weg ging een rijtuig ratelend voorbij op pas geleide knarsend voorjaars-grint, en op het achterpad, achter den tuin, zag hij de silhouetten van twee fietsers, scheren langs het hek. Maar angstig bleef hij zitten, heel stil, en tuurde. Weemoed was nog niet zijn angst; eer bitterheid, maar vrees vooral: en vage twijfel...

II.

Stappen over het grint....

Een schaduw voor hem, tusschen zijn peinzen en den tuin...

- Dag...! Wat heb je nu weêr uitgevoerd? Wat zit je nu weêr te suffen?

Dat was Herman Scheffer, die kwam altijd om vier uur, half vijf. In éen enkel oogenblik vulde hij de kamer met heel veel drukte van gebaren, gooide zijn hoed neêr, zette zijn stok, die kletterend gleed, smeet een paar boeken op tafel.

- Ik heb Zola meêgebracht!

Hij wees op de gele deeltjes. Aylva strekte zijn hand uit.

- Wat?

- ‘La Fortune des Rougon’; ‘La Curée.’ De eersten van den ‘Rougon-Macquart’... Beginnen met de eersten!

Samen zouden zij lezen den cyclus van Zola. Een paar jaar geleden nog op de Hooge-Burgerschool en toen al vrienden samen, hadden zij alleen maar gesnuffeld in ‘Nana,’ voor de vuiligheid, zooals zij, vroeger nog, vuile woorden zochten in hun dictionnaires. Het was toen in die jaren, dat men van Zola niets wist dan dat hij ‘vuil’ was, en geschreven had ‘Nana’ en dan nog enkele andere ‘vuile’ boeken, in die zelfde manier. Dat was zoo de vage legende, die bleef. Maar nu wisten zij beter...

- Wanneer lezen? vroeg Herman Scheffer. Nu? Of ben je niet in een stemming: dan niet... Heb je het land?

- Een beetje: over ‘Torquato.’

- Ben je niet tevreden? Ik vond het verleden heel mooi: zoo rijk en zoo vol.

[p. 6]

- Ach, rijk...

- Je moet denken uit de Renaissance: rijk mag het zijn...

- Maar, niet zoo: zoo wil ik het niet...

- Lees eens voor...

- Neen!

- Toe kom!

- Neen, neen, het is zóo slecht...!

Hij sloeg met zijn vuist gebald op de portefeuille, woedend op ‘Torquato Tasso.’

Maar Herman Scheffer wilde hooren. Aylva las. Om zijn eigen twijfel dreunden eentonig en mat de terzinen, te angstvallig vol zuiver gebouwd, dreunden ze voort met een monotonie der drie rijmwoorden, die bijna vervelend terugkwamen, gemaakt, gewild terwijl buiten in den tuin de lente zoo eenvoudig was.

- Heel mooi! zei Herman Scheffer, toen het uit was.

Hij vond dat niet geheel en al, maar toch nog wel genoeg om het zoo even te zeggen.

- Neen! hield Aylva vol. Slecht is het: daar...!

Hij verscheurde de bladen, de drie laatsten.

- Kerel!

- Jasses neen: het is zóo slecht...! Weet je - en hij riep met een plotseling blijde stem:

- Ik doe het heel anders! De eerste zang: die is nu ook verschenen in ‘De Gids’; die blijft zoo; die is goed; maar hier deze tweede, die moet in blankvers, en de derde: de derde in ottave-rime!

Hij had het gevonden.

- Het heele ding in terzinen is slecht! De derde in ottave-rime, dan de vierde weêr in blankvers, en de laatste: ‘San Onofrio’ in terzinen, met een ènkel sonnet gesloten, zooals de eerste zang ook begint met een sonnet... Zoo zal je zien, dat het goed wordt!

Hij was blij opgestaan, met groote geestdrift, met groote jeugd. Vóor hem, als etherisch luchtpaleis met muziekklinkende kolommen van rythme lichttrilde de ideale bouw van zijn dicht, en Leonore d'Este glansde zoo na, als kon hij haar raken...

- Mooi zoo! riep Herman Scheffer; hij had zoo van die korte uitroepen, kort en brusk, vol vive overtuiging, zooals hij heelemaal was: een groote stevige jongen, kort en brusk

[p. 7]

en vif, met veel plotseling enthouziasme en drukke impulsie.

- En lees nu nog eens je ‘Aminta’ voor! riep hij met een blijden zwaai van zijn hand.

Dat was de eerste zang van ‘Tasso’, verschenen in ‘De Gids’. En Aylva was van deze terzinen wel heel zeker, want nu hij ze las, klonken ze op, glasteeder en volmaakt, zooals van snaren van violen: Aminta...

Buiten, in den tuin, ging de dag, de vroege lente slapen als een moê gespeeld kind.

En een belletje klonk, huiselijk signaal. Aylva las juist de laatste verzen.

- Uit! riep hij moê, blij. Ja, de ‘Aminta’ is heusch nog zoo kwaad niet...! Blijf je eten? Ze hebben geluid: dan lezen we van avond Zola? Ik moet Torquato een tijdje vergeten!

Dien avond na den eten begonnen zij Zola.

De poorten van een nieuwe kunst gingen wijd voor hen open. Om beurten, in de kleine kamer, gauw benauwd van gas, lazen zij met wijding en heel plechtig, met enthouziasme, en de dankbaarheid van hunne jeugd. Zij zouden dikwijls later denken aan dien avond van revelatie, toen de nieuwe vizies voor hen openweken... Zij lazen in een koorts, met brandende slapen, met gloeiende oogen. God, wat was dat mooi, en goed, en waar! Om ook eens zoo te doen, om ook nog eens zoo alvolmaakte kunst te geven!

Zij dweepten, en een jonge jalouzie was onbetoombaar in hen. Zij redeneerden druk, zij vertelden elkaâr hunne plannen: Aylva zoû maken een serie van historische gedichten; Scheffer een cyclus van sociologische romans... In hun jonge eerzucht benauwden hen de muren van het kleine kamertje.

Aylva opende de deuren: iets van den avond vloot naar binnen; iets van hun interieur, in licht van gas, dreef naar buiten, met schijn over den tuin. Het buitengeluid - het ver-affe getingel van trams - kwam oneigenlijk tot hen toe.

Zij ademden diep op... Zij gevoelden hunne jeugd stroomen door hun aderen: hun leven was lang en licht vóor hen; hunne illuzies waren als lichttrillende kasteelen in verte, wegnevelend in àl te hellen glans. Toen zij - moê van hunne stemmen, in hunne kelen droog - eensklaps, verschrikt om zichzelven, zwegen, zagen zij elkaâr met glinsteroogen aan...

De nacht was héel stil. Het was zeker heel laat. De trams

[p. 8]

tjingelden niet meer. In de kleine villa was alles rustig, als in slaap, en gesloten.

Herman Scheffer ging op de teenen het grint over, het hek uit. Aylva sloot de deuren van zijn kamer. Met een kaars sloop hij naar boven, zacht, om zijn moeder niet wakker te maken. De trap, die kraakte, deed hem trillen in zijn overspannen zenuwen...

- Hugo!

Een zachte oude stem riep.

- Ja, mama...

Zij sliep dus nog niet. Hij opende een deur en diep in de kamer, uit een donker alkoof, vroeg de stem:

- Hugo... heb je goed gesloten, mijn jongen?

- Ja, mama.

- Heusch, niet waar?

- Ja, ja, u kan er op aan.

- Geef me een zoen...

Hij zette zijn kaars, naderde het ledekant, boog zich over het vaag witte gezicht op het witte kussen.

- Zal je nu rustig gaan slapen?

- Ja.

- Niet meer lezen?

- Neen, neen.

Hij kuste haar met teederheid, maar zij hield nog zijn hand vast en voelde met de andere aan zijn wangen:

- Je bent nog zoo warm....

- Neen, heusch niet...

Toen liet zij hem maar gaan, met nog een zoen, maar in twijfel of hij wel zoû gaan slapen, of hij nu wel slapen zoû... En toen hij weg was, bleef zij wakker, hooren naar de stilte van het huis, in twijfel...

Hij, Hugo Aylva, lag onbewegelijk, de oogen open, en vóor hem, terwijl de stem van Scheffer aan zijn ooren ruischte, glimlachte Leonore d'Este...

 

III.

Al dikwijls was Hugo Aylva een dagboek begonnen. Maar hij had het telkens weêr verscheurd. Hij vond niet belangrijk genoeg, wat hij schreef, en eene schuchterheid weêrhield hem

[p. 9]

telkens te schrijven wat belangrijk was. Noch de feiten in zijn leven, noch zijn jonge overpeinzingen dachten hem belangrijk om in zichtbaar woord gesteld te worden. En het speet hem, dat hij nooit tot dat zichtbare komen kon: uit een gevoel van orde om netjes toch te boeken wat hem betrof, en het vóor zich te zien, als het een tijd geleden was. Die orde was hem vreemde behoefte, zoowel in zijn kamer als in zijn denken, als in zijn leven: de kleine en groote dingen ervan. Het was een practische leukheid aan de weêrzijde van zijn gemoed als artist, weêrzijde van zeer gewoon mensch: die zich niet hooger stelde boven de velen. Die gewoonmenschelijkheid was groot in hem en toch, wie den eersten zang van zijn ‘Torquato Tasso’ las en verder niets van Aylva wist, zoû het niet zeggen. Die eerste zang - Tasso in zijn eerste jeugd, zijn eerste gouden geluk, schrijvende het herdersspel, dat Ferrara's aandacht op hem zoû vestigen; met een gefantazeerde aanleiding: verbeelde eerste-liefde van den dichter: landmeisje, dat het origineel van Aminta zoû zijn - die eerste zang was zóó weinig gewoon-menschelijk, zoo hoog koud voornaam van gevoel, zoo bijna gemaniëreerd fijn bewerkt van uiting, zoo ingewikkeld van rythme in terzinen-motief, dat het een dichtkunst scheen voor een elite van maar enkele artistieke fijnlezers... Geen poëzie voor het publiek, dat had men gezegd; en dat wilde Aylva ook niet; maar toch, dit wilde hij ook niet. Kwam in de ‘Aminta’ de voorname koudheid van gevoel om zijne practische leukheid van orde, die nooit éen hartstochtelijk toeval gedoogde? En waarom ging zijn natuur, zijn beminnelijk-gewone menschelijkheid zoo schuil onder al zijn goudsmeêwerk van taal...?

Hij voelde het vaag; hij kon het zich niet verklaren. Hij was twintig jaar; hij schreef met ernst en met liefde, zóoveel ernst, zóoveel liefde, dat vóor hem de kinderen van zijn lied - Tasso en Aminta - leefden op den luchten adem van terzinen, hij ze gaan zag, gedragen op de voeten van het rythme, bij elk akkoord van rijmwoord elkaâr beminnend met een hoog groot gevoel van waarheid: hij, een dichter uit ver geleden Renaissance; zij, een vage herderin... Hij, Aylva, hij was twintig jaar, en dat zijne verzen niet schenen wat zij waren voor hem, dat zij niet gaven, wat zij, ongeschreven, zoo vol bevatteden voor hem, hij voelde het maar vaag;

[p. 10]

verklaren kon hij het zich niet. Hij leed er onder zeer veel, en dat de menschen hem bewonderden, al noemden zij ‘Aminta’ ook hoog, koud en voornaam, het troostte hem maar weinig. Want eerzucht was zoo klein in hem, dat zij nooit troosten zoû voor werkelijk leed, en dit, dit leed - dat hèm zijn verzen niet voldeden - was werkelijk in zijn ziel. En dat zijn eerzucht nooit zijn troost zoû zijn, had hij gevoeld, toen Herman Scheffer hem gebracht had de eerste recensie van ‘Aminta,’ Vlugmaar van Vosmaer, die het niet te veel lof had gedacht zijn vers te vergelijken bij Hooft, te zeggen, dat door ‘Aminta’ voer een adem van Italië...

Hij had gestaard op het artikel, dat niets bedoelde dan lof, en vreugde om een nieuwen dichter, een edel dicht. Hij had er op gestaard, omdat hij lang verlangd had naar zoo iets: lof van hoogen kunstkenner. En toen hij gestaard had en gelezen en overgelezen, was dofheid in zijn ziel gezakt - misschien om eigen onvoldaanheid, altijd desilluzie over wat verkregen is, en hij had gedacht, heel stil en treurig-moedeloos:

- Is lof... niet meer dan dit...?

In het diepst van zichzelven bleef hij er koud om.

En die koude maakte hem moedeloos, al kon hij nog niet weten, dat koude veel zijn groote kracht moest zijn...

Dikwijls, in zijne behoefte aan levensorde, was hij dan weêr begonnen aan het eerste nieuwe blad van een nieuw dagboek, als om zijn vage spleen op te ruimen met het te boek stellen ervan; een spleen, die als een modder lag onder in zijn ziel; daarboven klaar water, klare lucht. Zachte melancholie om zijn izolement - alleen-zijn in zichzelven en het leven. Als kind, in Indië, had hij zich alleen gevoeld, jongste van oudere broêrs, zusters, nu verspreid en gestorven; zijn vader, rezident, verloren in drukte van ambtsbeslommering; zijne moeder met liefde ziende op hem neêr, maar, in haar eenvoud, niet bevroedend, dat in Hugo school een leven vreemd, en weinig kinderlijk gewoon, de dingen schouwend in een magisch licht van werkende verbeelding. Omdat het kind geen weêrklank had gevonden om zich heen, was het zoo zachtjes aan geworden stil, gekeerd in zichzelven, meer levende in zijne fantazie dan in de rulle waarheid, een weinig angstig voor die waarheid, die hard aanvoelde en grof sprak in tropische zon om zijn ziel, waarin

[p. 11]

de zachte tinten waren van een droom, met sterk verlangen naar groote sympathie. Zijn kinderjaren waren niet geweest zonder liefde, maar eenzaam, en zij hadden hem gegeven de melancholie, die eenzamen kinderen altijd bijblijft, altijd later.... De groote sympathie was niet gekomen....

En al waren zijne kinderjaren glad geweest als effen paden, zij lieten toch altijd de herinnering in hem achter aan een weemoed, dien hij niet duidelijk wist waarom: een weemoed, in de zon....

IV.

Die jaren waren vaag....

Hij had maar enkele souvenirs. Dat hij eens had gekibbeld met een ouderen broêr, dat hij heel hard was gaan huilen, en toen zijn oudste zuster hem genomen had op de knie, met de zachte woorden, waarmeê men een kind troost, en hem had laten zien platen in een Bijbel van Doré. En hij had verwonderd naar haar opgekeken, omdat zij zoo lief was....

Dat eens een oom, die paard reed, in een koffietuin op de bergen, - met verschieten van blauw achter groene kampongs, - hem genomen had vóor op het paard en hem had laten rijden, vroolijk doende en jolig om het kind te amuzeeren.

Dat eens zijn moeder, wie hij het vroeg, geen tijd had gehad hem iets voor te lezen en te zeggen wat het plaatje er boven beduidde. Nu had hij zeer, met groote liefde, zijn moeder lief, nu zij samen woonden alleen. Die liefde was niet dadelijk geweest, was langzaam-aan gekomen, toen hij ouder werd en haar begreep, hoe goed zij was - niets dan een moeder voor hare kinderen, - een tijgerin voor hare welpen, zooals zij wel eens zelve zeide, uit gekheid. Toen hij die liefde - eeredienst, die altijd blijven zoû - het eerst zoo heel diep had gevoeld, toen was hij weêr begonnen aan een dagboek: het duurde een paar maanden, toen werd het weêr verscheurd.

En van zijn eersten schooltijd - in Holland nog - was ook dit herinnering: zijn wanhoop om den eersten middag, dat hij blijven zoû, en op het bord een eindelooze som, immens groot, vermenigvuldiging, die wit beschreef met groote cijfers het heele bord, en die nooit uitkwam en die hem zweeten had gedaan en hijgen, den dag héel warm buiten....

[p. 12]

En de eerste vriendschap, in Indië: een jongen naast hem, een jongen blond en aardig, met blonde krullen, een bedorven kind, aan wien hij mooie knikkers gaf en lange griffels; die eens was heel lang ziek geweest, bijna gestorven, en toen op school terugkwam, lang, bleek en heelemaal veranderd en lang niet aardig meer....

En ook een groote boom in den tuin van het school, met ontzettende vlammende roode bloemen, een zoogenaamde ‘flamboyant’, en waarin hij klom en zat tusschen de knoesten van de takken, als een bloemenkoning in een sprookje.

Vaag dwarrelden die herinneringen nog in hem rond, van de meesters, die hij mocht, en de meesters, aan wie hij het land had; van de opstellen, die hij gaarne maakte; de algebra, die hij niet begreep; van het lange vrije spelen in den grooten tuin, met het baarspel: twee partijen, en die van elkaâr een vlag moesten veroveren met telkens hard heen en weêr loopen, van en naar hun lijn terug. Die Indische schooltijd met die lange speeluren, die heerlijk waren als buitenpartijen, ze waren het liefste herdenken uit zijn kindertijd: eene vroolijkheid in de melancholie ervan. Omdat hij een Hollandsch kind was, geboren in Holland, hadden zijne Indische jaren altijd iets exotisch' voor hem behouden, iets niet eigenlijks, als was hij maar op reis geweest; zoo aardig, om dat blonde vriendje, dien vlammenden boom met roode bloesems, die ongelooflijk lange speeluren, dat opwindende baarspel: reusachtig schaak in open lucht. En de Chinees, die stilletjes bij de heg van den tuin witte ronde koekjes verkocht, op krediet van een kwartje, koekjes, wit van klapper als sneeuw, en, beet je er in, druipend van Javaansche suiker....

Aylva was gebleven altijd een Hollandsch kind, dat onder de bekoring van zoo een Indisch kinderleven was, als onder iets, dat niet zoû blijven, dat spoedig zoû voorbijgaan, omdat het veel te aardig was om lang te duren.

Toch had hij weemoed soms gevoeld naar Holland, naar ijs en sneeuw, naar sombere luchten zelfs, maar die weemoed had maar aangezweemd zijn kinderverlangen als hij hoofdpijn had gehad, van de warmte. En toen hij, na den dood zijns vaders, met zijne moeder, twee broêrs en een zuster, - de anderen verspreid, getrouwd, gestorven - terug was ge-

[p. 13]

keerd naar Holland, naar den Haag, toen voelde hij, dat hij nooit genoeg gewaardeerd had de aardige Indische jaren: het blonde vriendje, den rooden boom, het vroolijk baarspel. Wat was het klein, het huisje van mama; geen eigen-rijtuig meer, geen bendie met den kleinen vos, dien hijzelve mende naar school; twee meiden maar in plaats van tal van baboes en ‘jongens’; een hokje van vierkanten tuin, bespottelijk om er in te planten, en de school, de Hooge-Burger- - in Indië heette het ‘Gymnazium’ en zij droegen blauwe uniform en gouden pet! - benauwd, soms te koud, soms te warm; de jongens niets aardig, een beetje hummig, ongewasschen, burgerlijk, en die niets wisten ‘van het leven,’ zooals de jongens in Indië. Die daar, dat waren heertjes, ze rookten strootjes en soms fijne sigaren; ze waren verliefd, met heele intrigues, op meisjes, en waren ze vijftien, zestien, dan waren ze mannen; dan wisten ze en deden ze van alles! En dezen: ze kwamen saai naar school, ze gingen saai naar huis, hun handen in de zakken van hun schamele overjasjes: er was niets aardigs aan.

Hij miste veel, dien eersten tijd. Hij miste hun groot marmeren Indisch bad en hij was eens - een jongen al van veertien - komen huilen bij zijn moeder, omdat hij heusch zich niet kon wasschen aan zoo een Hollandsch waschstel! Hij miste zijn groote kamer, die heerlijk uitzag op de witte kemoenings, de roode kembang-spatoe's van den zijtuin van het rezidentie-huis en in zijn nieuw kamertje had hij geen plaats voor zijn prullen en snuisterijen. Hij miste de dagelijksche buitenpartij: het lange uur van ontspanning, en op de school, benauwd en heet gestookt, werd hij zoo suf, dat hij niet leeren kon. Iets sluimerde in hem in, verdoofde in hem; er kwam in hem iets bitters; iets dat neêrzag met minachting op alles wat van Holland was, omdat het was zoo klein, zoo burgerlijk. Hij had soms, wat hij vroeger nooit had, harde woorden tegen zijn moeder, standjes met zijn broêr; met zijn zuster sprak hij eens niet een heele maand lang. Hij was eerst, vóor Indië, een heel stil kind geweest, verwonderd blij om beetje sympathie, als dat hem naderde; toen, in Indië, blij, jong, vroegrijp en gauw bedorven door ruimte, zon en weelde; en nu, nu werd hij, in de engte van het weêr Hollandsche leven, in de kleine ka-

[p. 14]

mers, weêr stil, verloren in zichzelven, en daarbij bitter en geërgerd. Het was zoo duf, zoo saai, zoo grauw! Hij sloot geen vriendschap, en al zijn luchtige Indische schoolvriendschapjes nu, hij miste ze en betreurde ze al met dien weemoed, waarmeê hij later altijd betreuren zoû:

dat wat hij had gehad en nooit genoeg had gewaardeerd.

V.

Toen voelde hij al, hoe gauw het leven gaat voorbij.... Wat waren ze aardig geweest, de Indische jongens met hun uniform en gouden pet, hun strootjes en hun mond vol wijze woorden ‘over de vrouwen.’

Neen, hij sloot geen vriendschap. Hij ging alleen naar school, alleen naar huis. Soms liep een jongen meê, maar hij moedigde hem niet aan en hij dacht dan:

- Nu, dat zal wel niet lang duren, die ‘vriendschap’...

Ook toen Herman Scheffer had gevraagd:

- Hoe ga je?

- Over het Voorhout....

- Nou, dan loop ik met je meê!

had Aylva gedacht:

- Dat zal wel niet lang duren, die ‘vriendschap’....

En hij was koeltjes tegen Scheffer. Toch, Scheffer had iets flink gezelligs, iets heel anders dan hij: bleek, blond, niet sterk, een beetje laatdunkend, kwalijknemend of hij altijd werd te kort gedaan, met koele, donkere oogen, en weinig woorden. Scheffer was luidruchtig, breed en joviaal. Maar Scheffer was niet burgerlijk en liep niet, als een klerk, in zoo een schamel jasje, met een te korten broek en roode winterhanden. Scheffer was aardig, brutaal, met brutale schouders en brutale oogen, die overal keken heen. Hij hield wel van Scheffer, maar wantrouwde toch hun vriendschap. Want dit kwam ook reeds in hem, zoo goed als: het betreuren wat hij had gehad: het afrekenen met wat niet kan of is geweest; en met Scheffer rekende hij al af, vóór nog hun vriendschap uit was.

Niet omdat hij koel was; omdat hij nog niet kòn gelooven aan de eerste ‘Hollandsche’ vriendschap, die hem naderde....

Zij woonden dicht bij elkander, Aylva toen in de Anna-Paulowna-straat en Scheffer in de Laan-van-Meerdervoort; en

[p. 15]

zij namen de gewoonte aan samen te loopen van en naar school. Soms dacht Aylva aan wat Scheffer in hem vond, om zich tot hem te voelen aangetrokken: hij had dit gaarne geweten. Er was in hem die ijdelheid: precies te willen weten waarom iemand van hem hield. Hij voelde zich nog koel ten opzichte van Scheffer, uit wantrouwen om de duur van wandel-vriendschap; uit vrees zich te moeten hechten, om niets. Maar eens was Scheffer drie dagen weg gebleven, en niet geweest op school. Het had Aylva verwonderd waar Scheffer bleef, maar hij was hem niet gaan zien. Toen hij Scheffer terug zag, werd die boos.

- Hadt je niet naar me kunnen vragen?

- Wat was er dan?

- Wel, ik was ziek, ik lag in bed. Ik moet zeggen: 't is aardig van je!

En dat Scheffer boos werd, deed Aylva inzien, dat hunne vriendschap toch heusch wel vriendschap kon zijn. Het streelde hem, dat Scheffer boos was. En sedert voelde hij meer voor Scheffer en het werd sympathie tusschen hen, van twee kanten. Zij kwamen iederen avond bij elkaâr, werkten samen, lazen samen, aan éen tafel. Ook Scheffer vond de meeste jongens flauwe kinderen en Hugo vertelde dan van Indië. Zij spraken beiden over hun toekomst, zij wilden beiden boeken schrijven, later. Zij filozofeerden druk over God en het Hiernamaals. Scheffer was zeer pozitief en atheïst en dweepte met Multatuli. Aylva was zeer metafyzisch en hield niets van Multatuli; hij had iets zachts en rustigs, bang voor revolutie, groote woorden, zwaaiende gebaren. Zoo was Scheffer: revolutionair, groot en zwaaiend, maar in Scheffer vond Aylva dat goed en harmonisch.

Zij bleven nog een jaar samen op school; toen deed Scheffer eind-examen, Aylva niet. Hij wilde vrij studeeren voor zich, in litteratuur-historie, in kunsthistorie, geschiedenis. Zijn voogd, broêr van zijn vader, rezident ook in Indië, vond het niet goed en wilde, practisch-weg, hem liever Indisch-ambtenaar zien worden, maar hij drong er niet op aan, uit onverschilligheid. De beide broêrs van Aylva waren weg, een naar de Transvaal, een naar Amerika, beiden met het vaste plan om geld te maken. Zijne zuster was getrouwd, te Batavia. Alleen bleef hij met zijne moeder en

[p. 16]

het huis werd hun nog te groot; mevrouw Aylva nam een kleine villa, optrekje, achter-af gelegen, in de Boschjes, een buitenkansje - en zij hield nu maar éen meid. Maar Aylva miste minder zijne Indische luxe; hij leefde nu tevreden tusschen zijne platen en boeken, stil in zichzelven wat werkende, zonder veel methode. Hij nam wel privaatles in litteratuur-historie en geschiedenis, maar zijn geest was om te dwalen en wat hij studeerde was minder zich diep inwerken, dan wel plukken hier en daar, van wat hem toelachte. Hij had een vlug ontvankelijk begrip, maar een begrip van dichter en dillettant-in-het-leven, en niet de acute hersenen van studie-mensch. Scheffer veel meer; die wijdde zich een jaar lang nauwgezet aan Herbert Spencer, met veel methode. Hugo, in dat jaar, droomde in zijn tuinkamer, en las er minstens zeven boeken tegelijk, die open lagen op een kleine tafel bij een leunstoel aan de tuindeur. Een deel van Göthe - om toch iets te weten van Göthe. Maar Göthe - misschien om het Duitsch, dat hem zwaar was, of om den druk van het boek - voldeed hem niet. Byron meer: hij dweepte met ‘Don Juan.’ Dan een boek over de Renaissance, een werk over Grieksche sculptuur, een modernen roman, den laatsten bundel verzen. En alles door elkaâr, het eene dwars door het andere heen. En lezende, en droomende, en zalig plukkende zijn gedachten, die opschoten als ordelooze bloemen tusschen het zacht vervloeien van zijn dagen in, maakte hij zijn plannen, zag hij worden zijn liefdedroom van kunst. Als de ijle gestalte, bleek en doorschijnend, van een kind met groote oogen louter geest, zag hij zijn droom voor zich. En hij dacht aan zijn versjes, van jongen, gemaakt in Indië, voor de meisjes met wie hij danste op kinderpartijen; hij dacht aan zijn opstellen van school, die altijd waren goed geweest. Tusschen zijn lectuur en tusschen zijn gedroom, begon het zacht aan te zingen. Hij zat soms uren voor een wit papier, en enkele regels schreef hij neêr, met vaag gevoel van zangerigheid in droomende hersens: buiten, in den tuin, de groenende zomer, of de tooverblankheid van een bosch van sneeuw en rijp. Hoopen verzen schreef hij en verscheurde ze weêr. Vondel hield hem hoog geboeid om zijn machtigen stroom van zangtaal: hij las àlle zijne spelen en begreep niet, dat Scheffer ze vervelend vond

[p. 17]

Maar Hooft was hem nog menschelijker, meer sympathiek aan hemzelven: nieuw en fijn en elegant. Potgieters ‘Florence’ was jaren voor hem het schoonste, wat er in Hollandsch kon geschreven worden.

Intusschen maakt hij maar weinig af, nauwlijks een enkel dichtje, las het Scheffer voor, verscheurde het weêr. Toen boeiden hem Gautier, Leconte de Lisle, Hamerling vooral. ‘Ahasver in Rom’ deed hem een episch gedicht ontwerpen over een onbekenden Assyrischen vorst: ‘Parsondes’. Maar het plan was te grootsch: hij moest het van zich afzetten. Hij zond nu wel een paar verzen aan den ‘Amsterdammer’. Er was iets heel frisch' in, maar toch ook iets niet doorvoelds: een eeredienst aan den vorm. Maar, dacht hij, waarom niet den vorm cizeleeren? Wat kan ik diep voelen? Mijn leven is zoo zacht en kalm, met mijn moeder, met mijn boeken, in mijn stille kamertje! Hoe kan ik nu van hartstocht schrijven?

En hij was te waar te veinzen wat hem onbekend was, en hij cizeleerde zijn vorm, verliefd op mooie woorden, rijkdom van klank, melodie van vers, om de loutere schoonheid van ze, de zinnelijke schoonheid: zooals hij hield van een mooie vaas of een juweel. Maar hij wilde groot doen, en Torquato Tasso doemde bij hem op. Hij dweepte met Tasso, dien hij las in het Italiaansch: hij voelde diepe sympathie, vreemde verwantschap tusschen Tasso en zichzelven....

Was er voorbestaan? Had hij niet Tasso kunnen zijn? En als hij las van Ferrara, Alfonso II, den dichter aan het hof, zijn liefde voor Leonore, zijn smartelijk dwalen door Italië, verguisd, niet gewaardeerd, opgesloten als gek in een cel, jaren lang; eindelijk bevrijd, gekroond op het Kapitool en stervende op San Onofrio - dan voelde hij geheel zijn droomersziel bewegen als met een medelijden voor Tasso en zichzelven, alsof zij beiden éen waren geweest, éen ziel, die zich herscheppen kon in later leven: metamorfoze na metamorfoze.

En hij schreef ‘Aminta’ bang voor zichzelven, bang te laten blijken wat hij dacht, wat hij droomde, in de eenzaamheid van zijn kamertje.... Was het abnormaal in hem, verdooling van zijn geest? Had hij niet als kind vaak gevoeld, dat hij gek kon worden, dat hij wellicht al gek was, omdat hij, toen, ook al dacht zoo vreemd, of hij wel eens kon zijn ‘een ander’?

[p. 18]

Maar in ‘Aminta’, in de pracht van zijn jonge, nieuwe taal, klonk het abnormale niet door en bleef het schuil achter eene koudheid: orde, die iets in het gedicht bevroren hield. Tasso was er in conventioneel poëet; Aminta, herderin, zooals zij zijn in vroegere herderromans, in Scudery en Calprenède. En toch, was de ‘Aminta’ frisch, nieuw, een glanzende belofte. Ze trok de aandacht, in ‘De Gids’, om het geheel onverwachte, de jeugd van den schrijver, die zijne zangen aankondigde:

‘Leonore d'Este,’ ‘Jeruzalem Verlost’, en ‘San Onofrio....’

Voor hij het zich bewust was, en voor hij het verlangde, had Aylva zich iets van een naam gemaakt....

En het verraste hem, als maakte niet hij, maar een ander dien naam....

VI.

Zij lazen nu samen Zola, in hun kamers, in de Boschjes, in de duinen. Zola was hun de immense openbaring, van groot en gezond levensinzicht, van het leven te móeten zien, zooals het was. Er tusschen door lazen zij Balzac, Flaubert, Goncourt, de jongere Fransche naturalisten. Scheffer, die geregeld artikelen schreef voor couranten, tijdschriften, vertaalde fragmenten uit Zola, schreef geduchte artikels, die opzien baarden; zijn naam kreeg een klank van woest omversmijter. Het was even vóor het doen van ‘De Nieuwe Gids’ en toen deze zich in zijn vitale brutaliteit openbaarde, sloot Scheffer zich volgaarne aan. Hij had een minachtenden grinnik voor geheel de bestaande litteratuur en in zijn artikelen wist hij een virtuoziteit van schelden te ontwikkelen, die Aylva verbaasde. Aylva was het niet sympathiek, dat ranselen om zich heen op oudere schrijvers, die volgens de conventioneele formule hadden geärbeid. En hij verdedigde ze, met een groote zachtheid, in zijne gesprekken met Scheffer: zij hadden toch gearbeid, die ouden; zij hadden gedacht dat zij de waarheid hadden gevonden, even goed als zij, de jongeren, dat nu dachten; en na hen, de jongeren, zouden de jongsten komen en dan de állerjongsten, die ook zoo zouden om zich heenslaan, en wie aan het slot zoû hebben gelijk? Neen, het was niet humaan zoo te zijn, en niet menschkundig en kinderachtig,

[p. 19]

kinderlijk en flauw. O ja, het was iets nieuws, dat schelden: nóoit nog, in geene letterkunde, was zoo gescholden geworden, met zoo een genot, te schelden en te hakken om zich heen; maar het was hèm niet sympathiek. Hij vond het slechte manieren hebben en kinderlijk verwaand zijn, zoo naïf eigendunkelijk, zoo schooljongensachtig pedant, dat hij er de schouders om optrok. De Julia-geschiedenis vond Scheffer heel goed, héél goed: Aylva dacht het een flauwe grap, goedkoop en niet eens nieuw: Scheffer had er dagen den mond van vol en Aylva wist niet wat er op te zeggen: de mystificatie had geen indruk op hem gemaakt, en hij meende, dat men te veel moeite nam om uittemaken, dat de daagsche kritiek ontoerekenbaar was....

Hij was in deze dagen heel eenzaam, uit een neiging om alleen te zijn, te lezen te droomen, te schrijven aan zijn ‘Tasso’: zijn wordend dicht, dat hem zoo lief was, om wat het stil geheimzinnig beduidde in zijn ziel. Zelfs Scheffer vermoeide hem nu en dan: het liefst was hij alleen: een kluizenaar in zijn kleine kamer. En ‘Tasso's’ pastorale verzen waren in wiegelend contrast met de reëel-levende werken van naturalisme, die hij las; zijn werk en zijn lectuur hielden zijn ziel, die tot dwepen te veel geneigd was, in evenwicht. Een afkeer van met menschen zijn kwam in hem, tot verdriet van zijn moeder, die hem dwong de familie op te zoeken, des avonds; of hare kennissen. Aan tafel, als zij beiden aten, alleen, in de intimiteit van hun ontbijt of diner, verweet zij hem met hare zachte, een beetje tobberige stem van oude vrouw, die veel geleden heeft: waarom hij uren zat alleen, en altijd las, en altijd schreef en of hij niet dacht, dat het voor zijn gezondheid slecht was en slecht voor zijn geest. En hij verdedigde zich en zei, dat hij toch wandelde, geregeld, iederen dag langs het strand van Scheveningen, heel ver. En na den eten, om haar lief te zijn, vroeg hij haar om met hem te wandelen, in de Boschjes. Zij nam zijn arm en zij liepen samen, in den schemer van de paden, die liefjes doelloos kronkelden. Heel langzaam liepen zij, omdat zij was zwaarlijvig en niet gemakkelijk liep. En zij voelden beiden hoeveel zij waren voor elkaâr, hoe innig hunne levens samen waren. Dat was een lief gevoel, omdat zij ook zooveel verschilden: verschil, dat zacht vereffend, telkens weêr, moest worden. Zij

[p. 20]

was een vrouw van hoogsten eenvoud; een eenvoud, die aanbiddelijk was. Zij was te zeggen in éen woord: een moeder voor haar kinderen. En zij was niets dan dat: een moeder. Haar ziel geheel ging uit naar die haar kinderen waren. Behoefte voor zichzelve had zij niet: zij miste al haar vroegere weelde, alleen om hare kinderen, alleen om Hugo nu, niet om zichzelve. Zij was tevreden in hun kleine huisje, met haar bloemen. Zij las niet: haar rechte geest, eenvoudig, zeer logisch en verstandig, begreep geen fantazie: boeken waren logen. Zij begreep niet de bekoring van schitterende logen en zij begreep niet, dat boeken ook wáar kunnen zijn. En misschien was dit het innig-liefste van haar moederziel: zij las, wat Hugo schreef, met groote aandacht, die begrijpen wilde. Zij las geen romannetjes en wel de ‘Aminta’. Zij tuurde op het goudsmeêwerk der terzinen, omdat het was van Hugo. En dan, dan zei ze zoo oprecht, met zachte stem om hem niet boos te maken:

- Mijn beste jongen: ik begrijp het niet: daarom kan ik het ook niet mooi vinden, niet waar?

Maar nóoit duldde zij, dat een ander zoo iets zoû zeggen, en als, in een tijdschrift, een enkel woord van recensie verscheen, dat niet geheel goedgunstig was, vergaf zij het den schrijver nooit. Dan moest Hugo haar van dien man vertellen, wie hij was, wat hijzelf schreef, of hijzelf wel ooit iets moois had geschreven, waarom hij de ‘Aminta’ niet mooi vond... Hugo lachte dan en meestal moest hij bekennen, dat hij niets van den kerel afwist.

- Je weet ook nooit iets! zei mevrouw Aylva boos, omdat hij was zoo overschillig.

Maar ook als iemand schreef over haar Hugo, dat hij zoo knap was, zoo jong nog en al zoo schitterend dichter, als hij aanhaalde flonkerregelen uit de ‘Aminta’ om den menschen te toonen hoe mooi dat was, met streelende woorden van lof, dan voelde zij teederheid in zich voor dien onbekenden journalist, die het zoo goed wist, en zoo goed kon schrijven, veel beter dan die andere. Hij, hij zeide de waarheid; de andere niet... En toen Hugo haar eens vertelde wie Vosmaer was en haar lezen liet de vlugmaar over de ‘Aminta’, toen las mevrouw Aylva dien den heelen avond, las ze en herlas ze weêr, met tranen in haar oogen, met trots in haar overvolle

[p. 21]

hart en terwijl de tranen vielen op de woorden van lof, fluisterde ze in zichzelve, dankbaar:

- Mijn jongen, mijn lieve jongen, mijn lieve, knappe jongen....

Zij sliep zoo een nacht niet: het zong in hare ziel....

VII.

‘Leonore d'Este’ was voltooid, verschenen in ‘De Gids’, en de derde en vierde zangen: ‘Jeruzalem-Verlost’ wogen zwaar Aylva op het hart. Ze zouden de voornaamste epizoden zijn: de dichter, die zijn epos schreef, niet gewaardeerd, voor gek verklaard; de crizis van zijn leven.... Aylva begon, in ottave-rime, vier-, vijfmaal, zonderdat hij den zang voelde komen. Het nieuwe rythme, dat hij voor de eerste maal behandelde, de geserreerde stanza's, schenen onoverkomelijk moeilijk. Het was als zocht hij op een muziekinstrument, dat hij niet kende. Telkens verscheurde hij weêr het begin, dat als valsch klonk en niet harmonisch sloot aan de blankverzen van ‘Leonore d'Este’. Over ‘Leonore’ was bij heel tevreden, meer nog dan over ‘Aminta’: ‘Leonore’ was minder pastoraal gemaakt, en er klonk in een motief van ware liefde, een ondertoon van hartstocht: Aylva zèlve was verliefd op Leonore.

Nu was het de volle zomer, Augustus, en de zou stoofde in de groene massa's van de Boschjes: het tuintje was zwoel van den middag; de stamrozen wierookten: kronen van bekertjes geur, geënt boven haar dorre stammen.

Aylva's deur stond wijd open en hij zat voor zijne verzen, met een matte pen. Uit de keuken klonk een eentonig deuntje, gedempt, van de meid. Tusschen het groen schemerde, op kleinen afstand, iets van andere villa's. Over den weg, voor, ratelden rijtuigen, klaterend door de zwoelte van den zomer heen. Stemmen gingen voorbij....

En Aylva's pen schrapte over het papier, lijnen dwars...

Een weemoed klom in hem op. Hij zoû ‘Jeruzalem-Verlost’ maar niet schrijven. Hij zoû nooit iets kunnen doen. Hij had geen talent. Zijne verzen waren waardeloos, ‘Aminta’ was niets: zoo dood, zoo dor. ‘Leonore d'Este’ was beter, maar het blankvers voldeed hem niet: het was slordig be-

[p. 22]

handeld hier en daar, als proza: waar hij zich had laten meêsleepen....

Het voelde zwaar in zijn hoofd. Hij had gaarne willen gaan wandelen, met Scheffer, maar Scheffer zoû niet komen: hij was uit de stad. En Aylva's eenzaamheid woog op zijn hart, omdat hij treurig was. Naar de verandah, naar zijn moeder, wilde hij niet: ze zoû dadelijk zien, dat hij mistroostig was en dit deed haar zoo leed: ze was zoo ongelukkig onder zulke buien van hem....

Hij zat te kijken in den tuin....

Er knerpte iets van stappen op zij van het huis.

In de verandah waren menschen: o, hij kon geen menschen zien, nu....

Hij sloot de deur half, op breeden kier. De stappen knerpten dralende, hier en daar...

Toen begreep hij, wie het was: Emilie, die rozen plukte; terwijl haar moeder bij zijn moeder zat, in de verandah....

Ja, Emilie. Met een schaar sneed zij de rozen af, zorgvuldig om de knoppen. Zij was nu genaderd tot het middenperk; een lang, opgeschoten meisje van vijftien, wat bleek, gracieus en fier, in een wit japonnetje, een grooten strooien hoed met witten strik. Terwijl zij plukte, hoorde hij iets zeggen, en lachen tegen de meid, in de keuken....

En toen:

- Is meneer Hugo niet thuis?

- Jawel, freule....

- En zijn deur is dicht...?

De meid zeide iets: Hugo hoorde niet wat. Maar Emilie kwam naar zijn kamer toe; hij zag het door het gordijntje...

En in eens nam hij zijn pen op en steunde zijn hoofd, als was hij druk verdiept in schrijven, toen Emilie vroeg aan de deur:

- Hugo...?

- Ja? Ben jij het...?

- Ja... Dag Hugo! Waarom zit je zoo met een dichte deur? Stoor ik je...?

- Neen, neen, kom binnen...

Zij opende de deur, en kwam.

- Stoor ik je niet?

- Neen... Ik had de deur dicht gedaan, om Klaartje, die zingt zoo...

[p. 23]

- En laat je haar maar zingen, als je schrijft...?

- Wel ja, ze mag wel vroolijk zijn...

Ze lachte.

- Je bent toch heusch nog wel een goede jongen... Kijk eens, mijn rozen; vindt je die gele niet mooi...? Ik moet ze voor je mama doen in de roze vaas. Ga je meê...?

Hij begreep, dat zij gezonden was door zijn moeder, die zeker vond, dat hij te lang al had gezeten, zoo stilletjes, in zijn kamer. Maar hij wilde niet ongeduldig zijn en hij stond op en ging met haar den tuin in.

- Nog een paar mooie knoppen, sprak ze. En dan wat chevelure-de-Venus... niet meer, vindt je wel, voor de roze vaas?

- Neen, niet meer...

Hij was het met haar eens.

- Zeg, Hugo - zij keek heel diep in een roos -:

- Mag ik ‘Aminta’ lezen? Mama zegt van niet...

- Als je mama dat zegt...

- Maar wat zeg jij: kan ik ‘Aminta’ al begrijpen?

- Dat denk ik wel.

- Is het dan slecht, als ik ‘Aminta’ nu al lees?

- Wel neen...

- Dan zal ik het maar doen... En dat artikel van Vosmaer: toe, zeg, geef je me dat eens?

Zij vleide het lieftallig, met verlegen stem, omdat zij nog een kind was en Hugo al een man, over wien geschreven werd, in den ‘Spectator.’

- Ik zal het voor je halen, sprak hij.

Hij haalde het artikel, in zijn kamer.

- Dank je, sprak zij; zij vouwde het voorzichtig, stak het in haar ceintuur. Zij deed dat alles heel gracieus, zoo met haar rozen in haar hand, als een klein dametje in korte rokken. Het trof hem hoe zij iets had fier en waardig, voor een kind, met ernstige oogen, grijs; en ernstig geknepen mondje.

Zij liepen samen op...

- Zeg Hugo, lachte zij, met beetje meer vrijmoedigheid; zal je nu eens doen wat ik vraag?

- Wat dan?

- Toe: nooit iets schrijven, dat ik niet lezen mag?

[p. 24]

- Dat kan ik niet beloven, hoor...

En hij ook lachte, en zij lachten samen. Ach, zij begreep wel, dat dit niet kon: zij vroeg het maar uit gekheid.

Maar, in de verandah, waar de beide dames zaten, mevrouw Aylva en mevrouw Van Neerbrugge en waar Emilie de rozen in de vaas zoû doen, daar riep ze toch:

- Maar ‘Aminta’ mag ik lezen, mama: Hugo zegt, dat het mag...

Haar stem was een zachte teederheid van sympathie in het groene licht, dat schoot naar binnen, door het loover neêrgezeefd. Tusschen de Japansche bloempotten op porceleinen standaarden, zaten de beide dames te praten, te beweren, en Emilie schikte de rozen...

Terwijl zij schikte, in het groene licht, scheen zijn ‘Jeruzalem-Verlost’ aan Hugo niet zoo moeilijk toe...

Als hij maar eerst die eerste stanza's goed gemaakt had, dien avond...

De rijmen klonken in zijn hoofd...

VIII.

Maar toen de beide zangen van ‘Jeruzalem-Verlost’ geschreven waren, bleef Aylva heel lang wezenloos, vóor hij begon aan ‘San-Onofrio,’ den slotzang. Hij schreef intusschen andere gedichten, kleine epische verhalen in blankvers of terzinen, sonnetten, liederen in complex van rythmen, omdat het rythme geen beklemming moest zijn, geen band; maar alleen de muziek, die begeleidde: vleugels aan het woord.

Hij gaf zijn eersten bundel uit, vóor ‘Tasso’ af was: een uitgever had hij gemakkelijk gevonden, zelfs tot zijn verwondering, als hij zich herinnerde verhalen over jonge Fransche dichters, die overal, hun bundel in den zak, aanklopten te vergeefs. De bundel had een lief succes, meer niet: dat was alleen nog maar bloemlezing uit jongensverzen, die Aylva zelven nauwlijks voldeed. En toen de bundel verschenen was, had hij berouw ervan, en vond er weinig aan, en klaagde nood aan Scheffer. Men wist toch nooit hoe men oordeelen zoû na enkele maanden over wat men had geschreven met zooveel liefde. Het troostte hem niet, dat Scheffer iets zei

[p. 25]

van juist die onvoldaanheid was het ware van artist-zijn... Trouwens, Scheffer zei dat zoo-maar: hij, druk nu met kritische artikelen, waartusschen hij maar enkele naturalistische schetsen schreef, zag op de verzen van Aylva wat minzaam uit de hoogte goedkeurend neêr: heel aardig, hoor, heel aardig; ‘Aminta’ toch was nog het beste, beter dan die volgende zangen.

En het ergerde Aylva, dat Scheffer dit herhaalde en altijd vasthield bij de ‘Aminta’ en dat ook in kritieken men altijd van hem zei: de dichter van ‘Aminta,’ die nog zooveel beloofde. Het werd hem eene obsessie, dat hij zooveel beloofde. En vol van een weemoed over zijn kunst, vol bitterheid over onmacht, die hij als kankeren voelde in zijn ziel, begon hij ‘San Onofrio’ en schreef den zang in enkele dagen af. En toen hij ‘San Onofrio’ met aandacht overlas, was hij tevreden: zijn eigen weemoed, zijn eigen bitterheid, spiegelden weêr in zijne verzen, in Tasso's klacht; het was als was hij Tasso, herschapen door vreemde macht, door vreemde zielesympathie... Het was als was hij Tasso... En nu, nu behaagde hem ook zijn heele dicht, heel zijn ‘Torquato Tasso,’ dat hij nu voor het eerst zoo noemen kon, fier bij den naam, die vol klonk van muziek, mysterie: ‘Torquato Tasso!’ Hij schreef dien naam herhaalde malen neêr, onder de kladden van zijn verzen, en het was of de naam kreeg bizonderen klank, een toon van zijn eigen ziel, die hem lichtjes verbaasde, verbaasde ook als hij ergens geschreven vond iets over Tasso, dat niet betrekking had op zijn eigen gedicht. Hoe vreemd, dacht hij dan: daar stond gedrukt: Torquato Tasso: de naam van zijn held, de held van zijn ziel, deel zelve van zijn leven. Hoe vreemd, dat men vóór hem gedrukt had ergens in een boek dien naam: Torquato Tasso!! Die naam toch was van hem, die naam was hèm. Het beleedigde hem bijna als letterroof, als zieleroof, men stal er meê iets vàn hèm! En in zijn vreemden trots had hij voldoening ook, de flonkerende voldoening van te hebben volmaakt iets schoons: die troostende voldoening - blijde glans - over zijn werk, dat trilde van zijn laatsten toets, dat nog leefde met iets van hèm. En toen hij voor zich zijn ‘Torquato’ zag als boek in witte perkament met gouden letter, de verzen stil op het roomachtig blanke dik papier met fijne

[p. 26]

type, de sierlijke hoofden, de arabesken van sluitstuk, toen was zijn boek hem lief, toen was hij dankbaar om zijn boek, stil rustig trotsch in zich. En het was hem naïf of hij nu iets gedaan had voor zijn leven. Zijn eigen naam kreeg voor hem meer sonoren klank. En geheel eigen had hij zich gemaakt aan ‘Torquato Tasso’ of hij zijn eigen beeld zag magisch spiegelen terug in verre Renaissance, aan het hof van Ferrara, in den liefdeglans van Leonore, in den lauwerglans van zijne kroning op het Kapitool, in den kloosterweemoed van zijn cel op San Onofrio, en zijn peinzen onder den reuzeneik, met Rome aan zijn voeten.

Groote plannen schitterden voor hem op. Hij zoû niet Tasso blijven nu hij Tasso was geweest. In andere herschepping zoû hij komen. En wat hij eens, als kind, in zich krankzinnigheid gedacht had: de behoefte te zijn telkens een ander dan die hij was, werd in hem als een kunst-emotie; behoefte van artist, zijn ziel te laten wezen, àlle ziel, die mogelijk was, die was geweest, in de magie van het verleden, de illuzie van de toekomst. Als hij als kind gedacht had: ik ben een prins; ik ben een arme jongen, die sprokkelt hout in donker bosch; ik ben een elf, die woont in rood bloesemenden boom - dan had hij dikwijls nagedacht, hoe vreemd dat van hem was, en dàn had hij geweend, gesnikt, omdat hij was zoo vreemd, en vreesde voor een vaag gesluierd spook, dat nader aansloop en krankzinnigheid zoû heeten. Maar nu, nu was hij niet meer bang en al dat vreemde werd schoonheid van sensatie, intense vereenzelviging met studie en met kunst: het spook had afgeworpen zijn vale doek, en stond er vóor hem stralend en lachend, als ijle gestalte, bleek en doorschijnend, van een kind met groote oogen louter geest. Zoo was het niets dan schoonheid meer, dat hij Torquato Tasso was geweest in zijn gedicht. Want dieper wilde hij niet doordringen in zijn hersenschim, en wat hij dacht van voorbestaan was alles vaag in hem: het kon zoo zijn, maar men wist niets, en alles toch was mogelijk...

Groote plannen schitterden voor hem op. Hij was zóó zeer verdiept in studie nu van Renaissance en Humanisme, en maanden lang las hij niets dan hierover, las Burckhardt, Geiger, Voigt. Petrarca werd een levend mensch voor hem, zóó men-

[p. 27]

schelijk, zóó modern, zóó prachtig mooi, waar, reëel, dat het was of de eeuwen naderden, de veertiende naderschoof, in den magischen spiegel van het verleden, of Petrarca vóór hem stond - of hij Petrarca was. Ook zóó had hij gedaan, ook zoo zoû hij, Aylva, doen in die omstandigheden. Hij kreeg Petrarca lief, als vriend, als broeder, zielgenoot en dubbelganger. Petrarca's brieven en journalen, Latijnsche gedichten, - de Africa - sonnetten en canzonen, hij maakte zich ze eigen en vóór hem opschitterde het plan: een groote roman, historisch zoogenaamd, maar heel modern van opvatting, geschreven volgens de moderne formule, documenten van waarheid; geschreven met de nieuwe, tot leven toe bezielende inblazing van psychische suggestie: Petrarca als kind, als jonge dichter, student te Avignon en te Bologna, ontwikkelend tot man, veelvoudig mensch, veelvoudig Humanist, waar en onwaar voor vrienden en zichzelven, en heel zijn zielestrijd en heel zijn zielezijn. Dat straalde voor hem uit, dat alles, als lange stralen, die hij grijpen wilde, als glans, dien hij omhelzen zoû. Hij sprak er Scheffer over, hoog opgewonden, en met dolle oogen. En Scheffer, hoe geheel ook nu verdiept in bijtende kritiek, in kleine tril-levende schetsen van dadelijke moderniteit, - zoo wat hij zag om zich heen van menschen en van dingen - knikte goedkeurend met het hoofd, verblind: heel mooi, heel mooi ...! Aylva, vóór hem, bouwde Petrarca op, ongeduldig om Scheffer te laten zien den idealen bouw van zijn boek, als een paleis met zuilehallen, immense zalen, intime stille binnenhoekjes. Hij las hem voor uit Voigt en Geiger, en was dan Scheffer weg, dan trilden nog Aylva's kamer en zijn brein als uren na, vol van Petrarca, en òm hem was Italië en Avignon, de veertiende eeuw. Den nieuwen roman van Zola had hij geen tijd te lezen, en bleef onopengesneden, ongerept liggen op zijn tafel, onder de dikke deelen van Voigt, die vol van blaadjes lagen, aanteekeningen. Intusschen schreef hij, - om zich te wennen aan zijn nieuwen toon, te vinden zijn nieuwe muziek van proza, dat hoog moest zijn, maar heel natuurlijk, gewoon - menschelijk van accent, - fragmenten van den aanvang. Ze voldeden hem niet, en wàt hem ongeduldig maakte, was, dat hij beginnen moest met heel Petrarca's jeugd, terwijl hij hem het schoonst en menschelijkst - zichzelven -

[p. 28]

als Humanist zag, zoo vlak vóór zich als aan te raken.... En hij moest zich bezitten, niet te beginnen aan het Tweede Boek, maar, als goed werker, aan zijn Proloog te zwoegen, terwijl hij altijd, als een glans, vóór zich, dat Tweede Boek zag wemelen....

Een enkelen dag daartusschen was hij moê, moê van Petrarca. Dan schreef hij verzen, zacht droefgeestig, of niets, en dwaalde alleen heel lang, heel ver, langs het strand van de zee. En de zee, vloeibaar grijs zilver, ruischte aan als het leven; de einder, streep van mysterie, was als de toekomst, die op zoû doemen; de woelige drijvende wolken, met het zilveren licht, dat daar tusschen school, waren de droomen, de zijne, die hoog dreven, boven het schuimen der wereld.... Hij liep zich moê, en de wind koelde zijn hoofd. Was hij weêr thuis - na het stille diner met zijn moeder, liefjes gezellig - dan gooide hij zich op zijn rustbank; hij sliep. En als hij wakker werd, stond, scherper van lijn, glanzender dan ooit, Petrarca voor hem uit......

IX.

Na Aylva's eersten kleinen bundel was ‘Torquato Tasso’ een succes, maar een succes, dat scheen alleen om de ‘Aminta’. Het was of de andere zangen er niet waren, als was er maar die eerste. Toen verschenen enkele vollediger recensies, die spraken ook van ‘Leonore d'Este’, ‘Jeruzalem-Verlost’, van ‘San Onofrio’, met nauwgezetter analyze. Maar toch geen enkele voldeed Aylva. Niet dat hij wilde alleen betuiging maar, dat het zoo mooi was, zijn ‘Torquato Tasso’, maar wát hij wilde, was, dat wie over hem schreef, hem minstens las één oogenblik met ernst.

Kleine aankondiginkjes in couranten, oppervlakkig, vlug geschreven, en zonder overtuiging, hinderden hem, of zij goedof afkeurden, omdat hij niet vergaf aan journalisten, die berichtjes vlug even schreven, hunne vlugheid over verzen, die hèm deel waren van zijn leven. En de enkele vollediger recensies voldeden hem ook niet, al prezen zij, de meeste. Hij vond ze oppervlakkig, waanwijs, wijs over zijn terzinen, die hij niet bouwen mocht zóó, maar zus, die hij niet staand mocht eindigen maar slepend; ook over zijn ottave-rime: dat

[p. 29]

had geschakeld moeten worden zóó, en niet als hij gedaan had. En dan hun vitterijen, vluchtige haarkloverijen over een beeld, een woord, een rijm. Bijna geen enkel recensent had één oogenblik van puren ernst, waarheid, en waar zij eenig enthouziasme voelden, schenen zij dat dadelijk te willen temperen met allerlei bedenking. En dat zijn boek was een succes, zijn naam een klank van faam werd, verbaasde hem zóózeer, omdat na Vosmaers Vlugmaar niet één kritiek verscheen, die, met gezag, wat ook verklaarde. Alleen het vage van berichtjes hier en daar, waarover hij met Scheffer de schouders optrok....

Toen, na maanden, in ‘De Nieuwe Gids’, verscheen een lang artikel, zeer afbrekend. ‘Tasso’ was niets, niet gevoeld, niet geleefd, gemaakt, de verzen waren klink-klank, koeke-bakkerswerk. Dat alles werd gezegd met groote virtuoziteit van invectieve, zooals nog nooit gehoord was van te voren. Aylva werd er om alleen aan de oppervlakte van zijne ijdelheid lichtjes geschramd en dieper ging de wonde niet. Want al het jonge doen in Amsterdam, hoe ook belofte-vol, brutaal, zonder manieren, was hem niet sympathiek om hun geschreeuw, gescheld, hun jongensgezwaai met groote gebaren, hun uitgebazuin van eigen talent, hun clubgeest van elkaâr-bewondering, en zelf-aanbidding in naïveteit. En toch de ‘Aminta’ wèl hadden zij eerst genoemd met enkel woord van lof. Misschien waren zij boos, omdat Aylva zich niet bij hen aansloot als jonge kracht aan jonge krachten, maar, onnadenkend, bleef hij alleen, in zijn geïzoleerdheid, die hem lief was, zooals hem lief was alle eenzaamheid. Misschien, zoo hij hen had gezien in hun intimiteit, had hij wel sympathie gevoeld trots al hun blague, maar het was al te weinig in hem zich aan te sluiten ter wille van gemeenschapswerk, samen-doen om kracht te zijn: hij was altijd, van kind af aan, geweest alleen, en eenzaam in zijn eigen ziel, zoo door omstandigheid als neiging.

Dat nu ‘De Nieuwe Gids’ hem afbrak, was geen verrassing voor hem: hij wist wel, dat dat zoo zoû zijn. Maar wat hem pijnlijk trof, was dit: dat Scheffer had gezegd met bedenkelijk brusken hoofdknik: ze hebben gelijk, hoor jongen, ze hebben wel gelijk: de ‘Aminta’, ja, die is nog altijd goed, de rest, ronduit gezegd, is niets...... Had Scheffer dat dan, eensklaps,

[p. 30]

uitgevonden? Of was langzamerhand zijn oordeel zoo gewijzigd? Of nam hij, gesuggereerd, onbewust het oordeel over van ‘De Nieuwe Gids’? Maar Scheffer toch was ook zichzelven, heel sterk in zichzelven, en schreef hij in ‘De Nieuwe Gids’, hij was niet in hun club. Hoe draaide dus zijn oordeel zoo?

En leed deed het Aylva, maar minder, omdat Scheffer hem nu afviel, dan wel omdat hij eensklaps helder inzag: de nietigheid van geoordeeld te worden door monden van menschen. Ze prezen gisteren; vandaag keurden zij af; gisteren vond Scheffer de ‘Leonore’ nog zoo mooi; vandaag was zelfs ‘San Onofrio’ heel slecht. En hij, Aylva had toch gewerkt, gewrocht uit zijn ziel, zoo goed hij kon, en zonder bijgedachte van roem of geld: wat gaf hem een gunstig couranten-artikel, wàt luttel honorarium? En waarom anders zoû hij ‘Torquato Tasso’ geschreven hebben, dan omdat hij niet anders had kunnen doen?

Was zijn talent dan niet zóó sprekend, dat het zich met gezag opdrong? Of zoû het oordeel van de menschen óók ijdel zijn zelfs en wisselvallig voor het kláarst zich openbarende genie? Wanneer was de twijfel dan niet mogelijk?

Een groote bitterheid kwam toen in hem, om het relatieve in alles van het leven; een bitterheid, omdat de kunst niet absoluut kon zijn. Wat men dus dacht en werkte, ijdel kon het alles blijken, en nooit was men van het minste zeker. Allen, die gewerkt hadden om uit hun ziel te geven, het schoonste wat zij voelden, met volle handen het te geven aan ondankbare menschen, stuursche menigte, zij allen hadden misschien nooit goed gedaan, geen enkel oogenblik, en na eeuwen zoû het in koud licht blijken, dat àl hun kunst geen waarde had, en nooit gehad had. En wié dan wist het; bij wie, bij welke macht, berustte dan, verzegeld, het zielsmysterie van de schoonheid? Was schoonheid dan een raadsel, gevraagd aan sfinxen, die maar zwegen, eeuwen lang? Zoo het gevoel van hem, die schoonheid dacht te maken, kon falen gelijk aan alle menschelijkheid, die faalde; wie voelde dan en faalde niet?

Het was hem innig troosteloos, dit peinzen, en toen hij het in woord gebracht had, toen was het een gedicht, dat altijd blijven zoû onder zijn schoonste....

En zoo was er - niettegenstaande, trots alles, ‘Torquato

[p. 31]

Tasso’ hem vestigde zijn naam, en aan dien naam een jong gezag gaf, - veel bitterheid, veel troosteloosheid in zijn ziel, om kunst. Hij kwam er toe niet veel te werken meer, uit twijfel. Voor zijn oogen, reusachtig, wemelde één vraagteeken. En het was niet om zijn kunst alleen, het was ook om zijn vriendschap. Hij had zich nu ten slotte aan Scheffer toch gehecht, en nu, nu voelde hij in Scheffer iets van verkoeling. Scheffer kwam niet meer iederen dag, zij lazen niet meer iederen avond; Scheffer had andere vrienden; Scheffer had veel avontuur, waarin hij niet deelde.... Waren zij samen, dan voelden zij dikwijls, dat zij elkaâr niets te zeggen hadden. Aylva keurde af Scheffers nieuwste manier van schrijven: in zijne naturalistische schetsen vond hij veel goeden wil, maar weinig macht, en kleinheid van doen en inzicht. In zijn kritieken had Scheffer te slaafs maar gevolgd Zola. En Aylva ried in Scheffer ook afkeuring van zijn, Aylva's, werk, zijn laatste kleinere verzen. Ook vroeg Scheffer nauwlijks naar ‘Petrarca’. En in die troosteloosheid en bitterheid, voelde Aylva zich geen kracht aan ‘Petrarca’ te beginnen. De glinsterende idee van modern-historischen roman ging verder van hem staan en werd als onbereikbaar.

X.

Hij werkte niet gedurende weken, maanden. Hij las alleen veel als hij gewoon was, alles dwars door elkaâr heen. Hij maakte zijne eenzame wandelingen langs het strand, heel ver, als zoû hij nooit terugkeeren. En dan sloot hij zich op in zijne eenzaamheid, in zijn eenzaam kamertje, tot verdriet van mevrouw Aylva. Als zij er naar vroeg wat hij had, waaronder hij leed, meende hij, dat hij haar nooit zoû kunnen zeggen, zóó dat zij het begrijpen zoû. Hij had toch succes... Zijn leed was te vaag en te subtiel, dan dat zij, in haar eenvoud, het begrijpen zoû en met hem meê zoû lijden. Hij wist van te voren wat zij zeggen zoû, hoe zij hem zoû troosten. Zij begreep hem dan ook niet; meende, dat hij zich verveelde bij haar, oude vrouw; spoorde hem aan eens een voetreisje te maken, met een paar kennissen, die gingen; vroeg of hij liever op kamers wilde wonen, om vrijer te zijn als jongmensch. Hij schudde op alles het hoofd van neen, betuigde,

[p. 32]

dat hij niets had en dat hij tevreden was bij haar, zijn moeder. En hoewel hij stil was, bleef hij lief voor haar, in al zijne kleine attenties voor haar ouderdom, in hun korte avondwandelingetjes door de Boschjes, heel langzaam aan, zij aan zijn arm, met moeielijken, langzamen pas. Met haar vriendin, mevrouw Van Neerbrugge, sprak zij over hem: hoe vreemd hij werd, hoewel hij toch zoo een voldoening had van zijn werk, en hoe zij niet geloofde, dat voortdurend alleen zijn goed voor hem was. Hij had in niets geen pleizier, waarin jongelui van zijn leeftijd pleizier hebben: hij zat maar stil in zijn kamertje. Mevrouw Van Neerbrugge legde haar uit: ‘artisten,’ dat waren zoo geheel andere menschen.... Maar mevrouw Aylva schudde haar hoofd; zij was bang voor dat woord: ‘artist,’ dat ze nu maar gebruikten ook voor schrijvers: in haar tijd was ‘artist’ een schilder of een musicus met lange haren. Iemand, die verzen schreef, als Hugo, was geen ‘artist,’ maar een ‘dichter’... De dames verdiepten zich druk in de kwestie, en beraadslaagden hoe zij Hugo zouden bewegen, een ander leven te leiden. En mevrouw Van Neerbrugge, uit medelijden voor mevrouw Aylva, sprak er over met Emilie - omdat zij al zoo verstandig was - en wat zij samen zouden doen. Maar Emilie, hoe verstandig ook, was het niet eens met de beide mama's uit een onwankelbaar vertrouwen op Hugo: Hugo was nu eenmaal anders dan andere jongens; Hugo wàs artist, Hugo zoû beroemd worden: zij moesten Hugo maar laten doen zooals hij meende, dat goed was: hij zoû het wel weten....

Want het was in Emilie een aardige trots, dat iemand, dien zij zoo goed kende, als zij Hugo deed, schreef en artist was en dat zijn naam genoemd werd. Een schrijver was nog niet zoo lang geleden voor haar een onzichtbaar, geheimzinnig persoon geweest; men zag wel boeken, maar men zag nooit schrijvers. En nu, dat zij iemand, die boeken schreef, - en wel bundels met verzen, - kende van kind af en noemde bij den naam, en met hem liep en lachte en at en praatte, nu was dat een heele trots in haar, en zij begreep niet, dat hare moeder er zóó weinig om gaf, als ware het iets heel gewoons....

Aylva zelve merkte weinig van die samenzwering. Hij kwam langzaam aan in eene stemming van doffe melan-

[p. 33]

cholie, de melancholie van zijne twintig jaren: nog niet veel om hemzelven, maar om de groote dingen van het leven, die maar vaag voor hem bleven: melancholie, omdat niets absoluut was; omdat niets in het leven zich met gezag openbaarde; omdat alles dreef in een waas, dat men niet wist: kunst, en God, en vriendschap, en liefde en het heele leven zelve.... Wat zoû hij met zijn leven doen, als alles dan zoo vaag was! Hij zoû er gaarne iets moois van maken, maar hoe? Het was alles zoo weinig reëel, omdat niets absoluut was. Alles was te beredeneeren en niemand was het met een ander eens; en men kon niets in het leven noemen, dat scherp van lijnen uitstond, als een marmeren beeld. Waar zoû hij de waarheid vinden voor zijn leven? Had Scheffer voor het zijne de waarheid gevonden? O neen, hij dacht van niet.... Maar zijne moeder? Ja, die wel, in haar absolute liefde voor haar kinderen, om niets te zijn dan moeder.... Zóó was het mooi, absoluut, goed, in eenvoud van ziel en hart. Maar wat was er voor hèm weggelegd? Verzen schrijven? Nooit iets anders dan verzen schrijven tot zijn dood toe? En dan nog verzen, die hem maar half voldeden?

Toen meende hij, dat hij geen waar dichter was, omdat hij zóó dacht. En toch, in zijne eenzaamheden, bleef het zingen in zijn brein, belichaamde zich zijn twijfel in vreemde gedichten, op vreemde rythme, en waarvan de idee in een nevel dreef. Hij gaf ze niet uit, hoewel Scheffer hem vertelde: ze waren het mooiste, dat hij geschreven had: zoo modern.... Dus dàt moest je zijn, dacht hij dan, als Scheffer weg was, ironisch: ‘modern.’ Het geheim van de absolute kunst was: te zijn ‘modern!’ En hij haalde zijn schouders op, hij vond er niets bizonders aan modern te zijn: een zuigeling was al weêr ‘moderner’ dan wie ook: dat was niet bij te houden! Neen, het beste was, het te laten zingen in zijn brein, zonder te schrijven; dan was het lief en mooi en zacht weemoedig. Toch, in eens, als dwong hij zich, begon hij weêr te dichten aan zijn Assyrisch episch gedicht, ‘Parsondes,’ waarvan hij nog fragmenten in zijn portefeuille vond. Het was uit spijt om ‘Petrarca,’ dat hij aan ‘Parsondes’ schreef. Want hij had ‘Parsondes’ niet lief, en hij voelde zich niet Parsondes, zooals hij zich Petrarca voelde. Toch schreef hij aan het gedicht, in blankverzen. Hij schreef er aan met een gloeienden kop

[p. 34]

en in enkele dagen was het voltooid. En toen hij het overlas, wist hij niet wat hij er van denken zoû. Er was een schelle gloed in als van Bengaalsch licht. Er waren in het hoog tragische verhaal hier en daar opera-effecten, die hij niet gewild had. Maar ook was er een opgegierde hartstocht in, die hemzelven zijn adem stokken deed in de keel. Dàt, dat was mooi, dat was goed. Maar niet die gloed en die effecten. En niet het vers, waarin hij den zang miste, en dat als afgemeten proza liep, op korten trippelpas. Het geheel voldeed hem niet. Toch gaf hij het uit: maar hij zond het niet aan ‘De Gids.’ Het verscheen in een nieuw tijdschrift, dat maar kort duurde, en waarvan de redactie hem om eene bijdrage gevraagd had. Toen hij het gedrukt zag, vond hij het weêr beter. Maar om ‘Parsondes’ toch werd zijn spleen grooter, zijn melancholie om kunst: om zijn leven, dat hij niet zag worden....

Scheffer zei hem ronduit, dat ‘Parsondes’ slecht was, een onding. ‘De Nieuwe Gids’ schold er op. Maar in vele bladen verschenen, toen het gedicht uitkwam als boek, kleine aankondigingen vol lof.

En toen Aylva, na het maanden stil te hebben laten liggen, het weêr eens opnam, in zijn bevalligen vorm van St. Nicolaas-prezentje, licht grijs en zilver, en er in bladerde, schokte het hem tot diep in zijn ziel. Hij zag nu eerst, dat het waarlijk slecht was: een onding. Zijne eerste gedachte was het weg te slingeren in een hoek, maar hij deed het niet, omdat hij netjes was, en het boek zoû afstompen aan de punten. Zijn hart vol treurigheid, als was het vol tranen, zette hij het in zijn kast, naast zijn twee andere bundels. Weemoedig keek hij naar de drie smalle bandjes. Was zijn leven daarom, om van die boekjes te maken? Neen, hij moest zijn leven veranderen. Hij was twintig jaar, vóór hem lachte het leven, jong en goud, en hij zoû het niet verkniezen in dit kamertje, over terzinen en blankverzen. Iets scheurde pijnlijk in hem, maar hij bekende het zich: hij was geen dichter. Hij had zich vergist, en de menschen met hem: het publiek en de kritiek...

En het verwonderde hem, dat hij niet wanhopiger was, om zijne illuzie, die stortte in een. Na een paar dagen sprak hij er kalm over met zijn moeder, een beetje lachend, dat hij niet meer zoû schrijven, nooit meer. En hij zat bij zijn moeder

[p. 35]

neêr, die heel verbaasd was maar vaag verheugd, diep in zichzelve, omdat Hugo zoo gewoon-mensch was geworden; en hij zei hoe treurig het nu was, dat hij niet naar den raad van zijn oom geluisterd had, en maar Indisch-ambtenaar was geworden; nu was het te laat. Wat zoû hij nu doen? Hij moest toch iets zijn. En boeken wilde hij niet meer zien. Naar Indië, in het landelijke, dacht hem, en vaag zag hij zich paardrijden door koffie-tuinen en kina-aanplanten. Maar mevrouw Aylva schreide nu: ach neen, hij moest maar bij haar blijven, haar laatste: alle de anderen waren al weg, verspreid, getrouwd, gestorven: hij... met hem had zij het altijd zoo goed kunnen vinden, haar beste jongen, een beetje haar lieveling: ach neen, hij moest maar blijven. Ten minste in Holland. Hij mocht reizen, dat wel: hij was altijd zoo zuinig geweest, zonder behoeften - alleen veel boeken: een groote jaarlijksche boekenrekening, maar anders nooit iets: zij zoû wel zien, dat er dit jaar wat voor hem overschoot, om een paar maanden te reizen: zij zoû het wel berekenen. Als hij maar bleef: niet naar Indië.... En dan zouden zij later wel om een betrekking denken: burgemeester, bijvoorbeeld. En zij zag zich al in een mooi dorp, een lieve villa, wonen bij haar Hugo, die burgemeester was, en getrouwd; om haar heen aardige kleinkinderen....

Hij beloofde het haar: hij zoû niet naar Indië gaan. En toen zij hem zijn sommetje had uitgerekend, ging hij reizen, naar Zweden en Noorwegen. Hij verlangde naar veel natuur, naar water en woud, naar wijde wegen, die eindeloos voortslingerden: niet naar musea en allerlei dingen zien. Toen hij weg was, troostten haar om zijne afwezigheid - zij mistte hem zeer - mevrouw Van Neerbrugge en Emilie. Maar hij kwam gauwer terug, dan zij dachten. Alleen reizen verveelde hem. De eenzaamheid was hem lief geweest in zijn kamertje, tusschen zijn boeken en platen en verzen: in de dalen en fjorden van Noorwegen had hij zich gevoeld als een verlaten kind en zich afgevraagd, waarom hij daar zoo vreemd liep, of voer, of reed, heel alleen....

Toen hij terug was, ruimde hij zijn kamer geheel op, liet ze anders behangen, er een soort kleine serre aan bijbouwen. En hij richtte ze heelemaal anders in. Niet altijd overal boeken en papieren. Draperieën van oude Indische stoffen, die

[p. 36]

mevrouw Aylva nog altijd bewaard had, en die een vreemden geur hadden behouden: een zachte muffigheid van ouden wierook en Javaansche kruiden. Wapens uit de collectie van zijn vader. Onder de trofee een divan, overdekt met een breede goudgewerkte stof, die zijne moeder indertijd ten geschenke had gekregen van den kroonprins van Siam. Zij, ze stond hem al haar schatten af. Ze had schik in hem. Ze kende hem zoo niet. Hij was als heel anders geworden, als herschapen. Zij had hem zeer lief: hij was altijd zoo aardig voor haar. Met een verheugde verbazing zag zij hem zijn nieuwe serre behangen. Emilie ook, verrast, opgetogen, moest helpen.

En toen hij klaar was, en alles had opgeruimd, in zijn nieuwe kamer, vlijde hij zich lang, gemakkelijk, uit, op den divan, op de stof van den kroonprins van Siam. Zijn kamer was geruimd; zijn portefeuille, zijn buvard ook; zijn brieven had hij nagezien en de meeste verscheurd. En ook in zijn hersens was het zoo: opgeruimd, zijn gedachten, zijne opinies, zijn verlangens. En, als wachtende af het leven, dat nu komen zoû, staarde hij langzaam rond, de muren van zijn kamer langs, die om hem heen stond, als een nieuw décor. Zijn oog bleef hangen aan de drie deeltjes in zijn boekenkast: zijn verzen. Maar hij wendde zijn blik snel, geërgerd, af, en de kussens schikkende onder zijn hoofd, vlijde hij zich gemakkelijker uit, droomende aan niets, denkende aan niets, afwachtende wat komen zoû; openbaring van zijn levensdoel, dat openstralen ging in geheimzinnig licht.....

Den Haag, April-Mei '96.

II.
Het boek van Mathilde.

I.

En de jaren, die volgden, was er, stil geheimzinnig, achter de een beetje laatdunkende koelheid van Hugo Aylva's donkere oogen, een spiedend verlangen, dat naar zijn levens-

[p. 37]

doel uitzag, maar zich nooit verried aan de menschen. Hij had zijne jongensachtigheid verloren, zijne bijna verlegenheid, hoewel hij nooit voldoende zelfgenoegzaamheid verkrijgen zoû om er zelfverdediging in te vinden tegen de wereld. Alleen in zijn koelen blik was dat: zelfverdediging, als de menschen te dicht naderden, wat pijnlijk was in zijn ziel. Maar uiterlijk scheen hij voor die wereld, voor die menschen: een correct jong mensch, wien men geen bizondere ondeugden kon ten laste leggen; die als een lieve zoon woonde met zijn moeder in een harmonie van huiselijkheid, zoo weinig gewoon, dat ze prijzenswaardig werd: een jong mensch, die enkele vrienden had, van wie geen enkele laakbaar was voor de maatschappij; een jong mensch, die vroeger verzen had geschreven, en nu aan couranten in Indië geregeld causerieën zond - over reizen, over boeken, over alles - en er genoeg geld meê verdiende om de wereld niet te laten zeggen, dat hij niets deed; een jong mensch, die bij enkele families in Den Haag zijn visites maakte, en hun gezelschap bezocht: hun dinertjes en avondpartijen. Hij had de kleine reputatietjes, die in de nette maatschappij waarde hebben: van aangenaam causeur, goed danseur, van zeer beleefd, goed gekleed te zijn; daarbij ontwikkeld, verstandig, ordelijk, geestig.

In zich voelde hij geen heftige ontevredenheid met zijn leven. Hij was genoeg gewoon-menschelijk; - hij was altijd zoo geweest - om, hij ook, eenige waarde te hechten aan wat de menschen in hem prezen. Dat hij wachtte op iets, wat nog uit bleef, maakte hem niet heftig ontevreden. Maar toch was er in hem die zelfde melancholie, die altijd, van kind af aan, in hem geweest was: de melancholie, die is gekomen in eenzame kinderen, en hun bijblijft hun leven lang. Hij had soms behoefte niemand te zien. Had hij dan zijn artikel voor Indië af, dan bleef hij in zijn kamer liggen op zijn divan, turen op een punt, denkende aan vroeger.... Hij zag zich vol enthouziasme werken aan ‘Torquato Tasso’, studeeren in het Humanisme, vóór zich de glanzende menschen-figuur van Petrarca. Dat was vijf jaar geleden.... Dat was nu alles heel anders. In zijn kamer was niet meer de rommel van studie. Het was er netjes en elegant, als in de kamer van een jongmensch-van-de-wereld, die niet veel uitvoert. Scheffer kwam niet meer, als vroeger, iederen dag

[p. 38]

druk praten, lezen, daarna wandelen en filozofeeren in de duinen. Scheffer was journalist in Londen, en hij schreef maar een enkele maal een brief. Het is waar, Dolf Den Bergh kwam nu dikwijls en bijna iederen dag. Aylva had veel vrienden, zelfs meer dan vroeger en verschillende types, maar hij miste Scheffer, om zijn bruske drukte, zijn vive overtuiging, die hem zoo dikwijls had opgewekt. En dan rekende hij af - als vroeger met ‘Petrarca’ - met Scheffer, zooals zijne gewoonte was, en zette als een streep onder hem, sloot voor de zooveelste maal dat boek van zijn leven. Maar wat nu, wat zoû er volgen? En hij bleef liggen, en staarde. Ieder oogenblik, dat komen zoû, was het onverwachte, het groote onverwachte, kon het ten minste zijn.

De dagen sponnen zacht gelijkmatig af. Er waren iederen dag, zoo ongeveer, de zelfde dingen, de zelfde menschen, de zelfde gedachten. Het leven was niet wreed, maar het was dof. Het liep weg, zonderdat Aylva wist waarheen en waarom. Het was jammer van de dagen. Ze kwamen nooit weêrom, de dagen, die waren weggeloopen, op de punten van hun stille voeten. Dat maakte hem bang; het scheen hem toe, dat hij veel verloor met iederen dag, die weg was.

Dan kwam er eene zenuwachtigheid in hem, als had hij veel te doen, dat hij niet deed. Het was een lichte nevroze, die hem 's ochtends denken deed: wat heb ik nu van daag te doen? Dat was nooit veel: zijn wekelijksch artikel, een paar brieven schrijven, een enkele boodschap voor zijn moeder hij den notaris, bij den bankier; soms een visite, 's avonds een diner.... Den volgenden morgen na zoo een dag dacht hij dan weêr: heb ik nu niet veel te doen? Wàt heb ik toch te doen....? De dag van gisteren was alweêr weggeloopen, en kwam niet meer terug. Het zoû te laat worden. Te laat? Waarvoor....? Dan wilde hij niet meer droomen over niets, maar nam uit zijn kast een paar boeken, om wat te studeeren: historie of kunst. Maar hij voelde er niet meer de acute nieuwsgierigheid naar van vroeger. Waarom? dacht hij.... En hij zette de boeken weêr weg, vol treurigheid, omdat hij zoo geworden was. Onbeduidender dan vroeger.... Zoû het zoo moeten voortgaan: zoû alle moois in hem moeten verwelken, omdat zijn ziel een dorre grond bleek...? Zulke dagen was hij stil en somber, en

[p. 39]

mevrouw Aylva zag het en zocht er naar de reden van. De redenen waren nooit in veel woorden te zeggen, en de somberheid ging voorbij, en Aylva werd dan weêr gewoon, correct, zooals de menschen hem zagen....

Toen, na het snuffelen in wat oude familie-papieren, kreeg hij pleizier in genealogie, in heraldiek. Zijne familie was eene oude familie; ze was van Engelsche afkomst en stamde af van een Earl of Aylv; voorouders, om politieke redenen tijdens Cromwell gevlucht, waren geweken naar Friesland; hadden er zich genaturalizeerd; de naam was geworden Aylva, de titel te loor gegaan. Hij vond ervan belangwekkende tradities in oude stoffige boeken, die nu weêr schijn van studie gaven aan zijn kamer, verspreid als ze lagen over den divan, een laag tafeltje en den grond. En hij vond op zolder een incomplete kaart van zijn stamboom, die hij zoû completeeren; hij toonde er de vergane stukken van aan mevrouw Van Neerbrugge en Emilie, - nu een meisje van twintig - en de dames stelden groot belang. Aylva was eensklaps vol ijver. Hij ging naar de Bibliotheek om onbekende werken over de Engelsche geschiedenis; naar archieven; hij ging voor een week naar Leeuwarden om inlichtingen; hij vroeg er aan den Raad van Adel. Indertijd, onder Willem I, had zijn grootvader het jonkheerpredicaat geweigerd, uit trots om zijn ouden naam, zijn verloren graventitel. Aylva nu zoû de oude genealogische kaart laten overteekenen, er de aanteekeningen van uitbreiden naar zijn eigen vondsten; ze in gemakkelijk te overziene platen vereenigen in een mooi album. Hij verbeterde ingeslopen onnauwkeurigheden in het wapen: de gouden adelaar op veld van lazuur, opstrevend naar firmament van zeven gouden sterren, het helmstuk nog altijd door de gravenkroon omprangd. En zijn trots was de keten, die hing om het helmstuk, en op een medaillon droeg twee saamgestrengelde letters: A en Z, de initialen van Azincourt, waar een zijner voorouders gevochten had in het gevolg van Henry V. Langen tijd verdiepte hij zich met lust in deze studie. Hij vond het aardig te ontdekken dat de Aylva's indertijd verwant waren aan groote Engelsche huizen; de Bohuns, de Bourchiers, zelfs aan Plantagenet, en dat zijn eigen voornaam Hugo, Hugh, de naam was geweest van velen hunner; Hugh,

[p. 40]

Earl of Aylv. Emilie ook was er opgewonden om. Zij kwam bijna dagelijks mevrouw Aylva opzoeken, altijd zeer intiem met Hugo, om de vriendschap hunner beide moeders. Zij vroeg hem of hij niet zijn titel terug kon vragen. Maar hij lachte en zeide, dat de noodige papieren ontbraken, dat het met die papieren toch nog uiterst bezwaarlijk zoû gaan, en dat het in alle geval te veel geld zoû kosten. Hij was even trotsch op zijn naam, al droegen zij geen titel meer.... En in zijne studies over zijne familie, vereenzelvigde hij zich zóo met zijne voorvaders, dat het hem werd, als leefde hij soms hun leven terug, zooals hij geleefd had het leven van Tasso, van Petrarca vooral, als gebaarde hij hunne daden, in den magischen spiegel van het verleden. Vreemd was het hem dan hierover na te denken, en omdat hij zijne metamorfoze niet tot kunst omwerkte, werd ze hem weêr abnormaliteit, zooals hem geweest was in zijne kinderjaren, toen hij gedacht had: ik ben een prinsje, of een bedelaar, of een bloemenelf.... Hij werd dan bang voor dat vreemde in zich, dat naderen van krankzinnigheid. Des nachts, stil, in zijn bed, moest hij er over denken, en dacht aan Tasso, en dat hij ‘Torquato Tasso’ had geschreven, en, het gedicht geschreven, zijne metamorfoze had uitgeleefd, en andere was begonnen. Dan dacht hij aan zijn ziel, en dat hij altijd dus bestaan moest hebben, eeuwig altijd in het verleden, dat hij altijd bestaan zoû, en dat hij sympathie voelde met andere verwante zielen, zóó verwant, dat zij bijna, misschien wel geheel en al! - zijn eigen waren. Eene ziel, die zich verdeelde....? Hij wist het niet. Hij dacht dan aan herediteit, en of hij zich daarom voelde Hugh, Earl of Aylv, die gevochten had aan de zijde van Henry V.... En na zulke gedachten was het hem - omdat zijne gedachte geen kunst werd - eene verlossing zich te storten in het gewone leven, zijne gewoon-menschelijkheid terug te vinden in kleine alledaagschheden: in zijn kennissen in de Witte Societeit, zijne visites, zijn uitgaan 's avonds. Een paar dagen liet hij zijne heraldische studiën liggen.... En in zijn ziel verbleekte dan het geharnaste spook van Hugh, Earl of Aylv, en hij vond zich terug. Maar dan ook beving hem een heimwee naar kunst, naar schoonheid-maken; heimwee, dat hem van machteloosheid weenen deed in spleen en eenzaamheid.... O, te schrij-

[p. 41]

ven, te schrijven: het woord te beelden, te bootsen tot kunst, tot schoonheid; te scheppen, in het woord, zijn ziel weêr en zijn leven....! Wat was hij vreemd! Was hij alleen zoo? Zoû er wel éen ander gelijk aan hem zijn, in de stilte der zich altijd stilhoudende, schuilhoudende ziel? Zoû het krankzinnigheid zijn, of was het alleen emotie van artist, veelvuldige sensatie van zijn dichterziel, of zijne sensaties ontloken, als vele bloemen aan één plant..... Of wàt wàs het....?

Het gewone leven genas hem niet geheel en al, die dagen. Onder zijn glimlach, zijn praten over dingen van gewoonheid, school het Heimwee, en het gaf aan zijn ziel de bitterheid van liefde onbeantwoord, geliefde ver, omdat de kunst zoo ver bleef....

En dan dacht hij wanhopig of hij zoo machteloos zoû zijn, altijd? Altijd?

II.

Aylva, in deze dagen, zag veel Dolf Den Bergh. Hij had hem toevallig leeren kennen op de Witte. Den Bergh was klerk aan het ministerie van Binnenlandsche Zaken, en hij schreef voor het tooneel. Hij had iets over zich, dat Aylva denken liet aan iemand uit een Russischen roman, van Gontscharow of Dostoiewsky. Hij had iets peinzends en dociels, iets onderworpens aan het leven, iets innemends van zachte peinzende manieren, en van altijd klaar-zijn om voor een ander iets te doen. Hij had iets ziekelijks in zijn gezicht, iets gebogens in zijne gestalte, iets van een ouden man, iets ouwelijks in zijn kleêren, die niet altijd goed zaten of frisch waren. Hij was niet altijd geschoren en droeg zijn haren te lang in den nek. Hij had iets zeer beleefds en bereidwilligs, iets om er misbruik van te maken. De meeste menschen hielden van hem en vonden hem een bizonder goed mensch.

Hij deed nauwgezet zijn werk aan het ministerie. Hij deed daarbij vele administratie-zaken voor zijne familie, getrouwde en ongetrouwde zusters. Hij had het altijd druk met het een en ander te doen, voor een ander. Des avonds schreef hij. Hij had jaren gewerkt aan een modern tooneelspel:

[p. 42]

‘Intieme Kennissen.’ Er was iets onbeslists in hem omtrent zijn kunst, dat hem telkens raad deed vragen. Zoo had hij vele scènes in ‘Intieme Kennissen’ overgewerkt en overgewerkt, naar verschillende raadgevingen, waarmeê men hem overstelpt had. Zes jaren lang had hij aan zijn drama gearbeid. Toen het, ten laatste, na vier terugzendingen, na herhaalde retouches, was aangenomen aan het Nederlandsch Tooneel, behaalde het een voldoende succes. Maar het bleef niet lang op het repertoire. En Den Bergh, na de voorstellingen, werkte het nog eens om, altijd onzeker van zichzelven.

Aylva had gaarne zijne kennis gemaakt. Den Bergh, alleen, 's avonds, onder een glas wijn, had iets gezelligs om lang te blijven praten over litteratuur, te filozofeeren over leven en kunst. Toen zij elkaâr zoo een jaar gezien hadden, waren zij vrienden. Den Bergh, expansief, gemoedelijk, vertelde veel van zijn jeugd: gelukkige kinderjaren op groot buiten, daarna de catastrofe van zijn familie: alle geld verloren, zure armoede, bitterheid, zijn vader zich gedood met een pistoolschot, zijn moeder gestorven van verdriet. Twee van zijn broêrs waren weg, ver in de wereld, men hoorde nooit veel van hen, verongelukt ergens in Amerika, Australië. Hij, hij had van zijn leven weten te maken, wat hij er van maken kon, in harmonie met zijne kalme eischen, wat ouwelijk en bourgeois. Hij had niet de bohême in zich van artist: hij was tevreden met zijn betrekkinkje, omdat ze hem 's avonds tijd liet tot schrijven, en hij wilde zoo, rustig, zitten in zijn kamer, boven een koekebakkerswinkel: de juffrouw kookte hem zijn eten. Dat was alles heel bezadigd in hem en onderworpen aan het kleine leven. Maar dieper in hem borrelde de ontevredenheid, dieper in ziekte de nevroze van een stille bitterheid, omdat het kleine leven niet de moeite waard was. Onder al zijne vriendelijke beleefdheid, bereidwilligheid, school een duivel van levenshaat. Dat openbaarde zich weinig: misschien alleen in een heel diepen zucht, in lang staren, als hij 's avonds lang zat te praten, met Aylva. Maar de duivel school weg: Aylva zag hem niet.

Hun vriendschap werd een hechte band, misschien omdat zij veel verschilden. In hunne vriendschap was Den Bergh, hij, die veel waardeerde, prees, bewonderde, en was Aylva,

[p. 43]

hij, die bleef passief. En toen hij nadacht over vriendschap voelde hij, dat hij wellicht nooit koesteren kon de ware vriendschap; de actieve, die geeft. Het was na zijne eerste kinderdesilluzie - het blonde jongetje, dat ziek was geworden en toen niet meer aardig was - het was daarna altijd zoo geweest. Met Scheffer had het misschien gewiegeld in evenwicht. Maar met Den Bergh voelde hij zeer duidelijk - zóó duidelijk, dat het wroeging werd - hoe Den Bergh heel veel gaf, en hij, Aylva, niet terug gaf. Zeker, het was bij hem sympathie, harmonie van geest en van verstand, pleizier om veel te praten met elkaâr, des avonds onder een glas wijn. Meer niet.

Toen Aylva Den Bergh langer kende, trof hem eene manie in hem. Den Bergh was altijd verliefd met naïve zelfgenoegzaamheid. En Den Bergh had voor de vrouwen juist niet de aantrekkelijkheid van flink-mooi, niet in lichaam, niet in karakter. Ze hielden toch van hem, omdat hij vriendelijk was, beleefd en bereidwillig. Maar zoo tam scheen Den Bergh zich niet te zien. Aylva vroeg het dikwijls aan velen: vergis ik me, of heeft hij iets, voor vrouwen? Ze lachten dan goedmoedig: zoo een goeie jongen, bepaald zoo sympathiek, maar een zoen, neen, dat zouden zij nooit willen geven.... Dat was zoo algemeen het oordeel. Aylva zag, dat hij zich niet vergist had. En toch, Den Bergh kon het zeggen met zelfgenoegzaamheid: zie je, van zeven - en hij telde ze ernstig op zijn vingers - van zeven weet ik zeker, dat ze van me hielden, van me hiélden....

Aylva lachte niet. Er was in hem die zachtheid om nooit pijn te willen doen. En hij vroeg Den Bergh rustig enkele détails, terwijl Den Bergh ernstig, langzaam, bevestigend schudde het hoofd: van zeven, van zeven was hij zeker....

III.

Iederen Zaterdag, des middags om vier uur, ging Aylva naar mevrouw Van Neerbrugge, de vriendin van zijn moeder, op de Laan Copes. Maar mevrouw zag hij dan weinig, wel Emilie; die schonk dan thee en die ontving, jonge meisjes, enkele jongelui. Zij had dat zoo, Amerikaansch een beetje ingesteld, en van haar vond men dat goed. Zij was

[p. 44]

nu een meisje van twintig, lang, rank en trotsch, en in contrast met de tengerheid van hare lijnen, was het vive van hare impulsies, onverwacht. Dan lachten hare oogen, grijs, met heel groote zwarte pupil, dan lachte haar mond en hare tanden schitterden als vonkjes ivoor. En wat in haar aantrekkelijk was voor Aylva, was, dat hij, waarom wist hij niet, een mysterie in haar vermoedde, een mysterie van vrouweziel, dat ongetwijfeld belangwekkend moest zijn....

Hij herinnerde zich nu, dat hij ging langs den Scheveningschen Hoogen Weg, wintergrijs en mistig - hoe zij altijd in zijn leven geweest was. Hij herinnerde zich haar uit Indië, toen zij, een klein meisje, al dat zelfde trotsche mondje had gehad van nu, die zelfde maniertjes van prinsesje, een fijn blond kindje, met het fijn blonde van Indische kinderen, van geheel Hollandsche ouders, alsof het Hollandsche bloed in de tropische zon fijner wordt en dunner....

Hij herinnerde zich met haar gespeeld te hebben op de groote erven van hunne huizen in de binnenlanden; op twee kleine paardjes met haar te hebben paard gereden in de bergen, orchideeën met haar gezocht te hebben; hij, een jongen van twaalf, zij, een meisje van zeven. Later was mevrouw Van Neerbrugge, als weduwe, ook in Holland gekomen, in Den Haag, en zij hadden elkaâr weêr gezien; hij een jongen van vijftien, zij een meisje van tien. Hunne moeders zagen elkaâr iederen dag, spraken van vroeger, den gelukkigen tijd in Indië, betreurden het Indische leven. Zij waren beiden rezidentsvrouwen geweest, zij hadden beiden gekend en genoten het grootsche en ruime, en bijna prinselijke van hare pozitie. Nu, in Holland, was dat zoo anders, voor beiden, kleiner, bekrompener, burgerlijker, en zij zagen elkaâr bijna iederen dag, in groote intimiteit; ook Hugo en Emilie zagen elkaâr telkens. Hij was zoo gewend aan haar als kind, dat hij verbaasd was den dag, toen zij, van kostschool terug, vrouw was. Altijd de zelfde, altijd Emilie, trotsch, een prinsesje, maar vrouw, geheel vrouw. In hunne spelen had hij haar altijd beschouwd een beetje als de meerdere, al was zij jonger, omdat zij altijd gehad had iets van een klein dametje, en nu, dat zij vrouw was, geheel vrouw, zag hij ook een beetje tegen haar op. Zij had een lieve beslistheid, een rustige, voorname zekerheid en hare trotschheid was zoo in harmonie met geheel haarzelve, met

[p. 45]

de lijnen van haar lichaam en den klank van haar stem, dat ze nooit antipathiek, eigendunkelijk werd. Dat werd voor hem in haar een bizondere bekoring, maar was zoo gewoon-weg, van kind af aan geweest, dat hij er niet over nadacht, en, in zijn ziel, dat gevoel geen liefde zag.

Hij hield van die Zaterdagmiddagen in Emilie's boudoir. Meestal kwam hij wat vroeger dan de anderen: meestal had hij haar iets te vragen, als menschen, die elkaâr veel zien, veel samen leven, en gelijke belangen hebben. Toen hij nu bij haar binnentrad, was zij ook alleen. Hare kamer had iets sereens, en toch iets zeer bevalligs en jongs, met de meubeltjes van wit lak, de blauw-grijze zijden gordijnen en stoeltjes. Zij had zelve op deuren en wanden geschilderd, op een grijs fond, groote witte lelies en narcissen, en ook, op een spiegel, waterlelies en anemonen. De bibelots, hier en daar, waren allen kleine dingen van kleur en lijn. En het was als een verblijf voor eene fantazie, heel rein en kalm, die van sprookjes hield, sereene sprookjes, transparante sprookjes, tusschen die groote roerlooze bloemen, op de wand en op een spiegel, terwijl de winter buiten mistte... En zelfs de cotillon-versieringen, sterre-achtige bloemen aan lange steelen, en zilveren starren, die in een hoek een trofee van herinnering aan bals maakten - verloren hare gewoonheid, en kregen iets van een sprookje...

Zij was nog alleen, toen hij binnenkwam. Dat was heel natuurlijk, dat hij zoo kwam, zoo eenvoudig weg, omdat zij elkaâr zoo lang kenden, van kind af; omdat hunne moeders vriendinnen waren.

- Ik ben blij, dat je daar bent, sprak ze dadelijk; ik wachtte op je; ik heb je te spreken.

Zij was wat zenuwachtig, zoo als zij niet gewoon was: kalm, trotsch.

- Wat is er? vroeg hij.

Geroerd, in de war, deed zij hem zitten. En zonder veel inleiding, vertelde zij hem, hoe zij vreesde, dat Den Bergh haar zoû vragen, ten huwelijk vragen. Het zoû haar vreeslijk leed doen, als hij het deed. Zij vond hem een goede sympathieke jongen, met wien zij gaarne sprak, dien haar moeder gaarne in huis zag. Meer niet. En zij begreep niet, waarom hij tegenwoordig zoo een bizonderen toon tegen haar aannam,

[p. 46]

haar zoo aanzag, altijd intiem met haar wilde fluisteren in een hoekje. Zij begreep het niet, zij had er nooit de minste aanleiding toe gegeven. Niet waar, Hugo wist het: zij was niet coquet? Niet waar, zij was het niet? Hij moest het uitdrukkelijk beamen: dat zij niet coquet was. Toen hij het verzekerd had, was het haar eene verlichting. En, kalmer, begon zij te analyzeeren. Hoe was het nu toch ook mogelijk, die Den Bergh! Hij deed waarlijk den laatsten tijd, of hij vermoedde, dat zij van hem hield! En hoe had hij zóo iets vreemds kunnen denken?

Aylva was verrast. Toch zeide hij:

- Trek het je niet aan, Emilie. Het is een manie van Dolf. Hij is een beste jongen, maar het is een manie van hem te denken, dat iedere vrouw, ieder jong meisje op hem verliefd is.

- Een manie?

- Ja, een manie. Het is heel treurig, maar het is niet anders. Niet waar, alle menschen hebben hun pointe-de-folie: die van Dolf is te meenen, dat hij onweêrstaanbaar is.

- Foei: je lacht hem uit....!

- Neen, in vollen ernst, ik lach er nièt om. Het doet me verdriet, het doet me groot leed. Dolf zal nooit gelukkig worden.

- Maar ik, wat moet ik doen? vroeg zij radeloos. Het is toch vreeslijk voor een meisje, als zij zich bewust is, niets verkeerds gezegd of gedaan te hebben... Wat moet ik doen?..

Zij zag hem aan. Hij haar. Zij hoopte, dat hij haar zoû voorstellen met Dolf te spreken. En toen hij zwijgen bleef, zeide zij zelve, als in een angst om het naderend gevaar te voorkomen:

- Hugo... wil jij het hem niet zeggen?

- Wat, Emilie?

- Mijn God, Hugo.... dat hij zich vergist! Dat hij zich vergist! Dat ik niet van hem hoû: niet zoo....!!

Zij vouwde hare handen, smeekende. In haar sereene ziel was de ontroering van leed te moeten doen aan een mensch, die haar vriendschappelijk was. Zij bedacht hoe Den Bergh zooveel mogelijk dat leed te besparen; en zij vond niets. En dat hij - misschien wel morgen, overmorgen - tot haar zoû kunnen komen, om haar te vragen in verblindheid, en dat

[p. 47]

zij niet anders zoû kunnen zeggen dan: neen, neen, in éene angstige afwering, zonder twijfel, omdat zij te goed van zichzelve zeker was: dat was haar een groot leed. Hare ziel had die eigenschap van zeer te kunnen lijden voor een ander; in hare sprookjesziel bloeide een bloem: het medelijden: zij was het zich weinig bewust: haar angst was intuïtie.

Het zoû wel moeilijk zijn en hard, meende Aylva, hard voor Den Bergh, moeilijk voor hèm: het hem zoo te zeggen. Maar hij zoû het doen, zeker: Dolf was te belachelijk. En hij kon dat niet weigeren aan Emilie. Nu reeds bereidde hij zijn zinnen voor....

Zij bleven niet lang alleen. Er kwamen visites, die elkaâr vlug opvolgden en niet lang bleven. Mevrouw Van Neerbrugge vertoonde zich even, voor het decorum. De conversatie was telkens onderbroken, van den hak op den tak.

Toen Dolf Den Bergh kwam, was Emilie zeer gewoon. Zij gaf hem, gewoon, een hand, stelde hem aan twee meisjes voor, die pas uit Indië waren gekomen. Zij zorgde voor een algemeen gesprek. Hij, zat stil, afgetrokken, roerloos, peinzend. Het was treurig hem aan te zien. Ieder zag hem aan, dat hij onder iets gebukt ging. Maar Emilie scheen niets te begrijpen, al sloeg Den Bergh nu en dan zijne peinsblikken naar haar op, bijna verwijtend. Zij praatte heel druk, en met trots legde zij aan de Indische meisjes uit, wie Aylva wel was, en dat zij hem kende, van land af. Zij deed dat half schertsend; sprak half spottend over zijn beroemdheid: de beroemdheid van zijn jeugd: nu was hij te oud, nu schreef hij niet meer, en hij liet de litteratuur over aan het jongste geslacht. Zij had, terwijl zij sprak, iets zeer vifs en impulsiefs, en hare intelligentie gaf haar een glans; haar natuurlijke trots was treffend van sereene harmonie, en men zag haar dadelijk als een bizonder meisje, toch zeer jong, en zeer frisch, niettegenstaande haar beetje meerderheid en de ironie van haar scherts.

- En schrijft u nu nooit meer verzen, meneer Aylva? vroeg een der meisjes.

Hij, in den toon van Emilie, schertste meê: neen nooit meer.... Hij was te oud.... Het jongste geslacht.... En om zijn scherts was het stille heimwee van zijn ziel onzichtbaar. Maar Emilie, misschien onbewust, scheen iets te

[p. 48]

voelen als zoû zij hem pijn kunnen gedaan hebben met hare ironie, en, in eens anders - ernstig - sprak zij:

- Neen, verzen, verzen misschien niet meer, Hugo: ik geloof bijna ook, dat je geen verzen meer moet schrijven. Ik weet dat zoo niet waarom: ik raad het maar.... Maar, zie je, dat je heelemaal geen letter meer op het papier zet, dat is zeer zeker niet goed.... Niet waar, Den Bergh?

- Neen zeker niet, antwoordde Den Bergh, blij, dat zij hem aansprak, al was het ook over Aylva. En hij zei het met overtuiging en voegde erbij:

- Aylva meent, dat hij zich heel goed kent, en hij kent zich heelemaal niet. Hij denkt, dat hij alles gedaan heeft, wat hij ooit zoû kunnen doen in zijn leven, en hij sluit zijn leven en zet er een streep onder.... Het zijn zijn eigen woorden...

Er was even een stilte. Er kwamen geen visites meer, en er was een rust in de kamer, waar het begon te schemeren. Een lichte grijze tint dreef door het vertrek, en de witte groote sprookjesbloemen, roerloos, waren half uitgewischt, schemerden schimblank uit schaduw op. Buiten stonden de dorre boomen van de Laan Copes melancholiek uit tegen een zware sneeuwlucht, loodgrijs. Een veiligheid was binnen; het vuur glom; de twee vriendinnetjes van Emilie spraken niet, wachtten af welke woorden er zouden komen tusschen die twee schrijvers. Emilie dacht na.... En Aylva had bizondere sensatie. Dit oogenblik was een moment in zijn leven, dat hij zich altijd zoû heugen: een seconde van gewicht. Waarom...? Hij wist het niet. Want Emilie zeide alleen, heel zacht en langzaam, als had zij nagedacht:

- Foei Hugo... een streep onder je leven, waarom?

- Ik kan altijd weêr opnieuw beginnen, antwoordde hij.

- Begin dan ook op nieuw, moedigde zij hem aan. Waarom zoû je nooit meer iets kunnen doen, nooit meer kunnen schrijven? Waarom zoû je niet kunnen schrijven ons leven, ons gewone leven van jonge menschen; dat wat je om je heen ziet, wat je iederen dag zelf leeft. Zoû het niet belangrijk genoeg zijn? Zijn wij te onbeduidend?

- O neen, zeker niet...

- Nu, waarom dan niet?

- Wat?

[p. 49]

- Een roman van ons leven, ons gewone leven. Een roman, waarin we ons allen terugvinden.

- Ik hoû niet van portretten in boeken... En dan, ik ben niet ‘modern’...

- Maar het behoeven geen portretten te zijn... En doe het niet ‘modern’: doe het... zooals jij het doet: dan is het goed...

- O neen, Emilie...

- Waarom niet?

- Neen, neen, ik kan niets. Ik wil niet mijn heele leven boeken schrijven. Waarom zoû ik?

- Je houdt toch van je kunst.

- Ik heb geen kunst meer...

- Je hebt ze dadelijk, als je maar wil.

- Misschien: maar ik wil niet... Stel je voor, een roman!! Een dik boek vol! Ik zoû er veel te lui voor zijn. Het perspectief ervan obsedeert me al van te voren. Neen, Emilie: ik ben geen ‘artist’, ik ben maar een heel gewone burgerjongen!

- Maar je voorouders hebben bij Azincourt gevochten, plaagde Den Bergh.

Zij lachten allen: Aylva ook, zonder boosheid, blij dat Den Bergh niet meer zoo melancholiek, zat, geïnteresseerd als hij was door Emilie's woorden. Maar, al lachte hij, Aylva voelde toch het Heimwee klimmen op zijn hart. Hij wilde er niet aan toegeven. Hij schudde het van zich af in den toenemenden schemer van de kamer, waar het vuur glom als éen kool, waar de bloemen aan de wanden verbleekten of zij stierven, terwijl het buiten begon te sneeuwen met heel trage vlokken. Wat was er toch altijd van een sprookje in Emilie's kamer, een mooi zacht treurig sprookje? Een roman? Neen, nooit een roman... Afgerekend, opgeruimd zijn kunst, na eerste desilluzie, die alle hoop hem had ontnomen, en het Heimwee zoû verbleeken met de jaren, zooals die bloemen nu verbleekten in de schaduw. Hij was een ‘bourgois,’ geen ‘artist’...

- Dus heusch niet meer? Nooit meer? vroeg Emilie zacht.

Hij schudde, half schertsend, doende haar na, het hoofd, en hij zeide:

- Neen, heusch niet meer: nooit meer...

[p. 50]

Zij zuchtte onhoorbaar... Want het gesprek galmde tegelijk op: de meisjes riepen hoe jammer het zoû zijn, en hoe goed Emilie raad kon geven, en Den Bergh ook was vroolijk; zij waren allen vroolijk, zooals menschen, die iets treurigs bedekken willen. Toen stonden zij op en namen afscheid. Het duurde lang, staande, met veel gekheid tegen elkaâr...

Toen zij weg waren, bleef Emilie een oogenblik alleen. Zij ruimde niet, als zij gewoon was, dadelijk hare kamer, hare kopjes. Zij bleef staan voor het raam en zag naar de trage vlokken.

Sneeuw, dat was einde, dat was slaap, dat was wit begraven, wat dood was...

Dood: wàs het dood?

Zoû het waarlijk dan dood zijn?

Zij kòn het niet gelooven.

Maar toen zij zich omkeerde, schrikte zij van de kamer, die geheel donker was, - donker als een doode kamer - met alleen de glim van het stervende vuur in den haard.

Bijgeloovig, bevende, ontstak zij het licht...

Neen, dat wàs niet dood: het sluimerde alleen...

Er was geen dood, er was alleen maar slaap...

Verrast over zichzelve, voelde zij in haar oogen vocht, en zij wischte zich tranen af...

Toen zij daarop bij mevrouw Van Neerbrugge in den salon kwam, kort voor het diner, was zij even sereen als altijd...

Omdat zij, trots alles, hoopte...

Tusschen de sprookjesbloemen van haar ziel bloeide vooral de Hoop, de onverwelkbare Hoop op het leven...

IV.

Aylva, dien avond, moest naar een diner, en hij had Dolf Den Bergh verzocht 's avonds om half elf thuis te zijn, omdat hij hem noodzakelijk spreken moest. Den Bergh was meestal 's avonds thuis, om te schrijven. Hij had na ‘Intieme Kennissen’ een paar kleinere spelen geschreven in éen bedrijf, die gespeeld waren geworden aan het Nederlandsch Tooneel en door dilettanten. Hij was de ‘veelbelovende’ dramatist van het oogenblik. En de belofte van ‘veel’ drukte hem zwaar neêr, alsof de heele tooneelwereld, - heel