terug  begin  verderprepost
[p. 188]

Aanteekeningen en opmerkingen.

Vrome wenschen op Hooger Onderwijsgebied. - Harde woorden zijn er in de afgeloopen maand uitgesproken in Nederlandsche katheders en geschreven in Nederlandsche dagbladen over aanvulling door Duitsche geleerden van opengevallene hoogleeraarsplaatsen aan onze Universiteiten. Klaagzangen zijn aangeheven ten aanhoore van Nederlandsche studenten en met het smalende: ‘gij zijt slechts Nederlanders’ is hun te verstaan gegeven, dat zij in het eigen vaderland eerst in de tweede plaats of in het geheel niet in aanmerking zouden komen, wanneer er een professoraat zou staan vervuld te worden.

Na dit hartstochtelijk woord, waarbij nog de wensch gevoegd werd dat de aanstaande verkiezingsprogramma's uitdrukking mochten geven aan het verlangen dat bij vaceerende hoogleeraarsplaatsen vreemdelingen niet langer in aanmerking zullen komen, zijn er, gelukkig, bezadigder woorden gesproken en is er op gewezen dat het verstandiger zou zijn de misstanden op te ruimen, die aan jonge Nederlandsche talenten somtijds den weg tot den akademischen leerstoel versperren.

Die misstanden zijn in het leven geroepen toen de Wet op het Hooger Onderwijs van 1877 het Koninklijk Besluit van 1815 is komen vervangen. Terwijl het laatste gebrekkig, doch lenig en rekbaar was, is de eerste zonder twijfel ‘de vrucht van grondig overleg’, maar heeft niettemin sedert haar twintigjarig bestaan meer onheil aangericht dan het laatste gedurende zijn zestigjarig leven. Hoe velerlei is er door de H.O. Wet niet op papier gereglementeerd dat vroeger aan het verstand van een klein aantal deskundigen werd overgelaten. En hoezeer is de eerbied voor ‘het reglement’, voor ‘de bepalingen’, voor ‘het examen’ niet gestegen ten koste

[p. 189]

van vrije studie en vrije geestesontwikkeling! Hooger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, lust tot studie en tot geestelijken arbeid om zijnszelfs wille kunnen alleen bloeien en opkomen daar waar erkend wordt dat voorbereiding voor hoogeren maatschappelijken werkkring niet moeten zijn africhting maar opleiding, zoowel voor hen die na hun studietijd in het practische leven zullen treden, als voor hen die zich in de meer abstracte banen der wetenschap zullen blijven bewegen. Eene opleiding die in de allereerste plaats rekening behoort te houden met wat aangeboren is, met talenten, neigingen en liefhebberij die in allerlei verschillende schakeeringen bij onze zonen aanwezig zijn, maar die door het tegenwoordige gymnasiale en universitaire leerplan eerder gedoofd en geknot, dan aangemoedigd en ontwikkeld worden. Ook aan de Universiteit blijft dat stelsel nawerken en werden onder den schijn van grootere billijkheid examenreglementen in het aanzijn geroepen die veelal het zwaartepunt van de universitaire voorbereiding van de collegekamer naar de repetitorswoning hebben verlegd.

Thans, na twintig jaren, blijkt het telkens dat in het welbegrepen belang van het Hooger Onderwijs zelve benoemingen van vreemdelingen moeten plaats vinden, opdat het peil van dat onderwijs op de gewenschte hoogte blijve en terecht zijn er vele in den lande die het betreuren dat Nederlandsche aanspraken somtijds beneden dat peil blijven. En waarom is dat zoo? Niet omdat onze Nederlansche studenten naar verhouding minder begaafd en talentvol zouden zijn, maar wel omdat diegenen onder hen, die als potentiëele hoogleeraren aan de Universiteit komen, slechts zelden tot rijpheid kunnen geraken. Wel vinden zij eene akademische opleiding, die voor de Duitsche niet behoeft onder te doen, maar na hunne promotie is bij ons te lande de voorbereiding tot de akademische loopbaan een paskwil van wat te dier zake aan Duitsche Universiteiten bestaat. Zoo heeft bijv. onze Hooger-Onderwijs-wetgever van 1877 wel privaatdocenten erkend en geschapen maar niet ingezien dat deze alleen dáár in gezonde concurrentie kunnen treden met het bestaande korps der gewone hoogleeraren, waar de student èn volgens de traditie van zijn land, college loopt aan de ééne en examen doet aan de andere Universiteit, buiten den greep van den ordinarius wiens college hij verzaakte om dat van den beter beslagen privaatdocent te volgen, èn door het betalen van afzonderlijk collegegeld dit liever dáár besteedt waar hij het beste te

[p. 190]

hooren krijgt. Zoo geschiedt het in Duitschland. En zoodoende is daar aan de privaatdocenten een inkomen verzekerd, dat door hen in Nederland nooit zal genoten worden en oefenen deze docenten een heilzamen prikkel uit ook op het onderwijs van de oudere generatie in wier rangen straks de opengevallen plaatsen door de besten hunner worden ingenomen. Voeg daarbij dat een assistentschap, een prosectoraat of conservatorschap en eindelijk de titel van buitengewoon hoogleeraar aan de privaatdocenten nog een andere bron van inkomsten en een vermeerdering van aanzien kunnen verschaffen, die hun het doorworstelen der magere jaren vergemakkelijken en ge hebt daarmede de oorzaak aangewezen - die de Hooger Onderwijs-wetgever ten onzent had kunnen voorzien! - waarom het privaatdocentschap in Nederland na afschaffing der collegegelden en der buitengewone professoraten een doodgeboren vrucht was. Trouwens, het ware niet aan te raden te trachten langs dezen weg verbetering aan te brengen.

Die verbetering moet veeleer telkens rekening houden met het voorkomende geval, in casu met de aanwezigheid van buitengewoon begaafde studenten. En in die richting is in Nederland reeds de weg aangewezen door Donders. Nog bij zijn leven heeft hij, hetgeen hem op zijn zeventigsten jaardag als feestgave werd aangeboden, omgezet in een fonds waarvan de rente strekt om aan Nederlandsche studenten na hun promotie eenige jaren lang gelegenheid te geven om te toonen of er in hen een zelfstandig onderzoeker en een voorganger op nog ongebaande paden steekt. Reeds is aan één dergenen die door tusschenkomst van dat fonds bij de beste buitenlandsche leermeesters langen tijd ongehinderd en onbezorgd heeft kunnen voortwerken, een hoogleeraarschap aan een onzer universiteiten ten deel gevallen. Ware het fonds tienmaal grooter - en de stichter heeft bij het ontwerpen van de statuten volgens welke het beheerd wordt, wel degelijk aan de mogelijkheid gedacht, dat het zich mettertijd door giften en legaten zou vergrooten - zoo zou wel degelijk in de toekomst de kans toenemen dat de werkelijk bijzonder begaafde landskinderen niet, zooals thans, door de zorg voor het dagelijksch brood reeds te vroeg buiten de universitaire attractiespheer werden weggeslingerd. Integendeel zou alsdan voor het meerendeel hunner t' avond of morgen een plaats gevonden worden.

Want dat deze werkelijk begaafden niet maar uitsluitend in ééne

[p. 191]

speciale richting zouden bruikbaar zijn, bewijzen vele gevallen in ons vaderland. Een onzer bekende anatomen is zijn loopbaan als zoöloog begonnen, twee onzer zoölogen waren prosectoren bij de menschelijke anatomie. De voor niet langen tijd overleden dermatoloog aan een onzer Universiteiten was aanvankelijk zoöloog, daarna menschelijk anatoom, toen clinicus. Dat de physiologie met de pathologische anatomie en omgekeerd, en dat laatstgenoemde met de hygiëne en ook met klinische vakken kan worden verwisseld bewijzen meer dan één nog levend voorbeeld. Waaruit alweder voor de zooveelste maal mag worden afgeleid, dat het er in de eerste plaats op aankomt de hand te leggen en te blijven leggen op begaafde persoonlijkheden. Deze zijn uit den aard der zaak juist in het begin van hun loopbaan nog tot veelzijdige ontwikkeling plooibaar. Maar op deze moet dan ook voortaan aan onze Universiteiten beter beslag kunnen gelegd worden dan tot heden mogelijk was. En daartoe moet niet alleen het particulier initiatief, zooals in het geval van de Donders-stichting, daartoe moet ook de Staat medewerken.

Reeds heeft in Nederland de Regeering meer dan eens stappen op dezen weg gezet, die volle waardeering verdienen. Zoo toen zij het Buitenzorg-fonds krachtig steunde en daardoor voor jonge botanici de bovenbedoelde misstanden gedeeltelijk hielp uit den weg ruimen. Zoo waar zij in het Zoölogisch Station te Napels aan zoölogen, physiologen en botanici een internationale werkplaats van veel beteekenis voor hun hoogere vorming beschikbaar stelde. Gaat de regeering op dien weg voort, dan zal het ook mogelijk blijken om voor andere takken van wetenschap en voor de klinische vakken eene reserve te scheppen, die het onnoodig maken kan, dat bij voorkomende vacatures het oog naar Duitschland gericht worde.

Tevens is de vraag gerechtigd of de tijd niet daar is, om de herziening van onze Hooger Onderwijswet voor te bereiden; niet in de bureaux van het Departement, maar, evenals met anderen legislatieven arbeid meermalen geschied is, door eene Staatscommissie ad hoc. Over zeer belangrijke punten, die nadrukkelijk verbetering behoeven, bestaat welhaast eenstemmigheid, over andere veroorlooft de twintigjarige ervaring toch reeds een grondig oordeel te vellen.

 

A.A.W.H.

prepostterug  begin  verder