terug  begin  verderprepost
[p. 210]

Bibliographie.

Huiskamer en keuken. Een tweetal schetsen door Mr. D.P.D. Fabius. Leiden, D. Donner. 1897.

Men kent de berijmde anecdote van den geleerden staatsman Just die, toen ‘Griet de kreup'le meid’ zijn studeerkamer kwam binnenstuiven met de mededeeling dat de keuken in brand stond, haar met stoïcijnsche kalmte en geleerde deftigheid toevoegde: ‘Gij kunt mijn vrouw dat kenbaar maken - ik steek mij niet in keukenzaken!

Minder exclusief en minder hooghartig dan deze geleerde toont zich de professor in de rechten aan de Vrije Universiteit, van wien onlangs da twee schetsen: Huiskamer en keuken het licht zagen.

Dat hier een hooggeleerde aan het woord is, een belezen man, bezitter van een uitgebreide bibliotheek of althans te huis in de vele boeken die van verre of nabij zijn onderwerp betreffen, een bereisd man bovendien, wien het voorrecht te beurt viel met vele landen kennis te maken en, zoowel binnen- als buitenslands, met lieden van allerlei rang om te gaan, van ‘den jongsten zoon van onzen Koning’ tot den eenvoudigsten Gelderschen boer, blijkt vooral uit de aanhalingen en mededeelingen vervat in de talrijke noten, die niet altijd in direct verband staande tot de zaak waarover gehandeld wordt, de lezing van het geschrift nu juist niet gemakkelijk maken. Wie echter die noten tot latere afzonderlijke bestudeering bewaart en zich met den tekst vergenoegt, vindt daarin beschouwingen over het huiselijk leven, waarvan vele gedeeld zullen kunnen worden ook door wie niet op den bodem staan van des schrijvers geloof.

Of wie zou niet met Prof. Fabius instemmen in den lof van de huiskamer als ‘de vluchtheuvel waar men zich voor een wijle uit het gedrang des levens redt’, het oord dat te weldadiger invloed oefent naarmate het leven drukker wordt; wie voelt niet de beteekenis van hetgeen de schrijver noemt ‘de spraak der huiskamer’, de taal die spreekt uit de wanden van het gewone verblijf, waar men de kunst verstaat, er ‘geest en leven’ te brengen?

Ook in hetgeen gezegd wordt over de gezelligheid en over de kunst om die te kweeken en te koesteren, is veel wat behartiging verdient.

[p. 211]

Wij releveeren onder meer, de opmerking, dat, terwijl overdag de drukte, het gewoel op straat het leven uit de daaraan grenzende vertrekken ‘wegzuigt’, de gezelligheid eerst recht mogelijk wordt wanneer de lamp wordt opgestoken en tegelijkertijd de luiken (of de gordijnen) gesloten worden. ‘De luiken beletten het ontvluchten der geestelijke persoonlijkheid. Zoo wordt de warmte tusschen de vier wanden opgesloten, en dat geeft een gloed, die door ieder wordt gevoeld, al weet men zich van de oorzaak, die eigenlijk meer in de luiken zit dan in de lamp, niet helder rekenschap te geven’.

Niet vrij van gezochtheid dunkt ons Prof. Fabius' verklaring van de gezelligheid van pantoffels en chamber-cloak. Men herinnert zich hoe des schrijvers vriend en medestrijder Abraham Kuyper zich voor de ‘Hollandsche Revue’ liet vereeuwigen in een onoogelijke kamerjapon; en nu lezen wij hier, à propos van pantoffels en chamber-cloak: ‘... Het verband met de gezelligheid is niet moeielijk aan te wijzen. Wie zich van zijn laarzen ontdoet, en de chamber-cloak te voorschijn haalt, schijnt niet van zins te zijn meer uit te gaan. De huisgenooten zijn van zijn tegenwoordigheid voor den geheelen avond verzekerd’.

Niet minder bedenking hebben wij tegen het handwerk waarmede de schrijver de vrouw gewapend wil zien, wanneer een vriend des huizes een bezoek komt brengen. Wat toch is zijn motief? Heeft de vrouw een naai- of borduurwerk in de hand, dan - luister goed! - dan ‘hindert het minder wanneer zoo nu en dan een punt wordt aangeroerd dat buiten haar gezichtseinder valt. Door die mogelijkheid wordt het gesprek vrijer. Men behoeft zich niet telkens af te vragen, of voor het onderwerp ook bij haar op voldoende belangstelling is te rekenen. En die grootere vrijheid van beweging,’ (nl. om de vrouw des huizes te mogen negeeren, haar voor spek en boonen te laten zitten bij het gesprek dat in haar huiskamer wordt gevoerd) ‘verhoogt de gezelligheid...’

Wat dunkt u: schuilt in deze opmerking niet een geheele theorie over de opvoeding van de vrouw?

En toch - de schrijver meent het zoo goed met de vrouw! Behalve bij uitstek practische raadgevingen betreffende de samenstelling van het dagelijksch menu (p. 42), geeft hij haar op pagina 82 een bijna volledige handleiding over het theeschenken, met een kostelijken wenk ten opzichte van ‘de gezellige beteekenis van het koekje bij de thee’.

Heeft den hooggeleerden schrijver, toen hij aan zijn tweede schets begon, toch misschien een oogenblik de vrees bekropen, dat men hem verwijten zou af te dalen tot zaken beneden zijn waardigheid, en heeft hij daarom in dit gedeelte van zijn arbeid den hoogleeraar in de rechten meer op den voorgrond geschoven? Zeker is het, dat, terwijl het leekenpreekje over huiselijkheid en gezelligheid voor den algemeenen lezer bestemd scheen, het stuk: ‘De booien’, trots zijn gemeenzamen titel, voor verreweg het grootste gedeelte een betoog is geworden over het dienstbodenrecht en over zijn gebrekkige regeling in ons Burgerlijk Wetboek. Daaraan knoopt de schrijver beschouwingen vast die alweder op veler instemming zullen mogen rekenen, maar het geheel is een wetenschappelijke verhandeling geworden, waarvan de aankondiging niet hier, maar in een rechtsgeleerd tijdschrift tehuis behoort.

Met de slotsom waartoe de schrijver komt, dat de klove tusschen huiskamer en keuken steeds grooter wordt, dat de dienstboden steeds minder als lid van het gezin worden beschouwd, is, dunkt ons, geen onverdeelde instemming te wachten. Is er niet in vele kringen juist in de latere jaren een toenadering duidelijk merkbaar, een neiging om den dienstboden het juk der dienstbaarheid minder drukkend te maken? Komt de ‘verteedering des harten’,

[p. 212]

waarvan Allard Pierson sprak, ook hun niet ten goede?

Wat door den schrijver in de eerste zinsnede van zijn voorwoord van de ‘Gereformeerde kringen’ gezegd wordt - toch zeker niet, omdat hij voor dezen het monopolie ervan wil vindiceeren, maar veeleer omdat hij in die kringen het best thuis is? - geldt zeker ook van onderscheidene andere, hetzij dan Katholieke, Israëlitische, orthodox protestantsche, moderne of ongeloovige Nederlandsche kringen, dat er namelijk ‘hooge waarde gehecht wordt aan het gezin, en gevoeld wordt, dat een krachtig ontwikkeld huiselijk leven onmisbare voorwaarde is voor het welzijn van een volk.’

En wijl dat zoo is, zal veel van hetgeen in deze schetsen over het huiselijk leven gezegd wordt op de belangstelling mogen rekenen ook van hen, die met den schrijver in geloofsovertuiging hemelsbreed verschillen.

prepostterug  begin  verder