28 April.
De Paaschdagen scheiden de maand April door een bloedstreep in twee helften. Hier een gekir: In Godsnaam houdt je rustig; daar een gegrom: In Godsnaam vecht het dan samen uit. Hier een groepeering van fantastische uniformen tegen de berghellingen aan beide kanten van de grens; daar het schilderachtig brutale mengsel van kampende en vluchtende lichamen, van geschutlawaai en marschgedreun, van angstig kermen en van geestdriftvol hoerageschreeuw. In een woord: hier de afwachting; daar de vertooning.
Een vertooning!
Natuurlijk; gelooft ge er aan?
Niemand kan nog wat daar in de verte thans gebeurt voor vollen ernst opnemen. Onder die blauwe lucht, te midden van dat theatrale gebergte; een coulisse aan den rechterkant: de Melounapas; een vuurwerk aan de linkerzijde: het bombardement van Prevesa.
't Is alles zoo gauw gekomen als een welvoorbereide surprise. Sommige menschen denken dat het plan beraamd was door een combinatie der redacties van de voornaamste geïllustreerde weekbladen; anderen zien er een machinatie in van de houders van Turksche fondsen, een soort reclame-annonce voor een aanstaande leening; weer anderen, en dat zijn politici, schudden het hoofd over de moedwillige intrigues van keizer Wilhelm die het Turksche leger een vuurproef wil doen ondergaan, voordat hij het gaat gebruiken tegen Rusland; nog weer anderen, en dat zijn de menschen die door steenen heen kunnen zien, beschouwen de driestheid der Grieken als een gevolg der wijsheid van Lord Salisbury die in troebel water wil gaan visschen.
Toch, - al kunnen we vooreerst nog niet recht gelooven aan den ernst van wat ons vertoond wordt, - we zullen er ons op gevat dienen te houden van te moeten gelooven aan de echtheid en waarheid van de krachten die zich in dit tegenwoordige conflict vertoonen. En die echte kracht zit 'm niet in het machiavellisme
van eenig geldbaron die zijn zakken wil overvullen of van een keizer die voor diplomaat wil spelen, personages van de fantasie, - maar in de twee die we met elkaâr zien vechten, op de plaatjes of in de krantenberichten, den Griek en den Turk.
Waren de Grieken geheel verblind toen zij zich wapenden en hun legerplaats aan de grens opsloegen?
Zij hebben waarschijnlijk gerekend op wat jaloezie en oneenigheid tusschen de groote mogendheden, zij hebben misschien gedacht dat enkele van de Balkanstaten het den Turken in den rug lastig zouden gaan maken; en het was misgerekend. Een misrekening ook van hulp der Grieken in Macedonië of van de Turksche eilanden of van Klein-Azië. Hadden de eerste veldslagen een gelukkiger afloop gehad, die steun zou denkelijk niet ontbroken hebben. Maar zou de uitslag van den oorlog daardoor veranderd zijn? Ik geloof alleen dat de oorlog een beetje langer geduurd zou hebben dan thans het geval zal wezen.
De legermacht van de Grieken is op den duur tegen de Turken niet bestand. En zij konden slechts succes hebben onder twee voorwaarden: een bondgenootschap van Engeland met Oostenrijk en Italië dat des noods den strijd tegen Rusland en Frankrijk aandurfde, en het bestuur van een staatsman in Athene, een man van het caliber van Bismarck of Cavour.
In plaats van den grooten politicus hebben de Grieken echter alleen koffijhuispolitici en ambtenjagers, en dat Oostenrijk ooit een verbond zal aangaan zonder eerst nederig in Berlijn en in St. Petersburg permissie gevraagd te hebben, behoort tot die onmogelijke dingen waarvan men alleen in een droom droomen kan.
Een ding dat voeten in de aard heeft, dat stevig kan staan en groeien, is dus het plan der Grieken niet geweest. Wil men hen met het Japan vergelijken dat den oorlog tegen China opneemt, dan valt de vergelijking geheel in hun nadeel uit. Zij hebben niet voor hun geldmiddelen gezorgd, zij zijn niet voldoende voorbereid, zij bezitten geen legerhoofden die een goed schema voor den aanval konden maken.
Zoo lijken zij hun nederlaag dubbel en dwars verdiend te hebben, en voor niets anders dan voor rustverstoorders te kunnen gelden.
Maar neen, - men gevoelt dat men het opgewonden, dwaze volkje met zoo'n oordeel onrecht aandoet.
Heeft Italië dan ook niet zijn periode van zwakheid en verdwaasdheid gehad, voordat het zijn Cavour vond. Hoe heeft het aan de ziekte van geheime genootschappen en van mislukte groote mannen gesukkeld, eer dat het iets tot stand bracht wat het daglicht mocht zien! Dan toont Griekenland zich toch
op 't oogenblik al een stap verder dan Italië was onder Karel Albert.
Het heeft den krijg uitgelokt en aangedurfd in een tijd dat alle machtige mogendheden zich tot over de ooren wapenen uit vrees voor den oorlog. Had Griekenland toegezien en gerust, het zou wel geschenen hebben alsof 't er in berustte dat slavische invloed langzamerhand den luister van den Griekschen naam verdrong; het zou als zijn toekomst verkozen hebben om niet meer dan een troepje Levantijnsche kooplui te wezen met een handelstaaltje, langs de kust gesproken en in de slecht befaamde wijken van de groote steden. Nu heeft het de wapenen opgevat om zijn groote ideale bezittingen te handhaven. Het kan en zal de nederlaag lijden, maar als het zijn nederlaag weet te dragen, heeft het, ondanks zijn verliezen, een machtig ding gewonnen, tot pand voor de toekomst.
Noemt ze maar verblind, die arme Grieken, ze zien toch degelijk goed voor zich uit. En al krijgen ze klop, ze hebben zich niet bang getoond, niet bang voor Europa en den boeman.
De boeman is de Turk.
Vreemd dat de Turk thans de rol op zich heeft genomen van den goed gemanierden en goed gestyleerden policie-agent, het orgaan van de conservatieven in Europa!
Zoo worden, naar men zegt, uit de geslepenste boeven de beste detectives, en de schrik der christenheid wordt de deftige bewaarder van de orde onder de Christenen.
Of op dat gebied de toekomst van de Turken ligt?
Wat zonde en jammer! Het laatste stukje van onvervalscht heidendom dat we in Europa overhielden, het restje van onherleidbaar barbarisme waarin we ons verheugden, dat gaat nu onder het hooge toezicht van de mogendheden marichausséesdiensten verrichten.
Is dat geen teeken van wat van hen nog maar te verwachten is.
Die Turken! Brave lieden, maar zonder toekomst. Goede soldaten, maar ellendige organisateurs. Een gelukkige oorlog geeft aan hun rijk een verlenging van leven. Maar wat moet men ten slotte met hen doen? Ze pensioneeren met een medaille, en daarna naar Klein-Azië overbrengen.
Dat is het onderscheid tusschen de twee die daar thans in Thessalië tegenover elkander staan. De een jaagt den ander voor zich uit, maar hij is de schaduw; de ander kampt en vlucht, en verzwakt en kampt, maar hij is het leven en de toekomst.
En het leven behoeft waarlijk niet bevreesd te zijn voor het geboem op de Turksche trom.