terug  begin  verderprepost
[p. 405]

Metamorfoze.


-... Je verbergt je achter je woordeu: je wikkelt je in je stijl als in een mantel.
- Neen. Ik leef een metamorfoze. Meer niet. Ik geef mezelf zóo weinig, als ik waarlijk ben, in mijn boeken, dat mijn lezers er nooit Hugo Aylva in zullen zien. Ze zien nooit meer dan een zielgenoot. En al zoû ik nu eens schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was: al zoû ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijue waren, de held zoû niet ik zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zoû een roman blijven, niets dan een roman, en zich nooit realizeeren tot autobiografie...
V. Het Boek van Metamorfoze I.

IV.
Het boek van anarchisme.

I.

Als dan het leven toch voort moest gaan, dan - moest hij zich bekennen - waren de dagen liefdadig geweest, en was de zomer geweest zoo mild als maar zijn kon, wel koud eerst en vochtig tot Juni toe, maar Juli, Augustus heel innige maanden, aan den zoom van de Veluwe, in de stilwitte duinen, die er witter zijn dan bij Scheveningen, blond van helm.

Dan de lange wandelingen in België, om Luik en in de Ardennen, Chaudfontaine en Laroche, de dagenlange wandelingen, of urenlange liggen, met een boek, in de dichtste

[p. 406]

plekjes van het park van La Rochette, de blauwe lucht zwoel boven hem, ether neêrzevende door de takken van beuken, waarvan de blaadjes als goud waren uitgeknipt, en tusschen de hooge halmen gras zoemden heel teêr de kevers of fladderden, om elkaâr heen, kapellen, als kleine gedichtjes.

De idylle van dien zomer troostte heel zacht de tragedie van zijn ziel. Ze was als eene bleeke reconvalescente, die beter wordt omdat levensberusting haar was medicijn. Hij nam ze met zich meê, zijn ziel, in de eenzame plekjes van het park, dat soms kan zijn als van een Schoone Slaapster: dan schemert in de verte heel even het kasteel. Hij nam ze met zich meê, en het werd als zag hij haar liggen - de bleeke zieke, die lief hem was - mèt hèm samen tusschen de hooge halmen: ze hoorde met hem naar de kevers, die zoemden; ze volgde met hem de kapellen, die speelden. En boven hen welfde hoog zich de lucht, het eindeloos geheimzinnige blauw, als de dom van een tempel, materieloos en enkel lichttrilling en enkel droom, en er drijvend door heen, onaanraakbaar, heel langzame vluchten van wolkengeesten, meêsleepende sluiers van dun mousseline en zilveren rag...

Dat waren lieve weken.

Mevrouw Aylva en mevrouw Van Neerbrugge hadden in het dorp een paar kamers, waarvan Emilie een home had gemaakt. Soms waren het lange toeren; soms kleine wandelingen met de beide mama's; soms groote met Emilie, en eens was Den Bergh gekomen, voor een vijf, zes dagen. Maar het liefste was te dwalen en te droomen in het park van La Rochette en langs de heel hooge bramenstruiken, die purper zagen van overgroote bramen, te oogsten tot de vingers bloedbevlekt schenen en het bijna, bacchantisch, een zwijmel werd: onschuldige bramendronkenschap....

De dagen droomden weg in veel zon en veel lucht en een lichte, glimlachende soezing was zwaar in Aylva's brein, als neuriede er een wiegezang bij zijn leed.

En toen de dagen wegdroomden en het langzamerhand weêr tijd werd op te breken, toen voelde hij geen moed met zijn moeder terug te gaan naar Den Haag.

Hij had er niets te doen: hij schreef niet, want ‘Nirwana’ was geschreven - en hij meende, kalm, dat hij na dit boek nu waarlijk niets meer schrijven zoû....

[p. 407]

Dat was een zachte rust, dat zoo te denken, dat hij uitgeschreven was; het niet te denken in bitterheid en desilluzie, maar het kalmweg te gelooven, dat het nu wel waarlijk was geweest de laatste keer....

Waarom dus naar Den Haag, waar zijn eigen kamer toch niet voor hem de bekoring zoû hebben van arbeid....

Hij moest zijne moeder overtuigen, dat hij veel beter was, heel kalm, dat hij er wel pleizier in hebben zoû alleen te reizen dezen keer, en dat hij iederen dag haar schrijven zoû. Zij scheidde zich ongaarne van hem, als altijd: zij was zoo altijd moeder; het liefst had zij haar kinderen altijd om zich heen gehouden. Hij was de laatste, de jongste, die gebleven was, en nu ook ging hij dikwijls weg....

Zij wist, dat het niet anders kon, maar lijden deed ze om die wet van wreedheid in het leven; het langzaam losgaan van de nauwe strikken tusschen kinderen en ouders. Hij had haar niet zoo noodig als zij hem. En toch, hij had haar lief, al zoû hij later voelen eerst hoe lief....

Nu was het redeneeren, zacht overtuigend, dat het heusch goed was, als hij ging op reis.

Want hij verlangde naar Italië; hij had er altijd naar verlangd.

Zij schudde steeds haar hoofd, stond toe, maar met een hart heel zwaar, vol voorgevoel, waaraan zij niet toegeven wilde, omdat zij was eenvoudig en verstandig...

En noode liet zij hem zijn zin doen...

En Emilie moest haar veel troosten, toen zij waren in Den Haag en zij, alleen, des winters, in de Boschjes, in de kleine villa, wit van sneeuw, terwijl hij schreef van zon en blauwe lucht, en vroeg, waarom zij ook niet kwam, bij hem...

Dan schudde zij het hoofd: zij was te oud te reizen...

Om haar was de witte winter als een einde...

Eenzaam bleef zij verlangen naar hem, haar jongste, die gegaan was met zijn groote leed, zijn zieke ziel, bleeke reconvalescente, die hij zacht-aan genezen wilde in Italië's zon...

Eenzaam bleef zij: in hare eenzaamheid kwam Emilie dan iederen dag een uur omtooveren tot heel lief samen-zijn:

Dan spraken zij veel over Hugo...

 

[p. 408]

II.

Nú was de wijde eenzaamheid als een immense cirkel om hem heen; hij, middenpunt; de blikken van zijn oogen lange stralen naar de horizonnen van nieuwe perspectieven, en zijn gedachten ruime cirkels, beschreven binnen den immensen cirkel, den matelooze, vàn zijne eenzaamheid...

Nu voelde hij, dat als het groote levensleed niet knakt en breekt en doodt, het krachtig maakt en rotsonwrikbaarheid geeft, waaraan de ziel, de zieke, zich heel veilig klampt...

Nu voelde hij de gouden revelatie van het Leven, en dat de smart heel heilig is, en dat een liefde zonder smart geen liefde zijn zoû, en zelfs geen geluk. Nu was hij dankbaar in weemoedigheid, heel dankbaar aan zijn leven, heel dankbaar aan het kostbare geschenk: het rein trezoor, dat hij gekregen had voor héel zijn leven; heel dankbaar voor zijn vroom geloof aan zijne liefde. En lichte twijfelingen waren er wel geweest als wolkjes, maar ze lieten nu den stillen gouden hemel bloot...

Toen, - in de nu verstorvene dagen van heiligheid - toen was het wel geweest:

Dat wat hij had en niet genoeg waardeerde.

In zijn geluk had hij verlangd naar meer geluk en minder; in 't reinste naar het minder rein; in 't Licht, dat niet was aan te raken, naar glinsterdingen, tastbaar...

Dat was wel menschelijk geweest...

En om dat alles had hij veel geleden.

Maar al zijn leed was goed geweest.

Alles was goed geweest.

Hij zag het in de ruime cirkels van gedachte, die hij langzaam om zich heen beschreef, binnen den cirkel van zijn eenzaamheid.

En in de gouden revelatie van het Leven waren de etherblauwe revelaties, - als firmamenten, die opengingen - van het mooie land, waarvan de horizonnen nu den cirkel van zijn eenzaamheid afkartelden: de revelaties van de zon, antieke steden, olijvendalen, vrome kunst, van levenseenvoud, hartelijkheid, van rythme: veel rythme, dat trilde in de lucht tusschen den transparanten ether en de edel-oude ruïne's...

Dat alles: - de madonna's in heur gouden atmosfeer;

[p. 409]

het liedje van een jongen op de straat; het rijzen van verminkte zuilen en het dood geploft zijn van hare kapiteelen; het meest misschien: het Waas...: dat wat niet is te zeggen, niet te beschrijven, niet te schilderen; het waas in de lucht; het waas, dat rythme wordt - of stille lieren, onzichtbaar, trillen zouden in het kristallijne blauw, onhoorbaar bijna voor menschenooren: dat àlles smolt te zamen met duizend revelatie's in de Eene van het Leven, tot het heel duidelijk werd of hij dat alles al gekend had in een ver verleden, waarin zijn ziel nog éens geweest zoû zijn zijn ziel...

Dit was hem zoo geopenbaard, heel duidelijk wist hij hoeveel malen, waar en wanneer:

Terwijl hij opging in bewondering voor al den hemelglans van Memmi's Annonciatie, die als eén gouden straal schiet door een der galerijen van de Uffizie te Florence.

Had voór dien tijd hij ooit wel eéne schilderij gezien?

Had hij vooral wel vóor dien tijd begrepen hoe vroom, hoe edel, rein, hoe puur het zijn kan, als in een dagenlangen droom te schilderen een engel en een maagd, of de oogen strak een vizioen zien, dat zij niet laten los, voordat het tastbaar is in kleur, voordat het drijft in goud, dat zichtbaar zal voor allen zijn en eeuwen lang...?

En dat was hem een tweede maal geopenbaard voor den Eros van Praxiteles, dat arm verminkte marmer in het Vaticaan en dat hem had doen tranen krijgen om zijne stille zeggen wat de liefde was, - niet zinnelijk, gezond, eenvoudig, en Helleensch - maar vreemd modern, vol smart, vol peinzen en diep-inzien in zichzelven: zielsliefde, moeilijk op te lossen, zeer na aan ons verwant, aan al ons zieke denken, wanhoop en hoog gelukkig zijn...

Vreemd, dat dat beeld Helleensch was; vreemd, dat het nu onsterfelijk was, onsterfelijk in Italië... Hoorde het wel het rythme, in de lucht, der lieren, en leed het onder al dat eeuwig jubelen van schoonheid, van gezondheid en van eenvoud..?

Of was het aan Italië sympathisch - het zielezieke marmer - met sympathie van tegenstrijdigheid?

Zoo was Italië Hugo sympathiek, omdat Italië was gezond en Hugo ziek.

Zoo was de Eros hem een broêr, een vriend, vergoddelijkt, omdat zij beiden waren ziek....

[p. 410]

En nog een derde maal was hem heel duidelijk de revelatie weêr geworden, eens gaande in namiddaguur van San Pietro in Montorio langzaam naar San Onofrio toe en de Stad, telkens als omlijst tusschen de pijnen van den Janicolo, kaatste op al hare blankheid het laatste licht terug, maar vooral dreef het Waas en bijna luide zongen, ontelbaar, de heilige lieren, heel hoog, de incantatiën, die susten....

II.

Nooit had hij gedacht zich zoo wel nog te kunnen gevoelen. Het was als stond hij op een hoog standpunt, waar het leed van de wereld hem niet meer deren zoû, omdat hij reeds zijn grootste wereldleed geleden had, en niet bezweken was. Van dat standpunt zonder trots, met veel weemoed, maar heel kalm, zag hij om zich heen, bescheef hij den wijden cirkel van zijn eenzaamheid, die de horizonnen van Italië als kartelden, beschreef hij de nauwere kringen van zijn gedachten. En hoewel de groote en gezonde levensvreugde hem ontbrak, als altijd, zag hij, dat de horizonnen mooi waren en het leven goed was: een vreemde harmonie, nog niet te verklaren voor menschelijke hersenen, maar slechts te raden en aan te nemen, in de hoop, dat het verklarende licht eenmaal stralen zoû, al ware het na den dood....

Want dat het leven van de ziel alleen zoû zijn dit aardsch, chaotisch drijven: dat nam hij niet meer aan en hij vermoedde, dat hij het zelfs nooit gedacht had....

En, als met godsdienst, wilde hij nu gelooven, dat - al zag hij nooit Hélène meer terug - zijn liefde heilige beteekenis had gehad, voor wanneer wist hij niet: of voor dit leven, of voor een leven later, dat hij maar lichtschemeren zag als met vele bloemen van licht aan wateren van licht, en een lichtende droomgestalte daar zwevende door heen, met haár verklaarde trekken.... Wat wist men? Men wist niets, maar aan te nemen, dat het maar dìt aardsch, chaotisch drijven was, en dan de Dood - onmetelijke duisternis - en dan gedaan - gedaan zonder éen oplossing van harmonie:.... dat kon niet zijn.

Wéten zoû men nooit doen, maar een teedere gave van de ziel was: gelooven. En hij geloofde aan de Harmonie, al

[p. 411]

begreep hij haar niet, zooals men in de kerken, die hij bezocht, geloofde aan de Maagd en aan de heiligen....

Hij geloofde dus, dat het niet voor niets was geweest - voor de groote, zwarte, onmetelijke duisternis, - dat hij Hélène had liefgehad en haar nog liefhad, heel ver, maar ontwijfelbaar en voor altijd....

Eénmaal zoû het duidelijk zijn!

O, in zijn wanhoop had hij nooit gedacht, dat het hem nog zoo goed zoû worden. Dat de eenzaamheid, die hij eens zoo gevreesd had, geen wijde woestijn meer ware, maar een ruim uitspansel vol rythme. Dat het een rust was, alleen te zijn in een aanbiddelijke stad, waar hij niemand kende, waar hij leefde en dacht in een grenzenlooze vrijheid, zoodat hij geheel tot zichzelven komen kon en kon gaan gelooven aan de innige Harmonie, als aan God.....

En in zijne kalmte, rust en eenzaamheid wilde hij gaarne werken en schreef hij, zoekende, vele kleine schetsen, heel intieme novellen, reisindrukken..... Dat alles had niet veel waarde: het waren maar als losse bladen, die vielen uit een dagboek, en al spiegelden zich zijne nieuwe stemmingen er in af, het was kleine kunst, het was als prelude van hij wist niet wat, dat komen zoû.....

Hij kon nog niet gelooven, dat hij de kunst weêr zoû zien naderen, na ‘Nirwana’.....

En toch, door de wijde kringen van zijne verschillende revelatiën, meende hij haar, als een glans, te zien aandrijven, onverstoorbaar in hare sereene aanwijzing van zijn levensplicht.

Zoo had hij haar eerst gezien, als illuzie, als een rein broos kind, stralend, transparant, de oogen louter licht. En zij was langzaam aan als gerijpd tot een ernstige jonkvrouw, die hem ‘Nirwana’ had doen leven - zijne ziel splitsende in de dubbele herschepping van twee, die elkaâr zouden liefhebben.

En nu, uit Italië's horizonnen aandrijvende als een glans, door al de kringen om hem heen - zooals een engel gaat van het empyreum door de sferen tot het kleine punt der aarde toe - nu zag hij haar vooral aankomen naar hem als groote en serieuze vrouw....

Hij had haar eens beschreven aan Hélène als een sterke godin, maar zoo was zij niet nu.....

[p. 412]

Hij zag haar nu vooral serieus, heel kalm: verloren had zij hare illuzie, als een aureool, die van haar af was gevallen: eene stille resignatie, kalme melancholie, staarde uit haar groote oogen recht op hem toe, terwijl zij aandreef, nader, nader, onverstoorbaar, gehoorzame gezante van veel grootere machten dan zij.....

Zij scheen te twijfelen aan hem, en hij, hij zag haar twijfel, zooals hij die nóoit had gezien.....

Zij scheen te meenen, hij was te zwak en te ondankbaar vooral, te onwillig en te stuursch om aan te hooren wat zij hem nú zeggen zoû.....

Want zij scheen niet te komen, zooals hij haar beschreven had aan Hélène, met hare omhelzing van godinne-armen, den kus van haren mond, aanblazing tot roem met den kreet van: straal, straal.....! Zij scheen te komen heel kalm, heel serieus, geresigneerd, bijna een frons tusschen haar oogen en hij was bang voor haar.....

Zij scheen het te zien, dat hij bang was en zij twijfelde aan hem.....

Maar nu was zij al nader aangedreven en hij hoorde haar al fluisteren met lippen, die nauwlijks nog bewogen, en zij scheen hem te zeggen, dat zij niet te twijfelen had en hij niet had vreeze te koesteren, want dat zij maar kwam als gehoorzame gezante van de grootere machten.....

Zij wist niets, zoo min als hij, maar achter den horizon, uit welken zij aandreef, was de macht, die wist, en streng was, onverbiddelijk, en die beval: haar en hem.....

En zij scheen hem te zeggen, dat zij elkaâr moesten verdragen, omdat hun opgelegd was samen te werken aan een enkelen levensplicht, hoe klein en schijnbaar nutteloos die scheen.....

Zij was nu heel dicht gekomen en hare gestalte scheen zich op te lossen in de eigen atmosfeer om hem, maar hij voelde haar in zich dringen, in zijn ziel.....

En nú wist hij eerst waarlijk, dat zij gekomen was en was het hem goed, want, zoo ze verre bleef, smachtte immers het Heimwee naar haar altijd en altijd in hem, in de vreemde contradictie van het Verlangen en het Afweren.....

Hij weerde niet af: door zijne wijde eenzaamheid heen naar zijn hoogen top van izolatie was zij gekomen, de kalme,

[p. 413]

sereene, ernstige vrouw, als troosteresse en genezeresse, onverstoorbaar, noodlottig en liefhebbend.....

IV.

Het was of hij nu op zijn hoogen top beter het leven zag, dan hij ooit gedaan had.

Hij zag nu wijd om zich heen en hij had totnogtoe altijd maar geblikt in zich of maar éven om zich heen.....

Zelfs onder zijne studie van Humanisme, onder zijn onophoudelijke lectuur van vroeger, had zijn blik geen wijderen kring beschreven dan dien van zijne kleine omgeving.

Nu, nu zag hij de eeuwen.....

Nu, nu zag hij wat marmer was en wat doek en hoe het altijd edel gebleven was, onverstoorbaar mooi, onder welke vagen van bezoedeling ook.....

Zuilen en fresco's waren revelatie's.....

De eeuwen openden zich als met renzenbloemen, die ontloken. De historie ontrolde zich als een drama, geschreven door het Lot.....

Het was het Verleden, dat aangolfde uit de verre horizonnen: eene schuimende zee....

En hoe dichter ze aangolfde, hoe duidelijker zag hij, dat de dichtste golven het Heden werden.....

Hij zàg het Heden, het einde van deze eeuw.....

Door de fantasmagorie der revelatiën heen, openbaarde zich, in een vreemd, kalm, klaar, koel licht: de eigen Tijd.

En als in een Apocalyps zag hij er de groote dingen van: de tronen, die wankelden; de bloedroode schijnsels aan de kimmen; het aandreunen van de tragische toekomst, die opdoemde, reusachtig spooksel nog onzichtbaar.....

Wàt zoû het zijn....?

Hij was te weinig acute studie-mensch, om zich te omringen met veel boeken en in de geschriften van de menschen op te speuren, wat zoû gaan gebeuren.

Hij zag alleen, hoog, van zijn izolatie, een vizioen, omdat hij niet meer in zichzelven blikte.....

En nu vooral bemerkte hij wat hem ontbrak: hoeveel.

Hij had zich altijd een beetje laten voorstaan op zijne gewoon-menschelijkheid en zich verdedigd tegen artisticiteit,

[p. 414]

een beetje geblagueerd, dat hij banaal was, geen kunstenaar en een ‘bourgois’, die veel hield van de kleine dingen van de wereld.

En nu, nu zag hij zich heel duidelijk in het kalme, klare, koele licht.

Nu, dat hij ruimer om zich zag, de eeuwen zag, de kunst, het Heden.... nu zag hij, dat hij niet gewoon-menschelijk was.

Hij was een droomer en een dilettant, buiten de menschen om. De menschen - dáár, in zijn vizioen van eigen Tijd, - zag hij ze rond krioelen. Ze deden. Wat ook, ze dachten, ze deden, ze handelden; en ze bewogen zich met reuzengroote beweging.

Dat was het gewoon-menschelijke, het ware: beweging, actie, terwijl de toekomst naderde.....

En hij - die eenmaal zooveel had gedacht van zijne gewoon-menschelijkheid - hij droomde maar en hij deed niets.

Hij stond maar op zijn top en zag met groote, bange oogen - bang, omdat hij een kleine ziel had, ziel van een kind, dat liever was gekropen in een veilig hoekje van zachte liefde, dan zoo te staan met den wind om zijn hoofd.

Hij zag, zag toe, en zag hoe weinig hij was, als zij waren...

Hij stond maar; meende, dat hij niet anders kon dan staan, en om zich heen zien, bang uitzien naar de woeste golven, die aanspoelden, terwijl over de kimmen de vreemde silhouetten trokken van voorspelling: bleek violet, optochten, waaruit woeste kreten klonken.

Hij kon niet anders.....

Na de eerste fantazieën - de spelen van zijn ziel - had hem de heilige schrik geslagen.

De witblauwe bliksem van het Noodlot - éens, heel kort, voor zijn oogen gezigzagd door een zwarte lucht - had hem verlamd, voor altijd, voor zijn heele leven.

De wil, drijfveer der actie, hef boom der reuzenimmense menschenbeweging, was in hem lam geslagen.

En als apart van hen, die werkten, déden - omdat de Toekomst naderde, dreigde - stond hij, zag uit, en gevoelde klaar-duidelijk hoeveel hem ontbrak om te zijn eenvoudig en menschelijk en met hen allen meê te doen hun drijven, voor of tegen.

Want bovenal het groote instinct, de reine intuïtie, de

[p. 415]

drang tot samenwerking, gemeenschapsgevoel ontbrak hem als een orgaan, een zin aan zijne ziel, als ware ze lam of blind....

Eenzamer nog voelde hij zich, al krioelden nu de duizende schimmen binnen den wijden cirkel, die eerst maar gekarteld was geweest door Italië's kim.

Steeds eenzamer voelde hij zich, lam geslagen door zijn Schrik, droomende, wachtende....

En hij ware gestorven onder een nachtmerrie van zwijgende beklemmende inwanhoop, zoo de Troost al niet gekomen ware: tweevoudig mild Erbarmen, in de ernstige vrouw, die de kunst was,

En zijn geloof aan de Harmonie, dat zijn godsdienst was geworden....

V.

En nu, terwijl hij dwaalde, altijd alleen, door Rome, - de lage ruïne's van het Forum langs; de hooge trappen van het Colosseum op; de antieke grootheid droomde op den Palatijn, en doelloos afliep naar een ver verschiet toe, in al den zonneweemoed van de Via Appia - nu voelde hij het Heden zich openbaren vreemd in zijne ziel door de bekoring heen der innig-oude Oudheid.

En nu, terwijl hij liep door de paleizen en de Oudheid nog eens zag in marmer, de Renaissance zag in doek en fresco, en het Verleden tot hem fluisterde:

Wij zijn de Schoonheid, omdat wij de Herinnering zijn, de Weemoed: omdat wij in het Zuiden zijn wat lokt je noordelijke ziel; het vage: weemoed, herinnering; omdat wij zijn: de Droom; -

Nu hoorde hij het harde Heden, door die muziek van fluistering, snerpen een schellen smartkreet....!

Hij hoorde het, en hij bleef droomen, zien, en luisteren, zonder te doen.

En in zich voelde hij de Kunst, die ernstig gekomen was, nu drijven haar edele spel en cizeleeren gaan haar rijke werk en hem, als altijd, suggereeren, heel zacht aan, nieuwe metamorfoze....

Ze scheen hem voor te spiegelen:

[p. 416]

Je bent niet als zij, die daar krioelen, in het bloedroode schijnsel aan de kim, en niet een uit den optocht, violet, die ginds zijn silhouetten voortstuwt, met groote gebaren van ballende vuist en immens geluid van opklagende, dreigende stem.

Je bent toeschouwer, dilettant, droomer. Je bent niet compleet als doende, schaffende mensch, maar je bent compleet als ziel. Dat is je kracht en je zwakte.

Je voelt alle gevoel en alle ziel begrijp je. En je begrijpt de hunne: hunne ziel van ellende, armoede, bitterheid en honger.....

Dáar, in den Apocalyps der dingen van den Eigen Tijd, wankelen de tronen als gouden stoelen, vermolmd en wormdoorknaagd. Zij, die er zitten, zijn opgestaan met kalme waardigheid en hoogen glimlach: glimlachende zeggen zij de woorden, die eeuwen gezegd zijn, en die zij zeggen moeten, en die zij schóon vinden te zeggen, omdat de essence van die woorden, huns ondanks, als heel dun goud drijft door de aderen van hun bloed. Zij doen of zij niet zien de tronen, die wankelen achter hen, achter de plooien van hun slepend hermelijn.... Zij doen, nu hunne schepters en rijksappelen rollen over den aardbevenden grond, of zij maar hebben laten vallen een juweel, bij toeval. Zij glimlachen, en alles is bitterheid in hunne ziel, die heel bizonder is, omdat zij altijd bloeide boven de andere zielen....

En jij, je voelt hun bitterheid, maar ook den kreet der anderen: je voelt alles wat bitter is.

Je bent compleet als ziel, en toch:

Dit is geen deugd.

Een deugdzaam mensch is niet alléen gevoel.

Een mensch is kennis en is daad èn is gevoel.

En wat je kwaliteit is, is je zonde.

Je zonde is te zijn: niets dan Gevoel, en zooveel, dat het koud is...

Zie hen, die volgen een der vanen: hun hart is warm: zij voelen éen gevoel, met warmte.

Jij, je voelt alles, in ijskoude, heel diepe onverschilligheid.

En het is niet genoeg alleen met gloed gevoeld te hebben: voor een vrouw en voor jezelven.

Verder is alles koud in je. Je bent heel slecht...

[p. 417]

 

Laten wij spelen ons spel en drijven ons werk en doen onzen plicht: dat is het eenige, dat je rest. Dat zal misschien zijn voor een vreemd doel van nuttigheid, dat wij niet kennen en niet inzien...

Léef de metamorfoze! Hoe zoû je zijn, als je was, met jouw ziel: doende mensch, zooals een van hen...?

Voél je nu als een van hen: dat zal je wel kunnen: je bent zoo knap in het voelen van metamorfoze's.

Maar hoe zoû je doen?

Denk dat in.

Schrijf dat neêr.

Dat is de taak, die ik opgeef.

VI.

Nu scheen zij niet verder meer aan te manen, maar stil aan het werk te gaan. En hij ook, hij gehoorzaamde: hij werkte....

Trots alles, was het eerst het Eerste Geluk: het geluk van het verbeelden, van het etherische uitdenken en scheppen der levende schijnsels. In het uitdenken en verbeelden zag hij het schijnsel levend worden, levender met iederen dag en hij behoefde nog niet te schrijven, want eerst moest hij het schijnsel nog doen bewegen vóor zich, in zijn atmosfeer van het Tweede Geluk....

Op zijne hooge kamer in het Quartiere Ludovisi werkte hij als in geheim, zonder er iets van te schrijven naar Holland.

Rome lag aan zijne voeten, Rome dreef aan zijne voeten als eene stille zee van golvende koepels en daken in een kling van heuvelen, wegwazende in het violet der Campagna, heel ver.

En iederen dag, als hij werkte, waren het daarginds, aan den einder, de gouden Apocalypsen van zonsondergang, de glorie's van het iederen-daagsche zonnesterven, en het was, iederen dag, als stond hij op zijn hoogen top en zag hij het Vizioen: bloedroode flikkering en lichtuitstraling; optochten, rood-blauw, als dunne silhouetten geknipt fijn in de wolken; violette menigte en violette paarden, die steigerden uit den nacht; violette legers met een woud van dunne lansen en

[p. 418]

dáar, blakende in brand, Sint Pieter als een reuzenmonstrans, omhoog geheven naar den hemel toe....

Daar vocht de dag met den nacht in een oorlog van bloedrood en vlammengoud, als het Verleden, dat vocht met de Toekomst, opdoemende in duisternissen en pas veel later zich openbarende en opklarende als nieuwe Dag....

En in den nacht, die altijd overwon, sidderden de koepels als tronen, die wankelden; kraakte de einder als met paleizen, die scheurden; verongelukten de legers met de paarden en lansen in opgolvende zeeën van zwart, als neêrgetrokken door millioenen krampvingers, neêrgezogen door gretige monden, ingeslokt door een reuzenhonger....

En al bleef hij hoog stralen tot het laatste toe, eindelijk, eindelijk ook beefde Sint Pieter, kraakte de vlammende monstrans, en verzwolg hem het hongerige duister, of de machtige Godsdienst zelve verzwolgen werd in den muil van het Niets....

Hij, hij werkte. Terwijl hij zat aan zijn venster en uitkeek, werkte hij, en de kunst met hem samen....

En uit de krioelende menigte, daarginds in het Vizioen, zag hij opklaren eén,

In wien hij zichzelven herkende en die toch hem niet was, maar die hij zijn zoû, zoo hij dòen kon...

Het was als een zoon, dien hij zag, zooals hij eens in Mathilde gezien had een dochter.

Hij zag hem gaan, zijn zoon, door de menigte heen en naar hem toe, met open oogen en wijde handen. Hij zag van waar hij kwam, uit zijne jeugd, heel ver....

De Apocalypsen verbleekten, maar de nacht was niet donker: Rome dreef als eene stille, goudgespikkelde zee in haar lichtend waas, of zilverige floersen vielen uit de lucht, het eene op het andere, waardoor de lichtjes van de menschen starrelden....

 

In Aylva's kamer was het heel stil: avondstilte van werken bij lamplicht, in een kleine nauwe huiselijkheid van fotografieën, oude kerkbrokaten en gipsafgietsels tegen den muur.

En hij zag niet meer Rome. Hij zag niet zijn kamer. Hij zag alleen dien Eéne, retrospectief in zijne jeugd....

[p. 419]

Toen ging zijn pen hem schrijven, in de avondstilte, na het Vizioen.

 

VII.

Toen ging zijn pen hem schrijven, in de avondstilte, na het Vizioen....

 

1.

In Indië.

Te Batavia, een particuliere school,

Als een groote villa, met een grooten tuin er om heen, vol hooge klapperboomen.

Het is het einde van de les,

De jongens stormen naar buiten,

En ze verdeelen zich in twee partijen, om te spelen het baarspel.

Er zijn er bij echt Hollandsche, zeer bleek en blond,

En dan kreolen, geler van tint,

En dan heel bruine sinjo's.

Dan zijn er twee Javanen, prinsen, neefjes van den Soesoehoenan, die krijgen een Europeesche educatie,

En dan een Chinees, verlegen en teeder in zijn knapenleeftijd, en met een kleinen vlecht van zijde, waaraan hij dikwijls wordt getrokken, door de kersversche Hollandsche jongens, die nog niet weten, dat de staart hem heilig is.

In een der partijen:

Een ventje, elf jaar, bleek, blond, niet sterk, maar dol levendig.

Af en aan, in het voordeel-behalen naar de lijn toe, loopt hij en wijkt hij uit voor zijn later afgeloopenen vijand, de vijandelijke vlag begeerig in het oog.

Nu, in eene verwarring van beide partijen, schiet hij naar voren en voór ze het weten, rukt hij de vlag uit den grond, zwaait ze omhoog met een gil en rent dol terug naar zijn lijn, zoo blij....

Een kreet van victorie van zijn partij....

[p. 420]

Maar groot, forsch, sterk, met stappen van dreigend gevaar, haalt hem in een van de tegenpartij en in het midden van het perk slaat een zware jongenshand hem neêr, met vlag en al....

Dat mag zoo niet....! Er mag alleen worden getikt. Verontwaardiging krijscht op: kreten, gejoel....

Op den grond, als een geveld soldaatje, ligt het ventje bewusteloos, de vlag in zijn handen geklampt.

De heele school is eén tumult; de meesters komen aan.

Zij dragen hem naar binnen, doodsbleek, een kleine gesneuvelde....

 

2.

De kleine jongen opent nu zijn oogen, en hij ziet, dat hij ligt in het eigen kantoor van ‘meneer’.

Een van de meesters zit naast hem en vraagt hoe het gaat.

Een beetje duizelig nog, maar anders niets.

En of Arnold mag binnenkomen, vraagt de meester, om hem vergiffenis te vragen, want hij heeft zoo een spijt.

De kleine is eerst onwillig, maar de meester dringt aan.... Nu goed, dan mag Arnold komen....

De meester is weg, en de groote jongen komt binnen, schuldbewust....

Hij is geheel ontdaan. Hij heeft het zoo niet bedoeld. Hij ziet angstig naar den kleinen bleeke, die met geknepen lippen ligt....

Is Kareltje boos? Arnold heeft het zoo niet bedoeld...

Is Kareltje boos....? In het vuur van zijn spel, in zijn woestheid, toen hij de vlag zag gerukt....: hij wist niet wat hij deed. O, Kareltje moet niet boos zijn.... Dan zoû hij zoo ongelukkig zijn....! De groote zoekt naar zijn woorden; de kleine antwoordt nog niet, boos om de duizeling, die nog draait in zijn hoofd. En onhandig stottert de groote voort:

Dat hij zooveel van Kareltje houdt.... Dat hij Kareltje toch altijd beschermd heeft tegen grootere jongens.... Of Kareltje dat niet meer weet?

Hij durft eindelijk Kareltje's hand grijpen. Kareltje laat toe, maar in eens barst hij uit in huilen.

[p. 421]

- Je hebt me ook zoo een pijn gedaan....

De groote troost hem, vraagt vergiffenis. En in het kantoor van ‘meneer’ sluiten ze nu weêr vriendschap en nu zoogenaamd voor het leven. Ze belooven elkaâr, altijd baar te spelen aan de zelfde lijn, als vrienden. En dan zal Arnold Kareltje helpen.

Kareltje glimlacht al weêr een beetje: nu is het weêr goed, als Arnold maar nu niet meer zoo ruw is en zoo hard tikt....

3.

Ze werken samen, ze wandelen samen, ze zijn altijd samen. Arnold doet alles voor Kareltje en Kareltje laat zich aanbidden. Maar eens is Arnold jaloersch. Op een kinderbal heeft Kareltje telkens gedanst met een zelfde meisje, een nestje van tien, dat hij erg lief vindt. Anders hebben ze dansles op school, jongens alleen nog en dan danst Arnold met Kareltje. Nu, met dat meisje tusschen hen....

En Arnold is jaloersch. Kareltje verdedigt zich: hij mag toch wel dansen al zijn ze vrienden.... Dagen lang hebben ze woorden. Telkens kibbelen ze, over dat meisje.... En Arnold bekent, hij is bang voor meisjes; hij durft ze niet aanspreken; ze lachen je altijd uit.... Hij houdt van Kareltje, o veel meer dan van alle meisjes te zamen....

De kleine vindt het wel aardig, dat Arnold zooveel van hem houdt....

Later, in de vacantie, logeeren ze samen, in de bergen op een koffieland. Ze rijden samen op kleine paardjes, ze lezen samen, ze liggen samen in het hooge gras.

En Arnold leert hem hoe het leven is. Kareltje is heel nieuwsgierig en vraagt hem allerlei dingen met glimmende oogen. Dan praten ze geheimzinnig en Arnold waarschuwt Kareltje zich niet te bemoeien met die jongens en met die: die doen slechte dingen met elkaâr in donkere hoekjes....

Eerbiedig ziet Kareltje op naar Arnold, omdat hij zooveel weet. Hij is wel heel nieuwsgierig naar de slechte dingen n de donkere hoekjes; maar hij gelooft niet, dat hij ooit al durven, om Arnold. Want Arnold windt zich op en zegt em, dat hij een pak slaag krijgt, Kareltje, als hij zich met ie jongens bemoeit....

[p. 422]

Kareltje belooft.

Dan, heel geheimzinnig, vraagt hij iets ontzettend gewichtigs aan Arnold.

Arnold wordt rood als vuur.

- Neen, bekent hij moeilijk, te eerlijk om te jokken.

Hij schaamt zich een beetje voor Kareltje, al is die ook heelemaal een kind.

En Kareltje vindt Arnold toch niet zoo heel erg, om eerbied voor te hebben....

VIII.

 

In twee, drie dagen had Aylva dit gedaan, zijne twee jongens gegeven, met luchte aquarelkleur gewasschen en uitgewischt gehouden in de teederheid van knapenleeftijd, de onbewuste dubbelzinnigheid van knapenvriendschap, die strijdt tegen zichzelve - drang van viriliteit, nog sekse-schuw, en daarom zoekende in eigen sekse een teeder wit - en Arnold gaf hij in zijn strijd tegen dien eigen drang zoo tragisch, of hij dadelijk wilde geven geheel en al den held van zijn boek. Dat zwol tot leven aan, in omtrek voller, intenser van kleur, in de straffe lucht van Indië, het straffe groen der boomen, straffe wit der huizen... Het was zoo lief zoo te beginnen; hij beminde bijna zijne kunst, misschien omdat zij gaf iets van zijn eigen kinderjaren, zoo ver nu al geleden, als zag hij door de lange laan van zijn leven een heel klein rond verschietje, een lichtend cirkeltje, waarop miniatuurfiguurtjes bewogen....

Het was eene liefde, dien Eene, dien hij had zien aankomen met open oogen en wijde handen uit de Apocalypsen aan den einder, te voelen worden tot man van af den grooten, sterken, teêrhartigen jongen, die te hard zijn vriendje had getikt, bij een baarspel.

Hij zag hem duidelijk voor zich; duidelijk worden, zooals een vader groeien ziet een zoon, in wien hij telkens iets herkent van zichzelven.

Hij zag hem voor zich in den ruwen bouw van zijn stevig jongenslichaam, dat bijna al man was; hij zag den ronden kop; het korte, stugge, zwarte haar; de sombere mijmervolle

[p. 423]

oogen, de uitstekende jukbeenderen, grooten neus, vollen zwaren mond van zinnelijkheid, waarboven al dons van snor.

Hij zag hem met zijn jongensziel: echt sterk jongen, maar schuw voor de vrouwen, de meisjes, en ziekelijk verlangende zich te geven, heel zichzelven in liefde, die nu al te groot was voor zijne jongensziel: verlangen, dat hem zoû worden begin van zijn levenstragedie.

Dat was het contrast wat zijne menschelijkheid maakte: de echte jongen, echt jongen in spelen en ruwheid, en te veel al ziel in een onbedwingbaar verlangen, dat naar heel ver en heel veel smachtte.

En zoo, fijn als pointilleerde hij, stippelde Aylva Arnolds liefde voor Kareltje, zacht-aan morbide, en toch zuiver in strijd, om te hebben het weêrspel, en niet alleen de éene onreine kleur, die er was in den schets van de andere jongens: hun achtergrond.

Hij maakte Kareltje het speelsche ventje, als een klein katje, oppervlakkig, vol kleine egoïsmetjes, nieuwsgierigheidjes, dunne emotietjes als van een jongens-poppenzieltje.... Dat zoû later worden een koude, nette, kleine gommeux, en daarna een zich pozeeren als net mensch: een net mannetje van de wereld, vol geheimen ondeugd. De charme voor Arnold was juist dat poppezieltje; iets vrouwelijks, dat geen meisje was, en dat sprak tot zijn jongensmijmerziel, als iets, dat hij kon in bezit nemen en beschermen en heel veel liefhebben.

Want in het sterke jongenslichaam liet Aylva openbloeien, als een te snelle bloem, eene groote, wijde ziel, of zij nu al ontvangen wilde het leed van de wereld. Toen Arnold veel verdriet had om Kareltje, en zijn liefde voor Kareltje voelde verwelken, omdat Kareltje toch knoeide met andere jongens in donkere hoekjes, en niets begreep van Arnolds strijd,

Toen voelde Arnold zonneglanzen zijne Tweede Liefde!

O, die was heerlijk, groot, te groot nog voor zijne pas openbloeiende ziel!

Die was in stilte en geheim, voor een onmetelijk Ideaal, dat Jezus was!

Zijne jonge ziel bloeide wel snel en op haar tweeden dag aanbad zij al het Hoogste!

Het was heel innig, en zijn geheim. Uiterlijk de jongen, die veel deed aan sport in den virilen aandrang van zijn nog

[p. 424]

maagdelijk bloedvol lichaam, en uiterlijk de liefde-verlangende ziel, die Jezus aanbad!

En hij aanbad hem niet als zoon van God, maar heel als mensch, goddelijk goed, goddelijk zacht, gaande tot allen, die eenvoudig waren en arm, tot bedelaars en kinderen.

In het al te vroege glanzen van dit Ideaal voor Arnold uit, deed Aylva hem, nog onbewust, den weg gaan, dien hij gaan moest - het kind van zijn gedachte, zoon uit zijn Vizioen -; den weg, die fatidiek gebaand was door Wie, door Wat, hij wist het niet; den weg, dien als een lint de kunst borduurde; arabesk, gecizeleerd.

Toen stuwde zijne pen hem verder voort, voort langs den arabesk, langs de meanders, terwijl de gloeiende Openbaringen opvlamden en verbleekten, iederen dag.

IX.

Voort langs den arabesk, langs de meanders, terwijl de gloeiende Openbaringen opvlamden en verbleekten, iederen dag.

 

4.

O, hoe leed hij, de vreemde jongen, de sterke jongen met zijn mijmerziel,

In de jaren van den drang zijner viriliteit, schuw voor de meisjes, die altijd voor den gek hielden;

Schuw voor de vrouwen, die waren als vreemde tuinen van mysterie, bloemenhoven ontoegankelijk;

Hoe leed hij, verzonken in de zonde, waarvoor hij Kareltje had gewaarschuwd, aanbiddende zijn Ideaal ter zelfder tijd en in zich voelende het Beest en de Ziel, in een strijd met elkaâr, de een telkens sterker dan de ander, afwisselend, oorlog van hemel en hel, in het kleine heelal van hemzelven!

Dat waren jaren lang....

En toen hij man geworden was, toen was het leed niet minder en woedde het nog straffer: orkanen, door zijn blauwe lucht....

Toch ging de ziel niet onder, toch bleef het Ideaal.

[p. 425]

Groot en immens, reine figuur van zachtheid en erbarmen, glanzende door de eeuwen heen, gaande door de eeuwen heen, wijd de armen open, om de menschheid te omhelzen. Wijd de armen open, om de menschheid te omhelzen, zoo voelde Arnold nu zijn ziel ook gaan, de eerste stappen doen, volgende den Meester van het Medelijden, Koning van Erbarmen, God van Goedheid.

Want over de aarde brandde, zwartpurper, de smart en ze maakte haar als een smartezon.

Over de aarde sloeg uit de lepra van de ellende en ziekte tot in haar merg.

O, de smart zoû er altijd zijn, want de menschelijke ziel was niet anders geboren dan voor de smart, dan om te gloeien in de vlam van de smartezon; de smart was uit de ziel, de smart was om de ziel.

Maar de ellende was om het lichaam.

De smart scheen wel moeilijk te blusschen en toch, zoo eerst de ellende genezen zoû zijn, zoû niet meer zoo hevig schroeien de smart. De ellende, die was om het lichaam, genezen: dat was het ideaal, dat dichtst bij was!

Want de ellende werd uit de armoede, en de armoede was geen wil van het noodlot - zooals de smart was: de armoede was om de schuld der menschen, hun eigen schuld, hun eigen reuze-egoïsme. De menschen waren reuzen van egoïsme. En ze agglomereerden hun egoïsme, tot een vasten klomp, tot éen Egoïsme, geregeld naar vaste wetten: de Staat.

Hij, Arnold, hij voelde de gedachte in zich opklaren, als een blanke bloem van zelve. Hij had nog weinig gelezen, maar geheel zijn eigen ziel was geschapen om in zich te laten ontluiken die eene blanke. En die eene bloem ontwikkelde zich tot een zomer. Dat was zijn gevoel van zielegemeenschap; zielegemeenschap met allen, die leden en ellende hadden en gebrek.

Hij was niets dan de leerling van den Meester. Zooals Jezus zich had gevoeld, voelde hij zich broeder van hen, die leden.

.... En de menschen, die reuzen waren van Egoïsme, en geregeld hadden naar vaste wetten Het Egoïsme: de Staat, - ze misten de blanke bloem in hunne ziel, ze wisten niet van den zomer: de zielegemeenschap. Ieder mensch leefde voor

[p. 426]

zichzelven, spaarde voor zichzelven, poogde zich zijn kleine hoekje te veroveren in het leven, waar hij het warm zoû hebben voor zijn eigen lichaam, en dan dacht hij verder: nu zorgt voor al het andere, de Staat. De Staatsgodsdienst zorgt voor de ziel der menschheid -, de menschheid, dat waren allen de anderen, vooral die niet kònden het hoekje veroveren. De Staatswet zorgt voor de Orde - en de Orde werd de regelmaat van het Egoïsme. De Justitie zorgt voor veiligheid en recht, het leger waakt aan den rijksgrens; duizend instellingen hebben duizend nuttige zorgen: liefdadigheid zorgt voor armoede en ellende. En de mensch in zijn warme hoekje dacht: nu heb ik met de menschheid niet meer te doen. Het ideaal is bereikt: de Staat. Voor alles wordt gezorgd, en binnen heel kort is iedereen gelukkig, is alle armoede gelenigd, genezen alle ellende.

Er waren krachtigen en zwakken, bevoordeelden en misdeelden. En de warme hoekjes der eersten werden de paleizen, waar zich ophoopte het goud, waar het geld, onweêrstaanbaar magnetisch toevloeide aan het geld. Dan gaven zij van hun overvloed, aan de instellingen, de liefdadige. Als zij gaven één percent, werden zij alom geprezen, als de liefdadigsten, richtte men standbeelden voor hen op. Zij meenden naïf het goede te doen. Zij dachten niet anders dan mild te zijn. Zij vonden zich edel: het Egoïsme, booze kanker, onzichtbaar, woekerde hun in de ziel. Maar de ellende werd niet genezen, de armoede niet gelenigd, en dieper ziekte in de melaatschheid der aarde, sloeg uit de verterende lepra. Want de Staat, die Het Egoïsme was - samenstel, orde en regelmaat van millioenen egoïsmen, - was in zijn beginsel onmachtig te genezen en te lenigen, omdat hij miste: de zielegemeenschap. De vorsten misten haar; ze regeerden niet om de menschheid: ze heerschten om traditie. De priesters misten haar: ze baden niet om liefde op aarde en troost: ze stichtten kathedralen, eerst wellicht om mystieken droom, maar heel gauw om de oppermacht. En alle de anderen, de leden der maatschappij van Egoïsme, ze oefenden niet uit hun ambt uit zielegemeenschap, in het eeuwige weêrspel der menschenliefde, de een om te helpen den ander: ze bekleedden - met ijver, onberispelijk - hunne betrekking, die hun geven zoû hun warme hoekje en later een pensioen.

[p. 427]

Langzaam aan, in het bloeien van zijn zomer, het bloeien van de zielegemeenschap met allen, die leden, in zijn ziel, voelde Arnold opklaren de gedachte, en ze bracht hem met een reine logica van wegen als op een open veld, en hij zag:

Dat de Staat nooit zoû verwezenlijken het ideaal van te genezen de ellende, die was om het lichaam. De Staat was slecht, en van het aanzijn der aarde moest als met éen reuzehand gevaagd worden het reuze-egoïsme, dat liep op zijn machtige raderen, werkende in elkaârs tanden, geregeld, onherroepelijk, vermorzelend wat zich weerde.

Met éene reuze-hand....

Maar stel: de reuze-hand hadde de aarde gereinigd, de aarde was braak veld, akker voor menschheid, die opnieuw wilde zaaien haar geluk, geluk, eerst naar het lichaam, dan om de ziel....

Wat dan?

O, niet alléen vernietiging en dynamiet, hoe ook de loutering noodzakelijk ware! Niet alleen in extaze verdelgen met een blinde hoop op het blinde toeval, dat de toekomst wel beter zoû zijn! Klaar als glans moest voor oogen staan: het Ideaal. Het verleden zoû leeren, het heden hun wijzen den weg, de toekomst van zelve, onvermijdelijk, worden, zoo slechts eene wijsbegeerte er leidde heen, waarin het groote beginsel zoû zijn:

De gemeenschap der zielen, de liefde tot allen.

5.

Arnold was man en alleen.

Zijne ouders waren gestorven.

Het kleine kapitaal, dat hij bezat, verdeelde hij onder de armen, en zelve ging hij tot hen.

Hij trad als spreker op, vol hoop.

Hij had zijn desilluzie.

In zijne liefde voor de menschheid mengde zich een haat voor de menschen.

Allen waren hem lief: in de individuen zag hij echter, dat nog in eeuwen niet de zielegemeenschap zoû bloeien, als een enkele zomer, universeel hemelseizoen op aarde.

De geur van het paradijs bezwalkte onmiddellijk in den Staat van het Egoïsme; de liefde voor allen, in den wellust voor het ik.

[p. 428]

En hij vertwijfelde aan eigen goede bedoeling en eigen kracht om ooit te doen.

Hij wilde doen, en kon niet.

De kleine raderen, in de groote van het Egoïsme, hielden hem tegen.

De mensch, slaaf van het Egoïsme, dat was het Gezag, en slaaf van eigen ik, zoû nooit de wijsbegeerte vinden, en nooit den weg, die leidde tot het Ideaal.

En dan, het Ideaal was vaag, nauwlijks glans in heele verre verte van verschiet, nauwlijks roze dageraad....

Hij zag het Ideaal niet, hij vond het noch in zich, noch in brochures en in werken van denkgenooten....

En hij scheen het te willen zoeken, te willen vinden ergens in de wereld, zoo niet in eigen land.

Hij reisde.

Hij sprak tot alle armen aller nationaliteit, zich windende op, zich schroevende op, omdat hij in elk nieuw land, nog somberder, voelde tanen zijn smartelijke illuzie.

Want overal waren de menschen gelijk.

Want overal waren zij egoïst.

Want overal scheen de lepra van de ellende ongeneesbaar, en de aarde zwart-purper te branden haar vlammen van smarte-zon....

De ellende ongeneesbaar, de smart onbalsembaar...!

X.

Voor het eerst kende Aylva het pure geluk van de kunst. Voor het eerst werkte hij zonder stuurschheid en onwilligheid, en samen met haar, de sereene en serieuze vrouw. Voor het eerst voelde hij niet alleen de liefde voor het schepsel van zijn gedachte, waarin hij zich herschiep - zijn zoon, waarin hij zich herkende, Arnold - maar voelde hij de liefde voor zijn arbeid. Dat was heel nieuw. Misschien had hij zóó eens, jaren geleden, gevoeld voor zijne verzen. Maar na de desilluzie over zijne poëzie, had hij cynisch, willens, wetens, in zich laten woekeren, boos onkruid en distel - de stuurschheid. ‘Mathilde’ was het ‘lollige boek’ geweest; ‘Schaakspel’ de gehypnotizeerde schrik; ‘Nirwana’ een teeder dagboek van louter sentiment. Had hij onwillig ook

[p. 429]

kunst gegeven, de distel had altijd gewoekerd. En nu hij voor het eerst, boven de analyze van zijn Arnold, een titel schreef met groote langzame letters, als had hij voor altijd dien titel gevonden, nu wist hij voor het eerst het pure geluk van de kunst.

Anarchisme!

Lang had hij gezocht, en toen hij in zich hoorde aanklinken dien naam, toen had hij heel lang nog geaarzeld.

Maar nu, nu schetterde de titel luid als een klaroen.

Nu, uit de Apocalypsen van daarginds - in het vlammende goud, de legers, die verzonken als violette silhouetten; de tronen, die wankelden; Sint Pieter, bevende van glans, tanende monstrans, de oppermacht van godsdienst, verzwolgen in een gretigen honger van Niets - nu, nu bazuinde het onverbiddelijk aan:

Anarchisme....

Waarom had hij gezocht, en waarom geaarzeld? Op zijn hooge standpunt van izolatie had hij het Heden gezien, uit het Heden was een op hem afgekomen: zijn zoon, dien hij geschreven had in kunst: wat had hij gezocht en geaarzeld?

Snerpende door zijn cirkel van eenzaamheid, snerpende door alle kringen van revelatie heen, bazuinde het aan:

Anarchisme....

O, de dreigende kreet, de volzwellende klank, die den hemel vulde met zijn weêrechoënd geschal van ontzetting....

‘Anarchisme’.... De titel stond met letters als van bliksem. Door de bladen vloeide vuur en bloed. De bommen ontploften, wijd alomme verdelging verspreidend, louterend het reuze-egoïsme, maar walm van rook steeg op in den hemel, en bezoedelde het Ideaal, dat nog alleen maar verreweg vaag glansde: onduidelijke roze dageraad. De hemel was donker van walm, het land éen rookende ruïne...

Toen stuurde Aylva zijn Arnold voort, geleid door zijne wijsbegeerte, zijne menschenliefde, zijne zielegemeenschap met allen die leden.

Hij ging alleen, zeer eenzaam.

Hij ging, zóó lang, tot de walmen waren opgeklaard, de ruïnes ver achter hem lagen.

En er was niets veranderd.

In het land, waar hij nu was gekomen om te zoeken het

[p. 430]

Ideaal, dat nergens was - was de hemel weêr blauw, en stonden als altijd wit de paleizen met voorname zuilenkalmte.

Vóór hem lag een groot rijk uit het Zuiden.

De revolutie was dus voor niets geweest?

Geen duizend bommen waren bij machte het aanzijn der aarde rein te vagen?

Hier lag een wijd rijk, lachende mooi, blauwe lucht, witte steden aan blauwe zee.

Achter de blanke paleizen ziekte de lepra als overal, in àlle rijken....

Aylva schreef in een koorts: de dunne bladen stapelden op, haastig genummerd. Hij was op het hoogtepunt van zijn boek: hij schreed als op een bergland, van waar hij weêr zoû dalen.

In het wijde rijk, onder de blauwe lucht, in de witte paleizen, heerschte een jonge keizer, pas sedert gisteren, teedere ziel, beminnende zijn volk met zuidelijke passie, zooals een minnaar zijn vrouw.

Hij zag, dat zijn volk leed, zijn innig geliefde.

Maar hij wist het niet te helpen.

Ook hij zocht het Ideaal, al zocht hij het anders dan Arnold.

In hem ook bloeide de zomer: de zielegemeenschap.

Toen - zooals een god leidt de menschen tot elkaâr, die botsen op elkaâr in het leven, - vijanden antipathiek, of sympathetisch ziel aanvoelen in elkaârs omhelzing - liet Aylva den jongen keizer gaan tot Arnold en met hem spreken.

Zij spraken samen, vorst en anarchist.

Elkaâr bekenden zij het Ideaal te zoeken: de leniging der armoede, de balseming der ellende.

Samen zochten zij in de boeken en brochures der menschen, maar zij vonden niet.

Samen zochten zij in het leven, maar zij vonden niet.

Maar wat Arnold ook niet gevonden had in de donkere buurten, de vunzige hokken, tusschen de kreten van revolutie, verzet van werkstaking, ontploffen van dynamiet: dat wat hij, nooit gevonden had - niet als kind, niet als man -, niet als spreker voor volksmenigten, niet als verdelger van weelde, dat vond hij in een paleis.

Hij vond een vriend.

[p. 431]

Hij vond de genoot van zijn ziel.

Zijn ziel, die nooit bemind had een vrouw, beminde een ziel, die ook niet een vrouw als het hoogste beminde.

Beiden hadden zij de menschheid het liefst, en in de menschheid hadden zij gevouden elkaâr, op het broze moment, dat zij beiden aan alles vertwijfelden.

Zij spiegelden zich in elkander af.

Zij vonden de menschheid in zich en elkaâr.

Uit het wijde universeele gevoel, trokken zij als de essence van het allerintiemste gevoel - liefde van den een voor den ander, mysterie wan twee zielen, nauw geheim in kleinen tempel.

En de omhelzing van hunne vriendschap was serafische troost, dien hun schepper hun gaf voor de immense desilluzie in hun leven - leven van vorst en leven van volksman: omdat zij niet vonden hun Ideaal, dat onomhelsbaar verre bleef, roze dageraad.....

 

XI.

Aylva was heel moê; hij werkte te veel, altijd in koorts, gelukkig om de kunst. En hij voelde, dat hij rust moest nemen enkele dagen, dat, zoo hij doorschreef, zijn werk niet meer goed zoû worden, te haastig, te febriel, gehypnotizeerd door de macht van zijn idee. Zijne pen, kriebelend over papier, kon zich niet toomen: de stijl van zijne laatste bladzijden was al te technisch, te veel zijn eigen cliché: hij voelde, dat hij rusten moest.....

En hoewel hij verlangde naar zijne dunne bladzijden, haastig genummerd, was het iets liefs - een kleine vacantie - op een morgen ze maar niet in te zien, maar uit te gaan, dadelijk, in den kristalle-zuiveren morgen.

Een opalen licht dreef etherisch uit de lucht aan als een weêrschijn van zuivere wereld. Hij wandelde den Pincio op, nog heel verlaten, en op een bank, op zijn knie, schreef hij een paar brieven. Rome, aan zijne voeten, wikkelde zich los uit den morgen. Het was niet meer de Apocalyps aan den einder, het Vizioen van een oorlog van Heden en Toekomst: het was niets dan Italië, niets dan schoonheid, niets

[p. 432]

dan een aanbiddelijke stad van antiquiteit en historie, die aangolfde met koepels van kerken, vroom en machtig. Sint Pieter rees plechtig omhoog als het morgenaltaar der wereld. De onzichtbare lieren, die trilden in de lucht, zongen, incantatie van rust.

Wat was het rustig, en hoe vreemd, dat Aylva het ooit wel anders gezien had: vlammen, oorlog en kreten van dreigende toekomst. Wat was het leven zacht hier, wat was de wereld mooi, en hoe zoet was het te ademen, in het opalen licht, een geur van wijde gezondheid en lucht. Hij had zijn brieven geschreven, hij staarde voor zich uit. Een onweêrhoudbare weemoed zwol in hem op. O, dat hij toch waardeerde, wat hij had: dit kleine oogenblik van rust, van licht en lucht, en van onzegbare bekoring. Hoe lang zoû het duren? Wat zoû er volgen na dit oogenblik? Zijn weemoed werd een angst. Om wat, hij wist het niet. Heel even trok door hem de vrees - zooals een dunne rimpeling door stille water - dat hij al deze teedere dierbaarheid zoû moeten gaan verlaten.....

Maar waarom nu die angst? Er was toch niets. Hij was zoo vrij, als hij maar zijn kon. Eenzaam was hij, eenzaam en vrij.....

O, dat hij toch waardeerde wat hij had. Thuis lag zijn boek, bijna voltooid. Hier had hij licht, lucht; een schoonheid, die aanbiddelijk was. In zijne ziel was immers een zachte resignatie aan het leven. O, dat hij toch waardeerde.... Dat toch de weemoed weg mocht blijven..... Maar dat zwol, dat zwol op. In de lucht zongen de lieren van het verleden: een klaagmelodie van liefde.....

Hélène, o, Hélène! Waar was ze nu? Hoe leefde ze nu haar leven? Nooit meer, nooit meer haar terugzien! Haar vergeten in zijn werk! Hij kon niet, hij kon niet! O, alle denken, alle filozofie, alle geloof aan de Harmonie - dat het niet voor niets geweest was, dat van Hélène - wat gaf het! Hij verlangde. Hij verlangde haar te zien, hij verlangde naar iets van haar. Nu was zijn ziel van weemoed vol. Zoo zwelt een overstrooming: wat gaf het of hij dat waardeerde: rust, licht en lucht! Waarom was zij niet hier? Het was zoo eenzaam om hem heen. Hij was alleen. Zijn ziel verdronk in weemoed.....

[p. 433]

Wat gaf het of hij poogde sterk te zijn..... Alles was zwakheid in hem en verlangen..... O, zoo te leven, jaren, jaren nog, en zonder haar ooit weêr te zien!

Hij kon zijn tranen niet weêrhouden, hij snikte. Toen zag hij om zich heen, bang of een hem gezien had. Hij zag den Pincio, verlaten, en hij zag Rome. Hij zag het aardsch-gewone leven.....

Waar was zijn hooge top van izolatie, en waar de cirkel van zijn eenzaamheid, de kringen van zijn revelaties? Hij zag er niets meer van: hij was alleen in Rome, heel eenzaam.

En toch, Rome was mooi en veel zoeter dan Holland: o, als hij hier maar blijven mocht.....! Wat was toch die sensatie, die nog te vaag was voor een voorgevoelen: dunne rimpeling door stille water.....?

Nu, van zijn hoogen top, was hij gedaald, gedaald weêr in het iederen-daagsche leven. En nu was het een zeer concieze vrees. Hij schrikte van het iederen-daagsche leven.... Thuis lag zijn boek nog niet voltooid: zoû hij het kunnen eindigen, nu hij al was gedaald, nog vóór het af was.....? Die vrees was pijnlijk scherp in al de vaagheid van zijn stemming, zooals een doren.

Verlangen, onbedwingbaar, dwong hem terug naar huis.

Hij haastte zich.

En hij was blij, toen hij zijn vensters zag, die open stonden.

In zijne kamer scheen de zon, en ze verguldde zacht de oude kerkbrokaten aan den muur, en ze boetseerde met relief van licht en diepte van schaduw de gips-afgietsels scherper.

Op zijn tafel, in den roodleêren omslag, lag zijn boek....

Nu wilde hij verder schrijven aan Arnold en zijn vriendschap voor den jongen keizer, de omhelzing van hunne vriendschap na het Ideaal, dat onomhelsbaar bleef......

Maar daar lagen een paar brieven en drukwerken. Hij zag ze in: een brief van zijn uitgever, een van Emilie: twee kritieken van ‘Nirwana’. Eerst de brief over zaken: zijn uitgever schreef hem over Engelsche vertalingen van ‘Nirwana’ en ‘Schaakspel’. Nu de brief van Emilie. Vele blaadjes, groot, fijn schrift, gekruist. Zij schreef hem geregeld van die lange brieven. Zij schreef alleraardigst: hij zeide altijd, dat zij had een epistolair talent, en dat zij eens probeeren moest, een kleine novelle in brieven.....

[p. 434]

Dat was een exquis genre. Maar dan lachte zij maar. Wat schreef zij nu.....? Eerst Haagsche nieuwtjes zeker.... Maar haar eerste woorden al deden hem schrikken. En huiverend las hij verder. Het was een treurig nieuws, dat zij hem meldde. Arme Den Bergh, arme Dolf..... Het was waar: in weken had Aylva geen brief van hem gehad.....

Treurig nieuws!

Hoe weinig kende men elkaâr, hoe weinig zelfs zijn intiemste vrienden. Ieder leefde in zichzelven, ieder was zijn eigen geheim. Arme Den Bergh.... wat was er in hem omgegaan, die laatste dagen, die laatste uren....? Want Emilie schreef, kort te voren was hij nog bij hen geweest ten eten. Heel stil was hij geweest. Emilie had met hem gesproken, hem gevraagd wat hij had, waaronder hij leed. Ja, ja, hij leed, had hij bekend. Om haar niet, had hij toen geglimlacht. Dat was voorbij. Ook niet om die twee zusjes: dat was voorbij.... En hij had toen een anderen naam genoemd, van een getrouwde vrouw.... Hij wist niet of zij, die vrouw, hem liefhad, of hij haar liefhad. De liefde, dat was het moeilijke. En dan het leven.... Toen had hij geslagen met de vuist op de tafel en woest gezien, en hij had haar gezegd, dat hij het leven haatte. Toen was hij weêr geworden zoo weemoedig, en had gezegd: het was zoo moeilijk alles. Zoo moeilijk. Hij had zijn hoofd geschud, en toen had hij gevraagd naar Aylva....

Arme Den Bergh!

Twee dagen daarna hadden zij hem gevonden op zijn bed, dood. Een leêg morfine-fleschje op den grond.....

Arme Den Bergh!

En het was of Aylva hem voor het eerst zag: zijn armen vriend. O, wat was hij kortzichtig, Aylva! Daar in die kritiek over ‘Nirwana’ prees men zijne menschenkennis, zijne psychologie, zijn inzicht in het leven van gevoel en ziel.... Maar kende hij wel iets, wel iemand, wel zichzelven, had hij ooit wel Den Bergh gekend? Moest de arme jongen dood zijn om hem nu te zien in zijn ziel? Want voor het eerst zag Aylva hem, in het wreedklare licht van het onherroepelijke. De manie, waarom zij wel eens gelachen hadden, Emilie en hij, de manie van verliefdheid op zes, op zeven, telkens op een ander: was dat wel humor? Was dat niet integendeel

[p. 435]

treurige tragedie: zoeken van een arme ziel, die niet weet en zich vergist, zijn heele arme leven lang? En hij zag hem nu: altijd zoo goed, altijd zoo bereidwillig - om misbruik van te maken - zoo innig weinig egoïst, zoo altijd denkende aan anderen en zoo goed vriend, vol toegenegenheid, aanhankelijkheid en toewijding....

Hij zag hem nu: onder al zijn goedigheid zag hij duidelijk, nu, den duivel van levanshaat. Het kleine leven was de moeite waard niet. Het was de moeite niet waard te tobben over de vrouwen, en te schrijven aan ‘Maria Lescinzea.’ En het was zoo gemakkelijk er meê uit te scheiden, met het kleine leven....

Arme Den Bergh: wat was er in hem omgegaan die laatste dagen, die laatste uren! Wat wist de een van den ander? Wat wist Emilie, die over hem schreef; wat Aylva die over hem dacht....?

Bittere gedachten. Want Aylva zag in, dat men wel dood moest zijn, om gekend te worden. Soms, zooals Den Bergh, nauwlijks dood.... om, in een bliksemstraal, gekend te worden.

Hij kende hem nu, zijn armen vriend....

En hij had willen gelooven als een kind aan God.

Hij had willen bidden, hij had willen biechten.

Want hij gevoelde een naamlooze wroeging, een wroeging, die nooit zoû weg te nemen zijn.

Nu zijn arme vriend daar dood was, ver van hem, in Holland, nu voelde hij:

Dat hij hem had gehad en nooit genoeg had gewaardeerd.

XII.

Hij werkte voort en in ‘Anarchisme’, in de vriendschap van Arnold en zijn jongen keizer, spiegelde zich weêr zijn eigen weemoed over vriendschap en gaf er waarheid aan.

Hij werkte voort en was gelukkig, dat al scheen hij neêr te dalen van zijn top van izolatie in het leven van gewonere sensatie, hij toch kon blijven werken aan zijn boek.

Zijn doornscherpe vrees wondde hem niet meer. Hij had zijn kunstdrang niet verloren. Want tegelijkertijd, dat hij daalde van zijn top van izolatie, daalde hij ook, logisch, het bergland af van zijn roman.

[p. 436]

Het was als daalde hij nu uit zijn wijde kringen, vol vizioen, neêr op de straat der werkelijkheid; als liep hij van zijn bergland, waar bliksem had gezigzagd om zijn hoofd en firmament zich had verschoven, zacht naar een strand; het einde van zijn boek: de zee lag wijd daar uit: het slot van zijn roman vloeide zacht weg, als rimpeling van zand in element van Leven, dat nooit te sluiten was...

Hij liet zich logisch stuwen naar het strand...

Zoo ging het dagen weken en het gewone leven maakte zich van hem meester. Maar het gewone leven van Rome's bekoring: hij wandelde meer, hij dwaalde door de muzea, die niet meer overstelpend vreemd voor hem waren, maar waarin hij zich thuis voelde en waarin de statnen vooral verloren hadden hare hardheid of hij nu zag henre zielen, als een licht, door hare materie heenschemeren.

Hij ontmoette eenige kennissen, hij ging naar enkele ateliers, naar Fedder, - onzen Fedder in Rome - die verbaasd was hem weêr te zien en hem lachende vroeg, of hij geen kluizenaar meer was.

- Ik was verlangend naar je godin, zeide hij, bijna als verontschuldiging.

In het atelier, eenvoudig als een werkplaats wikkelde Fedder de vochtige windselen los om zijn beeld, en tegen een effen gordijn rees de grauwe klei op: teedere silhouet, bloem van lijnen. Er was verder niets, dat het oog trof. Een kinderportret, - bas-relief - nog niet voltooid: een paar kleine, ruw gekneede figuurtjes op een plank aan den muur: schetsjes voor zijn groote groep: aanteekeningen in klei... Een bak met water, een bak met klei; twee, drie primitieve instrumenten... En in die naaktheid van die werkplaats was alleen die andere naaktheid: silhouet, bloem van lijnen, vreemd jonge vrouwelijkheid, kind, opstaande huiverig recht, de armen hangende langs het lijf, het hoofdje jong rond, en met een blik, die recht uit zag, heel angstvallig het te ruwe leven in.

En de figuur was een sprookje, om het groote blad, dat haar het hoofd omhuifde, geheel dun glad naar de rondheid van haar jongen schedel, en, glad ook, heel fijn palmfloers, groote loover, over de broosheid van haar schouders heenviel. En de figuur was een godin, om het onstoffelijk, teeder boven-

[p. 437]

menschelijke van die angstvalligheid voor het te ruwe leven, die huiverig uitzag, als zag zij menschen, die ruw doen in een straat. En de figuur was ook nog kind en vrouw, kind om hare broosheid, vrouw om hare schoonheid in knop. En zij was zoo àlles, dat men niet wist, wat men haar zeggen zoû: kindje, vrouw, godin of sprookje... Maar wat zij dan ook ware, zij was een bloem van lijnen, een droom van teederheid: zij was alleen een ziel. Men zag niet, dat zij klei was; men zag alleen hare lijnen, en hare lijnen waren meer een melodie voor het gevoel, dan een feit voor het oog.

- Ik ben jaloersch op je, zei Aylva. Ik begrijp, dat dit kunst is in de heilige beteekenis ervan. Het zal iets volmaakts zijn... Is het nog niet af...?

- Neen...

- Voor mij is het al af: ik zal, geloof ik, onmogelijk een indruk van grooter volmaaktheid kunnen ontvangen, dan wat dit me al geeft. Maar ik sta wel als een onwetende tegenover je werk, want ik zie niet, dat het niet af is.

- Het rechterbeen... de proportie bevalt me niet.

- Het is mogelijk... Als je het veranderd hebt, zal ik het misschien zien. Voor mij is het nu al volmaakt... Ik ben jaloersch op je... Ik zoû ook willen in zoo een eenvoud, in zoo enkele lijnen kunnen geven een gedicht, een ziel, iets onstoffelijks.

- Je geeft nu een ziel in woorden. Sommigen vinden het woord het hoogste.

- Het woord slingert op ieders lippen. Het woord moet wel heel gelouterd worden, om materie te worden voor kunst. Ik vind het woord niet de hoogste kunst. Ik versta met de hoogste: de goddelijkste, de kuischte. De goddelijkste is voor mij de ziel van een beeld, zoo als dit. Het is kort, onmiddellijk, een openbaring. Het woord is te menschelijk om ooit goddelijk te worden...

- Ik ben dikwijls jaloersch van het woord. Mij dunkt, dat je in woord duidelijker zoû kunnen geven, wat ik in klei heb willen doen. Woord is mij soms concreter dan klei.

- Je moet niet spreken van klei, en zelfs niet van marmer of brons. Dat is alleen ons ‘papier’, ons ‘boek’. Maar wat bij ons ‘woord’ is - eigendom van iedereen - is bij jou je allereigenst bezit: lijn, harmonie vooral: iets wat niet

[p. 438]

vast is, maar overal wisselt... Als ik om je beeld loop, is niets vast; alles wisselt, alles blijft lijn, harmonie... Ik zoek nog naar een andere expressie. Iets dat uitdrukt: zichtbare ziel. Je moet niet spreken van klei: dat is het niet. Maar ik praat zeker maar als een dilettant ik sta ook als een onwetende voor al dat moois... Ik kan alleen in mij zien, wat ik voel; en dan voel ik het hoogste, dat gegeven kan worden...

- Waarom breek je altijd je arme woord zoo af. Het is zoo mooi... En je vergeet in je redeneering: stijl; dat is niet eigendom van iedereen...

- Zeker, er is stijl: anders zoû er niets zijn. Maar muziek is reiner, en duizendmaal subtieler, vind ik, dan het woord. Sculptuur is goddelijker. Ik geloof alleen, dat het woord hooger is dan kleur... En toch hoû ik veel meer van kleur, dan van woord. Ik lees bijna nooit meer, en ik geniet meer van een schilderij dan van een gedicht. Ik geloof, dat het eenvoudig is, omdat men mooier vindt, dat, wat men niet heeft. Ik waardeer nooit wat ik heb; dat is mijn ongeluk. Maar ik geloof, dat eigenlijk àlles heel eenvoudig is, maar dat wij het niet zien, omdat we zóó beperkt zijn, dat we ons moê zwoegen om in allerlei complicatie te zoeken, wat eigenlijk niet te vinden is van eenvoud. Ten minste zoo voel ik nu, hier in je atelier, vóór je godin.

- Ik ben blij, dat je haar goed vindt...

- Arm kind: wat ziet ze in het leven? Is ze bang, of alleen maar verbaasd? Het is alsof ze een ontzettend monster, een sfinx, een Minotaur ziet, en wil weten, en toch niet durft vragen... En wat is ze teêr, en broos...

- Ze zal steviger zijn in marmer.

- Jammer: waarom kan ze zoo niet blijven: ze is zoo onstoffelijk, zoo... Moet ze geëxpozeerd worden? Arm kind! Hoe noem je haar...?

- Ik heb nog geen naam...

XIII.

Aylva liep nu geregeld iederen dag even in bij Fedder. Hij had in Italië zeer in zich ontwikkeld de faculteit van diep en bijna dwepend te voelen voor een kunstwerk, met

[p. 439]

meer dan bewondering, met liefde en aanhankelijkheid. Er was dan bij hem de kleine ijdelheid van een leek, als hij voor zich iets wondermoois gevonden had, dat niet van algemeene bekendheid was in de boeken en in het groote publiek. Die ijdelheid voelde hij bijvoorbeeld om de gouden Annonciatie in Florence en den Eterno Padre van den zoeten Dolce in de Academia aldaar. Maar aan den Eros van het Vaticaan gaf hij zich gewonnen, ook al was die wereldberoemd. Zulke dwepende liefde was misschien een gevoel, langzaam aan gekweekt, met de verfijning, waarmeê men een kasbloem schept, en toch was het gehéele waarheid. Het was hem - na dien eventwijfel aan de waarheid van zijne liefde voor Hélène - klaar geworden, dat, mocht het hem ook soms anders schijnen, hij niet anders kòn gevoelen dan in waarheid. Dat was een der revelaties, die hij in zijne eenzaamheid had zien opengaan als met tooverdeuren, en het was hem groote troost, omdat hij er vastheid doorheen zag. De arabesken in zijne ziel hadden hem dikwijls doen twijfelen aan haar eigen waarheid: hij zag nu ìn zijn waarheid ook al was ze geen effen spiegel, maar een vreemd gecizeleerd metaal...

Heel waar en met een dwepende aanhankelijkheid - weldadig, omdat er veel sentimentaliteit in hem was, die altijd dwepen moest - ging zijne liefde dan toe naar een enkel doek, een enkel marmer hier en daar, een enkele zuil, een enkelen boog in ruïne, en nu naar Fedders beeld. Hij zag het altijd voor zich - sprookje, kind, godin of vrouw - starende met haren blik van huivering in eene vreemde verte, van waar het leven op haar af kwam, monsterachtig raadsel. Als hij schreef aan ‘Anarchisme’, bloeide de teêre silhouet van lijnen voor hem op, en hij kon het niet laten: hij zette het beeld in het paleis van zijn jongen keizer, en de beide vrienden keken er naar Arnold en de vorst...

De dagen gingen voort; hij werkte; hij ging naar Fedder; het leven spon glad af, als zijden draad. Er was het dwepen met het beeld, de ijver voor zijn kunst om zijn boek af te maken - het strand, waarnaar hij liep, dat eindigde in zee; het slot, dat eindigde in raadsel en in vraag. Er was de weemoed, die er altijd was, en scherper nu om armen Dolf. Achter die scherpe lijnen waasde weg de schaduw van een paradijs, verloren, - Hélène - of het zich mengde met de

[p. 440]

kimmen van Italië, dichter bij... Zoo was zijn leven hem een kleine tempel van nieuw sentiment; een atelier, heel wijd, vol van zijn groote werk; en dan een landschap nog, heel ver...

Het was genoeg.

Het was niet arm...

De dagen sponnen glad als zijden draad...

Wat zag het beeld? Wat was die angst? Wat was die Minotaur, dat monster, en die sfinx? Wat...?

Wat kwam er aan? Wat dreigde er...

Een tempel, atelier, en landschap...

Het was genoeg. Het was heel lief nog; het leven was soms wel de moeite waard, hoe ook van weemoed vol... Maar wat, wat zag het beeld...?

Het zag, dwars door het leven heen, dwars door de bogen van den tempel, de ramen van het atelier, en al het waas van landschap, een zwarte schim naderen aan, - skelet, somber gemanteld, reusachtiger dan alles:

Het zag den Dood...

 

Daar op zijn tafel lag het telegram.

En als verwezen staarde hij er op:

‘Kom terug. Mama ziek. Geen gevaar. Emilie’.

XIX.

Het was vijf uur; de zon ging onder; aan de kimmen woedde de strijd van dag en nacht, Heden en Toekomst, met vlammen en met paarsch opdoemende duisternis, als iederen dag. Sint Pieter bralde omhoog in hoogmoed om niet te vergaan, en verhief tot spannens en barstens toe zijn dom, als een reuzenmonstrans, bevelende om te aanbidden. En een weêrschijn van brand vloeide binnen de kamer; de brokaten tintten zich met vermeil; door de gipsafgietsels scheen te vloeien een bloed als beleving.

Hij stond voor zijn tafel, turende op het telegram. Hij zag daarginds, zoo ver, de kleine villa in de Boschjes, zijn moeder ziek....

Hij zag een eindelooze lijn van rails, onverslindbaar, zelfs in uren....

Hij belde.

[p. 441]

En terwijl hij eene trilling over zijn lijf voelde komen als een groote koorts, terwijl hij klappertandde, opende hij een kast, en haalde er, zonder te zien, kleêren uit.

Ze stapelden zich op stoelen.

- Heeft de signorino gebeld?

Het was een kleine donkere leelijke Italiaan, met groote gitten oogen, en hij had een antieken naam: hij heette Oreste.

- Ik woû mijn koffers hebben.

- Gaat de signorino weg....?

Hij zeide, ja, dat hij terug moest naar zijn land, omdat zijn moeder ziek was. De koffers, en of Oreste woû waarschuwen beneden, dat hij ging met den trein van dien nacht... Oreste ging met een grooten uitroep van treurigheid. Aylva's handen werkten voort, zonderdat hij zag. De kamer werd ééne wanorde: kleêren, kleinigheden; de brokaten, sleepende over stoelen; fotografieën over den vloer.

Toen eensklaps kon hij niet en ging zitten.

Oreste sleepte de koffers binnen.

- Laat maar, Oreste, ik kan niet pakken. Ik zal maar alles achterlaten: ik heb niets noodig....

Hij was als in een droom. Hij wierp zich op zijn bed, omdat hij toch niet pakken kon, en omdat hij wachten moest tot over vier, vijf uren, de trein zoû gaan....

De stervende zon vloeide rood binnen, vermeil en bloed.

En in den weêrschijn van wat zijn Vizioen geweest was, maanden lang, zag Aylva den kleinen Italiaan de koffers openen.

Hij zag de kamer rond, nadenkend.

Toen begon hij met de brokaten - oude priesterstolen - en vouwde ze voorzichtig en legde ze onder in. Aylva verwezenlijkte niet, wat hij deed: vóór zijn oogen vlamde alleen, in den weêrschijn van het Vizioen, Emilie's telegram: ‘Mama ziek. Geen gevaar’.

Intusschen ging Oreste voort, zonderdat Aylva wist, wat hij deed. Want hij draaide zich om op zijn bed - de stervende zon hinderde hem - en hij sloot zijn oogen om aan niets te denken.

Een uur misschien lag hij zoo, alles vergetende, behalve, dat zijn moeder ziek lag - niet gevaarlijk - maar hem toch wachtte.

[p. 442]

Neen, er zoû geen gevaar zijn....

Het was alleen wat zenuwachtigheid, en ongerustheid van mama....

Toch had Emilie goed gedaan maar te telegrafeeren...

Hij geloofde zichzelven niet. Maar toch redeneerde hij zoo wat voort. De halve uren gingen slepend voorbij. Daar klopte Oreste hem op den schonder:

- Signorino....

- Wat?

- Wil u eens kijken. Ik heb alles gepakt, omdat de signorino het niet kon doen. Ik hoop, dat het goed is.... Alleen de beelden....

Aylva keerde zich om. De koffers waren gepakt. De kamer was kaal, maar geruimd. Al het bloed en het vermeil waren getaand, en het raam was toe: de donkere triomf van den nacht dommelde violet naar binnen en alleen de gipsafgietsels waren er nog iets wits van hem in....

- Alleen de beelden.... Wil de signorino die in een kist laten pakken? Ze konden niet in de koffers.

- Heb je alles gepakt....!

- Si, signorino....

Aylva staarde verwezen rond. In de kale kamer stonden de koffers, vierkant en emotieloos, in afwachting.

- Waarom heb je dat gedaan?

- De signorino kon niet pakken. De signorino is molto simpatico aan Oreste.... Ik heb gedaan zoo goed ik kon.

- Het is heel aardig van je, Oreste.... De beelden niet? Nu, die mag jij dan hebben. Ze zijn niet veel waard, het is maar gips. Maar de koopman in de Porta Pinciana zal je er misschien wat voor geven....

- Grazia tanto, signor. En wanneer wil u wat eten?

- Straks, maar niet veel; een kop bouillon.

- Oreste zal u naar den spoor brengen. Alles zal wel goed zijn thuis, Gesu senti! Ik zoû maar niet zoo treurig zijn.... Ik ga voor den bouillon zorgen.

Aylva bleef alleen op bed, staren met wijde oogen in den violetten nacht. Daar, op de tafel, bleek, schemerde nog de Eros van Praxiteles. Hij stond op, deed al zijn overjas aan, sloot zijne koffers.

- Waar is ‘Anarchisme’? dacht hij. Waar is mijn boek?

[p. 443]

Ik hoû het altijd bij me.... Nu, Oreste zal het wel ergens hebben ingepakt.... Ik kan toch niet eten, ik zal maar gaan, al is het nog te vroeg....

De Eros schemerde, een witte vlak.

- Lief land! dacht hij. Lief volk! Wanneer zie ik je terug.... Misschien nooit.... Wat zoû er zijn met mama? Zoû er tòch gevaar zijn.... Tòch gevaar.... Neen, anders had Emilie dat niet zóo geseind.....! Ze zal alleen wat zenuwachtig zijn....

Hij had de koorts van angst.

Toen voelde hij heel duidelijk een anderen weemoed wazen door dien angst heen: weemoed, omdat hij Italië moest verlaten...

En toen begreep hij, dat er wèl gevaar was; dat anders Emilie niet, nooit....

Zijn hart was vol; hij snikte....

Zoû hij zijn moeder nog terug zien....?

Toen nam hij den Eros op; in het violette duister drukte hij een kus op zijn neêrgebogen hoofd, zette het beeld voorzichtig neêr, en ging, tastende, de kamer uit, waar hij gewerkt had, maandenlang, aan ‘Anarchisme’.

XV.

Van sneltrein in sneltrein, met alleen de grauwe haltes aan de grauwe nachtstations, onder de grijze glasbogen en het avondwaas geprikt vol roode lichten of doorstroomd met electrischen straal. Het aanhoudende rythmische daveren door, de haltes aan de stations, het donanengedoe aan de grenzen, even een kop bouillon, dan weêr toonen de kaartjes, instappen en weêr voort. Duizende reizigers reisden meê; honderde verlieten hem, stroomden, stroomden weg; andere honderde kwamen weêr aan; een eentonige droom. Zoo veel hij kon, bleef hij in zijn hoek, onder zijn plaid, de beenen kouwelijk opgetrokken. Hij dwong zich te denken aan niets. En dikwijls lukte dat wel, en sliep hij in. Dan ontwaakte hij na een uur, en altijd was het het zelfde weêr: de trein trillerde voort, en verslond de rails, tikkende met een metalen gekletter, ijzeren donder, die dreunde in driekwartsmaat... Dan weêr de haltes, de grenzen, een andere taal, een andere munt, een andere atmosfeer, onzegbare verandering. De land-

[p. 444]

schappen trokken bij mijlen de ramen langs der coupé, als rolden ze af op groote rollen, breed lint van panorama. De nacht, de dag, de nacht, Parijs in kil vochtigen morgen....

Nu naderde hij, nu naderde hij, en het was de klaar grove dag, en het waren de drukke stations van België... Totnogtoe was het een droom geweest, en nu werd het hardkleurde werkelijkheid in dit land, dat aanvoelde zijn land met, dat leelijke Fransch, met dat Vlaamsch, dat aanvoelde zijn taal.

Hij kon niet meer denken, aan niets.

Zijn moeder was ziek, en sedert uren al, was hij op weg naar haar toe. Zijn moeder was ziek.... O, als er geen gevaar was, zoû hij zich dan zóo haasten....? Brussel nu, heel lange oponthoud, eindeloos - o, waarom maar niet door - en eindelijk de grenzen over, en de Moerdijk, en beleefd aan de Engelsche dames, die vroegen of dat Moerdijk was, geantwoord: ja. En toen, en toen, toen eindelijk....

Zij schreeuwden het hem in de ooren, den naam van zijn stad. Vol aan het station: hoopen menschen, die gingen naar Amsterdam: was daar dan wat te doen....?

Hij was uitgestapt, en hij zocht vaag rond, als was hij verloren, als wist hij niet meer.

Toen zag hij op hem afstappen een, dien hij in tijden niet gezien had, zijn broêr uit Amerika: die was met zijn vrouw een maand geleden gekomen. En naast zijn broêr, Emilie...

Om hem heen was een vol gedrang van menschen, die duwden; van sjouwers, die sjouwden met koffers. Maar hij zag het dadelijk aan haar gezicht, dat zich niet wist te toomen... Hoe zag zij er uit, bleek, verhuild...!

- Is mama...?

Zij opende de lippen, maar antwoordde niet.

Hij vroeg niet meer.

En hij liet zich naar hun rijtuig leiden, gauw, om zich te verbergen, te onttrekken aan het ruwe gedrang, dat trok en dat haakte aan zijn lijf, aan zijn ziel.

En in het rijtuig, op weg naar het kleine huis in de Boschjes - naast zich Emilie, zijn broêr over hem - barstte hij, of zijn ziel berstte uit, in één wanhoop van snikken, dat niet ophield....

Want het was nog die zelfde zenuwsnik, toen zij stilstonden voor het huis.

[p. 445]

XVI.

Het was vreemd en zacht stil in huis, alsof er een vreemde sneeuw was neêrgezonken, een donzen stilte. In de benedenkamer, waar hij even binnen ging, was het vol van stille menschen, en hij herkende mevrouw Van Neerbrugge en zijne schoonzuster, een Amerikaansche, en hare al groote meisjes. Hun droevig zwijgen benauwde hem, terwijl hij zijn groote zenuwsnikken inhield. Hij kon hier niet zijn. Hij ging de kamer uit, zonder te weten, waarheen hij wilde.... In de gang ontmoette hij de oude meid, die huilde en hem iets zeide.... Hij knikte alsof hij haar begreep. Een groote klok tikte heel hard, en hij zag zijne koffers staan.

- Hugo....

Emilie was hem gevolgd.

Zij bracht hem naar zijn eigen tuinkamer. Een kilte van onbewoondheid droop langs de muren. In den tuin druipregende het....

- Hugo....

Hij zag haar aan zonder te spreken.

- Mijn arme jongen.... Je hadt het niet gedacht.... Het is zoo gauw geweest....

- Heeft mama me niet gemist....

- Ze was buiten kennis.... Ze heeft ons geen van allen herkend, het is heel zacht gegaan.

- Hoe is het gebeurd....

Ze legde hem met een enkel woord de plotselinge ziekte uit, maar hij hoorde niet. Alle woorden en dingen waren hem onwerkelijk...

- Hoe lang heb je wel gespoord, mijn arme jongen? Ben je moê?

- Ik weet het niet....

Zij nam zacht zijne hand.

- Willen we naar haar toegaan?

Hij knikte van ja en snikte. Zij nam hem in haar armen als een zuster en kuste hem. Het was hem of hij brak....

- Kom dan meê, fluisterde ze....

Ze leidde hem bij de hand, de kamer uit.... Hij heugde zich, dat zij hem nog eens zoo geleid had, toen naar de kamer, waar zijn moeder zat, opdat hij met haar zoû spreken.

[p. 446]

Nu bracht zij hem de trap op....

Het was alles zoo vreemd, en zacht stil: er was geen geluid; de vreemde sneeuw was neêrgezonken, voeten dik, een donzen stilte.

Daar was een deur, dicht als geheimenis. Maar Emilie scheen het te weten, want zij opende de kamer vol mysterie.

Er schemerde een halflicht van dichte jalouziëen en tusschen donkere gordijnen blankte vaag een bed.

Alles was onwerkelijk en toch eenvoudig, of alles zich vereffend had. Daar lag zij, zacht wit, stil, de oogen toe, het oude gelaat sereen, en alleen een trek om den mond was vreemd, en niet haar gewone glimlach. Maar het alleronwerkelijkste was, dat zij zoo ver was, eindeloos ver, verloren, onbereikbaar.

Zij lag daar, en zij was er niet. Er was niet tot haar te zeggen een woord van treurigheid, want zij was zóó ver, dat zij niet hoorde. Er was niet bij haar te leggen zijn arme hoofd van pijn en smart, en uit te huilen aan haar hart, want zij was zóó ver, dat zij niet zag en hem niet tasten kon.

Zij was niet meer bij hen; zij was niet meer bij hem, dien zij bemind had als haar lieveling: zij was gegaan.... Zonder een woord van afscheid, was zij gegaan, naar heele verre oorden toe, waar hij haar niet kon volgen. Dat was wel heel ver, waar zij was.... Want hier, - al lag zij daar zoo recht, en wit, en stil, - was zij niet meer....

Hij knielde onbedwingbaar neêr, en legde aan het bed zijn hoofd, en Emilie hoorde hij, daar achter hem, heel zachtjes weenen. En onhoorbaar - waarvoor wist hij nu nog niet duidelijk - vroeg hij, zijn oogen op haar stil gelaat, waarvan de toe-ë oogen niet meer zagen:

- Vergeef me.... vergeef me, mama....

Hij voelde, dat zijn gedachte niet tot haar kwam, ten minste niet tot wat daar van haar lag, recht, wit en stil: heel streng en zonder iets meer van hare zachtheid, hare liefde. Hij poogde het nog eenmaal:

- Vergeef me.... vergeef me, mama....

Zij hoorde niet. Zij was gesloten in geheimenis. Zij was heel ver....

Hij voelde, dat hij alles van haar had verloren, en dat

[p. 447]

hij was alleen en zonder steun, en zij hem nooit zoû zeggen, dat zij hem vergaf, al groote en al kleine kwaad.

Toen stond hij op. Hij weende niet, want in zijn wanhoop, die altijd zoû zijn en altijd troosteloos, dacht het hem heel nutteloos te weenen. Toen nam hij Emilie, die snikte, in zijn armen.

- Kom, fluisterde hij zacht.

Hij nam haar bij de hand, hij leidde haar nu weg, zooals zij hem had ingeleid. En hij was het, die stil de deur sloot van de kamer vol geheimenis, terwijl haar snik de donzen sneeuw van stilte scheurde....

XVII.

Er gingen twee dagen om vol stille kleine drukten, die hij deed met Emilie en met zijn broêr. En nu was zij begraven en zij zaten in de donkere kamer beneden, waar haar heengaan iets had gelaten in de atmosfeer, dat niet te zeggen was, heel stil en vreemd, alsof zij onzichtbaar nog een laatste woord zoû moeten zeggen, dat maar niet klonk....

- Hugo.... kom eens meê.

Mevrouw Van Neerbrugge kwam naar hem toe, waar hij zwijgend zat gedoken in zijn stoel. Hij stond op, zij bracht hem naar de vensterbank, waar zij beiden gingen zitten. Zij was een groote vrouw; zij had die zacht placide waardigheid van vrouwen, die lang zijn in Indië geweest, de eerste naast haar man, in zijn pozitie van gezag en macht. Zij scheen nooit onder te worden. Hij kende haar al jaren zoo, van kind af aan, met haar heel zwarte haar en matte teint, en zooals Emilie zijn moeder had genoemd, noemde hij haar, al waren zij ook geen familie: tante.

- Hugo.... ik woû eens met je praten. Wat denk je te doen, mijn beste jongen?

- Ik weet niet, tante....

- Denk je weêr op reis te gaan?

- Ik weet nog niet....

- Woû je van avond hier blijven slapen?

Hij zoû alleen zijn; zijn broêr en zuster waren in een hôtel; de meid sliep buitenshuis, omdat zij bang was, nu mevrouw er niet meer was. Hij wist niet, en haalde de schouders op.

[p. 448]

- Ik zoû het niet doen, mijn jongen. Je bent zoo zenuwachtig.... Ik woû je voorstellen: kom bij mij. Blijf bij mij, zoolang je nog bent in Den Haag. We waren zulke oude vriendinnen, je lieve moeder en ik.... Ik woû, dat je, nu ze er niet meer is, in mijn huis iets van een ouderlijk huis terugvond. Slaap van nacht bij ons.... wil je?

Hij knikte van ja, en drukte haar hand.

- U is heel lief.... Ik kan nog aan niets denken. Ik weet niet wat ik doen zal.

- Blijf bij mij, zoolang je wilt. Ik heb je gekend van een kleinen jongen af, en ik mag je wel een beetje beschouwen als mijn kind, niet waar. Wij zullen allen mama missen, Hugo, maar jij het meeste....

Hij knikte weêr. En zij stond op en kuste hem voor zij nu ging. Hij staarde in den tuin, daar, waar Zij altijd had geloopen, met haar langzamen pas, tusschen haar rozen. Ze waren, de rozen, nu omwikkeld in stroo, en zij kon ze niet meer zien herbloeien. Zij was gegaan.... Waarom was zij zoo gegaan, zoo vreemd, zoo in eens, als zonder afscheid, zonder één enkel laatste woord? Zij was gegaan voor altijd.... Want zij was dood. Hijzelve, dien morgen, hij had haar kist onder veel bloemen zien wegstoppen in een kelder, donker en vochtig, dien men noemde een familiegraf. Met ceremonie hadden zij de kist, waarin haar lichaam lag, tot daar gebracht, en toen was ze er in geduwd door ruwe mannen, die iederen dag zoo deden en niet meer beseften.

Zij was gegaan.... Hij herinnerde zich hoe dikwijls hij gezeten had aan hare voeten, zij met de hand streelende op zijn haar en hoe zij met zoo lief willen begrijpen hem gevraagd had naar zijn werk, in haar trots van moeder, die haar zoon beroemd zag; hij heugde zich hoe hij haar gebiecht had zijn leed; Hélène.... Hij heugde zich hoe zij samen gewandeld hadden, zij aan zijn arm, met langzamen pas, omdat zij was zwaarlijvig.... Maar het was niet alles lief wat hem heugde. Hij heugde zich nerveus gekibbel, bittere woorden nu en dan, altijd om zijn drift en ongeduld, altijd zijne schuld: om niets, om heele kleine kleinigheden. Dan had hij wel eens geboudeerd, en zij altijd maakte het goed weêr, omdat zij leed onder zijn bouderie. Maar later was hij ook wel eens de eerste geweest om bij te leggen den huiselijken

[p. 449]

twist.... O, wat waren die verzoeningen lief! Dan zat hij weêr aan haar voeten: zij schudde het hoofd en noemde hem, schertsende nu: zenuwachtige driftkop.... Hij hoorde het haar weêr zeggen: zenuwachtige driftkop. Dan hadden zij samen pleizier en lachten er om, beiden. Het was toch ook eigenlijk om niets geweest: een kleinigheid; zij waren beiden zenuwachtig. Het was wel lief om nu te denken, nooit om iets ernstigs, om groote dingen. Zij hadden elkaâr heel lief gehad, hoewel zij veel verschilden: zij zoo eenvoudig, niets dan moeder, trotsch op haar jongen; en hij, ingewikkeld melancholiek in de nevroze van zijn zieke ziel, die zoo zelden eens blij was om het leven.... Dat had zij hem dan verweten: dat hij maar altijd zuchtte.... Zij plaagde hem, en deed hem na, en zij hadden er beiden om gelachen, en zij hadden beiden gezucht, uit gekheid.... En dan hun eten samen, zoo gezellig; hun lange avonden....

Nu was ze heengegaan.... Juist den laatsten tijd hadden zij niet meer zoo samen geleefd. Lang was hij in Parijs geweest, toen thuis, maar toen naar Rome. Hoe had zij niet geprutteld tegen zijn laatste reisplan, toen, in Chaudfontaine nog.... Misschien had zij een voorgevoel gehad: dat zij elkander niet weêr zouden zien, en dat zij stilletjes zoû glippen weg, zonder een laatsten zoen aan hem te geven....

Nu was ze heengegaan. O, waàrom was ze zóó gegaan, zóó stil, zóó plotseling, zoo zonder laatste woord....!!

Haar arme lichaam hadden zij gestopt onder de aarde. O, dat begraven, dat verbergen van wat moet vergaan; hij huiverde er van!

Sterven! Dat was afschuwelijk, ten minste voor haar arme lichaam, dat hij toch óok had liefgehad aan haar: de hand, die zijn haar streelde, terwijl zijn hoofd op hare knieën lag; de oogen, die hem tegenlachten en vergaven, vóór nog het hare lippen deden....

- Vergeef me, mama.... o, vergeef me!!

Zij zoû het nooit meer zeggen, het zoete woord, waarmeê zij hem vergaf....

Zij was gegaan, zonder het nog eens voor de laatste maal gezegd te hebben, met woord, en oog, en glimlach: dat zij vergaf, al groote en al kleine kwaad....

En toen besefte hij, dat hij geweest was een bedorven kind,

[p. 450]

met weldaad overstelpt, die hij nauw gewaardeerd had en maar had onnadenkend aangenomen als heel natuurlijk recht.

O, toen besefte hij, dat zijne moeder, die was heengegaan, was heengeglipt, geluideloos, in donzen sneeuw van stilte, voor hem geweest was, voor hem nu heel zijn verder leven vol verwijt zoû zijn:

Dat wat hij had gehad en nooit genoeg had gewaardeerd.

.... Altijd het Mene Thekel, dat vlammen zoû - te late vermaning, - met letters van hel weêrlicht, altijd, aan de muren van zijn leven....!

XVIII.

- Weet je nu al wat je doen zal?

Aylva zag Emilie aan met zijn treurigen glimlach: zijn oogen stonden hol en donker, en hij was bleeker nog in het zwart van zijn rouw.

- Ik schijn wel een heel nutteloozen indruk te maken; antwoordde hij met een poging tot scherts. Iedereen vraagt me of ik weet wat ik doen zal....

- Omdat iedereen weet, hoeveel je verloren hebt, Hugo; antwoordde zij zacht.

Hij bleef een oogenblik stil. Zij zaten in haar boudoir, waar de lelies en narcissen aan den wand en op den spiegel stil opbloeiden als sprookjesbloemen. Zij zat op den divan, geïnstalleerd met haar werk. Het trof hem, hoe natuurlijk bevallig zij daar zat in haar witte blouse, en hij had er pleizier in haar te bekijken. Zij zat recht, heel bezig met haar naald. Om haar heen waren de kussens in de drukte van haar werk verward geworden. Een staande rieten werkmand stond open naast haar, vol dingen, die zij telkens noodig had. Een groote schaar lag op den grond, spelden waren gevallen, lange draden trok zij telkens uit. En als een nevel vloeide uit de mand en op haar schoot witte mousseline en een witte kant.

- Ik denk, sprak hij eindelijk, terwijl hij altijd volgen bleef, met den blik, de beweging van haar hand; dat ik eerst mijn boek zal afmaken.... Ten minste als ik het kan doen. Ik was er in Rome in een bizondere stemming voor. Ik weet niet wat het was, maar alles werkte er aan meê. Er was iets

[p. 451]

bizonders in de lucht, en.... alles werkte er aan meê.... Ik voelde mijn boek bij mij opklaren als de zon onderging achter Sint Pieter. Ik voelde het als ik in het Vaticaan stond voor den Eros, of bij Fedder voor zijn jonge godin. Het is moeilijk dat te analyzeeren, want het waren juist indrukken, die niet direct met de idee van ‘Anarchisme’ te maken hadden.... En toch, toch was het zoo. Ik was daar heel alleen, maar ik had pleizier in mijn werk.... De dood van dien armen Dolf heeft mij diep getroffen. En toch kon ik aan mijn werk doorgaan. Maar nu, nu weet ik het niet.

Zij, langzaam, liet haar naald zakken; hare handen waren verloren in de witte mousseline van haar werk.

- Waarom ga je niet door? vroeg hij.

Zij zag op, glimlachte even droef, en reeg weêr door met langen draad, de kant aan de tulle.

- Nu weet ik het niet, vervolgde hij met droomerige stem. Het is wel waar, Emilie: ik heb wel veel verloren. Als je je moeder hebt, besef je niet....

Hij maakte zijn zin niet af.

- Ik zal probeeren mijn boek hier af te schrijven. Wat heb ik anders te doen? Ik hoop dus nog eenigen tijd van tantes gastvrijheid gebruik te maken. Ik voel me zoo thuis hier, niet waar, en tante was zoo lief: ze zei me, ik moest me hier voelen als in een ouderlijk huis.

Zij liet haar naald weêr zakken.

- Waarom ga je niet door? vroeg hij weêr.

- Ik heb geen lust meer.

- Wat wordt het?

- Dat wordt zoo geplooid over een blouse heen.

- Dat moet wel aardig staan: luchtig....

- Ja....

Zij zwegen beiden vol gedachten.

- Wanneer lees je me ‘Anarchisme’ eens voor? vroeg ze.

- Wanneer je wilt. Ik zoû het zelfs prettig vinden het voor te lezen dan krijg ik er zelf een compleeten indruk van. Ik weet nu niet meer hoe het eigenlijk wel klinkt.

- Ik ben er heel benieuwd naar. Het zal wel heel wat anders zijn, dan je totnogtoe geschreven hebt....

- Zoû het? Ik weet niet.... Wil ik het nu lezen?

- Ja, goed....

[p. 452]

- Maar dan moet je ondertusschen weêr aan die kant naaien.

- Neen, ik heb geen lust meer.... Waarom?

- Dat vind ik pleizierig.

- Je bent een beetje mal, geloof ik.

- Neen, anders lees ik niet voor.... anders word ik zenuwachtig: als je me zoo strak aanziet, terwijl ik lees.... Ik zal mijn manuscript halen.... en dan moet je weêr aan die kant naaien.

- Wat kan je toch dwingen.... Ik wil heusch niet.

- Jawel.

- Nu goed dan; maar ga het dan ook halen....

Hij lachte en ging weg. Zij bleef even alleen, hare oogen staarden in den spiegel, en zij zag zich, tusschen de anemonen op het glas, zitten in haar mousselinen nevel.... Het trof haar, dat het bij toeval, natuurlijk weg, een plaatje was, een sprookje.... Zij glimlachte er om.... En met haar langen draad reeg zij weêr door, toen hij terug kwam....

Hij was heel blij, dat zij weêr naaide, dat zij hem toegaf. En hij begon zijn boek te lezen. Een enkelen keer liet zij haar naald dan zakken, en dan weêr ging ze voort.... Hij las, heel lang. Het dacht hem zoet, haar altijd zoo maar voor te lezen, te blijven in die kamer. Wat was er voor bekoring in. Het was heel zacht, alles, heel stil, een stille harmonie.... Wat was er voor bekoring in? Waren het de bloemen van het sprookje? Was het het sprookje zelve? En wat was dan het sprookje?

Hij las, heel lang. Een enkelen keer maar had zij hem onderbroken. Nu zweeg hij.... En zij was opgetogen, zij vond het mooi, heel mooi, heel sterk, veel kracht er in, wel heel iets anders dan ‘Mathilde’ en ‘Schaakspel’ en ‘Nirwana.’

- Je vindt altijd het beste, wat je het laatste schrijft.... Maar daarom weet je niet zéker of het wel zoo is....

- Je moet ook nooit te gauw iets zeker weten, plaagde zij. Twijfelen is veel meer halflicht en artistieker.

- Ik heb in eens lust er nu aan voort te werken. Maar mijn kachel is niet aan.

- Werk dan hier, aan mijn tafel.

- Mag ik?

- Ja, zeker.... Ik ga toch uit.

[p. 453]

- Je hindert me anders niet: ik kan wel schrijven, al ben je er.

- Heel lief gezegd: maar ik moet heusch uit. Eigenlijk ga jij ook te weinig uit.

- Ik heb al zooveel gewandeld in Rome.... Laat mij hier maar eens thuis blijven. Ik heb heusch nu lust te werken.

Zij had haar mousseline en kant geruimd.

- Alles gaat door, niet waar Emilie? vroeg hij heel zacht. Jij maakt je blouse,.... en.... ik ‘Anarchisme.’ En.... mama.... die is weg.

Zij naderde hem en legde haar hand op zijn hoofd, en zag hem aan.

- Het is een heel, heel groot verlies, Hugo. Maar waardeer het dat, - wat je ook voor verdriet kan hebben, Hugo - je je mooie groote kunst hebt om je te troosten. Toe, waardeer het....

Hij zag haar lang aan. Toen zeide hij:

- Ik zal het beginnen te waardeeren, Emilie. Anders zoû ik misschien - op een dag, dat ik ze noodig had - mijn kunst missen....

Zij knikte van ja, zonder nog te voelen, hoe bang hij werd, langzaam, langzaam aan voor de vlammende vermaning aan de muren van zijn leven.

En toen zij was gegaan, schreef hij heel lang aan haar tafel....

Verdiept in zijn ernstig werk, waasde het sprookje om hem heen.

XIX.

Meestal wist hij een klein voorwendsel te vinden om niet te werken in zijn eigen kamer, maar bij haar, en na enkele weken schreef hij zijn boek af met een kalme pen, die langzaam de laatste regels voltooide, die er den streep onder zette met een sereene rust. Wat hij begonnen was met het vlammende epos aan Rome's kimmen voor oogen, eindigde hij in de leliekalmte van Emilie's boudoir: het epos vervloeide in de idylle; het drama in het sprookje, en het gaf aan het slot van zijn boek een onverwachte harmonie van oplossing: een hoop op gouden toekomst en verschiet van witte vrede na

[p. 454]

die tragedie der vriendschap van Arnold en den jongen vorst: vriendschap, die geëindigd was in dood en bloed en brand. Gouden toekomst, witte vrede: de laatste zinnen van ‘Anarchisme’ staken als zilveren bazuinen op: een halleluja klonk er in de lucht, de boomen bloesemden op aarde, zoele lente dreef weldadig aan....

Hij was klaar, hij had niets meer te doen, en het was natuurlijk, dat men vroeg naar zijne plannen. Zoû hij gaan op reis, zoû hij kamers nemen in Den Haag? Hij, hij had het liefst maar willen blijven als hij was... En toen hij begreep, dat hij besluiten moest, een plan moest maken, en aan zijn daagsche leven richting geven, was hij heel treurig en dacht dagen na...

Het was zoo doelloos alles, nu ‘Anarchisme’ af was.

De voldoening van het goede einde van zijn arbeid duurde nauwlijks enkele dagen.

Het was zoo doelloos, reizen, en Italië...

Na de bekoring van de laatste weken - het zoete werken in de kamer van Emilie - zoû het zoo dor rondom hem zijn, vreugdeloos en eenzaam...

Hij zoû dat leven niet meer dragen kunnen.

Hij miste zijne moeder, haar steun, haar troost, haar liefde...

Zij was gegaan, zonder een laatste woord...

Het zoû zoo dor zijn, vreugdeloos en eenzaam...

Dagen dacht hij na...

Er fluisterde iets, dat het niet dor behoofde, en eenzaam...

Dat was het einde van ‘Anarchisme’, de gouden toekomst, de witte vrede, de zilveren bazuinen in de zoele bloesemlente.

Maar hij vertrouwde niet die stemmen, omdat hij was te achterdochtig...

Illuzie was heel mooi soms als het einde van een boek, om troost te geven, aan de menschen, die het lazen, maar werd de illuzie ooit wel in het werkelijke leven?

Hij wilde niet de stemmen hooren: ze lokten tot den leugen... Er was geen zekerheid in niets...

Toch was het sterker dan zijn twijfel: het halleluja in de lucht.

Het was geen zegezang, en geen extaze: het was een teeder, kalm lied.

Toen had hij dagen lang stille gedachte, die uitspon, wat

[p. 455]

hij doen zoû. En toen hij eindelijk meende te weten de bloesempaden, die zijn noodlot wilde, dat hij gaan zoû, besloot hij - twijfelend toch altijd en achterdochtig.

Hij zeide, dat hij ging op reis.

Hij pakte in, nam afscheid en vertrok uit huis.

Hij ging, als een, die heeft te verbergen de dingen van zijn leven, naar Scheveningen, huurde een kamer en hield zich als het ware schuil, twee dagen.

Hij leefde eenzaam maar in een stillen droom en sprookje.

En toen, glimlachende om zijn eigen hoop, die hij naïf vond in zich, en achterdochtig om de illuzie, die maar verheveling zoû zijn en weêrschijn - niets meer - schreef hij zijn brief aan Emilie.

Dat hij niet was op reis.

Dat hij zich schuil hield te Scheveningen, tot zij hem geantwoord zoû hebben.

Dat zijne vraag haar zeker verwonderen zoû, maar dat hij niet anders kon: dat hij gevoelde niet meer te kunnen leven zonder haar.

Hij wilde haar overreden. Hij haalde herinneringen op, uit Indië, toen zij, samen kinderen, samen hadden paard gereden, samen hadden orchideeën gezocht aan de hellingen der ravijnen.

Het was zoo lang geleden, en toch scheen het hem nu gisteren toe.

Daarna in Holland. Hij had haar iederen dag gezien; zij had met hem meêgeleefd, als een zuster, zijn eerste verzen, toen zij nog een kindje was in korte rokken, zoo ernstig al als een kleine prinses...

Later had zij hem ingegeven, onbewust, ‘Mathilde’, den roman van zijn jonge jeugd, zijn populair succes: de tragische melancholie tegen den achtergrond van eenvoudig, lief leven...

En hij wist het: zij had om ‘Schaakspel’, te zijner wille, een beetje geleden, een angst gekoesterd, dat hij zich meê zoû laten sleepen, een hellend pad af, door demonen...

Wat had hem gered, niettegenstaande de groote periode van zijn leven: extaze, en wanhoop?

Wat had hem gered?

Zoû het niet zijn geweest, onzichtbare bescherming, trouw en geheimzinnig als waakengel, van haàr?

[p. 456]

Hij wist het niet, hij was heengegaan: hij had haar wel weêr teruggezien, maar weêr was hij gegaan...

Kon zij hem antwoorden?

Was zij hem blijven beschermen in trouw mysterie?

Had zij hem gered?

Zij moest het toch weten.

Zijn, die hij was, en niet ondergegaan zijn, kon dat wel wezen om ééne andere reden, dan om geheime fluide, die altijd was blijven raken haar en hem, in weêrspel van sympathie...?

Hij wist het niet: hij vroeg.

Misschien vergistte hij zich.

Misschien maakte hij zich een gedicht, en was poëzie nooit de waarheid.

Maar wanneer zij kon antwoorden een woord van bevestiging, dàn zoû hij heel ge