terug  begin  verderprepost
[p. 22]

Het waterstaatsbudget der laatste vijftig jaren.

‘..... Ik heb reeds gezegd’ - aldus klinkt het uit den mond van een van Frieslands afgevaardigden ter Tweede Kamer van de Staten Generaal - ‘dat in het gewest mijner inwoning de armoede op eene schrikbarende wijze toeneemt; terwijl het geachte lid uit Gelderland straks van de toenemende armoede in zijn gewest heeft gesproken. Ik wensch nog met een enkel woord op mijne provincie terug te komen.

Ik heb hier voor mij liggen een adres van de Provinciale Staten van Friesland aan den Koning, waarin daadzaken vermeld worden, welke niet algemeen bekend zijn. Daaruit blijkt onder anderen, dat op sommige plaatsen dier provincie twintig, dertig, ja soms zestig ten honderd van de bevolking uit de armenkassen bedeeld wordt; diegenen niet medegerekend, die bij de diaconiën onderstand genieten. In datzelfde adres zie ik vermeld, dat de lasten, welke deze ingezetenen opgelegd zijn tot ondersteuning der armen, soms tot zeven à acht gulden 'sjaars gestegen zijn; ik zie daarin, dat vele hoofden van huisgezinnen met de hunnen de plaats hunner inwoning en het land verlaten hebben, en dat anderen dit voorbeeld zullen volgen, hun gewest overlatende aan de ijsselijkheden der armoede.

Zoo wij dit bedenken, en van nabij die toenemende ellende zien, gelijk ik die zeventien jaren lang - gedurende welke ik aan het hoofd stond van het bestuur der plaats mijner inwoning - heb kunnen waarnemen: mogen wij dan de oogen sluiten voor een kwaad, dat inderdaad aanwezig is en dagelijks toeneemt?.....’

 

Om welke reden - zoo zult gij mij toevoegen, waarde

[p. 23]

lezer - deze door een iegelijk gehoorde en gevoelde klaagrede hier nogmaals, als aanhef van dit opstel, neergeschreven?

Gij vergist u - mag ik echter antwoorden - gij kunt deze klacht niet gehoord hebben; de mond, welke haar uitbracht, is reeds lang verstomd: de rede is overgenomen uit de Handelingen der Staten Generaal van vóór vijftig jaren1), toen beraadslaagd werd over het antwoord, dat te geven was op het Koninklijk woord:

‘Ernstig ben Ik bedacht op maatregelen om tot stand te brengen eenige werken van openbaar nut, in verschillende oorden des Rijks. Dit zou de gelegenheid doen geboren worden om aan vele handen werk te verschaffen en tevens nieuwe bronnen van bestaan te openen.’

Inderdaad, een ernstig en gewichtig woord, teekenende den nood der tijden; - toen niet kleiner dan thans. En in getrouwen weerklank ontwierp de Commissie tot redactie van het antwoord het volgende:

‘Wij hebben ons verheugd over de aankondiging, dat Uwe Majesteit ernstig bedacht is op maatregelen tot het in stand brengen van eenige werken van openbaar nut in de verschillende oorden des Rijks. Wij deelen geheel in Uwer Majesteits gevoelen, dat daardoor tevens de gelegenheid zal geboren worden om aan vele handen werk te verschaffen. Het openen van nieuwe bronnen van bestaan is een onderwerp, dat niet genoeg behartigd kan worden.’

In trouwe, eene bizonder lange echo - aanmerkelijk langer zelfs dan de klank, welke haar deed geboren worden - doch meer lang dan krachtig. Dit laatste lag dan ook inderdaad allerminst in de bedoeling, gelijk duidelijk uiteengezet wordt in de mondelinge toelichting.

‘Want wat beteekent de paragraaf der Troonrede?’ - aldus spreekt de woordvoerder der Commissie. - ‘Dat de Regeering bedacht is. Niets meer dan dat. De zaak is in overweging. Wat de uitslag zal zijn, is nog onbekend, en wij kunnen ons daarmede niet inlaten2). Wij verheugen ons slechts, dat de Regeering de zaak der steeds klimmende armoede niet uit het oog verliest; dat zij die gewichtige zaak

[p. 24]

ter harte neemt, en op maatregelen bedacht is, om eenige werken (dus niet groote werken)’ - cursiveering en tusschenzin zijn niet van mij, lezer! - ‘van openbaar nut tot stand te brengen. Men gelieve op de uitdrukking te letten: werken van openbaar nut; derhalve productieve werken ook voor het vervolg, die blijvend nut zullen hebben, en niet alleen voor het oogenblik arbeid geven, maar voortdurend den nationalen rijkdom zullen vermeerderen.

Wat is nu het gevolg van die werken? 1o. dat zij openbaar nut aanbrengen; 2o. hebben zij dit secundaire gevolg, dat zij tevens gelegenheid geven om aan vele handen werk te verschaffen. Dit laatste is dus secundair. De werken worden niet tot stand gebracht om werk te verschaffen, maar een bijkomend gevolg zal zijn, dat daardoor werk verschaft wordt.

Ziedaar de redactie uwer Commissie. Er ligt hierin geenerlei verbindtenis of toezegging; wij hebben hier evenmin aan leeningen te denken.....’

 

Waarom heeft de Commissie, die zoo kwistig cursiveerde, zulks bij dit laatste, groote woord: ‘leeningen’ nagelaten? Wellicht omdat een ieder dat woord schrikkelijk genoeg toegrimde, dan dat meerdere nadruk noodig zoude zijn?

En inderdaad is ‘leening’ het spook, dat bij de beraadslagingen over het antwoord op de troonrede, de vroede vaderen telkens doet rillen; en de lezers van De Gids, die nog zoo kort geleden met Mr. Gleichman zich hebben verplaatst in het tijdvak van slechts drie jaren vroeger, toen enkel door de vereende krachten van een groot Koning en een groot Minister ons kleine land voor finantiëelen ondergang werd behoed, zullen het begrijpen, dat toenmaals het woord ‘leening’ niet dan aarzelend kon worden uitgesproken.

Maar tòch vond de Kamer, niettegenstaande de les in de Staathuishoudkunde, haar zoo welwillend door de Commissie gegeven, de woordenrijke, holle echo te weinig passend bij de benauwdheid der tijden. Niet dat zij mede dorst gaan met den Frieschen afgevaardigde, die de echo tot een nagalm als van den donder wilde doen aanzwellen, en antwoorden: ‘Het openen van nieuwe bronnen van bestaan is een onderwerp, dat niet genoeg behartigd kan worden.

[p. 25]

Immers wij mogen het voor Uwe Majesteit niet ontveinzen, dat de armoede in sommige gedeelten des Vaderlands op eene schrikbarende wijze toeneemt, en dat door de Regeering krachtige maatregelen zullen behooren aangewend te worden, welke onder den Goddelijken zegen kunnen dienstbaar zijn om dreigende en onrustwekkende onheilen af te wenden van den Vaderlandschen bodem.’

Met bijna algemeene stemmen verworpen, werd daarentegen met overgroote meerderheid de volgende lezing aangenomen, door een van Overijssel's afgevaardigden voorgesteld:

‘Het openen van nieuwe bronnen van volksbestaan is een onderwerp, dat de ernstige aandacht van Uwe Majesteit in eene hooge mate verdient. Kan de daarstelling van werken in verschillende oorden des Rijks daartoe leiden, dan zal daardoor èn voor het oogenblik, èn voor het vervolg, aan vele handen nuttig werk worden verschaft. Wij hopen, dat ter bereiking van het doel middelen zullen kunnen worden beraamd, die in de bestaande omstandigheden aannemelijk zijn te achten.’

Maar dit is immers juist hetzelfde, roept de Commissie - ‘nur mit ein bisschen andern Worten’ - als wat wij bedoelen! En zij wilde het amendement dan ook niet overnemen. Trouwens de meer dan behoedzame werkwoorden-samenkoppeling: zullen, kunnen, worden..... beraamd, en de voorwaardelijke aannemelijkheid aan het slot, ontnemen aan deze zelfstandige daad der Kamer alle bijzondere beteekenis.

 

Voor het overzicht over het Waterstaatsbudget der laatste vijftig jaren vormt dit drietal antwoorden, waartusschen de Volksvertegenwoordiging bij den aanvang van het tijdperk had te kiezen, eene passende inleiding. Geven immers niet die drie voorstellen, in hunne bondigheid, juist weder al hetgeen men van de uitvoering van openbare werken verwachten kan, hetzij als middel, hetzij als doel, hetzij als doel èn middel samen? Zóó algemeen geldend zijn zelfs die formulieren, dat de namen der toenmalige voorstellers als 't ware niets ter zake doen. Met voordacht zijn die namen dan ook straks verzwegen; immers zij zouden slechts onze gedachten hebben doen afdwalen van het wezenlijke, en ten

[p. 26]

onrechte eenen persoonlijken glimp hebben aangewreven aan hetgeen door die mannen evengoed had kunnen worden opgezegd met het gelaat verborgen achter de maskers, in wier onheilspellende of luchthartige grijns de oudheid - als in een kort begrip - al het menschelijk hopen en vreezen deed verstijven.

Als een sombere grondtoon zal de klacht van den Frieschen afgevaardigde blijven meedreunen, terwijl gij dit opstel vervolgt; zij zal als een memento zijn op het feest van cijfers, dat ik u wil aanbieden: een memento dat echter geenszins de vreugde teniet wil doen, doch enkel moet beletten, dat de schittering der getallen voor meer dan glans, voor het werkelijke wezen worde aangezien. Niet dat de thans vervlogen vijftig jaren arbeids onvruchtbaar waren; niet dat er geen dankens stof te over is: doch wij moeten ons wachten voor de aanbidding van ons eigen gewrocht; voor hetgeen zoude doen vergeten dat het groote vraagstuk, in 1847 gesteld, nog in 1897 - en te vergeefs - op zijne oplossing wacht.

En dat memento zal een prikkel zijn om scherp te onderzoeken, welk deel van de toekomst door het verleden is vastgelegd; welke bedragen het ook in volgende jaren eischt; opdat wij ons rekenschap kunnen geven, welke gelden overblijven voor die nooden, waarin het Waterstaatsbudget tot nog toe niet, of al te karig heeft voorzien.

I.
De voortijd.

Veel verder dan vijftig jaren kan geene beschouwing over het Nederlandsche waterstaatsbudget terugreiken. En wel om twee redenen: in de eerste plaats wegens gebrek aan stof. Lang toch ging ons land gebukt onder den druk der tijden; de matheid, noodzakelijke terugslag op de roerigheid van het Keizerlijk tijdperk; daarna de scheiding van België, met het lange mokken, dat het voldongen feit niet ongedaan kon maken; steeds - en niet het minst - het nog kunnen teeren op vroeger vergaard kapitaal; ziedaar, hetgeen in de

[p. 27]

eerste helft dezer eeuw de opkomst der openbare werken tegenhield. Wel ontbreken deze niet geheel en al: getuige het Groot-Noordhollandsch kanaal, de van kleinere afmetingen, doch niet minder gewichtige Zuid-Willemsvaart, het Apeldoornsche kanaal - vorstelijk geschenk van een Vorst, - eindelijk het net van kunstwegen, dat van lieverlede ons land bedekte, en waarvan toenmaals een zóó groote roep uitging, dat eene vreemdelinge teleurgesteld ontwaarde niet op blanke, gladde tichels, doch op grauwe klinkers te treden; al deze werken waren ontegenzeggelijk van groot openbaar nut. En niet minder de droogmaking van het Haarlemmermeer; zij het ook niet dan tegenstribbelend en als het ware met het mes op de keel ondernomen.

Doch welke uitgaven deze werken ook vorderden, de onafgebroken reeksen van tientallen millioenen, welke later tijden deden kennen, verdrijven de alleenstaande sommen der vroegere jaren geheel uit onze heugenis.

Nog eene tweede reden - en deze zeer laag bij den grond - belet het geven van een meer dan vijftigjarig overzicht. Gelijk een spaarzaam tweede-luitenant het maandelijksch traktement over hokjes met afzonderlijk etiket verdeelt, ten einde nimmer, - ook in geen enkel onderdeel, - de perken van zijn budget te buiten te gaan; zoo werden indertijd van de sommen, voor de openbare werken bestemd, afzonderlijke ‘fondsen’ gevormd, geheimzinnig weggeschoven achter een gordijn, waarop met gulden letters: ‘Amortisatie-Syndicaat’ was geborduurd.

Slechts van tijd tot tijd het daglicht toelatende, ontsnapt de inhoud dier loketten aan het geregeld onderzoek; en dus moet ik mij - ten einde den lezer althans eenigszins wegwijs te maken - bepalen tot het geven van een kort uittreksel uit de ‘Bijlagen der Rekening wegens de Algemeene begrooting over de dienstjaren 1835 en vroeger, tot 1840’ (ik bekort den titel), den Koning door den minister van Financiën aangeboden.

De veertiende dier bijlagen doet opening van den achterstand der voorschotten en betalingen van verschillenden aard; de Waterstaatswerken blijken hierbij de hoofdschuldenaren te zijn.

Voor niet minder dan acht ton gouds staat de droogmaking van de Zuidplas in Schieland in 't krijt (een werk, dat in

[p. 28]

het geheel ruim 3 millioen gulden vorderde), dan volgen - min vleiende samenkoppeling! - onder het hoofd ‘Openbare werken en rampen’, de Zuid-Willemsvaart met ongeveer tweemaal honderd duizend, en het kanaal van Steenenhoek met ruim driemaal honderd duizend gulden; dan de zeewering van den Hondsbossche met ƒ 15.000, en de Apeldoornsche grift met ƒ 21.000, terwijl voor een gelijk bedrag het leenigen der overstroomings-rampen in Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Groningen is gedebiteerd.

Eindelijk vermeldt de minister onder de rubriek ‘Openbare werken en rampen’ nog den ‘aankoop van het huis, waarin het Ministerie van Koloniën is gevestigd’ - of zulks geschiedde van wege het karakter van openbaar werk, dan wel omdat een somber voorgevoel van de bouwkundige misdaad, welke op deze plek stond gepleegd te worden, den Minister dien aankoop als eene nationale ramp deed voorzien, waag ik niet te beslissen.

De vijftiende bijlage ‘Staat der voorschotten, leeningen en vorderingen van verschillenden aard, zooals dezelve voorkomen in de schrifturen van het Amortisatie-Syndicaat’, behelst aanzienlijk grootere posten.

Vele zijn daaronder, welke getuigen hoe kort nog slechts de band tusschen het nijvere Zuiden en het meer handeldrijvend Noorden - om 't even of door afgunst, door onwil, of misverstand - zoo ruwweg was verscheurd. Zoo staan de ondernemers van het kanaal Gent-Terneuzen hier voor 18 ton gouds, die van het kanaal Brussel-Charleroi voor 29 ton gouds te boek; de rentebetaling en aflossing der geldleening ten behoeve van de Zuid-Willemsvaart (ten deele met België te verrekenen) staat voor ƒ 1.800.000 in het debt.1)

Voor 13½ millioen zijn de groote land- en waterwegen opgeschreven; het fonds ter aanmoediging van de nationale nijverheid voor 6½ millioen, - onmiddellijk gevolgd door de mededeeling dat dit fonds van Belgische ingezetenen, zoo aan hoofdsom als aan renten, nog 7½ millioen te vorderen heeft.

Wijders vermeldt deze bijlage nog eene vordering op de

[p. 29]

Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter begunstiging van de Volksvlijt, te Brussel, (als saldo der rekening-courant in 1830) van ruim tweemaal honderd duizend gulden, welke som te vermeerderen is met nog eene vordering op genoemde Maatschappij van ruim 6 millioen gulden, alsmede eene - niet nader verklaarde - uitkeering van die Maatschappij over 1830-1840, groot 5 millioen.

Inderdaad, bedragen en titels wèl geschikt om te doen betreuren dat Grooter Nederland slechts zoo kort mocht bestaan. Welk een ruimer gezichtskring ware ons geopend gebleven, indien het noodlot en wij zelven slechts gewild hadden!

Vervolgens legt de Minister een staat van bijzondere en gedeponeerde fondsen over, tot een gezamenlijk bedrag van ruim 14 millioen gulden. Hiervan kunnen de openbare werken nagenoeg het ⅔ gedeelte opeischen, verdeeld over een twaalftal fondsen, welker grootte schommelt tusschen 7⅓ millioen (spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem) en ƒ 712.70 (groote weg Tholen-Grave.) De droogmakerijen van het Haarlemmermeer, van de Zuidplas, van de plassen van Mijdrecht, het kanaal door Voorne, de wegen van Zwolle naar Leeuwarden, en van Oldenzaal naar Bentheim, de werken der Beersche Maas, die tot verbetering van de Vollenhovensche en Hasseltsche dijken, de bijdragen door de Collegien van den Lekdijk boven- en benedendams tot vinding van de kosten voor de versterking van het noorder Lekboord (reeds toen dus te zwak), de buitengewone belasting ten behoeve der calamiteuse polders - met, o wonder, een batig overschot! - ziedaar de namen der overige tien waterstaatkundige fondsenhouders van het Amortisatie-Syndicaat.

Want onder de hoede van dat Syndicaat waren bij Koninklijk besluit van 1828, de werken gesteld, welke ‘op Onzen last en tot Ons genoegen voltooid’, een dagelijksch beheer eischten, hetwelk het best aan zoodanig lichaam kon worden toevertrouwd ‘als hetwelk, uit hoofde van geldelijke aanraking, daarop het meest betrekking heeft’.

Eene ‘betrekking’ echter, waarbij men het op dat zoo beruchte ‘met het ambt komt het verstand’ niet durfde te laten aankomen; althans het Koninlijk besluit erkent gulweg dat ‘tot het beheer, vernieuwing, onderhoud of herstel, meer kunstmatige kennis wordt vereischt, als bij de beambten van

[p. 30]

het Amortisatie-Syndicaat kan geacht worden te bestaan.’ En er zullen dan ook zeker weinig tranen tot afscheid geschreid zijn, toen het Amortisatie-Syndicaat bij eene wet van 1840 werd opgeheven, en de openbare werken wederom in de sfeer der gewone begrootingen terugkeerden.

Eerst van toen af kan van een geregeld onderzoek der waterstaatsbegrootingen sprake zijn; doch de jaren, welke 1840 van 1847 scheiden, leveren te weinig meldenswaardigs op, dan dat het der moeite zoude loonen, deze binnen onzen gezichtskring te trekken.

II.
De gewone werken.

Op welke werken van openbaar nut de troonrede van 1847 ook moge gezinspeeld hebben, hetzij dat de ontwerpen der Regeering het neveltijdperk nog niet waren ontwassen, hetzij de houding der Tweede Kamer bij de behandeling van het adres van antwoord - meer wèlwillend dan wel wìllend - de goede voornemens weder tot nevel hadden doen vergaan, stellig is het dat de eerstvolgende budgetten geen sporen van buitengewone werkkracht dragen. Overal in Europa deden trouwens de politieke beroeringen de spade voor toga en degen wijken.

Drie jaren lang (1847-1850) blijven de uitgaven voor openbaar nut om het bedrag van twee millioen gulden schommelen. Ontleedt men deze - voor dien tijd zeer belangrijke - som, en vergelijkt men de toenmalige uitgaven met de tegenwoordige, dan treft allereerst iets als een verschil, wat bij nadere overweging eerder als een gemeenschappelijke trek te beschouwen is.

Van de ƒ 2.100.000 toch, welke het Waterstaatsbudget voor 1847 vormen, eischen de gewone kunstwegen het leeuwendeel (ƒ863.000). Derhalve werden toen ter tijde meer dan 40 percent der beschikbare gelden besteed aan een onderwerp, dat thans nauwelijks 9½ ten honderd van ons Waterstaatsbudget vordert.

Doch 1847 is dan ook het laatste jaar, waarin aanmerke-

[p. 31]

lijke sommen worden uitgegeven ten behoeve van ‘het voortzetten der groote communicatiën’. (Men ziet, de Nederlandsche taal was toenmaals nog niet volledig tot Regeeringskringen doorgedrongen.) Want de ijver waarmede men het door Napoleon ontworpen wegennet uitbreidde, verlamde bij het zien en hooren van den stoomwagen, aan welken men - evenals wilden - eene overdreven en in vele opzichten noodlottige eer bewees.

Na weinige jaren verdwijnt dan ook de post voor wegenaanleg (in 1847 nog ƒ 217.000 bedragende) voor goed van de Staatsbegrooting (1856), en slechts een enkele maal nog heeft daarna het Rijk den aanleg van wegen anders dan door het verleenen van subsidiën bevorderd.

Overigens bepaalde men zich tot het onderhouden en verbeteren van het bestaande net, waarbij de Argusoogen der Volksvertegenwoordiging voor de gepaste zuinigheid waakten. Want steeds was - en is - dat onderhoud het onderwerp der bijzondere (en bijzonder weinig welwillende) zorg der beschreven vaderen, en telkens weerklinkt de zucht aan een der Voorloopige Verslagen ontleend: ‘Vele leden toonden zich over de kostbaarheid van het onderhoud der wegen bezwaard. Het is, zeiden zij, alsof sedert de groote wegen tengevolge van den aanleg der spoorwegtakken minder gebruikt worden, de kosten dier wegen in plaats van te verminderen, nog gestadig toenemen’. En deze zucht werd geslaakt in... Ja, raad eens, lezer, in welk jaar? In 1849, toen de gansche lengte van ons spoorwegnet nauwelijks dertig uren gaans bedroeg! Op de strenge kritiek van toen en namaals valt door dat jaarcijfer wel een eenigszins vreemd licht....

Doch hoe dit zij, in het laatste tiental jaren heeft het onderhoud der Rijkswegen, hetwelk in 1847 ƒ 617.000 vorderde, gemiddeld ƒ 634.000 geeischt; eene geringe toename, en eerder eene afname wanneer men bedenkt in welke mate de prijzen van sommige bouwstoffen zijn gestegen. Wel is bij laatst genoemd bedrag nog ƒ 67.000 te voegen voor ‘verberingen’; doch deze verbeteringen, welke feitelijk eene soort onderhoud zijn, moeten beschouwd worden als eene tegemoetkoming aan de hoogere eischen van het publiek, óók ten gevolge van de toename van het gewoon verkeer. Want niet-

[p. 32]

tegenstaande de ijzeren boom thans zijne ‘takken’ vijftien malen - of de tramwegen medegerekend - twee en twintig malen wijder spreidt dan in 1849, sjokt het paard nog rustig op 's heeren wegen voort, en verstout zich zelfs, zooals uit de opbrengst van vele tollen blijkt, steeds zwaardere vrachten aan het spoorwegverkeer te onthouden.

Men mag zich dan ook afvragen of het niet tijd wordt weder de gewone wegen in eere te herstellen, en of niet sommige bezuinigingen van later jaren, zooals het versmallen der verhardingen, ten slotte tot meerdere uitgaven zullen leiden. Want wellicht zal - en zulks in geen ver verwijderde toekomst - de gewone weg weder tot een hoofdader van het verkeer worden. Reeds is de aanschijn dier wegen - straks nog zoo doodsch - door de wielrijders in hooge mate verlevendigd; en bereiden niet de mannen van het gevleugeld rad de komst der automobielen voor, welke weder de wegen tot het directe middel van gemeenschap tusschen voortbrenger en afnemer zullen maken, wat de scheepvaartwegen zoo weinig, onze spoorwegen in geringe mate en zelfs de tramwegen onvoldoende zijn?

En beschouwt men de Waterstaatsbudgetten uit dit oogpunt, dan wordt hetgeen de begrooting voor 1847 scheen te onderscheiden van die der jongste jaren, tot een teeken van overeenkomst. Want niet tegenover den aanleg van spoorwegen, doch daarnaast stelt zich de aanleg van gewone kunstwegen, aangezien beide soorten van wegen den strijd aanbinden met het derde verkeersmiddel: den waterweg. En eerst dit maakt ons duidelijk hoe gewichtig de aanleg van landwegen is; want welke diensten ook de waterweg moge bewijzen, zelfs in ons waterland kunnen langs deze slechts zelden de goederen, zonder overlading, van de plaats van herkomst de eindbestemming bereiken. In verreweg de meeste gevallen moeten de goederen over korteren of langeren afstand over den landweg vervoerd worden, want deze alleen is universeel, de gewone kunstweg zelfs meer nog dan de ijzeren. En dit verklaart dan ook waarom zelfs dáár het land aan het water de nering ontneemt, waar men den waterweg alleenheerscher zoude wanen: nl. bij het vervoeren van groote hoeveelheden min-waardige goederen, zooals bijv. brandstoffen.

Ware zulks niet het geval, hoezeer zouden dan niet de

[p. 33]

goederen, welke de statelijke, zilveren Rijnstroom ons toevoert, in hoeveelheid en waarde overtreffen die, welke over de nietige zwarte banden uit Pruisen tot ons kruipen; en integendeel is in beide opzichten het vervoer te water de mindere1).

Met dit teeken des tijds voor oogen, is het geraden het automobilisme niet schouderophalend te bejegenen, doch liever alles in het werk te stellen wat het verkeer langs de gewone wegen kan bevorderen2).

 

Keeren wij thans terug tot de begrooting voor 1847, waarbij vooral treft de bij de overige artikelen van uitgaaf in acht genomen bescheidenheid. Het meest belangrijke artikel - nà dat der wegen - vordert toch nauwelijks het halve bedrag van hetgeen voor deze werd weggelegd - en evenwel waren uit die ƒ 443.000 alle uitgaven voor havens, zeeweringen en calamiteuse polders te bestrijden. En aangezien het gewone onderhoud der calamiteuse polders niet minder dan ƒ 186.000 vergde (verdere splitsing laten de gegevens niet toe) kunnen inderdaad de beslommeringen, welke havens en zeewerken der Regeering veroorzaakten, niet overweldigend genoemd worden.

Latere jaren zagen deze post splitsen. Eerst in tweeën. In 1862 - het eerste jaar der scheiding - werd voor de Rijks zee- en havenwerken ƒ 200.000 uitgegeven; ten behoeve van de calamiteuse polders werd toen ƒ 345.000 ter zijde gelegd. En in het volgende jaar steeg laatstbedoelde uitgave plotseling tot ƒ 738.000; gelukkig een eenig verschijnsel aan onzen budgetairen hemel; en de onderstand aan het nood-

[p. 34]

lijdend Zeeland, welke sedert de wet van 1870 op een tamelijk standvastig cijfer blijft, overschrijdt sedert slechts zelden het bedrag van twee ton gouds1).

Eerst een zestiental jaren later vond de tweede splitsing plaats; toen werden de havens van de zee- en oeverwerken gescheiden; doch daar de Rijkshavenwerken in hoofdzaak uit zeeweringen bestaan, is de scheiding tamelijk denkbeeldig. De betrekkelijke onbelangrijkheid onzer havens wordt trouwens voldoende bewezen door het geringe bedrag harer jaarlijksche onderhoudskosten; want terwijl in het laatste tiental jaren de zeeweringen gemiddeld ƒ 251.000 's jaars vorderen, eischen de havens slechts ƒ 94000.2)

 

Als derde in rang - en bij begrootingen mag immers de rang naar den uiterlijken staat worden bepaald? - vermeldt het budget voor 1847 het kanalen-net. Hieraan werd 3⅓ ton gouds ten koste gelegd; een bedrag dat thans slechts een medelijdend glimlachje moge opwekken, maar toch in alle geval aanmerkelijk hooger was, dan hetgeen toenmaals aan onze rivieren werd besteed. Want deze gunde men nauwelijks twee ton gouds.

Niet ongestraft; aangezien wie niet zaait, niet zal maaien; en zoo bleef ook de scheepvaart in eenen staat van achterlijkheid, welke scherp afsteekt bij den tegenwoordigen bloei. Twintig malen kleiner dan thans was dan ook toenmaals het scheepvaartverkeer op den Rijn nabij de Duitsche grens; en terwijl het vijfjarig tijdperk 1891-1895 dáár het vervoer met vier millioen kubiek meter zag toenemen, bedroeg een halve eeuw geleden, in even lang tijdsverloop, de aanwas nauwelijks honderdduizend ton.

Hoe zachte drang van buiten en eigen schaamtegevoel hierin verandering brachten, zullen die lezers van De Gids

[p. 35]

zich herinneren, die wel met mij het vorige jaar den herboren Rijn wilden afvaren. Met 1851 stijgen dan ook de uitgaven voor de rivieren tot plotseling het dubbele (ƒ 497.000), om - steeds wassende - met de eerste pogingen tot vorming van de Nieuwe Merwede het eerste millioen in te wijden (1862); straks zelfs, daar zich bij de werken in den Biesbosch die voor den Zwolschen waterweg voegden, het tweede millioental (1877).

Doch slechts vijf jaren lang wordt het budget dusdanig bezwaard; van lieverlede dalen de uitgaven tot omtrent 12 ton gouds (1888), om dan, wijl Fargue's onderzoekingen omtrent de grootst mogelijk bereikbare vaardiepte tot nieuwen ijver aansporen, wederom te stijgen, en sedert te schommelen om het bedrag van anderhalf millioen.1)

Dit bedrag van anderhalf millioen ontledende, blijkt dat thans de eigenlijke bovenrivieren (de Rijn met zijne drie takken, en de Bovenmaas, ter gezamenlijke lengte van 600 kilometer) ⅔ daarvan vorderen, terwijl onze benedenrivieren, hoewel slechts 100 kilometer lang, bijna ⅓ deel eischen. En de uitgaven voor de benedenrivieren klimmen zelfs tot omtrent het bedrag dat aan de bovenrivieren wordt ten koste gelegd, indien daarbij de gewone onderhoudsuitgaven voor den Rotterdamschen waterweg en de daarmede in verband staande stroomen worden opgeteld.2)

 

Overtreffen heden ten dage de uitgaven voor de rivieren verre die voor de kunstmatige waterwegen, niet slechts was in den aanvang van het vijftigjarig tijdperk het tegenovergestelde waar te nemen, doch zelfs duurde het geruimen tijd alvorens het kanalennet zich in den wedloop om het millioen liet voorbijsnellen. Want de verlenging van het Apeldoornsche kanaal naar Dieren (1858), de krachtige verbetering van Zuid-Willemsvaart, Dieze, Apeldoornsche kanaal, en Zederik, de werken ten behoeve van de uitwatering van Staats-Vlaan-

[p. 36]

deren - waaraan in zeven jaren tijds 8½ ton gouds ten koste werd gelegd - de verbetering van het Meppeler diep, deden de uitgaven voor dit soort waterwegen gestadig toenemen. Maar toch duurde het tot 1875 eer het millioen werd overschreden. Eerst de opname in de rij der kanalen van de verbinding van Ooster- met Westerschelde door Walcheren heen1), en de verbetering en uitbreiding der Drentsche en Friesche waterwegen, maakten dit noodzakelijk.

Doch het dubbelcijfer werd - Merwede en Noordzee-kanalen als buitengewone werken buiten beschouwing latende - nimmer bereikt, en zelfs daalden na een tiental jaren de uitgaven wederom beneden het bedrag, dat volgens hedendaagsche geldbegrippen als eenheid van het talstelsel is aan te zien. Eindelijk in 1895 tot minder dan 7½ ton gouds geslonken, naderen de uitgaven thans wederom onverwacht het millioen, ten gevolge van de voorgenomen verbetering van het kanaal Gent-Terneuzen.

Doch is deze stijging slechts tijdelijk, nimmer zullen de kanalen wederom voor eene zoo lage som worden onderhouden als vóór vijftig jaren. Want toenmaals bedroeg de lengte van 's Rijks kanalen slechts 362 kilomer, en thans is het vijfde honderdtal overschreden.2) Bij de oude tien, waarvan de voornaamste de Zuid-Willemsvaart, de kanalen Gent-Terneuzen, Sluis-Brugge, het kanaal door Voorne, het Zederikkanaal, de Keulsche vaart, het Noord-Hollandsche kanaal en het Apeldoornsche kanaal zijn, voegden zich nl. een tiental anderen, waarvan sommigen, zooals het Walchersche en dat door Zuid-Beveland, hooge eischen stellen.

III.
Het personeel.

In cauda venenum. Terwijl de in het voorgaande behandelde begrootingsartikelen: wegen, zeewerken, rivieren en kanalen, ongeveer 6/7 deel van het waterstaatsbudget voor 1847

[p. 37]

vorderden, wordt op het overige in hoofdzaak beslag gelegd door de post ‘toezich’. De daartoe bestede ƒ 135.000 geven echter slechts een zeer onvolmaakt beeld van hetgeen werkelijk het personeel kostte, want grootendeels werd dit betaald uit de reeds opgesomde artikelen. Noch de bezoldigingen der opzichters en bureelambtenaren, noch die der sluis-, brug-, dijk- en stroomwachters, of hoe verder de titels mogen luiden van dat deel der beambtenwereld, dat men het personeel van exploitatie kan noemen, worden in de begrooting voor 1847 afzonderlijk vermeld.

Eerst van lieverlede doemen deze en andere ambtenaren en beambten uit het duister der Staatsbudgetten op. Afgezaagd moge de vergelijking van den Staat met een planten-organisme wezen, onwillekeurig dringt zij zich aan ons op, wanneer wij bij de begrootingen met het bloote oog een processus bespeuren, dat zich bij levende wezens enkel aan den geduldig met het mikroskoop vorschenden natuuronderzoeker openbaart.

Gelijk een nietig stipje tot cel wordt, welke voortgroeit en na tot zekeren wasdom te zijn gekomen, zich splitst en het aanzijn geeft aan twee cellen, welke elk een zelfstandig leven leiden, weder voortgroeien, zich opnieuw in tweeën splitsen, en zoo gansche weefsels vormen; evenzoo ziet de beoefenaar der Statistiek de artikelen der Staatsbegrooting groeien, aanzwellen, zich hypertrofeeren, barsten: - niet om te verdwijnen, dat nimmer - doch om zich te splitsen, verder te groeien, en steeds opnieuw, doch telkens in grooter getale eenzelfden cirkelgang te doorloopen.

Wel is de groei van allen niet even voorspoedig: sommigen zelfs schrompelen ineen; anderen worden daarentegen in hunnen groei door den een of anderen worm in kamerlid-costuum tegen gehouden; en zoodoende zorgt ook hier de natuur voor eenige schakeering van het overigens uit makrokosmen bestaande budget.

Zoo wordt bijv. het oog weldadig aangedaan door het bescheiden bedrag van honderd gulden twee en twintig en een halve cent (de eenige halve cent der gansche goudene afdeeling!) welke thans jaarlijks ten behoeve van de internationale commissie voor spoorweg-congressen wordt geofferd1), gelijk

[p. 38]

het jaren lang welgevallig mocht rusten op een even bescheiden artikel, uitvloeisel van het rijkstoezicht op het Noordzeekanaal, thans verzwolgen door den geldvloed, welke zich bij de overname van dit werk, over dit onderdeel der begrooting uitstortte.

Waaraan de voortdurende splitsing der begrootingsartikelen toe te schrijven? In vele gevallen aan den drang der Kamer om meerdere contrôle; doch niet zelden, naar mij voorkomt, omdat de Regeering genoeg menschenkennis heeft om te weten dat het lichter valt de goedgeefschheid op te wekken voor twee mageren, dan voor één vette, - al overtreft dan ook het vereenigd gewicht van het dubbeltal verre dat van den eenling.

Dat gestadige aangroeien van het budget door splitsing, wordt het beste gewaar wie zich den last oplegt de uitgaven der Staatsbegrooting in rubrieken samen te vatten. Een onverkwikkelijke doch onvermijdelijke taak voor wie een overzicht verlangt, want - kenmerkend voor de weelde van het huishouden van Staat - worden in de begrootingen de samentellingen met eene angstvalligheid vermeden, welke het maar al te duidelijk maken dat het gulden voorschrift: de tering naar de nering zetten, wèl voor belastingbetalenden, doch niet voor den belastingontvangende geschreven schijnt.

Eene ware plaag is dan ook, voor wie - misdadig nieuwsgierig - zich van de Staatsuitgaven over eene rij van jaren rekenschap wil geven, het samenvoegen en schiften van cijfers, en met weemoed heb ik bij dit onderzoek over vijftig jaren dikwerf teruggedacht aan het waterstaatsbudget voor 1847, dat zich niet enkel door een bescheiden totaal-cijfer, doch ook door een gering aantal artikelen - nog geen twintig - onderscheidde van de thans tot bijna anderhalf honderd posten aangezwollen afdeeling. Dankbaar ben ik althans der Kamer, dat zij zich in de kille wintermaand van 1861 niet door een al te vurig volksvertegenwoordiger liet overhalen om elke subsidie-aanvrage van een afzonderlijk etiket te voorzien.

 

Erkende de begrooting voor 1847 officieel alleen het corps ingenieurs van den waterstaat, reeds in het volgende jaar werden de uitgaven voor het gewone opzichterspersoneel als het ware geconsolideerd, en hiervoor een afzonderlijk artikel ten bedrage van ƒ79.000 gesteld. Ook werd toen het exploiteerende personeel voor het eerst met name genoemd

[p. 39]

en daarvoor een bedrag van ƒ31.000 neergelegd. Weldra zwelt laatstbedoeld artikel aan tot ƒ53.000, hoofdzakelijk wegens het daarin opnemen van het personeel op het Noord-Hollandsch kanaal.

Doch vrees niet, lezer, dat ik u pijnigen zal met druppelsgewijze toe te dienen alle verhoogingen, welke deze posten ondergingen, zoodat eindelijk de uitgaven voor het toezichthebbend personeel van ƒ216.000 in 1848, tot thans ƒ583.000, die voor de beambten der exploitatie van ƒ 31.000 tot ƒ404.000 zijn vermeerderd.

Trouwens ieder goed huisvader of zuinige huisvrouw, gewoon de uitgaven jaarlijks in overzichten samen te voegen en met de vorige te vergelijken, kan zich zonder verdere uiteenzetting voorstellen, hoe van lieverlede, nauw merkbaar, haast verraderlijk onmerkbaar, dergelijke uitgaven aanzwellen en uitzetten. Zoo blijft ook de door niets te stuiten wasdom van het huiselijk budget onverklaarbaar, niettegenstaande de zorgzame vader van het gezin door het in kolommen rangschikken der bestede gelden, als met Ariadne-draden uit de al te matronale debetzijde van zijn kasboek terug tracht te sluipen naar het schuchtere huishoudboekje der eerste huwelijksjeugd. De cijfers leeren wel het: waar? - helaas, reeds lang geweten, - doch het waarom? leeren zij niet.

Langzaam maar zeker stijgt de post der uitgaven voor ambtelijk toezicht. Nu eens worden de lang en heftig aankloppende bureel-ambtenaren binnen gelaten; dan sluipt met de aanstelling van adjunct-opzichters door een kier een uitgebreider corps vaste opzichters binnen; straks wordt eene traktementsverhooging tot lotsverbetering aangevraagd; of nog liever, eene dergelijke bedeeling voorgesteld als billijk, ter vergoeding van langen tijd ter sluik genoten, en eindelijk opgeheven toelagen. Soms, als afdeelingen van dienst zich afscheiden en een zelfstandig leven gaan leiden, of op andere wijze de taak wordt verlicht, verhoogt men de belooning - natuurlijk niet vanwege de ontheffing van lasten, doch vanwege de daaraan gepaard gaande vermindering van lusten. Maar steeds en alleen ziet men de eindphase, nimmer den oorsprong van eenige verhooging, fatale monstrum, dat honderdhoofdig voortschuifelt, en in de schemering van ons budget door de staketsels der contrôle heenglipt, om

[p. 40]

straks, met honderd staarten, in het volle daglicht der begrooting, voor 't oog der verbijsterde Volksvertegenwoordiging triomfantelijk heen te stappen.

 

Behalve voor het waterstaats-personeel, stelt de begrooting voor 1847 nog een gering bedrag beschikbaar voor het toezicht op de landsgebouwen, als welke officieele gewrochten door de begrooting alleen erkend worden de thans bij de Departementen van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën in gebruik zijnde gebouwen, alsmede die, welke de Volksvertegenwoordiging en andere hooge Staatslichamen huisvesten, en aan wier waardigheid te kort zoude worden gedaan door hen op de begrootingen der verschillende departementen met meer burgerlijke steenklompen in aanraking te brengen. Oudtijds bij Binnenlandsche zaken ondergebracht, viel de zorg voor het dagelijksch onderhoud dezer werken van zelf op de schouders van de waterstaats-ambtenaren, die het vruchtbare slik der rivieren met gelijk gevolg tot kerk of school, gevangenis en postbureel wisten om te kneden; alleen waar bijzondere smakeloosheid gevorderd werd, door eenen rijksbouwmeester geleid.

Hunne heerschers volgende, kwamen de landsgebouwen van zelf in de afdeeling ‘Waterstaat’ terecht, en werden zij bij het verhuizen van deze afdeeling naar het ministerie van dien naam, naar het schijnt eenigszins gedachteloos, mede op de kar geworpen. Doch het komt mij rationeel voor de uitgaven voor die gebouwen, evenals voor het daarop toezicht hebbend personeel, (sedert daarvoor een afzonderlijk corps naast dat van den Waterstaat werd ingesteld, aan vaste uitgaven ½ ton gouds vorderende) bij deze beschouwingen omtrent werken van openbaar nut uit te sluiten, gelijk zij ook niet zullen worden opgenomen in het later te geven tabellarisch overzicht.

Wel smart mij dit voornemen, want nu mis ik b.v. het genoegen den lezer te herinneren aan het feit, dat de eenmaal voor het Volkspaleis toegestane gelden daartoe niet misbruikt werden - trouwens hoe beter de zin van ons volk voor het monumentale te symboliseeren dan door een gesloten beurs! - maar aan de andere zijde spaart mij dit ook de schaamte van te erkennen hoe voor grof geld de opperzaal onzer vroegste landheeren onherstelbaar hersteld werd. Is vol-

[p. 41]

gens het gevleugeld woord van Thorbecke de kunst geen regeeringszaak, zij is dan toch ten alle tijde, en niet dan tot onze schade, de taak geweest der rijksbouwmeesters.

IV.
Buitengewone werken.

Haasten wij ons liever eenige bladzijden te wijden aan de buitengewone werken, welke, ofschoon nog niet voltooid, en waarvan dus het nut nog niet ten volle blijken kan, althans schitterende getuigenis afleggen van eene offervaardigheid, welke èn voor- èn tegenstanders der rijkswerkverschaffing in 1847 evenzeer in verbaasdheid zouden hebben gebracht.

Want op de begrooting van vóór vijftig jaren ontbreken genoegzaam geheel de buitengewone werken - welke sedert, over het gansche tijdsverloop gerekend, bijna twee derden van het waterstaats-budget vorderden. Hieraan is echter vooral de omstandigheid schuld dat de drooglegging van het Haarlemmermeer uit een afzonderlijk fonds betaald werd. Eerst toen dit in 1850 was uitgeput, moest om ƒ600.000 aangeklopt worden; eene bede, welke blijkens de volgende begrootingen, nog eenige malen herhaald is.

Doch geruimen tijd bleef dit buitengewone werk ongepaard. Eerst in 1858 wordt ƒ26.000 besteed voor een onderzoek omtrent den aanleg van spoorwegen, in 1860 gevolgd door de uitgave van ruim één millioen, toen het pleit ten voordeele van den aanleg van Staatswege was beslist. En toen was het hek van den dam! Reeds het volgende jaar werd de voor spoorwegen beschikbaar gestelde som vertienvoudigd en weldra werd zelfs het cijfer van 16 millioen bereikt (1866), toen aan de Exploitatie-maatschappij als huwelijksuitzet eene leening van 2½ millioen was mede te geven. Sedert worden de spoorwegen op het budget ingeschreven voor bedragen, welke nimmer beneden het millioen dalen; eens zelfs - bij de overname van den Rijnspoorweg, - werden aan dit onderdeel veertig millioen ten koste gelegd (1890).

Doch de tijd dringt ons kort te zijn; de tijd, welke zelfs sneller voorbij snelt dan het monster, dat langs zijn tweelingslijn, vuur sist uit zijnen buik, die rammelt over de aard -

[p. 42]

gelijk eenmaal de zoon der lauwe zuiderstranden, verschrikt en opgetogen, den stoomwagen toezong. Trouwens ons volk huist te zeer in de ‘metalen tenten’, dan dat het noodig zou zijn de uitgaven voor de Staatsspoorwegen hier nader te verantwoorden. Voldoende zij het, te herinneren dat meer dan ⅚ gedeelte van de 320 millioen, welke in de verloopen vijftig jaar door het Rijk ten behoeve van de ijzeren banen werd uitgegeven, - een bedrag, bijna even hoog als dat voor alle andere werken te zamen - besteed werd voor aanleg en verbetering van de Staatslijnen, terwijl met het overige de voormalige aandeelhouders van den Rijnspoorweg (40 millioen) en een achttal subsidie-aanvragers (4 millioen) gelukkig werden gemaakt. Tevens werden daaruit de onkosten van het toezicht op de spoorwegdiensten bestreden, waartoe in 1861 naast het waterstaatscorps een afzonderlijk corps werd ingesteld, dat toenmaals ƒ25.000 en thans - met inbegrip van bureeluitgaven en materieel - ongeveer 1⅓ ton gouds eischt; en het blijkbaar te volhandig heeft, dan dat daaraan de werkzaamheden van den Rijkscommissaris en van den Adjunct-Rijkscommissaris bij onze groote maatschappijen kunnen worden opgedragen.

 

Wat de buitengewone werken van zuiver waterstaatkundigen aard betreft, is als eerste in rang, èn naar ouderdom (1862), èn naar geldelijk aanzien, èn naar technische beteekenis de Rotterdamsche Waterweg te noemen, de nieuwe monding der Nieuwe Maas, waaraan - met inbegrip van het onderhoud der stamverwante rivieren - tot nu toe 42 millioen ten koste werd gelegd. Op den voet wordt dit reuzenwerk gevolgd door het Noordzeekanaal, wèl aanvankelijk geen Rijkszaak, maar toch der schatkist niet minder dierbaar, en sedert 1866 zóó vele bijdragen van den Staat vorderende, dat het thans met inbegrip van de haven te IJmuiden, voor 37 millioen gulden te boek staat.

Het Merwedekanaal, dat voor het eerst in 1881 de begrooting siert, heeft tot nog toe 22 millioen geeischt, terwijl nog slechts 19 millioen zijn ingeschreven op het debet van de twee jaar jongere, nieuwe monding der Bovenmaas; welke nieuwe rivier wij, ter onderscheiding van de andere tallooze Mazen en Maasmondingen - die Jansen's der waterwereld! - tot Bergsche Maas herdoopen, naar de stede der heilige

[p. 43]

Geertruid, welke zij begroet bij hare opname in de Amer.

Doch duurder of minder duur, één bizonderheid hebben deze vier buitengewone werken allen gemeen: nl. van zelfs de meest sombere finantieele voorspellingen der felste tegenstanders te schande te hebben gemaakt!

Niet dat zulks den Rotterdamschen Waterweg tot verwijt moge gelden, want dáár moest de geniale ontwerper den strijd aanbinden met de elementen, - en van den oorlog zijn de kosten niet vóóraf te bepalen. Zoo dan ook de aanvankelijk geraamde 5 millioen reeds in 1880 door meer dan nogmaals vijf waren gevolgd, mag - de omstandigheden in aanmerking nemende - dit verschil niet grooter heeten, dan dat hetwelk tusschen de raming der toenmaals ingeroepen Staatscommissie en het tot nu toe uitgegeven en het nog uit te geven bedrag, bestaat.1)

Maar wèl - al is het pijnlijk - dient een oogenblik te worden stilgestaan bij de uitgaven voor het kanaal, dat te vergeefs Amsterdam naar 't vette land van Pruissen tracht te trekken, en meer als een wonder van diplomatisch beleid is te beschouwen.

‘Als van groot actueel gewicht - aldus pleit de tweede Minister van Waterstaat in de toelichting tot het wetsontwerp, dat aan Amsterdam den Rijn zal hergeven - ten voordeele van de voorgestelde verbetering van de Keulschevaart, boven het graven van een kanaal in nieuwe richting, verlieze men ook niet uit het oog, dat een nieuw kanaal niet in gebruik kan genomen worden, vóor dat het met al zijne kunstwerken geheel voltooid zij; terwijl elke gedeeltelijke verbetering van het bestaand kanaal onmiddellijk ten nutte van de scheepvaart strekt, en de geheele verbetering gemakkelijk binnen vier jaren kan zijn tot stand gebracht.

Voor den aanleg van het kanaal door de Geldersche vallei is daarentegen een tijdvak van acht jaren gesteld. Aannemende, dat het werk in dien tijd voltooid worde, dan zouden nog 9 à 10 jaren moeten verloopen, vóordat de Amsterdamsche Rijnhandel van deze nieuwe vaart eenig nut kon trekken Kan de hoofdstad nog zóo lang op eene verbeterde verbinding wachten? En is hare Rijnvaart, over wier verloop zoozeer

[p. 44]

geklaagd wordt, niet veel meer gebaat door de verbetering van het bestaande kanaal, dat voor elk millioen, daaraan besteed, in bruikbaarheid toeneemt?’

‘De kosten van het ontwerp - aldus gaat de minister voort - zijn in ronde cijfers geraamd op 12 millioen gulden, die van het kanaal door de Geldersche vallei op 18, die van het kanaal Waldorp op 20 millioen. Worden voor het laatstgenoemde de afmetingen aangenomen, thans voor de verbetering der Keulsche vaart gesteld, dan nog vordert het volgens eene nadere raming, eene uitgaaf van ruim 18 millioen gulden.’

Ziedaar hetgeen Minister Klerck voorspiegelde. Doch de werkelijkheid?

Eerst den 4en Augustus 1892 werd - en nog wel slechts tot Vreeswijk - het kanaal open gesteld, dat de wet van 29 Juli 1881 in 't leven riep. De Amsterdamsche Rijnhandel heeft dus in de Keulsche vaart meer dan de tien jaren van het plan Waldorp moeten wachten;..... en evenmin is de Nederlandsche natie ontkomen aan de 18 millioen voor dat schrikbeeld gesteld!1)

Verre zij het van mij den te vroeg gestorven minister en en zijne raadslieden van luchthartigheid te willen betichten, doch niettemin moest een oogenblik worden stilgestaan bij de geschiedenis van dien waterweg, welke volgens belanghebbenden nog geenszins voltooid - misschien zelfs onvoltooibaar - is, omdat het hier een geval betrof, dat beter dan de andere overzien kan worden.

Want dat gedurig overschrijden der ramingen eischt nader onderzoek. Daarbij kan niet volstaan worden met de schouders op te halen en den staatsingenieur toe te roepen: dat het

[p. 45]

goed riemen snijden is van andermans leer! Want niet enkel voor de woningen der Rijksdoktoren waren verwijtende reeksen van stille schimmen rond: ook de privaat-praktijk kent die gesluierde theoriën; doch zoo dáár de zwijgende reeksen minder ver zich uitstrekken, is zulks enkel te danken aan de mindere gelegenheid, welke den Aesculapen van lagere orde tot het toonen hunner bekwaamheid wordt gegeven. Want alleen de Staat kan eene Bergsche Maas scheppen, eene Rotterdamsche Maas verdiepen, een handelsweg naar West of Zuid graven; doch als een enkele maal Provincié of Gemeente zich tot het maken van groote werken aangordt, dan blijft de teleurstelling even min uit: getuige de Groninger scheepvaartkanalen, welke in 1863 op 3½ millioen geraamd, in 1876 meer dan 7 millioen bleken te verslinden; getuige het groote Gasthuis, waarin de zieke finantiën van de hoofdstad nog zieker worden. En och, het zijn niet alleen de groote werken, welke tot grove misrekening aanleiding geven; neen tot zelfs in de vergaderingen van de kleinste corporatiën kan men dezelfde klachten over de onbetrouwbaarheid der technici vernemen; en ieder die zijn penningske tot werken van aarde, steen, of ijzer heeft bijgedragen, zal zelfs zonder Italiaansch te kennen, Giusti's verwensching begrijpen: Siam tutti d'un pelo e d'una lana!

Doch het bestek van dit opstel laat niet toe omtrent de oorzaak van dit algemeene verschijnsel in nadere verklaringen te treden. Slechts is te wijzen op het hooge belang, dat een breed opgezet onderzoek omtrent het overschrijden der ramingen voor ons heeft, voor ons, wie nog de uitvoering van het grootste werk van allen: de drooglegging der Zuiderzee, wacht. Voor zoover mijne eigen ondervinding reikt, zijn de misrekeningen bij werken van grooten omvang en langen duur, welke diep ingrijpen in de economie van geheele landstreken in de eerste plaats gevolgen van het triviale verschijnsel: dat de eetlust al etende wordt opgewekt, dat derhalve gaanderwege te voorzien is in behoeften, die onafwijsbaar blijken, doch waarvan de belanghebbenden zich aanvankelijk zelfs niet flauwtjens bewust waren; óok in behoeften, welke zich door de wijziging der omstandigheden, in den loop der tijden vormen, steeds toenemen, en van verlangen tot eischen wordende, eindelijk den Cerberus der schatkist overmannen. Want wèl heeft het eigenbelang slechts één oog, maar dàt oog slaapt nimmer.

[p. 46]

Zelfs waar, zooals bij het opmaken der raming voor de drooglegging der Zuiderzee, mannen van erkend gezag op allerlei gebied, tot de vaststelling van het eindcijfer hebben medegewerkt, is dan ook, naar mij voorkomt, teleurstelling niet uitgesloten. Of gelooft men inderdaad, dat hetgeen bij de thans behandelde werken, in tijd en strekking zooveel gemakkelijker te overzien, schering en inslag was, thans als door een wonder, vermeden kan worden?

V.
De toekomst.

Doch het vraagstuk der drooglegging van de Zuiderzee vormt geen onderdeel dezer beschouwingen, zelfs niet waar over de toekomst wordt gehandeld: het winnen eener twaalfde provincie is meer dan een werk van openbaar nut; en gelijk het een geheel eenig feit zal zijn in de jaarboeken onzer geschiedenis, behoort het ook finantieel eene afzonderlijke plaats in te nemen. Hier wenschen wij ons te bepalen met na te gaan, welke geldsommen als het ware door de reeds uitgevoerde werken ook in de toekomst zijn vastgelegd, teneinde als zuinige huisvaders ons te vergewissen over welke bedragen wij vrij kunnen blijven beschikken. Doch alvorens hiertoe over te gaan, wil ik de rijksuitgaven der laatste vijftig jaren op waterstaatkundig gebied in eene tabel samenvatten. Gourmet, niet gourmand, wordt echter den Gidslezer van de vrucht van weken langen arbeid hiernevens slechts een enkele uitgelezen schotel opgedischt; terwijl de tabel, welke de wisselingen van jaar tot jaar aanduidt, zal opgenomen worden in een Gedenkboek van het Instituut van Ingenieurs, dat ik te zijner tijd hier hoop in te leiden.

Tot toelichting diene dat de bedragen der verschillende kolommen gevonden zijn door samentelling van artikelen, welke in de Staatsbegrooting wel niet steeds op elkander volgen, doch naar mij voorkomt, bij elkander behooren. Ten gerieve van hen, die in dezen verder willen doordringen, is aan den voet der tabel de verdeeling van de artikelen der Staatsbegrooting voor 1897 over de verschillende kolommen nader aangegeven.

[p. 47]

Tweërlei soort uitgaven zijn onvermijdelijk: die, welke noodig zijn tot instandhouding van het bestaande, en die, welke dienen moeten tot het aanbrengen van zulke verbeteringen, als noodig zijn om de werken niet te laten verouderen. Gaan wij achtereenvolgens uit beide oogpunten na de kolommen der zooeven medegedeelde tabel.

Wat het personeel betreft, zoo blijkt uit de voor 1897 toegestane bedragen (en deze zullen aan de volgende beschouwingen ten grondslag liggen) dat het exploiteerend personeel minder kost dan het toezichthoudende; zoodat derhalve - schijnbaar althans - bij den waterstaat die verhouding tusschen opperofficieren en minderen wordt aangetroffen, welke sommige exotische legers kenmerkt. Doch hier is deze wanverhouding meer gerechtvaardigd, want het toezichthoudend personeel waakt niet slechts over de waterstaatswerken van het Rijk, doch oefent tevens het oppertoezicht uit over alle werken van Waterstaat.

Daarenboven is de rubriek ‘exploiteerend personeel’ verre van volledig. Daaraan ontbreekt, onder meer, nog dat gedeelte van het Waterstaatspersoneel, hetwelk wie socialistisch getint is wellicht als het geëxploiteerd personeel zoude betitelen: omdat het de eenige afdeeling vormt van het Waterstaatsleger, dat de handen uit de mouw steekt, - met het dagelijks onderhoud is belast, - en tevens het eenig deel dat geen verzorgden ouden dag kent, en wat aanstelling en ontslag betreft, van een onverantwoordelijk tusschenpersoon: den aannemer, afhangt.

Rekent men deze zoogenaamde ‘vaste arbeiders’ tot het exploiteerend personeel, dan vermeerderen de uitgaven dier kolom met meer dan de helft, en overtreffen zij dus verre die van de kolom ‘toezichthoudend personeel’; zelfs al worden hierbij gevoegd de uitgaven voor buitengewoon, tijdelijk toezicht, welke ook thans nog bestreden worden uit de verschillende artikelen betreffende het uitvoeren van werken.

Doch - en dit is thans voor ons hoofdzaak - in geen geval zal de post ‘exploiteerend personeel’ slinken; in tegendeel zal zij in de toekomst aanzwellen, wanneer de thans nog in uitvoering zijnde werken het tijdperk van onderhoud intreden.

[p. 48]

Wat de post ‘toezichthebbend personeel’ betreft1), deze is niet bijzonder hoog, wanneer men het straks medegedeelde in aanmerking neemt. Zelfs zoude reeds - aangezien het gewone Waterstaatsbudget een eindsom van 9 millioen aanwijst, - een bedrag van 5 pCt. of ƒ 450.000, enkel aan kosten van gewoon toezicht, niet hoog zijn te noemen2).

Eene vermindering van het totaalcijfer kan dus bezwaarlijk in het vooruitzicht gesteld worden. Niet dat ik de waarschuwing van velen: dat de organiseering van den Waterstaat uit den meer dan volmaakt verleden tijd dagteekent en dringend hervorming eischt, door een loflied op den tegenwoordigen toestand zoude willen overstemmen; integendeel, dat indertijd het Waterstaatscorps den spoorwegaanleg niet heeft aangedurfd, zich zelfs niet bij machte rekent - gelijk van achter de Ministerieele tafel beschamend getuigd werd - om over het nauwelijks duizend koppen tellende corps vaste arbeiders het regiment te voeren - het personeel eener matig groote fabriek! -, dat het de verbetering der kleine riviertjes aan particuliere ingenieurs, de zaken van bevloeiing aan de Heidemaatschappij ziet overgeven, terwijl waar het vraagstukken van socialen aard betreft, zelfs niet meer aan dat corps wordt gedacht, dit alles doet terecht betwijfelen of men de bakens wel met het verloopen van het tijd heeft weten te verzetten. Inderdaad heeft het den schijn alsof de Waterstaat enkel door kanalen en rivieren Nederland denkt te redden; terwijl dan toch bezwaarlijk gansch de vaderlandsche bodem tot water kan vergraven worden - al ware het maar alleen omdat alsdan geen vasten grond zoude overblijven om het uitgegravene te bergen!

[p. 49]

Doch leggen wij deze personeel-kwesties ter zijde, minimae curae, welke onwillekeurig tot personen-kwesties worden; want moge schijnbaar in onzen tijd de eenling opgaan in het algemeen, feitelijk heerscht nog het individu, meer misschien zelfs dan voorheen.

 

Evenmin als op den post ‘personeel’, valt, althans in de naaste toekomst, op den post ‘Algemeene Dienst’ te bezuinigen. Wel is waar vormt ons kleine land geen onafzienbaar veld van kaarteering en onderzoek, doch geenzins is nog het einddoel bereikt. Zoo is bijv.: de rivierkaart een meesterstuk van teeken- en drukkunst, doch nog steeds ontbreekt eene kaart op voldoende schaal, welke, zij het ook minder fraai uitgevoerd en op grover papier overgebracht, eene meer ernstige taak zoude kunnen vervullen, en - niet minder in het belang van het publiek, dan in het publiek belang - rechtsgeldig uitspraak zoude kunnen doen in al die netelige en op andere wijze genoegzaam onoplosbare vragen, welke de wet van 1806 opwerpt, en ook de onlangs aangeboden regeling wel stelt, doch niet weet te beantwoorden.

Zoo ook moge de kleurenrijke Waterstaatskaart bij schetsmatige schetsontwerpen niet ontbeerd kunnen worden; nu allerwege afwatering en bevloeiing ernstiger onderzoek eischen, kan met dit meer administratief dan technisch overzicht niet worden volstaan. En kortheidshalve worde gezwegen over het geologisch-technisch onderzoek van onzen bodem, hetwelk feitelijk in deze afdeeling tehuis behoort.

 

Wat de rubriek ‘werken’ betreft, kunnen wij kort zijn. De jaarlijksche onderhoudsuitgaven hebben blijkens de gegevens der ‘Verslagen over de openbare werken’, in het laatste tienjarig tijdvak1) bedragen: voor de rivieren ƒ 451.000 (Rotterdamsche en Bergsche Mazen uitgesloten); voor de kanalen ƒ 564.000 (Noordzee- en Merwede-kanalen niet medegerekend); voor de wegen ƒ 671.000; tot voorziening der zeeoevers ƒ 251.000; voor de havenwerken ƒ 94.000.

Wel zijn deze cijfers aanmerkelijk hooger dan die van vóór

[p. 50]

vijftig jaren (behalve wat de wegen betreft), want toenmaals vorderden de rivieren jaarlijks slechts ƒ 179.000, de kanalen slechts ƒ 229.000; doch de rivieren werden dan ook volslagen verwaarloosd, en het toenmaals ruim een vierde korter kanalennet behoefde niet aan zulke hooge eischen te voldoen, noch had zich tegen de gevolgen van de stoomvaart te verdedigen. Inderdaad zijn dan ook de onderhoudskosten voor de waterwegen eerder laag te noemen, wanneer men tot grondslag van vergelijking kiest de onderhoudskosten der landwegen, waar - wie aan den weg timmert, heeft veel bekijks - de nooit rustende kritiek alle weelde bant. Over de geheele uitgestrektheid omgeslagen - eene 't is waar ruwe wijze van vergelijking - vorderen de landwegen per kilometer lengte ƒ 340, de kanalen ƒ 1100, de rivieren ƒ 630; waarbij wat het laatste cijfer betreft, niet te vergeten is, dat de rivierverbetering nog in vollen gang is, en de onderhoudsuitgaven derhalve nog niet tot normaal-peil zijn gestegen.

Daarenboven zijn nog bij de vijf genoemde jaarlijksche uitgaven (te samen uitmakende een bedrag van ƒ 2.031.000) te voegen - wat de rivieren betreft - de onderhoudskosten van den Rotterdamschen Waterweg, welke in de laatste tien jaren gemiddeld ƒ 204.000 bedragen, en die van de Bergsche Maas, thans nog slechts voor ƒ 84.000 's jaars aangeslagen. In het kanalennet zijn daarenboven nog op te nemen het Noordzeekanaal, hetwelk in het laatste tienjarig tijdperk gemiddeld ƒ 362.000 's jaars aan onderhoudkosten, en het Merwedekanaal, dat in de laatste 3 jaren gemiddeld ƒ 140.000 eischte.

Doch de reeks gewone jaarlijksche uitgaven, door het bovenstaande tot bijna 3 millioen gulden geklommen, mag niet gesloten worden vóórdat daarbij gevoegd zijn die, welke aan zoodanige verbeteringen ten koste worden gelegd als aan elke vernieuwing onafscheidelijk verbonden zijn; en feitelijk is dan ook de overgang tusschen de kosten van onderhoud en die van aanleg en verbetering zóó geleidelijk, dat alleen een woordenschilder als Pierre Loti, die onbestemde schakeeringen zoude weten af te malen. Dit is dan ook wel de reden waarom - terwijl bij de gewone wegen ten behoeve van aanleg en verbetering, achtmaal minder wordt uitgegeven dan ter bestrijding der kosten van onderhoud, - bij zee- en oeverwerken slechts iets minder dan het halve bedrag (40 pCt.)

[p. 51]

en bij kanalen zelfs ruim het halve bedrag van hetgeen als onderhoudskosten te boek staat, aan aanleg en verbetering wordt besteed.

Bij rivieren zal de verhouding zeker niet gunstiger zijn; en men zal dus voorzichtig doen met de gewone kosten van verbetering der Waterstaatswerken op ongeveer een millioen 's jaars aan te slaan, zoodat in het geheel 4 millioen noodig zullen wezen om het status quo te handhaven.

Hierbij voegen zich nog de bijdragen aan de calamiteuse polders, welke in de latere jaren 2 ton gouds vorderden, en voorzichtigheidshalve op geen lager cijfer zijn te schatten; en ten slotte hetgeen noodig is om de winterschade te herstellen en de Rijksreinigingsdienst uit te oefenen: het opruimen van ijs en het opruimen van wrakken. Dit drietal schadeposten eischte in de laatste twintig jaren gemiddeld 1¾ ton gouds per jaar, doch hierbij is niet te vergeten dat men de ijsopruiming langen tijd bijna geheel aan de krachten der natuur, en het lichten van gezonken schepen meer dan betamelijk aan die der particulieren overliet; evenals thans nog alleen de particuliere industrie, en zonder staatsbijdrage, in de hulpmidddelen tot lichting en berging moet voorzien. Dewijl echter het toenemend en sneller verkeer elke tijdelijke stremming der vaart hinderlijker gevoelt, zal hierin verandering zijn te brengen, en is dus eene belangrijke verhooging van dezen post te verwachten.

 

Alles samenvattende en wèl overwegende, moet derhalve, ook al worden geenerlei werken van aanbelang ondernomen, het gewone Waterstaatsbudget der toekomst op ruim 5½ millioen 's jaars worden gesteld.

Dit moge een hoog cijfer toeschijnen aan wie enkel terugdenkt aan vijftig jaar geleden, toen diezelfde categoriën slechts twee millioen gulden eischten, geenszins zullen zij het een hoog bedrag noemen, die, dankbaar erkennende wat Nederland in dat vijftigjarig tijdperk is geworden, billijker wijze met den inbreng het dividend vergelijken. Doch alvorens dit met enkele cijfers duidelijk te maken, zijn nog bij de reeds samengetelde bedragen de uitgaven voor spoorwegwerken te voegen. Wel is het moeielijk met eenige zekerheid te voorspellen, welke gelden voor dit doel beschikbaar zijn te houden, doch de apothekers-rekeningen van den lateren tijd

[p. 52]

doen het voorzichtig voorkomen, jaarlijks hiervoor gemiddeld twee millioen ter zijde te leggen.

Zoodoende klimt het toekomstig onderhoudsbudget onzer tegenwoordige werken van openbaar nut tot ruim 7½ millioen; tot bijna viermaal de som derhalve, welke een halve eeuw geleden van Rijkswege voor de middelen van gemeenschap en vreedzame verdediging werd besteed1). Doch in hetzelfde tijdsverloop is het geheele Staatsbudget (de uitgaven van het Ministerie van Financiën en voor de Nationale schuld buiten rekening latende), van 29½ millioen gestegen tot 85 millioen: het percentage der gewone uitgaven voor openbare werken is dus slechts van 7 tot op 9 geklommen; eene inderdaad geringe vermeerdering. En zulks terwijl datzelfde vijftigtal jaren de bevolking van 3 millioen tot bijna 5 millioen zag aanwassen, en de waarde van in- en uitvoer acht tot negen maal grooter werd!

Waarlijk van de meer dan vijf milliard in die vijftig jaren ten bate van het Rijk opgebracht, hebben de 676 millioen (12 pCt.) aan werken van openbaar nut besteed, zeker niet de minste vruchten gedragen; en zooal niet honderdvoudig, dan toch zeer overvloedig is de oogst geweest, welke opschoot uit het zaad, dat niet zonder bekommering en slechts met aarzelende hand over den akker gestrooid werd.

VI.
Subsidiën.

Vele Christenen zullen zich wellicht gelukkig rekenen niet tot de heidensche Hindoërs te behooren, die het een gewetensplicht achten een derde deel van het leven uitsluitend aan het heil van eigen en anderer ziel te wijden, en - wat misschien niet minder zwaar zoude vallen - een derde deel der aardsche goederen aan aalmoezen weg te schenken. 't Ver-

[p. 53]

licht Euroop predikt eenen anderen leefregel, en het spreekwoord ‘aalmoezen maken niet arm’ heeft eene practische beteekenis, welke onderanderen bij ons Staatsbudget blijkbaar niet uit het oog is verloren.

Aan subsidiën en rentelooze voorschotten - voorschotten zoo rente- en termijnloos, dat zelfs het inboeken onder het hoofd ‘dubieuse debiteuren’ eene daad van grenzenloos optimisme zoude zijn - aan dergelijke aalmoezen heeft in het afgeloopen vijftigjarig tijdperk de Staat slechts 19 millioen besteed.1) Van ƒ 66000 in 1847, steeg het jaarlijks bedrag der subsidiën met grillige schommelingen tot vier ton gouds, terwijl slechts een enkele maal het millioen werd overschreden (1882, 1883). Doch sedert 1880 drupten althans nimmer minder dan driemaal honderdduizend gulden op het parlementaire veld2).

Leggen deze 19 millioen, bijna uitsluitend aan kanalen, wegen en havens, havens, wegen en kanalen geschonken, niet eene gunstige getuigenis af van het weerstandsvermogen

[p. 54]

vóór en achter de groene tafel? Slechts een enkele maal, bij Ministerieële of Kamer-cataclysm, valt het dan ook maar te betreuren dat geen bepaling in den geest van art. 776 van het Wetboek van Koophandel, den lust tot schenking van andermansgoed bij dreigend faillissement breidelt.

 

Bedenkt men dat voor het Waterstaatsbudget der laatste dertig jaren gemiddeld 18 millioen 's jaars werd opgebracht, en dat 's Rijks werken, gelijk straks becijferd werd, in niet al te ver verwijderde toekomst nog geen acht millioen zullen vorderen, dan is er geen reden om in het vervolg zulk eene bescheidenheid bij het vragen en geven aan den dag te leggen; al stijven thans niet meer, gelijk eenmaal, de Indische baten de schatkist van het moederland1).

Dit tot klaarheid te brengen, was òòk doel dezer studie. Want gelijk een goed huisvader eerst becijfert, welke de onvermijdelijke uitgaven voor huis en hof zijn, ten einde daarna met te geruster hart en te milder hand aan anderen van zijnen overvloed te kunnen mededeelen, zoo was ook - al mocht de taak dor en langwijlig zijn - eerst vast te stellen, welke sommen 's Rijks werken onvermijdelijk vorderen, alvorens met onbevangen blik het ruime arbeidsveld kan overzien worden, waar allerwege hulp en steun gevraagd wordt en te geven is.

Doch hoe ruim het arbeidsveld ook zij, wijl het beter is dat allen werken, dan één voor allen - niet om der zuinigheid wille, want om vele redenen is het geldelijk verschil niet groot, doch omdat alleen eigen arbeid de spieren staalt, - zoo zal in de toekomst eerder door het geven van bijdragen en voorschotten tot arbeid zijn te prikkelen, dan zelf de spade op te nemen.

[p. 55]

En in welke richting dan te arbeiden is, behoeft waarlijk hier niet uiteengezet te worden. Ieder, die niet enkel van stad tot stad vliegt, maar zich ook bewust is van het bestaan van land daartusschen, weet hoe gebrekkig onze kleine verkeersmiddelen zijn. Hij weet ook hoe tal van landstreken zuchten onder den waterlast, of in den zomer door droogte verschroeien; terwijl noch het eene noch het andere het gevolg is van eene wet der natuur, doch enkel van de zorgeloosheid der menschen. Ook ziet hij - en met schaamte - hoe, uit onkunde en soms uit onvermogen, land en bosch verwaarloosd en mishandeld worden....

Doch dit alles is overbekend, en òòk dat slechts als de Staat den pioniers der nieuwe richting het eerste uitzet geeft, hierin verandering kan komen. Daarom talme men niet met het verleenen van subsidiën, en vrage niet steeds angstvallig of voor elke cent, die van Staatswege wordt neergelegd, wel een gelijk bedrag door belanghebbenden of provincie worde geofferd. Immers bij de honderdtallen van millioenen voor groote werken van openbaar nut uitgegeven, - die dan toch allen op zichzelf beschouwd, enkel van locaal nut zijn, - heeft men nimmer zóó gewikt en gewogen; waarom nu plotseling zoo bedachtzaam bij het geven van aalmoezen? Aalmoezen trouwens, die wel verre van den gever arm te maken, hem òòk stoffelijk voordeel brengen zullen.

Niet dat die naastenliefde oordeel en voorzichtigheid mag uitsluiten....

‘Mijnheer de Commissaris,’ - aldus vroeg nog niet zoo. lang geleden, een lid der Staten van een onzer noordelijke provinciën, wiens minder welwillend oog eene drukfout ontdekte in het ontwerp-reglement op de waterschappen, - ‘Ik zie hier “Waterschapen” geschreven. Is zulks met het oog op zekere behandeling, welke bij aanneming van dit voorstel de geduldige ingelanden zullen ondergaan?’

Met al mijn meegevoelen met dezen waakzamen herder, wil het mij toch voorkomen, dat somwijlen, waar het de aanvrage van Staats-subsidiën betreft, in die lammervachten wolven schuilen1)....

[p. 56]

Doch zal het wellicht eene ondankbare taak zijn met juiste en strakke hand de giften uit te meten, toch mogen niet de goeden voor de kwaden lijden, en het Waterstaatsbudget der komende eeuw zal dan ook een karakter moeten dragen gansch verschillend van dat der thans voleindigde vijftig jaren.

 

En zulks niet alleen uit een zuiver technisch oogpunt. Want niet enkel aan voorziening in technische nooden, ook aan tegemoetkoming in sociale nooden, zal het Waterstaatsbudget der twintigste eeuw moeten gewijd zijn.

Sociale nooden?..... Zijn deze dus niet door de groote werken van openbaar nut der negentiende eeuw weggenomen? En dat, terwijl meer gegeven is, dan gevraagd werd? Want niet ‘eenige’, niet ‘weinig groote’, gelijk de Regeering in 1847 aarzelend en zonder te omschrijven, het volk voorspiegelde, maar vele, zéér vele en zéér groote werken zijn het eene na het andere, ja zelfs het eene naast het andere tot stand gebracht.

Was dan al die arbeid te vergeefs?.....

Als het referein van eene doodenklacht, sluit wat in den aanvang van dit opstel het triumflied der millioenen inleidde, die zegezang weder af. En niet met gebroken stem, als van eenen die in het hart is getroffen en mistroostig nederzit, wordt dat referein herhaald; neen, honderde en duizende keelen hervatten huilend en brullend en als eene strijdleuze

[p. 57]

de klacht, welke vóór vijftig jaren in 's Lands-vergaderzaal werd gehoord; en deze noodkreet doet elken lof verstommen.

Wat zal het referein zijn van over vijftig jaren?

Hierop geve antwoord, wie alsden, dit onderzoek wederom opvattende, de eindelooze reeksen Handelingen en Bijlagen zal ondervragen, die zich dan van lieverlede en zwijgend geschaard zullen hebben naast de reeds onafzienbare reeksen dezer eeuw, welke de planken doen buigen der gastvrije Deventer bibliotheek, waar ik de voor dit opstel noodige gegevens verzamelde.

Even als tot mij, zal dan tot dien onderzoeker, bij het opslaan hier en daar van eene vergeelde bladzijde, eene klacht of eene bede opstijgen; klachten en beden, die zoo geduldig tientallen van jaren in het gesloten boek hebben moeten zwijgen, om thans nog eenmaal, - terwijl wie haar uitte reeds lang ten grave is gedaald, - een menschelijk gemoed te doen trillen, een menschelijk oog te zien bevochtigen, om straks, als de foliant weder wordt dichtgeslagen en in de rij gezet, op nieuw voor tientallen van jaren - misschien voor goed, - te verstommen. Een levend kerkhof vormt die tusschen blauwe schutbladen ingenaaide papierstapel, vol van het strijdgewoel van vervlogen dagen, vol wenschen, plannen, daden, vol bitterheid en zelfverheffing, kermis van ijdelheid en kuiperij, doch tevens monument van het beste wat onze eeuw had te geven; en dit alles - evenals datgene waarvan het de weerklank is - door wat zich nieuw heeft opgedrongen, ten grave geleid.

En onwillekeurig glijdt mijn blik langs de samengepakte, ruglooze banden, door het venster, naar de overzijde van de nauwe straat, waar eene somber grauwe, niets zeggende huizenmassa den horizon wegneemt. En dit vale, troostelooze grauw doet mijne herinnering naar buiten trekken, ver weg, en ver terug, toen ik, nog jong ingenieur, onder den effen grauwen hemel, tegen het middaguur uitrustte aan de voeting van een dijk, in een der meest onterfde deelen van ons polderland.

Nauw was daar het binnendijks gelegene te onderscheiden van het buitendijksche. Zoover het oog reikte, heerschten riet en waterplas; eentonig grijs door het hemelwulf overhuifd. Aan de overzijde van de bermsloot, op sompige, enge graszode, wankelde een hut, met wanden van opgebarsten planken

[p. 58]

en gestulpt rieten dak. En terwijl ik de oogen met de minachting van een stedeling afwendde van dit krot, en vergeefs elders iets zocht, waarop - niet zóó onbehagelijk - de blik konde rusten, kwam uit de geopende deur het geluid van eene mannestem, van eene klanklooze stem, die als werktuigelijk, zonder heffing of daling, als in den slaap voorlas, stokkende met regelmatige tusschenpoozen. En al kon het woord niet verstaan worden, dat gelezen werd, die telkens terugkeerende, welbekende val deed weten welk Woord daar werd verkondigd. En bij die hut, welke geen woning kon heeten; op die plek, welke noch land noch water was; in die omgeving zonder voorgrond, zonder gezichtseinder, met niets dan boven zich den hemel, werd mij de uitspraak begrijpelijk: dat het koninkrijk der aarde aan den zachtmoedige.... en aan deze alléén is gegeven.

En terwijl de cadens nog in mijn oor herklinkt, en voor de laatste maal mijne oogen langs de boekenreien der Deventer bibliotheek dwalen, langs die Handelingen en Bijlagen, met hare goede en welmeenende voorschriften en nog betere voornemens, fluistert in mijzelven dat wèlbekende en veelgesmade woord: dat de armen ons nooit zullen ontbreken.... omdat Hij van ons is henengegaan.

Volmondig worde dan ook erkend, dat niet de ingenieur met zijne kleine middelen den afgrond dempen kan, waarover de Trooster tot ons zal komen, en dat geen jubeltonen het referein van thans zullen vervangen, noch in vijftig, noch in vijftigmaal vijftig jaren, indien niet wederom het stoffelijke zich weet te verlagen tot drager van het eeuwige.

Met het budget voor werken van openbaar nut - het Arbeidsbudget in den meest uitgebreiden zin, óók omvattende wat de arbeider meer behoeft dan arbeid: èn steun in nood, èn verzorging bij ziekte en ouderdom, èn lucht, èn licht, èn rust - met dat budget kan wel de akker bereid worden.... maar van Hooger hand is af te smeeken het zaad, dat de Levenskiem in zich draagt.

 

R.P.J. Tutein Nolthenius.

[p. *1]

Uitgaven door het rijk voor werken van openbaar nut.

Totaal bedrag in het tienjarig tijdperk. WATERSTAATS-PERSONEEL. Algemeene Dienst. (waterwaarneming, kaarteering, enz) 3
Toezicht. 1 Exploitatie. 2
  ƒ ƒ ƒ
1847-1856 1.948.000 449.000 182.000
1857-1866 2.326.000 599.000 238.000
1867-1876 2.641.000 1.439.000 477.000
1877-1886 4.184.000 2.140.000 1.098.000
1887-1896 5.225.000 2.762.000 1.028.000
1847 135.000 - 13.000
1897 583.000 404.000 110.000
(toegestaan)  

RIVIEREN. KANALEN.
Rotterdamsche maas. 4 Bergsche maas. 5 Overige rivieren. 6 Noordzeekanaal. 7 Merwedekanaal. 8 Overige kanalen. 9
ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ
- - 4.245.000 - - 4.731.000
2.262.000 - 9.240.000 148.000 - 7.662.000
9.463.000 - 14.818.000 16.058.000 - 9.414.000
17.772.000 849.000 18.387.000 8.044.000 5.932.000 11.568.000
12.651.000 17.949.000 15.271.000 13.059.000 16.116,000 8.641.000
- - 214.000 - - 330.000
697.000 1.419.000 1.602.000 1.142.000 168.000 916.000
 

Totaal bedrag in het tienjarig tijdperk. Wegen en Veren. 10 ZEEWERKEN.
Oever verdediging. 11 Haven werken. 12 Calamiteuse polders 13
  ƒ ƒ ƒ ƒ
1847-1856 6.652.000 4.532.000
1857-1866 7.428.000 5.516.000
1867-1876 7.188.000 7.499.000 2.485.000
1877-1886 9.132.000 5.462,000 2.181.000 2.442.000
1887-1896 7.573.000 3.616,000 2.126.000 2.180.000
1847 863.000 443,000
1897 851.000 404.000 149.000 200.000
(toegestaan)  

Droogmakerijen. 14 Winterschade, IJsopruiming, Wrakken 15 Subsidiën. 16 Totaal der voorafgaande kolommen. 17 Spoor- en Tramwegen. 18
ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ
2.647.000 505.000 1.887.000 27.787.000 1.360.000
573.000 565.000 3.522.000 40.078.000 77.268.000
1.572.000 1.187.000 3.213.000 77.463.000 86.169.000
- 1.853.000 5.914.000 96.952.000 99.974.000
- 1.642.000 4.600.000 114.447.000 54.950.000
22.000 14.000 66.000 2.100.000 -
- 110.000 425.000 9.179.000 2.283.000
 

Kolom 1, art. 11-14, 25-28; kolom 2, art. 15-16; kolom 3, art. 5-9, 17-22, 53; kolom 4, art. 43-44; kolom 5, art. 36-42; kolom 6, art. 29-35, 45-52; kolom 7, art. 77-79; kolom 8, art. 69; kolom 9, art. 70-76, 80-94; kolom 10, art. 95-106; kolom 11, art. 54-60; kolom 12, art. 63-68; kolom 13, art. 61; kolom 15, art. 10, 23, 24, 62; kolom 16, art. 107-114; kolom 18, art. 121-141.

1)Zitting van 27 Oct. 1847.
2)Tot juist begrip zij herinnerd, dat toenmaals de Ministers niet aanwezig waren bij de behandeling van het adres van antwoord.

1)Hier en elders zijn, voor zoover zulks aan het juist begrip niet schaadt, de sommen afgerond. De halve centen, welke de Rekenkamer in extase brengen, hebben voor den Gidslezer, naar ik meen, minder bekoring.

1)In 1894 bijv. werden, tot verbruik, uit Pruisen langs de waterwegen hier te lande ingevoerd 2520 millioen kilogram goederen, eene waarde vertegenwoordigende van ruim 111 millioen gulden; langs de spoorwegen 2682 millioen kilogram, ter waarde van ruim 125 millioen gulden. Overigens neem ik de vrijheid omtrent den strijd tusschen land- en waterwegen in het algemeen, te verwijzen naar mijn opstel in de Economist van het vorige jaar.
2)Zoo gering is de belangstelling in onze gewone kunstwegen, dat de statistieke jaarcijfers hieromtrent geen latere bron kennen dan het landbouwverslag over 1873! Volgens de daarin vermelde getallen bedroeg de lengte der Rijkswegen 1740 Km., der Provinciale wegen 1515 Km., der overige wegen 8769 Km. De lengte der Rijkswegen bedraagt thans 1955 Km.; die der overige wegen is in sommige provincien met 25%, ja, met 50% toegenomen. In evenredigheid tot de lengte der kanalen en spoorwegen, is echter de lengte wan het net der gewone kunstwegen gering.
1)Blijkens het verslag over den toestand der Provincie Zeeland is, sedert deze wet tot stand kwam, tot in 1895, door de 22 calamiteuse polders aan dijksgeschoten geind 5¾ millioen, en is door het Rijk 4,2 millioen, door de Provincie 2,1 millioen, door aanliggende polders ¾ millioen voor de verdediging der aangevallen oevers bijgedragen.
2)De haven van IJmuiden is hieronder niet begrepen, en behoort tot eene afzonderlijke rubriek. Slechts in het tijdperk 1870-76 zijn groote sommen voor havenverbetering besteed: o.a. 3½ millioen voor die te Harlingen; later (1886-1889) nog ongeveer ½ millioen aan de haven te Lemmer.
1)Onder deze sommen zijn noch de uitgaven voor den Rotterdamschen waterweg, noch die voor de verlegging van den Maasmond begrepen, welke later afzonderlijk zullen behandeld worden.
2)Van het anderhalf millioen is ongeveer een ton gouds af te zonderen voor de kleine rivieren: Hollandsche IJssel, Linge, Zwarte water, Zwolsche diep en Groningsche Aa.
1)Dit kanaal werd door den spoorwegaanleg noodzakelijk, en is dan ook uit de daarvoor bestemde fondsen bekostigd. Het onderhoud kwam later ten laste van het gewone budget.
2)In het geheel bezit ons land volgens de laatste telling (1892) 3352 kilometer lengte kanaal.

1)En toch is deze zeldzame nauwkeurigheid slechts schijn; want blijkens de verantwoording der onvoorziene uitgaven over 1894, zijn er vijf en twintig eenten, of een kwartje (zulks laat zich niet onderscheiden), meer aan dit artikel ten koste gelegd, dan geraamd en toegestaan werd.

1)Deze Staatscommissie raamde in 1880 de nog te verrichten uitgaven op 20 millioen, hieronder niet gerekend de (niet uitgevoerde) verhooging en verlenging der dammen.
1)In de overigens zoo volledige officieele beschrijving van het Merwedekanaal door den ingenieur P.H. Kemper, wordt slechts een enkele, zeer magere, bladzijde aan de uitgaven gewijd. Daaruit blijkt wel wat de advocaten genoten voor hunne bemoeiingen en hoevele gelden aan advertentiën werden besteed, doch voor de werken wordt slechts en bloc ƒ 16,465.000 opgegeven. Het door hem aangenomen totaal-cijfer bedraagt ƒ 20,741.200. Het mijne is hooger, omdat naar mij voorkomt, nog de uitgaven in vele jaren nà de opening, bij die van aanleg zijn te voegen, vooral bij een werk als het onderhavige. Want wil men het aantal slachtoffers van den krijg tellen, dan is het niet voldoende op de slagvelden rond te gaan, maar zijn ook de hospitalen - en nog lang na het sluiten van den vrede - te bezoeken.

1)Voor 1897 aldus verdeeld: bezoldiging ingenieurs ƒ 174.000, opzichters ƒ 196.000, reis- en bureelkosten ƒ 112.000, bureelambtenaren ƒ 94000, Rijnvaart ƒ 8000.
2)Ter vergelijking diene dat volgens ingenieur Kemper, ten behoeve van het Merwedekanaal werden uitgegeven: aan waterpassingen ƒ 22000, bureelbehoeften ƒ 42000, reis- en verblijf kosten ƒ 40.000, personeel - behalve dat van den Waterstaat - ƒ560.000. Brengt men de uitgaven voor het personeel van den Waterstaat mede in rekening, dan kan het eindcijfer voor het toezicht niet veel afwijken van 5 pCt. der 16½ millioen, welke aan werken werd besteed. Bij de werken van de Bergsche Maas is volgens de toelichting tot de Staatsbegrooting, aan algemeene onkosten reeds ongeveer 8 pCt. besteed; dit werk eischt echter wegens bijzondere omstandigheden, een uitgebreid terreinonderzoek en een talrijk personeel. (Onder laatstgenoemd percentage zijn de uitgaven voor het Waterstaatspersoneel niet begrepen).
1)Hier en steeds wordt onder dit tienjarig tijdvak verstaan het tijdperk 1886-1895, daar de cijfers der latere jaren nog niet zijn openbaar gemaakt.
1)In 1847 en volgende jaren waren de uitgaven voor aanleg van nieuwe werken zoo gering, dat het gemiddeld bedrag van 2 millioen gulden geacht kan worden geheel aan onderhoud en verbetering te zijn besteed.

1)De trouwens niet zeer belangrijke bijdragen aan spoorwegen en trams zijn reeds vroeger besproken.
2)Ten einde de gedachten te bepalen, worden hieronder voor elk tiende jaar de verdeeling der gelden vermeld:
Afwatering. Scheepv. Weg. en Veren. Haven. Verdediging. Droogmakerijen.
1847 ƒ 13000 ƒ 11.000 ƒ 8000 ƒ - ƒ 24.000 ƒ 10.000
1857 ƒ 31000 ƒ 47.000 ƒ 133.000 ƒ 21.000 ƒ 31.000 ƒ -
1867 ƒ 14000 ƒ 165.000 ƒ 137.000 ƒ 9000 ƒ 19.000 ƒ -
1877 ƒ 43000 ƒ 100.000 ƒ 69.000 ƒ 92.000 ƒ 22.000 ƒ 197.000
1887 ƒ 42000 ƒ 367.000 ƒ 76.000 ƒ 44.000 ƒ 3000 ƒ -
1897 ƒ 195000 ƒ 74.000 ƒ 50.000 ƒ 103.000 ƒ 2000 ƒ -

 

Van de voor 1897 verleende ƒ 423.000 zijn ƒ 74.000 reeds dertig of meer jaren verleend, ƒ 45.000 tien tot twintig jaren. Trouwens 40 pCt. der subsidien hebben op werken van onderhoud betrekking. De voornaamste bijdragen voor aanleg voor dit jaar zijn: verbetering der kleine riviertjes Regge, Schipbeek, Berkel, Dortherbeek, Radewijkerbeek en Niers, ƒ 166.500; kanaal van Coevorden naar de Vecht ƒ 40.000; havens te Maassluis, Yerseke en Harderwijk ƒ 54.400.
Daarenboven zijn op spoorweggebied nog bijdragen verleend voor de trams van Schagen naar Wognum, Vechel naar Belgie, Rotterdam naar de Hoeksche Waard, Oldenzaal-Denekamp, Oldenzaal in richting Gronau, te zamen ƒ 200.000; terwijl nog onlangs hierbij zijn gevoegd rentelooze voorschotten aan de trams op Schouwen en Duiveland (ƒ 300.000) en aan de tram Joure-Lemmer (ƒ 160.000). Ook voor paardetrams zijn subsidiën gegeven.
Doch de 1897' oogst is dan ook op parlementair gebied die van een komeetjaar!
1)Uit de medegedeelde berekeningen is ook af te leiden, zij het ook slechts bij ruwe benadering, met welk bedrag eenige uitgave voor aanleg permanent het budget belast. Blijkens kolom 18 der tabel zijn in het geheel aan Waterstaatswerken uitgegeven, na aftrek der subsidiën (kolom 17), 337½ millioen. De uitgaven voor onderhoud en verbetering bedroegen bij den aanvang der vijftigjarige periode 2 millioen; zij zijn thans op ƒ 5.560.000 te stellen; het gemiddelde van beide cijfers als het gemiddelde jaarlijksche bedrag over het geheele tijdperk aannemende, is dus in het geheel 189 millioen aan onderhoud besteed. Aan nieuwe werken is dus 148½ millioen uitgegeven. Aangezien de onderhoudsuitgaven met ƒ 3.560.000 zijn vermeerderd, belasten de nieuwe werken het budget der toekomst derhalve met nog geen 2½ pCt. 's jaars.
1)Hoewel de vele aanteekeningen aan den voet, de gang van den lezer wellicht te zeer vertragen, zal deze laatste allicht genade in zijne oogen vinden, omdat zeer waarschijnlijk zijn eigen buidel bij het geval is betrokken. De Verslagen omtrent den toestand der Provinciën in 1895 (de laatst verschenen) leeren omtrent het budget der Waterschappen het volgende:
Uitgaven voor Verhouding der kosten
kosten van bestuur gewone werken buitengew. werken van bestuur tot die der werken
Groningen ƒ 43.000 ƒ 135.000 ƒ 24.000 27: 100
Friesland ƒ 50.000 ƒ 100.000 ƒ 146.000 20: 100
Overijssel ƒ 51.000 ƒ 133.000 ƒ 30.000 31: 100
Gelderland ƒ 107.000 ƒ 137.000 ƒ 68.000 52: 100
Utrecht ƒ 99.000 ƒ 246.000 40: 100
Zuid-Holland ƒ 396.000 ƒ 1.267.000 ƒ 323.000 25: 100

 

Uitgaven voor Verhouding der kosten
kosten van bestuur gewone werken buitengew. werken van bestuur tot die der werken
Groningen ƒ 43.000 ƒ 135.000 ƒ 24.000 27: 100
Friesland ƒ 50.000 ƒ 100.000 ƒ 146.000 20: 100
Overijssel ƒ 51.000 ƒ 133.000 ƒ 30.000 31: 100
Gelderland ƒ 107.000 ƒ 137.000 ƒ 68.000 52: 100
Utrecht ƒ 99.000 ƒ 246.000 40: 100
Zuid-Holland ƒ 396.000 ƒ 1.267.000 ƒ 323.000 25: 100

 

Voor Friesland zijn alleen de zeedijkwaterschappen genomen; voor Overijssel en Gelderland zijn de kleine riviertjes, daar deze in een tijdperk van overgang verkeeren, buiten rekening gelaten. De scheiding tusschen gewone en buitengewone uitgaven was bij sommige moeielijk; bij Utrecht geheel ondoenlijk. Gaarne had ik aan deze reeks Noord-Holland toegevoegd, doch het verslag dezer provincie geeft geen overzicht meer van waterschaps- of gemeente-financiën.

prepostterug  begin  verder