28 Juni.
Juni, de Pinkstermaand, de maand van optochten en zomerpret, uitbundig, meêsleepend, verbroederend, - de zonnemaand onder de maanden.
In den romantischen uithoek van het Ardennerwoud gaat de springersprocessie van Echternach haar gang, vol herinneringen aan den heidenschen voortijd, bewaard en gekoesterd door het christelijk wondergeloof. Drie stappen vooruit, dan twee stappen achterwaarts beweegt zich de stoet; de kinderen vooraan, hoog huppelend op de maat van fiedels en schalmeien; al wat beenen heeft, en al wat nauwlijks meer beenen heeft, - de ouden van dagen, de troosteloos bedroefden, de blinden, de kreupelen, de lammen, - volgt de kinderschaar dansend, uitgelaten, de trap op naar de St. Willebrordskerk, heilzoekend, genezing hopend.
De kermis op de markt wacht hen bij hun terugkomst, en het verdriet van de ellendigen verstuift in een zonneroes van vermoeide vreugd.
Uit het middelpunt der wereldsche beschaving geeft de Martelaarsheuvel, de Parijsche Montmartre, op de vrome boerenvroolijkheid een antwoord, grillig en ondeugend, door haar omgang van ‘de razende koe.’ Het oude heidendom der Ardennen dat zich verchristelijkt heeft wordt begroet door het modernste Parijsche heidendom dat zich van alle gemeenschap met het geloof heeft vervreemd om vrij de kunst en het genot te dienen. De koe is razend en de hartstocht is losgebonden. Toch sluipt er in het feestgejoel een aangrijpende noot van ellende; want ook bij den Montmartre optocht nemen de kinderen hun plaats in, maar het zijn de havelooze, vermagerde
stadskinderen. ‘Donnez un sou aux pauvres enfants!’ klinkt hun psalmodie van den wagen die hen in den optocht voert. Zoo wil de onontwijkbare smart het vermaak gaan temperen, alsof de uitgelatenheid in het leed niet een nieuwen prikkel vond.
Maar forscher gejubel dringt, dit jaar, al die gewone Pinksteren St. Jans-processievreugd op zij.
Plaats voor de Koningin!
Het is de 22e Juni.
Londen ligt in morgennevel. De pleinen en straten, de huizen, de daken, de boomen zijn gevuld met menschen. In afwachting.
De nevel rijst, maar blijft als een grijze sluier hoog hangen. Treurig ziet de hemel op de menschen, en de menschen kijken stemmig naar de lucht.
Een koningin zonder zou!
Plotseling trompetgeschetter. Ze naderen, de ruiters van de voorhoede. Een straal schittert op hun helmtoppen, glinstert om hun borstkuras; goud licht valt in de straten; de lucht staat blauw, aan den hemel prijkt de zon.
De koningin mag komen.
Haar weg is gereed; beplaveid met zonneglans, omlijnd met blijde gezichten en wuivende handen.
Meer dan een koningin; het idool, het symbool van de oude volksmoeder.
Van het Engelsche huisgezin is de moeder het middelpunt. De vader zorgt voor het onderhoud en vertegenwoordigt het gezin naar buiten; zij daarentegen bestuurt al wat binnenshuis geschiedt, zij zit voor aan tafel en zij leidt de opvoeding der kinderen. De jongens eerbiedigen haar, de meisjes zien in haar het voorbeeld. Zij geeft den toon aan voor de godsdienstige stemming der familie, zij is direct het hoofd van de kleine groep. De vader staat iets verder af, valt wat buiten de lijn. Wanneer het nest uiteenvliegt, blijft bij haar altoos het vereenigingspunt. De moeder mag een zachte of een pootige vrouw zijn, zij mag zelfs een moeilijke, ja een ‘kwade’ vrouw wezen, zij is toch de moeder en voor het gezin hebben haar eigenschappen steeds een goede beteekenis.
De koningsmacht, zooveel of zoo weinig ze beduidde, was in Engeland voorbij, toen Victoria tot den troon werd geroepen.
Wat bleef er voor haar over om te doen?
Te doen! Niet veel. Zij had het geluk een gezin te vestigen, waar vroeger aan het hoofd van het rijk, als uiting van het koninklijk leven, alleen een hof bestond.
Het was geen bijzondere verdienste van de koningin.
Was zij een buitengewone vrouw geweest en had zij met overleg op dat doel afgestuurd, zij zou het nooit hebben bereikt. Zulke eenvoudige dingen gelukken niet aan buitengewone vrouwen. Maar deze vrouw had geluk.
Een man was voor haar gevonden (hij heette de prinsgemaal, en het is zijn rechte titel in de Engelsche historie) die haar ietwat vulgaire, stoere en ‘kwade’ natuur wist te leiden, en die aan haar, van aard een koningskind, het voorbeeld gaf wat in een gezin de vader, en ook wat de moeder moet wezen. Want deze prins, die uit de hand van het leven den adelbrief van den volmaakten gentleman had ontvangen, bezat ook de moederlijke gaaf om zacht te leiden door geheel in het wezen op te gaan van die hij lief had. Hij gaf zich, hij offerde zich voor zijn gezin, en hij liet het na den eerbied voor zijn onbevlekten naam.
Op dien eerbied, een fundament van trouw en genegenheid, verrees het gebouw van de Engelsche vorstenfamilie, niet beter, niet knapper, niet braver dan eenige andere Engelsche familie (de jongens wat los en vroolijk van aard, de meisjes degelijk en talentvol), maar de eerste familie van het land; en de moeder, de eerste moeder, overlatend de praal van het leven aan haar zoons, voor zich houdend het inwendig bestuur, de leiding, de vaste, dikwijls de gesloten hand.
De jaren, komend en gaand en telkens weer komend, hebben dat gezin geheiligd, zoodat de moeder, in waarheid, de eerste moeder van het volk is geworden. Zij werd, belichaamd, het beeld van het historisch verleden, wakend over het heden met haar moederzorg, en een geruststelling voor de toekomst. Zij werd, wat de moeder is, een schutdak tusschen den mensch en zijn booze lot. Want zoolang de moeder leeft is de zoon geborgen. Het lot vermag niets tegen hem.
Zie, de koningin nadert, in het stralende zonnelicht.
De hoogste macht van deze wereld, de dienaar van den Heer, de woordvoerder der menschen tegenover God, treedt uit den trotschen tempel te midden van het volk om den levensweg der vorstin op te dragen aan de heilbeschikking van den Almachtige. Van de lippen van den kerkvorst klinkt het luid over het plein: Hoera voor de koningin!
Zij, statig, rijdt door de menigte, begeleid door de afgezanten van alle deelen van haar onmetelijk rijk, begeleid door vorsten en vorstenkinderen die haar kwamen eeren, begeleid door de reeks van haar afstammelingen. En naast haar koets gaat, aan elken kant, een van haar zoons. De moeder heeft geen andere wachters noodig.
Zoo trekt de koningin door haar hoofdstad heen, een visioen van macht en van bescherming.
Het volk golft dien dag in breede geweldige massa's langs den feestweg, ordelijk en zelfbewust. Het heeft zichzelf gezien in den spiegel van de zestigjarige regeering, en het heeft de kracht van zijn groei gevoeld. Evenver verwijderd van den roes der uitgelatenheid als van de zelfvernedering van het leed, voltooit het zijn omgang, een volk van heerschers, opgewassen tegen de wereld en tegen het lot.
B*.