En wat dezen ‘Jonge Gids’ betreft, zeggen wij: gelukkig. Want hadden wij een lid in onze familie dat zich zoo onhebbelijk aanstelde, zoo zijn fatsoen te grabbelen gooide als dit tijdschrift in zijn eerste nummer doet, wij zouden ons over zulk een parentage diep schamen.
Zooals de redactie van elk nieuw tijdschrift, acht ook de heer Heyermans de oprichting van het zijne ‘gewettigd en noodzakelijk’; hij wil nu eens een mandschrift geven, dat niet ondergeschikt wordt gemaakt ‘aan belangen, smaak, zedeleer, godsbegrippen van een bourgeoisiestand.’ Voorts belooft de redactie dat zij de duizend-en-één gemoedsbezwaren van hare abonnés niet zal ontzien.
Deze laatste belofte dunkt ons vrijwel overbodig. Wie, na kennis genomen te hebben van den inhoud van deze eerste aflevering, zich op dit tijdschrift abonneeren, worden door gemoedsbezwaren op het punt van smaak, zedeleer en godsbegrippen zeker niet te zeer gekweld, zoodat de redactie op hare beurt van hen geen last zal hebben. En zij ontvangen wat zij verdienen, wanneer hun maand aan maand, onder meer, stukken worden voorgezet zooals thans ‘Kamertjeszonde’ en ‘Bordeelschets’, vol smerigheden, vol walgelijke en liederlijke taal, vol schaamtelooze, gewild obscene tooneelen, die als pronkstukken zeker van onvervalscht realisme - men kent die pretentie! - de aantrekkelijkheid van dit nieuwe tijdschrift zullen moeten uitmaken.
Of behoort misschien een schrijver als Koos Habbema tot die bijzondere soort kunstenaars waarvan Octave Mirbeau onlangs schreef, dat onder hun handen ‘l'excrément lui-même devient un joyau. Nul n'a plus le droit d'en sentir l'originelle odeur et tous peuvent s'en barbouiller la face sans honte’!
Wil De Jonge Gids een sociaal-democratisch letterkundig orgaan worden, zooals De Nieuwe Tijd een sociaal-democratisch politiek orgaan is, het zij zoo. Maar dat het tijdschrift, op deze wijze voortgaande, de sociaal-democratie zal dienen, tot de kunstontwikkeling van de ook in dit opzicht al te misdeelden zal medewerken, en dat de partij van hare zijde ervan gediend zal wezen met in dien trant en op zulke taal te worden onthaald, weigeren wij vooralsnog te gelooven.
De liefde-heros Tristan en de toovenaar Klingsor, doodsbeenderen en bloemen, - ziedaar de geweldige tegenstellingen waarmee een jong Fransch dichter het titelblad van zijn verzenbundeltje heeft versierd, waarschijnlijk om indruk te maken en koopers te vinden. De versjes zijn niet beter en niet slechter dan een menigte andere die tegenwoordig door een hon-
derdvijftig jongelui (ik ontleen dit getal aan de bekende brochure ‘Le congrès des poëtes’) in Frankrijk geschreven worden. Maar heel veel persoonlijks heeft het talent van Tristan Klingsor niet. Nieuw is, geloof ik, het rijm Tyr: lieder, in deze strofe:
Vroeger zou een Franschman het duitsche woord lieder op zijn fransch hebben uitgesproken met een accent op de als eu klinkende e van de slotsyllabe er en liedeur hebben laten rijmen met tiédeur, zooals ik eens een gedicht hoorde voordragen waarin odeur rijmde met iris-powder.
De dichter heeft vrij wat litteraire herinneringen en voegt die soms allerwonderlijkst samen. Zoo speurt men iets van Goethe's ‘König in Thule’, iets van Beaumarchais' ‘Chérubin’ en iets van Murger in de beide volgende strofen:
Hoe men zich den dichter dan eigenlijk heeft voor te stellen, is niet duidelijk. Maar duidelijk wil de dichter natuurlijk ook niet zijn.
De eigenlijke ‘Squelettes fleuris’ - een onderdeel van het bundeltje - zijn een variatie op de ‘dan e macabre’.
Onder de ‘Ballades des baladins’ zijn een paar aardige, zangerige, geheimzinnige verhaaltjes, onder anderen dat van een ‘page enfant à cou de cigogne’, die onder een balcon een serenade brengt en wien ‘une main de châtelaine’ bloempjes (natuurlijk ‘des marjolaines’!) toewerpt, waarop hij zoo bang wordt dat ‘hij in zijn schulp kruipt’.
Die, anders vrij banale, beeldspraak wordt nog al aardig uitgewerkt in deze vier regeltjes:
Het rijm ruelle: oreilles is nieuw en zal latere philologen een wonderlijk denkbeeld geven van de uitspraak van den l mouillé in 1897.
a.g.v.h.
Het is een Fransch gencesheer, reeds een goede vijftiger, die jaarlijks te Aix-les-Bains zijn clientèle heeft en zijn winters te Parijs door-brengt, die zich achter den pseudoniem ‘Jean Lahor’ verbergt. Die naam heeft hem reeds beroemd gemaakt onder de dichters door zijn beide bundels verzen, l'Illusion getiteld, waarvan onlangs een nieuwe uitgaaf, in één band, in Lemerre's Petite bibliothèque littéraire verschenen is. Velen die deze zeer merkwaardige pantheïstisch en boeddhistisch gekleurde gedichten misschien niet kennen, hebben toch, zoo zij Camille Saint-Saëns' Danse Macabre hebben hooren uitvoeren, op het omschrijvend programma de verzen van Jean Lahor kunnen lezen waarop de romantische componist zijn aangrijpende muziek heeft geschreven.
Wat Jean Lahor ons thans door de bevriende hand van den Geneefschen hoogleeraar wien hij zijn ‘conférence’ opdroeg, ter aankondiging toezond, is weer iets geheel anders: noch Nirwâna-bespiegelingen, noch medicijnen, maar een ‘lezing’ voor het zoo belangstellend publiek der Universiteit van Genève gehouden over William Morris.
Het onderwerp is nog onlangs, in de Januari-aflevering, voor de Gids-lezers behandeld door onzen mede-
werker den heer L. Simons op een wijze die de lezing van deze ‘conférence’ overbodig zou maken, zoo niet een persoonlijke ontmoeting van den spreker met Morris, vier jaren geleden, aan zijn woord een eigenaardigen gloed had gegeven, en zoo niet de door hem omtrent Morris' leven en werk verhaalde bijzonderheden nog talrijker waren dan die welke de heer Simons, in het eerste gedeelte van zijn artikel, heeft meegedeeld. Met veel belangstelling zullen de lezers ook het portret van Morris' genialen kop en de afbeelding van een kamer uit de werkmanswoning naar Morris' methode versierd door den Luikenaar Serrurier, in het nette boekje aantreffen.
In zijn warm pleidooi voor ‘l'art pour le peuple et par le peuple’ legt Jean Lahor den nadruk, niet alleen op het sociaal, maar ook op het nationaal karakter der decoratieve kunst die Morris, zijne vrienden en zijne leerlingen met woord en daad hebben gepredikt. Hij wijst zijn gehoor op de motieven die zoowel in de Zwitsersche musea van oude kunst met name te Bazel, als in de Zwitsersche natuur te vinden zouden zijn voor een breede toepassing der decoratieve volkskunst in deze oudste van alle Europeesche republieken. En hoe pessimistisch de dichter van l'Illusion zich in deze voordracht soms ook uitlate, - bij voorbeeld, in dezen volzin: ‘Je crois qu'en politique comme en philosophie, il faut partir du pessimisme plutôt que de la conception optimiste du monde’, - zoo draagt hij toch, aan het slot van zijn voordracht, aan de Zwitsersche bondstaten, ‘het edele concilie dat zetelt in het Coliseum der Alpen’, zooals Michelet ze genoemd heeft, een taak op van wereldhervorming en wereldvernieuwing, waarover alleen een optimist met zooveel warmte en zooveel vertrouwen spreken kan.
Intusschen, voorloopig stelt hij Engeland hooger. Want Engeland is, ‘tot verbazing van hen die dat land vroeger gekend hebben,’ het ware land der kunst geworden. Wat, naar zijn oordeel, getuigenis aflegt voor de algemeene artistieke ontwikkeling van een volk, dat zijn veel minder de ‘arts d'exception’, zooals beeldhouwkunst en schilderkunst, dan de bouwkunst en de ‘arts mineurs’, die in de eenvoudigste bijzonderheden van het dagelijksch leven hare toepassing vinden. En deze kunst leeft en bloeit tegenwoordig in Engeland overal.
De bijgevoegde noten behelzen veel wetenswaardigs omtrent de pogingen in andere landen, vooral in België, aangewend om blijvende tentoonstellingen van moderne decoratieve kunst tot stand te brengen. Eveneens in een noot vind ik eene opmerking omtrent William Morris die een hoogere plaats verdiend had en die, zoo zij in de ‘lezing’ zelve ontwikkeld was geworden, deze met een mooie bladzijde zou hebben vermeerderd. Het is deze: ‘Weinig menschen hebben, in de mate waarin Morris haar bezat, de gave van het rythmus bezeten, een gave die den dichter maakt en den kunstenaar. Zoo het zeldzaam voorkomt dat de poëtische begaafdheid samenvalt met andere artistieke neigingen en talenten (de beroemdste Fransche dichters, bij voorbeeld, zooals Victor Hugo, Lamartine, Gautier, Leconte de Lisle, hadden weinig of geen smaak voor muziek) bij Morris wordt dat verschijnsel gevonden. Il a le sens de tous ou presque tous les rythmes, depuis celui de la fleur, de la plante, de la spirale des feuilles s'enroulant autour de la tige, des sépales ou des pétales dans le calice ou la corolle, depuis toutes les mélodies des lignes, toutes les harmonies de la couleur, jusqu'au rythme dans les vers, dans les sons musicaux, et j'allais ajouter, dans une vie très haute, noble, et ordonnée comme une oeuvre d'art supérieure.’
a.g.v.h.