Vous ferez la part de mes ingénuités et vous ne retiendrez que ce qu'il vous plaira de mon dithyrambe.
Jules Tellier.
Als ik een onderzoek instel naar de redenen, waarom een dichter als de hierboven genoemde gedurende haast volle veertig jaar overal elders dan in zijn engere geboortestreek nagenoeg volslagen onbekend kon blijven, terwijl toch talenten van heel wat minder gehalte, van heel wat minder diepte en omvang, zich in dat zelfde tijdsverloop naar hartelust konden koesteren in de weldoende warmte niet alleen van een gulle waardeering, maar zelfs in de wijdreikende stralen van de populariteit, dan is het mij onmogelijk voor dat verschijnsel nog andere oorzaken te vinden dan deze twee, die, voorzeker, de akelige onverschilligheid van de kritiek te zijnen opzichte geenszins rechtvaardigen, maar die tenminste wat verstaanbaarder maken, namelijk:
de overdreven lof van zekere vrienden, en een zekere slordigheid van den schrijver zelf.
Het valt wel niet te loochenen, dat, in het in taalkundig opzicht nog steeds partikularistische West-Vlaanderen, de drukke schaar van oud-leerlingen, geestverwanten en partijgenooten
van den meester, dezen den heuschen en grooten ondienst hebben bewezen, al wat van hem kwam, ook het eenvoudigste gelegenheidsversje, - ja, het alleronnoozelste rijminvalletje te prijzen en te loven als louter ‘hemelval’.
Van een anderen kant heeft de schrijver zelf bij het uitgeven van zijn werken niet geschift, niet gekozen. Alles heeft hij verzameld, onaf naast af en groen naast rijp en leelijk naast mooi; rijmelarijen, op kommando of verzoek aaneengeflanst in een verloren uurtje evengoed als de echtste uiting van het hart; versjes op honderden van sterfgevallen, geboorten, huwelijken, doopfeesten, eerste kommunies, eerste missen en wat dies meer evengoed als ontboezemingen van de edelste, innigste, verhevenste lyriek.
Werkelijk, die kritiek heeft het al te gemakkelijk, welke naar gebrekkige of vlakaf onbeduidende verzen wil zoeken in Gezelle's bundels....
Het is echter meer dan tijd, dunkt mij, dat men in Noorden Zuid-Nederland ophoude, literaire artisten te beoordeelen naar 't zwakste, en niet naar 't beste, dat zij gaven.
Zoo men, volgens dat vaderlandsche stelsel, want het is een stelsel, ik zeg niet: dichters van minder gehalte, maar zelfs de allergrootste, Vondel en Hooft ten onzent, Goethe, Schiller, Hugo, Lamartine, Musset, Shakespeare zelf beoordeelde, in ernst - zou dan niet de geheele beschaafde wereld verzet aanteekenen tegen zooveel ... onbillijkheid?
Ik heb persoonlijk den diepsten eerbied voor kunstenaars als b.v. Baudelaire, Flaubert, Leconte de Lisle, de Hérédia, die, begaafd met een ongemeene dozis zelfkritiek, alles en nóg eens alles verwerpen, waarop het ‘nonumque prematur in annum’ van Horatius niet volstrekt toepasselijk is.
Zulke dichters, gewoonlijk niet overdreven vruchtbaar, schenken voorzeker den aestheet een meer onverdeeld, een intenser genot misschien; hun werk vertoont een karakter van af heid, volledigheid en rijpheid, dat het weldra doet rang nemen onder de door de eeuwen heen als klassiek, d.i. volkomen voortreffelijk, erkende meesterwerken.
Zóó althans is de indruk, welken hun werk op ons maakt, wanneer wij het beschouwen van een zuiver aesthetisch, een zuiver literair standpunt.
Zoeken wij nu echter in hun werk naar den mensch die
het schiep, neen, in wiens innigste innigste het is geworden; zoeken wij in hun werk naar het leven, waarvan het een min of meer bewuste uiting is, naar den slag van hun pols en den rhythmus van hun bloedsomloop, dan blijkt die indruk vaak, ja, algemeen, een onvolledige, en lijkt hij eenigszins op dien, welken na de eerste oogenblikken van enthousiasme op ons maakt een toevallig uit den grond opgedolven beeldhouwwerk van een totaal onbekend meester.
Zeker is dit geen kritiek, en het wil dan ook in geen enkel opzicht als 'n kritiek doorgaan, maar - voelen wij wel heel veel van den mensch in b.v. Les Trophées van de Hérédia of in enkele der allervolmaaktste stukken van Leconte de Lisle?
Reeds dit alleen - dat artiesten als deze zoo van hun eerste optreden af in volkomen rijpheid, in volle grootte vóór ons staan, ontneemt hun iets van dat humane, van dat vleezige - bloederige, laat mij zeggen: van die warmte, welke ons in alle kunst zoo aangenaam aandoet.
Gezelle nu behoort tot een geheel ander soort van dichters - tot die, welke zich - als echte lyrici, die zij zijn, geroepen en geboren dichters ‘bij Gods genade’, - van eerst af en tot het laatste toe ‘geven zoo als ze zijn’, geheel, zonder achterhouding, zonder berekening.
't Kunstgenot dat zij schenken, mag wellicht niet zoo één en onvermengd wezen, het zal ook niet zoo éénzijdig, niet zoo altijd hetzelfde zijn!
Vóór al 't andere zal het menschelijker, ook natuurlijker wezen.
Gezelle is als de boom, dien men niet beoordeelt naar enkele doode takken of verslenste bladeren in z'n kruin, maar naar de geheele harmonie van zijn wezen. Niet één willekeurig uitgezocht blad, niet één tak, niet éens de stam alléén of de kruin alléén, maar de geheel boom zooals hij opgegroeid en opgebloeid is uit de milde aarde, zooals hij daar waait en zwaait onder de blauwe hemelkap in de vrije, onbegrensde lucht; de boom, met wortel, stam, kruin én takken én twijgen én bladeren én knoppen én vruchten misschien, die alleen kan een denkbeeld geven van - dien boom zelf.
Zulke dichters heet men ‘ongelijk’, toegerust met luttel zelfkritiek; van hen zegt men dat zij telkens veranderen,
dat zij nu stijgen, dan dalen; dat zij, in elk nieuw werk, zich veropenbaren als een ander mensch, alsof juist deze veranderlijkheid, deze verscheidenheid, dit onophoudelijke worden, geen kenmerk was van hun hooge menschelijkheid.
En deze kritiek is waar, en Villon en Bredero, Musset en Heine, Hugo en Swinburne, Verlaine en Gezelle, Gorter en Kloos kunnen er de gegrondheid van doen uitkomen.
Men wane echter niet, zooals de kritiek die 'k pas bedoelde, dat deze dichters louter bij gebrek aan zelfoordeel hun allerzwakste verzen onmiddellijk op hun allerverhevenste lieten volgen, - lieten drukken, bedoel ik.
Evengoed als die van mijn eerste kategorie, even zeker en wellicht beter dan de meestbevoegde beoordeelaars zouden zij uit hun gezamenlijk oeuvre het kleiner aantal gedichten kunnen bijeenlezen, waarop het woord: meesterwerk, passen zou.
Waarom zij het dan niet deden?
Och! Omdat zij willen gekend, willen genoten worden - niet als een arm- en beenlooze Terminus, maar als een volledig menschenbeeld. Als een beeld van brons of marmer? Als een Apolloon van 't Belvedere of een Mozes van Michel Angelo?
Neen! Niet als een stuk skulptuur, maar als een stuk leven, als een volledig levend organisme, in welks vorm en ledematen, in welks geheele samenstelling en wezen men kan bestudeeren en navolgen het geheele proces, al de stadiën van hun ontwikkeling, van het embryo af, door de jaren der hoogste rijpheid heen, tot het oogenblik toe waarop het leven ophoudt.
Omdat zij overtuigd waren, dat dit of dat minder mooi geslaagd vers dit of dat volkomen schoone toelicht of verklaart; dat dit op zich zelf onbeduidend stukje de schakel is tusschen twee andere, waar niets op is af te wijzen; omdat zij in elk geval zeker zijn, dat ook wel het grootste deel van die zwakker dingen zal bijdragen tot beter verstaan van het geheel, laten zij aan den Tijd de taak over, om het duurzaamblijvende van het ephemeere te onderscheiden, en het als zulkdanig te ijken.
Wel is waar kost hun die zonde.... van verzuim, van onachtzaamheid, van te groote vrijgevigheid, meer dan ééns heel wat.... van den anders zeker verdienden bijval gedu-
rende hun ‘sterfelijk’ leven, indien het toegelaten is hun voortbestaan in de bewondering van smaakvoller of juister ziende nakomelingen ‘onsterfelijkheid’ te heeten!....
Er is echter nog een ándere reden, waarom Gezelle's poëzie zoo lang als het ware een ‘vox clamans in deserto’ is gebleven.
Deze reden moet men zoeken, niet in haar eigenaardige gebreken, niet in zekere hebbelijkheden of gewoonten en manieren van den dichter, maar in den tijd zelf waarin hij zich ontwikkelde.
Ik acht het hier dan ook de plaats, om even uiteen te zetten, waarom deze tijd den schrijver van Dichtoefeningen en Kerkhofblommen zoo bizonder, zoo noodzakelijk ongunstig was en dit zijn moest.
Zooals ik hierboven meldde, verscheen de eerste uitgaaf van deze beide bundels in 1858.
Welnu, hoe nuchter en onnoozel een cijfer op zich zelf er ook mag uitzien, in dit geval acht ik het toch bizonder interessant, ja, teekenend, kenschetsend in den vollen zin des woords, tegenover 't jaartal 1858 op te geven 1855 als verschijningsdatum van de eerste gedichtjes van het zusterpaar Rozalie en Virginie Loveling en 1858 als dien van De Bestedeling van Jan van Beers. Ik voeg er bij, om de kracht van mijn argument zoo noodig nog te versterken, dat de Geyter's burgerepos, Drie Menschen, in 1864 van de pers kwam, wat genoegzaam bewijst, dat het overheerschen, onder de scheppende litteratoren zelf, van de richting waartoe de bedoelde verzen behooren, geen toevallige of ephemeer-voorbijgaande, maar wel integendeel een lang voorbereide en duurzame was en volkomen met den geest van den tijd overeenstemde.
Laat ik even, in het kleinst mogelijke aantal regelen, de onderscheiden stadiën samenvatten, door de Nederlandsche poëzie in Vlaamsch-België doorloopen sedert 1830, juister, sedert 1815.
Het spreekt wel van zelf, dat - zoo ik de massa verzen, die gedurende de eerste dertig jaren van deze eeuw hier te lande geschreven werden, vereer met den weidschen naam van poëzie, ik dit alleen doen kan door de genade van een
welwillend euphemisme, ‘bij manier van spreken’ aldus - immers, om de zeer eenvoudige reden, dat - buiten een en ander van Leo d'Hulster en buiten de beste verzen uit Willems' Aen de Belgen, al dit geschrijf niets anders is dan de ellendigste rijmelarij die ooit mensch zich denken kan.
Dit staat nu echter vast, dat allen die hier in gindsche jaren de Nederlandsche pen hanteerden, met of zonder opzet diegenen onder de Hollandsche dichters navolgden, welke wij als de toongevende talenten uit dát tijdperk kunnen beschouwen: Helmers, Feith, Tollens en vooral Bilderdijk.
Het doet niets ter zake, of deze invloed van Hollandsche zijde meer moet toegeschreven worden aan het streven van den geleerden en welsprekenden Schrant, een der meest populaire hoogleeraars der Gentsche Universiteit en aan diens even warm Nederlandschgezinde volgelingen, dan wel aan de kracht die voor alle literaire beschaafden hier te lande uitging van de werken van die dichters zelf.
Tegen de meening van anderen in ben ik zelfs geneigd, meer waarde te hechten aan wat ik zou willen heeten het ‘uitstralingsvermogen’ van deze werken dan aan de overreding van de uitstekendste professors. Immers, wij weten toch, dat niet alleen de onder Willems regeering min of meer akademisch ontwikkelden, als J.F. Willems, Ledeganck, Blieck, Blommaert, Snellaert, van Duyse, de Laet weldra, maar ook tal van anderen die geen beter dan het gewone lager volksonderwijs hadden genoten, den invloed van de genoemde Hollandsche poëten ondergaan hadden: ik noem Maria Doolaeghe, Frans Rens, Vrouw Courtmans en de gebroeders Theodoor en Jan van Rijswijck. Wat meer is: ook in de dichtproeven van de voorgangers van deze eerste zangers van de Vlaamsche Beweging, voorgangers die vóór 1817 reeds hun akademische jaren achter den rug hadden, heeft men sporen van Hollandschen invloed voor 't grijpen: K.A. Vervier's in 1820 gedrukte gedichten, die van de in 1787 geboren Dr. J.F. de Hoon, die van Leo d'Hulster, eerst later door Prudens van Duyse uitgegeven, leveren afdoende bewijzen.
En niet alleen in 't opzicht van taal, zegtrant, versbouw, ook in dat van gedachten en onderwerpen ondergingen zij dezen invloed.
Van Feith en Bilderdijk hadden zij hun voorliefde voor
bespiegelende, ja, voor volkomen afgetrokken onderwerpen; van Helmers en Tollens hun dwepen met opgeschroefde vaderlandsche stoffen. Die geheele eerste generatie van onze Zuidnederlandsche schrijvers maakt, ook in haar werken beschouwd, op ons den indruk dat zij is geweest een schaar ijveraars en zendelingen voor éen grootsche en edele, in hun oogen alles en nog eens alles in 't donker stellende taak: geestdrift te wekken voor hun volk, hun taal, hun geboorteland.
Zij bezingen De Zegepraal van 's Lands Onafhankelijkheid, De Akkerbouw, De Schilderkunst, De Vlasnijverheid, Bron van Vlaanderens Welvaart, maar ook Willem van Oranje, Johan van Marnix, Egmond en Hoorn, Jakob van Artevelde.... Zij doen dit in een vaak onnatuurlijke, meestal stroeve en zware, altijd schoolsche taal; zij argumenteeren hun gedichten als pleidooien, redeneeren in plaats van te zingen, teekenen in omtrek met heel stijve, geleerde lijnen zonder kleur of schaduw..., en meten elkanders verdienste naïef genoeg af naar de min of meer knappe wijze, waarop ieder uit tal van aangeleerde ficelletjes: apostrofen, uitroepingen, ondervragingen en wat dies meer, effektjes heeft gehaald.
Van deze schoolmeesterspoëzie verloste ons het in Duitschland geboren, naar herwaarts echter uit Frankrijk overgewaaid romantisme.
Grondig was de ommekeer, welke het romantisme teweegbracht.
Van vaderlandsch werd de poëzie individueel-menschelijk, van bespiegelend werd zij schilderachtig, ja, vlakaf koloristisch. Met het uitheemsche alexandrijn, zoo als Dautzenberg zeide ‘op vreemden grond geboren’, werd, evenals met de rhetorische phraseologie, meer en meer gebroken. Van Rijswijck, Jan de Laet, van Kerckhoven, weldra Heremans, Dautzenberg van Beers, Aug. Snieders, de Geyter, Peeters, al de jongeren in één woord, traden op als besliste aanhangers van het nieuwe evangelie, terwijl meer dan één van de ouderen, met name de allerbesten, Ledeganck, van Duyse, en de veel minder beduidende Rens, zich bij hen aansloten.
Zonderling genoeg - ondanks de lange rij romantische gedichten, welke in de jaren 1840 tot 1855 het licht zagen, - gaat het toch niet aan dezen tijd als een van hoogen dichterlijken bloei te doodverven. Zijn waarde was vooral een negatieve. Het romantisme werkte in onzen literairen damp-
kring op de manier van een zomeronweder: - louterend, zuiverend.
Hoe de produkten van die jaren ook heeten, bij Ledeganck Het Burgslot van Zomergem, bij van Rijswijck Eppenstein, bij van Kerckhoven Bligger van Steinach, bij de Laet De Kruisvaarder, bij van Duyse Het Klaverblad en Egmont, het goede, degelijk rijpe was uiterst zeldzaam. Het allerbeste zal nog wel, mét die paar werken van Prudens van Duyse, van Beers' Livarda en Bij 't Kerkportaal geweest zijn.
Rond denzelfden tijd begon zich evenwel een geheel andere invloed te doen gelden, die - namelijk - van het oude Nederlandsche volkslied. In 1848 had Dr. Ferd. Snellaert, te Gent, de verzameling romancen, balladen, minne- en andere liederen in 't licht gegeven, door J.F. Willems gedurende zijn leven bijeengebracht. In 1852 bezorgde de verdienstelijke man een met tal van moderne teksten verrijkte keuze uit die verzameling onder den titel: Oude en nieuwe Liedjes. Eenige jaren te voren had Willems zelf door de uitgaaf van een in volkstrant bewerkten tekst van het dierenepos Van den Vos Reinaerde het eerst van allen den weg gewezen naar een meer oprecht volkschen, naar een frisscher en zwieriger dichttrant.
En nu aarzel ik niet het te zeggen: indien wij, van 1845 tot 1855, de Zuidnederlandsche poëten zich zien toeleggen op de beoefening van het Germaansche accentvers, hen zien streven naar grooter eenvoud en natuurlijkheid van zeggen, naar den echten volkstoon in één woord, dan komt het mij geheel onhoudbaar voor, deze verandering, die tevens een aanzienlijke verbetering was, toe te schrijven aan den invloed van de Fransche modellen van onze romantische dichters, modellen, van wie het toch wel genoeg bekend is, dat gezochtheid, gezwollenheid en grootsprakigheid er de meest in 't oog vallende gebreken van zijn.
In haast al de niet-metrische gedichten van Dautzenberg, de allerliefste in het Middelnederlandsch geschreven liederen en loverkens van Prudens van Duyse, in De Blinde, Op de Kermis, Blik door een Venster en Bij de Wiege van een Kind des Armen, zelfs in De Heibrand van de Geyter zijn de sporen van dit zuiveringsproces duidelijk waar te nemen.
Toen werd een nieuwe, ditmaal voor lang beslissende stap gedaan.
Op de vereenvoudiging van de uitdrukking volgde de vereenvoudiging van de stof; gedreven door hun aangeboren instinkt, door den liberalen meer en meer op demokratie aandringenden tijdgeest ook wel, onbewust bijna, als van zelf, wendden de schrijvers zich af van het bonte, pittoreske verleden, om een blik te wagen in hun eigen omgeving. Modern, hedendaagsch van taal en dictie werd de poëzie, door een rasse, bijna onverwachte zwenking, zonder overgang haast, modern, hedendaagsch van inhoud.
Ik zeg: bijna zonder overgang.
En inderdaad, van Beers' Blinde ontstond in 1854, en reeds in 1858 voltooide de Dichter De Bestedeling. Kan men zich De Blinde voorstellen in elke eeuw, evengoed in de 17e of 18e als in de onze, ook in elk ander land dan 't onze, De Bestedeling hoort ontegenzeggelijk thuis in onze Vlaamsche gewesten en in ons eigen jaarhonderd. De volle werkelijkheid was 't wel nog niet; van de heusche werkelijkheid was men hier toch uitgegaan. Meer dan éen van de verhaaltjes en schetsjes van de gezusters Loveling, doch vooral de Drie Menschen van de Geyter, zouden ons, al heel spoedig nu, nog heel wat nader tot die werkelijkheid brengen.
En zie - ook nu weer was de verandering een tweevoudige. Alsof zij er van overtuigd waren, dat de zuivere lyriek minder geschikt was om bij de maatschappij, die voortaan voor hen model zou staan, ingang te vinden, rukten zij de epische soorten meer en meer, bijna uitsluitend op den voorgrond, en versnaperden zich aan schetsjes, schilderijtjes en novelletjes en zelfs geheele romans uit het werkelijke leven in Vlaanderen.
Episch en realistisch, - dát was de leus van bijna al onze schrijvers van 1855 tot... nog lang na 70.
Moeilijk zou het vallen, te wederleggen, dat van de onderscheiden stroomingen, tusschen 1830 en 1880 in de Zuidnederlandsche dichting merkbaar, alleen deze derde en laatste duurzaam in de gunst heeft gestaan van het publiek, ongetwijfeld om deze inderdaad licht te begrijpen reden, dat deze realistische epiek beter dan elke andere dichtsoort voldoening schenkt aan den smaak van ons volk.
‘Wanneer wij nagaan,’ zegt Rooses, ‘dat het meest levende gedeelte onzer taal de taal van den huiselijken haard en van
de burgerij is, dat ons volksleven in Zuid-Nederland alleen eene eigen kleur heeft bij onze mindere klassen, en dat onze letterkunde ook alleen kan werken op de burgerij, dan is er niets natuurlijker dan aan te nemen, dat onder elk oogpunt eene waarheidlievende poëzie, die de minderen voor helden, de eenvoudige, ongekunstelde gevoelens voor drijfveeren heeft, het diepst zal wortel schieten en het eigenaardigste zijn zal.’
Laat nu, in een tijdvak van zoo burgerlijk realisme als het pas omschrevene, optreden een dichter voor wie die zoo algemeen begeerde en gezochte werkelijkheid eenvoudig niet bestaat, of althans een die deze werkelijkheid alleen waarneemt voor zooveel als zij zich weerspiegelt in zíjn ziel en als zij inwerkt op zíjn zintuigen; een zanger die óf uitsluitend uitgaat van zijn eigen ik, van zijn eigen gevoel, van de stemming van ieder oogenblik, óf al wat hij hoort en ziet onveranderlijk terugbrengt tot zijn eigen innerlijk leven; een lyrisch dichter bij uitnemendheid aldus, en zeker zal het slechts geringe verwondering moeten baren, indien deze kunstenaar, in zulk een midden als het ware misplaatst, levend anachronisme in zijn eigen land en onder zijn eigen volk, jaren en jaren lang met Naso kan herhalen:
Barbarus híc ego sum quia non intelligor illis.
Dit nu was het geval met Gezelle.
De poëzie van Gezelle is hoofdzakelijk lyrisch - immers, van een afzonderlijke rubriceering van stukken met min of meer beschrijvenden inhoud kan nu toch wel geen spraak meer wezen!
Gezelle's bundels bevatten anders veel, zeer veel ‘beschrijvende’ verzen, en enkele daarvan, vooral in zijn laatsten lijvigsten bundel, Tijdkrans, behooren zelfs tot het voortreffelijkste, dat niet slechts hij alleen, maar ooit iemand in onze lage landen heeft geschreven. Doch ook in die stukken is niet alleen de gang, de toon door en door lyrisch, het gevoel overheerscht er alles, omdat alles er gezegd wordt uit onweerstaanbare behoefte van het hart.
Ik geloof wel, dat ik de kenmerken van zijn lyriek tot twee voorname kan herleiden: zij is in de eerste plaats reli-
gieus, meer bepaald kristelijk, en in de tweede naturalistisch.
Roomsch-Katholiek priester, priester uit ware, innige roeping, priester aldus met zijn heele ziel, is Gezelle, als dichter, een geestverwant van de H. Terezia, van den H. Bonaventura, - men schrikke niet - van Verlaine nu ook.
Toch is hij geen asketisch dichter en evenmin een bespiegelend dichter van de Lamartiniaansche school. Hij is mystiek, maar mystiek op de meest naïeve, op de meest natuurlijke wijze, zonder eenig opzet, zonder eenigen wil om het te zijn. Hij is mystiek, zooals dat liefelijke vijftiendeeeuwsche nonnetje, zuster Bertken van Utrecht, niet zooals b.v. de zestiende-eeuwsche Anna Bijns, behalve wellicht in een enkel van haar refereinen, haar meesterstuk, dát op de Lente.
Wat hij uitspreekt is niet de godsvereering van een geleerd theoloog, niet de anti-wereldsche heilige furor van een ijveraar, niet het gloeiend, meesleepend predikerswoord van een apostel, maar het stille geloof en het innige vertrouwen van... de Vlaamsche landlieden, wier zoon hij is.
In de gedichten van zijn eerste periode staat hij blijkbaar nog onder den invloed van wat men zoo terecht heeft geheeten de dichterlijke taal. Heel wat eerzame rhetorijke, overgehouden uit al te vaak herhaalde lektuur, kan men opdiepen uit de Dichtoefeningen, zoo o.a. het tot tien, twaalfmaal toe herhaalde: 't ls schoon, in het eerste stukje van dien bundel, Principium a Jesu.
Doch, ook dáar reeds treft men op elke bladzijde eigen, eigengevonden beelden, verzen mooi en vol van klank -, hoe onparnassiaansch zij dan ook mogen wezen.
En onder andere stukken meer, als b.v. De Beltrommel, samenspraak tusschen den engel en de bedroefde ziele, een gedicht, zooals Bunyan en Luyken er schreven, en als de ode: Aan de Leeuwerke in de Lucht, dat, wellicht wat lang, toch haast even mooi is als de Skylark van Shelley, is er een, dat als het summum mag beschouwd worden van Gezelle's kunnen in de jaren 1856-1862, namelijk O 't Ruischen van het ranke Riet.
In zijn latere bundels, in Gedichten, Gezangen en Gebeden en nu ook weer in Tijdkrans, stuit men minder en minder op sporen van den hooger aangeduiden invloed. Melodieuzer, eenvoudiger roerende liederstrofen dan die van het medegedeelde stukje gaf hij echter ook daar niet zoo heel dikwijls, misschien een enkele maal in de vier eerste strofen van het stuk, Als ge naar het kooren luistert, de beschrijving van een op en neer wiegelend korenveld, in den bundel van 1893.
Ik weet niet, of het wel ieder zoo treft, maar in verscheiden gedichten van deze laatste periode hoor ik iets als de stem van Jan Luyken. Van navolging is hier natuurlijk geen spraak; maar de verwantschap kan, dunkt mij, moeilijk geloochend worden.
Somtijds verneemt men in die religieuze poëzie iets als een snerpenden kreet, een gil van een lichamelijk lijdenden mensch.
Ik geloof niet, dat er in Verlaine veel klachten voorkomen, inniger, intenser dan b.v. deze:
Wellicht is het in zijn derden bundel, dien van 1863, dat eenige van zijn voortreffelijkste religieuze stukken zijn opgenomen, ik bedoel: O 'k sta mij zoo geren te midden in 't veld, Blijdschap, en Dank, o die mijn zonden.
De Roomsch-Katholieke priester mag het mij niet kwalijk nemen, indien ik deze stukken vergelijk met de beste verzuchtingen van den door vele katholieken erg onkristelijk miskenden kristen-dichter bij uitnemendheid, Paul Verlaine.
De weelde, de zieleweelde van den geloovigen priester op 't oogenblik dat hij het misoffer opdraagt, is uitgedrukt in Blijdschap.
Er is heel zeker verschil van toon, verschil van stem, - verschil ook wel, ik wil het gaarne erkennen, van volmaaktheid en zuiver artistieke schoonheid. Al wie Verlaine kent in zijn beste bundels, Sagesse, Amour, Bonheur, moet echter, even-
als ik, in verzen als die we pas voorlazen, iets als een weergalm vernemen van gedichten als dit XII uit eerstgenoemden bundel:
of als XX, C'est la fête du blé, c'est la fête du pain, of, in Amour, van stukken als Prière du Matin, Un Conte, en vooral, nog eens in Sagesse, die onvergeetlijke sonettenkrans: Mon Dieu m'a dit: Mon fils, il faut m'aimer, en die nog mooier litanie: O mon Dieu, vous m'avez blessé d'amour.
Men beelde zich nu niet in, dat de Westvlaamsche dichter niets zou geschreven hebben dan wat ik graag zou noemen immediaat-godsdienstige verzen, gebeden en verzuchtingen, of ook verheerlijkingen van het priester- en kloosterleven, zooals b.v. het Longfellow eenigszins nagevolgde Excelsior of Pastoor Boone.
Meestal is het de natuur, welke Gezelle bezingt, de natuur die hij zoo goed kent en zoo diep voelt, de Westvlaamsche veldnatuur, - de lieve, stilvloeiende Mandel en de vroolijke, tusschen helgroene weiden kronkelende Leie, het eigenaardige leven in de Vlaamsche pachthoeve, de afwisselende jaargetijden, het spruiten van het vroege lentegras en het afvallen van de roode en bruine bladeren. Doch hij doet het meestal - niet altijd - als een priester, die al wat in hem omgaat, alles wat buiten rond hem omgaat, beschouwt als openbaringen Gods, of als een eenvoudige geloovige, die elke van zijn daden, elk van zijn woorden, elke van zijn gedachten nederig opoffert aan zijn God. Zoo ziet hij den ‘gyrinus natans’ op de oppervlakte van de beek den naam schrijven van God; laat hij ‘blomme, beke, nachtegaal, - windenstemme, dondertaal, - blanke, bleeke manestraal’ - God loven in zijn zangen; zoo stelt hij het blinkend azuren hemelruim voor als een spiegel, waarin de hand van den grooten kunstenaar ‘wrocht’ de zon, de maan, de sterren, de groene aarde en de nijvere
menschen; zoo ziet hij in den leeuwerik het beeld van zijn ziel, verlangend naar de heerlijkheid van den hemel; zoo leidt hij, als een verheven les,
af uit het gedoe van kalkoenen, eenden, kippen op een pathoefplein.
Als naturalistisch dichter, - ieder lezer vat natuurlijk wel, dat ik het epitheton naturalistisch hier gebruik in zijn oorspronkelijken zin, - werd Gezelle door weinigen geëvenaard.
Ik erken gereedelijk, - en reeds in een overigens volkomen waardeloos opstel van 1876 wees ik daarop met jeugdigen overmoed, - dat, in de gedichten van de eerste periode de beste natuurschilderijen vaak vermoeien door te lang uitgesponnen tiraden, door wel wat op effekt berekende herhalingen, terwijl de trant van bedoelde stukken, zoo o.a. van De Mandelbeke, Boodschap van de Vogels, Pachthofschilderinge, soms wat doet denken aan Het Masker van de Wereld en aan Jakob Cats. Van beiden schijnt, in die jaren, mijn dichter heel wat woordenovervloed te hebben overgenomen, en het zou mij heel gemakkelijk vallen deze bewering met geheele passages uit de twee laatst genoemde stukken zegevierend te bewijzen.
Zeker is het, intusschen, dat - ook dán alreeds, Gezelle reeds een benijdenswaardig observatievermogen paarde met een verbazend gemak tot het vinden van het juist passend en schilderend woord.
Lezen wij, in Principium a Jesu, strofen als deze twee, welke op voortreffelijke wijs den algemeenen aanblik van een rijpend korenveld of de teere broosheid van een pas uitspruitend halmpje uitdrukken:
in Pachthofschilderingen vergt, om er maar éen aan te halen, volgende vizie van uit hun dakkooi opfladderende en straks, om te eten, neerstrijkende duiven, niets minder dan bewondering.
Nog wat wijdloopig, wat woordenrijk, niet zoo beschränkt als het bij een Goethe b.v. zou kunnen wezen! 't Zij zoo - maar wat al aardige trekjes bevat dat tafereeltje niet! De lezer gelieve vooral op te merken, hoe de woorden door hun klank, hoe de verzen door hun gang, hoe de geheele passage door haar beweging, én het roedekoeën, én het vliegen, scheren, klapperen, neerstrijken, zich generen, den geheelen handel en wandel van de duiven zichtbaar en hoorbaar voorstelt - alles, zonder de verveling van de gezochte, ouderwetsche harmonie imitative.
De Waterspiegel is - ofschoon aan 't zelfde euvel labo-
reerend - een wonderbaar gedicht, dat ik gaarne in zijn geheel wilde overschrijven.
Zooals ik hooger zeide, is die spiegel het doorschijnend ether, waarin de lieve God alles maakte - miek zegt Gezelle, en wat maal ik er om! - wat is.
Nu wil ik mij, kortheidshalve, beperken tot slechts weinige verzen, waaraan zeker wel niemand eigenaardigheid zal ontzeggen.
God miek in dien spiegel, zegt Gezelle:
Ook in Gedichten, Gezangen en Gebeden komen eenige stukken voor, die verdienen meegerekend te worden tot de parelen van onze hedendaagsche poëzie.
Een daarvan is getiteld Tot de Zonne.
't Is de verzuchting, de teerinnige verzuchting van een bloempje, dat zich voelt sterven, zacht wegsterven in ieder duister, zich alleen voelt leven, in fleur en geur en kleur leven - d.i. zich bloem, werkelijk bloem voelt, als de zon op haar lacht. Verzen van een zeldzame, bijna zijden teer - en zachtheid.
Een ander mooi gedicht is: Van de Wilgen - de melancholische boomen, die hun grijsgroen loof van ver nederbuigen over de stilvarende Mandelrivier.
Ze is iets eigenaardigs en treffends, die liefde en vereering van de dichters, van haast àlle dichters, voor de boomen. Zonder mijn toevlucht te nemen tot aan de Oudheid ontleende voorbeelden, kan ik toch niet nalaten, even, in 't voorbijgaan, aan een paar Fransche, evenveel Duitsche en Nederlandsche poëten te herinneren, die ons voortreffelijke boomgedichten geschonken hebben.
Die liefde tot die groote honderdarmige, breedkruinige broeders, uit wier bladerenparuik als 't ware de frischheid op ons druppelt op heete zomerdagen, die liefde, die bewondering, Ronsard had ze, beide, heel hoog en edel, en de Laprade inspireerde dit dubbele gevoel eenige van de allervolmaaktste verzen, die van hem bekend zijn.
Ronsard had ze, en wij zijn er het bezit aan verschuldigd van eenige van de voortreffelijkste verzen, welke hij heeft geschreven, namelijk, van die uniek-mooie elegie Contre les Bûcherons de la Forêt de Gastine, aanvangend, dadelijk, met dit monumentale vers, breed en hoog als 't woud zelf:
Victor de Laprade had ze, en ze bezielde hem tot het schrijven van de bladzijde, die zeker wel voor de eeuwen,
oeternitati geschreven is, dat Poème de l'Arbre, waarvan Coppée zoo terecht zeide: ‘Aucune analyse ne vant la vue des chefs d'oeuvre... ; l'éloge doit faire ici place à la citation.’
‘Vers impérissables,’ zooals Coppée ze noemde, ‘destinés à rayonner dans le trésor des anthologies comme les planètes dans le ciel d'une nuit étoilée.’
Gottfried Keller ook verstond en begreep de boomen. Zijn gedicht: Waldlied, ‘Arm in Arm und Krone an Krone steht der Eichenwald verschlungen,’ is wellicht zijn allerschoonste.
De beide gedichten Onder de Linden uit Potgieters Nalatenschap van den Landjoker, noch zijn koepletten (73-98) over het Bosch van Fontainebleau uit het vijftiende hoofdstuk van den cyklus Gedroomd Paardrijden, noch zijn, nog oudere, van 1863 gedagteekende Heugenis aan Wolfhezen, kunnen evenmin als Starings Aan mijne Dennen met Keller's of de Laprade's veel dichter bij de natuur staande verzen vergeleken worden.
Eerst onzen West-Vlaamschen meester danken wij, in eigen taal nu, een vijftal stukken, die voor de boomgezangen van de pasgenoemden geenszins moeten onderdoen. Niet in een enkel oogenblik van hun bestaan, niet in een enkele van hun naar weer en seizoen afwisselende gedaanten en verschijningen schildert hij ze ons. In zijn verzen staan zij nu eens in de volle, stille rust van hun rustigen groei, dan weer in de koninklijke purperdracht waarin zij zich hullen vóór hun jaarlijksch doodgaan in den Herfst, dan weer, naakt en
ellendig zich verdedigend met geknotte takknuisten tegen de reuzen van storm en Winter.
Van de Wilgen is het eerste en oudste van deze gedichten; de andere vinden wij in zijn jongsten dichtbundel, Tijdkrans. Van de Wilgen is een beeld van vrede, minder wijsgerig dan Le Poème de l'Arbre van de Laprade, maar niet minder pittoresk en zeker meer waar. Vooral door zijn frischheid, zijn maagdelijke, morgenvroege frischheid, evenzeer als door de oorspronkelijkheid van den vorm munt dit schilderijtje uit.
Ik wil maar even terloops attent maken op de kleurvizie van dit schilderijtje. Ik vraag, wie van alle dichters van vóór 1880 dat luministisch tintje, zoo modern en subtiel als in den besten Claus of den stoutsten Monet, aan een van zijn verzen heeft weten te geven?
Van de boomgedichten uit Tijdkrans wil ik er maar twee vermelden: Morituri en Mors mortua tunc est, 't eerste een herfstvizioen, 't ander een voorgevoel van Lente; 't een een
aangrijpend beeld van den dood, 't ander een profetie van nieuw leven.
Wat lang, wederom wat lang misschien, zoo 't een als 't ander, maar hoe onvergetelijk mooi zijn, in beide, de werkelijk goede verzen. 't Is een breed en stout gepenseeld stuk, dit tafereel van de Bamis, d.i.: Baafmis- of Najaarsboomen!
Nu 't andere stuk. Was Van de Wilgen een beeld van rust en vrede, dit nu is een vizioen van passie, een werkelijk ‘laatst oordeel’ van windwervelen en orkaanrukken! Wat hier vooral mooi is, namelijk, de negen eerste strofen, is mede een herfstgezicht.
Trof in de pas voorgelezen verzen vooral het koloristische, hier grijpt ons de beweging aan. 't Is een echte reuzenstrijd van den winterwind met de boomen!
In Vertijloosheid verdienen Ze slapen nog, Betula alba, Peren, Hoe zeere (snel) vallen ze af, gansch bizonder vermeld te worden.
Er zou geen eind aan komen, moest ik ook maar even verwijlen bij al de gedichten uit Tijdkrans waarin Gezelle's gave, om het in de natuur waargenomen te veraanschouwelijken, tot haar recht komt. Wintereffekten zou ik u dan kunnen toonen, zooals op bl. 50, de komende vorst en sneeuw:
of zooals, op bl. 146, dit vallen van de sneeuwvlokken:
of zooals op bl. 54-55, de boomen in hun wintergewaad, geschilderd met het penseel van Apol:
morgenden in 't vroegste voorjaar, wanneer 't nog vriest maar de zon toch reeds haar best doet om te dooien, zoo als bl. 90:
avonden ook, zoo vol zoeten vrede, zoo vol mysterieuze stemmen, die spreken - van waar? wie zal 't zeggen? - rondom, overal, zooals op bl. 179:
en nachten, middernacht-nachten, diep en donker, gevangenisstil, neen, kerkhofstil, waarin niets spreekt, niets roert, dan de slagen van de hangklok, zooals op bl. 365, Tempus edax:
Nog twee gedichten komen er voor in Tijdkrans, waarvan ik gaarne een woord wilde zeggen. In 't een, bl. 56, beklaagt Gezelle de arme bonte kraaien, die, 's Winters, nog slechts worm of slak vinden kunnen als karig voedsel voor ‘hun taaie darmen’; in 't ander, op bl. 323, beschrijft hij de raven, scherend, in spookachtige vlucht, over de sneeuwbedolven Vlaandersche akkers.
Dit laatste is een bladzijde van zeldzame waarde, Vondeliaansch door den breeden opzet en de grootsche teekening. Deze alexandrijnen komen, evenals dat proza, waar van Deyssel zoo heerlijk geniaal van houdt, ook zij komen op ons af met hoogopgeheven hoofd en met breede gebaren van handen.
Doch, ik merk het wat laat, nog tijdig toch.
Haast al de laatst nu aangehaalde voorbeelden munten vooral uit door kracht en pracht van dictie, kernachtigheid van taal, intensiteit van kleur, stoerheid van teekening.
En toch is Gezelle, waar het pas geeft, waar de stemming het meebrengt, de allerteederste van onze poëten.
Vrouwelijk teer, kinderlijk teer en week kan hij zijn, is hij inderdaad, zoodra hij b.v. van bloemen spreekt of de bloemen zelf laat spreken, zooals in het heerlijke stuk op bl. 162, ‘Alre creature sake ende yersticheit’, en op bl. 193, ‘Als je naar het kooren luistert.’ (Tijdkrans.)
Hoe lieflijk zijn die bloemen, bloeiend, ‘langs de watergracht’, doende, ‘in Gods zonneschijn,’ niets anders dan ‘blomme zijn’:
Doch niet alleen, waar hij de indrukken weergeeft, die de natuur in hem verwekt, ook waar hij zijn intiemste gevoelens, niet die van den priester, maar eenvoudig die van den mensch uitspreekt, weet Gezelle woorden te vinden, streelend zacht als dons van heel zachte veertjes, innig zoel en warm als de zoete adem uit een kindermond.
Vooral in Gedichten, Gezangen en Gebeden komen van die stukjes voor, echte konfidenties, ware verzuchtingen der ziel, zoo innig eenvoudig als 't eenvoudigste en innigste, dat men zich denken kan.
G' hebt dan ook dat bitter water, - Hoe vaart Gij, - o Vriend, wat schaadt of baat het ons, - Ik misse u, - Dien avond en die Rooze, - maar vooral Een Bonke Keerzen, Kind! en Mocht ik, verdienen in dit opzicht vermeld te worden.
Kan het hartelijker, simpelder, meer van zelfs, dan in dit laatste stukje?
Er zijn, in een van Gezelle's bundels, in den derden naar tijdsorde, een verzameling Kleengedichtjes, - vluchtige invallen, losse impressies, gauw gauw opgeteekend zoo als zij... kwamen..., onvoltooide stukjes en ook wel onvoltooide strofen, - welke ons, ofschoon lang niet alle even mooi, juist daarom lief zijn, omdat zij veeltijds in uiterst gelukkigen vorm de meest subtiele, meest fijne schakeeringen des gevoels, de meest onvatbare, onstoffelijke gedachten uitdrukken.
Ook in deze stukjes verraadt zich, telkens en telkens, de geboren lyrische zanger, die, bij wien, in waarheid en werkelijkheid, de stemming niet komt zonder haar eenig passenden vorm, bij wien elke gedachte, als Minerva met helm en
harnas uit Zeus' hersens of heup, zoo, zij nu, met al den zwier van 't volmaakte vers te voorschijn komt.
Voelt men 't niet bij 't louter lezen, ook zonder zelf poëet te zijn, dat b.v. dit kleine stukje niet gemaakt is, maar zoo, in ééns, van zelfs geboren?
Kan men zich indenken, dat het volgende nachtimpressietje met andere verven, ik bedoel: met andere woorden, in een andere versvorm, ook is weer te geven?